Bijlage 3 Milieueffectrapport Meerstad-Noord.pdf
Tekst van het document
Milieueffectrapport MeerstadNoord Meerstad-Noord Gemeente Groningen 721067 | V4.0 06/02/2023
Pondera
Colofon Soort document
Hoofdvestiging Nederland Amsterdamseweg 13 6814 CM Arnhem 088 – pondera (088-7663372) info@ponderaconsult.com
Postadres Postbus 919 6800 AX Arnhem
Vestiging South East Asia Jl. Mampang Prapatan XV no 18 Mampang Jakarta Selatan 12790 Indonesia
Vestiging North East Asia Suite 1718, Officia Building 92 Saemunan-ro, Jongno-gu Seoul Province Republic of Korea
Milieueffectrapport Meerstad-Noord
Projectnaam Meerstad-Noord
Versienummer Definitief V3.0
Datum 15-12-2022
Project nummer 721067
Opdrachtgever Gemeente Groningen
Auteurs Dion Oude Lansink (Pondera), Joeri de Bekker (OVSL, landschapsarchitect).
Nagekeken door Marjolein Pigge
Disclaimer In het onderzoek is gebruik gemaakt van algemeen geaccepteerde uitgangspunten, modellen en informatie die ten tijde van het opstellen van dit rapport ter beschikking stonden. Aanpassingen in de uitgangspunten, modellen of gebruikte gegevens kunnen leiden tot andere uitkomsten. De aard en de nauwkeurigheid van de gebruikte gegevens voor het onderzoek bepalen in belangrijke mate de nauwkeurigheid en de onzekerheden van de berekende uitkomsten. Pondera is niet aansprakelijk voor gederfde inkomsten of schade die wordt geleden door opdrachtgever(s) en/of derden uit conclusies die gebaseerd zijn op gegevens die niet van Pondera afkomstig zijn. Deze rapportage is opgesteld met de intentie dat deze alleen gebruikt wordt door de opdrachtgever en slechts voor het doel waarvoor de rapportage is opgesteld. Er mag geen beroep worden gedaan op de informatie uit deze rapportage voor andere doeleinden zonder schriftelijke toestemming van Pondera. Pondera is niet verantwoordelijk voor de consequenties die kunnen voortvloeien uit het oneigenlijk gebruik van de rapportage. De verantwoordelijkheid voor het gebruik van (de analyse, resultaten en bevindingen in) de rapportage blijft bij de opdrachtgever. De Rechtsverhouding opdrachtgevers – architect, ingenieur en adviseur conform DNR 2011 is te allen tijde van toepassing.
Samenvatting Inleiding Om het doel van de gemeente Groningen om in 2035 CO2-neutraal zijn te halen is in totaal 950 Megawatt (MW) aan zonnestroom nodig waarvan 450 MW opgewekt op daken aangevuld met 500 MW aan zonneparken1. Eén van de aangewezen gebieden voor dit laatste is ‘Meerstad-Noord” in polder Lageland ten oosten van de stad Groningen. Hier wil de gemeente een zonnepark realiseren met een omvang van tussen 125 en 175 Ha, met daarbij een hoogspanningsstation (HS-station) en een groene zone om het zonnepark heen. Een milieueffectrapportageprocedure is hiervoor wettelijk niet verplicht maar er is besloten om deze procedure vrijwillig te doorlopen omwille van een goede en duidelijke afweging, alsmede wegens een meer open communicatie met extra inspraakmomenten.
Stap 1: PlanMER Stap 1 is het plan-MER. Dit betreft de onderbouwing van de locatiekeuze voor een zonnepark met HSstation binnen de gemeente Groningen. Onderzocht is of er alternatieve locaties beschikbaar zijn om het project te realiseren en of deze zwaarwegende voor- of nadelen hebben vanuit het oogpunt van milieueffecten ten opzichte van de voorziene locatie. Op grond van de omvang van het project, het gemeentelijke beleid en een wenselijke afstand tot woningen zijn er twee alternatieve locaties aangewezen in het MER. Deze blijken beide op basis van milieueffecten echter geen zwaarwegende voor- of nadelen te hebben ten opzichte van de gekozen locatie.
Stap 2: ProjectMER Stap 2 is het project-MER. In het project-MER wordt onderzoek gedaan naar concrete inrichtingsalternatieven voor het plangebied, dus op de voorziene locatie, en de milieueffecten daarvan. De variaties in de inrichting van het gebied welke zijn onderzocht betreffen: • Vijf mogelijke posities het HS-station noord, zuid, oost, west en midden (zie figuur 0.1); • Het totale oppervlakte van de zonnepanelen (125, 150 of 175 Ha); • De oriëntatie van de zonnepanelen: noord-zuid of oost-west; • De hoogte van de zonnepanelen; • De onderlinge afstand tussen de rijen zonnepanelen.
1
“Beleidskader Zonneparken 2021-2025” (gepubliceerd nov 2021)
Figuur 0.1.1 Plangebied, globale indeling, bestaande objecten en autonome ontwikkelingen
Analyse locatie HS-station De vijf mogelijke posities (noord, zuid, oost, west en midden) zijn vergeleken op grond van de volgende milieueffecten: 1. Magnetische velden. Hiervoor zijn geen wettelijke normen. Op basis van nationaal beleid en vergelijkbare stations kan een worstcase afstand van 65 meter tussen de grenzen van het station en woningen worden aangehouden. Alle locaties voldoen hier ruim aan. Magnetische velden zijn daarom niet locatie-onderscheidend. 2. Geluid. Transformatoren produceren geluid met een laagfrequente component (LFG). Voor alle vijf varianten is op basis van de Vercammen-toets vastgesteld dat hinder binnen woningen door laagfrequent geluid niet te verwachten is. Ook is het geluid in relatie tot het reeds aanwezige geluid in het plangebied niet duidelijk onderscheidend voor de locatiekeuze hoewel met name de noordelijke en westelijke locaties daar licht slechter scoren. Het aantal gehinderden blijft voor alle locaties ongeveer evenveel beperkt. De noordelijke locatie scoort tenslotte relatief slecht op de hoogte van de absolute geluidbelasting op de gevels van woningen. 3. Cultuurhistorie/archeologie. Er is een lichte voorkeur voor de oostelijke en midden locatie met name wegens archeologische waarden. 4. Landschap.
De noordelijke en zuidelijke locaties, welke beide buiten de grenzen van het zonnepark en buiten het plangebied liggen, scoren relatief slechter op de beoordeling van de landschappelijke inpassing. 5. Veiligheid. Veiligheidseffecten op woningen spelen bij geen van de locaties een rol gezien de afstanden. Vooral locatie Noord, maar ook Oost en Midden zijn op of dichtbij ondergrondse gastransportleidingen gelegen en voor deze drie locaties is de kans op het kruisen van de
6.
ontsluitende ondergrondse elektriciteitsleidingen met bestaande gastransportleidingen het grootste. Ruimtegebruik. De noordelijke en zuidelijke locaties scoren relatief slecht op ruimtegebruik omdat zij buiten het plangebied zijn gelegen en daarom extra ruimte innemen welke nu agrarisch wordt gebruikt.
Samengevat scoren de zuidelijke en noordelijke locaties relatief slecht. Het verschil tussen de overige drie is minder groot. De oostelijke locatie scoort licht beter op de mogelijke effecten op de gastransportinfrastructuur. Analyse ontwerp Zonnepark/groene buffer Het ontwerp van het zonnepark en daarmee de groene buffer bestaat uit vijf variabelen waarbij hieronder kort de onderscheidende effecten van de ontwerpkeuzes op het milieu wordt omschreven. 1. Het oppervlakte van het zonnepark: 125, 150 of 175 Ha. Een groter oppervlak leidt tot een evenredige verhoging van de hoeveelheid opgewekte duurzame energie, maar gaat ten koste van de groene buffer en daarmee van de potentie om de natuurwaarde binnen het plangebied te vergroten. Een groter oppervlak heeft wel effect op een groter gebied met een archeologische verwachtingswaarde, maar dit kan goed door middel van vooronderzoek in het veld (boringen) en waar nodig opgevolgd door het opgraven, documenteren, conserveren, rapporteren en deponeren van waarden worden gemitigeerd. 2. De afstand tussen de panelen: 0,5 meter, 3,4 meter of 6 meter. Een kleinere afstand tussen de panelen verhoogt de duurzame energieproductie per Ha zonnepark, maar bij een onderlinge afstand van 2 meter of meer wordt de potentie voor natuurontwikkeling binnen het zonnepark significant hoger. 3.
De oriëntatie van de panelen: Zuid-georiënteerd of Oost-West georiënteerd. Zuid oriëntatie levert theoretisch iets meer duurzame energie, maar de het verschil tussen de productiepieken en -dalen zijn wel groter en daarmee lastiger in te passen op het netwerk. 4. De hoogte van de panelen. Hogere panelen kunnen een meerwaarde hebben voor zonlicht en daarmee voor de potentie voor natuurwaarden onder de panelen.
Inhoudsopgave 1 Inleiding 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7
2 Beleid 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6
36
Methodiek van landschappelijke effectbeoordeling _____________________________________ 36 Beleid en beoordelingskader ______________________________________________________ 36 Referentiesituatie _______________________________________________________________ 40 Effectbeoordeling _______________________________________________________________ 40 Mitigerende maatregelen _________________________________________________________ 48 Samenvatting effectbeoordeling ___________________________________________________ 48 Leemten in kennis ______________________________________________________________ 49
6 Natuur 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6
25
Voornemen ___________________________________________________________________ 25 Alternatieven __________________________________________________________________ 27 Referentiesituatie en autonome ontwikkelingen _______________________________________ 28 Cumulatie _____________________________________________________________________ 30 Vereenvoudiging alternatieven voor de effectbeoordeling _______________________________ 30 Selectie voorkeursalternatief ______________________________________________________ 33 Beoordelingskader voor de effectbeoordeling _________________________________________ 34
5 Landschap 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7
20
Inleiding ______________________________________________________________________ 20 Analyse ______________________________________________________________________ 20
4 Inrichtingsalternatieven en wijze van beoordelen 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7
12
Inleiding ______________________________________________________________________ 12 Mondiaal en Europees beleid _____________________________________________________ 12 Rijksbeleid ____________________________________________________________________ 13 Provincie Groningen ____________________________________________________________ 16 Gemeente Groningen ___________________________________________________________ 18 Conclusie beleidskader __________________________________________________________ 19
3 Locatieonderbouwing 3.1 3.2
1
Aanleiding _____________________________________________________________________ 1 Begrenzing projectgebied en voornemen _____________________________________________ 2 Procedure, besluitvorming en de rol van de milieueffectrapportage _________________________ 3 Procedure en besluitvorming _______________________________________________________ 6 M.e.r.-procedure ________________________________________________________________ 7 Initiatiefnemers en bevoegd gezag _________________________________________________ 11 Leeswijzer ____________________________________________________________________ 11
50
Beleid, wetgeving en beoordelingskader _____________________________________________ 50 Bepaling effecten _______________________________________________________________ 51 Referentiesituatie _______________________________________________________________ 54 Effectbeschrijving en beoordeling __________________________________________________ 55 Cumulatie _____________________________________________________________________ 60 Mitigerende maatregelen _________________________________________________________ 60
7 Geluid 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6
Referentiesituatie _______________________________________________________________ 62 Rekenresultaten en effectbeoordeling _______________________________________________ 62 Mitigerende maatregelen _________________________________________________________ 65 Samenvatting effectbeoordeling ___________________________________________________ 65 Leemten in kennis ______________________________________________________________ 66
8 Veiligheid 8.1 8.2 8.3 8.4
96
Beleid, wetgeving en beoordelingskader _____________________________________________ 96 Referentiesituatie _______________________________________________________________ 96 Effectbeoordeling _______________________________________________________________ 96
14 Waterpeil en Veenoxidatie 14.1 14.2
94
Beleid, wetgeving en beoordelingskader _____________________________________________ 94 Referentiesituatie _______________________________________________________________ 94 Effectbeoordeling _______________________________________________________________ 94
13 Ruimtegebruik 13.1 13.2 13.3
84
Beleid, wetgeving en beoordelingskader _____________________________________________ 84 Effectbeoordeling Bodem ________________________________________________________ 89 Effectbeoordeling Water _________________________________________________________ 92 Mitigerende maatregelen _________________________________________________________ 93
12 Duurzame elektriciteitsopbrengst en vermeden emissies 12.1 12.2 12.3
73
Inleiding ______________________________________________________________________ 73 Beleid, wetgeving en beoordelingskader _____________________________________________ 73 Referentiesituatie _______________________________________________________________ 76 Effectbeoordeling _______________________________________________________________ 78 Leemte in Kennis _______________________________________________________________ 82
11 Bodem en water 11.1 11.2 11.1 11.2
71
Beleid, wetgeving en beoordelingskader _____________________________________________ 71 Referentiesituatie _______________________________________________________________ 71 Effectbeoordeling _______________________________________________________________ 71 Mitigerende maatregelen _________________________________________________________ 72 Leemten in kennis ______________________________________________________________ 72
10 Cultuurhistorie en archeologie 10.1 10.2 10.3 10.4 10.5
67
Beleid, wetgeving en beoordelingskader _____________________________________________ 67 Referentiesituatie _______________________________________________________________ 67 Effectbeoordeling _______________________________________________________________ 67 Mitigerende maatregelen _________________________________________________________ 70
9 Magnetische velden 9.1 9.2 9.3 9.4 9.5
61
97
Inleiding ______________________________________________________________________ 97 Inrichten voor veenbehoud _______________________________________________________ 98
15 Afweging/ voorkeursalternatief Bijlage 1: Stikstofberekening Aerius Bijlage 2: Akoestisch onderzoek Bijlage 3: Energieopbrengst berekeningen
102 105 106 107
1
Inleiding
1.1 Aanleiding De gemeente Groningen wil in 2035 CO2-neutraal zijn. Om dat doel te halen is volgens het “Beleidskader Zonneparken 2021-2025” (gepubliceerd nov 2021) in totaal 950 Megawatt (MW) aan zonnestroom nodig. 450 MW van deze energie wordt opgewekt op daken van woningen, instellingen en bedrijven. Daarnaast is er 500 MW aan grondgebonden zonneparken nodig. Eén van de aangewezen gebieden voor grondgebonden zonneparken is polder Lageland ten oosten van de stad Groningen. De gemeente Groningen heeft het voornemen in het gebied polder Lageland de realisatie van een zonnepark mogelijk te maken, met brede ecologische buffer, en de realisatie van een hoogspanningsstation. Deze ontwikkeling wordt Meerstad-Noord genoemd, hierna wordt dan ook over ‘Meerstad-Noord’ gesproken.
Project Meerstad-Noord Zonnepark Meerstad-Noord De gemeente Groningen heeft ter plaatse van het projectgebied in het verleden grond aangekocht vanwege plannen voor woningbouw. Vanwege de economische crisis in 2008 is deze woningbouw komen te vervallen. Meerstad-Noord is daarna in de Omgevingsvisie (2018), het Beleidskader Zonne-energie fase 1 (2019) en het Beleidskader zonneparken (2021) aangewezen als zoekgebied voor grootschalige zonneenergie. Doel van de gemeente Groningen is om de opbrengsten van grote zonneparken maximaal ten goede te laten komen aan alle inwoners van de gemeente en te gebruiken voor de verduurzaming van de wijken en dorpen. Hoogspanningsstation Tennet en Enexis In het projectgebied wordt, naast een zonnepark, een nieuw hoogspanningsstation (hierna: HS-station) door TenneT/Enexis gerealiseerd. De beschikbare capaciteit van het publieke hoogspanningsnet voor het invoeden van elektriciteit is in delen van Noord-Nederland onvoldoende of bijna onvoldoende om nieuwe capaciteit aan te sluiten. Voldoende aansluitcapaciteit is nodig in het kader van de plannen voor het uitbreiden van de opwek van elektriciteit uit zon en wind. Het HS-station is met name noodzakelijk voor het aansluiten van nieuwe duurzame energieprojecten zoals het zonnepark Meerstad-Noord zelf, maar ook zonneparken in de omgeving.
Daarnaast wordt een belemmering voor het voortzetten van de plaatsing van zonnedaken hiermee voorkomen. Tenslotte ondersteund het HS-station de algehele versterking van het elektriciteitsnet ten oosten van Groningen om bedrijvigheid en andere gebruikers van stroom in de toekomst te kunnen faciliteren. Onderstaande figuur geeft de huidige situatie weer van de invoedingsschaarste van het elektriciteitsnetwerk in de regio.
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 1
Figuur 1.1 Overzicht van de schaarste in invoeding netcapaciteit.
Bron: https://capaciteitskaart.netbeheernederland.nl/ Groene Buffer/ecologische plus Eén van de hoofddoelen van het project is het realiseren van een gebied met een verbetering ten opzichte van de huidige situatie op de onderdelen natuur, waterberging en recreatie. Dit kan bijvoorbeeld door een optimale opstelling van het zonnepark ten gunste van planten en bodemleven, investering in de directe randen van het zonnepark en het uitbreiden van lokaal netwerk van wandel- en fietspaden. Het project dient zodanig te worden uitgevoerd dat deze meerwaarde ook na het verwijderen van de zonnepanelen behouden kan blijven. Ook wordt in dit kader kort vooruitgekeken naar de mogelijkheden voor het voorkomen van veenoxidatie door het verhogen van de waterstanden. Op deze wijze kan een deel van de emissie van broeikasgassen welke bij veenoxidatie vrij kunnen komen worden vermeden.
Aanleiding m.e.r. In het kader van de vaststelling heeft de gemeente Groningen besloten om in het kader van een zorgvuldige, goede en duidelijke afweging, alsmede een open communicatie hierover, vrijwillig een procedure voor de milieueffectrapportage (m.e.r.) te doorlopen. Dit document is het milieueffectrapport (MER) voor deze procedure.
1.2 Begrenzing projectgebied en voornemen Ligging projectgebied Het plangebied is het gebied waarbinnen de te onderzoeken ontwikkeling is voorzien. Het plangebied is gelegen in de polder Lageland, ten oosten van de stad Groningen in de gemeente Groningen (Figuur 1.2).
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 2
Figuur 1.2 Plangebied binnen de gemeente Groningen
Bron: google maps, bewerking
1.3 Procedure, besluitvorming en de rol van de milieueffectrapportage 1.3.1
Ruimtelijk planologisch kader
Het zonnepark en het HS-station (alsmede de 110 kV kabelverbindingen en het opstijgpunt van het station naar deze) passen niet binnen het geldende bestemmingsplan “Buitengebied (herziening 1997)” (2000) en “Meerstad-Midden” (2010) van de gemeente Groningen. De ontwikkeling kan ruimtelijk mogelijk gemaakt door af te wijken van het geldende bestemmingsplan (op grond van artikel 2.12, lid a, sub 3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)) of door het bestemmingsplan te herzien (op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro)). Per 1 januari 2023 treedt de Omgevingswet (Ow) in werking en komen er nieuwe instrumenten beschikbaar voor het mogelijk maken van ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving, de omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit (vergelijkbaar met het huidige omgevingsvergunning afwijking bestemmingsplan) of een (gedeeltelijke) wijziging van het omgevingsplan (als opvolger van het bestemmingsplan). Het beleid van TenneT is dat de hoogspanningsstations publiekrechtelijk beschermd dienen te worden in een bestemmings-/omgevingsplan, en niet met een omgevingsvergunning voor afwijking. De gemeente Groningen is het bevoegd gezag en weegt in een later stadium af voor het project Meerstad-Noord of een procedure herziening bestemmingsplan wordt gevolgd onder de huidige wet of een wijziging omgevingsplan onder Ow .
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 3
De procedure van de milieueffectrapportage is bedoeld om het milieubelang een volwaardige plaats te kunnen geven in de besluitvorming over het bestemmingsplan/omgevingsplan en de bijbehorende uitvoeringsvergunningen. Dit is onder de huidige wetgeving en onder de Ow min of meer gelijk.
1.3.2
M.e.r.-plicht
De procedure van milieueffectrapportage (m.e.r.) is voorgeschreven op grond van nationale en Europese wetgeving indien er sprake is van activiteiten met potentieel aanzienlijke milieueffecten. Het doel van de m.e.r. is om te verzekeren dat adequate milieu informatie beschikbaar is ten behoeve van de besluitvorming over dergelijke activiteiten. De activiteiten waarvoor een m.e.r-plicht of m.e.r-beoordelingsplicht geldt zijn vastgelegd in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). De inhoudelijke vereisten aan een milieueffectrapport (MER) zijn vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm). De m.e.r.-procedure mondt uit in een rapport, het milieueffectrapport (MER). Er wordt onderscheid gemaakt in het plan-MER en het project-MER. In Kader 1.1 zijn deze typen MER kort toegelicht. De wetgeving rond de milieueffectrapportage (m.e.r.) is onder de nieuwe wet opgenomen in afdeling 16.4 van de Ow en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). In bijlage V bij het Ob is 1 lijst met zowel de m.e.r.-plichtige als de m.e.r.beoordelingsplichtige gevallen opgenomen en de daarvoor benodigde besluiten. Onder de Ow wordt de limitatieve aanwijzing van m.e.r.-plichtige plannen en programma’s, zoals we die kennen uit de Bijlage bij het Besluit m.e.r., verlaten.
Artikel 16.34, tweede lid Ow stelt dat onder een plan of programma ‘in ieder geval’ wordt verstaan de omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. De oprichting, wijziging of uitbreiding van een zonnepark, alsmede een HS-station, vallen niet specifiek onder de m.e.r.-regelgeving Ook zou het gehele project kunnen vallen onder de activiteit bedoeld in categorie D9 Besluit m.e.r. (categorie J12 in bijlage V Ob): ’” Een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan”. . De realisatie van het HS-station zou gezien kunnen worden als 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein'. Deze activiteit is opgenomen in categorie D11.3 in kolom 1 van het Besluit m.e.r. (categorie J10 in bijlage V van het Ob). Ten slotte is er tijdens de bouw van diverse fundaties binnen het HS-station naar alle waarschijnlijkheid grondwaterbemaling nodig, welke valt onder categorie D15.2 Besluit m.e.r.: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van werken voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater”. De 110 kV-verbindingen maken geen deel uit van de MER, deze zijn niet MER-plichtig op basis van D24.2 in het Besluit MER. MER-plicht voor hoogspanningsverbindingen geldt pas vanaf 150 kV en een lengte van minstens 5 km. De drempelwaardes voor een m.e.r.-plicht worden niet overschreden.
In principe is er daarmee sprake van een project-m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit houdt in dat het bevoegd gezag beoordeelt of er aanleiding is een project-m.e.r. te doorlopen.
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 4
Wat daar ook van zij, de gemeente Groningen kiest ervoor om vrijwillig een MER op te stellen om daarmee zorgvuldige besluitvorming te ondersteunen. Een beoordeling door het bevoegd gezag of inderdaad een project-MER noodzakelijk is voor de omgevingsvergunning kan daarom achterwege blijven.
Kader 1.1 PlanMER en project-MER en m.e.r.-beoordeling
PlanMER Het planMER wordt opgesteld ten behoeve van een structuurvisie of het ruimtelijk plan, zoals een bestemmingsplan. Het planMER moet ingaan op de vraag ‘waarom hier’. Hierbij dient een afweging te worden gemaakt over de milieueffecten van het plan. Het planMER geeft een onderbouwing van de locaties, waarbij mogelijk ook verschillende locaties (locatiealternatieven) worden onderzocht, en beschrijft de milieueffecten van het zonnepark als bijdrage aan de belangenafweging. Voor een structuurvisie is de effectbeschrijving globaal en heeft tot doel aan te tonen dat het aannemelijk is dat het plan (het zonnepark en HS-station op de locatie) kan voldoen aan de geldende milieueisen, een planMER voor een ruimtelijk plan zal meer detailniveau bevatten. In dit geval gaat het om de locatieafweging binnen de gemeente Groningen. Project-MER Het project-MER heeft betrekking op de milieueffecten van de concrete uitwerking van een plan en wordt opgesteld voor de besluitvorming over de omgevingsvergunning. Het gaat dus vooral om de inrichting van een gebied. Voor dit zonnepark betreft dit een concrete uitwerking het bepalen van de situering van het HS-station, de dichtheid (afstand tussen) en de oriëntatie (noord-zuid of oost-west) van de zonnepanelen.
De effecten van de verschillende inrichtingsvarianten worden door middel van onderzoek bepaald en afgezet tegen de geldende milieueisen, waarbij beoordeeld wordt of aan deze eisen kan worden voldaan. M.e.r.-beoordeling Een (plan- en/of project-)m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te bepalen of er bij een voorgenomen activiteit, die genoemd staat in onderdeel C of D van het besluit m.e.r., mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Voor een m.e.r.-beoordeling is doorgaans geen diepgaand onderzoek nodig. Een m.e.r.-beoordeling kent twee uitkomsten: 1) belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen niet uitgesloten worden en er dient een m.e.r.-procedure doorlopen te worden of 2) belangrijke nadelige milieugevolgen treden niet op en de m.e.r.-procedure wordt niet doorlopen.
1.3.3
Gecombineerde plan- en projectMER
De gemeente kiest er als initiatiefnemer van het zonnepark voor om naast een projectMER ook vrijwillig voor een planMER (locatieonderbouwing) te doorlopen. TenneT/Enexis zijn geen (mede)initiatiefnemers voor het MER, maar de afweging van een locatie voor het HS-station in het geheel wordt wel in het MER voor de gebiedsontwikkeling Meerstad-Noord meegenomen. Door het volgen van een m.e.r. wordt gewaarborgd dat voldoende informatie over de gevolgen voor de leefomgeving beschikbaar is voor besluitvorming. Het MER biedt een de onderbouwing naar de omgeving en het bevoegd gezag, met name naar de omwonenden van zowel de locatie als de inrichting van het plangebied transparant voorbereid en onderbouwd. In het proces wordt door de inzet van de m.e.r. ruimte gegeven voor inspraak op de te onderzoeken varianten en gevolgen door de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen. Op de
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 5
uiteindelijke besluitvorming zelf (voor ‘ruimtelijke plan’1 en omgevingsvergunning(en)) is eveneens ruimte voor zienswijzen en beroep. Er worden twee stappen in het gecombineerde plan- en project-MER. (hierna: combi-m.e.r.) doorlopen:
Stap 1 is het plan-MER. Het plan-MER gaat over de onderbouwing van de locatiekeuze voor een zonnepark met HS-station binnen de gemeente Groningen. Dit wordt gedaan op een hoger abstractieniveau dan het project-MER deel. Onderzocht wordt of er alternatieve locaties beschikbaar zijn om het project te realiseren. Onderzocht wordt of alternatieve locaties zwaarwegende voordelen hebben vanuit het oogpunt van milieueffecten ten opzichte van de voorziene locatie en of de voorziene locatie zwaarwegende milieunadelen heeft ten opzichte van alternatieven.
Stap 2 is het project-MER. In het project-MER wordt onderzoek gedaan naar concrete inrichtingsalternatieven voor het plangebied, dus op de voorziene locatie, en de milieueffecten daarvan. Dit onderzoek heeft daarom een hoger detailniveau. Stap 1 en 2 leiden tot een gecombineerd MER-rapport.
1.4 Procedure en besluitvorming Het MER wordt opgesteld ten behoeve van de besluitvorming (over ‘ruimtelijk plan’ en omgevingsvergunningen) over zonnepark Meerstad-Noord en het HS-station.
1.4.1
Vergunningen
Voor de realisatie en exploitatie van een zonnepark en een HS-station zijn verschillende besluiten nodig:
een herziening van het geldende bestemmingsplan, of daarmee gelijk te stellen planvorm onder de Omgevingswet;
diverse omgevingsvergunningen. In deze omgevingsvergunningen worden diverse aspecten opgenomen zoals bouw, milieu et cetera, (maar het ‘ruimtelijk’ besluit kan ook geïntegreerd zijn wanneer niet een besluit als onder het eerste punt wordt genomen);
(eventueel) een watervergunning, indien dat op grond van de Keur van het waterschap (verbodsbepalingen) is vereist;
(eventueel) vergunning en/of ontheffing op basis van de Wet natuurbescherming (Wnb);
(eventueel) een vergunning op grond van de Wet bodembescherming (Wb).
1.4.2
Coördinatieregeling
De gemeentelijke coördinatieregeling, op grond van de Wet ruimtelijke ordening artikel 3.30, biedt de gemeente de mogelijkheid om de besluitvorming te coördineren. Dit wil zeggen dat verschillende besluiten tegelijkertijd en in onderling overleg ter inzage worden gelegd en dat sprake is van één behandeling van eventuele beroepen. Met inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt deze coördinatiebevoegd naar de Algemene wet bestuursrecht (Awb) overgeheveld.
1
In dit document wordt voor het gemak gesproken over ‘ruimtelijk plan’ voor een bestemmingsplan onder de huidige wetgeving maar ook voor omgevingsplan onder de Omgevingswet. Onder de Omgevingswet bestaat een ruimtelijk plan feitelijk niet meer maar is er dan sprake van een plan met algemene regels ter bescherming van de fysieke leefomgeving, waaronder ook ruimtelijke regels, maar de reikwijdte van een omgevingsplan onder de Omgevingswet is breder dan van een bestemmingsplan onder de huidige wetgeving.
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 6
De coördinatieregeling heeft in principe geen invloed op de bevoegdheidsverdeling voor vergunningen en ontheffingen. Dat blijft de bevoegdheid van betreffende lokale, regionale en functionele overheden. De gemeente verzorgt wel de gezamenlijke en gecoördineerde ter inzage legging. De gemeente Groningen heeft de voorkeur uitgesproken om de gemeentelijke coördinatieregeling toe te gaan passen voor het gehele project omdat door het gelijktijdig en gezamenlijk ter inzage leggen de verschillende besluiten meer overzicht geeft omwonenden door meerdere besluiten in één procedure. De rechtsbescherming wordt op deze wijze ook geconcentreerd. Of het haalbaar is om ook tegelijkertijd de omgevingsvergunningaanvraag voor het HS-station mee te coördineren dient nog beschouwd te worden.
Betrokkenheid Commissie voor de m.e.r. In de NRD-fase is het raadplegen van de Commissie voor de m.e.r. wettelijk niet verplicht, maar op vrijwillige basis wel mogelijk. De initiatiefnemer heeft ervoor gekozen om de concept NRD aan de Commissie voor de m.e.r. ter advisering voor te leggen. Het advies van de commissie m.e.r. is betrokken bij de definitieve versie van de NRD op basis waarvan het huidige milieueffectrapport is opgesteld. Daarnaast zal het milieueffectrapport zelf worden voorgelegd aan de commissie voor de m.e.r.
1.5 M.e.r.-procedure Een m.e.r.-procedure bestaat uit verschillende onderdelen, waarvan het milieueffectrapport (MER) het belangrijkste is. Figuur 1.3 geeft de belangrijkste stappen weer.
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 7
Figuur 1.3 Hoofdlijnen m.e.r.-procedure (en ruimtelijk plan)
Procedure milieueffectrapportage
Ruimtelijk plan
Concept Notitie Reikwijdte & Detailniveau Raadpleging en zienswijzen (en advies cie m.e.r.) Definitieve Notitie Reikwijdte & Detailniveau
Opstellen milieueffectrapport
Keuze VKA
opstellen ontwerp ruimtelijk plan
Openbaar maken MER, advies Cie m.e.r. & zienswijzen
ontwerp ruimtelijk plan ter inzage en zienswijzen
vaststelling (beroep)
De inhoudelijke vereisten aan een m.e.r. zijn vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Dat houdt samengevat in dat een milieueffectrapport wordt opgesteld om de (mogelijke) effecten in beeld te brengen van de voorgenomen activiteiten op de leefomgeving, en op natuur en landschap van het omliggende gebied, om daarmee bij te dragen aan de besluitvorming en daarbij een goede afweging mogelijk te maken.
1.5.1
Openbare kennisgeving
Het bevoegd gezag geeft openbaar kennis van het voornemen om een besluit voor te bereiden waarvoor een m.e.r. wordt doorlopen. Daarin staat:
dat stukken ter inzage worden gelegd;
waar en wanneer dit gebeurt;
dat er gelegenheid is zienswijzen in te dienen over de reikwijdte en het detailniveau van het op te stellen MER;
aan wie, op welke wijze en binnen welke termijn;
of de Commissie voor de m.e.r. om advies zal worden gevraagd over de voorbereiding van het plan.
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 8
1.5.2
Raadpleging overlegpartners en betrokken bestuursorganen over reikwijdte en detailniveau
Het bevoegd gezag raadpleegt de overlegpartners en de overheidsorganen die bij de voorbereiding van het plan moeten worden betrokken over de reikwijdte en het detailniveau van het MER. Het raadplegen van de Commissie voor de m.e.r. is niet verplicht voor de NRD-fase, maar de conceptversie van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) is wel aan de commissie voorgelegd. Het advies van de commissie is betrokken bij de definitieve versie van de NRD2. Raadpleging is tevens gebeurd door de conceptversie van de NRD naar omwonenden, de overige overlegpartners en betrokken bestuursorganen te verzenden. Het ingediende commentaar is samengevat en beantwoord in een reactienota en heeft waar nodig tot aanpassingen geleid in de definitieve NRD.
1.5.3
Vaststellen reikwijdte en detailniveau van het MER
De Notitie Reikwijdte en Detailniveau is vastgesteld door de gemeente Groningen. Daarbij zijn de ingekomen commentaren en het advies van de betrokken overheidsorganen meegenomen.
1.5.4
Opstellen MER
De eisen waaraan het MER moet voldoen zijn beschreven in artikel 7.23, eerste lid, Wm. Samengevat moet het MER in elk geval bevatten/beschrijven: Het doel van het project;
een beschrijving van het project en de ‘redelijkerwijs in beschouwing te nemen’ alternatieven;
welke plannen er eerder voor deze activiteit zijn vastgesteld en welke alternatieven daarin waren opgenomen;
voor welk(e) besluit(en) het MER wordt gemaakt en welke besluiten met betrekking tot het project al aan het MER vooraf zijn gegaan;
een beschrijving van de ‘huidige situatie en de autonome ontwikkeling’ in het plangebied;
welke gevolgen het project en de alternatieven hebben voor het milieu en een motivering van de manier waarop deze gevolgen zijn bepaald en beschreven en een vergelijking van die gevolgen met de ‘autonome ontwikkeling’;
effectbeperkende c.q. mitigerende maatregelen;
Leemten in kennis;
een publiekssamenvatting.
1.5.5
Openbaar maken van het MER en raadpleging Commissie voor de m.e.r.
Het MER wordt eerst separaat vastgesteld door de raad en ter inzage gelegd. De zienswijzen en een aan te vragen advies van de Commissie voor de m.e.r. worden vervolgens in het MER verwerkt. Tenslotte zullen de ontwerp-aanpassing van het ‘ruimtelijk plan’ en de ontwerp-vergunningen tegelijk (gecoördineerd) ter inzage worden gelegd.
2
a3632rd.pdf (commissiemer.nl)
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 9
1.5.6
Zienswijzen indienen MER
Iedereen kan zienswijzen indienen op het MER. Dit geldt ook voor de het ontwerpbesluit omgevingsvergunning en ontwerp ‘ruimtelijk plan’. De termijn daarvoor is 6 weken.
1.5.7
Advies Commissie voor de m.e.r.
De Commissie voor de m.e.r. geeft eveneens een advies op de inhoud van het MER (toetsingsadvies). Eventueel geeft het advies van de Commissie voor de m.e.r. aanleiding tot het maken van een aanvulling op het MER, bijvoorbeeld om een aantal zaken wat verder uit te diepen of nadere accenten te leggen.
1.5.8
Vaststellen ‘ruimtelijk plan’, inclusief motivering
Het bevoegd gezag stelt het ‘ruimtelijke plan’ (alsmede de vergunningen in geval van toepassing van de coördinatieregeling) vast en geeft daarbij aan hoe rekening is gehouden met de in het MER beschreven milieugevolgen en wat de overwegingen zijn met betrekking tot de in het MER beschreven alternatieven, de zienswijzen en het advies van de Commissie voor de m.e.r.
1.5.9
Bekendmaken plan
Het vastgestelde ‘ruimtelijk plan’ en bijbehorende besluiten worden (digitaal) bekendgemaakt.
1.5.10
Evaluatie
Het bevoegd gezag evalueert de werkelijk optredende milieugevolgen en neemt zo nodig maatregelen om de gevolgen voor het milieu te beperken.
1.5.11
Informatie en inspraak
Bij deze m.e.r.-procedure is er één formeel inspraakmoment, namelijk de terinzagelegging van het ruimtelijk plan, de ontwerpbesluiten en bijbehorend MER. De plaatsen en tijden van deze terinzageleggingen zullen bekend gemaakt worden door middel van publicatie in één of meerdere dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze, daarbij wordt ook bekend gemaakt of en wanneer er een informatiebijeenkomst plaats vindt. Na verwerking van de zienswijzen zullen de definitieve besluiten worden genomen. In tegenstelling tot de MER is de definitieve NRD niet formeel ter inzage gelegd. Een conceptversie van deze NRD is wel gedeeld met betrokken instanties en direct omwonenden van het plangebied. Elke belanghebbende heeft tot 1 februari 2022 de mogelijkheid gehad commentaar worden in te dienen op de conceptversie. Daarnaast heeft de Commissie voor de m.e.r. het concept beoordeeld. De commentaren en het oordeel van de commissie voor de m.e.r. is waar nodig verwerkt in de definitieve versie van de NRD en zijn behandeld in een nota van antwoord welke is opgenomen in de definitieve NRD. De definitieve NRD is op de projectwebsite voor een ieder beschikbaar.
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 10
1.6 Initiatiefnemers en bevoegd gezag 1.6.1
Initiatiefnemer project
De gemeente Groningen is de initiatiefnemer van het Zonnepark. Enexis en TenneT zijn de twee partijen die gezamenlijk het HS-station gaan realiseren maar zijn geen initiatiefnemer voor het m.e.r. De gemeente Groningen is als initiatiefnemer verantwoordelijk voor het opstellen van het combi-MER. In Tabel 1.1 zijn de contactgegevens van de initiatiefnemer opgenomen. Tabel 1.1 Contactgegevens initiatiefnemer Initiatiefnemer Naam
Gemeente Groningen
Contactpersoon
Alfred Hamstra
E-mailadres
alfred.hamstra@groningen.nl
1.6.2
Bevoegd gezag
De gemeente Groningen is het bevoegd gezag voor de m.e.r.-procedure. Tabel 1.2 Contactgegevens bevoegd gezag Bevoegd gezag Gemeente
Groningen
Adres
Gedempte Zuiderdiep 98, 9712HL Groningen
Contactpersoon
Rolf Sieben
E-mailadres
rolf.sieben@groningen.nl
1.7 Leeswijzer Hierna zal in hoofdstuk 2 eerst het beleidskader in kaart worden gebracht, waarbij de duurzame energiedoelstellingen en het energiebeleid op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau uiteengezet worden. In hoofdstuk 3 wordt de onderbouwing van de locatie gegeven. Hoofdstuk 4 gaat vervolgens in op het voornemen zelf, waarbij de mogelijke alternatieven worden beschreven. Hierbij wordt het doel en de daarbij behorende activiteiten nader omschreven waarbij apart wordt ingegaan op de thema’s; zonnepark, HS-station en Veenoxidatie. Dit hoofdstuk beschrijft ook de gekozen onderzoeksmodellen en hun onderlinge verschillen om vervolgens de referentiesituatie te beschreven. De hoofdstukken 5 tot en met 14 bevatten de effectbeoordelingen per milieuaspect, waarna in hoofdstuk 15 de afweging tot het voorkeursmodel wordt beschreven.. In het afsluitende hoofdstuk 16 worden de bekende leemten in kennis benoemd en wordt een aanzet gemaakt tot een monitorings- en evaluatieprogramma.
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 11
2
Beleid
2.1 Inleiding Dit hoofdstuk schetst het beleidskader van het Rijk, de provincie Groningen en de gemeente Groningen, waarbinnen het initiatief wordt ontwikkeld. Het beleidskader is relevant aangezien dit enerzijds de achtergrond schetst van het duurzame energiebeleid in Nederland en anderzijds kaders bevat voor de concrete ruimtelijke ontwikkeling van duurzame energie in de gemeente Groningen.
2.2 Mondiaal en Europees beleid 2.2.1
Klimaatconferentie Parijs en Europese doelstelling
In december 2015 zijn (onder auspiciën van de Verenigde Naties) op de eenentwintigste klimaatconferentie in Parijs (COP21) 195 landen akkoord gegaan met een nieuw klimaatverdrag dat de uitstoot van broeikasgassen moet terugdringen. De Europese Unie heeft dit verdrag ook medeondertekend. Voor nu is de Europese ambitie gebaseerd op een politieke overeenstemming3 waarin een bindende doelstelling ten aanzien van duurzame energieopwekking is vastgelegd. In 2030 moet tenminste 32% van het energieverbruik van de Europese Unie duurzaam zijn opgewekt. De uitstoot van broeikasgassen dient in 2030 met ten minste 55% te zijn gereduceerd ten opzichte van het niveau van 1990. Dat doel was eerder op 49% gesteld.
2.2.2
Internationaal klimaatrapport IPCC (2021)
Overal ter wereld vindt onderzoek plaats naar het klimaat en klimaatverandering. Om de beschikbare kennis op dit gebied in kaart te brengen en in rapporten samen te vatten, is in 1988 een wetenschappelijk klimaatpanel opgericht. Dit klimaatpanel heet het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC). Het IPCC brengt om de 6 à 8 jaar een klimaatrapport uit met daarin de laatste stand van zaken rondom het klimaat. In augustus 2021 is het eerste deel van het nieuwste – het zesde – rapport gepubliceerd. Voor dit rapport hebben wetenschappers 14.000 internationale klimaatonderzoeken geanalyseerd. In het rapport worden de gevolgen van klimaatverandering in kaart gebracht. De belangrijkste conclusies van het rapport zijn:
Het aandeel van de mens in de huidige verandering van het klimaat staat buiten kijf.
Er zijn nu al grote veranderingen in de atmosfeer, in de oceanen, het gebied rond de noordpool en natuurgebieden.
In alle vijf onderzochte scenario’s zal de temperatuur de komende dertig jaar toenemen.
De beste schatting voor het opwarmende effect van de uitstoot van broeikasgassen door de mens is 3 graden, met minimaal 2 graden en maximaal 5 graden.
Door meer broeikasgassen in de atmosfeer warmt de aarde meer op. Hoeveel de aarde nog gaat opwarmen is afhankelijk van de mens en de hoeveelheid broeikasgassen die nog uitgestoten gaan
3
Energy topics European Commission, Geraadpleegd van: https://ec.europa.eu/energy/en/topics/renewableenergyCommissie (14 april 2021). Geraadpleegd van: http://europa.eu/rapid/press-release_STATEMENT-184155_en.htm
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 12
worden. Om klimaatverandering te beperken, is het op z'n minst nodig om netto nul CO2 uit te stoten. Om de opwarming nog onder 1,5 graden te houden, moet dit voor 2050 gebeuren.
2.3 Rijksbeleid 2.3.1
Energieakkoord voor duurzame groei en Energieagenda
Het Energieakkoord voor duurzame groei (2013) biedt een langetermijnperspectief voor een breed gedragen, robuust en toekomstbestendig energie- en klimaatbeleid. Ruim veertig organisaties, waaronder overheden, werkgevers, vakbewegingen en natuur- en milieuorganisaties hebben zich verbonden om afspraken te maken over duurzame groei. Het akkoord is erop gericht om de economische structuur te versterken en om de komende jaren miljarden aan investeringen los te maken in alle sectoren van de samenleving. Door de uitvoering van het Energieakkoord voor duurzame groei wordt er een sterke stijging beoogd in het aandeel duurzame energie van 4,5% in 2013 naar 14% in 2020 en 16% in 2023.
Met de Energieagenda (2016) is het de bedoeling om invulling te geven aan de doelstellingen voor de lange termijn. Hiermee wordt een duidelijke koers aangegeven om perspectief en zekerheid te kunnen bieden aan bedrijven en inwoners. De Energieagenda beschrijft de te maken stappen om de transitie naar een CO2-arme energievoorziening in 2050 mogelijk te maken.
Nationaal Klimaatakkoord (2019) Om de doelen te halen die in het Klimaatakkoord van Parijs zijn afgesproken heeft Nederland gewerkt aan een nationaal Klimaatakkoord. In het Klimaatakkoord, onder regie van het kabinet, maken bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden concrete afspraken over de maatregelen waarmee de CO2uitstoot in Nederland gehalveerd kan worden. Het centrale doel van het Klimaatakkoord is het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen in Nederland met ten minste 49% in 2030 ten opzichte van 1990, de verschillende sectoren (zoals gebouwde omgeving, mobiliteit, industrie, elektriciteit, landbouw en landgebruik) hebben hier hun eigen taak en rol in om dit gezamenlijk te bereiken. Aan de sectortafel 'elektriciteit' zijn afspraken geformuleerd die ertoe moeten leiden dat in 2030 meer dan 70% van de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen komt. Een belangrijk doel is derhalve het vergroten van de productie van hernieuwbare energie. De omschakeling heeft impact op onze leefomgeving. Gemeenten en provincies hebben hierin met de aanpak van de Regionale Energiestrategie (RES) een belangrijke rol. Daarbij steunt het kabinet de mogelijkheid voor bewoners om te kunnen participeren in lokale energieprojecten. De productie van hernieuwbare energie moet vervijfvoudigen.
Concreet wordt hierbij gestreefd naar het opschalen van de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen tot 84 TWh (terawattuur). De productie wind op zee moet worden uitgebreid, maar ook de productie zon en wind op land. In de hoofdlijnen staat als doel beschreven dat in 2030 via windenergie en zonne-energie op land 35 TWh wordt gerealiseerd. Ook wordt benadrukt dat de beschikbare ruimte zo efficiënt mogelijk benut moet worden door meervoudig ruimtegebruik. Vraag en aanbod dienen zoveel mogelijk bij elkaar gebracht te worden. Ten slotte is gesteld dat het belangrijk is om te zoeken naar functiecombinaties en aan te sluiten bij specifieke kwaliteiten van het gebied. Voor hernieuwbaar op land (35 TWh) wordt vooral gekeken naar wind op land en zonne-energie. Dit zijn namelijk bewezen technieken met technische en economische haalbaarheid. Om deze opwekcapaciteit te
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 13
realiseren is in het Klimaatakkoord opgenomen dat in dertig regio’s door gemeenten wordt samengewerkt aan een Regionale Energiestrategie (RES). In deze RES wordt opgenomen waar en op welke manier deze opwekcapaciteit moet worden gerealiseerd. Zonne-energie is hierbij een van de belangrijkste opties. Ook in Groningen is zonne-energie nodig om de opgave in te vullen. In Europees verband is een reductie van minimaal 55 procent in 2030 afgesproken. Op dit moment wordt er onderzoek gedaan naar de verhoging van de Nederlandse ambitie. Daar zal door het nieuwe kabinet een beslissing over gemaakt moeten worden. Dat zou leiden tot een opgave van 120 TWh hernieuwbare energie.
2.3.2
Klimaatwet (2019)
In de Klimaatwet zijn de Nederlandse klimaatdoelstellingen wettelijk vastgelegd. De Klimaatwet is op 1 september 2019 in werking getreden. In de Klimaatwet staan drie doelen:
een vermindering van 49% (ten opzichte van 1990) van de broeikasgasuitstoot in 2030;
een vermindering van 95% (ten opzichte van 1990) van de broeikasgasuitstoot in 2050;
100% broeikasgas-neutrale elektriciteit in 2050.
Elke vijf jaar komt er een klimaatplan waarin het klimaatbeleid wordt vastgesteld. Dit klimaatplan past in de systematiek van de Integrale Nationale Energie-en Klimaatplannen die voor de EU moeten worden opgesteld en het klimaatakkoord van Parijs. Het eerste klimaatplan (Klimaatplan 2021-2030) is in april 2020 gepubliceerd4.
2.3.3
Klimaatplan 2021-2030
De inhoud van het klimaatplan wordt voor een belangrijk deel bepaald door de hoofdlijnen van het klimaatakkoord. Dit bevat maatregelen om tot het reductiedoel van 49% in 2030 te komen. Daarnaast bevat het klimaatplan beleid dat volgt uit Europese verplichtingen en ander lopend beleid. De volgende beleidslijnen worden ingezet binnen de sector elektriciteit:
het stimuleren van wind op zee (WOZ) tot 49 TWh in 2030;
het stimuleren van hernieuwbare energie op land (HOL) tot 35 TWh in 2030;
het stimuleren van kleinschalige hernieuwbare productie tot circa 10 TWh in 2030;
het waarborgen van leveringszekerheid;
investeren in voldoende elektriciteits-infrastructuur.
2.3.4
Klimaat- en Energieverkenning 2021
Volgens de derde Klimaat en Energieverkenning5 (KEV) zijn er forse extra doelstellingen nodig om de nationale doelstelling van 49 procent op broeikasgasuitstoot voor 2030 te halen. Dat betekent een gemiddelde reductie van 6 megaton per jaar. Uit de KEV-raming blijkt dat in 2020 ongeveer de helft (3 megaton) per jaar wordt gereduceerd. Dat betekent dat er een behoorlijke opgave rest.
4
“Klimaatplan 2021-2010”, Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, april 2020. Geraadpleegd van: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/beleidsnotas/2020/04/24/klimaatplan-2021-2030 5 “Klimaat- en Energieverkenning 2021” Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), 2021. Geraadpleegd van: https://www.pbl.nl/sites/default/files/downloads/pbl-2021-klimaat-en-energieverkenning-2021-4681.pdf
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 14
2.3.5
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op nationaal niveau is het vigerend ruimtelijk beleid vastgelegd in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Met de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Het gaat daarbij om het uitzetten van een koers om opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, in goede banen te leiden. Het streven is daarbij de kwaliteit van de leefomgeving te behouden en zoveel mogelijk te versterken. Prioriteiten binnen de NOVI zijn:
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
duurzaam economisch groeipotentieel;
sterke en gezonde steden en regio’s;
toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn 'nationale belangen'. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De Nationale omgevingsvisie (NOVI) richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. De NOVI noemt duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit als een van de belangrijkste keuzes. Gesteld wordt dat er meer windturbines en meer zonnepanelen nodig zijn. Zonnepanelen dienen daarbij bij voorkeur op daken en gevels van gebouwen worden gerealiseerd, maar om aan de energiedoelen te voldoen is het voorzien dat ook locaties in het landelijk gebied noodzakelijk zijn. Eén van de nationale belangen is het realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarvoor benodigde hoofdinfrastructuur. In dit nationale belang worden de afspraken in zowel het Klimaatakkoord van Parijs als het nationale Klimaatakkoord (ontwerp 2018) herbevestigd.
Dit betekent dat de transitie naar een CO2 arme energievoorziening in 2050 gerealiseerd moet zijn, door dan 95% minder uitstoot van broeikasgassen te realiseren ten opzichte van 1990. Het hoogspanningsnet van 110 kV en hoger is in de NOVI aangewezen als nationaal belang. De Omgevingswet voorziet niet in juridische doorwerking van de NOVI naar omgevingsvisies van andere overheden. Andere overheden, burgers en bedrijven, zijn dan ook niet juridisch aan de NOVI gebonden, maar wel aan regels en normen die op basis van de NOVI worden opgesteld. Provincies en gemeenten zullen in hun eigen omgevingsvisies uiting geven aan hun verantwoordelijkheid en keuzes in de fysieke leefomgeving.
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 15
2.4 Provincie Groningen 2.4.1
Omgevingsvisie provincie Groningen
Op dit moment is de provinciale Omgevingsvisie 2016-2020 van toepassing, vastgesteld op 1 juni 2016 door de Provinciale Staten en geactualiseerd(geconsolideerde versie 25 mei 2022). De provinciale Omgevingsvisie beschouwt zonneparken als een industriële functie en legt vast dat zonneparken niet in Natuur Netwerk Nederlandgebieden (NNN) en Natura 2000 gebieden mogen liggen en bij voorkeur worden gerealiseerd grenzend aan stedelijk gebied. De provincie geeft aan dat de locatiekeuze voor elk zonnepark gebaseerd moet zijn op een gebiedsvisie. In de provinciale omgevingsverordening zijn enkele specifieke regels opgenomen voor zonneparken, zie paragraaf 2.4.3. De provincie concretiseert haar richtlijnen voor ontwerp en inpassing van zonneparken in de ‘Handreiking locatiekeuze en ontwerp zonneparken’6 en heeft de gewenste procedure uiteengezet in de ‘Maatwerkmethode zonneparken’
2.4.2
RES-regio Groningen
Om de landelijke en lokale doelstellingen rondom energieneutraliteit te bereiken, werken 30 energieregio’s aan een Regionale Energiestrategie (RES). Provincie Groningen en de gemeenten in Groningen werken samen in de RES regio Groningen. Deze regio heeft in haar RES 1.0 een doelstelling gesteld van totaal 5,7 TWh in 2030 opgewekt door wind- en zonne-energie. Als gemeentes in Groningen de ambities uitvoeren die ze daar bovenop in hun beleid hebben vastgelegd, kan de productie van duurzame elektriciteit in Groningen in 2030 mogelijk oplopen tot 6,3 TWh. In 2023 zal in de regio Groningen jaarlijks 4 TWh door wind en zonne-energie worden geproduceerd. Die 4 TWh aan bestaande en vergunde wind- en zonneparken staat vast. Deze energieparken zijn in 2020 al in gebruik of in aanbouw, of worden tussen nu en eind 2023 gebouwd. Het basisbod van 4 TWh in 2023 wordt hoger als gemeentes al door gemeenteraden vastgestelde beleidsvisies en beleidsplannen uitvoeren (als zogenaamde bouwstenen). De totale productie kan in de regio Groningen in 2030 oplopen tot 3,3 TWh windenergie en 3,0 TWh zonne-energie. Meerstad-Noord maakt hier deel van uit.
2.4.3
Omgevingsverordening provincie Groningen
In de provinciale Omgevingsverordening (geconsolideerde versie 25 mei 2022) zijn regels opgenomen voor het realiseren en gebruiken van zonneparken. Het betreffen onder andere regels voor de keuze van de locatie (waaronder in en buiten natuurgebieden), de maximale duur van de activiteit, landschapselementen en -eigenschappen waar rekening mee dient te worden in artikel 2.42. Artikel 2.42 luidt als volgt: Artikel 2.42.1 Zonneparken 1. Een bestemmingsplan voorziet niet in de plaatsing van zonneparken.
6
https://www.provinciegroningen.nl/fileadmin/user_upload/Documenten/Beleid_en_documenten/Documentenzoeker/Klim aat_en_energie/Energie_transitie/Zonne_energie/Handreiking_locatiekeuze_en_ontwerp_zonneparken_feb_2018.pdf
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 16
2.
3.
4. 5.
In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan voorzien in het plaatsen van zonneparken voor een periode van maximaal 30 jaar: a. binnen het stedelijk gebied; b. aansluitend aan het bestaand stedelijk gebied indien het zonnepark ruimtelijk ondergeschikt is aan het aangrenzende bestaand stedelijk gebied, en de omvang van het zonnepark kleiner is dan 10.000 m² en de maatwerkmethode is toegepast onder begeleiding van een onafhankelijke, of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; c. aansluitend aan het bestaand stedelijk gebied indien het zonnepark ruimtelijk ondergeschikt is aan het aangrenzende bestaand stedelijk gebied, en de omvang van het zonnepark groter is dan 10.000 m² en de maatwerkmethode is toegepast onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; d. binnen een bouwvlak in het buitengebied en/of daaraan aansluitend, mits het zonnepark zich ruimtelijk manifesteert als een hecht geheel met het bouwvlak en daar qua maatvoering ondergeschikt aan is, en de maatwerkmethode is toegepast onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; e.
op een voormalig slibdepot, op een bedrijfsterrein ten behoeve van gaswinning en gastransport, of op een gesloten stortplaats als de maatwerkmethode is toegepast onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; f. op door Gedeputeerde Staten, op basis van een gemeentelijke gebiedsvisie zonneenergie aangewezen locaties en de maatwerkmethode is toegepast onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur. Aan de omvang, situering, en inrichting van het zonnepark als bedoeld in het tweede lid, dient een inrichtingsplan ten grondslag te liggen, waarbij in ieder geval rekening is gehouden met achtereenvolgens: a. de historisch gegroeide landschapsstructuur; b. de afstand tot andere ruimtelijke elementen; c. een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering en vormgeving van de voorzieningen voor de opwekking van zonne-energie. Het bestemmingsplan biedt inzicht in de mogelijkheid voor omwonenden om te participeren in de ontwikkeling en opbrengst van het zonnepark.
Het tweede lid is niet van toepassing voor zover het bestemmingsplan betrekking heeft op het op kaart 6 aangegeven 'NNN-beheergebieden', 'NNN-natuurgebieden', 'NNN-beheer aanpassingsgebied', 'NNN-natuur aanpassingsgebied', het 'Zoekgebied robuuste verbindingszone' of de 'bos- en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland'.
Artikel 2.42.2 Borging uitvoering inrichtingsplan 1. Een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.42.1, tweede lid, stelt regels die ervoor zorgen dat: a. bebouwing en voorzieningen, geen bouwwerken zijnde, slechts overeenkomstig het inrichtingsplan worden gebouwd of aangelegd; en
Milieueffectrapport Meerstad-Noord 721067 | Meerstad-Noord | 4.0 | 6-2-2023 Pagina 17
b.
2.
de aanleg en instandhouding van de in voorkomend geval in het inrichtingsplan opgenomen beplanting wordt geborgd in de vorm van een voorwaardelijke verplichting. Aan burgemeester en wethouders kan de bevoegdheid worden toegekend om het inrichtingsplan op het punt van de erfbeplanting te wijzigen onder dezelfde aanplant- en instandhoudingsverplichtingen, als dat vanwege onvoorziene omstandigheden nodig is.
Artikel 2.42.3 Rechtstreeks werkende regels 1. Tot het tijdstip waarop het bestemmingsplan in overeenstemming is gebracht met artikel 2.42.1, is het verboden om installaties voor de opwekking van zonne-energie te plaatsen op een bedrijventerreinen, anders dan als ondergeschikt onderdeel van de bedrijfsvoering van het op hetzelfde bouwperceel gevestigde bedrijf. 2. Het verbod bedoeld in het eerste lid a is niet van toepassing op een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onderdeel 1, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, waarin in de vorm van een voorwaarde is geborgd dat de installaties voor de opwekking van zonne-energie niet voor een langere periode dan maximaal 30 jaar op het bedrijventerrein geplaatst zullen blijven.” In de MER wordt waar van toepassing aan de relevante regels van de Omgevingsverordening getoetst.
2.5 Gemeente Groningen De gemeente Groningen wil in 2035 CO2-neutraal zijn. Om dat doel te halen, is volgens het “Beleidskader Zonneparken 2021-2025” (gepubliceerd nov 2021) in totaal 950 MW aan zonnestroom nodig. 450 MW van deze energie wordt opgewekt op daken van woningen, instellingen en bedrijven. Daarnaast is er 500 MW aan zonneparken nodig. Eén van de aangewezen gebieden hiervoor is Meerstad-Noord. Deze keuze is bevestigd in de op 22 januari 2022 door de gemeenteraad vastgestelde omgevingsvisie “Levende Ruimte”. 7