Bijlage 4 Bijlagen Toelichting.pdf
Tekst van het document
In open water in stedelijk gebied kan water geborgen worden. De berging is afhankelijk van het oppervlak open water en de maximale toelaatbare peilstijging. In een situatie T=10 (T= herhalingstijd in jaren) wordt een geoorloofde peilstijging van 0,40 meter gehanteerd en ingeval van een T=100 (inclusief13% klimaatverandering) is dat afhankelijk van de laagst gelegen gronden in het stedelijk gebied, 0% van het bebouwd gebied mag inunderen. Hierbij moet opgemerkt worden dat in stedelijk gebied ook groen en gras voorkomt waarop een lagere norm (nm. de norm van het grondgebruikstype grasland) van toepassing is dan het bebouwd gebied. Bepaalde gebieden kunnen zelfs aangewezen worden voor de tijdelijke opvang van water. Bij stedelijke uitbreidingen of herstructureringen mag een toename van het verhard oppervlak niet resulteren in een extra belasting van het watersysteem, er moet waterneutraal gebouwd worden. Dit houdt in dat de initiatiefnemer voldoende maatregelen neemt om de versnelde waterafvoer, te compenseren. De initiatiefnemers van de uitbreiding van het verhard oppervlak moeten er voor zorgen dat ze voldoende compenserende maatregelen nemen. Voor de berekening van de vereiste waterberging, om de toename van het verhard oppervlak te compenseren, wordt gebruik gemaakt van de regenduurlijnmethode.
Met deze methode kan op basis van het oppervlak open water, de maximale peilstijging, de afvoernorm bij maatgevende afvoer, maatgevende buien en het maatgevende klimaatscenario op eenvoudige wijze inzichtelijk gemaakt worden hoeveel extra waterberging vereist is. Voor stedelijke gebieden betekent dit concreet dat een regenbui van 89 mm in 24 uur opgevangen moet kunnen worden zonder dat de inundatienorm en de toegestane gebiedsafvoer wordt overschreden. Als vuistregel hanteert het waterschap dat per m2 toename verhard oppervlak 80 liter extra waterberging gerealiseerd moet worden in het plangebied. In het definitieve wateradvies van het waterschap wordt een maatwerkberekening opgenomen voor de benodigde extra berging. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------Thema afvalwater & riolering De vergunningencheck van het Omgevingsloket geeft u nadere informatie over de vergunningplicht of meldingsplicht op grond van de Waterwet. Voor het toepassen van grond en baggerspecie in het oppervlaktewaterlichaam geldt een meldingsplicht op grond van het besluit Bodemkwaliteit. Meer informatie hierover kunt u vinden op de site van Meldpunt Bodemkwaliteit.
Informatie over het Activiteitenbesluit kunt u vinden op de Activiteitenbesluit internet module. Samenwerking in de waterketen leidt tot een grotere doelmatigheid en verdergaande kwaliteitsverbetering van het oppervlaktewater. In een groot deel van het bestaand stedelijk gebied wordt het hemelwater en het afvalwater verzameld in een gemengd rioolstelsel. Via het gemengde stelsel wordt dit afvalwater getransporteerd naar de RWZI, waar het na zuivering geloosd wordt op het oppervlaktewater. Door het hemelwater gescheiden te houden van het afvalwater wordt het hemelwater niet vervuild en kan dit schone water behouden blijven voor het watersysteem. Ook is een vermindering van het volume afvalwater gunstig voor de capaciteit van de bestaande riolering, transportvoorzieningen en de RWZI. Het vrijkomende hemelwater na afkoppeling mag niet resulteren in een versnelde afvoer en het hemelwater mag in principe niet door diffuse bronnen zijn verontreinigd voordat het in het oppervlaktewatersysteem terecht komt. Verontreiniging voorkomen De invloed van diffuse bronnen op hemelwater moet zoveel mogelijk worden beperkt door het hanteren van de beleidsuitgangspunten in het landelijk emissiebeleid. Dit gaat volgens de trits voorkomen, scheiden en zuiveren.
Door het gebruik van preventieve/ brongerichte maatregelen komt hemelwater met zo weinig mogelijk vervuilende stoffen of uitlogende materialen in aanraking en blijft het zo schoon mogelijk. Het uitgangspunt bij de invulling van deze zorgplicht is het gebruik van de beste beschikbare technieken. Alternatieve maatregelen zijn ook acceptabel, mits deze maatregelen aantoonbaar hetzelfde effect opleveren. Op grond van de huidige wet- en regelgeving is het niet de bedoeling om de zorgplicht volledig af te kaderen. De lozer mag zelf invulling geven aan de zorgplicht. Mogelijke preventieve/brongerichte maatregelen zijn: ● - Bij nieuwbouw en renovatie zo weinig mogelijk uitlogende materialen zoals zink, koper en lood gebruiken. Alternatieven
gebruiken heeft de voorkeur. De nationale pakketten duurzaam bouwen geven handvaten voor alternatieven; ● - Hondenuitlaatplaatsen aanleggen of mogelijkheid bieden of de verplichting in de apv opnemen om hondenpoep op te
ruimen; ● - Afvalinzamelpunten plaatsen in woonbuurten, langs toegankelijke wegen voor burgers en op publieksintensieve locaties
als pleinen en markten om zwerfvuil te voorkomen;
● - Autowasplaatsen aanleggen of autowassen op straat verbieden in de apv om menging van autowaswater met
hemelwater te voorkomen; ● - De openbare ruimte zodanig inrichten dat onkruidgroei zo weinig mogelijk kans krijgt. Hiermee kan het gebruik van
chemische bestrijdingsmiddelen op verhardingen worden voorkomen of beperkt. Het rapport "Handboek Bestrijdingsmiddelen in stedelijk gebied" gaat hierop in. Als de middelen toch gebruikt worden, dan moet de gebruiker maatregelen treffen om contact met hemelwater zoveel mogelijk te voorkomen. Deze maatregelen zijn opgenomen in de methode voor Duurzaam Onkruidbeheer (DOB-methode); ● - Goten langs wegen vegen om onkruidgroei te voorkomen. ● - Op opslagplaatsen, tankputten en andere terreinen van bedrijven zo weinig mogelijk knoeien met stoffen; ● - Bij op- en overslag bulkpartijen bevochtigen om verwaaiing te voorkomen of beperken; ● - Luchtemissies van bedrijven verminderen of voorkomen om atmosferische depositie te beperken of te voorkomen; ● - Gladheidbestrijding effectief toepassen of beperken zolang de veiligheid dit toelaat. Gebruik middelen, die zo milieuvriendelijk mogelijk zijn. Lozing van hemelwater op het oppervlaktewaterlichaam mag niet leiden tot een verslechtering van de kwaliteit van dat oppervlaktewaterlichaam. Daarnaast moet de lozing van hemelwater passen binnen de te bereiken waterkwaliteitsdoelstellingen voor het oppervlaktewaterlichaam of de functies van het gebied. Lozen op een oppervlaktewaterlichaam zonder één van de hierna aangegeven specifieke functies heeft de voorkeur boven lozen op een kwetsbaar oppervlaktewaterlichaam.
Kwetsbaar water Op een aantal kwetsbare oppervlaktewaterlichamen staat waterschap Hunze en Aa's geen afvalwaterlozingen toe: ● Oppervlaktewaterlichamen met de functie zwemwater; ● Oppervlaktewaterlichamen met de functie drinkwater; ● Oppervlaktewaterlichamen met de functie natuur(waarde); ● Oppervlaktewaterlichamen met de functie viswater; ● Oppervlaktewaterlichamen in een ecologisch gevoelig gebied; ● Kleine oppervlaktewaterlichamen met een geringe doorstroming.
Landelijk beleid Voor de beoordeling van hemelwater, dat in contact is geweest met verontreinigde oppervlakken/activiteiten of schadelijke/verontreinigende stoffen, geeft de huidige Europese en landelijke wet- en regelgeving, het emissiebeleid en het vergunningen- en handhavingsbeleid van waterschap Hunze en Aa's het kader aan. Hemelwater lozen op het vuilwaterriool is de minst gewenste en minst duurzame manier om het hemelwater af te voeren. Hemelwater mag alleen op het vuilwaterriool worden geloosd als de lozer het hemelwater niet kan hergebruiken of kan afvoeren via de bodem, het openbaar regenwaterstelsel, een oppervlaktewaterlichaam zonder een specifieke functie of een kwetsbaar oppervlaktewaterlichaam. Lozingen op de riolering vallen onder de bevoegdheid van de gemeente. Alle agrarische bedrijven vallen onder het Activiteitenbesluit. Voor akkerbouwbedrijven gelden aanvullende voorschriften voor de toepassing van bestrijdingsmiddelen en kunstmest. In het Activiteitenbesluit is een lozingsverbod opgenomen van verontreinigd hemelwater dat rechtstreeks afstroomt van het verharde erf naar het oppervlaktewater (=erfafspoelwater). Bij de inrichting van het plan moet rekeningen worden gehouden met de voorschriften uit het Activiteitenbesluit. Voor het Activiteitenbesluit geldt een meldingsplicht bij het waterschap.
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------Thema grondwater & ontwatering Taken en verantwoordelijkheid Ten aanzien van grondwater zijn de taken en verantwoordelijkheden verdeeld tussen burger, gemeente en waterschap. Perceeleigenaren zijn zelf verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen tegen grondwateroverlast op hun eigen perceel, voor zover deze problemen niet aantoonbaar worden veroorzaakt door onrechtmatig handelen of nalaten van de buur (overheid of particulier). Gemeente hebben een zorgplicht in het openbaar gebied en moeten maatregelen treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Dit voor zover gemeentelijke maatregelen doelmatig zijn en het niet de verantwoordelijkheid van de provincie of het waterschap is om maatregelen te nemen. Maatregelen die een gemeente kan nemen zijn het aanleggen van drainage , ontwateringssloten of hemelwaterriolering (grondwater mag niet geloosd worden op vuilwaterriolering). Het waterschap is beheerder van het freatisch (ondiep) grondwater. Het beheer bestaat vooral uit toetsing, advies en vergunningverlening voor kleine onttrekkingen.
Grondwater ordenend Het functioneren van het grondwatersysteem moet als ordenend element meegenomen worden in de locatiekeuze en de
inrichting van plannen. Bij de aanleg van nieuwe gebieden is het uitgangspunt dat wijzigingen in de grondwaterstanden niet mogen resulteren in nadelige gevolgen voor andere gebieden. Dat kan tot gevolg hebben dat het oppervlaktewaterpeil niet gewijzigd kan worden of dat er daarvoor of daardoor aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn om grondwateroverlast in het plangebied te voorkomen. Wateroverlast Een te hoge grondwaterstand kan grondwateroverlast veroorzaken, bijvoorbeeld in de vorm van water in de kruipruimte. Te lage grondwaterstanden daarentegen resulteren in verdroging. Het verlagen van grondwaterstanden in bestaande bebouwde gebieden kan problemen geven wanneer er sprake is van houten funderingen en funderingen op klei. Zijn die aanwezig dan mogen de gemiddeld laagste grondwaterstanden (GLG) niet verder worden overschreden (niet nog lager worden). Ook de aanwezigheid van oude bomen verdient aandacht. Volwassen bomen kunnen afsterven als de ontwateringsdiepte snel en drastisch worden veranderd en verder verlaagd worden dan 1 m minus maaiveld. Oude bomen kunnen hun wortelstelsel niet meer aanpassen aan grote veranderingen in het grondwater. Tevens kunnen natuurgebieden in en rond het plangebied negatief beïnvloed worden wanneer het hydrologisch systeem veranderd.
Het is dan ook belangrijk bij elk inrichtingsplan samen met het waterschap vanuit het bestaande watersysteem vast te stellen wat de huidige en gewenste grondwaterstanden zijn en of er sprake is van een nadelige beïnvloeding van de omgeving. Normen Bij een gewenste grondwatersituatie is er geen sprake van overlast en zijn de volgende ontwateringseisen richtinggevend. Voor verschillende typen grondgebruik gelden bij een halve maatgevende afvoer (een afvoer die 10 à 15 keer per jaar wordt overschreden) de volgende ontwateringsadviezen. Advies ontwateringsdiepte grondgebruik: - Woningen met kruipruimte: 0,7 m onder onderkant vloer; - Woning zonder kruipruimte: 0,3 m onder onderkant vloer; - Drijvende woningen: geen ontwateringseis; - Woningen op (houten) palen: Er mag geen verdroging optreden, grondwaterstand mag niet verlagen en de paalkoppen moeten onder de gemiddeld laagste grondwaterstanden blijven; - Gangbare wegen (met grof zand cunet) primair: 1,0 m onder as van de weg; - Gangbare wegen (met grof zand cunet) secondair: 0,7 m onder as van de weg; - Gangbare wegen (met grof zand cunet) weg op polystyreen-hardschuim: circa 0,3 m onder as van de weg; - Gangbare tuin/plantsoen: 0,5 m onder maaiveld; - Industrieterreinen: 0,7 m onder maaiveld. Om de geadviseerde ontwateringsdiepte te realiseren moet het oppervlaktewaterpeil en het technisch ontwerp hier op afgestemd worden.
Technische aspecten die van invloed zijn op de grondwaterstand zijn bodemtype, waterpeil, afstanden van waterlopen en drains en draindiepten. Als de gewenste grondwaterstanden niet te realiseren zijn met sturing in peilen, waterlopen en drainage of omdat aanpassing van de grondwaterstanden niet gewenst is door de negatieve beïnvloeding van de omgeving, bieden maatregelen als ophoging van het maaiveld, kruipruimteloos bouwen of een aangepaste inrichtingsvorm of een aangepaste functie wellicht een oplossing. Door creatief te zoeken naar van nature geschikte locaties dan wel aangepaste inrichtingsvormen (partieel ophogen van wegen en woningen, of minder gangbare vormen van woningen, wegen en tuinen) moet gestreefd worden naar een inrichting tegen de laagste maatschappelijke kosten.
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------Thema oppervlaktewaterpeilen & drooglegging Het uitgangspunt voor het operationele peilbeheer is het streven naar de gewenste grondwaterstand voor de verschillende functies en belangen. Het waterschap stelt voor het gehele beheersgebied peilbesluiten op waarin de te hanteren oppervlaktewater peilen worden vastgelegd. Een wijziging van een functie kan een reden zijn het peil te wijzigen, uitgangspunt hierbij is dat de peilwijziging niet mag resulteren in nadelige gevolgen voor andere gebieden als gevolg van de door de peilwijziging opgetreden wijziging in de grondwaterstand. Het wijzigen van een peil moet vastgelegd worden in een peilbesluit. Het gewenste peil kan bepaald worden op basis van de drooglegging en of op basis van het gewenste grondwaterregime (GGOR). Drooglegging is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het vastgestelde oppervlaktewaterpeil of het streefpeil ligt. Voor bebouwd gebied hanteert het waterschap voor het straatpeil een droogleggingsnorm van 1 meter en voor het bouwpeil (= vloerpeil van de begane grond) een norm van 1,30 meter. Deze droogleggingsnormen gelden bij het zomerstreefpeil.
Om water te kunnen bergen in extremere situaties is een stijging van het waterpeil toelaatbaar. Conform de landelijke werknormen mag in een situatie die 1/100 per jaar (inclusief 13% klimaatverandering) voorkomt in bebouwd gebied 0% inunderen, de toelaatbare peilstijging is in dergelijke situaties afhankelijk van de maaiveldhoogte. Hierbij dient opgemerkt te worden dat in stedelijk gebied ook groen en gras voorkomt waarop een lagere inundatienorm van toepassing is dan het bebouwd gebied. -----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Thema inrichting watersysteem Het eigendom, beheer en onderhoud van alle oppervlaktewater en de bijbehorende infrastructuur ligt bij waterschap, gemeente of derden. Het waterschap Hunze en Aa's streeft ernaar om het hoofdsysteem welke een belangrijke functie vervult in de aanen afvoer van water in eigendom, beheer en onderhoud te hebben. Naast het stelsel van hoofdwatergangen zijn er ook sloten aangewezen als schouwsloot. Schouwsloten vervullen een belangrijke functie in de detailwaterbeheersing en zijn meestal in eigendom bij gemeente en/of derden. Schouwsloten vallen onder de schouwverordening van het waterschap en moeten jaarlijks in november worden geschoond. Met het dempen van sloten/watergangen neemt de potentiële bergingsruimte van oppervlaktewater af. Het dempen van sloten veroorzaakt hogere grondwaterstanden. In dit kader is een beleidsregel vastgesteld die het dempen van hoofdwatergangen, schouwsloten en overige sloten verbiedt. Het is onder andere verboden het profiel van hoofdwatergangen en schouwsloten te veranderen. Het dempen van sloten is alleen mogelijk onder de voorwaarden die zijn opgenomen in de beleidsregel Dempingen. De vergunningencheck van het Omgevingsloket geeft u nadere informatie over de vergunningenplicht of meldingsplicht op grond van de Waterwet.
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------Thema inrichting natuur en ecologie Bij de inrichting van het watersysteem dient er aandacht te zijn voor waterkwaliteit en ecologie. Van groot belang is het voorkomen van stilstaand water. In wateren met onvoldoende doorstroom mogelijkheden kunnen waterkwaliteitsproblemen ontstaan als vissterfte, blauwalg en de opeenhoping van drijfvuil. Bij het ontwerp dient rekening gehouden te worden met doorspoelmogelijkheden en moeten stilstaand water in watergangen voorkomen worden. Tevens is een goede waterkwaliteit sterk afhankelijk van de mogelijkheid of water- en oeverplanten zich in voldoende mate kunnen vestigen en ontwikkelen. Ruimte voor natuurvriendelijke oevers met geleidelijke overgangen van nat naar droog is van groot belang voor het ecologisch functioneren van het watersysteem en het bieden van voldoende migratiemogelijken en leefen fourageergebied voor planten en dieren. Naast de inrichting is ook het beheer en onderhoud van invloed op het te behalen resultaat voor de natuur. Tijdens de voorbereiding van plannen moet ook nagedacht moeten worden over het uit te voeren toekomstig onderhoud en de daarbij behorende voorzieningen.
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------BETROKKENHEID waterschap Hunze en Aa's Deze uitgangspuntennotitie is afgestemd op uw geselecteerd plangebied. Voor alle water gerelateerde onderwerpen die van toepassing zijn, zijn adviezen opgenomen in dit document. Voor de verdere procedurele afhandeling van de watertoets is het van belang om het waterschap te blijven betrekken en rekening te houden met de in dit document aangegeven adviezen. In de waterparagraaf van het plan moet aangegeven worden op welke wijze omgegaan wordt met de gegeven adviezen. Natuurlijk kunt u het waterschap altijd raadplegen voor overleg en nadere uitleg. De uitgewerkte waterparagraaf moet voorgelegd worden aan de beleidsmedewerker planvorming.
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------De WaterToets 2014
81
Bijlage 6
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
Rho adviseurs voor leefruimte
20201851 NL.IMRO.0014.BPHR13INBR-VA03
Akoestisch onderzoek Verkeersaantrekkende werking
Ontwikkeling Raadhuisplein Haren
Opdrachtgever: Uitvoering: Versie:
Gemeente Haren adviesbureau WMA 12 juni 2017
Verantwoording
Titel
: “Akoestisch onderzoek Verkeersaantrekkende werking Raadhuisplein Haren”
Datum versie
: 12 juni 2017
Uitvoering
: adviesbureau WMA Ludemaborg 26, 9722 WE Groningen M 06 – 499 344 34 E info@westramilieu.nl I www.westramilieu.nl
Opdrachtgever:
Gemeente Haren Contactpersoon: Frits Kamminga
Geluidseffecten langs aan- en afvoerroutes omgeving Raadhuisplein Versie: 12 juni 2017
Pagina 2 van 20
INHOUD 1.
INLEIDING......................................................................................................................... 4
2.
SITUATIE .......................................................................................................................... 5 2.1 2.2
3.
LIGGING EN OMGEVING .............................................................................................. 5 VOORGENOMEN ONTWIKKELING ................................................................................. 5
VERKEERSSITUATIE ...................................................................................................... 6 3.1 3.2 3.3
VERKEER HUIDIGE SITUATIE ....................................................................................... 7 AUTONOME ONTWIKKELING ........................................................................................ 8 VERKEERSGEVOLGEN VAN HET PLAN .......................................................................... 9
4.
BEOORDELINGSKADER ...............................................................................................10
5.
UITGANGSPUNTEN EN ONDERZOEKSMETHODE ....................................................11 5.1 ONDERZOEKSGEBIED ..............................................................................................11 5.2 ONDERZOCHTE SITUATIES .......................................................................................13 5.3 GELUID VERKEER OPENBARE WEG ...........................................................................13 5.3.1 Geluidsemissie van het verkeer ........................................................................13 5.3.2 Weg- en verkeersgegevens ..............................................................................14 5.3.3 Dosismaat Lden ..................................................................................................14 5.3.4 Modelgegevens .................................................................................................14
6.
RESULTATEN.................................................................................................................15 6.1 6.2 6.3
7.
HUIDIGE SITUATIE....................................................................................................15 AUTONOME ONTWIKKELING ......................................................................................16 BIJ UITVOERING PLAN ..............................................................................................17
SAMENVATTING EN CONCLUSIE ...............................................................................19 BIJLAGEN 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12.
Algemene modelgegevens Wegen en verkeer huidig Wegen en verkeer autonoom Wegen en verkeer met plan Rekenmodel Overzicht rekenpunten op kaart Tabel met rekenpunten Geluidsbelasting huidige situatie Geluidsbelasting autonoom Geluidsbelasting met plan Vergelijking autonoom – met plan Kaart met de geluidsverschillen
Geluidseffecten langs aan- en afvoerroutes omgeving Raadhuisplein Versie: 12 juni 2017
Pagina 3 van 20
1.
Inleiding In opdracht van de gemeente Haren is onderzoek uitgevoerd naar de geluidseffecten langs de omliggende straten vanwege het toenemende verkeer bij realisatie van extra winkels, horeca en woningen op het Raadhuisplein. Deze functies hebben een verkeersaantrekkende werking waardoor de verkeersdruk op het centrum toeneemt. Uitgangspunt voor het onderzoek zijn de resultaten van het verkeersonderzoek van Sweco. Onderzocht is welke invloed de nieuwe verkeerssituatie heeft op de bestaande woon- en leefomgeving. Hiertoe is de geluidsbelasting in de toekomstige situatie onderzocht en vergeleken met de autonome ontwikkeling. De mate van geluidsinvloed bepaalt of er maatregelen aan de orde zijn. Hierbij heeft de gemeente beleidsvrijheid. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De gevolgen van de verkeersaantrekkende werking vinden plaats op 30 km/uur wegen. Toetsing aan de normen van de Wet geluidhinder hoeft daarom niet plaats te vinden. Uit jurisprudentie blijkt echter dat een 30-kilometer weg in de beoordeling moet worden meegenomen, indien vooraf aangenomen had kunnen worden dat deze weg een geluidbelasting veroorzaakt die hoger is dan de voorkeurwaarde van 48 dB in Lden. Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd conform het “Reken- en meetvoorschrift geluid 2012”.
In de voorliggende rapportage wordt verslag gedaan van de uitgangspunten en bevindingen van het uitgevoerde onderzoek.
Geluidseffecten langs aan- en afvoerroutes omgeving Raadhuisplein Versie: 12 juni 2017
Pagina 4 van 20
2.
Situatie
2.1 Ligging en omgeving De planlocatie ligt in het centrum van Haren en wordt verkeerskundig ontsloten via de Rijksstraatweg, Molenweg, Hortuslaan en de Kerkstraat. De onderstaande luchtfoto geeft een overzicht van het plangebied en de omgeving.
Figuur 1: Luchtfoto van de huidige situatie en het plangebied
2.2 Voorgenomen ontwikkeling De ontwikkeling voorziet in een toevoeging van een nieuwe supermarkt, winkels, horeca, wonen en parkeergelegenheid. Het bestemmingsplan geeft ruimte voor circa: 2 1.100 m supermarkt 2 800 m aan detailhandel en horeca Maximaal 32 appartementen Parkeerplaats voor 72 plekken op het Haderaplein; Parkeergarage voor 103 plekken onder de nieuwe bebouwing op het Raadhuisplein.
Geluidseffecten langs aan- en afvoerroutes omgeving Raadhuisplein Versie: 12 juni 2017
Pagina 5 van 20
3.
Verkeerssituatie Onderzoek is uitgevoerd naar de verkeerseffecten bij realisering van de extra functies op het Raadhuisplein. Voor de resultaten wordt verwezen naar de rapporten van bureau SWECO: “Integrale afweging parkeren centrum Haren” d.d. 20 april 2016 Actualisatie verkeersprognoses centrum Haren d.d.5 november 2014 In de onderzoeken wordt een weergave gegeven van de huidige en toekomstige verkeerssituatie. Voor de bepaling van de geluidskwaliteit rond wegen zijn de volgende gegevens van belang: a. verkeersintensiteit (totaal aantal motorvoertuigen per etmaal); b. verkeerssamenstelling (aandeel auto’s, middelzware voertuigen, zware voertuigen); c. verkeersverdeling over een etmaal (dag, avond en nacht); d. verkeerssnelheid; e. soort wegdek. Verkeersintensiteit Zie hiervoor de navolgende paragrafen. Verkeerssamenstelling en -verdeling Aan de hand van de uitgevoerde verkeerstellingen is de verkeerssamenstelling en -verdeling per weg bepaald. Deze is opgenomen in de bijlagen 2, 3 en 4. Snelheden Alle wegen rondom het plangebied hebben een 30 km/uur regime. Soort wegdek Deze zijn geïnventariseerd en opgenomen in de bijlagen.
Geluidseffecten langs aan- en afvoerroutes omgeving Raadhuisplein Versie: 12 juni 2017
Pagina 6 van 20
3.1 Verkeer huidige situatie In de onderstaande afbeelding zijn de huidige verkeersintensiteiten weergeven. Het gaat om het aantal motorvoertuigen op een gemiddelde vrijdag. Uit het onderzoek is gebleken dat de vrijdag de drukste dag van de week is.
Figuur 2: Overzicht van de huidige verkeerssituatie (bron: Verkeersonderzoek SWECO)
Opmerking In de verkeersstudie van SWECO worden de intensiteiten weergegeven op de vrijdag: de drukste dag in Haren. Bij akoestische onderzoeken wordt normaal gesproken uitgegaan van een gemiddelde weekdagintensiteit die representatief is voor een heel jaar (gemiddelde van werkdagen + weekeinde). Deze is lager dan de vrijdag. De geluidsbelasting op grond van de verkeerssituatie op de vrijdag geeft dus een overschatting van de jaargemiddelde situatie. Achtergrond daarvan is het feit dat de geluidsbelasting wordt uitgedrukt in de dosismaat Lden en deze staat voor 'Level day-evening-night'. Dat is een gemiddeld geluidsniveau over een heel jaar. Omdat het verkeersbeeld in een jaar varieert over een etmaal, week en per seizoen is een gemiddelde weekdagintensiteit representatief voor een heel jaar.
Geluidseffecten langs aan- en afvoerroutes omgeving Raadhuisplein Versie: 12 juni 2017
Pagina 7 van 20
3.2 Autonome ontwikkeling Indien het plan niet wordt uitgevoerd zal de verkeerssituatie zich ook wijzigen. Dit betreft de autonome ontwikkeling, oftewel de redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling binnen circa 10 jaar die zich zal voordoen op grond van vastgestelde besluiten en/of overheidsbeleid. De belangrijkste ontwikkeling hierbij is de voorgenomen woningbouw in Haren Noord, Dilgt, Hemmen en Essen. In het onderzoek uit 2014 wordt een prognose gegeven voor de stijgingen van de verkeersintensiteiten als gevolg van DHE deelgebieden 1,2,3,5 en 6. De woningbouw binnen deelgebied 3 is gerealiseerd en 5 en 6 is in uitvoering. Deelgebied 1 is gepland voor 2019-2021 en deelgebied 2 voor daarna. Deze ontwikkeling geeft een verkeerstoename op o.a. de Molenweg.
Figuur 3: Overzicht van de autonome verkeersontwikkeling (groen = huidig, rood = toename)
Geluidseffecten langs aan- en afvoerroutes omgeving Raadhuisplein Versie: 12 juni 2017
Pagina 8 van 20
3.3 Verkeersgevolgen van het plan Onderzoek is uitgevoerd naar de verkeersgevolgen van het plan. In het verkeersonderzoek van Sweco uit 2016 zijn diverse varianten onderzocht. In het akoestisch onderzoek is uitgegaan van de combinatie varianten B,C,F uit het verkeersonderzoek. In de onderstaande figuur staan de verkeersprognoses na uitvoering van het plan voor het Raadhuisplein inclusief de autonome ontwikkeling.
Figuur 4: Verkeersprognose na uitvoering plan incl.de autonome ontwikkeling
Geluidseffecten langs aan- en afvoerroutes omgeving Raadhuisplein Versie: 12 juni 2017
Pagina 9 van 20
4.
Beoordelingskader Het onderzoek heeft plaatsgevonden in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De gevolgen van de verkeersaantrekkende werking vindt plaats op 30 km/uur wegen. Toetsing aan de normen uit de Wet geluidhinder hoeft daarom niet plaats te vinden. Uit jurisprudentie blijkt echter dat een 30-kilometer weg in de beoordeling moet worden meegenomen, indien vooraf aangenomen had kunnen worden dat deze weg een geluidbelasting veroorzaakt die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB in Lden. (afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State op 3 september 2003, nr. 200203751/1). In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gemotiveerd te worden waarom een ontwikkeling op de betreffende locatie kan plaatsvinden. Deze belangenafweging bepaalt of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Bij deze belangenafweging dient ook geluid te worden meegewogen. Hierbij worden alle relevante hinderaspecten beschouwd. De Wro zelf biedt geen kaders ter beoordeling van geluid. Daarom is voor een beoordeling gebruik gemaakt van de systematiek uit de Wet geluidhinder. Wat een goede ruimtelijke ordening is, staat niet letterlijk omschreven in de wet noch in het Besluit ruimtelijke ordening maar onderdeel hiervan is het bevorderen van een goed woon- en leefklimaat.
In de Wet geluidhinder wordt een criterium van 1,5 dB toename gebruikt om te bepalen of een verandering significant is of niet. Het kan worden beschouwd als een drempelwaarde wanneer een verandering dusdanig groot is dat er geluidsreducerende maatregelen in overweging moeten worden genomen. Dit kunnen maatregelen bij de bron, in de overdracht of bij de woningen zijn. De gemeente heeft beleidsvrijheid in de mate waarin compenserende maatregelen worden getroffen (kosten - baten afweging). Kleinere verschillen zijn minder waarneembaar en vallen onder het normale “maatschappelijke risico”. Een toename van 5% in verkeer betekent reken technisch gezien bijvoorbeeld een toename van 0,2 dB maar deze geluidstoename is niet waarneembaar. In de Wet geluidhinder is opgenomen dat een verhoging in principe niet meer mag bedragen dan 5 dB. In bestaande situaties is een geluidsbelasting van maximaal 68 dB aanvaardbaar en alleen bij uitzonderingssituaties nog hoger. Door de GGD wordt een geluidsbelasting boven deze waarde als “ruim onvoldoende” gekwalificeerd. Bij de beoordeling van de absolute geluidsbelasting op bestaande woningen kan deze waarde als toetswaarde worden gebruikt.
Geluidseffecten langs aan- en afvoerroutes omgeving Raadhuisplein Versie: 12 juni 2017
Pagina 10 van 20
5.
Uitgangspunten en onderzoeksmethode
5.1 Onderzoeksgebied De grootte van het te onderzoeken gebied is afhankelijk van de omvang van de verkeersaantrekkende werking in verhouding tot de bestaande verkeersintensiteit op de aanen afvoerwegen. Globaal gesproken geeft een toename van 41% aan verkeer een geluidstoename van 1,5 dB. Dit komt overeen met een aandeel van 29% “planverkeer” in het totale verkeer. Na elke kruising zal het verkeer zich opdelen waardoor het aandeel “planverkeer” zich verminderrt. In de directe omgeving van het plangebied zullen zich de grootste effecten voordoen. Hoe dichter het plangebied benaderd wordt, hoe groter het aandeel “planverkeer”. Op grote afstand is het verkeer dusdanig opgenomen in het overige verkeer dat het op een gegeven moment niet meer valt te onderscheiden. Bijgaande figuur geeft een illustratie van de bepaling van het onderzoeksgebied. Dit gebied wordt in eerste instantie beperkt tot ontsluitingsweg 1. Als de effecten daar significant zijn (>1,5 dB toename) wordt vervolgens gekeken naar de effecten langs weg 2 en uiteindelijk indien nodig langs weg 3.
Geluidseffecten langs aan- en afvoerroutes omgeving Raadhuisplein Versie: 12 juni 2017
Pagina 11 van 20
Op grond van het verkeersonderzoek en deze overwegingen is gekozen om de geluidseffecten binnen het gebied te onderzoeken zoals aangegeven op de onderstaande kaart.
Figuur 5: Onderzoeksgebied
Binnen het onderzoeksgebied is de geluidsbelasting berekend op de woningen en rekenpunten zoals aangegeven in bijlage 6 en 7.
Geluidseffecten langs aan- en afvoerroutes omgeving Raadhuisplein Versie: 12 juni 2017
Pagina 12 van 20
5.2 Onderzochte situaties De volgende situaties zijn onderzocht: a. Huidige geluidsbelasting b. Geluidsbelasting bij autonome ontwikkeling c. Geluidsbelasting na uitvoering plan
5.3 Geluid verkeer openbare weg Het geluid vanwege het gemotoriseerd verkeer op de openbare weg is onderzocht en berekend volgens Standaardrekenmethode II uit bijlage III van het “Reken- en meetvoorschrift geluid 2012”.
5.3.1 Geluidsemissie van het verkeer Op basis van een zeer groot aantal geluidsmetingen langs wegen in Nederland zowel in stadsituaties (30 - 70 km/h) als langs autosnelwegen zijn de geluidskenmerken van motorvoertuigen vastgelegd in de vorm van emissiekengetallen. Deze geluidsemissie kentallen zijn terug te vinden in Bijlage III van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. Hierbij is uitgegaan van het gemiddelde voertuigenpark in Nederland. Aan de hand van deze geluidsemissie kengetallen kan de geluidsbelasting op de omgeving van een weg worden berekend. Stiller worden van het verkeer Met het oog op de verwachting dat de geluidsproductie van motorvoertuigen in de toekomst zal afnemen door technische ontwikkelingen en aanscherping van typekeuringen, mag op grond van art. 110g van de Wgh, en het “Reken- en meetvoorschrift geluid 2012” een aftrek worden gehanteerd op de berekende geluidbelastingen alvorens deze aan de grenswaarden worden getoetst. De geluidsreductie is afhankelijk van de vervangsgraad en –tempo van het wagenpark en de banden in Nederland. Omdat deze vervangingssnelheid onduidelijk is, is het onzeker wat de mate van geluidsafname over 10 jaar is. Daarnaast is bij lage snelheden ( <=30 km/uur) het motorgeluid dominant en ook afhankelijk van het rijgedrag.
Vanwege bovengenoemde redenen en vanwege het feit dat de Wet geluidhinder niet van toepassing is, is in dit onderzoek de aftrek niet toegepast.
Geluidseffecten langs aan- en afvoerroutes omgeving Raadhuisplein Versie: 12 juni 2017
Pagina 13 van 20
5.3.2 Weg- en verkeersgegevens De gemodelleerde wegen verkeersintensiteiten, voertuigcategorieën en -verdeling zijn opgenomen in bijlage 2, 3 en 4.
5.3.3 Dosismaat Lden De geluidsbelasting is berekend in de dosismaat Lden en staat voor 'Level day-eveningnight'. Voor de bepaling van Lden wordt het etmaal in drie periodes verdeeld: dagperiode 07.00-19.00 uur avondperiode 19.00-23.00 uur nachtperiode 23.00-07.00 uur Een bepaald geluidsniveau in de avond en de nacht wordt door het verminderen van geluiden uit de omgeving als hinderlijker ervaren dan het geluid van overdag. Daarom wordt het niveau dat voor de avond wordt bepaald verhoogd met een 'straffactor' van 5 dB en het nachtniveau met een factor van 10 dB. Lden is het gemiddelde van de dag-, avond- en nachtwaarde, waarbij gebruik wordt gemaakt van een 'energetische' middeling. Dit betekent dat de duur van elke periode wordt meegewogen.
5.3.4 Modelgegevens Van de weg en omgevingssituatie is een akoestisch rekenmodel opgesteld aan de hand van opname van de plaatselijke kenmerken, de GBKN-ondergrond en luchtfoto’s. Voor de geluidsberekening is gebruik gemaakt van het rekenprogramma Geomilieu. In het rekenmodel zijn de verharde bodemvlakken, de gebouwen, de rekenpunten en de geluidsbronnen toegevoegd. Het rekenmodel berekent de geluidsbelasting conform het Reken en meetvoorschrift. Een weergave van het rekenmodel is opgenomen in bijlage 5.
Figuur 6: Modellering van de situatie
Geluidseffecten langs aan- en afvoerroutes omgeving Raadhuisplein Versie: 12 juni 2017
Pagina 14 van 20
6.
Resultaten Op grond van de uitgangspunten zoals aangegeven in hoofdstuk 3, 4 en 5 is de geluidsbelasting op de omliggende woningen onderzocht.
6.1 Huidige situatie De geluidsbelasting in de huidige situatie op de omliggende woningen is opgenomen in bijlage 8. In de onderstaande tabel en figuur wordt een globale samenvatting gegeven van de resultaten. De geluidsbelasting verschilt per straat en woning. Langs de straat Rijksstraatweg Molenweg Hortuslaan Kerkstraat Kromme Elleboog > Oosterweg Kromme Elleboog > Kerkstraat
Geluidsbelasting in Lden 61 - 64 dB 53 - 61 dB 50 - 54 dB 52 - 59 dB 52 - 57 dB 56 - 60 dB
Tabel 1: Geluidsbelasting in de huidige situatie
Figuur 7: Geluidsbelasting in de huidige situatie
Geluidseffecten langs aan- en afvoerroutes omgeving Raadhuisplein Versie: 12 juni 2017
Pagina 15 van 20
6.2 Autonome ontwikkeling De geluidsbelasting bij autonome ontwikkeling (zonder uitvoering van het plan) op de omliggende woningen is opgenomen in de onderstaande figuur en bijlage 9.
Figuur 8: Geluidsbelasting bij autonome ontwikkeling
Geluidseffecten langs aan- en afvoerroutes omgeving Raadhuisplein Versie: 12 juni 2017
Pagina 16 van 20
6.3 Bij uitvoering plan De geluidsbelasting bij uitvoering van het plan is opgenomen in de onderstaande figuur en in bijlage 10.
Figuur 9: Geluidsbelasting bij uitvoering van het plan
Tevens is een vergelijking gemaakt tussen de situatie: a. met plan b. zonder plan bij autonome ontwikkeling. De resultaten hiervan zijn opgenomen in bijlage 11. Uit het onderzoek is gebleken dat de geluidsbelasting op de woningen als gevolg van het plan Raadhuisplein met 1,5 dB of meer toeneemt langs de volgende wegen: Hortuslaan (29 woningen) met gemiddeld circa 2 dB; Kerkstraat (10 woningen) met gemiddeld 2-3 dB; Langs de andere wegen binnen het onderzoeksgebied is de geluidstoename minder dan 1,5 dB.
Geluidseffecten langs aan- en afvoerroutes omgeving Raadhuisplein Versie: 12 juni 2017
Pagina 17 van 20
Een overzicht van de geluidsgevolgen zijn opgenomen in de onderstaande figuur. De geluidsbelasting op de woningen langs de wegen waar een toename plaatsvindt van => 1,5 dB blijft in absolute zin onder de 63 dB.
Figuur 10: Geluidsverschil autonoom – met uitvoering plan
De geluidsbelasting op de nieuwbouw binnen het plangebied is maximaal 50 dB.
Geluidseffecten langs aan- en afvoerroutes omgeving Raadhuisplein Versie: 12 juni 2017
Pagina 18 van 20
7.
Samenvatting en conclusie Onderzoek is uitgevoerd naar de geluidseffecten langs de omliggende straten vanwege het verkeer bij realisatie van extra winkels, horeca, woningen en parkeervoorzieningen op het Raadhuisplein. Deze functies hebben een verkeersaantrekkende werking waardoor de verkeersdruk op het centrum toeneemt. Onderzocht is welke invloed de nieuwe verkeerssituatie maximaal heeft op de bestaande woon- en leefomgeving. Hiertoe is de geluidsbelasting bij maximale benutting van het ruimtelijk plan onderzocht en vergeleken met de autonome ontwikkeling. Uit het onderzoek is gebleken dat de geluidsbelasting alleen merkbaar gaat toenemen (>1,5 dB) langs de volgende wegen: Hortuslaan (29 woningen) met gemiddeld circa 2 dB; Kerkstraat (10 woningen) met gemiddeld 2-3 dB; Langs de andere wegen binnen het onderzoeksgebied zoals bijvoorbeeld de Molenweg is de geluidstoename minder dan 1,5 dB en is daarmee niet significant te noemen. De geluidsniveaus langs de Hortuslaan en de Kerkstraat neemt wel merkbaar toe maar worden in absolute zin nog niet hoog in vergelijking met de heersende geluidsniveaus langs de Rijksstraatweg en de Molenweg. De optredende geluidsniveaus worden niet afwijkend voor dorpscentra waar altijd een verhoogd geluidsniveau heerst. De gevolgen van de verkeersaantrekkende werking vindt plaats op 30 km/uur wegen.
Toetsing aan de normen uit de Wet geluidhinder hoeft daarom niet plaats te vinden. De Wro zelf biedt geen kaders ter beoordeling van geluid. Daarom is in dit onderzoek voor een beoordeling gebruik gemaakt van de systematiek uit de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder wordt een criterium van 1,5 dB toename gebruikt om te bepalen of een verandering significant is of niet. Kleinere verschillen zijn minder waarneembaar en vallen onder het normale “maatschappelijke risico”. Het kan worden beschouwd als een drempelwaarde wanneer een verandering dusdanig groot is dat er geluidsreducerende maatregelen in overweging moeten worden genomen. In de Wet geluidhinder wordt aangegeven dat geluidstoenames van 5 dB in principe voorkomen moeten worden. Deze geluidstoenames zijn bij dit plan niet aan de orde. De optredende geluidsbelastingen en geluidsverschillen zijn niet dusdanig dat er belemmeringen of knelpunten optreden om het plan toe te staan. Er worden geen wettelijke normen overschreden. De resultaten geven wel aanleiding om geluidsreducerende maatregelen in overweging te nemen bij de besluitvorming over het plan. De gemeente heeft daarbij beleidsvrijheid of en zo ja in welke mate er compenserende maatregelen worden getroffen (kosten - baten afweging).
Geluidseffecten langs aan- en afvoerroutes omgeving Raadhuisplein Versie: 12 juni 2017
Pagina 19 van 20