CConstaterende datGroningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Onderbouwing omgevingsplanwijziging De Suikerzijde deelgebied Noord

gemeenteraad 16 september 2026, gemeente GroningenBij agendapunt: 5i: Vaststelling Omgevingsplanwijziging 4 gemeente Groningen (raadsvoorstel 24-06-26)26.028 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

22 Wijziging omgevingsplan De Suikerzijde deelgebied Noord Toetsing aan de Verordening doelgroepen woningbouw Groningen 2020 Op het uitwerken van het voornemen is de Verordening doelgroepen woningbouw Groningen 2020 van toepassing. Bij nadere ontwikkeling dienen de regels hieruit in acht te worden genomen. Voor onderliggende wijziging van het omgevingsplan vormt de verordening vooralsnog geen belemmering. Toetsing aan Ruimte voor Retail De wijziging van het omgevingsplan voor deelgebied Noord van De Suikerzijde, met een verhoging van de programmering van 12.500 m² naar 55.000 m² aan commerciële en maatschappelijke voorzieningen, sluit aan bij de uitgangspunten van de detailhandels- en horecavisie Ruimte voor Retail uit 2021. De verhoging van het aantal woningen van 750 naar 2.500 vraagt logischerwijs om een evenredige uitbreiding van het voorzieningenniveau. Met de groei van het aantal bewoners (ruim drie keer zoveel als oorspronkelijk gepland) ontstaat een substantieel groter draagvlak voor detailhandel en horeca. De uitbreiding van de voorzieningenruimte zorgt ervoor dat de bewoners van dit nieuwe hoogstedelijke gebied op loop- en fietsafstand toegang hebben tot dagelijkse voorzieningen, conform het 'leefbare wijken en dorpen' uitgangspunt van de retailvisie.

In de retailvisie worden ontwikkelzones zoals De Suikerzijde expliciet genoemd als gebieden waar passende voorzieningen moeten worden gerealiseerd. Specifiek voor De Suikerzijde stelt de visie dat er ruimte is voor een eigen centrum met boodschappenaanbod, dat meegroeit met de ontwikkeling. De visie benadrukt het belang van fasering, waarbij voorzieningen logisch kunnen meegroeien met de demografische ontwikkeling van een gebied. De programmering van 55.000 m² biedt ruimte voor: een fijnmazig netwerk van dagelijkse voorzieningen (supermarkten, versspeciaalzaken); horeca die bijdraagt aan de ontmoetingsfunctie en de leefbaarheid van het gebied; maatschappelijke voorzieningen die essentieel zijn voor een complete wijk; ruimte voor lokaal ondernemerschap en bijzondere concepten. De verhoging van de voorzieningen in De Suikerzijde ondersteunt daarmee de transformatie van dit gebied tot een gemengde woon-werkzone met een rijk voorzieningenaanbod. Toetsing aan mobiliteitsvisie Met de wijziging van het omgevingsplan worden geen aanpassingen mogelijk gemaakt aan de infrastructuur. Het voornemen is nog steeds om een stadsdeel te creëeren met efficiënte, schone en gezonde mobiliteit. Daar wordt met dit voornemen geen afbreuk aan gedaan. Verkeer, parkeren en infrastructuur wordt verder behandeld in paragraaf 4.15.

Hoofdstuk 4 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) In dit hoofdstuk wordt de gewenste ontwikkeling getoetst aan verschillende aspecten uit de fysieke leefomgeving. Indien noodzakelijk worden deze aspecten nader gemotiveerd met een onderzoek. De aspecten die worden behandeld zijn: geluid; bodem en grondwater; onder- en bovengrondse infrastructuur (kabels en leidingen); luchtkwaliteit; omgevingsveiligheid; geur; milieueffectrapportage; 23 Wijziging omgevingsplan De Suikerzijde deelgebied Noord milieuzonering; lichthinder en schaduw; ecologie; groen; archeologie, cultuurhistorie en landschap; trillinghinder; water; verkeer, parkeren en infrastructuur; gezondheid; klimaatadaptatie; uiterlijk en plaatsing van bouwwerken; windhinder; duurzaamheid & energie; niet gesprongen munitie. De beoordeling van de gewenste ontwikkeling aan de omgevingsaspecten helpt bij de beantwoording van de vraag of het initiatief bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.1 Geluid 4.1.1 Wettelijk kader Besluit kwaliteit leefomgeving In het kader van het beschermen van gezondheid en het milieu heeft de wetgever regels gesteld in afdeling 3.5 van het Besluit Kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) over geluid.

Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidsgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Geluidgevoelige gebouwen In artikel 3.21 Bkl staan geluidsgevoelige gebouwen aangewezen. Dit betreft 'een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidsfunctie of een bijeenkomstfunctie'. Voor geluidsgevoelige gebouwen gelden standaardwaarden en grenswaarden (artikel 3.23 Bkl). Deze waarden hebben als doel de gezondheid van mensen te beschermen. De standaardwaarden en grenswaarden voor geluid gelden voor bestaande bouw op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en voor nieuwbouw op de locatie waar de gevel van een geluidsgevoelig gebouw mag komen. In paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl staan instructieregels voor het verwerken van geluid in het omgevingsplan. Het omgevingsplan moet voldoen aan de instructieregels zodat het omgevingsplan voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Paragraaf 32.3.4 omgevingsplan Deze paragraaf bevat regels over geluid dat door een activiteit wordt veroorzaakt op een geluidsgevoelig gebouw en is toegestaan op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning.

Omgevingsverordening provincie Groningen (POV) Provincie Groningen heeft in de POV regels gesteld die van toepassing zijn op omgevingsplannen die regels hebben over het buitengebied of het stedelijk gebied. De provincie heeft deze regels gesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden. In paragraaf 3.4.5 van afdeling 3.4 van de POV staan instructieregels (artikelen 3.39 en 3.40) voor gemeenten over het reguleren van geluid in het omgevingsplan. 24 Wijziging omgevingsplan De Suikerzijde deelgebied Noord In afdeling 3.6 van de POV staan instructieregels voor gemeenten over het borgen van stilte (en duisternis) in het omgevingsplan voor het buitengebied. De provincie heeft bepaalde gronden aangewezen als 'stiltegebied' en gronden aangewezen als 'stilte en duisternis'. De gemeente dient in haar omgevingsplan rekening te houden met deze aangewezen gebieden. Ook bij het verrichten van activiteiten in de aangewezen gebieden moet rekening worden gehouden met de inhoudelijke regels die gelden (artikelen 4.8 en 4.11).

4.1.2 Toetsing initiatief aan omgevingsaspect Industrielawaai In het kader van de onderliggende ontwikkeling is in 2024 aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting van industrieterrein Groningen-West-Hoogkerk op de nieuw te realiseren geluidsgevoelige gebouwen (woningen) in deelgebied Noord. Industrieterrein Groningen-West-Hoogkerk is een terrein waar activiteiten zijn toegestaan die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. Door de lichtere activiteiten op het voormalige terrein van het bedrijf Solidus neemt de geluidbelasting op het plangebied af en kan de zone waarbinnen geen geluidsgevoelige functies zijn toegestaan (hierna: geluidzone) worden verkleind. Op dit moment is dit echter nog niet planologisch vastgelegd. Daarom is uitgegaan van de huidige planologische mogelijkheden in het akoestisch onderzoek. Door deze verkleining vallen er geen geluidgevoelige functies binnen de 50 dB(A) geluidbelastingcontouren, ook niet voor functies met bouwhoogtes van 38 meter en eventuele hoogteaccenten tot 70 meter. Het akoestisch deelonderzoek naar industrielawaai is opgenomen als Bijlage 2 en wordt ook behandeld in de oplegnotitie MER (zie Bijlage 1). (Spoor)wegverkeerslawaai In het kader van het MER van 2020 is een gecombineerde effectbeoordeling uitgevoerd voor weg- en railverkeerslawaai.

Ten opzichte van 2020 leidt de vergroting van het programma tot gewijzigde verkeersintensiteiten op verschillende wegen. Destijds is gebruikgemaakt van het verkeersmodel Groningenplus (2019), terwijl nu het model Govem 2.0 (2025) is toegepast. Hierdoor ontstaan verschillen in verkeersintensiteiten (zie paragraaf verkeer 4.15.2). Bij de geluidsberekeningen zijn de verkeersgegevens aangevuld zoals beschreven in bijlage 1 van de oplegnotitie MER (zie Bijlage 1). De uitgangspunten voor railverkeer blijven gelijk. Dat wil zeggen dat voor de railverkeerintensiteit en bijbehorende geluidemissie rekening is gehouden met het project 'extra sneltrein Groningen - Leeuwarden' en een mogelijk spoorverdubbeling ter hoogte van het plangebied. Voor bestaande woningen zijn de effecten beperkt. Voor nieuw te bouwen woningen en woonboten langs drukke ontsluitingswegen, en nieuwe woningen nabij het spoor zijn er wel negatieve effecten als gevolg van een hoge geluidbelasting. Op basis van de oplegnotitie MER kan worden gesteld dat dit bij de voorgenomen programmering een gelijk effect heeft als beoordeeld in 2020. Er zijn ten behoeve van het voormalige bestemmingsplan 'De Suikerzijde, deelgebied Noord' hogere waarden besluiten in het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) genomen.

Deze zien specifiek op woningen langs de Stadsstraat, Spoorstraat, Hoendiep, Singel, en de spoorlijn Groningen - Leeuwarden. Binnen deelgebied Noord worden woningen gerealiseerd langs wegen met een etmaalintensiteit waarde van meer dan 1.000 motorvoertuigbewegingen/etmaal. In het kader van het Bkl zijn deze relevant. Dit was eerder onder de Wgh niet het geval. Hiertoe is in een onderzoek door Noorman (2025) inzichtelijk gemaakt wat de geluidswaardes op de geprojecteerde gevels vanwege deze wegen is. In Bijlage 3 is het onderzoek toegevoegd. De berekende geluidbelasting op de bouwvelden door de interne wegen bedraagt ten hoogste Lden = 59 dB in de plansituatie met 2.500 woningen en Lden = 64 dB in de situatie met 5.500 woningen. Vergeleken met 25 Wijziging omgevingsplan De Suikerzijde deelgebied Noord het onderzoek uit 2020 is de geluidbelasting in beide doorgerekende modelvarianten lager. Er zijn dan ook geen nieuwe overschrijdingen vastgesteld ten opzichte van de reeds genomen hogere waardenbesluiten in het kader van de Wgh. In de rapportages van 2020 (rapport 21910194.R01a en 21910194.R03a van Noorman, behorend bij het voormalige bestemmingsplan 'De Suikerzijde deelgebied Noord') is reeds ingegaan op de aanvaardbaarheid van het geluid en de eventuele mogelijkheden ter beperking van de geluidbelasting.

Daarin is geconcludeerd dat maatregelen ter beperking van de geluidemissie, zoals het toepassen van stil asfalt of het verlagen van de snelheid, en overdrachtsmaatregelen zoals geluidschermen, stuiten op stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige of technische bezwaren. De berekende niveaus worden als passend beschouwd binnen een stedelijke omgeving. Bovendien worden de woningen uitgevoerd met een goede geluidwerende gevel, conform de geldende nieuwbouweisen. Daarmee wordt een acceptabel akoestisch binnenklimaat voldoende geborgd (33 dB volgens het Bbl). Geluid elders De verkeersaantrekkende werking van het voornemen kan ervoor zorgen dat elders, buiten het plangebied, meer geluid wordt veroorzaakt. Dit worden indirecte akoestische effecten genoemd. Uit het akoestisch onderzoek van Noorman (2025) blijkt dat er op een aantal geluidgevoelige gebouwen de toename als gevolg van indirecte akoestische effecten meer dan 1,5 dB bedraagt. Het gaat om vijf woningen waarbij de toename tussen de 1,5 dB en 2,4 dB ligt (zie bijlage 4 van het akoestisch onderzoek van Noorman, 2025 in Bijlage 3 van de onderbouwing). Uit het Bkl (artikel 5.28af, derde lid) volgt dat het omgevingsplan hierin kan voorzien als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen, de toename zoveel mogelijk wordt beperkt en de grenswaarde niet wordt overschreden.

Daarnaast dienen geluidbeperkende maatregelen financieel doelmatig te zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard zijn. Het gecumuleerde geluid dient als aanvaardbaar worden beoordeeld. Met gebruik van de methode Miedema kan de beoordeling plaatsvinden. In onderstaande tabel is de methode weergegeven. Tabel 4.1: Methode Miedema Gecumuleerd geluid [Lden] | Kwalificatie < 45 | Zeer goed 46 - 50 | Goed 51 - 55 | Redelijk 56 - 60 | Matig 61 - 65 | Tamelijk slecht 66 - 70 | Slecht > 71 | Zeer slecht Het gecumuleerd geluid is in dit geval gelijk aan de Lden waarde, omdat er geen andere relevante geluidsbronnen zijn in de omgeving van de geluidgevoelige gebouwen. Het gecumuleerd geluid van de betreffende woningen ligt tussen Lcum = 50 dB(A) en in het ergste geval Lcum = 58 dB(A). Zonder toename van de geluidbelasting was hier sprake geweest van een bandbreedte van Lcum = 48 dB(A) tot Lcum = 57 dB(A). In de oude situatie kan het gecumuleerd geluid beoordeeld worden als goed tot matig. In de nieuwe situatie is de beoordeling aangepast naar matig. Dit wordt nog als aanvaardbaar geacht gezien de locatie in het stedelijk gebied en nabij wegen.

Bovendien verslechtert de geluidssituatie over het algemeen niet dusdaning ten opzichte van de oude situatie dat er sprake is van een algemeen aangepaste kwalificatie. 26 Wijziging omgevingsplan De Suikerzijde deelgebied Noord Maatregelen ter beperking van de geluidemissie, zoals het toepassen van stil asfalt of het verlagen van de snelheid, en overdrachtsmaatregelen zoals geluidschermen, stuiten op stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige of technische bezwaren. Deze maatregelen worden bovendien financieel niet doelmatig geacht. Een andere bronmaatregel zou zijn om de intensiteit van het verkeer te verminderen, en daarmee het programma. Dit is niet gewenst gezien het belang van een op de behoefte aansluitende woning- en voorzieningenprogrammering en het gemeentelijk beleid op het ontwikkelen van de zogenoemde ontwikkelzones. Vaststelling gezamenlijk geluid deelgebied Noord Uit het akoestisch onderzoek (Noorman, 2025, Bijlage 3) volgt dat er sprake is van een overschrijding van de standaardwaarden. Het gezamenlijk geluid dient daarom te worden vastgesteld in het omgevingsplan (artikel 5.78ad Bkl). Onderliggende wijziging van het omgevingsplan ziet hierop. De huidige hogere waardenbesluiten blijven gelden tot het moment dat de regels over het gezamenlijk geluid van ‘Omgevingsplanwijziging 4 gemeente Groningen’ in werking treden.

Op dat moment worden de hogere waarden binnen het plangebied ingetrokken en worden de regels zoals opgenomen in dit omgevingsplan onherroepelijk. Naast het gezamenlijk geluid geldt voor de binnenwaarde 33 dB (artikel 4.103 Bbl). Daarmee is de benodigde karakteristieke waarde van de gevelwering van nieuw te bouwen woningen voldoende geborgd. Externe werking Natura 2000-gebied Leekstermeergebied Ten behoeve van de beoordeling van de externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden is onderzocht wat de wijziging van de programmering doet met de geluidbelasting op het Natura 2000-gebied de Leekstermeergebied. Hierbij is gekeken naar het verschil tussen de huidige situatie (referentiesituatie, 0 woningen) en 2.500 woningen met bijbehorende voorzieningen. De uitkomsten van het onderzoek zijn opgenomen in de voortoets Natura 2000-gebieden (zie paragraaf 4.10.2) en bijgevoegd als Bijlage 4. Voor zover de geluidbelasting in het ontwikkelscenario met 2.500 woningen al hoger is dan in de referentiesituatie, is dit minimaal en bedraagt deze toename niet meer dan 0,1 dB. Stiltegebied Het plangebied heeft geen betrekking op gronden die zijn aangewezen als 'stiltegebied' of 'stilte en duisternis' uit de POV. Er wordt voldaan aan de instructieregels uit de POV. 4.1.3 Conclusie Het initiatief is niet in strijd met het omgevingsaspect geluid.

4.2 Bodem en grondwater 4.2.1 Wettelijk kader Besluit kwaliteit leefomgeving Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. 27 Wijziging omgevingsplan De Suikerzijde deelgebied Noord De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem. Dit doet de gemeente door in onderlinge samenhang de volgende onderwerpen te regelen: Bescherming van de bodem tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen. Evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de bodemkwaliteit. Duurzaam en doelmatig beheer van resterende historische verontreinigingen en aantastingen. Toepassen Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. Bouwen De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast.

Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens, zoals opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. Deze regels dienen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Omgevingsverordening provincie Groningen (POV) De afdelingen 3.8 en 4.6 van de provinciale omgevingsverordening bevatten regels over hoe de gemeente moet omgaan met grondwaterverontreiniging. Als een grenswaarde overschreden wordt dan dient de grond gesaneerd te worden. Activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden (Afdeling 4.7) Deze afdeling gaat over het beschermen van grondwaterbeschermingsgebieden. De provincie wil verzekeren dat de grondwaterbeschermingsgebieden voldoende beschermd worden en hebben daarom enkele regels opgesteld. De gemeente moet rekening houden met deze regels. Activiteiten met betrekking tot gesloten stortplaatsen (Afdeling 4.8) Deze afdeling gaat over activiteiten in, op, onder of over een gesloten stortplaats als bedoeld in artikel 8.47, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer.

Als een wijziging betrekking heeft op een stortplaats dan moet de gemeente rekening houden met deze provinciale regels. Nota bodembeheer Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is een groot deel van de Nota bodembeheer van de gemeente Groningen onderdeel geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Een klein deel nog niet. Op korte termijn wordt de Nota bodembeheer overgezet naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. 4.2.2 Toetsing initiatief aan omgevingsaspect Het voornemen betreft een verandering van de programmering. Het leidt echter niet tot nieuwe bodemgevoelige functies. In 2017 is een knelpuntenanalyse uitgevoerd ten behoeve van De Suikerzijde als geheel (zie Bijlage 5). Vervolgens is in 2020 een inventarisatie uitgevoerd naar de aanwezigheid van gegevens over de bodemkwaliteit ter plaatse (zie Bijlage 6 en Bijlage 7). Daarvoor zijn de volgende aspecten beoordeeld: de locaties die verdacht zijn van (ernstige) bodemverontreiniging; de aanwezigheid van (ernstige) bodemverontreinigingen; de locaties waar na sanering een zorgmaatregel van kracht is en mogelijke gebruiksbeperkingen liggen; de diffuse bodemkwaliteit zoals vastgesteld in de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart. 28 Wijziging omgevingsplan De Suikerzijde deelgebied Noord Bodemverontreiniging kan bestaan uit bronverontreiniging of diffuse verontreiniging.

Bronverontreiniging Bronverontreiniging wordt veroorzaakt door huidige of voormalige bedrijfsfuncties en/ of dempingen en ophogingen met verontreiniging. Bij een geval van ernstige bodemverontreiniging zijn de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft ernstig verminderd. Een bodemsanering is dan nodig om de locatie weer geschikt te maken voor het beoogde gebruik. Uit een inventarisatie blijkt dat binnen het plangebied geen locaties aanwezig zijn, waarvoor dit spoedeisend is. Figuur 4.1: Beschikbare bodeminformatie (BIS) geïnventariseerd op status en vervolg (1 Onderzoek komt pas in beeld bij locatieontwikkelingen) Diffuse bodemverontreiniging In de loop van de tijd kunnen op allerlei manieren puinhoudend materiaal, kooldeeltjes en ander afval in de bodem terecht komen. Bewoning, bedrijvigheid en ook neerslag van luchtverontreiniging heeft op vele plaatsen de bodem belast. Dit heeft mogelijk geleid tot diffuse, niet tot een bron te herleiden, bodemverontreiniging. De gemeente Groningen heeft voor haar gehele grondgebied een bodemkwaliteitskaart opgesteld. Deze bodemkwaliteitskaart geeft inzicht in de diffuse bodemkwaliteit. De bodemkwaliteitskaart is onderdeel van de 'Nota Bodembeheer: Beleidsregels voor de toepassing van grond en baggerspecie op landbodem' (zie voor meer informatie www.groningen.nl).

De kaart is volgens de regels uit het Besluit Bodemkwaliteit opgesteld. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is zoals eerder vermeld een groot deel van de Nota bodembeheer van de gemeente Groningen van rechtswege onderdeel geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Uit de bodemkwaliteitskaart en het uitgevoerde onderzoek blijkt dat de verwachte gemiddelde waarde binnen het plangebied voldoet aan de norm: 'wonen, op delen industrie en op delen niet toepasbaar' (bodem normering Besluit bodemkwaliteit). Bij het toepassen en hergebruik van grond dient de Nota Bodembeheer in acht genomen te worden. Wijziging programmering De wijziging van de programmering van deelgebied Noord ziet niet op het toevoegen van nieuwe bodemgevoelige functies. Ook wordt er niet meer grond of baggerspecie toegepast. Wel blijven de aanbevelingen, beleid en regelgeving ten aanzien van het bodemgebruik relevant bij een verdere 29 Wijziging omgevingsplan De Suikerzijde deelgebied Noord ontwikkeling van het deelgebied. 4.2.3 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het voornemen. 4.3 Onder- en bovengrondse infrastructuur (kabels en leidingen) 4.3.1 Wettelijk kader Ondergrondse kabels en leidingen zijn belangrijk voor het transport van data, elektriciteit en stoffen zoals gas en water. Sommige ondergrondse (hoogspannings)leidingen kunnen een risico opleveren voor de omgeving.

De Omgevingswet en andere wetten bevatten regels en instrumenten om dit te voorkomen of om dit zoveel mogelijk te beperken. Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (Wibon) De Wibon heeft als doel gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen te voorkomen. Het gaat om water-, elektriciteit-, gas- en telecomleidingen. Netbeheerders zijn verplicht informatie te geven over de ligging van hun kabels en leidingen. De grondroerder, degene die de mechanische graafwerkzaamheden uitvoert of laat uitvoeren, moet vooraf informatie opvragen over de ligging van eventuele ondergrondse kabels en leidingen op de graaflocatie. Het Kadaster zorgt dat de melder deze informatie ontvangt. De Wibon is niet opgegaan in de Omgevingswet. Gemeentelijke regels Het omgevingsplan bevat regels over ondergrondse en bovengrondse infrastructuur, verdeeld over het tijdelijke deel. In het tijdelijke deel staan de ruimtelijke regels uit voormalige bestemmingsplannen, beheersverordeningen en de bruidsschat. 4.3.2 Toetsing initiatief aan omgevingsaspect Bij ontwikkeling van het plangebied zullen ingrepen verricht worden aan de onder- en bovengrondse infrastructuur of worden aangelegd. Bij de aanvraag (technische) bouwactiviteiten zal duidelijk worden wat de ingrepen precies omvangen. Er wordt van uitgegaan dat deze ingrepen uitvoerbaar zijn.

Ten behoeve van onderliggende wijziging van het omgevingsplan is dit aspect niet relevant. 4.3.3 Conclusie Het initiatief is niet in strijd met het omgevingsaspect onder- en bovengrondse infrastructuur. 4.4 Luchtkwaliteit 4.4.1 Wettelijk kader Besluit kwaliteit leefomgeving Het Bkl geeft in hoofdstuk 5 instructieregels om de luchtkwaliteit te beschermen. De gemeente moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen. Behalve als een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Aandachtsgebieden De gemeente moet de luchtkwaliteit toetsen binnen aangewezen aandachtsgebieden. De gemeente gaat na of toe te laten activiteiten gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit binnen een aandachtsgebied. De gemeente doet dit voor activiteiten (artikel 5.51 Bkl): die gevolgen hebben voor het gebruik van wegen, water en spoor (verkeersaantrekkende werking); of waarvoor luchtregels zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). 30 Wijziging omgevingsplan De Suikerzijde deelgebied Noord De gemeente Groningen en omliggende gemeenten zijn geen aandachtsgebieden met betrekking tot luchtkwaliteit. Het Bkl wijst in artikel 5.51 ook enkele activiteiten aan waarvoor de gemeente altijd een luchtkwaliteitstoets moet uitvoeren als ze de activiteit wil toelaten in een omgevingsplan.

Dus ook als geen aandachtsgebied in de omgeving aanwezig is. Het gaat om: de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter; een wijziging van een tunnel waarbij de lengte minimaal 100 meter toeneemt; de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. Bij deze specifieke activiteiten kan niet worden uitgesloten dat de aanleg leidt tot een overschrijding, ook in gebieden waar de achtergrondconcentratie laag is. Niet in betekenende mate (NIBM) Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalender-jaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 ug/m3 of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering. Omgevingsverordening provincie Groningen (POV) De POV bevat geen instructieregels over het voldoen aan een provinciale omgevingswaarde voor de kwaliteit van buitenlucht bij het toestaan van activiteiten in het omgevingsplan.

4.4.2 Toetsing initiatief aan omgevingsaspect In het kader van het MER is in 2021 inzichtelijk gemaakt wat de gevolgen voor de luchtkwaliteit waren voor de huidige programmering. Daaruit wordt geconcludeerd dat er ruim onder de grenswaarden wordt gebleven. Uit een aanvullend onderzoek van Noorman in 2025 (Bijlage 8) volgt dat de in het ontwikkelscenario met 2.500 woningen te verwachten concentratieniveaus NO2, PM10 en PM2,5 lager zijn dan berekend in het onderzoek van 2020. Hieruit volgt dat ruimschoots kan worden voldaan aan de geldende rijksomgevingswaarden. Dit geldt zowel voor het deelgebied noord, als de woningen langs wegen in de directe omgeving van het deelgebied. Bij de luchtkwaliteitsberekeningen zijn de verkeersgegevens die gebruikt zijn verrijkt zoals beschreven in bijlage 1 van de oplegnotitie MER (zie Bijlage 1). 4.4.3 Conclusie Het initiatief is niet in strijd met het omgevingsaspect luchtkwaliteit. 4.5 Omgevingsveiligheid 4.5.1 Wettelijk kader Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl staan regels over het waarborgen van veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. De regels uit afdeling 5.1.2 van het Bkl moet de gemeente toepassen in haar omgevingsplan. De regels zijn alleen van toepassing op gebouwen en/of locaties die staan genoemd in bijlage VI behorende bij het Bkl.

In de bijlage wordt een onderscheid gemaakt in drie categorieën: beperkt kwetsbaar, kwetsbaar en zeer kwetsbaar. De activiteiten die branden, rampen en crises kunnen veroorzaken, zijn: 31 Wijziging omgevingsplan De Suikerzijde deelgebied Noord milieubelastende activiteiten (mba's) met gevaarlijke stoffen bij bedrijven; basisnet vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor; buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als mba's; windturbines die zijn aangewezen als mba's. Deze gebouwen en/of locaties zijn relevant voor de toepassing van regels bij plaatsgebonden risico's en groepsrisico's (bij aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's). Het plaatsgebonden risico betreft de kans op het overlijden van een onbeschermd en continue aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit. In het Bkl worden meerdere aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's benoemd namelijk: brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied (artikel 5.12 Bkl). Als op het grondgebied van de gemeente een brandaandachtsgebied of een explosieaandachtsgebied aanwezig is, moet de gemeente in haar omgevingsplan de gebieden aanwijzen als 'brandvoorschriftengebied' of 'explosievoorschriftengebied' bij zeer kwetsbare gebouwen.

Gifwolkaandachtsgebieden kennen geen voorschriftengebied. Bij de aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's wordt uitgegaan van groepsrisico's (artikel 5.15 Bkl). Groepsrisico betreft de kans op overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit. Als door het verrichten van een activiteit een brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied of een gifwolkaandachtsgebied kan ontstaan, is het in beginsel niet mogelijk om in dat gebied beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en locaties te realiseren (artikel 5.15 lid 2 sub a Bkl). Het is in een brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied of een gifwolkaandachtsgebied toegestaan om beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en locaties te realiseren als er maatregelen worden getroffen ter bescherming van de personen en het aantal aanwezige personen beperkt zijn of de tijd dat de personen aanwezig zijn beperkt is (artikel 5.15 lid 2 Bkl). Als gebouwen worden gerealiseerd in een brand- of explosieaandachtsgebied, welke is aangewezen als een brand- of explosievoorschriftengebied moeten de gebouwen voldoen aan de bouweisen uit paragraaf 4.2.14. van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Andere risicobronnen die in het Bkl worden genoemd zijn: opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); exploiteren van IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Omgevingsverordening provincie Groningen (POV) In paragraaf 3.9.7 en in paragraaf 4.14 staan (instructieregels) over externe veiligheid. Transportroute externe veiligheid (paragraaf 3.9.7) In de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) is een basisnet aangewezen waarop vervoer van gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden. In artikel 23, eerste lid van de Wvgs is opgenomen dat Provinciale Staten, ten behoeve van het doorgaande vervoer van gevaarlijke stoffen, een netwerk aanvullend op het landelijk basisnet aanwijzen van wegen in beheer bij de provincie of een waterschap, dat niet behoort tot het basisnet. De provincie heeft in de provinciale omgevingsverordening regels opgenomen over de transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Initiatieven die betrekking hebben op dit gebied dienen rekening te houden met 32 Wijziging omgevingsplan De Suikerzijde deelgebied Noord deze regels. De provincie heeft in haar omgevingsverordening vier veiligheidszones aangewezen.

Veiligheidszone 1 Veiligheidszone 1 heeft betrekking op de provinciale wegen N46 en N362. In deze zone moet de gemeente het toestaan van activiteiten waardoor het plaatsgebonden risico kan ontstaan, in acht nemen. Veiligheidszone 2 Veiligheidszone 2 heeft betrekking op explosieaandachtsgebieden binnen het provinciale basisnet. De gemeente dient bij het opstellen van haar omgevingsplan óf het verlenen van een omgevingsvergunning Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa): 1. aandacht te besteden aan het veiligheidsniveau in zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen en de beperkt kwetsbare gebouwen; en 2. rekening te houden met het veiligheidsrisico van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 5.2 van het Bkl. Veiligheidszone 3 Veiligheidszone 3 heeft betrekking op brandaandachtsgebieden binnen het provinciale basisnet. De provincie verbiedt gemeenten om in de brandaandachtsgebieden zeer kwetsbare gebouwen toe te staan. Veiligheidszone 4 Veiligheidszone 4 heeft betrekking op explosieaandachtsgebieden binnen het provinciale basisnet. De gemeente dient bij het opstellen van haar omgevingsplan óf het verlenen van een omgevingsvergunning Bopa rekening te houden met de explosieaandachtsgebieden. De provincie bepleit terughoudendheid bij het toestaan van kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties.

In de explosieaandachtsgebieden moet rekening gehouden worden met het zogenaamde groepsrisico. Omgevingsveiligheid (paragraaf 4.14) De provincie geeft in paragraaf 4.14 extra regels over de omgevingsveiligheid bij windturbines. Als de gemeente een aanvraag beoordeeld die ziet op een windturbine dan dient rekening gehouden te worden met deze regels. 4.5.2 Toetsing initiatief aan omgevingsaspect Binnen het plangebied en in de directe omgeving liggen twee relevante risicobronnen voor de omgevingsveiligheid. Het gaat om een hogedrukaardgasbuisleiding (reeds aangemerkt met de dubbelbestemming 'Leiding - Gas' in het voormalige bestemmingsplan) met een brandaandachtsgebied en de spoorlijn tussen Groningen-Leeuwarden, vanwege de transportroute externe veiligheid welke in 2024 is aangewezen. Bij de spoorlijn is er sprake van zowel een brand- als explosieaandachtsgebied. Vooral zeer kwetsbare gebouwen zijn relevant in deze aandachtsgebieden. Zeer kwetsbare gebouwen zijn gebouwen waarbij mensen zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen. Ten behoeve van de verandering in het woningbouw- en voorzieningenprogramma is advies verzocht van de Veiligheidsregio Groningen. Het advies is bijgevoegd als Bijlage 9. Het advies is grotendeels gebaseerd op eerdere advisering voor het Chw bestemmingsplan De Suikerzijde deelgebied Noord.

Ten aanzien van de hogedrukaardgastransportleiding is de gewenste handelingsperspectief vluchten. Verminderd zelfredzame personen zijn daar niet zelfstandig tot in staat. Geadviseerd wordt om zeer kwetsbare gebouwen in het brandaandachtsgebied uit te sluiten en daarbij geen voorschriftengebieden aan te wijzen. Ten aanzien van de spoorlijn Groningen-Leeuwarden wordt geadviseerd om zeer kwetsbare gebouwen uit te sluiten in het brandaandachtsgebied (30 meter aan weerszijden van de spoorlijn). Het aanwijzen van 33 Wijziging omgevingsplan De Suikerzijde deelgebied Noord brandvoorschriftengebieden wordt daarbij niet aangeraden. Daarnaast wordt geadviseerd om gebouwen in het explosieaandachtsgebied (200 meter aan weerszijden van de spoorlijn) te ontvluchten zijn van de risicobron af, door (nood)deuren aan de risicoluwe zijde. Onderliggende wijziging van het omgevingsplan bevat regels over het bouwen van zeer kwetsbare gebouwen in het brand- en explosieaandachtsgebied van de gasleiding en spoorlijn. Er worden echter geen voorschriftengebied aangewezen.

In het omgevingsplan worden in de volgende zones zeer kwetsbare gebouwen uitgesloten: een zone van 140 meter aan weerszijden van het hart van de gasleiding, dit is het brandaandachtsgebied van de gasleiding; een zone van 200 meter aan weerszijden van het hart van het spoor Groningen-Leeuwarden, dit is het explosieaandachtsgebied van het spoor Groningen-Leeuwarden. Met betrekking tot de POV raakt geen van de veiligheidszone het plangebied. Daarmee zijn de regels ten aanzien van omgevingsveiligheid uit de POV niet relevant voor het voornemen. Met het opnemen van de eerdergenoemde zones wordt voldoende rekening gehouden met omgevingsveiligheid. Daarnaast worden met het voornemen geen relevante risicobronnen mogelijk gemaakt. 4.5.3 Conclusie Het initiatief is niet in strijd met het omgevingsaspect omgevingsveiligheid. 4.6 Geur 4.6.1 Wettelijk kader Besluit kwaliteit leefomgeving In het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met geur die door activiteiten ontstaat op geurgevoelige gebouwen. Bij het toestaan van activiteiten die geur veroorzaken op geurgevoelige gebouwen moet dit aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 Bkl). De gemeente kan in haar omgevingsplan beoordelingsregels en/of gebruiksregels opnemen.

De regels hebben betrekking op waarden (artikel 5.93 Bkl) en afstanden (artikel 5.94 Bkl) die in acht moeten worden genomen bij het toestaan van een geurveroorzakende activiteit bij een geurgevoelig gebouw. Daarbij dient de gemeente rekening te houden met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers. Een gebouw of een gedeelte daarvan kan worden aangemerkt als een geurgevoelig gebouw (artikel 5.91 Bkl). Onder geurgevoelige gebouwen worden verstaan: woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; onderwijsfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; bijeenkomstfuncties voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Ook kan de gemeente in haar omgevingsplan een bebouwingscontour geur aanwijzen voor het ontstaan van geur bij de exploitatie van zuiveringstechnische werken, bij het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf en bij het verrichten van andere agrarische activiteiten. Deze geurcontour wordt aangewezen rond stedelijk gebied (5.97 Bkl). Burgers kunnen bij hun woning ook geurhinder veroorzaken door hobbymatige activiteiten en het stoken van hout in kachels en open haarden. Het staat de gemeente vrij om in haar omgevingsplan regels te stellen over geurhinder die ontstaat bij activiteiten in en rondom woningen.

34 Wijziging omgevingsplan De Suikerzijde deelgebied Noord Provinciale omgevingsverordening Groningen (POV) De provincie heeft in haar omgevingsverordening (instructie)regels gesteld die gemeenten in acht moeten nemen bij het wijzigen van het omgevingsplan en het verlenen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Paragraaf 2.2.4 (Omgevingswaarden geur veroorzaakt door milieubelastende activiteiten, niet zijnde agrarische activiteit) In artikel 2.19 staat de instructieregel om een omgevingswaarde industriële geur vast te stellen in het omgevingsplan. Paragraaf 3.4.6 (Geur) In artikel 3.45 staat de instructieregel om in het omgevingsplan te verbieden om zonder een omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten te verrichten die geurrelevant kunnen zijn op geurgevoelige gebouwen in het geval dat er een omgevingswaarde industriële geur is vastgesteld in het omgevingsplan. In artikel 3.46 staat de instructieregel om beoordelingsregels op te nemen die in acht moeten worden genomen bij vergunningverlening van milieubelastende activiteiten die geurrelevant kunnen zijn. 4.6.2 Toetsing initiatief aan het omgevingsaspect Het initiatief voorziet niet in activiteiten die relevante geuremissie veroorzaken. In het Chw bestemmingsplan is aangetoond dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de realisatie van deelgebied Noord.

De voorgenomen wijziging in programmering leidt niet tot nieuwe geurgevoelige bebouwing dichter bij relevante geurbronnen. Ook worden geen nieuwe relevante geurbronnen toegestaan. Nader onderzoek naar geur is niet aan de orde. 4.6.3 Conclusie Het initiatief is niet in strijd met het omgevingsaspect geur. 4.7 Milieueffectrapportage 4.7.1 Wettelijk kader De Omgevingswet kent twee soorten milieueffectrapportages, een milieueffectrapportage voor 'plannen' en een milieueffectrapportage voor 'projecten'. Dit wordt ook wel een 'plan-mer' en een 'project-mer' genoemd. Plan-mer Plan-mer ondersteunt de overheid bij strategische afwegingen over 'wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven' plannen, zoals omgevingsvisies, programma's, omgevingsplannen en voorkeursbeslissingen bij projectbesluiten. Het milieueffectrapport en plan gaan dan bijvoorbeeld over nieuw omgevingsbeleid, tracés voor hoogspanningsverbindingen of de keuze van locaties voor duurzame energie, woningen of bedrijven. Milieueffectrapportage is conform artikel 16.36 Omgevingswet verplicht bij een plan als: a. het plan kaders stelt voor projecten in het plangebied waarvoor volgens het Omgevingsbesluit een project-mer of een mer-beoordeling verplicht is, of; b.

de ontwikkelingen binnen het plan mogelijk tot significante gevolgen leiden voor Natura 2000-gebieden waardoor een Passende beoordeling (een wettelijk voorgeschreven beoordeling van gevolgen voor Natura 2000-gebieden) nodig is. 35 Wijziging omgevingsplan De Suikerzijde deelgebied Noord De plan-mer-beoordeling kan een uitzondering vormen op deze situaties. De eerste voorwaarde is dat een plan over projecten gaat die zelf mer-beoordelingsplichtig zijn. De tweede voorwaarde is dat het plan over een klein gebied op gemeentelijk niveau gaat óf een kleine wijziging van een plan omvat. Als aan die voorwaarden is voldaan, mag het bevoegd gezag eerst beoordelen of het plan aanzienlijke milieueffecten heeft, en dus of een milieueffectrapport nodig is. Project-mer Onderdeel van de beoordeling is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.2. van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden.

Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Het betreft dan overigens altijd een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (of een ontgrondingenactiviteit, wateractiviteit e.d.). Daarnaast kunnen de mer-verplichtingen nog gelden voor enkele bijzondere besluiten uit andere wetten, zoals de vergunning op basis van de Kernenergiewet. Of voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije mer-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is nog maar één beoordelingsprocedure. 4.7.2 Toetsing initiatief aan omgevingsaspect De ontwikkeling De Suikerzijde is plan-mer-plichtig. In het verleden (2020) is een MER opgesteld waarin de milieueffecten van zowel de structuurvisie als het Chw bestemmingsplan De Suikerzijde deelgebied Noord zijn onderzocht. Ten behoeve van de vergroting van de woningbouw- en voorzieningenprogramma is een oplegnotitie opgesteld door Sweco. De oplegnotitie is bijgevoegd als Bijlage 1.

In de oplegnotitie is specifiek onderzocht of de aanpassing van de programmering tot meer of andere milieueffecten leidt dan beschreven in het MER van maart 2020. In onderstaande tabel zijn de resulaten samengevat weergegeven. Tabel 4.2 - Vergelijkingstabel (bron: oplegnotitie MER) Beoordelingscriterium Planvoornemen Deelgebied Noord 2020 Planvoornemen Deelgebied Noord 2025 Verkeer en vervoer Bereikbaarheid gemotoriseerd verkeer 0/- - Bereikbaarheid langzaam verkeer en OV 0/+ 0/+ Verkeersveiligheid 0/- 0/- Leefomgevingskwaliteit Verkeerslawaai - - Trillingen railverkeer 0 0 Industrielawaai 0/- 0 36 Wijziging omgevingsplan De Suikerzijde deelgebied Noord Geurhinder 0 0 Luchtkwaliteit 0/- 0/- Externe veiligheid 0/- - Gezondheid - - Gezondheid: G6-kernwaarden + + Groene leefomgeving + + Bodem en water Bodemkwaliteit 0 0 Grondbalans 0/- 0/- Grondwaterkwantiteit 0 0 Oppervlaktewaterkwantiteit 0/- 0/- Grond- en oppervlaktewaterkwaliteit 0/+ 0/+ Waterketen, riolering en afkoppeling 0 0 Landschap, cultuurhistorie en archeologie Landschap 0 0 Cultuurhistorie 0/- 0/- Archeologie 0/- 0 Natuur Gebiedsbescherming: Natura 2000 0 0 Gebiedsbescherming: NNN 0/- 0/- Gebiedsbescherming: SES 0/+ 0/+ Soortenbescherming - - Duurzaamheid Energietransitie 0/+ 0/+ Energieleverend + + Circulariteit 0 0 Klimaatadaptatie 0/+ 0 Uit de oplegnotitie MER blijkt dat de effecten van de toename aan

programmering beperkt zijn. Met de verhoging van deelgebied Noord naar 2.500 woningen en bijbehorende voorzieningen, wordt het totaal aantal woningen voor de structuurvisie verhoogd met 500 woningen en bijbehorende voorzieningen. Dit maakt dat het aantal woningen en bijbehorende voorzieningen zoals opgenomen in de structuurvisie en onderzocht in het MER van 2020 met 10% toeneemt, van 5.000 naar 5.500 woningen en bijbehorende voorzieningen. op structuurvisie-niveau is het niet aannemelijk dat deze geringe toename zorgt voor een andere effectbeoordeling van de verschillende milieuthema’s. De effectscores in de drie kolommen voor alternatief ‘Hoog’ gelden dus ook voor een planontwikkeling met 5.500 woningen in plaats van 5.000 woningen. Dit is opgenomen in bijlage 2 van de oplegnotitie MER. 4.7.3 Conclusie Het initiatief is niet in strijd met het omgevingsaspect milieueffectrapportage. 4.8 Milieuzonering 4.8.1 Wettelijk kader Onder de Omgevingswet worden de aspecten geluid- en/of geurhinder niet meer in het milieuspoor geregeld. De gemeente moet in haar omgevingsplan regels opnemen voor activiteiten die geluid en/of geurhinder veroorzaken.

37 Wijziging omgevingsplan De Suikerzijde deelgebied Noord Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet stonden regels over produceren van geluid en geur in het Activiteitenbesluit milieubeheer of werd een activiteit die geluid- en/of geurhinder veroorzaakt, gerealiseerd met een milieuvergunning. Deze zijn deels opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Groningen. In de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering uit 2009 staan geaccepteerde richtafstanden per bedrijfsactiviteit opgenomen. Daarnaast zijn verschillende bedrijfsactiviteiten opgedeeld in bedrijfscategorieën. De systematiek uit de VNG handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' is bij de totstandkoming van bestemmingsplannen (die nu deel uitmaken van het tijdelijk deel omgevingsplan van rechtswege) in acht genomen. Zolang deze van kracht zijn, wordt deze systematiek nog toegepast. Bij milieuzonering wordt rekening gehouden met hindergevoelige bebouwing enerzijds, en milieuhinderlijke activiteiten anderzijds. De thema's geluid en geur zijn hierbij maatgevend. Het gaat om activiteiten en hinder door bedrijfsactiviteiten en niet om bijvoorbeeld hinder door wegverkeer. Daarnaast wordt onderscheid gemaakt tussen een rustig woongebied en een gemengd gebied met wonen.

Bij functiemenging wordt de activiteit geschikt geacht om te mengen met hindergevoelige functies, zoals wonen, in een gemengd gebied met wonen. 4.8.2 Toetsing initiatief aan omgevingsaspect Met het voornemen wordt er meer bedrijfsoppervlakte mogelijk gemaakt. De gemeente gaat uit van een gemengd stedelijk gebied met een hoge mate van functiemenging. De exacte invulling van de activiteiten is nog niet bekend. Echter, het toelaten van activiteiten zal geschieden conform gemeentelijk beleid voor commerciële en maatschappelijke voorzieningen. In hoofdstuk 32 van het omgevingsplan staan regels ten aanzien van milieubelastende activiteiten (anders dan aangewezen door het Bal). Ernstige interne hinder is hiermee ondervangen. Extern gezien kan er sprake zijn van hinder door geluid door industrielawaai en activiteiten. Hiervoor is in paragraaf 4.1 het voornemen behandeld. Geur door activiteiten is behandeld in paragraaf 4.6. Andersom is het onwaarschijnlijk dat er milieuhinder vanwege de toename in activiteiten van commerciële en maatschappelijke voorzieningen naar hindergevoelige bebouwing buiten het deelgebied Noord zal rijken. 4.8.3 Conclusie Het initiatief is niet in strijd met het omgevingsaspect milieuzonering.

4.9 Lichthinder en schaduw 4.9.1 Wettelijk kader Besluit kwaliteit leefomgeving In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan rijksinstructieregels die in acht moeten worden genomen bij het opnemen van regels over activiteiten in het omgevingsplan. Uit afdeling 5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving blijkt dat bij het opnemen van regels over activiteiten waarbij lichthinder en schaduw kan ontstaan, geen rijksinstructieregels gelden. De wetgever heeft bepaald dat lichthinder en schaduw een onderwerp is waar op decentraal niveau regels voor bedacht kunnen worden. Alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen staan rijksregels in het Besluit activiteiten leefomgeving. Dit betekent dat bij het verrichten van de milieubelastende activiteit 'het telen van gewassen in kassen' de 38 Wijziging omgevingsplan De Suikerzijde deelgebied Noord instructieregel over lichtuitstraling in acht moet worden genomen. De bruidsschat – rijksregels die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet over zijn gegaan naar gemeenten en waterschappen – bevat regels voor lichthinder bij sportvelden. Deze regels stonden in het Activiteitenbesluit en zijn dus door de wetgever niet opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Dit betekent dat de gemeente de oude rijksregels over lichthinder bij sportvelden mag opnemen in het omgevingsplan.

In het omgevingsplan is lichthinder en schaduw een omgevingsaspect dat meeweegt vanuit een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Locaties met kunstmatige verlichting kunnen namelijk negatieve effecten veroorzaken op de fysieke leefomgeving. De gemeente kan zelf bepalen of in het omgevingsplan regels worden opgenomen ter voorkoming van lichthinder en schaduw. Op dit moment bevat het omgevingsplan van gemeente Groningen geen regels over het voorkomen en beperken van lichthinder en schaduw bij het uitvoeren van bepaalde activiteiten. Omgevingsverordening provincie Groningen (POV) In de omgevingsverordening staan vier artikelen die regels hebben over het voorkomen van lichthinder. Deze artikelen zijn: artikel 3.9, artikel 3.23, artikel 3.57 en artikel 3.75. Uit deze artikelen volgt dat bij het verrichten van activiteiten (zoals de uitbreiding van niet-agrarische bedrijven, maatschappelijke voorzieningen en woonwagenstandplaatsen in het buitengebied tot 20% en de realisatie van een ligboxenstal) regels gelden voor de maximale toegestane lichtuitstraling. Het gemeentelijke reclamebeleid De gemeente Groningen beschikt over beleid over reclame. Het beleid staat in de Reclamenota 2021 en geldt voor het hele grondgebied van de gemeente. De Reclamenota beschrijft de beleidsuitgangspunten en de regels voor reclame-uitingen in de gemeente.

De basis voor het reclamebeleid is vastgelegd in de APVG (Algemene Plaatselijke Verordening Groningen) en de Welstandsnota. In de APVG staan regels ter bescherming van de (verkeers)veiligheid, leefbaarheid en toegankelijkheid. Daarnaast is er een vergunningplicht voor reclame en het gebruik van de openbare ruimte vastgelegd. In de Welstandsnota staat beschreven aan welke beeldkwaliteitseisen bouwwerken en reclames moeten voldoen. Handboek Hoger Bouwen De gemeente Groningen beschikt over beleid voor hoogbouw. Hierin is opgenomen voor welke typeringen nader onderzoek gewenst is naar onder andere bezonning en schaduw. Vanaf Hoger Bouwen categorieën 2-4 moet een effectrapportage worden opgesteld. Hierin moet inzichtelijk worden gemaakt welke invloed hoogbouw heeft op schaduwwerking, windhinder, uitzicht, skyline en privacy van omwonenden. 4.9.2 Toetsing initiatief aan omgevingsaspect Met het voornemen wordt een wijziging gedaan op de toegestane programmering. Het voornemen leidt niet tot aanpassing van de bouwhoogtes, zoals nu al in de planregels is vastgesteld. Daarmee is het Handboek Hoger Bouwen niet relevant voor het voornemen. Verder heeft het voornemen geen betrekking op de eerder genoemde artikelen uit de POV. Het voornemen heeft geen betrekking op reclameuitingen, het gemeentelijke reclamebeleid is niet van toepassing.

4.9.3 Conclusie Het initiatief is niet in strijd met het omgevingsaspect lichthinder en schaduw. 39 Wijziging omgevingsplan De Suikerzijde deelgebied Noord 4.10 Natuur 4.10.1 Wettelijk kader In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij het toestaan van een activiteit in het omgevingsplan rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie. Ter bescherming van de natuur zijn in de Omgevingswet, Bkl en Bal diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die waren opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. De regels gaan over gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de bescherming van habitats en soorten (dier- en planten) en regels ter bescherming van houtopstanden. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

De minister voor Natuur en Stikstof wijst ter uitvoering van de vogelrichtlijn of de habitatrichtlijn in een aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebieden aan en stelt daarbij instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden vast (artikel 2.44 Ow en artikel 3.58 Bkl). Gedeputeerde staten zijn in beginsel het bevoegd gezag voor het verlenen van omgevingsvergunningen voor Natura 2000-activiteiten (artikel 4.11 Ow). De minister is bevoegd gezag voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten waarbij sprake is van een nationaal belang (artikel 4.11 Ow, artikel 11.3 Bal en artikel 4.12 Omgevingsbesluit). Een Natura 2000-activiteit betreft een activiteit, inhoudende het realiseren van een project als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Als blijkt dat door een project mogelijke significante negatieve gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen ontstaan dan moet voorafgaand aan het verlenen van een omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit een passende beoordeling plaatsvinden (artikel 16.53c Ow).

Uit de resultaten van de passende beoordeling moet blijken dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten (artikel 8.74b lid 1 Bkl). Als uit de passende beoordeling niet is gebleken dat het project geen significante negatieve gevolgen heeft op een Natura 2000-gebied kan de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit toch worden verleend als het project voldoet aan de volgende eisen (artikel 8.74b lid 2 Bkl): er zijn geen alternatieve oplossingen; het project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000 bewaard blijft. In de buurt van gemeente Groningen liggen drie Natura 2000-gebieden. Dit betekent wanneer binnen de gemeente Groningen een activiteit wordt verricht onderzocht moet worden of de uitvoering van de activiteit negatieve significante gevolgen heeft op de Natura 2000-gebieden. De drie Natura-2000 gebieden zijn: Het Zuidlaardermeergebied 40 Wijziging omgevingsplan De Suikerzijde deelgebied Noord De Drentse Aa Het Leekstermeer Natuurnetwerk Nederland (NNN) De provinciale staten wijst in haar omgevingsverordening gebieden aan die behoren tot het natuurnetwerk Nederland (artikel 2.44 lid 4 Ow en artikel 7.6 Bkl).

In de omgevingsverordening staan regels over het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. De regels verzekeren dat de kwaliteit en oppervlakte van het natuurnetwerk niet achteruitgaan en de samenhang tussen de gebieden van het natuurnetwerk wordt behouden. Als binnen het natuurnetwerk activiteiten worden toegelaten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden van het natuurnetwerk, worden deze gevolgen tijdig gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. In paragraaf 11.2.2. van het Besluit activiteiten leefomgeving staan activiteiten genoemd waarvoor een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig is. De gedeputeerde staten van de provincie zijn in beginsel bevoegd gezag voor het verlenen van omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteiten (artikel 4.11 Ow en artikel 11.24 Bal). Door het Rijk aangewezen soorten vallen hier ook onder. Een flora- en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Globaal valt de flora- en fauna-activiteit voor het onderdeel 'soortenbescherming' uiteen in drie subactiviteiten.

In regels over vogels (vogelrichtlijn), over andere dieren en planten (Habitatrichtlijn) en tot slot 'andere soorten'. De regels voor deze laatste categorie staan in paragraaf 11.2.4. van het Bal. De bescherming richt zich op zowel soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van soortenpopulatie stimuleren. De provincies zijn in principe verantwoordelijk voor (artikel 2.18, lid 1 sub g Omgevingswet): het behoud of herstel van dier- en plantsoorten; het zorg dragen voor het treffen van maatregelen voor Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale gebieden; en preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten. Ook gemeenten kunnen beleid maken. Dit kan voor activiteiten die plaatsvinden binnen het grondgebied van de gemeenten en gevolgen hebben op in het wild levende dieren of planten. Omgevingsverordening provincie Groningen De omgevingsverordening heeft drie afdelingen waarin de provincie regels heeft gesteld die betrekking hebben op natuur, flora- en fauna-activiteiten.

Afdeling 3.7 (Natuur) In afdeling 3.7 heeft de provincie instructieregels opgenomen voor gemeenten over het verwerken van Natuurnetwerk Nederland in het omgevingsplan. Afdeling 4.4 (Flora- en fauna-activiteiten) In afdeling 4.4 heeft de provincie aangegeven wanneer flora- en fauna-activiteiten vergunningvrij zijn. 41 Wijziging omgevingsplan De Suikerzijde deelgebied Noord Afdeling 4.5 (Vellen en herbeplanting houtopstanden) In afdeling 4.5 heeft de provincie instructieregels opgenomen voor het vellen en herbeplanten van houtopstanden. Gemeentelijk beleid In de gemeente Groningen is ten behoeve van gebiedsbescherming de Stedelijk Ecologische Structuur (SES) van toepassing. De SES bepaalt welke groen- en waterstructuren behouden dienen te blijven voor ecologie. Daarnaast toont het waar uitbreiding van deze structuur is gewenst en waar barrières in ecologisch groen- en waterstructuren voorkomen en moeten worden opgeheven. 4.10.2 Toetsing initiatief aan omgevingsaspect Voor het Chw bestemmingsplan 'De Suikerzijde, deelgebied Noord' is onderzoek gedaan naar de plannen in het kader van de toenmalige Wet natuurbescherming (Wnb).

Ten aanzien van de uitvoerbaarheid was geconcludeerd dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is binnen de wettelijke kaders, mits voldoende compensatie wordt geboden voor broedgebied van de geoorde fuut, foerageergebied voor watervleermuis en meervleermuis, en leefgebied voor weidevogels. Tijdens de uitvoering dient voldaan te worden aan voorwaarden voor bescherming van de poelkikker, waarvoor geen apart compensatiegebied nodig is. Voor het plangebied is een ontheffing Wnb aangevraagd en verleend, inclusief een uitgewerkt compensatieplan dat beschrijft hoe en waar de benodigde natuurcompensatie wordt gerealiseerd. De compensatieplannen waarvoor in 2021 een ontheffing Wnb is verleend, zijn in 2023 zijn gewijzigd. Hiervoor is in juli 2023 een herzien ontheffingsbesluit Wnb verleend. Deze aanpassingen worden nu meegenomen in deze wijziging van het omgevingsplan. Hieronder is een chronologisch beeld opgesteld ten aanzien van het verloop met betrekking tot het aspect natuur en ecologie in het kader van deelgebied Noord, waarna de huidige manier van soortenbescherming wordt toegelicht. Chronologie 9 februari 2021: De gemeente Groningen dient een aanvraag in voor een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor de realisatie van het noordelijk deelgebied van De Suikerzijde.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.groningen.nl/api/v1/meetings/5424/documents/94152