CConstaterende datGroningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 14 Milieu effect rapportage Suikerfabriekterrein Groningen - Aanvulling MER.pdf

Politieke woensdag (Dag agenda) 26 mei 2021, gemeente GroningenBij agendapunt: 2: Structuurvisie De Suikerzijde bestemmingsplan De Suikerzijde deelgebied Noord en het MER De Suikerzijde (raadsvoorstel 21-4-2021)29.512 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

In de Omgevingsvisie The Next City is de ambitie geformuleerd om nieuwbouw op het terrein van De Suikerzijde energieneutraal te ontwikkelen. In deze notitie zijn 4 bronnen van energiegebruik geanalyseerd: 1. gebouwgebonden energie; 2. gebruikersgebonden energievraag; 3. energievraag elektrische auto’s; 4. energievraag openbaar gebied. De gemeentelijke ambitie voor energieneutraliteit van De Suikerzijde heeft betrekking op de gebouwgebonden energie (hoofdzakelijk nodig voor verwarming en koeling van gebouwen). Deze werkwijze is ook gebruikelijk, en wordt ook door veel andere gemeenten toegepast.

56 (69)

Voor de gebouwgebonden energie ziet de gemeente Groningen voor zichzelf een taak (en daarmee een ambitie) omdat deze energie gekoppeld is aan de fysieke inrichting van wijken en gebouwen. Ook de landelijke BENG-eisen voor energiezuinigheid van gebouwen (die worden toegepast bij de bouwvergunningverlening) zien alleen op deze gebouwgebonden energie. Overigens geldt voor deze gebouwgebonden energie dat andere partijen, zoals ontwikkelaars, bouwers en bewoners, de energiesystemen uiteindelijk aanleggen en gebruiken. Ook bij dit type energie is de gemeente dus zeker niet de enige partij. 5 De gebruikersgebonden energievraag en de energievraag voor elektrische auto’s ziet de gemeente niet als onderdeel van de gemeentelijke ambitie voor energieneutraliteit van ontwikkellocaties zoals De Suikerzijde. Bij deze typen energiegebruik ligt de keuzevrijheid primair bij de consument en energiegebruiker. Daarnaast is de gemeente van mening dat het verduurzamen van deze typen energiegebruik op een hoger schaalniveau (gehele gemeente, regio, landelijk) moet worden georganiseerd, in een samenwerking tussen overheden en tal van andere partijen. Op het schaalniveau van de gehele gemeente is de gemeente Groningen zeer ambitieus. In de ”Routekaart Groningen CO 2-neutraal 2035” is benoemd dat de gehele gemeente in 2035 CO2-neutraal moet zijn.

De gemeente werkt hier programmatisch aan, samen met een groot aantal stakeholders zoals corporaties, instellingen en bedrijven (zie: https://www.groningenco2neutraal.nl/). In het kader van de routekaart heeft de gemeente o.a. als doel voor 2023 geformuleerd om een CO 2emissiereductie van 15% te realiseren in het personenvervoer. Het bepalen van deze en andere doelen wordt bijgehouden in een monitor. Op het schaalniveau van de regio (provincie Groningen) worden in RES-verband afspraken gemaakt over o.a. extra duurzame opwekking en aanpassingen aan het elektriciteitsnetwerk. Op het schaalniveau van heel Nederland wordt ook gewerkt aan de energietransitie en duurzame mobiliteit (o.a. uitvoering Klimaatakkoord). Op dit niveau zijn diverse instrumenten en mechanismen beschikbaar om het elektriciteitsgebruik te verduurzamen, zoals bijv. wetgeving en financiële prikkels. Dat deze 2 typen energievraag dus op andere schaalniveaus dan het plangebied De Suikerzijde moeten worden geregeld, neemt niet weg dat de gemeente de verduurzaming van deze typen energiegebruik in het plangebied De Suikerzijde volop zal stimuleren (bijv. door stimuleren van andere vervoerswijzen dan de auto en het faciliteren van de plaatsing van laadpalen).

De energievraag voor het openbaar gebied ligt weer dichter bij de gemeentelijke taken, het gaat hier immers om energieverbruik van rioolpompen, verlichting en openbare laadpalen. De gemeente beziet deze energievraag op het niveau van de hele gemeente, en heeft voor de hele gemeente al geregeld dat dit energieverbruik CO2-neutraal is. Hierbij is ook al rekening gehouden met het extra openbaar gebied dat in De Suikerzijde wordt toegevoegd. Het gecumuleerde verbruik voor openbaar gebied wordt ’afgedekt’ door duurzame opwek in de eigen regio, en zoveel mogelijk in de eigen gemeente. Gelet op het voorgaande hoeft het energiegebruik in openbaar gebied bij gebiedsontwikkelingen zoals De Suikerzijde niet meegenomen te worden in de berekening van energieneutraliteit Hoewel de beleidsambitie ‘energieneutraal’ dus ziet op de gebouwgebonden energie, ziet de gemeente in de gebiedsontwikkeling voor De Suikerzijde wel degelijk kansen voor de bredere beleidsambitie van ‘CO2-neutrale gemeente 2035’. Hieronder worden deze kansen verkend (varianten 2 en 3).

5 Bij gemeentelijke gebouwen (zoals openbare basisscholen, sportzalen, kantoren) heeft de gemeente wel

volledige sturing over bouw en gebruik. De gemeente beschikt over een aanzienlijke portefeuille aan eigen vastgoed. Voor deze hele portefeuille heeft de gemeente op dit moment al geregeld dat het energiegebruik CO 2 neutraal is Dit verbruik wordt ’afgedekt’ door duurzame opwek in de eigen regio, en zoveel mogelijk in de eigen gemeente.

57 (69)

Uitwerking n.a.v. advies commissie m.e.r. Milieueffecten van WKO-systemen In par. 2.2.2. van deze Aanvulling zijn de milieueffecten van de WKO-systemen nader geanalyseerd (op het niveau van een Plan-MER). Inpassing zonnepanelen op woningen De commissie vraagt zich af of het gemiddelde per woning van 14 m 2 zuidgericht dakoppervlak met zonnepanelen ruimtelijk en stedenbouwkundig haalbaar is. In de eerste plaatst wordt benadrukt dat de energievraag van gebouwen nog steeds lager wordt, en de opbrengst van panelen stijgt, zodat het gemiddelde van 14 m2 nog kan veranderen. Daarnaast is de 14 m2 gebaseerd op zuidgerichte opstelling, in de praktijk zullen ook andere richtingen worden benut, waardoor dit getal weer anders uitvalt. Het rekenen met de 14 m 2 zuidgericht is dus niet meer dan een globale indicatie. Bij grondgebonden woningen is een opbrengst uit zonne-energie die overeenkomt met 14 m2 zuidgericht naar verwachting goed te realiseren. Bij gestapelde bouw is het dakoppervlak beperkt t.o.v. het aantal woningen, maar hier zijn de verticale gevels ook te benutten. Uit het oogpunt van stedenbouw en welstand ziet de gemeente zonnepanelen op gevels niet als knelpunt, maar juist als kans om een bijzondere en innovatieve wijk te ontwikkelen.

Verticale panelen hebben ook energetische voordelen omdat ze zorgen voor een verlenging van de periode waarin zonne-energie wordt opgewekt (verticaal paneel op oosten wekt aan begin dagperiode stroom op, verticaal paneel op westen wekt aan eind dagperiode stroom op).

Figuur 7.1 Zonnepanelen op gevel in Amsterdam

Binnen de gebiedsontwikkeling De Suikerzijde heeft de plaatsing van zonnepanelen op maaiveld niet de voorkeur van de gemeente. De gemeente wil de openbare ruimte vooral benutten voor de ambities die in par. 4.2 omschreven zijn, zoals op het gebied van leefkwaliteit, gezondheid, klimaat en biodiversiteit.

58 (69)

De gemeente wil de uiteindelijk benodigde hoeveelheid duurzame energie primair opwekken op de gebouwen en gaat er vanuit dat dit voor de variant ”energieneutraal” ook gaat lukken. Energiegebruik bedrijven en voorzieningen De commissie adviseert ook het energiegebruik van bedrijven en voorzieningen mee te nemen in de analyses. Zoals hiervoor is vermeld, heeft de gemeentelijke ambitie voor energieneutraliteit van De Suikerzijde betrekking op de gebouwgebonden energie. Naar aanleiding van het advies van de cie m.e.r. is het gebouwgebonden energiegebruik voor de werkfuncties (bedrijven en voorzieningen) in deze Aanvulling gekwantificeerd en toegevoegd aan het gebouwgebonden energieverbruik van de woningen. Deze analyse is opgenomen in de notitie in bijlage 7. Elektrificatie wagenpark De commissie adviseert ook het extra energiegebruik door elektrificatie van het wagenpark (auto’s) mee te nemen in de analyses. Zoals hiervoor is vermeld, heeft de gemeentelijke ambitie voor energieneutraliteit van De Suikerzijde geen betrekking op de huidige of toekomstige energievraag voor elektrische auto’s. Het klopt dat het aandeel van 2,5% zal stijgen, de gemeente spant zich er zelf (binnen haar mogelijkheden) ook voor in dat dit zo snel mogelijk gebeurt.

Ook is het juist dat de energievraag van een hoger percentage aanzienlijk zal zijn, en dat het belangrijk is dat deze vraag wordt ingevuld met energie uit duurzame bronnen. Het energiegebruik van een hoger percentage kan eenvoudig worden berekend door de energievraag van 2,5% te vermenigvuldigen met de factor waarmee men verwacht dat de 2,5% groter zal zijn (25% = factor 10 meer dan 2,5%). De gemeente ziet het vraagstuk van de elektrificatie van het wagenpark echter niet als onderdeel van de beleidsambitie ’energieneutraliteit De Suikerzijde’ maar als onderdeel van de gemeentebrede beleidsambitie ’CO2-neutraliteit in 2035’. Om die reden wordt een eventueel hogere energievraag niet meegenomen in de berekeningen voor de toets op energieneutraliteit van De Suikerzijde. Wel is gekeken naar de mogelijkheden voor extra energieopwekking in het plangebied (zie variant 2 en 3), waarvan de opgewekte energie ook heel goed voor het elektrische wagenpark ingezet kan worden. Daarnaast kunnen ook de batterijen van de elektrische auto's gebruikt worden voor opslag, zodat vraag en aanbod van energie beter op elkaar aangesloten kunnen worden. Overige trends en ontwikkelingen energie De commissie adviseert ook in te gaan op andere trends en ontwikkelingen. Er zijn inderdaad veel trends en ontwikkelingen rondom de energievoorziening.

Voor de ambtitie ’energieneutraal De Suikerzijde’ zijn alleen de trends in de gebouwgebonden energie van belang. De algemene trends hier zijn dat de energieverbruik van gebouwen nog zal afnemen (o.a. introductie BENG en innovatie), en dat de opbrengst/efficiëntie van WKOsystemen en zonnepanelen nog zal stijgen. Mede door deze gunstige trends verwacht de gemeente de ambitie ’energieneutraal De Suikerzijde’ te kunnen waarmaken. Effecten op leefkwaliteit Een energievoorziening gebaseerd op een collectief WKO-systeem heeft beperkte effecten op de leefkwaliteit (zie ook par. 5.3 van de Notitie Energievoorziening). Zoals in par. 2.2.2. van deze Aanvulling nader is toegelicht, zal het WKO-systeem geen effecten hebben op waarden en gebruiksfuncties. De buizen voor het transport van water naar gebouwen liggen ondergronds en beïnvloeden de leefkwaliteit niet. Het bovengronds ruimtebeslag van een WKO-systeem is zeer beperkt en kan goed ingepast worden binnen de bouwvelden. Hierboven is reeds ingegaan op de visuele aspecten van het aanbrengen van zonnepanelen op gebouwen (ook verticaal).

59 (69)

Aanvullende maatregelen De gemeente heeft de verwachting dat met goede isolatie, WKO’s en zonnepanelen op daken en gevels de ambitie ’energieneutraal’ gehaald kan worden. In hoofdstuk 4 van de ’Notitie energievoorziening’ bij het MER zijn diverse andere technieken genoemd die mogelijk ingezet zouden kunnen worden. Mogelijke aanvulling warmte: • Een goede aanvulling op de WKO-techniek zou kunnen zijn om aquathermie of riothermie (TEO en TEA) toe te passen. Hiermee kan (in aanvulling op de WKO die warmte en koude uit het diepere grondwater haalt) warmte en koude uit oppervlaktewater en afvalwater worden gehaald. In en nabij het plangebied is veel oppervlaktewater aanwezig. • Met zonneboilers kan zonnewarmte worden benut voor het verwarmen van tapwater en voor ruimteverwarming. • Benutten van restwarmte van nabijgelegen industriële bedrijven is voor Suikerzijde ook nog steeds een optie. • Zonnethermie. Mogelijke aanvulling elektriciteit: • Opstellingen van zonnepanelen op maaiveld vormen ook een aanvullende maatregel. Deze maatregel is ruimtelijk ingrijpend en de gemeente wil deze maatregel in principe niet inzetten voor het behalen van energieneutraliteit. • Met opstellingen van urban windturbines op hogere gebouwen kan extra duurzame elektriciteit worden opgewekt, juist ook in de nacht en in de winter.

Conclusie energieneutraliteit De Suikerzijde Het gemeentelijke beleid (The Next City) is gericht op energieneutraliteit voor de gebouwgebonden energiegebruik. De energievoorziening van een wijk of gebouw is een gedetaileerde technische opgave, waarin ook andere partijen dan de gemeente een rol spelen. Om een inschatting te kunnen maken zijn in de notitie ”Energievoorziening Suikerfabriekterrein” indicatieve analyses gemaakt. In een aanvullende notitie ”Varianten energie” (bijlage 7) zijn deze analyses nog aangevuld met het gebouwgebonden energiegebruik van werkfuncties. Op grond van deze analyses acht de gemeente een ’Energieneutraal Deelgebied Noord’ en een ’Energieneutraal De Suikerzijde’ haalbaar met de nu gekozen oplossingsrichting van WKO + zonnepanelen. Indien zich in de toekomst andere opties voordoen (zoals restwarmte of innovatieve technieken) zal de gemeente de merites daarvan beoordelen. De effectbeoordeling in het MER blijft staan op 0/+. 2. Variant energieleverend Inhoud variant De Suikerzijde heeft een groot oppervlakte. Bovendien zal Suikerzijde vrijwel geheel nieuw worden ontwikkeld, zowel de gebouwen als de openbare ruimte. Gelet op deze omstandigheden zou de gemeente er in theorie voor kunnen kiezen om gebiedsontwikkeling De Suikerzijde tot het maximale te benutten voor de gemeentelijke energieopgave.

Het is een beleidsoptie om deze energieopgave meer op de voorgrond te zetten en in gebiedsontwikkeling De Suikerzijde meer ruimte te bieden voor duurzame energie. In deze beleidsoptie blijft het voor het gebouwgebonden energiegebruik niet bij ’energieneutraal’, maar wordt De Suikerzijde m.b.t. het gebouwgebonden energiegebruik ’energieleverend’.

60 (69)

Deze variant bestaat uit het treffen van de volgende maatregelen (NB: Om goed aan te sluiten bij het gemeentelijk beleid betreft variant 2 ook uitsluitend de gebouwgebonden energie): • Bestaande gebouwen: Energiebesparing in bestaande en te handhaven permanente gebouwen (o.a. zeefgebouw op Voorterrein). • Nieuwbouw: in de variant ’energieneutraal’ is uitgegaan van de BENG-normen uit het Bouwbesluit voor isolatie en energiezuinigheid van gebouwen. Deze variant 2 gaat er vanuit dat de gemeente Groningen eisen gaat stellen die verder gaan dan de landelijke BENG-normen uit het Bouwbesluit. In variant 2 wordt aangesloten bij de aangescherpte BENG-normen voor grondgebonden woningen en appartementen van de gemeente Amsterdam. In deze normen zijn BENG 1 en BENG 2 (energiezuinigheid en aandeel fossiel energiegebruik) lager, en is BENG 3 (aandeel duurzame opwek) hoger dan het Bouwbesluit. De aangescherpte normen zijn weergegeven en toegelicht in de ’Notitie varianten energie’ in bijlage 7. • Door toch alle ruimte te benutten voor opwekken van duurzame energie wordt een overschot opgewekt. Concreet houdt dit in dat alle geschikte daken en gevels worden bedekt met zonnepanelen. Ook worden waar mogelijk zonnepanelen geplaatst in de openbare ruimte. Effecten Het effect van de aangescherpte BENG-normen is berekend, de resultaten zijn weergegeven in de Notitie in de bijlage.

In variant 2 is het energieverbruik ca 10% lager dan in variant 1. Dit wordt veroorzaakt door de aanscherping van BENG 1 (50 i.p.v. 55 kWh per m2 per jaar voor grondgebonden woningen en 60 i.p.v. 65 kWh per m2 per jaar voor appartementen en 90 i.p.v. 101 kWh per m2 per jaar voor de werkfuncties). De aanscherping van BENG 2 is in de berekeningen niet zichtbaar omdat de gemeente Groningen met een collectief WKO-systeem al gekozen heeft voor een energie-efficiënt systeem. In deze variant zal meer zonne-energie worden opgewekt dan nodig is voor de gebouwgebonden energie van de gebouwen in De Suikerzijde zelf, en in die zin is de variant ’energieleverend’ Deze ’energielevering’ kan voor diverse zaken benut worden, zowel voor gebruikersgebonden energie (elektrische auto’s van bewoners Suikerzijde) als voor gebouwgebonden energie buiten Suikerzijde. Om deze ’energielevering’ te kunnen bewerkstelligen zullen wel een groot aantal praktische, juridische en financiële zaken uitgewerkt moeten worden. De variant energieleverd heeft aanvullende positieve milieueffecten en wordt daarom beoordeeld als positief (+). 3. Variant tijdelijke opwekking Inhoud variant De varianten ’energieneutraal’ en ’energieleverend’ zijn varianten voor de eindsituatie. In de tijdelijke situatie kan de ruimte in het plangebied ook worden benut om duurzame energie op te wekken.

Dit geldt dan vooral voor het Voorterrein, Hoendiep Zuid en Deelgebied Zuid (Deelgebied Noord niet omdat dit gebied als eerste ontwikkeld zal worden) In deze drie deelgebieden zal het huidige gebruik naar verwachting nog enige jaren worden voorgezet. Technisch gezien zijn er mogelijkheden om aanvullend op het huidige gebruik ruimte te bieden voor opwekking van duurzame energie. (Om deze tijdelijke opwekking daadwerkelijk te laten plaatsvinden zullen nog tal van procedurele, praktische, juridische en financiële zaken nader uitgewerkt moeten worden.)

61 (69)

Voor tijdelijke opwekking van energie is het van belang dat de installaties uiteindelijk weer verwijderd moeten worden. Lichtere en min of meer mobiele installaties liggen daarom voor de hand. Hierbij kan gedacht worden aan zonnepanelen of kleinschalige windturbines. Ook moet voornamelijk gedacht worden aan elektriciteit, omdat deze technieken eenvoudig demontabel zijn. Voor warmteprojecten is vaak kostbare infrastructuur nodig om de warmte te transporteren. In het kader van deze analyse is ervoor gekozen variant 3 in te vullen met het tijdelijk plaatsen van zonnepanelen op daken en op maaiveld. In de onderstaande tabel is weergegeven waar in De Suikerzijde welke oppervlakten beschikbaar zijn. In de notitie in de bijlage is een kaartbeeld van deze locaties opgenomen. Deelgebied

Mogelijkheden

Oppervlakte

Opmerkingen

Hoendiep Zuid

Op gebouwen

26.000 m²

Voorterrein

Op gebouwen

8.000 m²

Zuid

Grove schatting braakliggend terrein

306.000 m²

Op een aantal daken liggen al zonnepanelen. Eigenaren zijn divers. De Loskade is niet meegenomen. Ronde dakvormen zijn niet meegenomen. Eigenaren zijn divers. Enige afstand tot de huizen aan de Peizerweg is aangehouden.

Totaal

340.000 m²

Effecten In de notitie wordt de opbrengst van het tijdelijk plaatsen van zonnepanelen op daken en op maaiveld berekend. Het totaal van de mogelijke opwek in de drie deelgebieden HoendiepZuid, Voorterrein en Deelgebied Zuid bij elkaar is 811.200 + 249.600 + 15.300.000 = 16.360.800 kWh/jaar. De variant ’tijdelijke opwekking’ heeft aanvullende positieve milieueffecten en wordt daarom beoordeeld als positief (+).

62 (69)

8

Conclusies

8.1 Inleiding Deze Aanvulling MER is opgesteld naar aanleiding van het voorlopige toetsingsadvies dat de commissie m.e.r. heeft uitgebracht over het MER van 6 maart 2020. In deze Aanvulling MER is ten eerste nader verkend in welke mate de plannen voor De Suikerzijde bijdragen aan het The Next City-beleid (zie par. 8.2). Daarnaast is op advies van de commissie gemotiveerd dat de maximale planmogelijkheden zijn onderzocht (zie par. 8.3). In deze Aanvulling MER zijn vervolgens enkele extra toetsingscriteria opgenomen, deze worden behandeld in par. 8.4. Tot slot zijn in deze Aanvulling MER enkele nieuwe ’hoeken van het speelveld’ in beeld gebracht door enkele extra varianten te onderzoeken. Dit wordt behandeld in par. 8.5. In par. 8.6 wordt een geactualiseerd overzicht gegeven van de MEReffectbeoordelingen. In par. 8.7. wordt ingegaan op het Voorkeursalternatief van de gemeente. 8.2 Beleidsambities The Next City In deze Aanvulling MER is een analyse opgenomen of De Suikerzijde nog meer kan gaan bijdragen aan de beleidsambities uit The Next City uit 2018. Uit deze analyse blijkt dat de plannen voor De Suikerzijde (structuurvisie en stedenbouwkundig plan Deelgebied Noord) goed aansluiten bij het The Next City-beleid.

In de plannen voor De Suikerzijde staat de Groningse Leefkwaliteit duidelijk centraal, en er is gekozen voor een robuuste, aantrekkelijke en groene openbare ruimte waar mensen prettig kunnen verblijven en bewegen. Mogelijkheden voor optimalisatie liggen er bij mobiliteit en energie. Voor deze twee thema’s zijn in deze Aanvulling MER extra varianten onderzocht (zie par. 8.4). 8.3 Maximale planmogelijkheden In deze Aanvulling MER is nader geduid aan welke werkfuncties gedacht wordt voor De Suikerzijde. Het betreft hier werkfuncties die passen in een gemengd stedelijk gebied waar ook veel gewoond wordt. Bepaalde werkfuncties (MBO-onderwijs, kantoorachtig) hebben een duidelijke relatie met de komst van een treinstation incl. mobiliteitshub. Andere werkfuncties (zoals detailhandel, horeca, thuiswerken) zijn minder gerelateerd aan het treinstation. In de Aanvulling MER is toegelicht hoe in de MER-onderzoeken rekening is gehouden met de werkfuncties in De Suikerzijde. De conclusie is dat in het MER en de bijbehorende onderzoeken de maximale planmogelijkheden van structuurvisie en bestemmingsplan zijn onderzocht.

De gemeente zal bij de uitwerking van het structuurvisiebeleid door middel van bestemmingsplannen en omgevingsplannen (publiek) en als grondeigenaar (privaat) blijven sturen op het toestaan van werkfuncties, en op deze wijze borgen dat de toegestane functies passen in een gemengd stedelijk gebied. 8.4 Extra toetsingscriteria In deze Aanvulling MER zijn 4 extra toetingscriteria toegevoegd: ”Gezondheid – G6 kernwaarden”, ”Groene leefomgeving”, ”Duurzaamheid – circulariteit” en ”Trillingshinder railverkeer”. In de twee tabellen in par. 8.6 is het overzicht met de effectbeoordelingen uit het MER weergegeven voor zowel structuurvisie als bestemmingsplan. De extra toetsingscriteria zijn vet en cursief weergegeven. Voor het criterium ’Trillingshinder railverkeer’ is de beoordeling neutraal (0) omdat wordt verwacht dat trillingshinder zich niet of nauwelijks zal voordoen. Voor het criterium ’Duurzaamheid – circulariteit’ is de beoordeling eveneens neutraal (0). Het gemeentelijke beleid voor circulariteit is nog in de opstartfase en in de plannen voor De Suikerzijde zijn nog weinig concrete acties voor circulariteit opgenomen.

63 (69)

De gemeente wil de komende tijd gaan onderzoeken welke kansen er binnen de ontwikkelzones van de gemeente, zoals De Suikerzijde, zijn voor het thema circulariteit. Voor de criteria ’Gezondheid – G6 kernwaarden’ en ’Groene Leefomgeving’ is de beoordeling positief (+). In zowel de structuurvisie als het stedenbouwkundig plan voor Deelgebied Noord is voorzien in een ruime, aantrekkelijke en groene openbare ruimte die uitnodigt tot bewegen, verblijven en ontmoeten. 8.5 Hoeken speelveld In deze Aanvulling MER zijn op advies van de commissie m.e.r. enkele ’hoeken van het speelveld’ verkend. Er zijn op enkele thema’s nieuwe varianten ontwikkeld en deze zijn vervolgens beoordeeld op hun milieueffecten. Deze thema’s zijn: geluid, duurzame mobiliteit en energie. 8.5.1 Varianten geluid Er zijn de aanvullende berekeningen uitgevoerd voor de structuurvisie (Alternatief Hoog) en het bestemmingsplan Deelgebied Noord. Vanwege ongunstiger uitkomsten voor het bestemmingsplan wordt de MER-effectbeoordeling voor ’Verkeerslawaai’ en ’Gezondheid’ voor het bestemmingsplan (variant basis, zonder maatregelen) bijgesteld van 0/- naar -. In de Aanvulling MER zijn voor zowel structuurvisie als bestemmingsplan de varianten ’minder geluid wegverkeer’ en ’minder geluid railverkeer’ onderzocht.

Uit de analyses voor geluid van wegverkeer blijkt dat snelheidsverlaging, aanbrengen van stiller asfalt en het terugplaatsen van rooilijnen tot een (beperkte) afname van de geluidbelasting leiden. Uit de analyses geluid van railverkeer blijkt dat het aanbrengen van raildempers en geluidschermen tot een reductie van geluidbelasting leiden. Het treffen van maatregelen om geluidbelasting door wegverkeer en railverkeer te verminderen leidt ertoe dat de effectbeoordeling op ’Verkeerslawaai’ en ’Gezondheid’ gunstiger wordt. 8.5.2 Variant Duurzame mobiliteit De analyses voor wegverkeer in het bestaande MER waren ingegeven door een worst case-benadering, om te voorkomen dat effecten zouden worden onderschat. In deze analyses is daarom uitgegaan van een situatie zonder station. Om de effectbeoordelingen in het MER consistent te maken met dit uitgangspunt, zijn de effectbeoordelingen voor de drie alternatieven (Laag, Midden en Hoog) op het criterium ’Bereikbaarheid fiets en OV’ daarom bijgesteld van ++ (positief voor zowel fiets als OV) naar + (positief voor alleen fiets). De variant duurzame mobiliteit gaat uit van de ontwikkeling van een treinstation met mobiliteitshub. De beoordeling op ’Bereikbaarheid fiets en OV’ gaat daarom naar ++.

De effectbeoordelingen in het MER op de criteria ’Verkeerlawaai’ en ’Gezondheid’ (alternatief Hoog - -, alternatief Midden -) werden niet alleen bepaald door de verkeersproductie van het alternatief (bij Hoog meer verkeer dan bij Midden), maar daarnaast ook door het aantal nieuwe woningen dat wordt gebouwd nabij drukke wegen en spoorlijnen (bij Hoog meer woningen dan bij Midden). Alternatief Hoog met station leidt weliswaar tot minder milieueffecten door minder wegverkeer (overeenkomstig alternatief Midden zonder station), maar heeft nog steeds wel een hoger aantal woningen dat effecten van verkeerslawaai ondervindt (hoger aantal dan Midden). Alternatief Hoog met station wordt daarom beoordeeld als - / - - in plaats van - -. 8.5.3 Maatregelvarianten energie In het bestaande MER is beoordeeld of De Suikerzijde m.b.t. de gebouwgebonden energie energieneutraal kan worden ontwikkeld. De beoordeling was 0/+. In deze Aanvulling MER zijn de varianten ’energieleverend’ en ’tijdelijke opwek’ onderzocht. Uit de analyses voor de variant ’energieleverd’ blijkt dat er in theorie mogelijkheden zijn om meer energie op te wekken dan nodig is voor de gebouwgebonden energie van De Suikerzijde zelf (effectbeoordeling: +).

Uit de analyses voor de variant ’tijdelijke opwekking’ blijkt dat er in het plangebied mogelijkheden zijn voor tijdelijke opwekking op daken en op maaiveld (effectbeoordeling: +). Als ’energieleverd’ en ’tijdelijke opwekking’ beide worden uitgevoerd zijn de effecten zeer positief (++).

64 (69)

8.6 Overzicht effecten In tabel 8.1 zijn de effectbeoordelingen weergegeven voor de structuurvisie. De nieuwe toetsingscriteria zijn vet weergegeven. Aan de rechterzijde zijn kolommen toegevoegd voor alternatief Hoog inclusief station en voor alternatief Hoog inclusief station en geluidmaatregelen. Tabel 8.1 Effectbeoordelingen gehele plangebied De Suikerzijde Beoordelingscriterium Alternatief Alternatief Alternatief Laag (2.500) Midden (3.750) Hoog (5.000) zonder station zonder station zonder station Verkeer en vervoer Bereikbaarheid gemotoriseerd verkeer Bereikbaarheid langzaam + verkeer + OV Verkeersveiligheid Leefomgevingskwaliteit Verkeerslawaai 0/Trillingen railverkeer 0 Industrielawaai Geurhinder 0 Luchtkwaliteit 0/Externe veiligheid Gezondheid 0/Gezondheid – G6 + kernwaarden Groene leefomgeving + Bodem en water Bodemkwaliteit 0/+ Grondbalans Grondwaterkwantiteit 0 Oppervlaktewaterkwantiteit 0/Grond- en 0/+ oppervlaktewaterkwaliteit Waterketen, riolering, 0 afkoppeling Landschap cultuurhistorie en archeologie Landschap Cultuurhistorie Archeologie Natuur Gebiedbescherming: Natura 0 2000 Gebiedbescherming: NNN 0/Gebiedbescherming: SES + Soortenbescherming Duurzaamheid Energietransitie 0/+ Energieleverend + Energieleverend plus ++ tijdelijke opwekking Circulariteit 0 Klimaatadaptatie +

Alternatief Hoog (5.000) met station

Alternatief Hoog (5.000) met station en geluidmaatr.

-

-

-

-

+

+

++

++

-

-

-

-

0 0 0/+

-0 0 0/-+

-/-0 0 0/- /- +

0 0 0/+

+

+

+

+

0/+ 0 0/0/+

0/+ 0 0/0/+

0/+ 0 0/0/+

0/+ 0 0/0/+

0

0

0

0

-

-

-

-

0

0

0

0

0/+ -

0/+ -

0/+ -

0/+ -

0/+ + ++

0/+ + ++

0/+ + ++

0/+ + ++

0 0/+

0 0

0 0

0 0

65 (69)

In tabel 8.2 zijn de effectbeoordelingen weergegeven voor het bestemmingsplan. Nieuwe toetsingscriteria zijn vet weergegeven. Aan de rechterzijde zijn kolommen toegevoegd voor bestemmingsplan inclusief station en voor bestemmingsplan zonder station en geluidmaatregelen. Deze laatste kolom wijkt af van de tabel voor de structuurvisie, omdat het bestemmingsplan nog niet voorziet in een station (ontwikkeling station vergt langdurige voorbereiding). Tabel 8.2 Effectbeoordelingen bestemmingsplan Deelgebied Noord Beoordelingscriterium Bestemmingsplan (750) Bestemmingsplan (750) zonder station met station Verkeer en vervoer Bereikbaarheid gemotoriseerd verkeer Bereikbaarheid langzaam verkeer + OV Verkeersveiligheid Leefomgevingskwaliteit Verkeerslawaai Trillingen railverkeer Industrielawaai Geurhinder Luchtkwaliteit Externe veiligheid Gezondheid Gezondheid – G6 kernwaarden Groene Leefomgeving Bodem en water Bodemkwaliteit Grondbalans Grondwaterkwantiteit Oppervlaktewaterkwantiteit Grond- en oppervlaktewaterkwaliteit Waterketen, riolering en afkoppeling Landschap, cultuurhistorie en archeologie Landschap Cultuurhistorie Archeologie Natuur Gebiedbescherming: Natura 2000 Gebiedbescherming: NNN Gebiedbescherming: SES Soortenbescherming Duurzaamheid Energietransitie Energieleverend Circulariteit Klimaatadaptatie

Bestemmingsplan (750) zonder station met geluidmaatregelen

0/-

0/-

0/-

0/+

+

0/+

0/-

0/-

0/-

0 0/0 0/0/+ +

0 0/0 0/0/+ +

0/0 0/0 0/0/0/+ +

0 0/0 0/0/+

0 0/0 0/0/+

0 0/0 0/0/+

0

0

0

0 0/0/-

0 0/0/-

0 0/0/-

0

0

0

0/0/+ -

0/0/+ -

0/0/+ -

0/+ + 0 0/+

0/+ + 0 0/+

0/+ + 0 0/+

66 (69)

8.7 Voorkeursalternatief gemeente In hoofdstuk 10 van het MER is voor zowel de structuurvisie als het bestemmingsplan beschreven wat het voorkeursalternatief is. Op basis van de analyses in deze Aanvulling MER wordt het voorkeursalternatief als volgt aangevuld. 8.7.1

Structuurvisie

Duurzame mobiliteit Het gemeentelijke structuurvisiebeleid is volledig gericht op het realiseren van de variant ’duurzame mobiliteit’ met een treinstation en bijbehorende busverbindingen. Deze variant sluit optimaal aan bij het gemeentelijke mobiliteitsbeleid. De gemeente ziet de gebiedsontwikkeling De Suikerzijde als een ’Transport Oriënted Development’. Daarnaast kan een treinstation en mobiliteitshub in De Suikerzijde voordelen hebben voor de hele westzijde van Groningen. De analyses in deze Aanvulling MER hebben de gemeente verder gesterkt in het voornemen om het treinstation en het mobiliteitshub tot stand te brengen. De komende maanden zal de haalbaarheid van het station en mobiliteitshub nader onderzocht worden. Geluid De ontwikkeling van een treinstation met mobiliteitshub leidt tot minder autoverkeer, en tot minder milieuhinder door autoverkeer. Dit geldt ook voor geluidhinder. Niettemin blijft geluidbelasting op gevels relevant voor de leefkwaliteit. De gemeente zal de ontwikkeling van het autoverkeer monitoren, en indien daar aanleiding voor is ook geluidmaatregelen overwegen. In de ontwikkeling van Deelgebied Noord zullen maatregelen worden toegepast die de geluidbelasting reduceren (zie par. 8.7.2). Maatregelen die in Deelgebied Noord goed werken kunnen in volgende deelgebieden ook worden toegepast.

Voor de omliggende wegen (Hoendiep, Johan van Zwedenlaan, Peizerweg) geldt dat de verkeersontwikkeling hier niet alleen afhankelijk is van De Suikerzijde, maar van bredere ontwikkeling (verstedelijking en mobiliteit) aan de westzijde van Groningen. De gemeente zal de verkeersontwikkeling monitoren en bij groot onderhoud nagaan of stillere vormen van asfalt aangelegd kunnen worden. Ook een eventuele snelheidsverlaging zal worden beschouwd in het licht van de mobiliteitsontwikkelingen in heel Groningen-West. De gemeente gaat vooralsnog niet uit van het aanbrengen van raildempers of schermen. De gemeente streeft naar de ontwikkeling van een treinstation. De aanwezigheid van een station zorgt ervoor dat de treinen langzamer door het plangebied zullen rijden, waardoor de geluidbelasting op de gevels lager uitvallen dan nu berekend. Energie – variant energieleverend De gemeente kiest in dit stadium niet voor een aanscherping van de BENG 1-norm conform het Amsterdamse voorbeeld. De gemeente zal voor BENG 1 de normen uit het Bouwbesluit hanteren. Ten aanzien van het aandeel duurzame energie (BENG 3) wil de gemeente onderzoeken wat de praktische, juridische en financiële consequenties zijn van het zo veel mogelijk (=meer dan in Bouwbesluit voor BENG 3 nodig is) benutten van dakoppervlakken voor zonnepanelen.

Hierbij zal niet alleen naar De Suikerzijde worden gekeken maar ook naar andere gebiedsontwikkelingen in Groningen, omdat dit vraagstuk zich hier ook voordoet. Een aandachtspunt is dat de daken van een groot aantal verschillende (vaak ook particuliere) eigenaren zullen zijn, en uitwisseling/levering/afname van energie complex kan zijn. De gemeente verkent welke knelpunten zich hierbij op korte en lange termijn kunnen voordoen, of er mogelijkheden zijn om eventuele knelpunten weg te nemen en of deze mogelijkheden binnen de invloedssfeer van de gemeente liggen.

67 (69)

Energie – tijdelijke opwekking In beginsel geeft de gemeente Groningen de voorkeur aan locaties waar zonnepanelen een langere tijd kunnen blijven liggen, zodat ook langere tijd duurzame energie beschikbaar komt. Aan de andere kant wil de gemeente marktpartijen wel de gelegenheid bieden om een businesscase te ontwikkelen voor tijdelijke opwek van duurzame energie in delen van het plangebied van De Suikerzijde. 8.7.2

Bestemmingsplan

Mobiliteit De voorbereiding van de ontwikkeling van een station kost veel tijd. Als duidelijk wordt dat het station gerealiseerd kan worden, zal de gemeente de hiervoor benodigde procedures doorlopen. Vooruitlopend op de komst van het station zal al wel vast een restrictief parkeerbeleid worden gevoerd. Dit heeft ook andere voordelen, zoals minder ruimtebeslag en stimuleren van het gebruik van fiets en bus. Geluid Naar aanleiding van de analyses in deze Aanvulling MER wil de gemeente in Deelgebied Noord delen van de Stadsstraat (een centrale ontsluitingsweg met nu een maximale snelheid van 50 km/u) de snelheid terugbrengen naar 30 km/u. Ook vanuit andere invalshoeken, zoals leefkwaliteit, is een beperking van de rijsnelheid op de stadsstraat van waarde. Daarnaast wordt voor Deelgebied Noord het aanbrengen van stillere asfalttypen overwogen voor de gebruiksfase waarin er geen bouwverkeer meer over deze wegen rijdt (bouwverkeer vormt risico voor stillere asfalttypen). Om stedenbouwkundige redenen kiest de gemeente er niet voor de rooilijnen van de gevels terug te leggen. Ook zijn geluidschermen langs wegen stedenbouwkundig niet wenselijk. Voor geluidbelasting vanwege railverkeer wordt verwezen naar de passage hierover bij de structuurvisie. Energie – variant energieleverend Wat in par.

8.7.1 is vermeld voor de Structuurvisie geldt ook voor het eerste bestemmingsplan voor Deelgebied Noord. Ervaringen uit Deelgebied Noord worden meegenomen bij de volgende deelgebieden.

68 (69)

Bijlage 1. Bodemenergieplan WKO-systeem

Suikerzijde deelgebied Noord in Groningen Bodemenergieplan

Datum Referentie Betreft Behandeld door Gecontroleerd door Versienummer

6 februari 2020 69355/SV Bodemenergieplan Suikerzijde deelgebied Noord Groningen Henk de Jonge en Dennis Weerdenburg Stijn Verplak definitief

OPDRACHTGEVER Gemeente Groningen Mevr. Linda Peuscher Postbus 7081 9701 JB Groningen linda.peuscher@groningen.nl

Datum Referentie Pagina

6 februari 2020 69355/SV 3/24

INHOUDSOPGAVE 1 Inleiding 1.1 Kader 1.2 Probleemstelling 1.3 doelstelling project 2 Gebruiksregels 2.1 Gebruiksregels open systemen 2.2 Gebruiksregels gesloten systemen 3 Algemene toelichting 3.1 Principe bodemenergie 3.1.1 Open en gesloten systemen 3.1.2 Indeling open systemen 3.2 Bodembelangen 3.3 Bodemeigenschappen 3.3.1 Bodemgeschiktheid open systemen 3.3.2 Bodemgeschiktheid gesloten systemen 3.4 Wettelijke kaders 3.4.1 Open systemen 3.4.2 Gesloten systemen 3.4.3 Lozingen 4 Inventarisatie vraag en aanbod 4.1 Bouwprogramma 4.2 Warmte- en koudevraag 4.3 Potentieel bodemenergie 4.4 Match vraag/aanbod 5 Toelichting gebruiksregels 5.1 Toelichting gebruiksregels 5.1.1 Afweging toepassing type bodemenergiesysteem 5.1.2 Keuze opslagpakket en combinatie verschillende type systemen 5.1.3 Energiebalans 5.1.4 Zonering 5.1.5 Plaatsing bodemlussen Bijlage 1

Plankaart Suikerzijde deelgebied Noord

4 4 5 5 7 7 7 8 8 8 8 9 11 12 14 14 14 16 16 19 19 19 22 22 23 23 23 23 23 24 24

Datum Referentie Pagina

6 februari 2020 69355/SV 4/24

1 Inleiding 1.1

KADER Het Suikerzijde is aangewezen als ontwikkelzone waarin de komende jaren ruimte is voor de ontwikkeling van in totaal zo’n 5.000 woningen en utiliteit. Het voormalige industrieterrein omvat circa 120 hectare en is gelegen op zo’n twee kilometer ten westen van het centrum. Het gebied ten noorden van de spoorlijn wordt als eerste ontwikkeld. Het bouwprogramma voor dit deelgebied bestaat in de eindsituatie uit circa 2.000 woningen en 20.000 m² aan voorzieningen. In onderstaand figuur is de structuurschets van het gehele Suikerzijde opgenomen, met hierin het noordelijk deelgebied met paars gemarkeerd. Naast dit deelgebied bestaat het Suikerzijde uit het oostelijk gelegen Voorterrein en het gebied ten zuiden van het spoor.

Figuur 1.1 | Structuurschets Suikerzijde met hierop de ligging van deelgebied Noord (lichtblauw omkaderd)

De te realiseren nieuwbouw wordt voorzien van een aardgasloze energievoorziening. Het voornemen bestaat om voor de energievoorziening gebruik te maken van bodemenergie in combinatie met warmtepompen. Hierbij heeft de gemeente Groningen de ambitie om een grootschalig collectief bodemenergiesysteem te realiseren. Het systeem dient mee te kunnen groeien met de nieuwbouwontwikkelingen en flexibel te zijn ten aanzien van de invulling van het bouwprogramma. Voor de thermische balancering van de bodemenergie kan mogelijk gebruik worden gemaakt van warmtewinning uit het nabijgelegen Hoendiep (TEO).

Datum Referentie Pagina

6 februari 2020 69355/SV 5/24

Het voorliggende bodemenergieplan is van toepassing voor het noordelijk gelegen deelgebied. Hierbij is rekening gehouden met een eventuele toekomstige uitbreiding van het projectgebied inclusief ordeningspatroon naar het oostelijk gelegen Voorterrein en het deelgebied ten zuiden van het spoor.

1.2

PROBLEEMSTELLING Bij grootschalige toepassing van bodemenergie voor de ontwikkelingen neemt de drukte in de ondergrond sterk toe. Voorkomen moet worden dat bij een toename van het aantal bodemenergiesystemen negatieve interferentie tussen bodemenergiesystemen onderling of nadelige beïnvloeding van andere ondergrondse functies optreedt (Figuur 1.2). Regie is gewenst om een optimaal en duurzaam gebruik van de ondergrond te borgen, zodat alle mogelijk partijen die zich vestigen in Suikerzijde deelgebied Noord gebruik kunnen maken van duurzame bodemenergie. Regie zorgt ervoor dat ongewenste interferentie (negatieve interactie) tussen bodemenergiesystemen onderling of met andere ondergrondse functies wordt voorkomen. Zonder regie is het waarschijnlijk dat toekomstige partijen die zich gaan vestigen in Suikerzijde deelgebied Noord op een gegeven moment geen gebruik meer kunnen maken van bodemenergie.

Figuur 1.2 | Overzicht ondergrondse functies

1.3

DOELSTELLING PROJECT Een bodemenergieplan geeft de gemeente Groningen de mogelijkheid om de ondergrondse inrichting van Suikerzijde deelgebied Noord met betrekking tot bodemenergiesystemen te regisseren met als doel optimaal gebruik te maken van de ondergrond voor bodemenergie. De gemeente zet hierbij in op de toepassing van open systemen. De toepassing van gesloten systemen is echter niet uitgesloten. Uitwerking van het bodemenergieplan vindt plaats door inventarisatie van de voornaamste (inrichtingbepalende) randvoorwaarden: - bovengrondse inrichting projectgebied (beschikbare ruimte voor bronpositionering);

Datum Referentie Pagina

6 februari 2020 69355/SV 6/24

-

energievraag bouwontwikkelingen; bestaande en toekomstige overige ondergrondse functies/belangen; bodemopbouw en capaciteit.

Afweging van deze randvoorwaarden leidt tot een bodemenergieplan waarbij kansen voor combinatie van functies worden benut en negatieve interactie tussen verschillende gebruikers wordt geminimaliseerd.

Datum Referentie Pagina

6 februari 2020 69355/SV 7/24

2 Gebruiksregels Onderstaande gebruiksregels stellen de voorwaarden voor toepassing van de verschillende vormen van bodemenergie binnen het gebied Suikerzijde deelgebied Noord in Groningen. De gebruiksregels gelden binnen het gebied zoals weergegeven op de bodemenergiekaart zoals opgenomen in bijlage 1. De gebruiksregels zijn aanvullend op de wettelijke regels die worden gesteld aan bodemenergie. Ontwikkelende partijen die in het gebied een bodemenergiesysteem willen realiseren, dienen zich te allen tijde te houden aan de wettelijke kaders voor bodemenergie. In de algemene toelichting in paragraaf 3.4 is een samenvatting van de algemene wettelijke kaders voor bodemenergie opgenomen. Daarnaast dienen bodemenergiesystemen binnen de hieronder beschreven gebruiksregels te worden ontworpen, gerealiseerd en geëxploiteerd. Bij de gebruiksregels wordt onderscheid gemaakt tussen open en gesloten bodemenergiesystemen.

2.1

GEBRUIKSREGELS OPEN SYSTEMEN 1. Het open systeem moet worden uitgevoerd als een doubletsysteem. 2. Het open systeem moet worden uitgevoerd als een opslagsysteem (met koude en warme bron(nen)). 3. Bij een doubletsysteem moet gebruik worden gemaakt van het gecombineerde tweede en derde watervoerende pakket (tussen 60 en 290 m-mv). 4. De warme en koude bronnen van een doubletsysteem dienen binnen de aangegeven warme en koude zones te worden gepositioneerd. 5. Het bodemenergiesysteem bereikt uiterlijk vijf jaar na de datum van ingebruikname een moment waarop de hoeveelheid koude die door het systeem aan de bodem is toegevoegd ten minste 100% en ten hoogte 115% bedraagt ten opzichte van de hoeveelheid warmte, die vanaf die datum door het systeem aan de bodem is toegevoegd. Het systeem herhaalt dit telkens uiterlijk vijf jaar na het laatste moment waarop die situatie werd bereikt. 6. Nieuwe open bodemenergiesystemen in de bufferzone dienen aan te sluiten op het strokenpatroon uit het bodemenergieplan. Aangetoond dient te worden dat een nieuw bodemenergiesysteem geen nadelige invloed heeft op aanwezige of toekomstige bodemenergiesystemen in het projectgebied. 7. Afwijkingen van het open systeem op deze gebruiksregels dienen met gedegen en voldoende onderbouwing ter goedkeuring aan de provincie Groningen te worden voorgelegd.

2.2

GEBRUIKSREGELS GESLOTEN SYSTEMEN 1. Alle vormen van een gesloten systeem zijn binnen het projectgebied toegestaan. 2. De bodemwarmtewisselaars dienen op eigen kavel te worden aangebracht. 3. Bodemwarmtewisselaars mogen tot een maximale diepte van 50 m-mv gerealiseerd worden. 4. Afwijkingen van het gesloten systeem op deze gebruiksregels dienen met gedegen en voldoende onderbouwing ter goedkeuring aan de gemeente Groningen te worden voorgelegd.

Datum Referentie Pagina

6 februari 2020 69355/SV 8/24

3 Algemene toelichting 3.1

PRINCIPE BODEMENERGIE Bodemenergiesystemen maken gebruik van de bodem om warmte en/of koude op te slaan in het aanwezig grondwater. Deze warmte en/of koude wordt gebruikt voor de klimatisering van gebouwen of processen. Hiermee worden aanzienlijke energiebesparingen ten opzichte van conventionele verwarmings- en koelinstallaties gerealiseerd. Onderstaand figuur presenteert de verschillende typen bodemenergiesystemen. opslag doublet recirculatie open systeem bodemenergie

opslag monobron gesloten systeem

recirculatie .

Figuur 3.1 | Overzicht bodemenergiesystemen

Hieronder worden de verschillende typen bodemenergiesystemen nader toegelicht. 3.1.1

Open en gesloten systemen Open systemen, ook wel warmte-/koudeopslag (WKO) genoemd, bestaan uit bronnen die grondwater onttrekken en infiltreren. Energie in de vorm van warmte en koude wordt opgeslagen in een ondergrondse watervoerende laag. Deze energie wordt vervolgens onttrokken om te verwarmen (in combinatie met warmtepompen) of te koelen. In de zomer wordt gekoeld met winterkoude en in de winter wordt verwarmd met zomerwarmte. Open systemen worden in Nederland meestal toegepast op dieptes tussen de 20 tot 250 meter beneden maaiveld. Een open systeem is met name rendabel bij de grotere ontwikkelingen vanaf circa 50 woningen, kantoren en andere utiliteitgebouwen. Gesloten systemen, ook wel bodemwarmtewisselaars genoemd, bestaan uit flexibele kunststof lussen in de bodem waarmee warmte en koude aan de bodem wordt onttrokken door middel van geleiding. Er wordt geen grondwater onttrokken. Gesloten systemen worden in Nederland over het algemeen gerealiseerd tot een diepte van circa 200 meter beneden maaiveld. Een systeem kan al interessant zijn voor één woning. Daarnaast worden gesloten systemen ook toegepast bij kleine utiliteitsbouw (scholen, kleine kantoren), maar in toenemende mate ook bij grotere ontwikkelingen, zoals kantoorgebouwen en appartementencomplexen.

3.1.2

Indeling open systemen De categorie van open systemen kan nader onderscheiden worden naar concepten met één of meer bronnen en met wél of géén opslag van de warmte of koude.

Datum Referentie Pagina

6 februari 2020 69355/SV 9/24

Doublet en monobron Open systemen zijn onderverdeeld in doubletten en monobronnen. Bij een doubletsysteem worden twee bronnen horizontaal ten opzichte van elkaar geplaatst, zodat de warme en koude bellen zich naast elkaar vormen. Een monobron bestaat uit slechts één bron, waarbij twee filters op ongelijke diepte in de bodem gepositioneerd worden. Hierbij vormen de warme en koude bel zich onder elkaar. Opslagsystemen en recirculatiesystemen Bij een opslagsysteem wordt de warmte en koude opgeslagen bij de bronnen. Eén bron is de zogenoemde warme bron, de andere bron de koude bron. Deze bronnen onttrekken en infiltreren afwisselend, afhankelijk van het seizoen. Een recirculatiesysteem is een alternatief systeem dat bestaat uit een onttrekkings- en een infiltratiebron. Er is geen sprake van opslag. Er wordt namelijk continu grondwater onttrokken uit de ene bron en geïnfiltreerd in de andere bron. Met het onttrokken grondwater, met een temperatuur gelijk aan de natuurlijke grondwatertemperatuur, wordt in de zomer gekoeld en in de winter verwarmd. In Figuur 3.2 zijn de hierboven beschreven concepten schematisch weergegeven. Open: doublet (opslag)

Open: monobron (opslag)

Open: doublet (recirculatie)

Gesloten: bodemwarmtewisselaars

Figuur 3.2 | Schematische weergave verschillende varianten van bodemenergie

3.2

BODEMBELANGEN In Tabel 3.1 zijn de relevante belangen opgenomen die van invloed kunnen zijn op de werking van een open en/of gesloten bodemenergiesysteem in het gebied Suikerzijde deelgebied Noord. Het gaat om zowel technische als juridische aspecten.

Datum Referentie Pagina

6 februari 2020 69355/SV 10/24

Tabel 3.1 | Technische en juridische aspecten bodemenergiesysteem onderwerp open bodemenergiesysteem gesloten bodemenergiesysteem

toelichting geen open bodemenergiesystemen in en binnen 250 m van het projectgebied geen gesloten bodemenergiesystemen in het projectgebied. Eén gesloten bodemenergiesysteem 150 m ten noordwesten van het projectgebied.

zettingen

noemenswaardige zetting wordt niet verwacht

grondwaterbescherming

niet gelegen in een boringsvrije zone of nabij een waterwingebied

natuurbelangen

niet gelegen in of binnen 500 m van een beschermd natuurgebied

archeologie waardevol gebied

enkele archeologische objecten aanwezig binnen het projectgebied

aardkundig waardevol gebied

niet gelegen binnen een aardkundig waardevol gebied

verontreinigingen

geen diepe (grondwater)verontreinigingen verwacht

waterkering

waterkering Hoendiep in het noorden van projectgebied

spoor

spoor direct ten zuiden van projectgebied

begraafplaats

geen begraafplaats gelegen in of nabij projectgebied

ondergrondse infrastructuur

hogedruk gasleiding aanwezig binnen het projectgebied

geschikt, geen belemmering of aandachtspunt

aandachtspunt of risico

hoog risico of belemmering

Gesloten bodemenergiesysteem Binnen het projectgebied bevinden zich geen gesloten bodemenergiesystemen. Circa 150 m ten noordwesten van het projectgebied (zie bijlage 1) is een gesloten bodemenergiesysteem gemeld. Gezien de afstand tot het projectgebied vormt dit gesloten bodemenergiesysteem geen belemmering voor het toepassen van open bodemenergiesystemen in het projectgebied. Afhankelijk van de locatie van de uiteindelijke bronnen binnen het projectgebied dient de invloed van een open bodemenergiesysteem op het aanwezige gesloten bodemenergiesysteem nader onderbouwd te worden. Archeologie Binnen het plangebied zijn drie bunkers en een boerderijplaats uit de 19 e eeuw aanwezig (zie bijlage 1). In het archeologisch vooronderzoek (Plangebied Suikerterrein (deelgebied 2) te Groningen, RAAP, rapport nummer 4058, d.d. 28-08-2019) wordt geadviseerd deze elementen te behouden. Daarnaast wordt voor het oostelijke deel aanbevolen karterend booronderzoek uit te voeren om vindplaatsen op te sporen. De archeologische waarden vormen geen belemmering voor het toepassen van bodemenergie. Verontreinigingen Op basis van informatie van de gemeente Groningen wordt verwacht dat er geen diepe grondwaterverontreinigingen aanwezig zijn in het noordelijke deelgebied. Wel kunnen er ondiepe verontreinigingen aanwezig zijn (zie bijlage 1).

Voor het in gebruik hebben van een bodemenergiesysteem in het gecombineerde tweede en derde watervoerende pakket vormt de verontreinigingssituatie geen belemmering. Voor de aanleg van de bronnen en het leidingwerk van een bodemenergiesysteem dient wel rekening gehouden te worden met eventuele verontreinigingen. Voor realisatie moet de verontreinigingssituatie op locatieniveau nader onderzocht worden.

Datum Referentie Pagina

6 februari 2020 69355/SV 11/24

Waterkering Ten noorden van het projectgebied ligt het Hoendiep. Aan beide zijden van het Hoendiep ligt een waterkering. Het betreft een regionale (niet-primaire) waterkering. In de keur van Waterschap Noorderzijlvest is opgenomen dat de waterkering bestaat uit een kernzone (de kruin en het talud) en een beschermingszone van 4 m buiten de kernzone (zie Figuur 3.3).

Figuur 3.3 | Zoneringen waterkering (bron: keur Waterschap Noorderzijlvest)

Binnen de kernzone is het zonder vergunning niet toegestaan om te graven of boringen te verrichten. Ook binnen de beschermingszone mogen zonder vergunning geen boringen worden verricht. Bij voorkeur worden de bronnen en het leidingwerk van een bodemenergiesysteem daarom buiten deze zones gerealiseerd. Indien dit niet mogelijk is, moet in overleg met het betreffende waterschap bepaald worden waar en onder welke voorwaarden de bronnen en het leidingwerk binnen de zones gerealiseerd mogen worden. Ondergrondse infrastructuur Binnen het projectgebied ligt een hogedruk gasleiding. Rond deze gasleiding is een beschermingszone gedefinieerd (zie bijlage 1). Binnen deze beschermingszone is het niet toegestaan bronnen te realiseren en worden er regels gesteld ten aanzien van de minimale verticale afstand tussen de gasleiding en te kruisen leidingwerk. Specifieke regels ten aanzien van deze hogedruk gasleiding dienen opgevraagd te worden bij de Gasunie.

3.3

BODEMEIGENSCHAPPEN Het technisch functioneren van een bodemenergiesysteem is afhankelijk van een aantal bodemeigenschappen. De belangrijkste voorwaarde voor open systemen is dat in de bodem een geschikte watervoerende zandlaag aanwezig is die voldoende capaciteit biedt voor de opslag van koude en warmte. Een gesloten systeem kan, in tegenstelling tot een open systeem, in een slecht doorlatende laag worden aangelegd. De doorlatendheid is van ondergeschikt belang, aangezien er ook warmte-uitwisseling in slecht doorlatende lagen, zoals klei- of veenlagen kan plaatsvinden. Een ander aspect dat een rol speelt is grondwaterstroming. Voor zowel open als gesloten systemen zijn de snelheid en de richting van de grondwaterstroming van belang bij het positioneren van de bronnen of bodemwarmtewisselaars. Bij een hoge grondwaterstroming kan bij een open systeem thermische interactie tussen de warme en koude bellen optreden. Dit dient in verband met rendementsverlies te worden voorkomen. Bij gesloten systemen heeft een hoge grondwaterstroming veelal juist een positieve invloed op het thermisch functioneren, omdat de bodem rond de bodemlus minder snel zal afkoelen en opwarmen.

Datum Referentie Pagina

6 februari 2020 69355/SV 12/24

Ook de diepte van de grondwaterstand op de locatie is van belang. Een diepe grondwaterstand is ongunstig voor de toepassing van gesloten systemen, omdat onverzadigd zand de warmte minder goed geleid. Voor het energetisch rendement van open systemen is de grondwaterstand minder van invloed. Tenslotte is voor open systemen de grondwaterkwaliteit van belang. De chemische samenstelling en de temperatuur van het grondwater zijn van belang voor het goed functioneren van een open systeem. Daarnaast mag een open systeem geen verzilting veroorzaken, dus moet ook gekeken worden naar de invloed op het zoet-/brakgrensvlak. Aangezien bij een gesloten systeem geen grondwater wordt onttrokken, is de werking van dit systeem niet afhankelijk van de waterkwaliteit van het grondwater. Bovengenoemde aspecten worden verder in dit hoofdstuk behandeld. Daarbij wordt aangegeven in hoeverre ze de haalbaarheid van open en gesloten bodemenergiesystemen in Suikerzijde deelgebied Noord beïnvloeden. Dit geeft een globaal beeld van de haalbaarheid, gebaseerd op een geohydrologisch vooronderzoek. Elke initiatiefnemer van bodemenergie dient zelf de benodigde onderzoeken uit te voeren om de haalbaarheid van het beoogde bodemenergiesysteem te toetsen. Onderstaande informatie is daarom ter indicatie weergegeven. Hieraan kunnen geen rechten worden ontleend. 3.3.1

Bodemgeschiktheid open systemen De bodemopbouw in de directe omgeving van Suikerzijde deelgebied Noord is beschreven op basis van de volgende gegevens: - Grondwaterkaart van Nederland - Regionaal Geohydrologisch Informatie Systeem (REGIS) - Boorbeschrijvingen uit het archief van TNO Bouw en Ondergrond via DINOLoket Op basis van deze gegevens is de bodemopbouw geschematiseerd in aantal watervoerende pakketten en scheidende lagen. Figuur 3.4 geeft de globale bodemopbouw in het projectgebied weer. Lokaal zijn verschillen aanwezig. De lokale bodemopbouw dient bij de vergunningaanvraag voor een individueel systeem nader te worden beschouwd. Het eerste watervoerende pakket bestaat uit zeer fijn tot matig grof zand. Dit pakket heeft een dikte van circa 25 meter. Het doorlaatvermogen van dit watervoerende pakket is laag en is daarmee minder geschikt voor de toepassing van open bodemenergiesystemen. Het gecombineerde tweede en derde watervoerende pakket bestaat uit fijn tot uiterst grof zand. Dit pakket is opgesplitst in twee delen. Voor het ondiepe deel is de doorlatendheid hoger dan van het diepere deel (vanaf circa 170 meter beneden maaiveld). Binnen het gecombineerde tweede en derde watervoerende pakket kunnen kleilagen voorkomen. Het gecombineerde tweede en derde watervoerende pakket is zeer geschikt voor de toepassing van open bodemenergiesystemen.

De maximale capaciteit die uit dit pakket onttrokken kan worden bedraagt circa 200 m³ per uur.

Datum Referentie Pagina

6 februari 2020 69355/SV 13/24

m-mv

ma a i vel d = ci rca 1 tot 4 m+NAP dekl a a g

35

eers te wa tervoerende pa kket

60

gecombi neerde tweede en derde wa tervoerende pa kket

170

gecombi neerde tweede en derde wa tervoerende pa kket

290

hydrol ogi s che ba s i s

Figuur 3.4 | Schematisatie bodemopbouw

Overige geohydrologische eigenschappen open systemen De overige geohydrologische eigenschappen die belangrijk zijn voor de toepassing van een open bodemenergiesysteem zijn weergegeven in Tabel 3.2. Tabel 3.2 | Geohydrologische eigenschappen voor een open bodemenergiesysteem parameter

toelichting

grondwaterstand

circa 1 m-mv

stijghoogten

1e watervoerende pakket: 2 m-mv 2e/3e watervoerende pakket: 2 m-mv

stromingssnelheid- en richting

2e/3e watervoerende pakket: <5 m/jaar, geen duidelijke richting

temperatuur

11 – 14°C (60 – 290 m-mv)

zoet/brak/zoutgrensvlak

zoet/brak: circa 5 m-mv en brak/zout: circa 10 - 40 m-mv

geschikt, geen belemmering of aandachtspunt

aandachtspunt of risico

hoog risico of belemmering

Zoet-/brak-/zoutgrensvlakken Op basis van de Grondwaterkaart van Nederland en analyses uit peilbuizen in de omgeving wordt het zoet-/brakgrensvlak (chloridegehalte van 150 mg/l) op een diepte van circa 5 m-mv verwacht en het brak-/zoutgrensvlak op een diepte van circa 10 – 40 m-mv. Naar het zuiden toe ligt het zoet/brakgrensvlak dieper dan op de locatie. Vanuit provinciaal beleid is verzilting van grondwater niet toegestaan (zie hoofdstuk 3.3). Het beleid is gericht op het beschermen van zoet grondwater voor hoogwaardige doeleinden (drinkwater en industrie). De ligging van het zoet-/brakgrensvlak vormt daarom geen belemmering voor de

Datum Referentie Pagina

6 februari 2020 69355/SV 14/24

toepassing van bodemenergie in het gecombineerde tweede en derde watervoerende pakket. Het gehele gecombineerde tweede en derde watervoerende pakket kan worden gebruikt voor de toepassing van open bodemenergiesystemen. 3.3.2

Bodemgeschiktheid gesloten systemen Voor gesloten systemen geldt dat zij gebruik kunnen maken van alle watervoerende pakketten en aanwezige scheidende lagen. Voor het benutten van het maximale potentieel aan bodemenergie is een scheiding tussen de open en gesloten bodemenergiesystemen nodig. Voor een eenduidige en eenvoudig ordening is het uitgangspunt dat open bodemenergiesystemen toegepast kunnen worden in het gecombineerde tweede en derde watervoerende pakket vanaf een diepte van 60 m-mv en de gesloten systemen tot een diepte van 50 m-mv. Hiermee kan kavel specifiek worden gekozen en is het ook mogelijk om open en gesloten bodemenergiesystemen “boven” elkaar te realiseren. De overige geohydrologische eigenschappen die belangrijk zijn voor de toepassing van een gesloten bodemenergiesysteem zijn weergegeven in Tabel 3.3. Tabel 3.3 | Geohydrologische eigenschappen voor een gesloten bodemenergiesysteem parameter

toelichting

grondwaterstand

circa 1 m-mv (afhankelijk van uiteindelijke hoogte maaiveld)

stijghoogten

1e watervoerende pakket: 2 m-mv

stromingssnelheid- en richting

1e watervoerende pakket: 5 m/jaar in zuidoostelijke richting

temperatuur

11°C (0 – 50 m-mv)

geschikt, geen belemmering of aandachtspunt

aandachtspunt of risico

hoog risico of belemmering

3.4

WETTELIJKE KADERS De aanleg en bedrijfsvoering van bodemenergiesystemen raakt aan diverse belangen, zoals milieu, drinkwater, bodemkwaliteit, etc. Voor de aanleg ervan is daarom meestal een vergunning vereist. Ook gelden specifieke procedures. Hieronder volgt een beknopte beschrijving van de te volgen procedures en vergunningsplichten bij de aanleg van open en gesloten systemen. Daarna volgt ook een kort overzicht van de regels die gelden voor lozingsactiviteiten. Steeds is hierbij ook aangegeven welk orgaan het bevoegd gezag is in het gebied van Suikerzijde deelgebied Noord.

3.4.1

Open systemen Het onttrekken en infiltreren van grondwater bij een open bodemenergiesysteem is vergunningplichtig in het kader van de Waterwet. Als bijlage bij de vergunningaanvraag dienen de effecten van het systeem in een effectenstudie te worden gekwantificeerd. De belangrijkste aspecten bij een vergunningaanvraag in het kader van de Waterwet zijn samengevat in Tabel 3.4 en daaronder nader toegelicht.

Datum Referentie Pagina

6 februari 2020 69355/SV 15/24

Tabel 3.4 | Belangrijkste aspecten vergunning open systemen aspect

toelichting

bevoegd gezag

provincie Groningen

vergunningplicht

alle open systemen, voor systemen < 10 m3 per uur is een vereenvoudigde vergunningaanvraag mogelijk

doorlooptijd

8 weken tot publicatie definitieve beschikking, de provincie kan onder voorwaarden deze termijn verlengen tot 6 maanden

leges/publicatiekosten

De provincie rekent geen leges voor open bodemenergiesystemen, wel moeten publicatiekosten worden betaald voor de vergunningaanvraag.

juridische voorwaarden

- de gemiddelde infiltratietemperatuur in de bronnen mag niet hoger zijn dan 25 °C en niet lager zijn dan 5 °C, de provincie heeft de mogelijkheid om een hogere temperatuur toe te staan; - bodemenergiesystemen mogen geen negatieve invloed hebben op reeds aanwezige bodemenergiesystemen of andere belanghebbenden in de omgeving; - verontreinigingen mogen niet extra verplaatst worden door het toepassen van bodemenergie; - verzilting van het zoete grondwater dient te worden voorkomen; - een koudeoverschot is in principe toegestaan en een warmteoverschot verboden, de provincie heeft de mogelijkheid om het koudeoverschot te beperken.

Een deel van deze (en andere) voorwaarden gesteld aan het installeren en het in werking hebben van een open systeem staan in meer detail in de artikelen 6.11a tot en met 6.11i van het Waterbesluit. Procedure Voor een vergunningaanvraag Waterwet geldt de reguliere procedure van de Algemene wet bestuursrecht. Deze procedure duurt circa 8 weken. De provincie heeft de mogelijkheid om op de aanvraag te beslissen met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (Afd. 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht). Deze procedure duurt circa 6 maanden. Binnen deze procedure wordt, afwijkend van de reguliere procedure, eerst een ontwerpbesluit ter inzage gelegd, voordat het definitieve besluit uitkomt. In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat voor elke aanvraag in het kader van de Waterwet een formele m.e.r.-beoordeling uitgevoerd dient te worden. De formele m.e.r.-beoordeling richt zich op de vraag of op grond van kenmerken van activiteit, plaats, samenhang met andere activiteiten en milieueffecten een uitgebreide m.e.r.-procedure noodzakelijk is of dat met een “reguliere” vergunningsprocedure Waterwet kan worden volstaan. Voor het uitvoeren van deze m.e.r.-beoordeling dient een aanmeldingsnotitie opgesteld te worden waarin de belangen en effecten zijn omschreven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.groningen.nl/api/v1/meetings/4226/documents/62149