CConstaterende datGroningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Bijlagen Toelichting.pdf

Politieke woensdag (Dag agenda) 24 maart 2021, gemeente GroningenBij agendapunt: 2a: Bestemmingsplan Haren Raadhuisplein (raadsvoorstel 17-2-2021)23.297 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Referentie-kernen

Aantal zaken

WVO

Aantal zaken

WVO

Drankverstrekker

4

305

6

653

Fastservice

7

529

14

865

Restaurant

14

2.119

13

1.650

Hotel

1

200

2

399

Totaal

26

3.153

35

3.568

16

Kernen tussen 15.000-20.000 inwoners

Hoofdstuk 4

24

Horeca nabij de planlocatie Rondom de planlocatie is een aantal horecazaken gevestigd, waaronder een aantal restaurants en een lunchroom. Het Raadhuisplein leent zich, gelet op ruimtelijke kwaliteiten en ligging, uitstekend voor aanvullend horeca-aanbod en dit zal het plein verder verlevendigen. Figuur 4.3: Horeca in nabijheid van de planlocatie (bron Locatus 2018)

In potentie geschikte horeca voor de planlocatie In het planinitiatief is 350 m² bvo gereserveerd voor horeca. Het ontwerp bestemmingsplan gaat uit van lichte horeca17 en dat mag vooral worden opgevat als daghoreca, met een beperkte invloed op de omgeving. Ook een ‘petit-restaurant’ is toegestaan. Geschikte horecazaken zijn bijvoorbeeld lunchrooms, koffiezaken, een broodjeszaak, een tearoom etc.

17

Een horecabedrijf dat is gericht op het hoofdzakelijk overdag bereiden en verstrekken van (niet of licht alcoholhoudende) dranken en eenvoudige etenswaren aan bezoekers van andere functies, met name functies als centrumvoorzieningen en dagrecreatie, zoals een automatiek, broodjeszaak, cafetaria, croissanterie, koffiebar, lunchroom, ijssalon, petit-restaurant, snackbar, snack-kiosk, tearoom, traiteur, en/of een naar de aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen horecabedrijf. Gemeente Haren, bestemmingsplan, Raadhuisplein, ontwerp 2017

Hoofdstuk 4

25

5.

WONEN 5.1 Onderbouwing woningbouwbehoefte 5.1.1 Ruimtelijk verzorgingsgebied Om de woningbehoefte in beeld te brengen, wordt gekeken naar vraag en aanbod aan woningruimte in de zogenaamde relevante regio, ook wel de woningmarkt genoemd. De woningmarktafbakening verschilt per initiatief en valt niet per definitie samen met een bestuurlijke regio. Een belangrijke indicator voor het functioneren van de regionale woningmarkt is het aantal verhuisbewegingen binnen en naar de betreffende gemeente. Op basis van de regionale woningmarktafbakening wordt de kwantitatieve en de kwalitatieve behoefte voor wonen in beeld gebracht. In deze Laddertoets bakenen we de woningmarktregio af tot de regio Groningen-Assen. Uit cijfers over de verhuisstromen1 komt naar voren dat het ruimtelijk verzorgingsgebied op deze manier gedefinieerd kan worden. We zien namelijk dat 27% van de vestigers in de gemeente Haren uit haar eigen gemeente zelf kom; in 2016 waren dit 639 verhuisde personen binnen de gemeente. De overige 73% komt vanuit overige gemeenten in Nederland; dit zijn 1766 gevestigde personen tussen gemeente Haren en gemeenten in Nederland. Van deze vestigers is het merendeel uit de gemeenten van de regio Groningen-Assen afkomstig. Het zwaartepunt ligt hierbij op de gemeente Groningen, iets meer dan de helft van de nieuwe vestigers is uit deze gemeente afkomstig.

Daarmee zien we dat Haren te duiden valt als overloopgebied voor de gemeente Groningen. Op basis van de verhuisstromen blijkt dus dat twee derde van de vestigers in gemeente Haren afkomstig is uit haar gemeente zelf of de gemeente Groningen. Dit totaalbeeld wijkt daarmee af van het landelijke beeld, waar ongeveer tweederde van de Nederlanders in de praktijk verhuist of zoekt binnen de eigen gemeente (straal van ca. 10 km)18. De afbakening van het ruimtelijk verzorgingsgebied, zijnde regio Groningen-Assen, sluit eveneens aan bij de regionale samenwerkingsafspraken die zijn gemaakt. Ook hier wordt de regio Groningen-Assen (RGA) als kader gebruikt waarbinnen afspraken worden gemaakt over een gezonde en goed functionerende woningmarkt. Deze regio bestaat uit een samenwerking van de provincies Drenthe en Groningen en de gemeenten Assen, Bedum, Groningen, Haren, Leek, Midden-Groningen, Noordenveld, Ten Boer, Tynaarlo, Winsum en Zuidhorn. De RGA kijkt naar de regio alsof het één grote gemeente is. Binnen de regio wil de RGA samenhang in het woonbeleid brengen en afstemming realiseren. Hierbij lag tot op heden de focus op afspraken over aantallen toe te voegen woningen. Naar aanleiding van het door de regio uitgevoerde Woningbehoefteonderzoek uit 2015 is voorgesteld om de wijze van regionale woningmarktsturing aan te passen.

Centraal hierin staat het advies om bij het afstemmen van de toekomstige woningbehoefte niet alleen te kijken naar het aanbod in aantallen, maar ook

18 2

CBS Statline, juli 2017 woningmarktanalyse regio Groningen-Assen 2017-2030, 2017

Hoofdstuk 5

26

naar de bijbehorende woonmilieus en de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad. Hiervoor dient de woningmarktanalyse 2017-2030 als basis 2. 5.4.2 Het instemmingsmodel en de woonvisie als uitgangspunt De oorsprong van de woningbehoefteonderzoek (2015) en de woningmarktanalyse (2017) ligt in de afspraken die in 2012 door de regionale gemeenten en provincies gemaakt zijn op het vlak van woningbouw. Doel van de afspraken was meer balans aan te brengen in het aanbod van locaties, verkleining van risico’s, benutting van marktkansen en het realiseren van regionale kwaliteitsdoelstellingen op het vlak van bereikbaarheid en landschap. Deze regionale afspraken zijn gevat in het regionale instemmingsmodel. Daarnaast moet binnen nieuwe initiatieven rekening gehouden worden met de woonvisie van de gemeente Haren. Kaderstellend voor de woonvisie is o.a. de Provinciaal Omgevingsverordening Groningen (POV) laatstelijk gewijzigd in september 2014. De huidige POV gaat voor wat betreft woningbouw uit van het zogenaamd “Overijsselse model”. Dat model betekent dat alle gemeenten alleen nieuwe bouwlocaties kunnen ontwikkelen als deze passen binnen een actuele gemeentelijke ‘woonvisie’. Over die woonvisie dient op voorhand overeenstemming met de buurgemeenten te worden bereikt. Gemeente moeten voldoende plannen in voorraad hebben om te kunnen voldoen aan de woningbehoefte (plancapaciteit).

Overaanbod aan plannen – en dus potentiële leegstand - dient te worden voorkomen. In geval van nieuwe uitbreidingsplannen dient te worden voldaan aan de "ladder voor duurzame verstedelijking" zoals die per 1 oktober 2012 in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Dit betekent dat gemeenten moeten aantonen dat uitbreidingsplannen bij voorkeur binnen het bestaand stedelijk gebied kunnen worden gerealiseerd (bron: Woonvisie, 2016). 5.1.3 Kwantitatieve behoefte Groei in bevolking, huishoudens en woningvoorraadbehoefte Vanuit het regionale instemmingsmodel is de afspraak gemaakt dat de regio Groningen – Assen tot 2030 circa 25.400 woningen zal bouwen. Per jaar komt dat neer op 1.340 woningen. De verdeling van deze opgave is op basis van het woningbehoefteonderzoek uit 2015 en daaruit volgende woningmarktanalyse van 2017 verder naar de verschillende deelregio’s gemaakt. In de laatste rapportage worden scenario’s gehanteerd (hoog, realistisch en laag) op basis waarvan bandbreedtes voor de woningaantallen worden gemaakt. Hierbij gaat het onderzoek uit van een lichte bevolkingskrimp voor de komende 15 jaar in de regio Groningen-Assen en een groei in de van het aantal huishoudens en de woningvraag. Dit beeld schetsen zij ook voor Haren. Cijfers uit de rapportage ‘woningbouw- en woningmarktmonitor’ (2017) spreken dit echter tegen.

Deze rapportage laat nog altijd een stijging zien in de bevolking. Ook uit de meest recente cijfers van Primos (2016 en 2017) voor zowel de regio als gemeente Haren blijkt dat een stijging van de bevolking wordt verwacht, zie figuur 1 en 2. Dit geldt eveneens voor de huishoudens en de woningvoorraadbehoefte. Voor Haren geldt namelijk dat zij als overloopgebied kan worden gezien (vooral vanuit gemeente Groningen) en dat dit zorgt voor deze positieve ontwikkelingen. Haren is daarmee een belangrijke gemeente binnen de regio voor huishoudens die de stad verlaten. Daarmee zou de voorzichtige inschatting kunnen worden gemaakt dat de

Hoofdstuk 5

27

cijfers voor de verdeling van de vraag over de regio nog wel eens positiever zouden kunnen zijn dan nu wordt ingeschat in de woningmarktmonitor (2017). Figuur 5.1: Demografische prognoses regio Groningen - Assen, Primos 2016

2015 2020 2025 2030 Totaal 2015-2030

Bevolking totaal # 482124 492595 497989 499380 17256

huishoudens totaal # 242756 252377 258663 261122 18366

Woningvoorraad # 223425 231093 238570 241817 18392

Figuur 5.2: Demografische prognoses gemeente Haren, Primos 2017

2016 2020 2025 2030 Totaal 2016-2030

Bevolking totaal # 19076 19656 19776 19974 898

Huishoudens totaal # 8547 8919 9107 9199 652

Woningvoorraad # 8612 8828 8975 9047 435

Verdeling van de vraag over de regio zorgt voor capaciteit in Haren In de regio Groningen-Assen is tot 2030 een grote stedelijke woonvraag. Deze vraag verdeelt zich gedeeltelijk over de regio. Een deel daarvan komt terecht in de gemeente Haren. Verhuisbewegingen vanuit de afgelopen jaren bevestigen dit beeld (CBS Statline, 2017). Ook de woonvisie Haren (2016) schetst deze ontwikkeling. Haren wordt vanuit de woningmarktanalyse toegekend aan het gebied Zuidwest; ‘om de stad’. Vanwege haar ligging is het echter mogelijk om hier het ‘excellent wonen nabij de stad’ te creëren. De verwachting is dat een deel van de vraag van overige regiogemeenten en gemeente Groningen terecht zal komen in de gemeente Haren. Deze totale vraag bedraagt circa 1.750 woningen. Een deel van deze vraag wordt al ingevuld met plannen. Vanuit de woningmarktanalyse blijkt dat het gaan om ongeveer 1.250 plannen, met onbekende status. Op basis van de match van de woningvraag en de plannen is te zien dat er voor de periode tot 2030 bij het ‘excellent wonen nabij de stad’ nog een tekort zal zijn van ongeveer 500 tot 750 woningen. Dit is vraag die nog met plannen kan worden ingevuld, zie figuur 5.3. Aangezien deze conclusie voortkomt uit de woningmarktanalyse van 2017 en de woonvisie Haren afkomstig is uit 2016 lijkt deze conclusie nog niet te zijn verwerkt in de programmatische afstemming.

In de woonvisie is het bouwprogramma redelijkerwijs afgestemd op de woonvraag, maar wordt daarbij uitgegaan van het gemiddelde scenario uit de woningbehoefteanalyse van 2015. Dit geeft de legitimatie voor de realisatie voor dit initiatief. Uit de woningmarktanalyse blijkt dat een grootschalige nieuwe uitbreidingslocatie in het gebied niet is gewenst. Dit leidt tot de noodzaak om op kleinschalige binnendorpse locaties in Haren en Eelde-Paterswolde te zoeken naar aanvullende plan-

Hoofdstuk 5

28

capaciteit. Daarnaast is het denkbaar dat op zeer kleine schaal excellent wonen wordt ontwikkeld in nieuwbouwlocaties in Groningen of andere binnendorpse locaties in de regio Zuidwest, maar dat leidt niet tot het creëren van een nieuw excellent ‘woonmilieu’ (bron: woningmarktanalyse, 2017). Het plan Raadhuisplein betreft een kleinschalige binnendorpse locatie in Haren die daarmee in de aanvullende plancapaciteit kan voorzien. Figuur 5.3: Stedelijke woonvraag naar woonmilieus en gebieden, woningmarktanalyse 2017

Hoofdstuk 5

29

5.1.4 Kwalitatieve behoefte Het initiatief voorziet in een kwalitatieve behoefte Uit de confrontatie van vraag met aanbod blijkt dat er in de stad Groningen een tekort ontstaat aan woningen in het (centrum-)stedelijke woonmilieu. Daarom is het van belang dat er binnen de randvoorwaarden van ruimtelijke kwaliteit gezorgd wordt voor de ontwikkeling van (centrum-)stedelijke woonmilieus in stedelijke dichtheden. Er is zowel vraag naar grondgebonden als naar gestapelde woningen (bron: woningmarktanalyse, 2017). Er is vraag naar ca. 1.750 woningen in een excellent milieu (iets meer dan de helft grondgebonden). Er is ruimte bekend voor ca. 1.250 woningen (vooral grondgebonden) tot 2030. Dat is onvoldoende om invulling te geven aan de regionale vraag naar excellent wonen. Bovendien ligt hier een spanningsveld: Haren en Eelde-Paterswolde hebben ook te maken met een lokale (niet per se ‘excellente’) woonvraag. Het verdient de voorkeur het excellente wonen meer te spreiden over de bestaande woongebieden en geen grote nieuwe locaties uitsluitend en alleen voor deze specifieke doelgroep te ontwikkelen. Een deel van het tekort aan plancapaciteit voor excellent wonen kan worden opgelost door het realiseren van appartementen op inbreidingslocaties (bron: woningmarktanalyse, 2017), Bij het initiatief aan het Raadhuisplein spreken we van een inbreidingslocatie.

Op de locatie is sprake van transformatie. Bestaande opstallen (het oude gemeentehuis) met een stedelijke functie zijn inmiddels gesloopt en op locatie worden onder andere nieuwe woningen gerealiseerd. Hiermee sluit de ontwikkeling aan op het beleid dat vernieuwing stimuleert van binnenuit in plaats van een uitleglocatie. Daarnaast is het initiatief gelegen te midden van de voorzieningen in het centrum. Het gaat hier om de toevoeging van een vrij kleinschalig initiatief waar kwaliteit wordt toegevoegd. Kleinschaligheid en kwaliteit zijn belangrijke kenmerken van de gemeente die Haren zo aantrekkelijk en tot een excellent woonmilieu maken (bron: Woonvisie, 2016). Verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse Daarnaast kan worden gesteld dat het initiatief zorgt voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Met de bouw van dit pand ontstaat weer een pleinwand en krijgt het Raadhuisplein weer een meer besloten karakter. Tevens wordt de aansluiting van het plein met de Brinkhorst zowel functioneel als stedenbouwkundig versterkt.

Hoofdstuk 5

30

BIJLAGE

Bijlage 1: Begrippenlijst BVO/WVO  Bruto verkoop vloeroppervlak: zowel de voor het publiek toegankelijke ruimten als de ruimten die alleen voor het personeel toegankelijk zijn.  Winkelverkoop vloeroppervlak: alleen de voor het publiek toegankelijke ruimten Detailhandel (als activiteit) Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan de uiteindelijke gebruiker of verbruiker. Dagelijkse artikelen Voedings- en genotmiddelen (vgm) en artikelen op het gebied van persoonlijke verzorging. In de praktijk gaat het hierbij om supermarktaanbod, aanbod in vgm-speciaalzaken, drogisterij- en parfumeriezaken Bestedingspotentieel Totaal aan winkelbestedingen die door de inwoners van een bepaald gebied gedaan kunnen worden. Gebaseerd op inwoneraantal en gemiddelde (landelijke) toonbankbesteding per hoofd van de bevolking. Groepering daarvan noemt men bestedingsvolumes. Winkel verkoopvloeroppervlak (wvo) Winkelruimte die voor de consument toegankelijk is (dus exclusief magazijn, kantoor, etalage, etc.). Vloerproductiviteit Gemiddelde omzet in gevestigde winkels per m² verkoopvloeroppervlak (wvo). Koopkrachtbinding Mate waarin inwoners van een bepaald gebied hun bestedingen verrichten bij winkels die in dat gebied gevestigd zijn.

Koopkrachtafvloeiing Mate waarin inwoners van een bepaald gebied hun detailhandelsbestedingen plaatsen bij gevestigde winkels buiten dat gebied. Koopkrachttoevloeiing Mate waarin inwoners van buiten een bepaald gebied detailhandelsbestedingen plaatsen bij winkels die in dat gebied gevestigd zijn (aandeel omzet van buiten).

Bijlage

1

BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Tegelen www.BRO.nl

Bijlagen

45

Bijlage 3

Beeldkwaliteitsplan

Rho adviseurs voor leefruimte

20201851 NL.IMRO.0014.BPHR13INBR-VA03

Beeldkwaliteitsparagraaf Herontwikkeling Raadhuisplein - Haderaplein juni 2017 Richtlijnen huidige welstandsnota m.b.t. centrum gebied Analyse Algemeen- Het dorpscentrum van Haren is gelegen op het kruispunt van de oude wegen naar de omgeving. Het bestaat uit een menging van winkels met bovenwoningen en bijzondere -openbaregebouwen die grotendeels uit de periode 1900- heden stammen. Oude gebouwen die ook van bepalende invloed zijn op het beeld zijn de middeleeuwse kerk, een kerk uit het begin van de 20e eeuw, enige schoolgebouwen uit de jaren 30, een korenmolen en enkele bijzondere open en groene ruimtes. Veel oude gebouwen en ook bijzondere open ruimten zijn in de loop van de tijd opgeofferd aan nogal wat zakelijk overkomende gebouwen van na de oorlog. Deze bezitten een veel grotere schaal dan de dorpsbebouwing uit het begin van de 20e eeuw en de bebouwing van de jaren 30. Om het winkelcentrum te moderniseren zijn er nieuwe winkel-woonblokken toegevoegd op het voormalige parkeergebied tussen de kerk en het gemeentehuis in de vorm van een voetgangersstraatje. Aan de westzijde van de Rijksstraatweg is een vervolgontwikkeling voorzien aansluitend bij de wat grootschaliger bebouwing in deze hoek van het centrum. Ruimte- Het centrum is gekenmerkt door gesloten straatwanden in 2 en 3 lagen, die aan de randen overgaan in vrijstaande woonbebouwing.

Kenmerkend zijn met name aan de oostzijde de fraaie meest dubbele 30ger jaren woonhuizen die het begin vormen van het omliggende villapark Haren. ( gebied 9) De hoofdstructuur van de kom is het slingerende verloop van de Rijksstraatweg, de twee bijzondere plekken daaraan gelegen van de kerk en het gemeentehuis, en de ter plaatse aftakkende oude wegen, de Meerweg en de Kerkstraat. Plaatsing- De bebouwing van de kom is in een gesloten verband, in de rooilijn direct op de straat gesitueerd. Hoofdvorm/ Aanzichten/ Opmaak- De bebouwing kenmerkt zich door aaneengeregen blokken in meer lagen van een aanzienlijk verschil in omvang. Gevelplastiek in de voorgevels is in de wat oudere blokken wel ruim aanwezig, in de nieuwere van de jaren 70 –80 niet. Overheersend in het beeld van de kom is de winkeluitstraling met reclames.

Waardering Deze betreft in ruimtelijke zin vooral de gegroeide structuur van wegen, groene ruimten van raadhuisplein en kerkplein met de aanwezige oude bebouwingsfragmenten alsmede voor de schaal en de karakteristiek van de 30ger jarenbebouwing zoals de woon- winkel blokken op de kop van de Meerweg en de Kerkstraat Beleidsintenties Binnen het handhaven van de gegroeide structuur geldt er incidenteel en planmatig wijzigen op onderdelen om het totaalbeeld en detailleringen op een meer genuanceerde en verfijnde schaal te brengen (conform de bouwblokken langs de Kerkstraat en de kop van de Meerweg ). Contrasten in de expressie van de bebouwing behoren voor zover niet direct in de nabijheid van monumenten tot de mogelijkheden, vooral waar deze erop gericht is het zakelijke en saaie karakter van de naoorlogse bebouwing te verlevendigen

Aanvullende Beedlkwaliteitsrichtlijnen t.b.v. aanbestedingsprocedure Raadhuisplein - Haderaplein Doelstelling Het Raadhuisplein vormt samen met de openbare ruimte rondom de kerk de belangrijkste openbare ruimte in het centrum van Haren en vormt een belangrijke spil in de winkelrouting van het centrum. Dit is de plek waar Harenaren en bezoekers winkelen, elkaar ontmoeten en bijeenkomen voor dorpsactiviteiten. Het Raadhuisplein vormt letterlijk het hart van Haren. Door het shared space concept is het plein in zijn functie sterk verbonden met de openbare ruimte aan de Rijksstraatweg. Het Raadhuisplein heeft voor het centrum tevens een belangrijke functie als verblijfsgebied.

Nieuwe gevelwand Raadhuisplein Het huidige plein mist een goede gevelwand die het plein aan alle zijden omsluit en een intiem karakter geeft. De beeldkwaliteit en uitstraling van de bestaande gevelwanden is matig. Zij bepaalt voor een groot deel de sfeer en kwaliteit van het huidige plein. Het huidige plein mist daardoor de allure die past bij het wonen en winkelen in het centrum van Haren. Het nieuwe raadhuis, dat op de plaats van het voormalige postkantoor is gebouwd, is een nieuwe beeldbepaler aan het plein. De pleininrichting en de uitstraling van de huidige bebouwing sluit echter niet aan bij de uitstraling van het nieuwe raadhuis. De opgave is dan ook om met de planontwikkeling meer evenwicht en samenhang aan het Raadhuisplein te creëren. De nieuwe ontwikkeling doet recht aan de positie van het raadhuis, is daaraan ondergeschikt en brengt de uitstraling van het gehele plein op een representatief niveau. Zij zoekt daarbij aansluiting bij de bestaande noord en zuidwand maar zet ook de toon voor toekomstige ontwikkeling aan het Raadhuisplein.

Versterken winkelrouting Door het slopen van het oude raadhuis onderbreekt visueel de winkelroute vanaf de Brinkhorst naar de noordkant van het plein. Momenteel ontbreekt ook een goede routing tussen Brinkhorst en Rijksstraatweg over het Raadhuisplein. Nu het raadhuis verplaatst is naar de noordwand ontstaat de kans om in de plint van het nieuwe gebouw nieuwe functies/trekkers toe te voegen zodat een logische winkelrouting over het plein ontstaat. De nieuwe ontwikkeling en de inrichting van het plein dient deze winkelrouting versterken. Verschillende schaalniveaus In het plangebied is een groot verschil in schaal tussen de centrumbebouwing rondom het plein en de direct daarachter gelegen kleinschalige woonstraten. De nieuwe ontwikkeling dient een brug te slaan tussen beide schaalniveaus om de overgang tussen woongebied en centrumgebied zorgvuldig vorm te geven. Ook de overgang tussen Raadhuisplein en Brinkhorst dient met aandacht te worden vormgegeven. Daarbij is de gevel aan het Raadhuisplein (huiskamer van Haren) van een andere orde dan die aan de Brinkhorst (kleinschalige winkelstraat).

Toetskader Raadhuisplein: De huidige begrenzingen van het Raadhuisplein kenmerken zich door een grote diversiteit in bebouwing. De gevelwanden sluiten qua schaal en uitstraling weinig op elkaar aan. Opvallend is de schaal van de wat grootschaliger bebouwing aan de zuidzijde van het plein. Zij geeft het plein een onderscheidend karakter met een grotere hoogte en korrelgrootte ten opzicht van de overige centrumbebouwing. De noordzijde van het plein bestaat uit een kleinschaliger bebouwing en een minder sterk vormgegeven pleinwand. Om de ruimtelijke continuïteit van het plein te versterken dient de nieuwe ontwikkeling aan te sluiten bij de grootschaliger zuidwand. De nieuwe gevelwand toont zich daarbij nadrukkelijk als een architectonische eenheid in een wat grotere korrel en niet als een verzameling losse panden met een eigen karakter. Tegelijkertijd moet de nieuwe gevel aan het Raadhuisplein passend zijn binnen de huidige context en aansluiting gaan vinden bij de kleinere maat van de overige centrum bebouwing. We vragen daarom om een ondergeschikte verticale geleding in de architectonische uitwerking met een gevelritmiek van 5 – 10 meter. De nieuwe gevel aan het Raadhuisplein vormt samen met de overige gevelwanden een helder gedefinieerd plein met een eigen orde waarbij de overgang naar het kleinschaliger karakter van de Brinkhorst zorgvuldig wordt vormgegeven.

De gevelwand aan het Raadhuisplein krijgt een klassieke opbouw met een duidelijk afleesbare plint en een duidelijke beëindiging aan de bovenzijde. De architectuur is rustig, chique en samenhangend. In materiaalgebruik contrasteert de nieuwe ontwikkeling met het nieuwe raadhuis en zoekt aansluiting de bij de centrumbebouwing die voornamelijk uit metselwerk bestaat. Om een ruimtelijke omsloten plein te creëren met een eigen herkenbare identiteit is in de bouwenvelop aangegeven dat de nieuwe gevelwand van het Raadhuisplein op de hoek Molenwegzijde in de verplichte rooilijn gebouwd moet worden. De opening tussen de pleinwanden wordt hier klein gehouden om direct zicht op de achtertuinen van de Molenweg te voorkomen. Aan de zijde van de Brinkhorst is de rooilijn vrij om een goede ruimtelijke overgang van Raadhuisplein naar Brinkhorst mogelijk te maken. De nieuwe gevelwand van het Raadhuisplein wordt bij voorkeur (en minimaal voor 75%) in de verplicht aangegeven maximale rooilijn geplaatst. De plint mag daarbij terug liggend worden uitgevoerd. De goothoogte van de gevel aan het Raadhuisplein bedraagt minimaal de hoogte van het nieuwe Raadhuis (10,5 meter) en is maximaal 12,5 meter hoog (zie figuur 2 en 3).

De Brinkhorst: De Brinkhorst en het Raadhuisplein hebben ieder een eigen schaal en karakter. De overgang van Brinkhorst naar Raadhuisplein wordt zodanig vormgegeven dat bij beide karakters wordt aangesloten binnen een samenhangend geheel. Het nieuwe bouwblok versterkt de winkelroute vanaf de Brinkhorst naar het Raadhuisplein en zorgt voor een heldere en visuele continuering van de commerciële plint. De overgang tussen Brinkhorst en Raadhuisplein dient zorgvuldig te worden vormgegeven om het winkelend publiek te begeleiden. Het is daarbij gewenst om de plint van de nieuwbouw aan de Brinkhorst een representatieve uitstraling te geven en terug te leggen om een de zichtlijn tussen Brinkhorst en Raadhuisplein mogelijk te maken. Hier is een invulling met dagwinkels en/of horeca het meest passend. Blinde gevels zijn uit den boze. Om aan het Raadhuisplein een omsloten gevelwand te creëren dient de goothoogte op de hoek Brinkhorst / Raadhuisplein minimaal 10,5 meter te zijn. De uitstraling van het gebouw langs het fietspad en de Brinkhorst dient minstens voor 50% transparant en open te zijn. Het gebouw begeleidt de fietsroute en het winkelend publiek vanaf de parkeerplaats aan de Hortuslaan richting Raadhuisplein en Brinkhorst.

Dit kan worden gerealiseerd door de introductie van heldere zichtlijnen en door verschillende functies hier een entree te geven of transparante puien en etalages. Het winkelen begint ‘direct vanaf de parkeerplaats’. Om aan de Hortuslaan zijde aan te sluiten bij de veel kleinschalige bebouwing is in de bouwenvelop in de rooilijn van de achtergevels van de Brinkhorst een schaalsprong opgenomen. De bebouwingshoogte gaat hier over naar een maximale bouwhoogte van 5,3 meter (zie figuur 1,2 en 3) Hortuslaan: Aan de Hortuslaan wordt een parkeerterrein gerealiseerd. Daarbij wordt zowel aandacht gevraagd voor de stedenbouwkundige - (inrichting parkeerterrein) als de architectonische kwaliteit (gevel gebouw). De mogelijke commerciële uitbouw die grenst aan het nieuw te realiseren parkeerterrein aan de Hortuslaan dient een representatieve uitstraling te krijgen. Zij toont zich daarbij niet als aanbouw of achterzijde maar maakt onderdeel uit van het grotere geheel. Gevraagd wordt om ook aan deze zijde van het gebouw geen blinde gevels te maken. Ook hier moet de gevel een voorkant zijn met een duidelijke entreefunctie die zichtbaar gemaakt wordt in de gevel zodat het complex een alzijdig representatieve uitstraling krijgt. Bijzondere aandacht gaat daarbij uit naar de vormgeving van galerijen en balkons.

Deze dienen ondergeschikt te worden opgenomen in de gevelarchitectuur en zijn niet beeldbepalend. Om op maaiveld een blinde gevel aan de parkeerterrein zijde te voorkomen is in het beeldkwaliteitsplan bepaald dat aan de Hortuslaanzijde minimaal een transparante en verlichte entreepartij voor de supermarkt moet worden opgenomen. We stellen de minimale breedte hiervan vast op 4 meter. Eventuele rolluiken dienen transparant te zijn. Daarnaast vormt verlichting een belangrijke eis. De gevel zelf, alsmede de aangrenzende openbare ruimte moet in de avonduren voldoende verlicht- en aangelicht worden. De verlichting is als ornament of als geheel geïntegreerd in het gevelontwerp en van hoogwaardige kwaliteit en in samenhang met het geheel. Door kwalitatief hoogwaardige materiaaltoepassingen en een zorgvuldige detaillering kan zonder het toepassen van ramen, puien en vensters een aantrekkelijke gevel worden gecreëerd. Het toepassen van grote vlakken uit aluminium profielplaten alsmede een monotone blinde baksteen gevel wordt niet toegestaan.

Molenweg: De noordzijde van de ontwikkeling grenst aan de achtertuinen van de Molenweg. Om voldoende privacy voor de omwonenden te waarborgen moet het bouwblok voldoende afstand houden tot de achterzijde van de Molenweg. Er wordt hier een groenstrook van circa 9 meter vrij gehouden. Afwijking hiervan is alleen mogelijk ten behoeve van een expeditie voorziening. De bouwenvelop biedt ruimte voor het realiseren van een af te sluiten overdekte expeditie doorrit van maximaal 6 meter breed. Naast deze expeditie strook zal een smalle groenstrook worden behouden. De gevel aan de Molenweg zijde zal grotendeels bestaan uit een gesloten plint. Derhalve zal er vanuit het gebouw weinig zicht zijn op de openbare ruimte. Dit in acht nemend is er een goed verlichte en overzichtelijke gevel zonder nissen en hoeken voorgeschreven. De gevel krijgt bij voorkeur een groene uitstraling om aan te sluiten bij het groene karakter van de tuinen aan de Molenlaan. De overgang naar de gevels van Raadhuisplein en Hortuslaan wordt samenhangend vormgegeven en gematerialiseerd. Reclamevoering en uitstraling winkelpuien: Er wordt bijzondere aandacht vereist voor reclamevoering aan de gevels. Ook voor de reclame-uiting geldt het motto ‘rustig en chique’. Reclame voering dient daarbij ondergeschikt te zijn aan het gevelbeeld.

Om een rustig straatbeeld te garanderen zijn haaks op de gevel of op het dak geplaatste reclame uitingen allen toegestaan mits ze projectmatig zijn ontworpen en geïntegreerd. De oppervlakte van haaks geplaatste gevelreclame bedraagt maximaal 0,25 m2. Openbare ruimte: De gevraagde ontwikkeling valt binnen de contouren van het centrumgebied van Haren en sluit hier qua openbare inrichting bij aan. De materialisering en inrichtingseisen van de door de ontwikkelaar aan te leggen openbare ruimte volgen daarbij de Leidraad Openbare Ruimte (LIOR) voor het centrumgebied van de gemeente Haren. De continuïteit van het groene profiel van de Hortuslaan wordt bij voorkeur versterkt door het doorzetten van de groenzone en bomenrij. Bestaande bomen in het straatprofiel worden waar mogelijk gehandhaafd. Om dit mogelijk te maken is de maximale ondergrondse bouwenvelop voor parkeren vastgelegd tot aan de rooilijn van de woningen aan de Hortuslaan (zie figuur 1). Het stallen van fietsen aan de Brinkhorst is vanwege de verkeersveiligheid, beschikbare ruimte en een open uitstraling van het gevelbeeld niet toegestaan. Het stallen van fietsen vindt plaats op het Raadhuisplein of op het Haderaplein met in achtneming van de gegeven welstandcriteria.

Beeldkwaliteitsrichtlijnen Plaatsing: - Binnen de aangegeven bouwenvelop (fig. 1) - Raadhuisplein: bebouwing minimaal voor 50% in de rooilijn. Hoofdvorm: - De ontwikkeling valt binnen de aangegeven maximale bouwenvelop (fig. 1,2 en 3 - De ontwikkeling vormt een samenhangend, architectonisch geheel - De ontwikkeling vormt een omsloten plein in samenhang met huidige bebouwing - Hoofdvorm Raadhuisplein qua maat en schaal aansluitend bij de grotere bebouwing aan het plein. - Hoofdvorm begeleidt de winkelrouting van Raadhuisplein naar Brinkhorst en Hortuslaan - Raadhuispleinzijde bedraagt maximaal 5 bouwlagen met kap - Bebouwing aan het Haderaplein bedraagt achter achtergevel Brinkhorst maximaal 1 bouwlaag - Bebouwing aan de expeditiestraat heeft een overzichtelijke rooilijn zonder nissen of hoeken Aanzichten: - Alzijdig hoogwaardige uitstraling, rustig en chique - Contrasterend met het nieuwe raadhuis - Klassieke opbouw in een rustige en samenhangende architectuur - De plint mag terugliggend worden uitgevoerd - Gevels hebben een ondergeschikte verticale gevelritmiek die aansluit bij de maat van de kleinschaliger centrumbebouwing ( 5 – 10 meter). - De gevelritmiek is in de gevel op de begane grond zichtbaar, ook in het geval van een teruggelegen pui.

- Doorgaande goothoogte aan het Raadhuisplein (minimaal 10,5 / maximaal 12,5 meter) - Beperkte maatsprongen in de gevelwanden - Entreepartijen zijn duidelijk herkenbaar en representatief vorm gegeven. - Balkons, loggia’s en galerijen zijn ondergeschikt en opgenomen in het gevelbeeld en bij voorkeur terugliggend geplaatst. - Een mogelijke supermarkt entree is aan de Raadhuisplein zijde maximaal 8 meter breed - De gehele plint aan het Raadhuisplein en minimaal 50 % van de plint aan de Brinkhorst heeft een transparant- en open karakter. - Expeditie- en secundaire vlucht- en toegangsdeuren worden bij voorkeur opgenomen in de noordgevel langs de expeditiestraat en worden goed verlicht - De eventuele expeditie voorziening moet afsluitbaar zijn.

Opmaak: - De detaillering is zorgvuldig en hoogwaardig - Materialisering in metselwerk in gedekte kleuren met accenten van natuursteen, beton en glas. - Kleur, ritme en reliëf van de toe te passen materialen zorgen voor een rijke uitstraling. - De gevel wordt in de avonduren voldoende verlicht . Verlichting is geïntegreerd in het gevelontwerp - De expeditiestraat wordt geïntegreerd in het gebouwontwerp. Een groene uitstraling van de expeditiestraat is ook mogelijk. - De gevels hebben ook op de verdiepingen een hoogwaardige en representatieve uitstraling. - Balkons, galerijen, trappen en stijgpunten zijn ondergeschikt vormgegeven en opgenomen in een samenhangend gevelbeeld. - Reclame uitingen zijn ondergeschikt en geïntegreerd in de winkelpuien en het gevelontwerp - Haaks op de gevel geplaatste reclame uitingen zijn enkel toegestaan mits integraal, hoogwaardig vormgegeven en maximaal oppervlakte 0,25 m2. - De uitstraling van de winkelpuien is open en transparant.

- Rolluiken zijn transparant - Bij avond stralen de winkelpuien licht uit Openbare ruimte: - Inrichtingsprincipes sluiten aan bij de LIOR centrumgebied van de gemeente Haren - De bestrating wordt uitgevoerd in (hergebruikt) rood gebakken materiaal - Het groene profiel van de Hortuslaan wordt gecontinueerd - Parkeervakken worden aangegeven door een ander kleur en type bestratingsmateriaal - Op de parkeerplaats zijn groenelementen aanwezig zoals plantenbakken en bomen - Voor voetgangers zijn er duidelijk gemarkeerde oversteekplaatsen - Inrichtingselementen (verlichting, prullenbakken, bankjes) zijn in samenhangend vormgegeven - De materialisering van straat meubilair is robuust en vandalismebestendig - De vormgeving is hoogwaardig en de uitstraling representatief - Een eventuele parkeergarage inrit is qua materialisering in samenhang met het hoofdgebouw - De parkeerplaats en parkeergarage inritten zijn bij avond goed verlicht - De parkeerplaats is overzichtelijk opgezet - De fietsenstalling bevindt zich vrij in de ruimte, stalling tegen de gevel is niet toegestaan - De plek van de fietsenstalling is goed verlicht - Fietsenrekken zijn voorzien van fietsparkeur - Het plaatsen van fietsenrekken en winkelwagens tegen de gevels is niet toegestaan

Referenties Raadhuisplein en Brinkhorst: Do’s

Referentiebeelden gevelopbouw Raadhuisplein

Referenties Hortuslaan en Molenweg: Do’s:

Gevelmaterialen metselwerk: reliëf, verband, textuur

Gevelmaterialen glas: prints, kleur, licht

Gevelmaterialen groen: als gevelscherm expeditie ruimte

Dont’s :

Geen blinde gevels of cladding

Referenties Reclame en Winkelpuien: Do’s Reclame en Winkelpuien

Transparante rolluiken, reclame geïntegreerd in de puien

Dont’s Reclame en Winkelpuien

Geen dichte rolluiken en toegevoegde reclameborden op de gevel of dak

Referenties Openbare Ruimte: Do’s Parkeerterrein

Duidelijk gemarkeerde ruime parkeervakken, hergebruikte bestrating, overzichtelijk, veilig en groen

Dont’s Parkeerterrein

Onduidelijk gemarkeerde parkeervakken, krappe en onoverzichtelijke parkeerplaatsen

Do’s Fietsenstalling

Hoogwaardige uitstraling, inpassing en vormgeving

Dont’s Fietsenstalling

Geen fietsenrekken plaatsen tegen de gevels

Figuur 1: Plattegrond maximale bouwenvelop

Figuur 2: Doorsnede maximale bouwenvelop

Figuur 3: Maximale bouwhoogte en maximale dakhelling

61

Bijlage 4

Ecologisch onderzoek

Rho adviseurs voor leefruimte

20201851 NL.IMRO.0014.BPHR13INBR-VA03

Ecologische beoordeling herinrichting Raadhuisplein/Haderaplein te Haren Opdrachtgever Referentie

Gemeente Haren Stoker O, 2017. Ecologische beoordeling herinrichting Raadhuisplein/Haderaplein te Haren. A&W-notitie 2779. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden.

Projectcode Status Datum Projectleider Autorisatie

2779rpl Definitief 19 april 2017 O. Stoker R.J. Strijkstra

Inhoud 1. 2. 3. 4. 5.

Inleiding Huidige situatie en plannen Gebiedsbescherming en beoordeling Soortbescherming en beoordeling Conclusies Literatuur

Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek bv Suderwei 2 tel. 0511 – 474764 email: info@altwym.nl website: www.altwym.nl

Foto 1 t/m 3 (A&W maart 2017). Impressie van het plangebied.

A&W-notitie 2779

1

1. Inleiding De gemeente Haren is voornemens een supermarkt met appartementen te realiseren op het Raadhuisplein/Haderaplein te Haren. In 2010 zijn de plannen voor dit project getoetst aan de vigerende natuurwet- en regelgeving (Greve 2010). Ook is in 2010 aanvullend vleermuisonderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in de te slopen bebouwing (Greve 2010). Inmiddels is de bebouwing in het plangebied gesloopt en wordt het plangebied in de huidige situatie gebruikt als parkeerplaats. De houdbaarheid van ecologisch onderzoek ligt volgens het beleid vanuit het ministerie van EZ op drie tot vijf jaar. Daarnaast is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden, die de wetgeving van destijds heeft vervangen. De gemeente Haren heeft Altenburg & Wymenga opdracht gegeven het in 2010 uitgevoerde onderzoek te actualiseren. In onderhavige notitie zijn de resultaten van het ecologisch onderzoek gepresenteerd. Het onderzoek naar de aanwezigheid van relevante natuurwaarden is gebaseerd op twee benaderingen. Ten eerste is gebruik gemaakt van het onderzoeksrapport van Greve (2010). Ook zijn recente bronnen geraadpleegd (NDFF, verspreidingsatlassen, overzichtswerken, onderzoeksrapporten en websites) over de aanwezigheid van beschermde gebieden en soorten in en nabij het plangebied.

Altenburg & Wymenga presenteert in deze notitie de resultaten van een onafhankelijk ecologisch onderzoek. Het onderzoek spreekt zich niet uit over de wenselijkheid van het onderhavige plan of een bepaalde ontwikkeling. Landschappelijke, archeologische of cultuurhistorische waarden komen niet aan de orde. Aan deze ecologische beoordeling kunnen geen rechten worden ontleend.

2. Huidige situatie en de plannen Het plangebied ligt in het centrum van Haren en wordt begrensd door de Molenweg, Hortuslaan en Rijksstraatweg (zie figuur 1). Het plangebied bestaat uit een plein en parkeerterrein. Het overige deel van het plangebied bestaat uit plantsoenen met bosschages en bomen, waaronder enkele eiken- en kastanjebomen. De plannen bestaan uit het realiseren van een supermarkt met appartementen. Om dit te realiseren worden mogelijk enkele bomen gekapt en enkele bosschages verwijderd.

2

A&W-notitie 2779

Figuur 1. Ligging plangebied en beschermde gebieden in de omgeving.

A&W-notitie 2779

3

3. Gebiedsbescherming en beoordeling In Nederland zijn de meeste beschermde gebieden beschermd volgens de Wet natuurbescherming of regels omtrent het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Daarnaast kunnen gebieden ook worden beschermd vanwege hun natuurwaarden via verordeningen of het bestemmingsplan. 3.1 Wet natuurbescherming (Natura 2000) Uit de kaartgegevens over wettelijk beschermde gebieden blijkt dat het plangebied geen deel uitmaakt van Natura 2000-gebied (zie figuur 1). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het ‘Zuidlaardermeergebied’ dat op een afstand van 1,5 km van het plangebied ligt. Een ander nabijgelegen Natura 2000-gebied is het 'Leekstermeergebied' dat op een afstand van circa 7 km van het plangebied ligt. Overige Natura 2000-gebieden liggen op een dermate grote afstand van het plangebied (vanaf 10 km) dat kan worden uitgesloten dat deze gebieden een ecologische relatie hebben met het plangebied. Ze zijn daarom niet van belang voor onderhavige beoordeling. Natura 2000-gebieden 'Zuidlaardermeergebied' en 'Leekstermeergebied' zijn aangewezen voor verscheidene soorten waarvoor instandhoudingsdoelen zijn vastgesteld. De bovengenoemde gebieden zijn aangewezen voor een aantal soorten broedvogels en niet-broedvogels.

De meeste aangewezen soorten zijn gebonden aan de biotopen binnen de Natura 2000-gebieden en komen alleen voor binnen de begrenzing van Natura 2000-gebieden. Gezien de relatief grote afstand tot het plangebied, het gebruik van het tussenliggende gebied en de aard en omvang van de beoogde plannen, is het uitgesloten dat negatieve effecten optreden op de Natura 2000gebieden en de aangewezen natuurwaarden die zich alleen bevinden binnen de begrenzing van deze Natura 2000-gebieden. Enkele aangewezen soorten, zoals ganzen en Smient maken echter ook gebruik van de (ruime) omgeving van deze Natura 2000-gebieden. Deze soorten foerageren op graslanden buiten de begrenzing van Natura 2000-gebied. Gezien de aard en de ligging van het plangebied in de bebouwde kom kan worden aangenomen dat het plangebied geen deel uitmaakt van het foerageergebied van deze ganzensoorten en Smient. De plannen veroorzaken om deze reden geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van de bovengenoemde soorten. Conclusie De herinrichting van het plangebied veroorzaakt geen (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden 'Zuidlaardermeergebied' en 'Leekstermeergebied'. Er is daarom geen conflict met de Wet natuurbescherming ten aanzien van gebiedsbescherming.

3.2 Natuurnetwerk Nederland/ Ecologische Hoofdstructuur In 2013 is het begrip NatuurNetwerk Nederland (NNN) geïntroduceerd door het Rijk. Het betreft de nieuwe naamgeving voor de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Op een afstand vanaf 1 km liggen gebieden die door de provincie zijn aangewezen als NNN. De bescherming van het NNN is tweeledig. Het eerste uitgangspunt is dat er geen verlies van oppervlakte mag plaatsvinden. Daarnaast mogen ingrepen in de nabijheid van het NNN geen negatieve effecten veroorzaken op de wezenlijke waarden van NNN-gebied. Deze wezenlijke waarden hebben veelal betrekking op de aanwezige natuurwaarden, maar aspecten als rust, openheid en duisternis vallen hier ook onder.

4

A&W-notitie 2779

Door de ontwikkelingen in het plangebied gaat er geen oppervlakte van het NNN verloren. Gezien de grote afstand van het plangebied tot het NNN, de aard van het plangebied en de beperkte aard van de ingreep, worden er geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden van het NNN. De conclusie van de beoordeling is daarom dat de ingrepen binnen het plangebied geen conflict veroorzaken met de betreffende regelgeving. 3.3 Overige vormen van gebiedsbescherming Behalve de hierboven beschreven wet- en regelgeving kunnen gebieden ook ten aanzien van natuurwaarden worden beschermd via andere regelgeving, bijvoorbeeld het streekplan of verordeningen. Het gaat dan om Ganzenfoerageergebied of Weidevogelkerngebied. Het plangebied is niet beschermd door deze overige vormen van gebiedsbescherming.

4. Soortbescherming en beoordeling Soortbescherming is in Nederland vanaf 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Aan de Wet natuurbescherming zijn drie lijsten met soorten gekoppeld. Het gaat om artikel 3.1 waar soorten van de Vogelrichtlijn onder vallen, artikel 3.5 waar soorten van de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn onder vallen en artikel 3.10 voor overige soorten. Soorten uit de eerste twee artikelen zijn daarmee Europees beschermd, terwijl soorten van artikel 3.10 nationaal beschermd zijn. Provincies hebben de mogelijkheid om voor soorten uit artikel 3.10 een vrijstelling te verlenen van enkele verbodsbepalingen. De Provincie Groningen hanteert vanaf 1 januari 2017 een lijst met (dier)soorten die een vrijstelling genieten bij o.a. ruimtelijke ontwikkeling. De vrijgestelde soorten komen voor een groot deel overeen met de soorten die in de Flora- en faunawet onder het licht beschermde regime vielen. Het plangebied bestaat grotendeels uit een plein en parkeergelegenheid. Het overige deel van het plangebied bestaat uit bomen en bosschages. Hieronder is beschreven welke beschermde soorten mogelijk in het plangebied voorkomen en wat de consequenties daarvan zijn voor de beoogde plannen. 4.1 Planten Het plangebied bestaat grotendeels uit verharding.

De vegetatie in het plangebied is grotendeels aangeplant en wordt intensief beheerd. Bovendien zijn de omstandigheden in het plangebied voedselrijk. Om bovenstaande redenen worden hier geen beschermde plantensoorten verwacht. De plannen veroorzaken daarom geen conflict met de Wet natuurbescherming ten aanzien van planten. 4.2 Ongewervelde diersoorten In het plangebied ontbreken ecologische randvoorwaarden die beschermde ongewervelden aan hun omgeving stellen, zoals bloemrijke ruigten en sloten met Krabbenscheer. Om deze reden kan de aanwezigheid van beschermde ongewervelden worden uitgesloten. Daarom kan worden geconcludeerd dat door de plannnen geen conflict ontstaat met de Wet natuurbescherming ten aanzien van ongewervelde diersoorten. 4.3 Vissen In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. De plannen veroorzaken daarom geen negatieve effecten op vissen. Daarom kan worden geconcludeerd dat door de plannnen geen conflict ontstaat met de Wet natuurbescherming ten aanzien van vissen.

A&W-notitie 2779

5

4.4 Amfibieën Het plangebied maakt, gezien het ontbreken van oppervlaktewater geen deel uit van het voortplantingsgebied van amfibieën. Wel kan het plangebied deel uitmaken van het landbiotoop van enkele amfibieën, zoals Gewone pad of Bruine kikker. Het gaat hierbij om soorten die zijn opgenomen onder artikel 3.10 van de Wnb en waarvoor door Provinciale Staten vrijstelling is verleend voor een aantal verbodsbepalingen bij ruimtelijke ontwikkeling. Andere soorten waarvoor geen vrijstelling geldt, of soorten die vallen onder artikel 3.5 Wnb, worden niet in het plangebied verwacht. Dit komt omdat het plangebied niet in het verspreidingsgebied van deze soorten ligt en/of het plangebied niet voldoet aan de habitateisen van de betreffende soorten. Conclusie De plannen veroorzaken geen conflict met de Wet natuurbescherming ten aanzien van amfibieën. 4.5 Reptielen Gezien de geïsoleerde ligging van het plangebied en het ontbreken van geschikte biotopen binnen de begrenzing, worden hier geen reptielen verwacht. De plannen veroorzaken om deze reden geen conflict met de Wet natuurbescherming ten aanzien van reptielen. 4.6 Vogels In de Wet natuurbescherming valt het beschermingsregime van vogels onder wetsartikel 3.1 en 3.5. De vogelsoorten die onder de Europese Vogelrichtlijn vallen, zijn opgenomen in artikel 3.1.

De vogelsoorten die onder bijlage II van het Verdrag van Bern vallen, zijn opgenomen in artikel 3.5. Alle in Nederland voorkomende vogelsoorten vallen onder artikel 3.1. Een klein deel van deze soorten valt tevens onder artikel 3.5. Vooralsnog worden door de provincies effecten op vogels beoordeeld volgens de bepalingen onder artikel 3.1. Broedvogels algemeen Het plangebied ligt in het centrum van Haren en is daarom matig geschikt als broedgebied voor vogelsoorten. Binnen het plangebied kunnen een aantal algemene broedvogels tot broeden komen, zoals Merel of Roodborst. Bij werkzaamheden moet volgens de Wet natuurbescherming rekening worden gehouden met het broedseizoen van vogels. De Wet natuurbescherming kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is, dat verstoord kan worden. Verstoring van broedgevallen is niet toegestaan. Er zijn verschillende mogelijkheden om conflicten met de Wet natuurbescherming ten aanzien van broedende vogels te voorkomen. Werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren is de meest zekere optie. Een alternatief is om werkzaamheden voor aanvang van het broedseizoen te beginnen, zodat broedpogingen in het werkgebied achterwege blijven door de verstoring tijdens de werkzaamheden.

Er dient tevens te worden voorkomen dat tijdens werkzaamheden in het broedseizoen alsnog broedgevallen ontstaan die kunnen worden aangetast. Dit is mogelijk door geen geschikte plaatsen voor nesten te laten ontstaan, door bijvoorbeeld bouwmateriaal goed af te dekken. Mochten er toch vogels tot broeden komen en door de werkzaamheden worden aangetast, dan ontstaat er een conflict met de Wet natuurbescherming en moeten de verstorende werkzaamheden gestaakt worden tot na de broedperiode van de betreffende soort(en). Jaarrond beschermde nestplaatsen Buiten het broedseizoen vallen de meeste nestplaatsen niet onder de bescherming van de Wet natuurbescherming, maar een aantal vogelsoorten maakt gedurende het gehele jaar gebruik van de nestplaats of keert jaarlijks terug op dezelfde plaats. Hun nesten en de functionele leefomgeving daarvan worden daarom het gehele jaar beschermd. In augustus 2009 is onder de Flora- en

6

A&W-notitie 2779

faunawet een indicatieve lijst opgesteld van soorten met jaarrond beschermde nestplaatsen. Deze lijst is per 1 januari 2017 onveranderd overgenomen in de Wet natuurbescherming. In het plangebied zijn geen nestplaatsen aanwezig van soorten die deel uitmaken van bovengenoemde lijst. De plannen veroorzaken bovendien geen negatieve effecten op eventueel aanwezige jaarrond beschermde nestplaatsen in de omgeving van het plangebied. Conclusie De beoogde plannen veroorzaken geen conflict met de Wet natuurbescherming ten aanzien van vogels, mits broedende vogels en hun nesten niet worden verstoord. Hierboven is beschreven hoe aan deze voorwaarden kan worden voldaan. 4.7 Vleermuizen Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten zijn beschermd onder artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Hierdoor gelden voor deze soorten striktere beoordelingscriteria bij ontheffingsaanvragen dan bij de meeste andere beschermde zoogdiersoorten. In de omgeving van het plangebied komt een aantal vleermuissoorten voor, namelijk Watervleermuis, Meervleermuis, Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis en Laatvlieger. Voor vleermuizen zijn drie onderdelen van het leefgebied te onderscheiden die van groot belang zijn voor de functionaliteit van het leefgebied. Deze zijn: verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes. Hieronder zijn deze drie elementen besproken.

Verblijfplaatsen In de zomerperiode hebben vleermuizen in Nederland hun verblijfplaatsen voornamelijk in gebouwen en bomen. Tijdens de winter verblijven zij onder andere in gebouwen, bomen, bunkers en kelders. In het plangebied is in de huidige situatie geen bebouwing aanwezig. De bomen in het plangebied zijn te jong/ te dun en/of bevatten geen geschikte holtes voor vleermuizen. Tijdens het vleermuisonderzoek in 2010 (vooral gericht op verblijfplaatsen in de bebouwing) zijn eveneens geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen in de bomen in het plangebied. De plannen veroorzaken om bovenstaande redenen geen directe effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen. Foerageergebied Het plangebied kan mogelijk deel uitmaken van het foerageergebied van enkele vleermuissoorten, zoals Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis en Laatvlieger. Door de plannen zal geen aantasting plaatsvinden van essentieel foerageergebied van vleermuizen. Er is voldoende alternatief en kwalitatief beter foerageergebied aanwezig in de omgeving van het plangebied. Om deze redenen mag worden geconcludeerd, dat de plannen de functionaliteit van de in de omgeving aanwezige verblijfplaatsen van dergelijke vleermuissoorten ten aanzien van foerageergebied niet in gevaar brengt.

Vliegroutes Bij verplaatsingen tussen verblijfplaatsen en foerageergebied maken vleermuizen, om zich te oriënteren, meestal gebruik van vaste vliegroutes langs lijnvormige structuren, zoals lanen, boomsingels, (oevers van) sloten en straatpatronen. In het plangebied zijn geen lijnvormige landschapselementen aanwezig die deel uitmaken van doorgaande structuren in het landschap. Om deze reden kan worden uitgesloten dat er (delen van) essentiële vliegroutes van vleermuizen aanwezig zijn in het plangebied. Tijdens het vleermuisonderzoek in 2010 zijn geen essentiële vliegroutes van vleermuizen aangetroffen. Om deze redenen mag worden geconcludeerd, dat de plannen de functionaliteit van de in de omgeving

A&W-notitie 2779

7

aanwezige verblijfplaatsen van dergelijke vleermuissoorten ten aanzien van vliegroutes niet in gevaar brengt. Conclusie De plannen veroorzaken geen conflict met de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen. 4.8 Overige zoogdiersoorten Zoogdiersoorten artikel 3.5 Wnb (exclusief vleermuizen) Soorten die worden beschermd volgens artikel 3.5 Wnb, zoals de Noordse woelmuis, komen niet voor in de omgeving van het plangebied. Bovendien voldoet het plangebied niet aan de habitateisen van dergelijke soorten. De aanwezigheid van deze soorten kan daarom worden uitgesloten. Overige zoogdiersoorten artikel 3.10 Wnb Het plangebied maakt mogelijk deel uit van het leefgebied van een aantal zoogdiersoorten die onder artikel 3.10 Wnb vallen, zoals (spits)muizensoorten, Mol en Egel. Deze soorten zijn vrijgesteld door Provinciale Staten van een aantal verbodsbepalingen bij o.a. ruimtelijke ingrepen. Een soort waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals de Steenmarter, komt voor in de bebouwde kom van Haren (digitale zoogdieratlas). Voor de overige soorten die vallen onder artikel 3.10 en die niet op de vrijstellingslijst staan, geldt dat deze niet voorkomen in de omgeving van het plangebied en/of het plangebied niet voldoet aan de habitateisen van deze soorten.

Conclusie De plannen veroorzaken geen conflict met de Wet natuurbescherming ten aanzien van overige zoogdiersoorten (exclusief vleermuizen).

5. Conclusies Deze ecologische beoordeling leidt tot de volgende conclusies: Gebiedsbescherming Wet natuurbescherming: Natura 2000 De plannen veroorzaken geen negatieve effecten op de natuurwaarden waarvoor de Natura 2000gebieden 'Zuidlaardermeergebied' en 'Leekstermeergebied' zijn aangewezen. Er is daarom geen conflict met de Wet natuurbescherming ten aanzien van gebiedsbescherming. Overige gebiedsbescherming De plannen veroorzaken geen conflict met de ecologische wet- en regelgeving ten aanzien van overige vormen van gebiedsbescherming (regelgeving betreffende de Natuurnetwerk Nederland, Ganzenfoerageergebied en Weidevogelkerngebied). Soortbescherming De plannen veroorzaken geen conflict met de Wet natuurbescherming, mits wordt voorkomen dat broedende vogels en hun in gebruik zijnde nesten worden verstoord.

8

A&W-notitie 2779

Literatuur Greve, M.S.E. 2010. Ecologische beoordeling locatie Raadhuisplein te Haren. A&W-rapport 1478. Altenburg & Wymenga ecologisch, Feanwâlden. Haarsma, A-J. 2011. De meervleermuis in Nederland. Rapport nr. 2011.40. Zoogdiervereniging, Nijmegen.

Websites NDFF Zoogdieratlas Synbiosys

72

Rho adviseurs voor leefruimte

20201851 NL.IMRO.0014.BPHR13INBR-VA03

73

Bijlage 5

Watertoets

Rho adviseurs voor leefruimte

20201851 NL.IMRO.0014.BPHR13INBR-VA03

datum 12-5-2017 dossiercode 20170512-33-15271

STANDAARD WATERPARAGRAAF - KORTE PROCEDURE U heeft het Waterschap Hunze en Aa's geïnformeerd over het plan Haderaplein Haren door gebruik te maken van de digitale watertoets (www.dewatertoets.nl). De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de Korte procedure van de watertoets is doorlopen. Dit houdt in dat het waterschap Hunze en Aa's een standaard wateradvies afgeeft in de vorm van deze standaard waterparagraaf. Voor de verdere procedurele afhandeling van de watertoets in het niet noodzakelijk het waterschap te betrekken, als er met de opmerkingen gemaakt in dit document rekening zal worden gehouden tijdens de verdere uitwerking van dit plan. Bij eventuele aanpassingen van het plan die van invloed zijn op de waterhuishouding moet met het waterschap overlegd worden. Mogelijk zijn de aanpassingen reden om voor het aangepaste plan nogmaals de Digitale watertoets uit te voeren. PLAN: Haderaplein Haren -----------------------------------------------------------------------------------------------Algemene projectgegevens: Projectomschrijving: Nieuwbouw van nader te bepalen omvang op locatie die voorheen ook bebouwd geweest is. Oppervlakte plangebied: m2 Toename verharding in plangebied: {verhardingtoename} -----------------------------------------------------------------------------------------------Aanvrager / initiatiefnemer: Naam: Joop Mentink (i.o.

gen Haren) Organisatie: Sweco Nederland Postadres: Rozenburglaan 11 PC/plaats: 9727 DL Groningen Telefoon: 06 239 344 17 E-mail: joop.mentink@sweco.nl -----------------------------------------------------------------------------------------------Gemeente Haren Contactpersoon Mw. Ousema-Wieringa Telefoon: 050-5339957 E-mail: i.m.wieringa@haren.nl -----------------------------------------------------------------------------------------------Waterschap Emiel Galetzka Beleidsmedewerker Planvorming

T (0598) 69 3248 e.galetzka@hunzeenaas.nl -----------------------------------------------------------------------------------------------Geachte Joop Mentink (i.o. gen Haren), Het klimaat is aan het veranderen. De gevolgen zijn ook in onze omgeving merkbaar. Regenbuien worden extremer. Er valt in een korte periode meer regen, maar ook nattere winters en drogere zomers komen steeds vaker voor. Ook stijgt de zeespiegel, waardoor waterafvoer naar zee minder eenvoudig wordt en dijken moeten worden verhoogd. Op sommige plaatsen in ons beheergebied hebben we te maken met bodemdaling. Ook bij ruimtelijke plannen dient men hiermee rekening te houden. Gevolgen van extreme neerslag- gebeurtenissen mogen geen wateroverlast veroorzaken, er moet voldoende water zijn ingeval van lange perioden met droogte en het watersysteem dient voldoende veilig te zijn. Op grond van artikel 12 uit het besluit ruimtelijke ordening moeten ruimtelijke plannen zijn voorzien van een waterparagraaf. Hiervoor moet het proces van de watertoets worden doorlopen. Bij het watertoetsproces gaat het om het hele proces van vroegtijdig meedenken, informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Waterschap Hunze en Aa's beoordeeld wat de invloed van het plan op de waterhuishouding is en geeft een wateradvies.

Waterparagraaf In het kader van de ontwikkelingen van dit plan dient overleg gevoerd te worden met waterschap Hunze en Aa's. De wijze waarop de aanvrager het waterschap informeert over ruimtelijke plannen en om advies vraagt, hangt sterk af van de aard van het plan. In de waterparagraaf dienen de keuzes in ruimtelijke plannen ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd worden beschreven. Het wateradvies van het waterschap moet daarin zijn meegenomen. Bij het opstellen van de waterparagraaf zijn ruimtelijk relevante criteria te onderscheiden in criteria die betrekking hebben op de locatiekeuze en in criteria die betrekking hebben op de inrichting van een ruimtelijk plan. In de waterparagraaf van het bestemmingsplan dienen zowel de huidige- als toekomstige relevante thema's worden beschreven. Hieronder wordt een overzicht gegeven van de thema's die in de waterparagraaf kunnen worden meegenomen: veiligheid, wateroverlast, afvalwater & riolering, grondwater & ontwatering, peilen & drooglegging, waterkwaliteit & volksgezondheid, inrichting watersysteem, natuur & ecologie en bodemdaling. Waterhuishoudkundige consequenties van een plan mogen niet op de omgeving afgewenteld worden. Het waterschap streeft er naar om de ingrepen binnen een peilgebied waterneutraal te houden.

Wateraspecten die met een specifiek instrument geregeld kunnen worden, worden in de watertoets wel gesignaleerd maar niet geregeld. In het afgegeven advies wordt wel verwezen naar de regelstellende instrumenten zoals, de Keur van het waterschap, Activiteitenbesluit, Besluit lozen buiten inrichtingen, Besluit bodemkwaliteit, peilbesluit, gemeentelijke verordening, watervergunning.

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------Thema wateroverlast Het waterschap zorgt voor het functioneren van het watersysteem. Het watersysteem moet nu, maar ook op de lange termijn, goed functioneren. Het watersysteem moet zodanig zijn dat de inundatienormen niet worden overschreden bij toekomstige veranderingen zoals klimaatverandering, zeespiegelstijging, bodemdaling en toename van verhard oppervlak. Dit is gebaseerd op het principe van niet-afwentelen zowel bestuurlijk, financieel en geografisch, in de tijd op elk schaalniveau. Er zijn landelijke werknormen (Nationaal Bestuursakkoord Water) opgesteld voor wateroverlast. Het gaat hierbij om wateroverlast, die ontstaat door inundatie vanuit oppervlaktewater als gevolg van lokale neerslag. De normen zijn uitgedrukt in de kans dat het peil van het oppervlaktewater het niveau van het maaiveld overschrijdt. Grondgebruikstype Maaiveldcriterium Inundatienorm (1/jaar) grasland 5% 1/10 akkerbouw 1% 1/25 hoogwaardige land- en tuinbouw 1% 1/50 glastuinbouwgebied 1% 1/50 bebouwd gebied 0% 1/100 Bovenstaande werknormen zijn gebaseerd op basis van de middenvariant van het klimaatscenario 2050 van het KNMI (klimaatscenario G).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.groningen.nl/api/v1/meetings/4206/documents/60442