Bijlage 3 Milieueffectrapport Meerstad-Noord.pdf
Tekst van het document
Bron: OVSL
Figuur 5.2 Voorbeeld transformator in een transformatorcel (scherfmuren)
Bron: Tennet
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 46
Invloed op landschappelijke structuren Hoogspanningsstations zijn vrij rechttoe rechtaan, technisch en functioneel vormgegeven installaties, zonder enige ‘poespas’, die onderdeel zijn van een netwerk van energie-/elektriciteitsvoorzieningen. Binnen een rechthoekig vlak staan allerlei machines, isolatoren, schakelaars en dergelijke opgesteld, meestal in de open lucht, die met draden en kabels onderling verbonden zijn. Om veiligheidsredenen staan er hoge hekwerken omheen en hoge (maar slanke) bliksempieken rondom de installaties. De invloed van een hoogspanningsstation in of nabij het plangebied van Meerstad-Noord op de aanwezige landschappelijke structuren verschilt per locatie. Op het hoogste schaalniveau gaat het om aansluiting op bestaande richtingen en structuurlijnen. Geen van de locaties sluit goed aan bij dergelijke structuurlijnen, zoals de hoogspanningslijn of de huidige (water-)wegen. De aansluiting op verkavelingsrichtingen zal voor de locaties Noord en Zuid waarschijnlijk duidelijker afleesbaar zijn dan die van de overige locaties, omdat die laatste in feite alle onderdeel uit maken van het zonnepark. Om die reden zijn de locaties Noord en Zuid op dit punt beoordeeld als positief (+) en de locaties West, Midden en Oost als licht positief (0/+).
Op het laagste schaalniveau zal, afhankelijk van de mogelijkheid dichtbij de betreffende locatie te komen duidelijker zijn dat er enige samenhang is tussen het hoogspanningsstation en met name de kavelmaten en –richtingen in de directe omgeving van de betreffende locatie. De kanttekening is wel op zijn plek dat alle locaties vergelijkbaar zijn in die zin dat ze op vrij grote afstand liggen van plekken en routes van waarneming. Bij de locaties zal de invloed op de landschappelijke structuren ter plekke min of meer gelijk zijn en is de beoordeling ook gelijk, namelijk positief (+). Ook dient te worden opgemerkt dat op locatie West, Oost en Midden een hoogspanningsstation onderdeel uit zal lijken te maken van het zonnepark als geheel. Deze locaties liggen in de nieuwe situatie passend binnen een omgeving van zonnevelden.
Herkenbaarheid van het opstellingsprincipe / kwaliteit van de opstelling Op dit punt is er weinig onderscheid tussen de verschillende locaties. Zowel op het hoogste als op het laagste schaalniveau zal op alle locatie een hoogspanningsstation als een herkenbaar en samenhangend geheel worden ervaren. Dat effect is groter op het laagste schaalniveau dan op het hoogste schaalniveau. De locaties worden gelijk beoordeeld, licht positief (0/+) op het hoogste schaalniveau en positief (+) op het laagste schaalniveau.
Invloed op de openheid Bij dit criterium is er een verschil tussen de locaties binnen het zonnepark en de locaties daarbuiten. Voor locatie West, Midden en Oost geldt dat ze onderdeel uitmaken van het zonnepark en is hun effect op de openheid in feite verbonden met het effect op de openheid van het zonnepark zelf. Voor de locaties Noord en Zuid geldt dat zij een extra toevoeging in een open omgeving vormen. Om die reden zijn Noord en Zuid negatief (-) beoordeeld op het hoogste schaalniveau en zeer negatief (--) op het laagste schaalniveau. Op de locaties West, Midden en Oost is het effect op de openheid geringer. Zij zijn op het hoogste niveau beoordeeld als licht negatief (-/0) en op het laagste niveau als zeer negatief tot negatief (--/-).
Zichtbaarheid (van gebouwen en bouwwerken) Het criterium zichtbaarheid werkt onderscheidend tussen de locaties binnen en de locaties buiten het zonnepark. Dat komt omdat de hoogspanningsstations binnen het zonnepark deels schuil zullen gaan achter de zonne-opstellingen en op termijn ook (deels) schuil zullen gaan achter de landschappelijke inpassingsmaatregelen ten behoeve van het zonnepark. Locatie West, Midden en Oost zijn op het hoogste schaalniveau beoordeeld als licht negatief (-/0), op het laagste schaalniveau negatief (-). Buiten het zonnepark zijn de betreffende locaties open en zal een hoogspanningsstation op die locaties goed
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 47
zichtbaar zijn. Die zichtbaarheid neemt op het laagste schaalniveau toe. Op het hoogste niveau zijn deze locaties (Noord en Zuid) op dit criterium beoordeeld als negatief (-) en op het laagste schaalniveau als zeer negatief (--). Tabel 5.1 Beoordeling zonnepark en HS op het schaalniveau van het plangebied en zijn directe omgeving Omvang zonnepark Beoordelingscriteria \ varianten
Min Gem Max 125 Ha 150 Ha 175 Ha
Locatie HS-station Noord.
Zuid..
West.. Oost
Midden
Invloed op landschappelijke structuren
+
++
-
+
+
0/+
0/+
0/+
Herkenbaarheid / kwaliteit van de opstelling
+
++
+
0/+
0/+
0/+
0/+
0/+
Invloed op de openheid
-
--/-
--
-
-
-/0
-/0
-/0
Zichtbaarheid
-
-
-
-
-
-/0
-/0
-/0
Lichtschittering
-/0
-/0
-/0
nvt
nvt
nvt
nvt
nvt
Tabel 5.2 Beoordeling zonnepark en HS op het schaalniveau van het plangebied zelf en daarbinnen Omvang zonnepark Beoordelingscriteria \ varianten
Min Gem Max 125 Ha 150 Ha 175 Ha
Locatie HS-station Noord
Zuid
West
Oost Midden
Invloed op landschappelijke structuren
0/+
+
0/+
+
+
+
+
+
Herkenbaarheid / kwaliteit van de opstelling
+
++
+
+
+
+
+
+
Invloed op de openheid
--/-
--
--
--
--
--/-
--/-
--/-
Zichtbaarheid
--
--
--
--
--
-
-
-
Lichtschittering
-
-
-
nvt
nvt
nvt
nvt
nvt
5.5 Mitigerende maatregelen Binnen het totaalontwerp van het zonnepark is al ingestoken op een zorgvuldige inpassing van het zonnepark en het creëren van een (zeer) brede landschappelijke zone rondom het feitelijke zonnepark. Bij de verdere finetuning van het inrichtingsplan kan met name gelet worden op de detaillering van de zonne-opstellingen, waarbij voortdurende aandacht dient te zijn voor het nastreven van meervoudig ruimtegebruik en het zoveel mogelijk gebruik maken van de gebiedseigen kwaliteiten, elementen en structuren, ook op de kleinere schaal. En dat geldt ook voor de inpassingsmaatregelen van het totaalontwerp. Voor wat betreft het HS-MS station liggen er kansen voor mitigatie van de zichtbaarheid en hoorbaarheid.
5.6 Samenvatting effectbeoordeling Een samenvatting maken van de effectbeoordeling is geen kwestie van het optellen en aftrekken van plussen en minnen. Niet alle criteria wegen even zwaar en bovendien zijn er verschillen tussen de schaalniveaus. De effectbeoordeling op de twee schaalniveaus betreft bovendien een ‘gemiddelde’, lokaal kunnen er tussen plekken van waarneming (grote) verschillen optreden. Uit bovenstaande tabellen kan op hoofdlijnen worden geconcludeerd dat er wat betreft het totaal aan beoordelingscriteria binnen alle varianten zowel positieve als negatieve effecten zijn te constateren.
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 48
De positieve effecten hebben betrekking op de invloed op bestaande landschappelijke structuren en de herkenbaarheid van de opstellingen. Hierbij is gekeken naar de mate waarin het initiatief samenhangt met bestaande structuren en herkenbaar is als geheel, het gaat in deze niet om een waardeoordeel over of het initiatief ‘mooi’ of ‘lelijk’ is of als zodanig wordt ervaren. Met betrekking tot deze twee criteria is de gemiddelde variant het meest positief beoordeeld, dan de minimale variant, dan de maximale variant. De onderlinge verschillen zijn vrij gering, met name de uitbreiding van de maximale variant aan de buitenrand van het zonnepark leidt tot een negatievere beoordeling van deze variant dan beide andere. Alle opstellingen scoren negatief op de criteria: invloed op de openheid en op zichtbaarheid. Het totaalontwerp van het zonnepark is gericht op het aan het zicht onttrekken van dat zonnepark. Dat gaat hoe dan ook ten koste van de huidige openheid. Dit effect dient beschouwd te worden in het licht van de schaal van alle ontwikkelingen in en rond het plangebied en de grootschalige transitie van het huidige landschap tot een nieuw energielandschap die met dit initiatief wordt ingezet. Ook wat betreft deze twee criteria zijn de onderlinge verschillen tussen de varianten gering.
Het criterium lichtschittering zal naar verwachting niet onderscheidend zijn tussen de varianten, maar binnen elke variant kan wel onderzocht worden hoe dit effect kan worden beperkt (zie ook de paragraaf hieronder). De verschillen tussen de beoordeelde locaties voor het hoogspanningsstation tenslotte zijn ook gering. De locaties binnen het zonnepark (West, Midden en Oost) scoren overall wel gunstiger dan de locaties daarbuiten (Noord en Zuid), vooral met betrekking tot de invloed op de openheid en de zichtbaarheid.
5.7 Leemten in kennis Het precieze effect van lichtschittering op de omgeving, afhankelijk van de tijd en de dag en afhankelijk van de waarnemingslocatie, zullen pas na de realisatie duidelijk worden. Voor wat betreft de lichtreflecties zie ook paragraaf 8.3.2.
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 49
6
Natuur
6.1 Beleid, wetgeving en beoordelingskader 6.1.1
Beleid en wetgeving
In dit hoofdstuk worden de effecten van het project op natuur beschreven en beoordeeld. Het project kan potentiële verstoring van soorten veroorzaken in de aanlegfase in het projectgebied of een afname van leefgebied en/of groeiplaatsen van fauna en flora veroorzaken door het ruimtebeslag. Daarnaast zal worden in gegaan op stikstofdepositie als gevolg van de te gebruiken machines tijdens de aanleg. Voor de potentiële effecten zijn diverse kaders relevant. Dit betreffen:
de bescherming van leefgebieden voor soorten via het spoor van de gebiedsbescherming in het kader van Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland (NNN); en
de bescherming van soorten op zichzelf via de soortenbescherming;
provinciaal natuurbeleid.
Wet natuurbescherming (Wnb) Het juridisch kader voor de gebiedsbescherming en de soortenbescherming ligt vast in de Wet natuurbescherming. Het betreft een uitwerking van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. Gebiedsbescherming Door middel van het beschermen van specifiek aangewezen gebieden wordt de instandhouding van de functie van deze gebieden voor flora en fauna en de instandhouding van deze soorten in die gebieden geborgd. Op grond van het voorkomen van soorten en de functie van deze soorten worden gebieden aangewezen als beschermd gebied. Deze gebieden zijn onderdeel van het Europese Natura 2000netwerk. Aanwijzing van gebieden door middel van een aanwijzingsbesluit op grond van de Wnb leidt tot de status als Natura 2000-gebied. Hiervoor gelden algemene doelstellingen ten aanzien van de kwaliteit van de gebieden, de natuurlijke kenmerken, en (veelal) kwantitatieve instandhoudingsdoelstellingen voor de soorten en habitattypen in het gebied. Natura 2000-gebieden zijn geen reservaten hetgeen onder meer betekent dat economische activiteiten kunnen plaatsvinden in deze gebieden, echter moet bij het realiseren van dergelijke activiteiten de potentiële ecologische waarden in acht genomen worden. De status van Natura 2000-gebieden is in het leven geroepen om de ecologische waarden te beschermen voor negatieve effecten van activiteiten in of bij deze gebieden.
Bepaald dient te worden of significant negatieve effecten (ook wel ‘gevolgen’) kunnen optreden. Bij de beoordeling van eventuele negatieve effecten kan sprake zijn van directe effecten op het gebied of de soorten die in het gebied verblijven maar ook indirecte effecten via de zogenaamde externe werking. Er liggen geen Natura 2000 gebieden in de directe omgeving van het projectgebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ligt op een afstand van circa 6 kilometer. Ook kan mogelijk sprake zijn van effecten als gevolg van emissies (stikstof) als gevolg van de aanleg van het windpark die neerslaan in stikstof gevoelige habitats. Stikstofdepositie Er is een vrijstelling van de vergunningplicht van kracht voor de tijdelijke depositie van stikstof tijdens bouwwerkzaamheden op basis van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering. Voor het MER is desondanks een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor een zorgvuldige afweging van milieueffecten
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 50
en om te bepalen of effecten op de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden inderdaad beperkt zijn of zijn uit te sluiten.
Soortenbescherming De Wnb vormt eveneens het wettelijk kader voor de bescherming van in het wild levende in- en uitheemse planten- en diersoorten.13 Op grond van deze wet geldt voor eenieder een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten, en voor hun directe leefomgeving. De mate van bescherming volgt uit het wettelijk kader en is mede afhankelijk van de kwetsbaarheid van de soorten. Op grond van de Wnb gelden diverse verbodsbepalingen, zoals op doden en verstoren, waarvan onder voorwaarden voor specifieke situaties (specifiek benoemde ‘belangen’) ontheffing kan worden verleend. De bescherming is niet locatie specifiek maar het voorkomen van soorten kan wel verbonden zijn aan het gebied of specifieke gebiedskenmerken. Voor de effectbeschrijving van het initiatief wordt niet alleen ingegaan op soorten die beschermd zijn op grond van de Wet natuurbescherming maar ook overige soorten, bijvoorbeeld soorten die vermeld zijn op de Rode lijst vanwege de kritische staat van instandhouding van deze soorten. Deze lijst leidt niet tot een andere status qua bescherming. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het nationale netwerk van natuurgebieden, deels gerealiseerd deels te realiseren. De Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Het NNN is oorspronkelijk in nationaal beleid vastgelegd.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is hiervoor het juridisch kader. Tegenwoordig ligt de verantwoordelijk voor het NNN bij de provinciale overheid. De provincie Groningen heeft regels opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening ter bescherming van NNN. Ingrepen in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden, of als negatieve effecten niet kunnen worden vermeden door het nemen van mitigerende maatregelen. Heeft een ingreep wel een (significant) negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied dat behoort tot het NNN, dan geldt het ‘nee, tenzij-regime’. Een project kan dan alleen doorgaan als er geen reële alternatieven zijn en als sprake is van een groot openbaar belang. In de provincie Groningen gelden geen regels ten aanzien van externe werking op gebieden die deel uitmaken van het NNN.
6.2 Bepaling effecten De bepaling van ecologische effecten vindt plaats door onderzoek te doen op basis van onderzoek naar:
De ligging en kenmerken van beschermde (leef)gebieden en de stand van zaken van deze gebieden;
De soorten en habitattypen die voorkomen in het projectgebied, hetzij doordat zij het gebied gebruiken, hetzij dat zij dit passeren;
De potentiële effecten van het project direct of indirect, op de soorten en habitattypen in het projectgebied. Dit betreft de effecten van de verschillende fasen van het project (aanleg en exploitatie).
13
Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming, paragraaf 3.1 geeft het beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, paragraaf 3.2 het beschermingsregime soorten habitatrichtlijn en paragraaf 3.3 het beschermingsregime overige soorten.
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 51
Door Bureau Waardenburg is hiervoor een natuurtoets verricht14 en is er veldonderzoek gedaan naar de aanwezige dieren in het gebied15.
6.2.1
Beoordelingskader
Tabel 6.1 geeft het beoordelingskader voor natuur. Het beoordelingskader is na de tabel verder toegelicht. Tabel 6.1 Overzicht van alle beoordelingscriteria voor natuur Criterium
Beoordeling
Effect op beschermde gebieden, waaronder stikstofdepositie
Kwalitatief/kwantitatief
Effect op beschermde soorten
kwalitatief
Potentie toevoegen natuurwaarden binnen de grenzen van het projectgebied
kwantitatief
Effect op natuurwaarden buiten de grenzen van het projectgebied
kwantitatief
Beschermde gebieden De Wet natuurbescherming is het kader voor de bescherming van gebieden die een belangrijke functie hebben voor daar aanwezige soorten. Criterium voor de beoordeling in dit MER zijn significante effecten op de instandhoudingsdoelen voor de betreffende gebieden en het functioneren van het gebied. Van significante effecten is sprake indien een instandhoudingdoelstelling van het Natura 2000-gebied in gevaar kan komen. Hierbij wordt ook gekeken naar externe werking en cumulatie (in samenhang met de effecten van andere plannen en projecten) voor zover dit relevant is. Stikstofdepositie als gevolg van de aanleg of exploitatie van een project kan een effect hebben op Natura 200-gebieden.
Beschermde soorten Op grond van de Wnb zijn specifieke soorten planten en dieren en hun leefgebied beschermd. De gunstige staat van instandhouding van een soort is een belangrijk criterium voor de beoordeling van de omvang van eventuele effecten. In geval van het overtreden van een verbodsbepaling is een ontheffing noodzakelijk. De toetsing bestaat uit een bepaling en beoordeling van de huidige aanwezigheid van beschermde soorten planten en dieren in het projectgebied, de functie die het projectgebied en de directe omgeving voor deze soorten vervult en de te verwachten effecten van de varianten op beschermde soorten.
Toevoeging natuurwaarden in projectgebied De gemeente is voornemens het voornemen zodanig uit te voeren dat de natuur binnen het plangebied zoveel mogelijk ruimte krijgt dat het zich ten opzichte van de huidige situatie kan ontwikkelen en groeien. Er zijn daarin een aantal deelgebieden te onderscheiden: Het zonnepark: door het kiezen van met name een redelijke afstand tussen de zonnepanelen in combinatie met een goed beheer kan de natuur ook onder en tussen de panelen een kans krijgen; Ecologisch herstel van het stroomgebied van de Fivel welke tevens leidt tot een betere noord-zuid verbinding voor fauna in het gebied Het versterken van de ecologische verbindingszone in oost-westelijke richting 14
Effecten realisatie zonnepark op beschermde soorten te Lageland, Toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming. Bureau Waardenburg, 28 juli 2020, rapportnr. 20-166 15 Nader onderzoek das, roofvogels en akker- en weidevogels, Lageland, Inventarisatie, effecten en maatregelen in het kader van de Wet natuurbescherming. Bureau Waardenburg, 21 december 2021, rapportnr. 21-217
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 52
Het ontwikkelen van een groene bufferzone rondom het zonnepark bestaande uit : extra inrichting bijvoorbeeld meer biotopen en biotooprovergangen ( bomen, bosjes, fruitbomen, struweel, rietland) omvorming naar regeneratieve landbouw waardoor meer structuur en biotoop variatie door teeltwisseling en beheer en gezonder bodemleven (zie volgende paragraaf voor meer detail). Dit zal in het plangebied leiden tot een verschuiving van huidig aanwezige soorten, met name klassieke weide en akkervogels (zoals de kievit, tureluur, graspieper en veldleeuwerik) naar andere soorten (als roodborsttapuit, grasmus, braamsluiper, patrijs, ringmus, rietzanger, blauwborst). Ook kleine zoogdiersoorten en bijen en vlinders zullen profiteren van meer structuur, dekking, soortenvariatie in vegetatie dat zal ook predatoren als bunzing, wezel, hermelijn, vos, torenvalk, kerkuil kunnen trekken.
Omvorming naar regeneratieve landbouw Tot op heden word het land grotendeels verpacht op basis van ’reguliere pacht’ door de gemeente Groningen aan agrariërs uit de omgeving. Deze pacht loopt elk jaar af en er kan dus elk jaar een begin worden gemaakt met de opbouw en start van het nieuwe doel van deze gronden als groene buffer van het zonnepark Polder Lageland. Uit gesprekken met de omwonenden en de vijf gehouden gebiedstafels is als een van de inrichtingswensen duidelijk naar voren gekomen het behoud van het agrarisch cultuurlandschap, met een grote extra kans voor de natuur en biodiversiteit. Op hoofdlijnen is hier duidelijkheid en consensus over, maar aan de details moet nog worden gewerkt. Dit betreft met name de uitwerking van “Vitamine G” en de natuurlijke verbindingszone langs Slochterdiep, de inpassing van de mogelijke huizenbouw nabij Slochterdiep en de particuliere landbouwpercelen. Er blijft dus ruimte voor het bedrijven van agrarische activiteiten binnen het plangebied, echter dan wel op een regeneratieve basis. Bij regeneratieve landbouw laat je de natuur, en met name de bodembiologie het werk doen en is dus een optimale bodembiologie van belang. Daarvoor dient de werkwijze van de agrariërs waar nodig te worden aangepast zoals:
geen gebruik van kunstmest, enkel van organische meststoffen;
geen gebruik van bestrijdingsmiddelen;
een passend waterpeil (mogelijk passend bij de bestrijding van veenoxidatie, zie hoofdstuk 14);
minimale verstoring van bodem door grondbewerkingen, en het beperken van de bodemdruk door aangepaste machines, en/of een vermindering van het aantal werkgangen;
mogelijk tijdelijk geen bemesting toepassen (m.u.v. bemesting als gevolg van beweiding effecten) teneinde de effecten van overbemesting wegens intensief gebruik tot op heden tegen te gaan. Afhankelijk van de ontwikkeling kan het aanbrengen van organische meststoffen later ook weer worden toegepast.
Naast een optimalisatie van de bodembiologie word er ook op andere wijzen gestreefd naar een plus voor de natuur bovengronds. De wijze van, en het tijdstip van het oogsten en weiden, moet worden afgestemd op het behalen van hogere natuurwaarden in de vorm van kruidensamenstelling, broedvogels, insecten amfibieën en zoogdieren. Onderdeel van het nieuwe beheer zijn typisch wisselteelten, perceelranden, groenbemesters en braakjaren, het zaaien van dek gewassen naast het hoofdgewas. Naast het bovenstaande beheer op hoofdlijnen zullen er nog inrichtingsmaatregelen plaats vinden om het na te streven doel en beheer te optimaliseren. Hierbij kan worden gedacht aan begreppeling van de
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 53
percelen/herstel detail ontwatering, bollere akkers, herstel slootpatroon en optimalisatie/behoud van de toegankelijkheid. Ten behoeve van een hoger waterpeil zal de gehele waterhuishouding moeten worden herzien om de waterpeilen afhankelijk van de hoogte ligging, beter te kunnen sturen. Vervolgens kan inzaaien van kruidenrijke mengsels in grasland percelen, en inzaaien groenbemesters, akkerkruiden en grasklaver op akker percelen, plaatsvinden.
6.3 Referentiesituatie Deze paragraaf beschrijft de referentiesituatie voor de gebieden en soorten die van belang zijn. Bepaalde gebieden en soorten zijn buiten beschouwing gelaten omdat daar geen (significante) effecten op te verwachten zijn. Dit is omschreven in paragraaf 6.3.1.
6.3.1
Huidige situatie
Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied (Zuidlaardermeergebied) ligt op een afstand van 5,9 kilometer. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden ligt op een afstand van meer dan 12 kilometer. Het plangebied grenst vrijwel aan het Natuurnetwerk Nederland. In Figuur 6.1 staat de ligging van Natura 2000-gebieden en NNN weergegeven. Het plangebied ligt buiten de akker- en weidevogelkerngebieden die zijn aangewezen door provincie Groningen. Figuur 6.1 Natura 2000 en Natuur Netwerk Nederland – gebieden rondom het plangebied
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 54
6.3.2
Beschermde soorten
Door Bureau Waardenburg is een natuurtoets verricht16 en is er veldonderzoek gedaan naar de aanwezige dieren in het gebied17. Zij concluderen dat de sloten in het plangebied betekenis hebben als voortplantingsplaats en foerageergebied voor heikikker. Daarnaast dienen de sloten mogelijk als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen. Tevens dienen enkele bomenrijen als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen. Volgens Buro Bakker bevinden zich bovendien langs de Zuidweg en Hamweg essentiële vliegroutes en jachtgebieden voor met name gewone dwergvleermuis18 . De bomen en bebouwing worden mogelijk gebruikt als verblijfplaats voor vleermuizen, steenmarter, buizerd, kerkuil en huismus. Tenslotte heeft het gehele plangebied betekenis voor broedvogels. Uit het veldonderzoek is gebleken dat er in het gebied minimaal twee vaste verblijfplaatsen of nestplaatsen van kerkuil aanwezig zijn en drie nesten van de buizerd. Eén mannetjesdas heeft een verblijfplaats in een bosschage, grenzend aan het plangebied. Er zijn, op basis van de akker- en weidevogelsoorten van de provincie Groningen, acht soorten akker- en weidevogels aangetroffen in het gebied die broeden in wisselende aantallen. In sommige gevallen (informeel beleid) beschouwd de provincie Groningen akkeren weidevogels als soorten met een jaarrond beschermd nest.
6.4 Effectbeschrijving en beoordeling 6.4.1
Op voorhand uit te sluiten effecten
Natura 2000 Het plangebied ligt op bijna zes kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Zuidlaardermeer. Dit is buiten de directe invloedssfeer van de voorgenomen ingreep. Effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van verder weg gelegen Natura 2000-gebieden zijn op grond van de aard van het project en de afstand tot het plangebied uitgesloten.
Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het NNN kent in de provincie Groningen geen externe werking. Directe effecten op de NNN zijn uit te sluiten en het toetsingskader van de NNN is niet van toepassing.
Overige provinciaal beschermde gebieden Het plangebied ligt buiten de akker- en weidevogelkerngebieden die zijn aangewezen door Provincie Groningen. De provincie Groningen beschouwd akker- en weidevogels echter als soorten met een jaarrond beschermd nest, waardoor ook gebieden buiten de kerngebieden mogelijk gecompenseerd moeten worden. Het plangebied wordt zeer intensief gebruikt voor landbouw en heeft weinig schuilmogelijkheden en voedselaanbod voor akker- en weidevogels. Tijdens het veldbezoek zijn ook weinig akker- en weidevogels aangetroffen. Het plangebied is marginaal geschikt voor akker- en weidevogels. Naar onze inschatting hoeft er geen compensatie plaats te vinden voor akker- en weidevogels. Geadviseerd wordt om deze conclusie voor te leggen aan bevoegd gezag.
16
Effecten realisatie zonnepark op beschermde soorten te Lageland, Toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming. Bureau Waardenburg, 28 juli 2020, rapportnr. 20-166 17 Nader onderzoek das, roofvogels en akker- en weidevogels, Lageland, Inventarisatie, effecten en maatregelen in het kader van de Wet natuurbescherming. Bureau Waardenburg, 21 december 2021, rapportnr. 21-217 18 Ecologisch onderzoek Meerstad 2016. Rapportnr: P16033, 17 januari 2017. Bureau Bakker, Assen
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 55
6.4.2
Stikstofdepositie
Als gevolg van de werkzaamheden tijdens de aanleg van het zonnepark treedt emissie van schadelijke stoffen (verontreiniging) naar lucht, water en/of bodem op. Dit kan leiden tot extra stikstofdepositie wat gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van habitat of leefgebied. De aanlegfase van het project leidt tot een (zeer geringe) extra depositie van stikstof in Natura 2000-gebieden. Gezien de afstand van het projectgebied tot de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden (>12 kilometer), het tijdelijke karakter van de aanleg, is de verwachting dat dit geen significant negatief effect zal hebben. De uitgevoerde Aerius-berekening in bijlage 1 bevestigt dit. In deze berekening is uitgegaan van een emissie van 596 kilogram stikstof. Dit is de som van: 1. totale stikstofemissie door de aanleg van een vergelijkbaar hoogspanningsstation (Musselkanaal19, totale emissie Nox voor de aanleg circa 240 kilogram), en 2. een zonnepark (Zonnepark Noordermeerdijk Zuid20, emissie circa 65 kilogram voor de aanleg van een park van circa 32 hectare, omgerekend naar rato van oppervlak betekent dit 65 x 175/32 = 356 kilogram stikstofemissie voor de aanleg van een zonnepark van 175 ha). Het resultaat is een stikstofdepositie van 0,00 mol per hectare in de gevoelige gebieden.
Van de gebruikersfase worden hoe dan ook geen effecten verwacht, aangezien er enkel beperkt verkeersbewegingen zijn te verwachten voor het onderhoud.
6.4.3
Onderzoek naar soorten
Bureau Waardenburg concludeert dat er geen effecten zijn te verwachten op de NNN- en Natura 2000 gebieden. Wel zijn er mogelijke effecten op de soorten in het plangebied, daar wordt hieronder nader op in gegaan. Heikikkers Afhankelijk van de precieze uitvoering van de werkzaamheden, zal als gevolg van de ingreep verblijf-, voortplantings- en foerageergebied van de heikikker verloren gaan. Daarnaast kunnen heikikkers tijdens de werkzaamheden mogelijk gedood of verstoord worden. Bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van heikikkers om negatieve effecten op deze soort - en daarmee overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb - te voorkomen. Voor de werkzaamheden dient een ontheffing aangevraagd te worden voor het vernietigen of aantasten van voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van heikikkers en het opzettelijk verstoren van heikikkers. Tevens wordt aanbevolen om in de gebieden waar heikikker voor kan komen te werken buiten het kwetsbare seizoen van heikikkers (voortplantingsseizoen: februari tot en met juli, winterrust: oktober tot en met februari). Broed- en weidevogels Indien de werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaatsvinden kunnen er mogelijk nesten van vogels worden verstoord of vernietigd. Verstoring van vogelnesten die in gebruik zijn dient voorkomen te worden.
Dit kan door te werken buiten het broedseizoen of het plangebied voor aanvang van het broedseizoen ongeschikt te maken voor broedvogels. Dit kan door bomen en struiken buiten het broedseizoen te verwijderen. Het rooien van beplanting binnen het broedseizoen is mogelijk indien is vastgesteld dat er 19 20
Zie www.ruimtelijkeplannen.nl, plan “Station Zuid Groningen (TenneT)”, NL.IMRO.1950.BP2102-vs01 Zie https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0171.PB00087-0002/t_NL.IMRO.0171.PB00087-0002.pdf
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 56
met deze werkzaamheden geen nesten van vogels worden verstoord. Voor het broedseizoen wordt in het kader van de Wet natuurbescherming geen standaard periode gehanteerd. De lengte en de aanvang van het broedseizoen verschilt per soort. Globaal moet rekening gehouden worden met de periode half maart tot half augustus. Indien aan deze maatregelen wordt voldaan is geen ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. Tevens wordt aangeraden om te overleggen met bevoegd gezag of er compensatie plaats moet vinden voor het verlies van marginaal geschikt akker- en weidevogelgebied. Amfibieën Het plangebied vormt tevens leefgebied voor enkele algemeen voorkomende beschermde soorten grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Grond- en graafwerkzaamheden in het kader van de voorgenomen ingreep kunnen deze soorten treffen. Het gaat om soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt voor overtreding van verbodsbepalingen bij werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. Een ontheffing is dus niet nodig. Das Grenzend aan het plangebied bevindt zich een dassenburcht. Deze burcht blijft behouden. Tijdens de werkzaamheden dient verstoring van de das zoveel mogelijk te worden voorkomen. Dit kan o.a. door de werkzaamheden uit te voeren vóór zonsondergang of op zijn laatst tot 19:00 uur ’s avonds.
Door de voorgenomen activiteiten zal er na realisatie van het project wel foerageergebied van de das verloren gaan. Dit is geen overtreding van de Wet natuurbeheer, maar er mag geen aantasting plaatsvinden van essentieel foerageergebied zodanig dat hierdoor de functionaliteit van de burcht wordt aangetast. Om de burcht te kunnen laten functioneren als vaste rustplaats is voldoende foerageergebied van goede kwaliteit nodig, met schuilplaatsen, geen versnippering van het territorium en geen verstoring door honden of recreatie. Ook de wissels die de das gebruikt zijn van invloed op het succesvol kunnen functioneren van de burcht als voortplantingsplaats Dit kan mogelijk opgevangen worden door een van onderstaande opties, geadviseerd wordt om deze voor te leggen aan bevoegd gezag: ‐
Het deel/een deel van het plangebied dat op dit moment in gebruik is door das ongemoeid laten.
‐
Het deel van het foerageergebied rondom de burcht behouden. Daarnaast wordt het deel ten oosten van het plangebied geschikter gemaakt voor de das. Bij het realiseren van vervangend leefgebied kan als vuistregel worden aangehouden dat dit 120% van de oppervlakte van het bestaande leefgebied dient te zijn. Het foerageergebied dat behouden blijft voor de das, dient aantrekkelijker te worden gemaakt. Dit kan bijvoorbeeld door het aanleggen van bemeste graslanden, overhoekjes, en het bevorderen van de hoeveelheid regenwormen in het gebied. Het aanbrengen van ruigtestroken, plas-drasgebieden of nieuw te planten bos, is vormt geen geschikte compensatie voor de das (Bij12, 2017b).
‐
Onder de zonnepanelen komt waarschijnlijk grasland, dit zal minder voedsel opleveren voor de das dan de huidige inrichting van het grasland. Onder de panelen valt geen regen waardoor de grond verdroogd en er weinig regenwormen te halen zijn voor de das. Het zal wel bijdragen aan het totale oppervlakte aan foerageergebied.
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 57
Buizerd Er zijn drie nesten aanwezig in het plangebied die gebruikt worden door buizerd. Deze bomen en de aangrenzende bomen blijven behouden. Er zal daarom geen permanent effect optreden op de voortplantingsplaatsen na realisatie van het plan. Het plangebied vormt foerageergebied voor buizerd. Er zijn echter voldoende alternatieven aanwezig in de omgeving. Het plangebied betreft daarom geen essentieel foerageergebied. Ook de toekomstige inrichting biedt mogelijkheden aan de buizerd om te foerageren. Het wordt wel minder gunstig omdat het aandeel open terrein afneemt; open gebied heeft de voorkeur als jachtgebied voor de buizerd. Indien tijden de broedtijd van de buizerd gewerkt wordt (februari tot juli), dient een afstand van minimaal 150 meter tot de nesten te worden aangehouden. Dit voorkomt dat de broedende buizerds verstoord wordt. Kerkuil Er zijn minimaal twee vaste verblijfplaatsen/voortplantingsplaatsen in boerderijen binnen het plangebied. Omdat deze plaatsen zich binnen bevinden zullen deze door de werkzaamheden niet worden aangetast. Het plangebied vormt foerageergebied voor kerkuil. Uitvoering van werkzaamheden in de directe omgeving van het plangebied in de periode maart tot oktober hebben een verstorend effect op de kerkuilen die het plangebied gebruiken als foerageergebied. Zij kunnen uitwijken naar omliggend gebied om te foerageren.
Vanuit de zorgplicht wordt aanbevolen om de werkzaamheden overdag uit te voeren. Ook wordt aanbevolen de werkzaamheden uit te voeren buiten de kwetsbare periode van de kerkuil. Dit is de periode waarin de uilen voedsel zoeken voor hun jongen. Dit is ongeveer van februari tot en met augustus. De omgeving rondom het te realiseren zonnepark wordt ingericht als natuurzone. Indien deze zone dusdanig ingericht wordt dat dit geschikt blijft als foerageergebied voor kerkuil, blijft voldoende essentieel foerageergebied behouden. Dit kan onder meer door het gebied aantrekkelijk te maken voor muizen. De grootte van het territorium van de kerkuil is afhankelijk van de hoeveelheid voedsel die te vinden is. Door het overgebleven foerageergebied aantrekkelijk te maken voor muizen, kan het verlies aan oppervlakte foerageergebied gecompenseerd worden. Ook kan de ruimte tussen de panelen geschikt gemaakt worden als jachtgebied voor kerkuil. Haas, bunzing, hermelijn en wezel De soorten haas, bunzing, hermelijn en wezel zijn sinds de uitvoering van de natuurtoets en de onderzoeken door provincie toegevoegd aan de lijst van beschermde soorten. Naar deze soorten zal extra onderzoek dienen te worden verricht, maar er wordt in deze mer vanuit gegaan dat deze niet zal leiden tot een wezenlijk andere afweking voor het voorkeursalternatief.
Andere soorten Binnen het plangebied bevinden zich geen verblijfplaatsen van de das en steenmarter. Het plangebied kan van belang zijn voor enkele soorten amfibieën en voor enkele kleine zoogdieren zoals kleine marterachtigen en verschillende muizensoorten. Dit betreft echter nationaal beschermde soorten, waarvoor de provincie Groningen een algemene vrijstelling heeft gegeven bij, onder andere, ruimtelijke ontwikkelingen. Wel dient rekening te worden gehouden met de Zorgplicht. Aan de zorgplicht kan worden
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 58
voldaan door bij verstoring van dieren tijdens de werkzaamheden deze de gelegenheid te geven te vluchten naar een nieuwe leefomgeving.
6.4.4
Effectbeoordeling HS-station
Het effect van de locatie van het HS-station op de natuur is niet onderscheidend voor de drie locaties binnen het plangebied omdat het HS-station enkel in de plaats komt van zonnepanelen. De twee locaties buiten het plangebied liggen niet op of zeer nabij locaties met hoge natuurwaarden zoals NNN-gebieden en Natura-2000 gebieden. Daarom wordt de locatie van het HS-station voor wat betreft het onderwerp natuur niet bij de alternatievenafweging betrokken.
6.4.5
Effectbeoordeling zonnepark / groene strook
De negatieve effecten van het voornemen op de natuurlijke omgeving buiten het plangebied zijn verwaarloosbaar, omdat deze effecten (mogelijk geluid en lichtschittering) zeer klein zijn en omdat de omgeving vooral bestaat uit landbouwgronden. Vanwege de beoogde ontwikkeling van de groene strook in combinatie met het beperken van negatieve effecten tussen en onder de panelen en het ecologische herstel binnen het stroomgebied van de Fivel (zie voor meer detail over de natuurontwikkeling paragraaf 6.2.1) is er juist een voordeel te verwachten voor wat betreft soorten binnen en ook net buiten het plangebied. Alle varianten scoren daarom in elk geval positief ten opzichte van de referentiesituatie. Binnen het gebied wordt een deel van de bestaande landbouwgrond vervangen door zonnepanelen. De bestaande landbouwgrond heeft weinig natuurwaarde. Deze zou door de plaatsing van de zonnepanelen nog achteruit zou kunnen gaan omdat zonnepanelen licht en regenval wegnemen en daardoor kunnen soorten minder goed gedijen en is er ook het gevaar van uitdrogen en inklinken van de grond met negatieve gevolgen voor het bodemleven. Indien er voldoende afstand (2 meter of meer) tussen de rijen zonnepanelen wordt gehouden kan, in combinatie met het juiste beheer, de kans voor het gedijen van planten- en dierensoorten tussen en onder de zonnepanelen toenemen.
Dit is gebleken uit een vergelijkend onderzoek tussen 25 zonneparken, uitgevoerd door de Universiteit van Wageningen21. Wel is ook een goed beheer van de gronden tussen en onder de panelen van belang. Wanneer de afstand tussen de panelen twee meter of meer bedraagt en (in mindere mate) bij een hogere plaatsing van de panelen boven de grond, is er meer kans voor de natuur tussen en onder de panelen, waardoor het voornemen een extra positieve score krijgt. Gezien de kleine impact van het voornemen op de natuurlijke omgeving buiten het plangebied en de ruime afstand naar de Natura-2000 gebieden en de ligging buiten de NNN-gebieden is het effect van het voornemen op gebieden klein en niet onderscheidend.
21 “Verkenning van bodem en vegetatie in 25 zonneparken in Nederland”, Rapport 3061, Wageningen Environmental Research, Wageningen, februari 2021
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 59
Tabel 6.2 Samenvatting effectbeoordeling natuur Omvang zonnepark Beoordelingscriteria \ varianten
Min 125 Ha
Gem 150 Ha
Afstand tussen zonnepanelen Max 175 Ha
Min 0,5m
Gem 3,4m
Max 6m
Effect Natura 2000 / NNN
Niet onderscheidend, weinig tot geen effect gezien grote afstand naar Natura 2000 - gebieden
Effect beschermde soorten
Niet onderscheidend, positief effect te sturen met invulling en beheer gebied
Potentie toevoegen natuurwaarden binnen de grenzen van het plangebied Effect op natuurwaarden buiten de grenzen van het plangebied
++
+/++
+
+
++
++
Niet onderscheidend, kleine 0/+ net buiten plangebied wegens natuurontwikkeling binnen plangebied
6.5 Cumulatie Uit de Aerius berekening zal ook moeten blijken of er een effect optreedt van een verhoging van de stikstofdepositie tijdens de aanlegfase. Van de gebruikersfase worden geen effecten verwacht. Afhankelijk van de uitkomst zal onderzocht moeten worden of er ook sprake is van cumulatie met andere projecten.
6.6 Mitigerende maatregelen Het verstoren en vernietigen van vogelnesten die in gebruik zijn moet voorkomen worden om overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen. Dit kan door (voorbereidende) grond- en graafwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Voor het broedseizoen wordt in het kader van de Wnb geen standaard periode gehanteerd. De lengte en de aanvang van het broedseizoen verschilt per soort. Globaal moet voor het broedseizoen rekening gehouden worden met de periode half maart tot half augustus.
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 60
7
Geluid De beoogde activiteiten kunnen geluid veroorzaken. Geluid kan hinderlijk zijn. Het betreft voor het zonnepark de omvormers en eventuele transformatoren. Voor het HS-station gaat het om de transformatoren en schakelaars die geluid kunnen produceren. In het kader van de beoordeling worden de geluidseffecten kwantitatief vastgesteld, zie het akoestisch onderzoek in de bijlagen van dit MER voor de details van de berekeningen. Daarbij wordt eerst bepaald of er een relevante geluidbelasting optreedt bij geluidsgevoelige objecten en vervolgens wordt de geluidsbelasting beoordeeld.
7.1.1
Beleid, wetgeving en beoordelingskader
Langtijdgemiddelde geluidniveau Omdat het transformatorstation een elektrisch vermogen heeft van meer dan 200 MVA (2x250 = 500MVA) geldt er een geluidzoneringsplicht in het kader van de Wet geluidhinder. Het terrein waarop het transformatorstation wordt gerealiseerd, is daarom in het ruimtelijk plan aangemerkt als een geluidgezoneerd industrieterrein. Rondom dit terrein is, conform artikel 40 van de Wet geluidhinder (Wgh) een zone vastgesteld waarbuiten de geluidbelasting vanwege dat terrein de waarde van 50 dB(A) niet mag overschrijden. Op grond van de Handleiding Meten en Rekenen industrielawaai dient bij een tonaal karakter dat, zoals de Handleiding stelt “duidelijk hoorbaar is bij de ontvanger” een toeslag van 5 dB(A) te worden toegepast. Het geluid wat door dergelijke transformatoren wordt geproduceerd is vaak tonaal van karakter, en derhalve is in de berekeningen deze toeslag bij het bronvermogen opgeteld. De geluidbelasting ter plaatse van nabijgelegen woningen wordt getoetst aan de richtwaardes uit Tabel 4 uit de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening. Maximaal geluidniveau Het transformatorstation bevat ook meerdere vermogensschakelaars die per jaar slechts enkele malen zullen worden gebruikt voor onderhoudswerkzaamheden gedurende de dagperiode.
Het is echter ook zeer sporadisch - mogelijk dat, om in noodgevallen de installatie te beschermen, tijdens de avond- of nachtperiode de schakelaars in werking treden. De geproduceerde geluidniveaus tijdens de avond- en nachtperiode ten gevolge van de vermogensschakelaars zouden als calamiteus kunnen worden beschouwd en vallen daarbij dan buiten de geluidvoorschriften. De geluidemissie van de vermogensschakelaars is dusdanig kort en incidenteel dat voor de langtijdgemiddelde geluidniveaus deze niet worden beschouwd, enkel voor de maximale geluidniveaus. In de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening wordt ernaar gestreefd om het maximale geluidniveau te beperken tot het langtijdgemiddelde geluidniveau + 10 dB. De grenswaarden voor het maximale geluidniveau zijn derhalve de grenswaarden voor het langtijdgemiddelde geluidniveau vermeerderd met 10 dB. Richtwaardes Er is geen gemeentelijk geluidsbeleid vastgesteld in gemeente Groningen, dus voor richtwaardes voor het langtijdgemiddelde geluidniveau van zowel het HS-station als het zonnepark is gekeken naar Tabel 4 uit de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening. De omgeving van het transformatorstation wordt, vanwege de aanwezigheid van de geluidzone rondom de NAM/Gasunielocatie en het geluid van de N360
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 61
en het scheepvaartverkeer, getoetst aan de waardes die horen bij ‘Rustige woonwijk, weinig verkeer’. Deze waardes22 zijn hieronder weergegeven in Tabel 7.1. Tabel 7.1 Geluidniveaus (langtijdgemiddeld en maximaal) waaraan getoetst wordt Beoordelingsniveau
Dag (07:00-19:00 uur)
Avond (19:00-23:00 uur)
Nacht (23:00-07:00 uur)
Etmaal
LAr,LT
45 dB(A)
40 dB(A)
35 dB(A)
45 dB(A)
LAmax (LAr,LT + 10 dB)
55 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A)
nvt
7.2 Referentiesituatie In de referentiesituatie zijn met name het wegverkeer op de N360 van belang, alsmede het geluid van het scheepvaartverkeer op het Eemskanaal en het geluid van het gastransport/verdeelstation van de Gasunie.
7.3 Rekenresultaten en effectbeoordeling De spanningsomvormers van de zonnepanelen maken weliswaar geluid, maar ten opzichte van het geluid van de transformatoren in het HS-station is de bijdrage relatief gering. Daarmee zijn kleine variaties in het geluid door het ontwerp van het zonnepark ten opzichte van de locatie van het HS-station niet onderscheidend. Daarom wordt alleen op basis van de vijf mogelijke locaties van het HS-station binnen het plangebied een vergelijking gemaakt tussen de varianten.
7.3.1
Etmaalwaarden en aantal gehinderden
Hiervoor is de ligging van de geluidscontouren van 5 dB-klassen, aflopend van 35 dB Letmaal tot 50 dB Letmaal Bepaalde en het aantal geluidgevoelige objecten (woningen van derden) binnen deze contouren. Naast het aantal geluidgevoelige objecten is het mogelijke aantal (ernstig) gehinderden bepaald, zie onderstaande tabellen. Tabel 7.2 Aantal geluidgevoelige objecten per geluidcontour Letmaal (en bijbehorende score) Noord
West
Zuid
Oost
Midden
Aantal woningen 35 < x ≤ 40 dB(A)
12 (--)
8 (-)
9 (-)
4 (-)
5 (-)
Aantal woningen 40 < x ≤ 45 dB(A)
1 (-)
0 (0)
0 (0)
0 (0)
0 (0)
Aantal woningen 45 < x ≤ 50 dB(A)
0 (0)
0 (0)
0 (0)
0 (0)
0 (0)
Aantal woningen > 50 dB(A)
0 (0)
0 (0)
0 (0)
0 (0)
0 (0)
Score gemiddeld
--
-
-
-
-
22
De langtijdgemiddelde geluidniveaus zijn vertaald naar geluidbelasting in dB Letmaal (hoogste van dag, avond +5 dB en nacht +10 dB)
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 62
Tabel 7.3 Aantal gehinderden en aantal ernstig gehinderden (en bijbehorende score) Noord
West
Zuid
Oost
Midden
Aantal gehinderden
0,4 (0/-)
0,2 (0/-)
0,2 (0/-)
0,1 (0/-)
0,1 (0/-)
Aantal ernstig gehinderden
0,1 (0/-)
0,1 (0/-)
0,1 (0/-)
0,0 (0)
0,0 (0)
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
Score gemiddeld
7.3.2
Cumulatieve geluidbelasting, methode Miedema
Vervolgens is de geluidbelasting in het plangebied van de andere geluidproducerende activiteiten in de omgeving bepaald (in dit geval wegverkeer N360, scheepvaartverkeer Eemskanaal, het blijvende deel van de Gasunie-locatie en de rioolwaterzuivering ten noorden van het plangebied) en wordt aangegeven wat de akoestische kwaliteit van de omgeving is zonder en inclusief de bijdrage van het zonnepark en het HS-station aan het lokaal aanwezige geluid. Hierbij wordt de zogenaamde Miedema-methode gehanteerd die het mogelijk maakt verschillende soorten geluidbronnen naar rato van hinderlijkheid bij elkaar op te tellen. In het specialistisch onderzoek wordt nader ingegaan op de gehanteerde uitgangspunten. De relenresultaten en bijbehorende score staan in de onderstaande tabel. Tabel 7.4 Jaargemiddelde geluidbelasting in de referentiesituatie en de toename in de cumulatieve toekomstige situatie Ref
Noord
West
Zuid
Oost
Midden
Aantal woningen 35 < x ≤ 40 dB(A)
53
-20
-25
-35
-31
-28
Aantal woningen 40 < x ≤ 45 dB(A)
262
+8
-8
+23
+18
+16
Aantal woningen 45 < x ≤ 50 dB(A)
27
+10
+31
+10
+11
+10
Aantal woningen > 50 dB(A)
50
+2
+2
+2
+2
+2
-
--
--
--
-/--
Score
Tevens is voor de geluidgevoelige objecten bepaald of er een verslechtering plaatsvindt in de akoestische kwaliteit van de leefomgeving volgens ‘methode Miedema’ bepaald. De resultaten voor de referentiesituatie en cumulatieve situatie zijn gegeven in Tabel 7.5. Tabel 7.5 Verandering van aantal geluidgevoelige objecten per klasse volgens ‘methode Miedema’ in vergelijking tot de referentiesituatie Geluidbelasting
Klasse
Noord
West
Zuid
Oost
Midden
< 50 dB Lden
Goed
-1
0
0
0
0
< 55 dB Lden
Redelijk
1
-1
0
0
0
< 60 dB Lden
Matig
0
1
0
0
0
< 65 dB Lden
Tamelijk slecht
0
0
0
0
0
< 70 dB Lden
Slecht
0
0
0
0
0
≥ 70 dB Lden
Zeer slecht
0
0
0
0
0
-
-
‘0’
‘0’
‘0’
Score
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 63
Uit de tabel kan worden opgemaakt dat alleen bij varianten Noord en West één woning verslechterd in klasse van akoestische kwaliteit.
7.3.3
Laagfrequent geluid
Voor HS-stations kan het laagfrequente frequentiegebied een relevante bijdrage hebben in de geluidsproductie. Transformatoren hebben een relatief hoog geluidniveau bij 100 Hz (en in mindere mate bij 50 Hz en hogere veelvouden van 100 Hz). Voor het beoordelen van laagfrequent geluid van het HSstation is daarom alleen het geluidsniveau in deze 100 Hz-tertsband relevant. Hoewel er geen wettelijk kader voor de beoordeling van laagfrequent geluid bestaat in Nederland, zijn er wel diverse methoden beschikbaar om laagfrequent geluid te beoordelen waaronder de Vercammen-curve (indicatie van verwachte hinder als gevolg van laagfrequent geluid) of de NSG Richtlijn (indicatie van hoorbaarheid van laagfrequent geluid). In dit onderzoek wordt getoetst aan de Vercammencurve om verwachte hinder te bepalen. De Vercammencurve met en zonder A-weging is gegeven in Tabel 7.6. Op basis van de tabel dient het geluidniveau bij 100 Hz te worden getoetst aan 20 dB(A) of 39 dB (lineaire waarde). Tabel 7.6 Vercammencurve in lineaire dB’s en A-gewogen dB’s Frequentie [Hz]
20
25
31,5
40
50
63
80
100
Vercammen curve [dB(lin)]
70
65
59
55
50
46
42
39
Vercammen curve [dB(A)]
20
20
20
20
20
20
20
20
In de berekeningen word het A-gewogen geluidniveau op de gevel van de omliggende woningen bepaald, terwijl de Vercammencurve is gebaseerd op basis van het geluidniveau binnenshuis. Een Deens onderzoek rapporteert waarden voor het bepalen van het verschil in geluidniveau buitens- en binnenshuis (invoegverlies). Voor 100 Hz is deze waarde 18,4 dB. Deze waarde wordt toegepast om het geluidniveau op de gevel om te rekenen naar geluidniveau binnenshuis, zodat kan worden getoetst aan de Vercammencurve. De tertsband met middenfrequentie 100 Hz, waar de geluidemissie het hoogst is, is onderdeel van de 125 Hz octaafband. Bij transformatoren wordt het geluidniveau in de 125 Hz octaafband nagenoeg volledig bepaald door de 100 Hz tertsband. Daarom is gekeken naar het geluidniveau bij omliggende woningen in de 125 Hz octaafband. De hoogste geluidbelasting op de beschouwde woningen in de 125 Hz octaafband treedt op gedurende de dagperiode. Per variant is uitgegaan van de woning met de hoogste geluidbelasting op de gevel in deze octaafband. De resultaten in dB(A) zijn gegeven in Tabel 7.7. De geluidbelasting op de gevel is omgerekend naar geluidbelasting binnenshuis met het invoegverlies van 18,4 dB. Tabel 7.7 Maximale jaargemiddelde geluidniveaus in 125 Hz octaafband [dB(A)] Noord
West
Zuid
Oost
Midden
Maximaal geluidniveau 125 Hz op gevel
25
26
21
24
27
Maximaal geluidniveau 125 Hz binnenshuis
7
8
2
6
8
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 64
Toetswaarde Vercammen (hinderlijkheid)
20
20
20
20
20
Score
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
Uit de resultaten kan worden opgemaakt dat het geluidniveau in de 125 Hz octaafband, welke volledig wordt bepaald door het geluidniveau in de 100 Hz tertsband, bij alle varianten ruimschoots onder de waarde van 20 dB(A) behorende bij de Vercammencurve blijft. De maximale geluidniveaus binnenshuis in de 125 Hz octaafband liggen namelijk tussen de 12 en 18 dB(A) onder de waarde Vercammencurve. Ter indicatie: een toename van 3 dB betekent een verdubbeling van geluid. Zelf als bijvoorbeeld het geluid van alternatief Noord zou verdubbelen, zal het maximale jaargemiddelde geluidniveau binnenshuis op 125 Hz uitkomen op 7 dB(A) + 3 dB(A) = 10 dB(A), wat nog steeds ver onder de waarde van de Vercammencurve van 20 dB(A) blijven. Zelfs als een lager invoegverlies dan 18,4 dB wordt aangenomen (bijvoorbeeld 15 dB) zullen de waarden ruimschoots onder de Vercammencurve blijven. Dit betekent dat voor alle woningen geldt dat het laagfrequente geluid binnen de woning ruim onder de toetswaarde voor hinderlijkheid blijft. Ondanks dat er geen hinderlijkheid binnen wordt verwacht, is het laagfrequente geluid wel mogelijk binnen of buiten de woning hoorbaar. Daarom wordt als score voor alle varianten net geen neutraal (‘0’) toegekend maar een beetje negatief (‘0/-‘). Wel scoren alle varianten op dit onderdeel gelijk.
7.4 Mitigerende maatregelen Het is mogelijk de geluideffecten te reduceren door het kiezen van stille bronnen (transformatoren, omvormers). Daarnaast kunnen de transformatoren met geluidschermen worden omgeven of zelfs volledig worden ingebouwd met vier wanden en een dak. Dat betreft echter zeer dure maatregelen welke doorgaans enkel in extreme situaties worden toegepast.
7.5 Samenvatting effectbeoordeling Alleen de mogelijke locaties van het HS-station zijn onderscheidend voor het onderlinge vergelijk tussen de varianten. Variaties in geluid door verschillen in ontwerp van het zonnepark zijn hieraan ondergeschikt en worden daarom niet beschouwd. Het laagfrequente geluid is niet onderscheidend, het cumulatieve geluid ook nagenoeg niet hoewel met name de noordelijke en westelijke locaties daar licht slechter scoren. Het aantal gehinderden blijft voor alle locaties ongeveer evenveel beperkt. De noordelijke locatie scoort tenslotte relatief slecht op de hoogte van de absolute geluidbelasting op de gevels van woningen. Tabel 7.8 Samenvatting effectbeoordeling geluid Noord
West
Zuid
Oost
Midden
Score etmaalwaarden woningen
--
-
-
-
-
Score aantal gehinderden
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
Score cumulatief geluid (Miedema)
-
-
‘0’
‘0’
‘0’
Score Laagfrequent geluid (Vercammen)
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 65
7.6 Leemten in kennis De in de berekening gehanteerde geluidbrongegevens zijn een goede inschatting van de te verwachten emissies. Echter pas wanneer de definitieve technische installaties zijn gekozen kan met zekerheid de werkelijke geluiduitstraling worden bepaald. De geveldempingen van de woningen welke zijn gebruikt voor de berekeningen van het laagfrequente geluid zijn aannames op basis van het Deense rekenmodel.
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 66
8
Veiligheid
De activiteit maakt geen gebruik van gevaarlijke stoffen. Hoogspanningsstations zijn ook geen risicovolle inrichtingen. Wel zijn in het gebied activiteiten met gevaarlijke stoffen (ondergrondse buisleidingen, Gasunie doorvoerstation) aanwezig. Daarnaast is het denkbaar dat lichtreflectie op zonnepanelen vanuit veiligheid relevant is voor het wegverkeer.
8.1 Beleid, wetgeving en beoordelingskader Risico’s personen en woningen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is bedoeld om mensen in de buurt van een bedrijf met gevaarlijke stoffen, of een gevaarlijke inrichting, te beschermen. Bij een omgevingsvergunning milieu of een ruimtelijk besluit rond zo'n bedrijf moet het bevoegd gezag rekening houden met veiligheidsafstanden ter bescherming van individuen (plaatsgebonden risico) en groepen personen (groepsrisico). Voor een transformatorstation en een zonnepark zijn er geen effecten vanuit externe veiligheid waaraan getoetst moet worden. Er zijn geen relevante risico’s voor personen en omliggende woningen. Effecten op gastransport-infrastructuur Bij het aanleggen van de infrastructuur (HS-station, zonnepark, ondergrondse elektriciteitsleidingen) dient wel rekening te worden gehouden met de ondergrondse gastransportleidingen in het plangebied en het gasdoorvoerstation van de Gasunie.
8.2 Referentiesituatie In de referentiesituatie bevinden zicht diverse ondergrondse gastransportbuisleidingen en het Gasunie gastransportverdeelstation in het gebied.
8.3 Effectbeoordeling 8.3.1
HS-station
Voor een transformatorstation en een zonnepark zijn er geen effecten vanuit externe veiligheid waaraan getoetst moet worden. Er zijn geen relevante risico’s voor personen en omliggende woningen. Voor het effect op woningen scoren alle vijf locaties daarom neutraal (‘0’). Wanneer de locatie van het HS-station op of nabij gastransportleidingen en nabij het gastransportdoorvoerstation zijn gelegen, is er mogelijk sprake van wederzijdse beïnvloeding. Werkzaamheden nabij de gastransport-infrastructuur en de magnetische velden rondom kabels kunnen extra risico’s vormen voor de gasleidingen en het Gasunie station. Het betreft dan met name de kans op zakking van de ondergrond en zettingen van de gastransportleidingen op het Gasunie doorvoerstation. Daarnaast kunnen een eenmaal geplaatste elektriciteitsleidingen en andere componenten van het in werking zijnde HS-station door warmte en elektrische velden de gastransport-infrastructuur beïnvloeden. Om ontoelaatbare elektrische en thermische beïnvloeding uit te sluiten is in deze gevallen een onderzoek nodig volgens de norm NEN 3654.
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 67
Omgekeerd kan een calamiteit met een gasleiding of het Gasunie station de elektrische infrastructuur beschadigen. Op basis van TenneT-beleid dient 25 meter afstand vanaf het stationshekwerk tot aan risicovolle inrichtingen te worden aangehouden in het kader van de externe veiligheid. In de onderstaande figuur is een overzicht gegeven van de ligging van de buisleidingen (gastransport) en het gasdoorvoerstation in relatie tot de vijf beschouwde locaties van het hoogspanningsstation. Hieruit is af te leiden dat de mogelijke invloed op /risico’s voor gasbuisleidingen door het HS-station station met name van belang zijn voor locatie Noord (score ‘--’) en ook maar iets minder locaties Midden en Oost (score ‘-‘). Op aangeven van Enexis zijn kruisingen van ontsluitende ondergrondse middenspanningskabels met bestaande gasleidingen voor elke van de vijf locaties nodig (score ‘-‘), maar deze zijn waarschijnlijker bij locaties Midden, Oost en Noord (score ‘--‘). Figuur 8.1 Ligging van de buisleidingen (gastransport) en het gasdoorvoerstation in relatie tot de beschouwde locaties van het hoogspanningsstation.
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 68
Tabel 8.1 Score effectbeoordeling veiligheid Noord
West
Zuid
Oost
Midden
Gevoelige objecten nabij HS-station
‘0’
‘0’
‘0’
‘0’
‘0’
HS-station op/nabij gastransportleidingen
--
‘0’
‘0’
-
-
Kruisingen elektrische kabels met gastransportleidingen
--
-
-
--
--
8.3.2
Zonnepark
Het zonnepark heeft geen elementen/installaties die risico’s op de omgeving veroorzaken. Bij het bouwen van zonnepanelen over of nabij gastransportleidingen zal afstemming met de Gasunie plaats moeten vinden, maar zonnepanelen staan niet op diepe en/of zware fundaties, en daarmee is het risico voor de buisleidingen bij de aanleg ervan beperkt. Een mogelijk ruimtelijk effect van zonnepanelen op wegverkeer is de reflectie van zonlicht. De meeste inkomende zonnestralen, die op zonnepanelen terecht komen worden geabsorbeerd en omgezet in elektriciteit. Echter, omdat de bovenste laag van de panelen van glas zijn gemaakt, zal slechts een beperkt deel (<5%) van het zonlicht ook worden gereflecteerd. Deze schittering op omliggende objecten komt vooral voor bij zonsopgang en zonsondergang, wanneer de zon haaks op de panelen staat. Het licht dat op een zonnepaneel valt, wordt in één specifieke richting weerkaatst omdat een zonnepaneel een glad oppervlak heeft. Dit reduceert de aantal invalshoeken waarbij overlast ervaren kan worden van het licht. Uit een wegbeeldanalyse met betrekking tot een soortgelijk zonnepark23 blijkt dat betreffende reflectie niet feller is dan het achtergrondlicht van de zon zelf. In ditzelfde onderzoek wordt ook geconstateerd dat er aanzienlijk meer zonlicht gereflecteerd wordt door water dan door een zonnepaneel.