Bijlage 3 Milieueffectrapport Meerstad-Noord.pdf
Tekst van het document
In een soortgelijk onderzoek24 naar de visuele impact van een zonnepark in het Verenigd Koninkrijk wordt dezelfde conclusie getrokken. In Figuur 8.2 is met relatieve aantallen het verschil weergegeven van de reflectie van verschillende materialen.
23
Zonnepark Ceresweg: Wegbeeldanalyse Oesterdam (N659), N.H. Tiekstra & W. Swolfs (Rho adviseurs), oktober 2014 24 Visual Impact Assessment, Capital Solar Farm, december 2010
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 69
Figuur 8.2 Vergelijking reflectie zonnepaneel t.o.v. andere materialen
Zoals te zien in Figuur 8.2 kent een zonnepaneel de op één na laagste reflectie van de meegenomen ‘materialen’. Een aantal veel voorkomende materialen naast hoofdwegen zijn wateroppervlakken, bossen en grasvelden. Al deze materialen kennen een hogere mate van reflectie dan een zonnepaneel. Hieruit lijkt men te kunnen aannemen dat het plaatsen van een zonneweide nabij wegen geen noemenswaardig effect heeft op het wegverkeer. Ook is de weerkaatsing van licht sterk afhankelijk van het type zonnepaneel dat wordt toegepast. De bovengenoemde risico’s door het zonnepark zijn zeer beperkt en voor alle varianten nagenoeg gelijk en dus niet onderscheidend. Daarom worden deze niet betrokken bij de scoring van de varianten.
8.4 Mitigerende maatregelen De belangrijkste mitigerende maatregel die kan worden getroffen om risico’s van het voornemen op de omgeving te verminderen is het houden van afstand tussen de risicovolle activiteiten van het voornemen en de risicogevoelige objecten in de omgeving.
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 70
9
Magnetische velden
9.1 Beleid, wetgeving en beoordelingskader Voor delen van het HS-station die bovengronds zijn gelegen (transformatoren), geldt dat er een magneetveld optreedt. In 2005 heeft het voormalige ministerie van Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM), thans ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (I&W), een advies over hoogspanningslijnen en hun magneetveld uitgebracht aan gemeenten en beheerders van het hoogspanningsnet. Hoewel dit advies niet van toepassing is op zowel transformatorstations alsook op opstijgpunten en ondergrondse hoogspanningslijnen, wordt voor de betreffende locatie toch een beschouwing gegeven. Het advies luidt dat het jaargemiddelde magneetveld ter hoogte van gevoelige bestemmingen niet hoger mag zijn dan 0,4 microTesla (mT; dit is een maat voor de magneetveldsterkte).
9.2 Referentiesituatie In de referentiesituatie bevinden zich in het plangebied geen bronnen welke relevante magneetvelden veroorzaken. In en vlak buiten het plangebied liggen tientallen woningen die gevoelig worden geacht voor magneetvelden.
9.3 Effectbeoordeling Op grond van berekeningen vergelijkbare stations (zoals Zeijerveen en Bolsward) kan worden gesteld dat de afstand van de 0,4 microTesla – contour naar de grens van het HS-station worst case 65 meter bedraagt. In de onderstaande figuur is rondom elke HS-locatie aan buffer van 65 meter aangegeven. In alle gevallen bedraagt de afstand naar gevoelige objecten (woningen) ruim meer dan 65 meter en de afstanden naar de meest dichtbijgelegen woningen zijn qua ordegrootte ook vergelijkbaar. Daarom scoren alle vijf locaties gelijk, er zijn geen extra effecten te verwachten op de woningen ten opzichte van de referentiesituatie. De score voor alle HS-station locaties is daarom neutraal, ‘0’. Tabel 9.1 Samenvatting effectbeoordeling magneetvelden
Score magneetvelden
Noord
West
Zuid
Oost
Midden
‘0’
‘0’
‘0’
‘0’
‘0’
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 71
9.4 Mitigerende maatregelen De belangrijkst mogelijke mitigerende maatregel betreft het afstand houden tussen de bron van de magneetvelden en de gevoelige bestemmingen (in dit geval de omliggende woningen).
9.5 Leemten in kennis Specifieke effecten zijn afhankelijk van het detailontwerp van het station en pas in een later stadium exact te bepalen.
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 72
10
Cultuurhistorie en archeologie
10.1 Inleiding Cultuurhistorie is het totaal aan bovengrondse sporen van menselijke activiteiten in de stad en op het platteland, in de bebouwde en de onbebouwde omgeving. Deze sporen leveren informatie op over het leven en werken van de mens in vroeger tijden (de bewoningsgeschiedenis), maar verklaren ook voor een belangrijk deel waarom onze omgeving er nu uitziet zoals ze eruitziet. Archeologie houdt zich bezig met de reconstructie van oude culturen door middel van het bestuderen van materiële overblijfselen hiervan. Daarbij gaat het om alles wat de mens ooit heeft achtergelaten, bijvoorbeeld restanten van huizen, begraafplaatsen, wapens, sieraden, huisraad, afval en voedselresten. Deze overblijfselen kunnen duizenden jaren oud zijn of ‘slechts’ een paar honderd jaar. Tegenwoordig wordt er ook archeologisch onderzoek gedaan naar overblijfselen van de Tweede Wereldoorlog. In het beleidskader zal verder worden ingegaan op de betekenis en doelstellingen van cultuurhistorie en archeologie in het plangebied. Ten behoeve van de realisatie van het voornemen vindt ontgraving plaats voor het leggen van kabels en het realiseren van fundaties. In het navolgende wordt aangegeven of verwacht kan worden dat archeologische relicten in de bodem ter plaatse van het plangebied aanwezig zullen zijn, en welke maatregelen genomen kunnen worden om eventuele waarden te beschermen.
Daarbij zal gebruik worden gemaakt van de beschikbare kaarten met verwachtingswaardes van het Rijk, de provincie Groningen en de gemeente Groningen. Verder wordt voor het aspect cultuurhistorie aandacht besteed aan eventueel overige aanwezige cultuurhistorische waarden, zoals de aanwezigheid van monumenten. Kans op fysieke aantasting ervan dient te worden beoordeeld, evenals de invloed op het aanzien ervan, wat ook als een vorm van aantasting kan worden gezien. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van het gemeentelijke en provinciale beleid ten aanzien van aanwezige cultuurhistorische waarden.
10.2 Beleid, wetgeving en beoordelingskader 10.2.1
Beleid en wetgeving
Cultuurhistorie is het totaal aan bovengrondse sporen van menselijke activiteiten in de stad en op het platteland, in de bebouwde en de onbebouwde omgeving. Deze sporen leveren informatie op over het leven en werken van de mens in vroeger tijden (de bewoningsgeschiedenis), maar verklaren ook voor een belangrijk deel waarom onze omgeving er nu uitziet zoals ze eruitziet. Archeologie houdt zich bezig met de reconstructie van oude culturen door middel van het bestuderen van materiële overblijfselen hiervan. Daarbij gaat het om alles wat de mens ooit heeft achtergelaten, bijvoorbeeld restanten van huizen, begraafplaatsen, wapens, sieraden, huisraad, afval en voedselresten. Deze overblijfselen kunnen duizenden jaren oud zijn of ‘slechts’ een paar honderd jaar. Tegenwoordig wordt er ook archeologisch onderzoek gedaan naar overblijfselen van de Tweede Wereldoorlog. In het beleidskader zal verder worden ingegaan op de betekenis en doelstellingen van cultuurhistorie en archeologie in het plangebied.
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 73
Ten behoeve van de realisatie van het voornemen vindt ontgraving plaats voor het leggen van kabels en het realiseren van fundaties. In het navolgende wordt aangegeven of verwacht kan worden dat archeologische relicten in de bodem ter plaatse van het plangebied aanwezig zullen zijn, en welke maatregelen genomen kunnen worden om eventuele waarden te beschermen. Daarbij zal gebruik worden gemaakt van de beschikbare kaarten met verwachtingswaardes van het Rijk, de provincie Groningen en de gemeente Groningen. Verder wordt voor het aspect cultuurhistorie aandacht besteed aan eventueel overige aanwezige cultuurhistorische waarden, zoals de aanwezigheid van monumenten. Kans op fysieke aantasting ervan dient te worden beoordeeld, evenals de invloed op het aanzien ervan, wat ook als een vorm van aantasting kan worden gezien. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van het gemeentelijke en provinciale beleid ten aanzien van aanwezige cultuurhistorische waarden.
Nationale wetgeving Erfgoedwet Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan. De Erfgoedwet bundelt voorgaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Het beschermingsregime zoals die in oude wetten en regelingen gold blijft gehandhaafd. Met de Erfgoedwet vervalt onder andere de Monumentenwet 1998. Uitgangspunten uit het Verdrag van Malta blijven in de Erfgoedwet en de Wet op de Archeologische Monumentenzorg de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De belangrijkste uitgangspunten zijn: Archeologische waarden moeten zoveel mogelijk in situ in de bodem bewaard blijven. Alleen wanneer dit niet mogelijk is, wordt overgegaan tot behoud van de archeologische informatie ex situ (buiten de oorspronkelijke vindplaats), door middel van opgraven en bewaren in depot; Onderzoek naar de aanwezigheid van archeologische waarden dient in een zo vroeg mogelijk stadium plaats te vinden, zodat hiermee bij de planontwikkeling rekening gehouden kan worden; De verstoorder betaalt: alle kosten die samenhangen met archeologisch onderzoek dienen te worden betaald door de initiatiefnemer van de geplande bodemingrepen; Ten slotte richt het Verdrag van Malta zich tevens op een toename van kennis, herkenbaarheid en beleefbaarheid van het archeologische erfgoed.
De belangrijkste verandering voor archeologie is de vervanging van de opgravingsvergunning door een wettelijk geregelde certificering. De Erfgoedwet vormt samen met de nog in te voeren Omgevingswet het kader voor de bescherming van het cultureel erfgoed. Voor onderdelen die de fysieke leefomgeving betreffen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen die geldt tot het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet (verwacht per 1 januari 2023). Een belangrijk onderdeel van de Erfgoedwet is dat niets aan een monument mag worden veranderd zonder voorafgaande vergunning. Aan al het archeologisch onderzoek zijn regels gebonden en dus ook het opgraven van archeologische resten. Dit conform de kwaliteitsnorm Nederland Archeologie. De wettelijke bescherming van onroerende rijksmonumenten en door het rijk aangewezen stads- en dorpsgezichten is ook geregeld in de Erfgoedwet. Voor gebouwde rijksmonumenten geldt dat (gedeeltelijke) sloop, verplaatsing, reconstructie, vervangen van materiaal en/of ontsierend gebruik en
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 74
herstel vergunningplichtig is. Bij waarderingen van de historische (steden)bouwkunde is het van belang nota te nemen van de lijsten met Rijksmonumenten, provinciale en gemeentelijke monumenten, beschermde historische buitenplaatsen, beschermde stads- en dorpsgezichten, objecten en gebieden uit het Monumenten Inventarisatie Project (MIP) en historische boerderijen (inventarisatie Stichting Historisch Boerderij Onderzoek).
Gemeentelijk beleid Erfgoednota In december 2017 heeft de gemeenteraad (opnieuw) de Erfgoednota vastgesteld. Deze Erfgoednota gaat over het erfgoedbeleid (doelen en wensen) van de gemeente in de komende jaren, tot 2027. Cultuurhistorische Waardenkaart Op de Cultuurhistorische Waardenkaart staat informatie over historische objecten en archeologische waarden in de gemeente Groningen, waaronder de meer dan 1400 monumenten die de gemeente Groningen rijk is. In Figuur 10.4 is de cultuurhistorische waardenkaart ter plaatse van het plangebied weergegeven. Bestemmingsplan In het plangebied (zie Figuur 10.1) zijn meerdere bestemmingsplannen van kracht waarvan het bestemmingsplan Meerstad-Noord de belangrijkste is vanwege de dubbelbestemming met Waarde archeologie 3. Figuur 10.1 Bestemmingsplannen in het gebied van het plangebied (in het rood de archeologische zone)
Bron: Kaart | Planviewer, het Nationale Locatie Platform
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 75
10.3 Referentiesituatie De referentie situatie wordt beschreven door de huidige situatie van het plangebied te beschrijven. Om de referentie situatie vast te stellen is gebruik gemaakt van het archeologische informatiesysteem (Archis), de Cultuurhistorische waarden kaart van Groningen en een verwachtingsmodel welke is gebaseerd op een archeologisch onderzoek door Sweco25, uitgevoerd in het kader van voor een voorgaand project in het plangebied, de hyperloop. Aangezien het plangebied van de hyperloop en het plangebied van het Zonnepark grotendeel een en het zelfde gebied is, kan het archeologisch onderzoek wat uitgevoerd is door Sweco voor de Hyperloop worden gebruikt in dit hoofdstuk. Verder details omtrent archeologie in het plangebied kan worden gevonden in het onderzoek van Sweco welke als bijlage 4 is toegevoegd. Uit het onderzoek van Sweco komt naar voren dat delen van het plangebied een middelhoge tot lage archeologische verwachting hebben op resten uit de periode IJzertijd – Middeleeuwen (zie Figuur 10.2). Binnen en nabij het plangebied zijn oppervlaktevondsten uit deze periode bekend. Resten uit de IJzertijd Middeleeuwen kunnen bestaan uit aardewerk, bot, hout, metaal en natuursteen. Sporen bestaan uit kuilen, (water) putten en cultuurlagen en ophogingslagen aanwezig zijn. Naast vlaknederzettingen kunnen ook niet gekarteerde middeleeuwse (huis)terpen aanwezig zijn.
De omvang van deze vindplaatsen bedraagt tussen de 50 en de 5000 m2. Resten van nederzettingen uit deze periode kunnen zich direct onder het maaiveld bevinden. Daarnaast zijn op diverse locaties in het plangebied historische boerderijen en of huisplaatsen aanwezig. Figuur 10.2 Verwachting IJzertijd – Middeleeuwen
Bron: archeologisch rapport Sweco
25
“Archeologisch bureauonderzoek Hyperloop, gemeente Groningen”, Sweco d.d. 29-04-2021, SWNL0276203
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 76
In Archis staan binnen het plangebied enkele archeologische vondstlocaties geregistreerd en onderzoekmeldingen. Zie Figuur 10.3 voor een illustratie van de Archis data. Figuur 10.3 Archis data met daarin de vondstlocaties en de onderzoek meldingen
Bron: Sweco archeologisch rapport
In Figuur 10.4 is de cultuurhistorische waardenkaart (CWK) weergegeven ten plaatsen van het plangebied. Zoals te zien is vallen er gebieden met een archeologische waarde binnen het plangebied. In de volgende paragraaf worden de effecten die het Zonnepark en de HS stations hebben op de archeologische percelen beschreven. Echter komt er een nieuwe CWK vanaf 1 januari 2023. Het is bekend dat daarin de CWK gebieden nog nader dient te worden uitgewerkt op hun waarden, er komt dus nog een waardering met de bijbehorende zones. Er zal hiertoe in 2023 onder meer een booronderzoek worden uitgevoerd. Hieruit zullen verwachte waarden (zones) uit voortkomen. Het is daarom verstandig om naast op de percelen ook op de Sweco verwachting (zones) te toetsen.
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 77
Figuur 10.4 Cultuurhistorische kaart ten plaatsen van het plangebied
Bron: gemeente Groningen
10.4 Effectbeoordeling Om de effecten te beoordelen wordt er gebruik gemaakt de referentiesituatie die in de vorige paragraaf is beschreven. De referentie situatie bestaat uit de archeologische verwachtingen van de IJzertijd, de vondstlocaties en onderzoekmeldingen van Archis eveneens de archeologische gegevens van de CWK. Daarnaast is er ook rekening gehouden met een drietal andere aspecten die niet in de referentiesituatie zijn genoemd, maar wel van belang worden geacht voor een hoog waardige effectenbeoordeling. Deze zijn de loopgraven uit WO II, beschermde karakteristieke structuur (Kleisloot) en de Veenontginning. De activiteiten bestaan uit de beoogde Zonnepark en HS stations. Hieruit voort ontstaan eventueel effecten. Deze worden nu besproken. Om de effecten te beoordelen word eerste de referentiesituatie met daar overheen de activiteiten in kaart gebracht wat gedaan is in Figuur 10.5 en Figuur 10.6. Wanneer de voorkeurslocaties van het Zonnepark en hoogspanningsstations in de twee kaarten worden gezet met alle onderzoekmeldingen, de vondst locaties, archeologische percelen van de CWK, de verwachtingen uit de ijzertijd, loopgraven uit WO II, de Veenontginning, en de Kleislot, moet er worden geconcludeerd dat de gebieden beperkt overlappen, zie Figuur 10.5 en Figuur 10.6.
Voornamelijk overlappen de (lage) verwachtingen uit de ijzertijd met de beoogde locaties van de zonneparken en het noordelijke HS station met twee vondst locaties. Ook de veenontginning overlapt grotendeels met het beoogde Zonnepark. De archeologische percelen overlappen niet met de beoogde zonneparken en HS stations. De effecten worden verder in de paragraaf 10.4.1 beschreven.
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 78
Figuur 10.5 overzicht 1 van alle archeologische data, cultuurhistorische waarden en de beoogde activiteiten.
Bron: gebaseerd op de gegevens van Archis, verwachtingsmodel van Sweco en CWK. Figuur 10.6 overzicht 2 van archeologische data, cultuurhistorische waarden en de beoogde activiteiten.
Bron: gebaseerd op rapport van Sweco
De volgende effecten zijn niet significant omdat ze (ver) buiten het plangebied vallen en geen effect zullen ondervinden van de activiteiten. Desondanks worden ze wel besproken voor de volledigheid van de MER.
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 79
Direct ten zuiden van het plangebied langs gehele zuidelijke plangrens ligt nog Historisch-geografische structuur, het Slochterdiep. Dit is een beeldbepalend en cultuurhistorisch waardevol landschapselement. Het Slochterdiep werd in 1660/1661 aangelegd in opdracht van Osebrand Johan Rengers. Door de aanleg werd een verbinding vanuit Slochteren met het Damsterdiep gecreëerd. Het Slochterdiep heeft een oorspronkelijke uitstraling en is niet aangetast door modernisaties. Ten zuiden en ten noorden bevinden zich twee Historisch-geografische structuren, te weten een kleisloot of een riviertje, vroeger afwaterend op het riviertje de Fivel.
10.4.1
Zonnepark
Methodiek effectenbeoordeling Op basis van de referentiesituatie, bestaan uit de vondstlocaties, de onderzoekmeldingen van Archis, het verwachting model van Sweco uit de ijzertijd en de CWK is de volgende effectenbeoordeling opgesteld. De methodiek om de effecten te beoordelen is gebaseerd op de variërende omvang van het zonnepark. Er is onderscheid gemaakt in drie grote van oppervlakten. De gemiddelde afmeting conform het gemeentelijke Gebiedsvisie met een oppervlak van ca.150 Ha plus of min een strook van 30 meter rond de omtrek, dit resulteert in een oppervlakte van 175 Ha en respectievelijk 125 Ha, zie Figuur 4.3. In de onderstaande tabel worden de effecten van de zonneparken op de archeologische en cultuurhistorische waarden weergeven. De score zal altijd worden gegeven ten opzichte van de referentiesituatie die per definitie ‘0’ is en de data die verwerkt is in het begin van paragraaf 10.3.
Cultuurhistorie Binnen de grenzen van het plangebied bevinden zich 9 archeologische percelen conform het CWK maar deze vallen allemaal buiten de beoogde locaties van zowel het zonnepark als de HS stations, zie Figuur 10.5. De impact van de zonneparken op deze percelen zijn te verwaarlozen zeker gezien het feit dat een zonneparken meestal op palen met geen of zeer beperkte fundatie waardoor verstoring van archeologische waarden niet of nauwelijks optreedt. Wel overlapt het zonnepark aan de westzijde deels met de locaties waar zich ten tijde van de tweede wereldoorlog loopgraven bevonden. De overlap met deze loopgraven neemt voor een zonnepark met toenemende afmetingen licht toe. Daarom wordt de score voor de cultuurhistorische waarden negatiever met toenemende afmetingen van het zonnepark.
Archeologie Het oostelijke gedeelte van het zonnepark bevindt zich binnen het gebied met “middel hoge archeologische verwachtingen” en het oostelijke Zonnepark op een gebied met “lage archeologische verwachtingen”. Hoe groter het zonnepark binnen een gebied met een archeologische verwachtingswaarde, hoe groter de kans op effecten op archeologische waarden. De score loopt van 0/tot – afhankelijk van de afmeting van het zonnepark en het gebied met verwachtingswaarden dat er door wordt beïnvloedt.
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 80
Effectenbeoordeling Tabel 10.1 Effectbeoordeling cultuurhistorie en archeologie, afhankelijk van de omvang van het zonnepark Minimaal 125 Ha
Gemiddeld 150 Ha
Maximaal 175 Ha
Aantasting archeologische waarden
0/-
-
--
Aantasting cultuurhistories waarden
0/-
-
--
10.4.2
HS-station
Effectenbeoordeling Voor de effecten beoordeling van het HS-station is de zelfde methodiek gebruikt als de effectenbeoordeling van het zonneveld alleen is er hier onderscheid gemaakt op basis van de locaties van het HS-station: Noord, Zuid, West, Oost en Midden. De afmeting van het station varieert relatief weinig.
Cultuurhistorie De 9 archeologische percelen conform het CWK vallen geen vak allen samen met een potentiële locatie voor het HS-station, zie Figuur 10.5. De impact van het station op deze percelen zijn voor alle vijf locaties te verwaarlozen. De meest westelijke locatie overlapt deels met de locaties waar zich ten tijde van de tweede wereldoorlog loopgraven bevonden. Daarom scoort deze locatie licht negatief (‘-‘) op cultuurhistorische waarden.
Archeologie Het meest noordelijke en meest zuidelijke HS stationslocaties liggen beide in onderzoekmelding locaties volgens de Archis data (zie Figuur 10.5). Daarom krijgen deze twee HS station ten opzichten van de referentiesituatie sowieso een score “-” op archeologische waarden. Het meest noordelijke HS station overlapt echter ook met een vondstlocatie volgens Archis en krijgt daarom een cumulatieve score “--” op archeologische waarden. HS stationslocaties midden en oost (zie Figuur 10.5) liggen in een gebied waar volgens het verwachtingsmodel van Sweco “lage verwachtingen” zijn. Daarom krijgen deze twee HS stations een score van “0/-” op archeologische waarden. Het westelijke HS station in het plangebied ligt in het onderzoekmelding gebied volgens de Archis data en ook in het gebied met middelhoog verwachting uit de ijzertijd. Vanwege deze twee factoren krijgt dit HS station een score “--” op archeologische waarden.
Tabel 10.2 Effectbeoordeling cultuurhistorie en archeologie locatie HS-station Noord
Zuid
West
Oost
Midden
Aantasting cultuurhistorische waarden
0
0
-
0
0
Aantasting archeologische waarden
--
-
--
0/-
0/-
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 81
10.5 Leemte in Kennis Op basis van de effectenbeoordeling die in de vorige paragraaf beschreven is, kan worden geconcludeerd dat de effect op cultuurhistorische waarden beperkt is. Allen de locatie van het meest noordelijke HS station bevind zich in een gebied waar een vontslocatie is gedaan. Dit vraagt om mitigerende maatregelen die nader worden beschreven. Daarnaast is in de effecten beoordeling voor de zonneparken naar voren gekomen dat effect mogelijk is op de archeologische waarden die in de grond bevindt. Voornamelijk het oostelijk gedeelte van het beoogde Zonnepark locatie bevind zich in een gebied waar middelhoge archeologische waarden verwacht worden uit de ijzertijd en volgens de Archis data onderzoekmeldingen zijn gedaan. Een overgroot gedeelte van het zonnepark ligt echter in een gebied waar lage verwachtingen zijn uit de ijzertijd. Desondanks moeten hier ook mitigerende maatregelen voor genomen worden. Bij archeologie is dat het gaat om verwachtingen, niet om zekerheden. Totdat je de grond in gaat weet je niet met zekerheid. De onzekerheid is zo groot dat op de CWK een 'nader te bepalen' verwachting geldt. Er zal daarom een booronderzoek worden uitgevoerd om deze te bepalen. Nadat door middel van een booronderzoek is bepaald waar eventuele archeologische waarden zich bevinden kunnen deze worden ontzien.
Dit kan door zoveel mogelijk bodemverstorende werkzaamheden te voorkomen waar deze waarden zich bevinden. Hierbij valt te denken aan graafwerkzaamheden van leidingen, het aanleggen van werk- en onderhoudswegen, sloten, het plaatsen van containers en tijdelijke parkeergelegenheden etc. Denk ook aan het inschroeven van de paaltjes waarop de zonnepanelen staan, het bovengronds aanleggen van leidingen, het afzetten van archeologische percelen zodat deze niet kunnen worden betreden etc. Hiervoor wordt het advies van Sweco gebruikt wat is uitgevoerd voor het zelfde plangebied voor een eerder onderzoek overgenomen, zie Kader 10.1
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 82
Kader 10.1
Advies Sweco “Een inventariserend veldonderzoek (IVO-O, protocol 4003) in combinatie met een oppervlaktekartering wordt geadviseerd om de archeologische verwachting te toetsen en eventuele kansrijke zones binnen het plangebied vast te stellen en eventueel aanwezige archeologische vindplaatsen op te sporen. Daarnaast wordt geadviseerd om bij bodemingrepen ter plaatse van de loopgraven de werkzaamheden onder archeologische begeleiding (IVO-P, protocol 4003) te laten uitvoeren. Eventuele historische boerderijen en huisplaatsen die door de werkzaamheden en aanleg van" het Zonnepark “verstoord worden dienen te worden onderzocht door middel van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Indien behoudenswaardige resten aangetroffen worden en deze niet kunnen worden ingepast, zal een opgraving nodig zijn” “Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek adviseert Sweco Nederland in het plangebied in eerste instantie een inventariserend veldonderzoek uit te voeren in de vorm van een verkennend booronderzoek en een oppervlaktekartering. Doel is het enerzijds vaststellen van de diepte en morfologie van het dekzand en de bodemprofielen in de top van het dekzand. Door middel van het vaststellen van de morfologie van het dekzand kunnen zones met een hoge archeologische verwachting worden afgebakend.
Indien kansrijke locaties voor vindplaatsen worden vastgesteld, dienen deze door middel van een karterend booronderzoek te worden opgespoord en begrensd.”
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 83
11
Bodem en water
Binnen het plangebied worden gebouwen, bouwwerken, zonnepanelen en enkele verhardingen aangebracht die effect op de waterhuishouding kunnen hebben. De waterhuishouding wordt in dit hoofdstuk beoordeeld op een aantal punten, waaronder de effecten voor grondwater, oppervlaktewater en hemelwaterafvoer. Voor het aspect bodemkwaliteit zal worden bekeken of de locatie verdacht is van bodemverontreiniging door middel van het raadplegen van bekende bronnen zoals het bijvoorbeeld het bodemloket. Daarnaast wordt beoordeeld of sprake is van bodembedreigende activiteiten als onderdeel van het initiatief, bijvoorbeeld aanwezigheid van vloeistoffen in de transformatoren. Ten slotte wordt ook een afweging gemaakt over de impact van de zonnepanelen op de bodem en het bodemleven tijdens het gebruik en na verwijderen van de zonnepanelen. Het betreft met name effecten als uitdroging en (deels blijvende) inklinking van de bodem.
11.1 Beleid, wetgeving en beoordelingskader Europees en nationaal Het stroomgebied van grond- en oppervlaktewateren beperkt zich vaak niet tot landsgrenzen en daarom is in het jaar 2000 in Europees verband de Kaderrichtlijn Water (KRW) opgesteld. Deze richtlijn is erop gericht een goede kwaliteit van Europese wateren te waarborgen. Middelen uit de KRW om dit te bereiken zijn onder anderen het aanpakken van lozingen, het verminderen van grondwaterverontreinigingen en het bevorderen van duurzaam watergebruik. Verder staan voor verschillende type waterlichamen richtlijnen beschreven voor het zuurstofgehalte, biodiversiteit en concentraties zware metalen en andere stoffen. Als aanvulling op de KRW zijn in de periode na 2000 verschillende andere Europese kaderrichtlijnen opgesteld voor het behoud of verbetering van waterkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn de Kaderrichtlijn Mariene Strategie voor bescherming van zoutwatergebieden en de Kaderrichtlijn Zwemwater. In navolging van de KRW is in Nederland de Waterwet opgesteld om de Europese doelen op het gebied van waterkwaliteit te halen. Deze wet stamt uit 2009 en was er tevens op gericht om wet- en regelgeving te stroomlijnen. Zo zijn acht oorspronkelijke wetten samengebundeld tot de nieuwe Waterwet en vervangt de Watervergunning verschillende vergunningen die voorheen los van elkaar aangevraagd dienden te worden.
Bovendien tracht de Waterwet de cohesie tussen het huidige waterbeleid en de ruimtelijke ordening te vergroten. Onderdeel van de Waterwet is het Nationaal Waterplan waarin de Nederlandse visie en het strategisch beleid voor water en ruimtelijke ordening is vastgelegd. Daarnaast vormt dit het kader voor regionale waterplannen en de beheerplannen van waterschappen. Het Nationaal Waterplan wordt elke zes jaar herzien en de geldigheidsduur van het huidige Nationaal Waterplan 2022-2027 loopt van 23 december 2021 tot 22 december 2027. Voor meer praktische en algemene aangelegenheden, waaronder aanpassingen in het watersysteem of bemalingen, is de Keur en Legger van het betreffende waterschap de wettelijke regeling.
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 84
Provinciaal Op provinciaal niveau wordt het wettelijke kader en beleid bepaald door de Omgevingsvisie Groningen26. De Omgevingsverordening is één van de uitvoeringsinstrumenten voor de provincie om haar doelen met betrekking tot water te realiseren. In de provincie Groningen wordt in de waterwingebieden Onnen - De Punt en Sellingen grondwater opgepompt en voor drinkwater gebruikt. Om dat gebied heen liggen de grondwaterbeschermingsgebieden om grondwatervoorraden in Groningen te beschermen voor de drinkwatervoorziening. Waterwingebied Onnen-De Punt ligt ten zuiden van Haren tussen Eelde en Hoogezand. Het grondwaterbeschermingsgebied van Sellingen ligt in het zuidoosten van de provincie Groningen. Het ligt ten noorden van Ter Apel vlakbij de grens met Duitsland. Beide waterwingebieden en de bijbehorende omliggende grondwaterbeschermingsgebieden liggen op ruime afstand van het plangebied. Figuur 11.1 Voorzieningsgebied van de grondwaterwinningen van Waterbedrijf Groningen
26
Omgevingsvisie Groningen 2016-2020, (geconsolideerde versie juni 2022)
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 85
Waterschap Hunze en Aa’s De waterbeheerplannen van het waterschap sluiten aan bij de Europese, nationale en provinciale wetgeving. Waterschap Hunze en Aa’s heeft het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. Het Waterbeheerprogramma geeft in hoofdlijnen de ambities van het waterschap weer op het gebied van waterveiligheid, voldoende water en schoon en ecologisch gezond water. Het geeft inzicht in de stand van zaken en verdere aanpak van de opgaven en maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water en de Deltaplannen Waterveiligheid, Zoetwater en Ruimtelijke Adaptatie. Meer dan in eerdere beheerprogramma’s is er in deze versie aandacht voor klimaatverandering en maatschappelijke thema’s zoals het Klimaatakkoord, duurzaamheid, recreatief medegebruik, energietransitie en biodiversiteit. Voor meer praktische en algemene aangelegenheden, waaronder aanpassingen in het watersysteem of bemalingen, is de Keur27 van het Hunze en Aa’s de wettelijke regeling. Zo dienen bijvoorbeeld ingrepen met betrekking tot grondwater altijd gemeld te worden bij het Waterschap. In de Keur staat beschreven of voldaan kan worden met een melding of een vergunning moet worden aangevraagd Voor werken in- en nabij waterstaatswerken geldt een vergunning- en of meldingsplicht bij het waterschap. Zo staat het waterschap bijvoorbeeld niet toe dat windturbines in watergangen geplaatst worden.
Voor hoofdwatergangen (hierna: primaire watergangen) geldt bovendien een beschermingszone van 5 meter, gerekend vanaf de insteek. Een vereenvoudigde weergave van een primaire watergang is weergegeven in Figuur 11.2. Figuur 11.2 Primaire watergang
Bron: Pondera Consult
De beschermingszone heeft als doel een goede werking van de watergangen te garanderen en dient daarom geheel vrij te blijven van obstakels. De beschermingszone is tevens bedoeld voor inspectie en onderhoud. Installaties, terreinen, toegangswegen en kabels dienen dus zodanig aangelegd te worden dat het onderhoud van een watergang gewaarborgd blijft. Er is een watervergunning vereist wanneer windturbines binnen deze beschermingszone geplaatst worden. Voor alle overige watergangen (hierna: secundaire watergangen), waaronder de verschillende type sloten, geldt geen beschermingszone.
27
Keur Waterschap Hunze en Aa’s (2010)
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 86
Watergangen in het plangebied zijn opgenomen in de Legger en worden beschermd door de Keur. Aanpassingen aan zowel primaire als secundaire watergangen (bijvoorbeeld verlegging of demping) is zonder goedkeuring van het waterschap niet toegestaan. Hiervoor dient in veel gevallen een watervergunning aangevraagd te worden. Ten slotte mag het afstromende hemelwater niet worden vervuild. Dit kan worden voorkomen door het gebruik van niet-uitlogende (bouw)materialen en bij transformatoren door deze te plaatsen boven een lekbak met een bodembeschermende laag waarbij het water alleen via een gecertificeerde olie/waterscheider plaats kan vinden. Als het af te voeren water wel is vervuild, dient het gezuiverd te worden voordat lozing op het wateroppervlak plaatsvindt. In het Activiteitenbesluit Milieubeheer zijn regels beschreven voor het lozen op het oppervlaktewater. Een specifiek effect in het kader van het huidige plan betreft de zogenaamde veenoxidatie welke optreedt wanneer percelen structureel worden ontwaterd. Het Waterschap Hunze en Aa’s heeft het tegengaan van veenoxidatie als ambitie in haar beleid opgenomen. De gemeente onderzoekt samen met provincie en waterschap de kansen om in het plangebied veenoxidatie te reduceren. Eerste analyses tonen aan dat mogelijk circa 9000 ton uitstoot van CO2 per jaar zou kunnen worden voorkomen door het water in het peilgebied te verhogen.
Daarbij is het uitgangspunt dat de te nemen maatregelen niet voor overlast voor omwonenden zorgen. In het kader van de aanleg van de onderdelen van het voornemen vindt mogelijk ontwatering plaats die tijdelijk extra veenoxidatie kan veroorzaken. In hoofdstuk 14 wordt in meer detail ingegaan op de mogelijke maatregelen tegen veenoxidatie.
Gemeente Groningen De gemeente heeft een aantal zorgplichten die zijn vastgelegd in het Groninger Water en Rioleringsplan (GWRP Groningen 2020-2024) Hieronder vallen onder andere:
11.1.1
Zorgplicht afvalwater: inzameling en transport van het binnen gemeentelijk gebied geproduceerd stedelijk afvalwater, waarbij ongewenste emissies naar oppervlaktewater, bodem, grondwater worden voorkomen;
Zorgplicht hemelwater: doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater, waarbij zo min mogelijk overlast voor de omgeving wordt veroorzaakt (in de breedste zin van het woord)
Zorgplicht grondwater: beperken van structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming in het openbaar gemeentelijk gebied;
Bodembeleid en wetgeving
De Wet bodembescherming (Wbb) is erop gericht bodemkwaliteit te waarborgen of te verbeteren indien nodig. De wet schrijft voor dat eenieder die de bodem verontreinigt verplicht is maatregelen te nemen om deze verontreiniging tegen te gaan. Daarnaast staat ook beschreven op welke manier te handelen indien het een historische bodemverontreiniging betreft. Vanuit de Wet bodembescherming heeft de gemeente een aantal wettelijke taken voor de bescherming van de bodemkwaliteit. Eén van deze taken is het beheren van de benodigde informatie over de bodem en het verlenen van bijvoorbeeld ontgrondingsvergunningen voor ingrepen in de bodem. Tijdens de bouw van een HS-station en een zonneveld vindt op verschillende momenten bodemverstoring plaats. Zo wordt bijvoorbeeld grond afgegraven voor de aanleg van fundering, bekabeling en toegangswegen. Daarnaast wordt ook vaak grond van elders toegepast als versteviging of verhoging van
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 87
het bestaande oppervlakte. Regelgeving voor toepassing van grond en bouwstoffen alsmede de vereiste kwaliteit hiervan staan beschreven in het Besluit Bodemkwaliteit. Veel gemeenten, waaronder de gemeente Groningen, gebruiken daarnaast de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB) als leidraad voor bodembeleid. De NRB is een harmoniserend instrument voor de beoordeling van de noodzaak en redelijkheid van bodembeschermende maatregelen en voorzieningen. De richtlijn geeft voor bodembedreigende bedrijfsmatige activiteiten een beschrijving van geschikte combinaties van voorzieningen en maatregelen (cvm). Deze zijn gebaseerd op de stand der techniek, die is vastgelegd in kennisdocumenten en beoordelingsrichtlijnen. In de NRB staat het begrip ‘verwaarloosbaar bodemrisico' centraal. Voorzieningen en maatregelen moeten een verwaarloosbaar bodemrisico realiseren voor de duur van de bedrijfsmatige activiteiten. De gemeente Groningen heeft in februari 2021 gemeentelijke Nota bodembeheer 2021 vastgesteld. In de Nota staat hoe de gemeente omgaan met bodemverontreinigingen en welke mogelijkheden er zijn voor het toepassen en hergebruiken van grond. De Nota geeft regels en richtlijnen voor iedereen die bij het voorbereiden van projecten of het uitvoeren van bodemwerken rekening moet houden met de kwaliteit van de bodem. De Nota is onlosmakelijk verbonden met de bodemkwaliteitskaart (BKK).
De bodemkwaliteitskaart is een kaart waarop de bodemkwaliteit binnen een bepaald gebied is aangegeven.
11.1.2
Beoordelingskaders waterhuishouding en bodem
Water Het thema waterhuishouding is in dit MER beoordeeld op een aantal criteria, deze staan in Tabel 11.1 en de bijbehorende beoordelingsschaal in Tabel 11.2. De scores weergegeven in de beoordelingsschaal zijn ten opzichte van de referentiesituatie. Tabel 11.1 Beoordelingscriteria water Beoordelingscriteria
Effectbeoordeling
Waterkwaliteit
Mate van aantasting van de kwaliteit van het grondwater door de grondroerende werkzaamheden bij de aanleg van het HS-station, de zonnevelden, infrastructuur en kabels, plus het effect van eventuele bemalingen. Mate van aantasting van het grond- en oppervlaktewater op de lange termijn door het gebruik van uitlogende stoffen, en het lozen van water van de bodembeschermende oppervlakken onder de transformatoren.
Effect op waterkwantiteit
Effecten van de posities van bouwwerken op het watersysteem, met name dempingen. Toename verhard oppervlakte (effect op waterbergend vermogen en versnelling hemelwaterafvoer)
Tabel 11.2 Beoordelingsschaal water Score
Negatief (--)
Licht negatief (-)
Geen effect (0)
Positief (+)
Waterkwaliteit
De grondwaterkwaliteit neemt af
De grondwaterkwaliteit neemt licht af
Er is geen effect op de grondwaterkwaliteit
De grondwaterkwaliteit neemt toe
Waterkwantiteit
De posities van bouwwerken hebben een sterk negatief
De posities van bouwwerken hebben
Er zijn geen effecten op het watersysteem
Er zijn (gering) positieve effecten op het watersysteem
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 88
effect op het watersysteem.
een negatief effect op het watersysteem.
Hemelwater wordt versneld afgevoerd en het bergend vermogen neemt sterk af.
Hemelwater wordt versneld afgevoerd en het bergend vermogen neemt af.
Hemelwaterafvoer wordt niet versneld en het bergend vermogen neemt niet af.
Hemelwaterafvoer wordt vertraagd en het bergend vermogen neemt toe
Bodem Het thema bodem is in dit MER beoordeeld op bodemkwaliteit volgens de criteria zoals opgenomen in Tabel 11.3. De bijbehorende beoordelingsschaal staat in Tabel 11.4. Tabel 11.3 Beoordelingscriterium bodem Beoordelingscriteria
Effectbeoordeling
Bodemkwaliteit
Effecten van verdroging ondergrond door afvang hemelwater Effecten van verarming ondergrond door afname lichtinval op ondergrond onder de zonnepanelen
Bodemverontreiniging
Mate van toename van (risico op) bodemverontreiniging, met name door de transformatoren
Tabel 11.4 Beoordelingsschaal bodem Score
Negatief (--)
Licht negatief (-)
Geen effect (0)
Positief (+)
Bodemkwaliteit
Sterke verdroging en verarming van ondergrond
Lichte verdroging en/of verarming van ondergrond
Geen effecten op bodemkwaliteit
Betere bewatering van droge gronden en verrijking ondergrond
Bodemverontreiniging
Veroorzaken van bodemverontreiniging
Kans op bodemverontreiniging
Geen effecten op bodemkwaliteit
Aanwezige bodemverontreiniging wordt gesaneerd
11.2 Effectbeoordeling Bodem 11.2.1
Zonnepark
Verontreiniging van de bodem Voor de aanleg van het zonneveld zijn geen grootschalige bodemingrepen aan de orde. De tafels worden meestal in de bodem verankerd middels (schroef)palen (tot 1,5 meter diep). Uit beschikbare gegevens over bodemverontreinigingen is niet gebleken dat er (historische) bodemverontreinigingsgebieden in het plangebied aanwezig zijn, maar er is nog wel nader onderzoek nodig om dit volledig uit te sluiten. Het gegalvaniseerde staal waarvan de rekken, die dienen om de panelen te ondersteunen, meestal van gemaakt zijn, zal tot enige metaalbelasting van de bodem kunnen leiden. De mate waarin dit gebeurt is echter afhankelijk van de oppervlakte van het verzinkte staal waar regenwater langs loopt. De manier waarop de verschillende tafels worden gebouwd is daarbij dus van cruciaal belang. Met zorg ontworpen zonnepanelen zullen eventuele effecten van uitloging sterk kunnen beperken. De zonnevelden zullen daardoor (nagenoeg) geen verontreinigende effecten op de bodem hebben (score ‘-/0’).
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 89
Lichtinval, biodiversiteit, bodemkwaliteit Eén van de grootste effecten die zonnevelden op de bodem kunnen hebben, is vermindering van de hoeveelheid zonnestraling die doordringt tot op de bodem. Het aantal wetenschappelijk studies naar dit onderwerp is beperkt, maar de aanwezigheid van zonnevelden lijkt een negatief effect te kunnen hebben op de biodiversiteit, bodemkwaliteit en de CO2-fluxen tussen bodem en atmosfeer.28 Kader 11.1 De levende bodem
Organische stof vervult een sleutelrol in de bodem. De meeste organische stof op of in de bodem is primair afkomstig van plantengroei en wordt gemaakt via fotosynthese, waarvoor zonlicht is vereist. Een vruchtbare bodem is rijk aan organische stof, houdt water goed vast en bevat veel voedingsstoffen voor planten. Hoe vruchtbaarder de grond, hoe beter we gewassen kunnen produceren als voedsel voor mensen en dieren. Een gezonde bodem voor de landbouw is niet per definitie het beste voor behoud van de biodiversiteit aan wilde planten en de insecten en vogels die daarvan profiteren. In de gangbare landbouw blijft door intensieve grondbewerking, bemesting en chemische bestrijding van ongewenste organismen weinig ruimte over voor de natuurwaarden. Enkele decennia geleden was er veel ruimte voor wilde planten, insecten, zoogdieren en vogels. Het natuurbeleid en -beheer in Nederland streeft ernaar zo veel mogelijk van die soorten verbonden aan het oude soortenrijke (bio-diverse) cultuurlandschap te behouden. Een minder intensief bewerkte bodem of een bodem die een tijd met rust wordt gelaten zal meer waarde voor de natuur ontwikkelen. Bron: WUR, Zonneparken, natuur en landbouw (2019)
De mate van plantengroei op de bodem is voor een groot deel afhankelijk van de hoeveelheid licht die de bodem bereikt. Wanneer de bodem (deels) wordt afgedekt en dus minder licht krijgt, zal de bodem minder organische stof produceren, wat een negatief effect heeft op de bodemkwaliteit. Hierdoor ontwikkelt (toekomstige) vegetatie zich slechter. Bovendien kan dit direct effect hebben op het bestaande voedselweb. De hoeveelheid zonlicht die de bodem bereikt is afhankelijk van het aantal, de positie en de grootte van de tafels. Andere belangrijke factoren voor plantengroei zijn de bodemvruchtbaarheid en de aanwezige hoeveelheid water. Uit het beperkte aanbod aan wetenschappelijk studies blijkt dat zonnepanelen een aanzienlijk effect kunnen hebben op de hoeveelheid licht die de bodem bereikt. In een zonneveld waarin de panelen de helft van de grond bedekten was de hoeveelheid licht onder de panelen (ten opzichte van een situatie zonder panelen) 55% tot 85% minder. Deze panelen waren geplaatst op 1 meter hoogte. Wanneer de zonnepanelen hoger worden geplaatst is de reductie van het totale zonlicht dat de bodem bereikt minder, met name doordat diffuus licht gemakkelijker de bodem onder de panelen bereikt.
Bij één studie werd 50 tot 90 procent minder fotosynthese gemeten bij gras onder zonnepanelen van een drie jaar oud zonneveld.29 Dit resulteerde in een lagere soortenrijkdom van planten en een lagere
28
Kok et al. (2017). Zonneparken en bodemafdekking. Bodem 4:18-21. Armstrong, A., Ostle, N. J., & Whitaker, J. (2016). Solar park microclimate and vegetation management effects on grassland carbon cycling. Environmental Research Letters, 11(7), 074016.
29
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 90
bovengrondse biomassa van de bodem direct onder de tafels, in vergelijking met de bodem tussen en buiten de panelen. De beoordeling van het effect van zonnepanelen hangt dus in grote mate af van de plaatsing van de verschillende tafels. Een tweede belangrijke factor is het huidige gebruik van de grond. Volgens Klaassen et al. (2018)30 kan een ecologische inrichting van zonnevelden met extensief beheerde vegetaties juist ook positieve effecten op de structuur en kwaliteit van de bodem hebben. Dit is met name zoals de referentiesituatie bestaat uit intensieve landbouwgrond. De verwachte levensduur van zonnevelden is vijftien tot mogelijk wel dertig jaar. Deze lange braakliggende periode geeft de grond de kans om tot rust te komen en de bodemkwaliteit te herstellen en te verbeteren, als aan bepaalde punten wordt voldaan. De genoemde specifieke aandachtspunten zijn: Het voorkomen van bodemverdichting tijdens de aanleg van zonnevelden Het voorkomen van vervuiling van de bodem met zink door het gebruik van verzinkte palen Erosie en uitspoeling door (te) vlak en dicht aaneengesloten tafels (dit belemmert de ontwikkeling van vegetatie) Bovendien blijkt uit andere studies31, 32 dat de effecten van de vermindering van het zonlicht bij de beplanting van de juiste gewassen onder de zonnepanelen minder negatief of zelfs positief kan zijn.
Er zijn bijvoorbeeld gewasopbrengsten mogelijk die slechts 5% (bepaalde grasklavermengsels) of 18 tot 19% (aardappels, tarwe) lager zijn dan op normaal bebouwde landbouwakkers. Ook zijn er bepaalde schaduwminnende planten die juist profiteren van beschaduwing. Voor sommige plantensoorten gold een toename van de drogestofproductie bij een zonlichtreductie tot 50%. Een significante afname was pas het geval als 10% of minder van het totale zonlicht de bodem bereikte.
Effectbeoordeling De effecten van zonnevelden op de bodem zijn complex, en in grote mate afhankelijk van de opstelling van de tafels, de huidige functie van de gronden, en de manier waarop er vervolgens met de bodem wordt omgegaan. Uit de wetenschappelijke literatuur blijkt dat de bio-processen zoals fotosynthese in sommige gevallen kunnen afnemen, maar tegelijkertijd kan er met de juiste beplanting en tafelopstelling eventueel zelfs een toename van de drogestofproductie plaatsvinden. Toch kan worden gesteld dat zowel een grotere oppervlakte als een grotere dichtheid van zonnepanelen leiden tot een groter effect op de grond door een grotere belemmering van zoninval en directe regenval. Tabel 11.5 Effectbeoordeling bodem (zonnepark) Beoordelingscriterium
Oppervlakte
Afstand tussen rijen zonnepanelen
Min 125 Ha
Gem 150 Ha
Max 175 Ha
0,5 meter
2,5 meter
3,4 meter
6,0 meter
Bodemkwaliteit
-
-/--
--
--
--
-
-
Bodemverontreiniging
‘0/-’
‘0/-’
‘0/-’
‘0/-’
‘0/-’
‘0/-’
‘0/-’
30
Klaassen, R. H., Schaub, T., Ottens, H. J., Schotman, A. G. M., Snethlage, J., & Mol, G. (2018). Literatuurstudie en formulering richtlijnen voor een ecologische inrichting van zonneparken in de provincies Groningen en Noord-Holland: Eindrapportage. University of Groningen. 31 Fraunhofer Institute for Solar Energy Systems ISE, 2017. Harvesting the Sun for Power and Produce – Agrophotovoltaics Increase the Land Use Efficiency by over 60 Percent 32 Semchenko, M., Lepik, M., Götzenberger, L., & Zobel, K. (2012). Positive effect of shade on plant growth: amelioration of stress or active regulation of growth rate?. Journal of ecology, 100(2), 459-466.
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 91
11.2.1
HS-station
Binnen het HS-station worden (vloei-)stoffen gebruikt, met name olie in de transformatoren, welke bij calamiteiten kunnen leiden tot verontreinigingen van de bodem. Echter er dient en zal op grond van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB) een zodanige combinatie van maatregelen worden getroffen dat er sprake zal zijn van een verwaarloosbaar bodemrisico. Voor bodemverontreiniging scoort het HS-station daarom voor elke locatie neutraal (‘0’). Het station bestaat voornamelijk uit verhardingen en gebouwen, waardoor onafhankelijk van de gekozen locatie een verslechtering van de kwaliteit van de bodem zal ontstaan (inklinken, minder directe zon- en regen val). Alle varianten scoren daarom gelijk (‘-‘). Tabel 11.6 Effectbeoordeling bodem (HS-station) Beoordelingscriterium
Noord
West
Zuid
Oost
Midden
Bodemkwaliteit
-
-
-
-
-
Bodemverontreiniging
‘0’
‘0’
‘0’
‘0’
‘0’
Omdat dit onderdeel niet onderscheidend is voor de locatiekeuze van het HS-station, worden de beoordelingen niet betrokken bij de locatiekeuze in hoofdstuk 15.
11.1
Effectbeoordeling Water
Grondwater Om tijdens het bouwproces activiteiten uit te kunnen voeren in een droge bouwput, zal tijdelijk bemaling van het grondwater nodig zijn. Na afsluiting van het bouwproces zal de normale grondwaterstand weer hersteld worden, waardoor negatieve effecten op de kwantiteit en kwaliteit van het grondwater niet worden verwacht. Oppervlaktewater Water dat onttrokken dient te worden tijdens bemaling zal worden geloosd op het oppervlaktewater. Voor het lozen van bemalingswater zal een vergunning benodigd zijn van het waterschap. Zij zullen controleren of wordt voldaan aan de gestelde lozingsnormen. Het type vergunningaanvraag is afhankelijk van de hoeveelheid en de kwaliteit van het water. Om de installaties bereikbaar te maken zullen toegangswegen gerealiseerd moeten worden en zullen mogelijk kleine aanpassingen aan het watersysteem moeten plaatsvinden. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het aanbrengen van duikers of het realiseren van watercompensatie. Dit zijn ingrepen met slechts kleine gevolgen voor het watersysteem, maar zijn (mogelijk) vergunning plichtig en dienen te gebeuren in overleg met het waterschap. Bij de planuitwerking zal worden voldaan aan de ontwerpcriteria van de waterbeheerder. De effecten van de aanlegfase op het oppervlaktewater zijn neutraal beoordeeld. Tijdens de aanlegfase zal gebruik worden gemaakt van opstelplaatsen voor o.a.
bouwmateriaal en (tijdelijke) toegangswegen (tevens voor beheer en onderhoud). Deze verstoringen, en de verstoring van de deklaag hebben een tijdelijk karakter. Mogelijk kan bij de aanleg een toename aan kwel voorkomen, echter de omvang hiervan is naar verwachting beperkt.
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 92