CConstaterende datGroningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Milieueffectrapport Meerstad-Noord.pdf

gemeenteraad 5 april 2023, gemeente GroningenBij agendapunt: b: Vaststelling MER Gebiedsontwikkeling Meerstad-Noord (raadsvoorstel 22-2-23)33.866 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De gemeente Groningen heeft ter plaatse van het beoogde plangebied in het verleden grond aangekocht vanwege plannen voor woningbouw. Vanwege de economische crisis in 2008 is deze woningbouw komen te vervallen. Meerstad-Noord is daarna in de Omgevingsvisie (2018), het Beleidskader Zonne-energie fase 1 (2019) en het Beleidskader zonneparken (2020) aangewezen als zoekgebied voor grootschalige zonneenergie. In het kader van Masterplan 2.0 wordt onderzocht wat de mogelijkheden zijn voor kleinschalige woningbouw aan de randen van het gebied. Woningbouw zal niet ten koste gaan van het zonnepark. In de gemeentelijke “Routekaart CO2 neutraal in 2035” (vastgesteld in 2018) is het gebied op basis van een landschapsanalyse aangeduid als één van de gebieden waar grootschalige zonne-energie moet worden opgewekt. Daarbij is gekozen voor het realiseren van grootschalige zonne-energieopwekking in gebieden, tegen stadsgrenzen, waar de schaal en context zich lenen voor deze ontwikkeling. Doel van de gemeente is om de opbrengsten van grote zonneparken maximaal ten goede te laten komen aan alle inwoners van de gemeente en te gebruiken voor de verduurzaming van de wijken en dorpen.

7

b_NL.IMRO.0014.SV009LevendeRuimte-vg01.pdf (ruimtelijkeplannen.nl)

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 18

2.6 Conclusie beleidskader Het voornemen om duurzame energie op te wekken in het plangebied past binnen de beleidskaders van zowel het Rijk, de provincie Groningen als de gemeente Groningen. Wel is het van belang om per deelaspect na te gaan welke regelgeving van toepassing is en of hier aan kan worden voldaan. Zie hoofdstuk 4 en hoofdstukken 5 tot en met 16 voor het beoordelingskader per deelaspect

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 19

3

Locatieonderbouwing De locatiekeuze voor het zonnepark wordt met name worden onderbouwd op basis van bestaande beleidsstukken, waarin het plangebied is aangewezen als zoekgebied voor grootschalige opwekking van zonne-energie. Daarnaast wordt gekeken naar de door het HS-station te ontsluiten capaciteitsbehoefte en de wijze van aansluiting op het hoogspanningsnet.

3.1 Inleiding 3.1.1

Doelstellingen Zoals reeds eerder vermeld heeft het project drie doelstellingen: 1. Het primaire doel van het project is de realisatie van maximaal 175 hectare aan zonnepanelen. Daarbij wordt het plangebied zo maximaal mogelijk benut, gelet op het beleid en de ambities op het gebied van duurzame energie van de gemeente Groningen, de provincie Groningen en Nederland als geheel. 2. Het bouwen en in gebruik nemen van een nieuw HS-station in het belang van transport van elektriciteit, en meer specifiek van het zonnepark en andere duurzaam opgewekte energie in de regio. 3. Het realiseren van een gebied met een verbetering ten opzichte van de huidige situatie op de onderdelen natuur, waterberging en recreatie. Dit kan bijvoorbeeld door een optimale opstelling van het zonnepark ten gunste van planten en bodemleven, investering in de directe randen van het zonnepark en het uitbreiden van lokaal netwerk van wandel- en fietspaden. Het project dient zodanig te worden uitgevoerd dat deze meerwaarde ook na het verwijderen van de zonnepanelen behouden kan blijven.

3.1.2

Methode locatieonderbouwing In het kader van het huidige hoofdstuk zal worden gekeken of er gebieden zijn in de gemeente Groningen welke al deze functies kunnen vervullen, dus met ongeveer dezelfde omvang als het beoogde plangebied Meerstad-Noord. Daarnaast moeten deze locaties passen binnen het gemeentelijke beleid voor grootschalige zonneparken. Ten slotte worden de overgebleven locaties kort vergeleken op basis van ontsluiting van andere duurzame energieprojecten in de gemeente via het HS-station en de aansluitmogelijkheden van het station op het bestaande hoogspanningsnetwerk van Tennet.

3.2 Analyse Het zonnepark beslaat uit circa 125 tot 175 hectare aan zonnepanelen. De afmetingen van het HS-station zijn circa 150 x 250 meter. Voor de analyse gaan we er van uit dat het zonnepark één aaneengesloten oppervlak beslaat binnen het plangebied en dat het HS-station zich binnen de grenzen van het zonnepark bevindt. Projecten met woningen in dit deel van het plangebied zouden zodanig zwaarwegend negatief scoren ten opzichte van Meerstad-Noord (wegens met name geluid en het zicht van door het zonnepark omringde woningen) dat deze bij voorbaat worden uitgesloten.

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 20

Figuur 3.1 Overzicht van alle buiten de stad gelegen woningen in de gemeente Groningen, aangegeven is een afstand van 50 meter tot de woningen.

Bron: BAG

3.2.1

Beleid gemeente Groningen De onderbouwing van het plangebied, en daarmee de locatie voor het voornemen, gebeurt met name op basis van bestaande beleidsstukken en bestendig beleid, waaronder de provinciale Omgevingsvisie (2018), het gemeentelijke Beleidskader Zonne-energie fase 1 (2019) en het Beleidskader zonneparken (2021). De wenselijkheid van potentiële locaties worden afgewogen op grond van de zogenaamde ‘zonneladder’ waarbij de wenselijkheid afneemt met de toenemende treden. voorkeurslocaties (treden 0 en 1), beperkte mogelijkheden in het buitengebied (trede 2) en locaties waar zonneparken ongewenst of uitgesloten zijn (treden 3 en 4). - Trede 0 = voorkeurslocaties: zonnepanelen op zoveel mogelijk geschikte daken en parkeerterreinen - Trede 1 = beperkte mogelijkheden in het buitengebied: lokale zonneparken met slim dubbelgebruik of tijdelijk in pauzelandschappen - Trede 2: alleen voor kleine lokale zonneparken, grote parken slechts beperkt mogelijk in het buitengebied - Trede 3: kwetsbaar gebied: hier zijn zonneparken ongewenst - Trede 4: beschermd gebied: hier zijn zonneparken uitgesloten in beschermde stads- en dorpsgezichten, natura2000 en NNN - gebieden, overige bos- en natuurgebieden, weidevogelgebied, open ruimte Haren-Groningen, escomplexen, wierdengebied, wierden en beekdalen en zones rondom bestaande zonneparken.

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 21

De gehele huidige opgave voor zonne-energie van de gemeente past ruimschoots binnen treden 0, 1 en 2. Treden 3 en 4 worden daarom bij voorbaat uitgesloten in de huidige locatiestudie. De resulterende gebieden per trede van de zonneladder staan weergegeven op de kaart in Figuur 3.2. Op basis van de doelstellingen zoeken wij ‘witte’ gebieden met van ongeveer dezelfde omvang als het plangebied Meerstad Noord. In de figuur zijn, naast Meerstad Noord, twee alternatieve plangebieden gemarkeerd die hieraan kunnen voldoen. Daarbij dient te worden aangetekend dat het gebied Meerstad Noord reeds door de gemeente is aangewezen als zoekgebied voor grootschalige zonprojecten, en dat het gebied als enige van de drie voldoet aan de voorwaarde dat het een pauzelandschap betreft. Daarvoor geldt dat op langere termijn hier reeds andere ontwikkelingen zijn voorzien (woningontwikkeling) en dat het tijdelijk gebruik als zonnepark daarom enkel tijdelijk beslag legt op ruimte met een andere bestemming.

Figuur 3.2 Potentiële (wit) en uitgesloten (groen) gebieden voor zonne-energie op basis van beleid in de gemeente Groningen, het beoogde plangebied en twee alternatieve potentiële gebieden groot genoeg voor een project van gelijke omvang.

Alternatief 1

Plangebied Meerstad-Noord

Alternatief 2

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 22

3.2.2

Milieueffecten Veel milieueffecten zijn beperkt en daarom niet of nauwelijks onderscheidend voor de gebiedskeuze. Magnetische velden Op basis van nationaal beleid en vergelijkbare stations kan een worstcase afstand van 65 meter tussen de grenzen van het station en woningen worden aangehouden. Alle drie locaties kunnen hier met een juist ontworpen indeling (HS-station midden in het zonnepark) ruim aan voldoen. Magnetische velden zijn daarom niet locatie-onderscheidend. Geluid Het open gebied tussen de omliggende woningen is in alle drie de gebieden vergelijkbaar. Met een juist ontwerp is het daarom voor elk gebied mogelijk de afstanden naar de omliggende woningen en daarmee de akoestische effecten vergelijkbaar te houden. Binnen de afstand van de 35 dB-contour bevinden zich bij geen van de drie locaties woonkernen of andere concentraties van woningen. Geluid wordt daarom voor de locatiekeuze niet onderscheidend geacht. Landschap Bijzondere landschappen zijn als ongewenst reeds uitgesloten op grond van trede 3 van de

-

-

-

-

3.2.3

zonneladder. Voor de overgebleven gebieden waarbinnen de drie potentiële planlocaties vallen wordt daarom het onderdeel landschap niet onderscheidend geacht. Natuur de drie potentiële plangebieden liggen op grond van de zonneladder niet in gebieden met een natuurwaarde (Natura 2000, NNN, weidevogelgebieden, overige bos- en natuurgebieden). Het lokale gebruik is in alle drie de gevallen agrarisch, de afstand naar de dichtbijgelegen Natura 2000-gebieden is ruim en vergelijkbaar. Alleen op grond van gedetailleerd soortenonderzoek kunnen mogelijk op Locaties 1 en 2 nog meer of minder beschermde soorten aangetroffen worden dan op het al onderzochte plangebied Meerstad Noord, maar omdat het soortenonderzoek heeft uitgewezen dat dit voor Meerstad Noord geen belemmering betreft wordt het onderdeel natuur als niet onderscheidend aangenomen. Veiligheid Veiligheidseffecten op woningen spelen bij geen van de locaties een rol gezien de maximale effectafstand (ca 65 meter) en de afstanden die kunnen worden aangehouden tot de woningen. Ruimtegebruik Alle drie gebieden betreffen agrarische bestemmingen. Gebied Meerstad Noord betreft als enig gebied een pauzelandschap en is daarmee in de toekomst al beoogd voor een wijziging van de bestemming. Het ruimtebeslag van het zonnepark is daarom tijdelijk.

Bodem en Water Er is bij geen van de drie locaties geen sprake van een beschermd watergebied of sterk vervuilde grond. Het effect op water en bodem van het voornemen zal in elk gebied niet onderscheidend verschillen

Electrische ontsluiting HS-station Het HS-station zal aangesloten dienen te worden op het hoogspanningsnetwerk van Tennet. Locatie alternatief 2 en gebied Meerstad-Noord zijn beide op korte afstand van een bestaande 110 kV hoogspanningsleidingen gelegen. Alternatieve locatie 1 scoort voor de aansluiting slechter, de (maatschappelijk te dragen) aansluitkosten zullen hier vele malen hoger liggen. Daarnaast wil netbeheerder Enexis graag aan de oostzijde van Groningen een HS-station om de HS stations in de stad Groningen te kunnen ontlasten. Deze stations worden op dit moment onbedoeld gebruikt door groene

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 23

energieprojecten, die zich voornamelijk bevinden ten oosten van de stad. Locatie alternatief 2 en Meerstad Noord zijn hiervoor beter geschikt.

3.2.4

Overzicht scores en conclusie Op grond van de gemeentelijke zonneladder en de benodigde ruimte zijn er naast het plangebied Meerstad Noord twee andere potentiële planlocaties aan te wijzen. De milieueffecten van het project zijn beperkt en de afstand naar omliggende woningen op alle drie locaties vergelijkbaar. Daarom worden de milieueffecten niet onderscheidend geacht voor de locatiekeuze. Wel ligt Meerstand Noord als enige locatie in een ‘pauzelandschap’, omdat het gebied al is beoogd voor een wijziging van bestemming. Meerstad Noord en alternatieve locatie 1 scoren beide beter op de elektrische ontsluitingsmogelijkheden. Er is geen overwegend nadeel voor het plangebied Meerstad Noord noch een overwegend voordeel van andere potentiële gebieden in de gemeente Groningen welke tot een andere gebiedskeuze hadden dienen te leiden. Tabel 3.1 Relatieve onderlinge scores voor de drie potentiële projectlocaties Onderdeel

Meerstad-Noord

Alternatief 1

Alternatief 2

Voldoende ruim gebied, passend binnen gemeentelijk beleid (zonneladder, treden 3 en 4 uitsluiten) en met afstand tot omliggende woningen.

+

+

+

Ligging in ‘Pauzelandschap’ -> ruimtebeslag is tijdelijk

+

-

-

Milieu

0

0

0

Aansluiting HS-net Tennet

+

-

+

Ontlasten HS-stations stad Groningen Enexis

+

+

0

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 24

4

Inrichtingsalternatieven en wijze van beoordelen In het MER worden de milieueffecten op de omgeving van het plangebied door de verschillende inrichtingsalternatieven in beeld gebracht. Andere effecten, zoals economische effecten betreffende het zonnepark zelf, worden niet beschouwd in het MER, maar kunnen wel in besluitvorming over het voorkeursalternatief een rol spelen. In de navolgende hoofdstukken worden per deelaspect de milieueffecten van de alternatieven, zowel positief als negatief, beschreven en beoordeeld. Per deelaspect wordt ook het relevante beleidskader beschreven als ook de wettelijke vereisten.

4.1 Voornemen 4.1.1

Plangebied en studiegebied

Het plangebied is het gebied waarbinnen de te onderzoeken ontwikkeling is voorzien. Het plangebied is gelegen in de polder Lageland, ten oosten van de stad Groningen in de gemeente Groningen (zie Figuur 4.1). Figuur 4.1 Plangebied binnen de gemeente Groningen

Bron: google maps, bewerking

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 25

Figuur 4.2 Plangebied, globale indeling, bestaande objecten en autonome ontwikkelingen

Het studiegebied is het gebied waar effecten, als gevolg van de voorgenomen activiteit, (kunnen) optreden. De omvang van het studiegebied verschilt per milieuaspect. Zo ligt bijvoorbeeld het studiegebied voor de beoordeling van de mogelijke geluidhinder zowel binnen als buiten het plangebied.

4.1.2

Geplande inrichting van het plangebied

Zonnepark en HS-station Tot het project behoren diverse installaties en bijbehorende infrastructuur, zoals : 

zonnepanelen inclusief omvormers;

hoogspanningsstation (HS-station) met daarop onder andere transformatoren, schakelgebouwen en (voor zover binnen het terrein van het HS-station gelegen) diverse bovengrondse hoog- en middenspanningsleidingen met bijbehorende installaties;

toegangsweg tot het plangebied, en met name het zonnepark en het HS-station;

ondergrondse bekabeling van het zonnepark naar het HS-station.

Natuur Daarnaast bestaat een belangrijk deel van het project uit de herinrichting van het plangebied met grotere aandacht voor het verhogen van de natuurwaarden. Dit gebeurt met name in dat deel van het plangebied rondom de bovengenoemde installaties (de ‘groene strook’) en het herinrichten van het stromingsgebied van de Fivel van noord naar zuid tussen de zonnepanelen. Verhogen van natuurwaarden kan ook waar mogelijk plaatsvinden op de gronden tussen en onder de zonnepanelen zelf. De herinrichting bestaat deels uit het extensiveren van landbouw en veeteelt in het projectgebied met meer nadruk op de natuur, en deels uit het veranderen van het grondgebruik náár natuur.

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 26

Veenoxidatie Het plangebied valt binnen één van de door de provincie Groningen en de waterschappen Hunze en Aa’s en Noorderzijlvest aangewezen ‘kansrijke gebieden’ waar versneld maatregelen genomen kunnen worden om het veen te behouden door het laten stijgen van het grondwaterniveau. Dit reduceert de CO2-uitstoot en maaivelddaling door veenoxidatie. In dit MER wordt veenoxidatie kwalitatief beschouwd. In hoofdstuk 14 worden mogelijke voordelige en nadelige effecten van het op deze wijze tegengaan van de uitstoot van broeikasgassen uiteengezet.

4.2 Alternatieven In een milieueffectrapport wordt het onderzoek naar de milieugevolgen van een voorgenomen activiteit gerapporteerd. Dat onderzoek gebeurt aan de hand van alternatieven en eventuele varianten voor de inrichting van het plangebied. Alternatieven zijn de mogelijke locaties voor het voornemen en varianten manieren waarop de voorgenomen activiteit kan worden gerealiseerd op een gekozen locatie. Bepalend voor de milieueffecten van het zonnepark met bijbehorend HS-station zijn: 

de locatie van het plangebied binnen de gemeente (zie hoofdstuk 3);

de omvang en begrenzing van het plangebied en onderzoeksgebied;

de invulling van het voornemen binnen het plangebied (zie paragraaf 4.1.1).

4.2.1

Ontwikkeling alternatieven binnen het plangebied

De eerste stap in de m.e.r. het bepalen van mogelijke inrichtingsalternatieven (alternatieven). Voor het MER worden alternatieven ontwikkeld om de mogelijkheden van de inrichting van het plangebied te verkennen. Deze alternatieven moeten uitvoerbaar zijn. De ruimte voor de te ontwikkelen alternatieven in het plangebied wordt grotendeels bepaald door de beperkingen vanuit geluid, externe veiligheid en lokaal aanwezige ecologische waarden. Bij de ontwikkeling van alternatieven wordt ook rekening gehouden met aanwezige functies in het gebied, zoals bijvoorbeeld bebouwing en aanwezige (water)wegen.

Om te komen tot (onderscheidende) alternatieven in dit MER is gevarieerd met de navolgend genoemde ontwerpvariabelen: 

De positionering van het HS-station binnen of mogelijk op relatief korte afstand buiten het plangebied. Hier worden vijf mogelijke locaties beschouwd: noord, zuid, oost, west en midden (zie Figuur 4.2).

De ligging en totale oppervlakte van de zonnepanelen en de groene buffer rondom binnen het plangebied. Uitgangspunt (gemiddelde variant) is de ligging en omvang van het zonnepark conform de vastgestelde gebiedsvisie. Dit betreft circa 150 ha aan zonnepanelen. De doelstelling van de gemeente Groningen is de realisatie van 125-175 Ha zonnepanelen binnen het plangebied. Dit komt ongeveer overeen met het verwijderen of toevoegen van een strook van circa 30 meter rond de gehele buitenste omtrek van het zonnepark (minimale en maximale varianten). Met de ligging centraal in het gebied, zoals vastgesteld in de Gebiedsvisie, wordt niet gevarieerd. Deze ligt voor de hand wegens de landschappelijke structuren (watergangen) en de wens om de zonnepanelen op zo groot mogelijke afstand van de woningen in het plangebied te houden welke rondom zijn gelegen. Zie Figuur 4.3.

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 27

De oriëntatie van de zonnepanelen. Het betreft twee mogelijke varianten: een zuidelijke of oostwestelijke oriëntatie;

De hoogte van de zonnepanelen;

De onderlinge afstand tussen de rijen zonnepanelen, hierbij worden drie varianten beschouwd.

Figuur 4.3 Locatie zonnepark en gemiddelde (lichtpaars, 159 Ha cf. Gebiedsvisie), minimale (125 Ha = gemiddeld min een strook van 30 meter rondom) en maximale (175 Ha = gemiddeld plus strook 30 meter rondom) variant.

4.3 Referentiesituatie en autonome ontwikkelingen De referentiesituatie is de huidige situatie met de autonome ontwikkeling.8 Dit is de situatie zoals het plangebied zicht ontwikkelt, inclusief ontwikkelingen waarover een besluit is genomen, maar zonder realisatie van het zonnepark en het HS-station. De referentiesituatie dient als referentiekader voor de effectbeschrijving. Eventuele specifieke functies of kenmerken van het plangebied zijn, zo nodig, in de betreffende themahoofdstukken verder toegelicht. Hierna volgt een beschrijving van de huidige situatie op hoofdlijnen

4.3.1

Huidige situatie

In Figuur 4.2 is een overzicht gegeven van de planlocatie. Het plangebied ligt bijna geheel in de gemeente Groningen en voor een beperkt deel in de gemeente Midden Groningen. Het deel in Midden-Groningen is bij het plangebied getrokken ten behoeve van het betrekken van de daar gelegen woningen bij de procedure. In dit deel van het plangebied zullen geen ontwikkelingen plaatsvinden. 8

Autonome ontwikkelingen zijn op zichzelf staande ontwikkelingen die onafhankelijk van het voornemen plaatsvinden en waarover al een besluit is genomen (bijvoorbeeld bestemmingsplan vastgesteld of vergunning verleend).

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 28

Polder Lageland heeft een zeer open landschap en grotendeels een agrarisch gebruik. Zo’n 60% van de agrarische gronden is in gebruik als weide- of hooiland en 40% is in gebruik als akkerland (suikerbiet, mais, aardappelen). Midden in het gebied ligt een gaswinlocatie van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) met daarnaast een gasdoorvoerstation van de Gasunie, omgeven door bomen. Ondergronds lopen er diverse gasleidingen van en naar het gasdoorvoerstation. Ten noordwesten van het plangebied ligt het Eemskanaal. Langs het Eemskanaal bevindt zich binnen het plangebied een provinciaal slibdepot dat inmiddels volledig begroeid is. Opgaande beplanting is verder te vinden op en rond de boerenerven en langs wegen in het gebied. Direct ten noorden van het plangebied en het Eemskanaal bevindt zich een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI). Binnen en langs de grens van het plangebied liggen tientallen woningen.

4.3.2

Autonome ontwikkelingen

NAM/Gasunie-locatie De huidige NAM-locatie in het plangebied gaat sluiten in het kader van de afbouw van het gebruik van de Nederlandse gasvoorraden. Het naastgelegen doorvoerstation van de Gasunie blijft bestaan. Bij het vertrek van de NAM kan de locatie mogelijk worden benut voor landbouw, zonne-energie en/of stroombuffering zoals bijvoorbeeld zoutbatterijen in zeecontainers. De bestaande buisleidingen kunnen mogelijk een tweede leven krijgen door ze te gebruiken als transport voor bijvoorbeeld buitenlands gas, biogas of andere toepassingen. Het is ook mogelijk dat een of meerdere buizen worden weggehaald.

Hyperloop Stichting European Hyperloop Center (EHC) ontwikkelt een testcentrum voor het vervoersconcept van de hyperloop in het gebied Meerstad-Noord in de gemeente Groningen, zie Figuur 4.2 voor de beoogde ligging in het plangebied. Het vervoersconcept betreft een innovatieve transportmethode waarbij een transportvoertuig in een transportbuis onder lage druk (circa 0,01 atmosfeer) zich zwevend op hoge snelheid verplaatst. Het testcentrum heeft tot doel het concept te demonstreren en verder te ontwikkelen, als vervolg op succesvolle kleinschalige testopstellingen. Het testcentrum bestaat uit een bovengrondse testbaan met een lengte van maximaal 2700 meter. In het testcentrum is personeel aanwezig voor het uitvoeren en monitoren van de testen. Het gebouw fungeert eveneens als ‘learning center’. Het testcentrum bestaat naar verwachting uit een maximaal totale oppervlakte van 14.500 vierkante meter waarbinnen maximaal 4.750 vierkante meter zal worden bebouwd. Voor het initiatief is een MER-beoordeling opgesteld, deze is door de raad op 28 april 2021 vastgesteld. De hyperloop valt voor dit MER in de referentiesituatie. De ontwikkeling van de hyperloop heeft met name effect op de beoordeling van de veiligheid en de cumulatieve effecten van het geluid en het visuele/landschappelijke effect.

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 29

Masterplan Meerstad 2005 Ten zuiden van het plangebied wordt woningbouw ontwikkeld. Bureau Meerstad werkt op dit moment aan de actualisering van het Masterplan 2005. De uitgangspunten van het Masterplan veranderen niet. Ten zuiden van het plangebied wordt ingezet op waterberging/groenontwikkeling en de ontwikkeling van ongeveer 6.000 woningen. Het college heeft de wens vastgesteld om de woningbouwplannen te concretiseren, dit gelet op de huidige krapte op de woningmarkt. Het Masterplan maakt het niet onmogelijk dat ook verspreid langs het Slochterdiep in het plangebied en in de westelijke punt tussen de wegen Eemskanaal zz en de Zuiderweg woningbouw wordt ontwikkeld. De woningbouwontwikkeling heeft met name invloed op de beoordeling van de veiligheid/gezondheid en de geluideffecten die het HS-station en het zonnepark mogelijk heeft op de woningen.

4.4 Cumulatie De effecten op de omgeving van de in paragrafen 4.1 en 4.2 beschreven alternatieven worden, waar van toepassing, ook in samenhang beoordeeld met de effecten van de referentiesituatie inclusief autonome ontwikkelingen zoals genoemd in paragraaf 4.3.

4.5 Vereenvoudiging alternatieven voor de effectbeoordeling In paragraaf 4.2 zijn alle te variëren ontwerpuitgangspunten beschreven welke samen een alternatief definiëren. Het betreffen samengevat 5 mogelijke locaties van het HS-station, 3 verschillende oppervlakten van het zonnepark, 3 verschillende afstanden tussen de rijen zonnepanelen, 2 verschillende oriëntatierichtingen van de rijen zonnepanelen en 2 a 3 verschillende hoogtes van de zonnepanelen. Deze ontwerpvariabelen zijn onafhankelijk van elkaar in te stellen, hetgeen zou leiden tot minimaal 5x3x3x2x2 = 180 (!) verschillende alternatieven van welke de effecten met elkaar zouden dienen te worden vergeleken. Om de beoordeling van de alternatieven en het effect van de keuzes van de ontwerpvariabelen overzichtelijk te houden, is er voor gekozen om variaties die geen effect hebben of effecten welke zodanig klein zijn dat ze niet onderscheidend zijn (niet leiden tot een ander alternatief of variant/ontwerpkeuze) niet te beschouwen. Dit wordt inzichtelijk gemaakt in Tabel 4.1 en de afwegingen daaronder. Enkel de grijs gekleurde cellen in deze tabel zijn relaties tussen ontwerpvariabelen / varianten en bijbehorende milieueffecten welke in het MER zullen worden beschouwd.

De positie van het HS-station en het ontwerp van het zonnepark hebben nagenoeg geen onderling verband en zullen daarom telkens onafhankelijk van elkaar worden beoordeeld. De mogelijke reductie veenoxidatie door het verhogen van het waterpeil wordt beschreven in hoofdstuk 14.

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 30

Tabel 4.1 Niet-onderscheidende varianten/ontwerpvariabelen per milieueffect. Enkel de grijs gekleurde cellen zullen worden beschouwd in navolgende hoofdstukken. Positie HS-station 5 varianten

Ontwerp Zonnepark, max 54 varianten

Effecten

Oppervlakte N

Z

W

O

Afstand panelen

M Max

Gem

Min

0,5m

3,4 m

6m

Magnetische velden

Zie afweging 1

Geluid

Zie afweging 2

Natuur

Zie afweging 3

Oriëntatie OW

Zie afw. 4

Cultuurhist./archeologie

Zie afweging 5

Landschap

Zie afweging 6

Water / bodem

Zie afweging 7

Veiligheid

Zie afweging 8

Ruimtegebruik

Zie afweging 9

Duurzame energieprod.

Z

Zie afweging 10

Afwegingen: 1. Magnetische velden zijn alleen relevant voor de transformatoren en hoogspanningsverbindingen op en rond het HS-station. 2. De spanningsomvormers van de zonnepanelen maken weliswaar geluid, maar ten opzichte van het geluid van de transformatoren in het HS-station is de bijdrage relatief gering. Daarmee zijn kleine variaties in het geluid door het ontwerp van het zonnepark ten opzichte van de locatie van het HSstation niet onderscheidend. 3. Het effect van de locatie van het HS-station op de natuur is niet onderscheidend voor de drie locaties binnen het plangebied omdat het HS-station enkel in de plaats komt van zonnepanelen. De twee locaties buiten het plangebied liggen niet op locaties met hoge natuurwaarden. 4. De oriëntatie van de zonnepanelen (hier ongerelateerd gezien van de onderlinge afstand tussen de rijen) heeft geen effect op de natuurwaarden onder of rondom de panelen. 5. Enkel de ligging en oppervlakte het totale gebied waar zonnepanelen en HS-station worden gerealiseerd kunnen mogelijk effect hebben op archeologische en cultuurhistorische waarden. 6. De variatie in hoogte, oriëntatie en onderlinge afstand van de zonnepanelen zijn gezien de afstand naar de woningen en andere waarnemers voor het onderwerp landschap niet onderscheidend (zie hoofdstuk 5). 7. De locatie van het HS-station is voor het onderwerp water en bodem niet onderscheidend. 8.

Enkel de locatie van het HS-station met zijn hoogspanningscomponenten waaronder transformatoren heeft een veiligheidseffect met betrekking tot (gas)buisleidingen en het gastransportverdeelstation van de Gasunie. 9. Enkel de twee locaties van het HS-station buiten het plangebied (noord en zuid) leiden tot een klein extra effect op het totale ruimtegebruik van het voornemen. Het totale ruimtegebruik bij variaties binnen het plangebied blijft steeds gelijk en wordt niet beschouwd. 10. De locatie van het HS-station en de hoogte van de zonnepanelen hebben geen effect op de totale duurzame energieopbrengst.

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 31

Hoogte

Figuur 4.4: Twee voorbeeld opstellingen zonnepanelen: zuidelijke oriëntatie (boven) en oost-westelijke oriëntatie (onder)

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 32

Figuur 4.5 Voorbeeld HS-station

4.6 Selectie voorkeursalternatief Op basis van de afweging van de milieueffecten (zoals die op natuur, landschap en hinder) van de in paragraaf 4.2 beschreven alternatieven, gecombineerd met andere overwegingen zoals bijvoorbeeld provinciaal en gemeentelijk beleid, duurzame energieopbrengst en bedrijfseconomische overwegingen (kosten, maar ook technische haalbaarheid en toekomstvastheid), wordt een voorkeursalternatief (VKA) opgesteld voor de vaststelling van het ‘ruimtelijke plan’. Het VKA kan één van de in het MER onderzochte alternatieven zijn, een combinatie daarvan of een aanpassing van één van de alternatieven. De voorkeursvariant kan worden vastgelegd door het definiëren van de een set van uitgangspunten, met name: 1. de onderlinge afstand tussen de zonnepanelen; 2. de locatie van het HS-station in het plangebied; 3. de oriëntatie van de zonnepanelen; 4. de locatie en het totale oppervlakte aan zonnepanelen; 5. de hoogte van de zonnepanelen. Over de keuze van een VKA voeren de gemeente Groningen en TenneT/Enexis overleg om reacties te kunnen betrekken bij de keuze. Uiteindelijk besluit de gemeenteraad van de gemeente Groningen over de daadwerkelijke inpassing van het VKA. Het VKA vormt de basis voor het ‘ruimtelijke plan’ en de op basis daarvan aan te vragen vergunningen en eventuele benodigde overige toestemmingen.

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 33

4.7 Beoordelingskader voor de effectbeoordeling 4.7.1

Inleiding

De omvang van het studiegebied – het gebied waarbinnen zich mogelijke effecten kunnen voordoen – verschilt per milieuaspect. In het algemeen is het studiegebied (aanzienlijk) groter dan het plangebied: het gebied waarbinnen zich de voorgenomen activiteit afspeelt. De te verwachten effecten worden beschreven en beoordeeld. Het nul alternatief (de referentiesituatie met autonome ontwikkelingen) fungeert als referentie voor de beoordeling van de effecten. De effectbeschrijving wordt waar mogelijk en zinvol met cijfers onderbouwd. Indien het niet mogelijk is om de effecten te kwantificeren, zal de beschrijving kwalitatief zijn. Naast blijvende effecten wordt waar van toepassing ook aandacht besteed aan tijdelijke en/of omkeerbare gevolgen. Dit betreft met name de bouw van het zonnepark en het HS-station (zoals effect van verstoring tijdens de bouw van ecologie) en alle bijbehorende mogelijke voorzieningen, zoals aanpassing van bestaande wegen, aanleg van nieuwe ontsluitingswegen ten behoeve van het zonnepark, aanvoer van bouwmaterialen de installatie van de zonnepanelen, de transformatoren en de kabels. Ook wordt, waar zinvol, aangegeven of cumulatie met andere plannen en/of projecten kan optreden.

4.7.2

Beoordelingskader

De effecten zijn per milieuaspect beschreven aan de hand van beoordelingscriteria. Soms is dit een harde parameterwaarde die door de overheid is aangewezen als een norm (getal). Echter, vaak zijn de geëigende parameters niet zo duidelijk omschreven. Het beoordelingskader is op basis van regelgeving en beleid ontwikkelt. In Tabel 4.2 is per milieuaspect aangegeven welke criteria worden gebruikt en de wijze waarop de effecten worden beschreven en beoordeeld (kwantitatief en/of kwalitatief). Dit is in hoofdstukken 5 tot en met 14 per milieuaspect toegelicht. Tabel 4.2 Beoordelingscriteria per milieuaspect Aspecten Magnetische velden

Geluid

Beoordelingscriteria -

Afstand woningen tot transformatoren in relatie tot de ligging van de 0,4 Microtesla-contour

Kwantitatief

-

Aantal geluidgevoelige objecten (zoals woningen) waarbij de Letmaal, 35, 40, 45 en 50 dB wordt overschreden Aantal gehinderden Cumulatieve geluidbelasting andere bronnen Laagfrequent geluid

Kwantitatief

Effect op beschermde gebieden, waaronder stikstofdepositie Effect op beschermde soorten Potentie toevoegen natuurwaarden binnen de grenzen van het plangebied Effect op natuurwaarden buiten de grenzen van het plangebied

Kwalitatief en kwantitatief (soorten en stikstof)

-

Natuur

Effectbeoordeling

-

Cultuurhistorie en archeologie

-

Aantasting cultuurhistorische waarden Aantasting archeologische waarden

Kwalitatief

Landschap

-

Invloed op landschappelijke structuren

Kwalitatief

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 34

Aspecten

Waterhuishouding en bodem

Beoordelingscriteria

Effectbeoordeling

-

Herkenbaarheid opstellingsprincipe zonnepanelen Invloed op openheid van het landschap Zichtbaarheid van de gebouwen en bouwwerken Lichtschittering

-

Grondwaterwater (inclusief bemaling) Oppervlaktewater (lozingen, dempingen) Bodemverontreinigingen bestaand Bodembedreigende activiteiten Bodemleven / inklinken bodem

Kwalitatief

-

Kwalitatief

Veiligheid

-

Invloed zonnepark, HS-station en -kabels op buisleidingen gevaarlijke stoffen Idem op NAM/Gasunie stations Gevoelige objecten (woningen etc.) Lichtschittering verkeersveiligheid

Ruimtegebruik

-

Verlies huidige functies

Kwalitatief

Duurzame energieopbrengst en vermeden emissies

-

Elektriciteitsproductie Emissiereductie CO2, SO2, NOx, PM10 (fijnstof)

Kwantitatief, resp. in MWh, en Kton

Reductie veenoxidatie door regelen waterpeil

-

Wordt beschreven

Kwalitatief

4.7.3

Schaal voor beoordeling

Om de effecten van de alternatieven per aspect te kunnen vergelijken, worden deze op basis van een + / score beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. Hiervoor wordt de volgende beoordelingsschaal gehanteerd. Tabel 4.3 Beoordelingsschaal Score

Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie (nulalternatief)

--

Het voornemen leidt tot een sterk merkbare negatieve verandering

-

Het voornemen leidt tot een merkbare negatieve verandering

0

Het voornemen onderscheidt zich niet van de referentiesituatie (nulalternatief)

+

Het voornemen leidt tot een merkbare positieve verandering

++

Het voornemen leidt tot een sterk merkbare verbetering van het milieu

Indien de effecten marginaal zijn, wordt dit in de voorkomende gevallen aangeduid met 0/+ (marginaal positief) of 0/- (marginaal negatief).

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 35

5

Landschap

5.1 Methodiek van landschappelijke effectbeoordeling Landschap heeft betrekking op de onderlinge samenhang tussen de elementen in een bepaald gebied en op de samenhang tussen een gebied en het gebruik daarvan. Landschap heeft ook te maken met de afleesbaarheid van die samenhang (het beeld). Landschap bestaat bij de gratie van waarneming en beleving door mensen én bij de gratie van verandering door de tijd heen (dagen, seizoenen, jaren). Landschap is geen statisch begrip. De effectbeoordeling voor landschap vindt plaats aan de hand van een methodiek waarbij de waarnemer centraal wordt gesteld en waarbij standpunten, schaalniveaus en beoordelingscriteria worden gehanteerd.

5.2 Beleid en beoordelingskader 5.2.1

Beleid landschap

Nationaal Beleid De Nationale Omgevingsvisie (zie paragraaf 2.3.5) behandelt onder meer het inpassen van verschillende vormen van energieproductie zoals wind- en zonne-energie in het landschap. De uitgangspunten die bij het uitwerken van de vier prioriteiten gehanteerd worden zijn: 

Het maken van slimme combinaties waar mogelijk (meervoudig grondgebruik);

Het centraal stellen van (bestaande) gebiedskenmerken; en

Het niet afwentelen van ruimtelijke opgaven naar andere plekken of naar latere momenten.

Provinciaal beleid De provincie Groningen is op dit moment bezig met het stapsgewijs ontwikkelen van haar nieuwe versie van de Omgevingsvisie. Een van de stappen die inmiddels zijn gezet is het opstellen van een zogenoemd Koersdocument9. Daarin worden onder andere de huidige kwaliteit van de leefomgeving, het huidige beleid en beleidsdoelstellingen en de ambities en doelen voor de lange termijn op hoofdlijnen weergegeven. Landschap dient leidend te zijn bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied. Onder de noemer ‘ontwikkelen met kwaliteit’ wordt gestuurd op het zorgvuldig (landschappelijk) ontwerpen en inpassen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied. Het plangebied voor MeerstadNoord ligt in het Centrale Woldgebied en het Duurswoldgebied (Lageland). In de provinciale Kwaliteitsgids10 staan de regionale kernkarakteristieken van deze gebieden beschreven. Dit zijn onder meer de markante ontwikkelingslijnen, de wegdorpen en de afwisseling tussen grootschalige openheid en kleinschalige bebouwing, met harde overgangen die leiden tot duidelijke dorpssilhouetten. Het (provinciale) beleid is er op gericht deze karakteristieken te respecteren en als inspiratiebron te benutten voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. In het gebied liggen kansen voor een verbrede en andere landbouw, hernieuwd landschap en natuur aldus de provincie.

Er liggen daarnaast kansen voor zonneenergie in combinatie met het overstappen naar een ander waterbeheer, teneinde veenoxidatie terug te dringen.

9

Koersdocument Omgevingsvisie, d.d. 5 juli 2022 Kwaliteitsgids provincie Groningen, 2021

10

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 36

Gemeentelijk beleid In de gemeentelijk omgevingsvisie11 is de gehele Oostflank van de stad, waaronder het plangebied voor Meerstad-Noord, aangewezen als ‘energielandschap’. Omdat de voorgenomen ontwikkelingen in het kader van Meerstad-Noord tot een complete transitie leiden van het betreffende gebied is een aparte visie12 ontwikkeld voor de ontwikkeling. De gebiedsvisie Meerstad-Noord bevat een totaalontwerp voor het gehele gebied van Meerstad-Noord.

Figuur 5.1 Kaart Omgevingsvisie

Bron: gemeente Groningen

5.2.2

Waarnemingsstandpunten voor effectbeoordeling

De gekozen standpunten zijn die punten waarvandaan meer waarnemingen plaatsvinden (plekken waar (veel) mensen wonen of verblijven, dan wel plekken waar veel mensen langs komen (wegen en routes)) relevanter zijn, dan plekken waarvandaan minder waarnemingen plaatsvinden. Ook via belangrijke doorzichten en zichtlijnen waarneembare effecten, worden vanaf deze standpunten zo goed mogelijk beschreven. Bij de effectbeoordeling voor landschap is gebruik gemaakt van de standpunten en visualisaties die via het virtuele bezoekerscentrum (zie de link: https://meerstadnoord.theimagineers.com/tour) zijn te raadplegen.

11 12

Omgevingsvisie “Levende ruimte’, december 2021 Gebiedsvisie Meerstad-Noord, d.d. 18 maart 2021

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 37

Figuur 5.2 Standpunten landschappelijke beoordeling

Bron: Meerstad-Noord (theimagineers.com)

De standpunten zijn representatief voor een groot deel van de standpunten waarvandaan het initiatief waarneembaar zal zijn. Bij de effectbeoordeling zijn naast de visualisaties die vanaf deze standpunten zijn gemaakt ook andere bronnen geraadpleegd, zoals Google StreetView, PDOK en Topotijdreis.

5.2.3

Schaalniveaus

De effectbeoordeling voor landschap vindt plaats op meerdere schaalniveaus. Dit gebeurt omdat het effect op landschap op verschillende afstanden verschillend kan zijn. Zo kan bijvoorbeeld een initiatief op een hoger schaalniveau een positief effect sorteren en op een lager schaalniveau een negatief effect. De begrenzing van deze schaalniveaus hangt nauw samen met de waarnemer en de afstanden waarop deze bepaalde zaken nog wel of nauwelijks meer kan waarnemen. De begrenzing hangt ook samen met de (aard van de) locatie en met duidelijk af te bakenen landschappelijke eenheden. Voor deze effectbeoordeling zijn de volgende schaalniveaus aangehouden: • Het plangebied en zijn directe omgeving (circa 2,0 tot 0,0 km afstand tot het plangebied); • Het plangebied zelf (binnen het plangebied).

5.2.4

Beoordelingscriteria

Bij deze effectbeoordeling worden twee componenten van het initiatief beoordeeld: het zonnepark (in drie oppervlaktevarianten) en het hoogspanningsstation (op drie locaties binnen het plangebied: West, Midden en Oost en op twee locaties daarbuiten: Noord en Zuid). Met betrekking tot het zonnepark wordt ook kort ingegaan op het landschappelijk effect van variatie in onderlinge afstand, oriëntatie en hoogte. Afhankelijk van de landschappelijke kenmerken van het gebied waarbinnen een initiatief voor zonneenergie plaatsgrijpt en de kenmerken van de omgeving van dat gebied, worden verschillende criteria gehanteerd om zo’n initiatief op zijn landschappelijke effecten te kunnen beoordelen. Daarbij wordt de toekomstige situatie vergeleken met de referentiesituatie. De criteria die bij de landschappelijke effectbeoordeling zijn gebruikt, worden hieronder kort toegelicht. De effectbeoordeling zelf vindt plaats ten opzichte van de referentiesituatie en is voor alle criteria kwalitatief. Hij is niet gebaseerd op harde cijfers, maar op een deskundigenoordeel. De beoordeling kan variëren van zeer negatief (--), negatief (-), neutraal (0), positief (+) tot zeer positief (++). Neutraal betekent een niet of nauwelijks waarneembare verandering ten opzichte van de referentiesituatie. Bij sommige effecten kan de beoordeling variëren van zeer negatief (--) tot neutraal (0).

Verder kunnen sommige effecten tegengesteld zijn aan elkaar. Daar waar verschillen

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 38

klein zijn of nuancering op zijn plaats is, kunnen indien nodig ook tussenwaarden worden gebruikt zoals -/0 (licht negatief). De volgende criteria zijn gebruikt voor de landschappelijke effectbeoordeling van het zonnepark. Voor het hoogspanningsstation wordt per potentiële locatie ingegaan op het landschappelijk effect op hoofdlijnen, aan de hand van dezelfde criteria (met uitzondering van het criterium lichtschittering).

Invloed op landschappelijke structuren Naarmate een zonne-opstelling waarneembaar beter aansluit bij de bestaande landschappelijke structuren wordt dit positiever beoordeeld dan wanneer een opstelling daar minder goed bij aansluit. Deze structuren worden beschreven in de referentiesituatie en bestaan onder meer uit een beschrijving van de (ruimte-) maat, schaal en inrichting, voorkomende verkavelingsrichtingen, begrenzingen van ruimten en de in en om het gebied voorkomende infrastructurele lijnen.

Herkenbaarheid van het opstellingsprincipe / kwaliteit van de opstelling Is een zonne-opstelling herkenbaar als een eenduidige, samenhangende opstelling, dan is de beoordeling neutraal tot positief. Naarmate een opstelling minder als een eenduidige, samenhangende opstelling herkenbaar is, is de beoordeling negatiever.

Invloed op de openheid Het criterium (invloed op de) openheid heeft betrekking op de ‘vulling’ van het beeld dat de waarnemer heeft. In de regel wordt hierbij aangehouden dat naarmate een zonneopstelling het beeld minder vult en daarmee de openheid of weidsheid minder aantast, deze minder negatief wordt beoordeeld dan een opstelling die dat beeld meer vult. Hoogte, oriëntatie en afstand van de opstelling(-en) tot plekken van waarneming en totale oppervlak aan panelen zijn hierbij van belang. Voor dit criterium geldt dat met name aan de randen van het plangebied en de assen en plekken van waarneming daarbinnen dit effect plaats zal hebben. Invloed op de openheid wordt alleen neutraal (nauwelijks tot geen effect) tot (zeer) negatief beoordeeld ((zeer) ernstig effect).

Zichtbaarheid (van gebouwen en bouwwerken) Het criterium zichtbaarheid heeft betrekking op de mate waarin een zonne-opstelling en de bijbehorende gebouwen en bouwwerken voor een willekeurige waarnemer zichtbaar zijn. Hier wordt de volgende regel gehanteerd: hoe meer waarnemers de (zonne-)opstellingen, gebouwen en bouwwerken daadwerkelijk zien, hoe negatiever de beoordeling is. Dit effect kan verschillend zijn op verschillende schaalniveaus. Als een variant zichtbaar is vanaf een standpunt of afstand waarvandaan relatief veel waarnemingen plaatsvinden scoort hij negatiever dan wanneer van dat standpunt of die afstand minder waarnemingen plaatsvinden. Ook voor dit criterium geldt dat met name aan de randen van het plangebied en de assen en plekken van waarneming daarbinnen dit effect plaats zal hebben. En ook zichtbaarheid wordt alleen neutraal tot (zeer) negatief beoordeeld.

Lichtschittering Het criterium lichtschittering heeft betrekking op een specifiek onderdeel van de zichtbaarheid, namelijk de mate waarin een zonne-opstelling zodanig zonnelicht reflecteert dat deze reflectie voor een willekeurige waarnemer zichtbaar is. Ook hier wordt de regel gehanteerd dat hoe meer waarnemers de lichtschittering daadwerkelijk zien, hoe negatiever de beoordeling is. Ook hierbij kan het effect zeer verschillend zijn op verschillende schaalniveaus en ook voor dit criterium geldt dat met name aan de randen van het plangebied en de assen en plekken van waarneming daarbinnen dit effect plaats zal hebben. Net als zichtbaarheid wordt lichtschittering alleen neutraal tot (zeer) negatief beoordeeld.

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 39

5.3 Referentiesituatie 5.3.1

Huidige situatie

Het plangebied is een laaggelegen en overwegend vlak veenontginningsgebied, is min of meer driehoekig van vorm en ligt tussen het Eemskanaal, het Slochterdiep en de Lagelandsterweg / Hamweg in. Het gebied is ontgonnen vanaf het Eemskanaal en de Hamweg richting de oorspronkelijke loop van de Fivel in het midden van het gebied. Dit is te herkennen aan de verschillende verkavelingsrichtingen die vanaf deze ontginningsbases het gebied in lopen en in het centrale deel samenkomen. In het westelijke deel van het gebied komen lichte glooiingen in de vorm van inversieruggen voor. Het Eemskanaal ligt enkele meters hoger in het landschap en is opgesloten tussen lage dijken. De wegen langs de randen van het plangebied liggen iets hoger dan de aanpalende percelen, verder zijn er geen opvallende hoogteverschillen. Het gebied is overwegend in gebruik als agrarisch gebied, vooral als grasland maar deels ook als bouwland. In het midden van het gebied ligt nog een aardgaswinningslocatie. Verder lagen er tot voor kort enkele kleine bosjes en een enkel gebouw/erf. Twee bosjes in het gebied van respectievelijk 6 en 7 hectare omvang, zijn de afgelopen jaren verdwenen, de overige bebouwing ligt aan de randen van het gebied. Er lopen geen doorgaande wegen door het gebied, met uitzondering van de Zuiderweg in de uiterst westelijke punt van het plangebied. Ook aan die weg ligt nog enige bebouwing.

De Zuiderweg heeft een bomenrij aan weerszijden, de Lagelandsterweg aan één zijde. De erven langs de rand van het gebied zijn beplant met erfbeplantingen. Verder komt er vrijwel geen opgaande beplanting in het gebied voor. Tot slot loopt een hoogspanningslijn van zuidwest naar noordoost door de zuidelijke punt van het plangebied.

5.3.2

Autonome ontwikkeling

Tot de autonome ontwikkelingen behoort met name de realisatie van de Hyperloop en het verwijderen van de NAM gaswinningslocatie.

5.4 Effectbeoordeling In onderstaande figuren zijn de verschillende varianten van het zonnepark en het hoogspanningsstation die zijn beoordeeld weergegeven. Voor het zonnepark zijn een minimale (de paarse vlakken in de linker afbeelding minus 30 meter rondom), een gemiddelde (de paarse vlakken) en een maximale variant (de paarse vlakken plus 30 meter aan de buitenzijde van het totale zonnepark) beoordeeld. Vervolgens zijn voor het hoogspanningsstation de vijf locaties op de rechter afbeelding beoordeeld. Daarbij is uitgegaan van een zelfde type hoogspanningsstation voor alle vijf de locaties.

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 40

Figuur 5.3 Varianten zonnepark (links) en varianten positie hoogspanningsstation (rechts)

Het ontwerp van het zonnepark is sterkt geënt op de landschappelijke structuren in het plangebied. De contouren en richtingen van de afzonderlijke zonnevelden komen grotendeels overeen met die van de bestaande percelen. Het verkavelingspatroon is goeddeels bewaard gebleven, slechts op enkele plekken zijn smalle percelen samengevoegd tot één breder zonneveld. Van buiten naar binnen worden de zonnevelden grilliger van vorm, doordat in het centrale deel de oorspronkelijke verkavelingsrichtingen samenkomen en er sprake is van afwijkende richtingen en (grote) overhoeken in de percelering. Verder is er in het ontwerp overal ruime afstand gehouden tot de belangrijkste belevingsassen rond het plangebied: minimaal 160 meter tot het Eemskanaal, circa 450 tot 500 meter tot de Lagelandsterweg en de Hamweg, gemiddeld circa 250 meter tot het Slochterdiep (met uitzondering van de zuidelijke punt nabij het gemaal) en circa 400 meter tot de Zuiderweg. Naast afstand zijn verschillende landschapselementen een belangrijk ontwerpmiddel in het totale ontwerp: bosjes, struweel (hoog en breed en laag en transparant) en opschot. Zij nemen op het moment dat ze volgroeid zijn jaarrond het zicht op de zonnevelden grotendeels weg.

Het ligt in de bedoeling (in overleg met de omgeving), om in (delen van) deze landschapselementen recreatief medegebruik mogelijk te maken en daarmee het tot nu toe vrijwel niet toegankelijke gebied wel toegankelijk te maken voor publiek. Dat heeft consequenties voor beleving van landschappelijke effecten binnen het plangebied zelf.

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 41

Figuur 5.4 Ontwerp en landschappelijke inpassing Zonnepark Meerstad

Bron: Gebiedsvisie Meerstad-Noord

5.4.1

Effectbeoordeling zonnepark op het schaalniveau van het plangebied en zijn directe omgeving

Invloed op landschappelijke structuren Het zonnepark heeft over het geheel genomen een positief effect op de bestaande landschappelijke structuren. Dat komt vooral doordat bestaande structuren zijn overgenomen en worden versterkt door nieuwe landschapselementen en door de (randen van de) zonnevelden zelf. De gemiddelde variant doet dit het duidelijkst en is als zeer positief (++) beoordeeld. Bij de minimale variant is deze versterking naar verwachting iets minder duidelijk waarneembaar, omdat randen minder duidelijk samenvallen met bestaande richtingen maar daar 30 meter vanaf liggen. De minimale variant is om die reden op dit punt en op dit schaalniveau als positief (+) beoordeeld. Bij de maximale variant echter ontstaat een negatief effect, doordat langs de buitenranden bestaande landschapsstructuren als het ware met 30 meter worden overschreden. Dit leidt tot een negatieve beoordeling (-) van deze variant. Onderlinge afstand, oriëntatie en hoogte van de opstellingen hebben op dit schaalniveau weinig tot geen invloed op de landschappelijke structuren, ervan uitgaande dat de oriëntatie van de panelen parallel aan bestaande richtingen dan wel haaks daarop is (en dus niet pal zuid of pal oost-west). De belangrijkste reden hiervoor is de (grote) afstand tot de assen en plekken van beleving.

Figuur 5.5 Huidige situatie (boven) en zonnepark met landschappelijke inpassing (onder), gezien vanaf Slochterdiep 13

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 42

Ter illustratie deze twee printscreens. Door in- en uit te zoomen ontstaat een beeld van het effect op landschap.

Herkenbaarheid van het opstellingsprincipe / kwaliteit van de opstelling Door het uitwerken van één totaalontwerp voor het gehele zonnepark en door de eenduidige toepassing van landschappelijke inpassingsmaatregelen, kan gesteld worden dat in de nieuwe situatie een nieuw landschap ontstaat dat in zijn geheel als een samenhangend geheel zal overkomen. De gemiddelde variant is op dit schaalniveau opnieuw zeer positief (++) beoordeeld. Bij de minimale variant komen de individuele zonnevelden als het ware wat losser van elkaar te liggen en zullen enkele centraal gelegen zonnevelden verdwijnen, waardoor er enkele gaten in het grotere geheel ontstaan. Deze variant is om die reden positief (+) en niet zeer positief beoordeeld. Bij de maximale variant dijt de totale opstelling aan de buitenranden uit. Dit heeft een bescheiden negatief effect op de herkenbaarheid van de opstelling. Om die reden is ook deze variant op dit punt beoordeeld als positief (+) en niet als zeer positief. Onderlinge afstand, oriëntatie en hoogte van de opstellingen hebben op dit schaalniveau ook nauwelijks effect op de herkenbaarheid van het totale zonnepark c.q. de kwaliteit van het geheel.

Invloed op de openheid In vergelijking met de huidige situatie zal realisatie van een zonnepark binnen het plangebied een drastisch effect hebben op de openheid. Ondanks dat afstand tot de belevingsassen als ontwerpmiddel is gehanteerd, zullen de huidige zeer grote vergezichten plaatsmaken voor minder grootse uitzichten. Voor de gemiddelde variant is dit effect beoordeeld als zeer negatief tot negatief (--/-). Bij de minimale variant wordt de afstand tot de belevingsassen groter en zullen ook doorkijken dwars door het plangebied enigszins open blijven. Beide hebben een positief effect, maar de beoordeling van het effect van de minimale variant op de openheid van het totale plangebied is toch negatief (-). De maximale variant is beoordeeld als zeer negatief (--), aangezien hier de afstand tot de belevingsassen juist kleiner wordt. Vooral vanwege de grote afstand tot de waarnemer hebben op dit schaalniveau onderlinge afstand, oriëntatie en hoogte van de opstellingen weinig tot geen onderscheidende invloed op de openheid.

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 43

Figuur 5.6 Huidige situatie (boven) en zonnepark met landschappelijke inpassing (onder), vanaf Lagelandsterweg 10

Ter illustratie opnieuw twee printscreens. Door in- en uit te zoomen ontstaat een beeld van het effect op landschap.

Zichtbaarheid (van gebouwen en bouwwerken) Het zonnepark zal zeker in de eerste jaren na aanleg duidelijk zichtbaar zijn vanaf de randen van het plangebied en de woningen die daar liggen. Dit effect is min of meer gelijk voor alle drie de varianten en is beoordeeld als negatief (-). Op termijn zal het zicht op de zonne-opstellingen en randvoorzieningen wel grotendeels verdwijnen door de landschappelijke inpassingsmaatregelen. De hoogte van de opstellingen zal in de eerste jaren een zeer gering onderscheidend effect hebben op de zichtbaarheid. Het zal bij hogere opstellingen iets langer duren eer zij aan het zicht worden onttrokken door de landschappelijke inpassingsmaatregelen dan bij lagere opstellingen. Oriëntatie en onderlinge afstand hebben geen onderscheidend effect in deze.

Lichtschittering Doordat het enige jaren duurt eer beplantingen rond het zonnepark zijn aangeslagen en gegroeid kan niet worden uitgesloten dat er zeker in de eerste jaren lichtschittering optreedt. Ook dit effect is min of meer gelijk voor alle drie de varianten en is beoordeeld als licht negatief (-/0), omdat het naar verwachting slechts op bepaalde momenten en op bepaalde plekken van waarneming zal optreden. Onderlinge afstand, oriëntatie en hoogte van de opstellingen hebben naar alle waarschijnlijkheid geen onderscheidend effect op dit punt. De lichtschittering zal hierdoor wel anders zijn, maar naar verwachting niet meer of minder.

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 44

5.4.2

Effectbeoordeling zonnepark op het schaalniveau van het plangebied zelf

Invloed op landschappelijke structuren Ook op het schaalniveau van het plangebied zelf (en daarbinnen) heeft het zonnepark over het geheel genomen een positief effect op de bestaande landschappelijke structuren. Wel zal het zo zijn dat als het zonnepark of de groenblauwe structuren daaromheen publiek toegankelijk worden, onregelmatigheden of afwijkingen van de bestaande structuren eerder zullen opvallen. Met name in het centrale deel zal dit het geval zijn. De gemiddelde variant wordt om die reden op dit schaalniveau wat minder positief beoordeeld namelijk positief (+) in plaats van zeer positief. Bij de minimale variant kan de grotere afstand tussen de zonnevelden leiden tot een minder herkenbare samenhang met bestaande structuren, doordat de zonnevelden daar wat los van komen te liggen en ze ook onderling losser van elkaar komen te liggen. Dit effect is beoordeeld als licht positief (0/+) in plaats van positief. Op dit schaalniveau zal de maximale variant aan de randen duidelijker afwijken van de landschappelijke structuren, maar binnen het zonnepark gelijk scoren met de gemiddelde variant. Ook deze variant is beoordeeld als licht positief (0/+). Onderlinge afstand, oriëntatie en hoogte van de opstellingen hebben op dit schaalniveau wel een duidelijkere samenhang met de bestaande structuren, maar werken niet onderscheidend.

Herkenbaarheid van het opstellingsprincipe / kwaliteit van de opstelling Het overzicht over het geheel wordt op dit schaalniveau kleiner. Daar waar zonnevelden gelijk zijn qua opstellingsprincipe werkt dit versterkend op de herkenbaarheid (positief effect), maar daar waar verschillende richtingen en ordeningen samenkomen (in het centrale deel) heeft dit juist een negatief effect. Beide effecten zijn tegengesteld en vallen min of meer tegen elkaar weg. Hierdoor is het effect op dit schaalniveau gelijk beoordeeld met het effect op het hogere schaalniveau. De gemiddelde variant scoort opnieuw zeer positief (++), de beide andere varianten opnieuw positief (+). Verschillen in onderlinge afstand, oriëntatie en hoogte van de opstellingen hebben op dit schaalniveau opnieuw nauwelijks effect op de herkenbaarheid van het totale zonnepark c.q. de kwaliteit van het geheel.

Invloed op de openheid Op dit schaalniveau is de afstand tot de waarnemer kleiner en alleen al daardoor het effect op de openheid groter dan op het hogere schaalniveau. Alle varianten scoren om die reden negatiever dan op het hogere schaalniveau. De gemiddelde variant en de maximale variant zijn beoordeeld als zeer negatief (--), de minimale variant door de grotere tussenruimtes tussen de zonnevelden als zeer negatief tot negatief (--/-). Vooral de hoogte en de onderlinge afstand van de opstellingen zal op dit schaalniveau een versterkend effect hebben (hoe hoger en hoe dichter op elkaar hoe negatiever het effect).

Zichtbaarheid (van gebouwen en bouwwerken) Het zonnepark zal ook op dit schaalniveau in de eerste jaren na aanleg (zeer) duidelijk zichtbaar zijn. Dit effect is min of meer gelijk voor alle drie de varianten en is beoordeeld als zeer negatief (--). Op termijn zal het zicht op de zonne-opstellingen en randvoorzieningen wel verzachten door de landschappelijke inpassingsmaatregelen binnen in het zonnepark (tussen de individuele zonnevelden). De hoogte, oriëntatie en onderlinge afstand hebben op dit schaalniveau nauwelijks een versterkend effect. De opstellingen zijn sowieso zichtbaar, zeker in de aanvangsfase.

Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 45

Lichtschittering Het effect is min of meer gelijk voor alle drie de varianten en is op dit schaalniveau negatiever beoordeeld, namelijk als negatief (-), omdat de lichtschittering naar verwachting groter zal zijn als het zich voordoet door de kleinere afstand tot de waarnemer. Onderlinge afstand, oriëntatie en hoogte van de opstellingen hebben opnieuw naar verwachting geen onderscheidend effect op dit punt.

5.4.3

Effectbeoordeling hoogspanningsstation

Voor de effectbeoordeling van het hoogspanningsstation zijn vijf locaties beoordeeld, twee buiten het plangebied van Meerstad-Noord (Noord en Zuid) en drie binnen het plangebied (West, Midden en Oost). Om aan te geven hoe een hoogspanningsstation er ongeveer uitziet, zijn hieronder ter illustratie twee foto’s weergegeven van een onlangs opgeleverd hoogspanningsstation nabij Dronten. Figuur 5.7 Zicht op een hoogspanningsstation nabij Dronten, links op circa 450 meter, rechts op circa 15 meter afstand

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.groningen.nl/api/v1/meetings/4685/documents/73780