Bijlage 14 Milieu effect rapportage Suikerfabriekterrein Groningen - Aanvulling MER.pdf
Tekst van het document
De proceduretijd voor het beoordelen van deze notitie en het opstellen van het m.e.r.-beoordelingsbesluit bedraagt 6 weken. Indien besloten wordt dat geen m.e.r.-procedure doorlopen hoeft te worden, kan de vergunningaanvraag Waterwet, voorzien van een effectenstudie en een kopie van het m.e.r.-beoordelingsbesluit, ingediend worden. Ervaring leert dat in de meeste gevallen uit de m.e.r.-beoordeling volgt dat er geen m.e.r.-procedure doorlopen hoeft te worden. Nadat het bodemenergieplan door de provincie is verankerd in een provinciale beleidsregel, zal de provincie nieuwe vergunningaanvragen Waterwet voor open bodemenergiesystemen toetsen aan de gebruikersregels uit het bodemenergieplan.
Datum Referentie Pagina
3.4.2
6 februari 2020 69355/SV 16/24
Gesloten systemen Gesloten systemen zijn meldings- en soms vergunningplichtig. Alle gesloten systemen moeten tenminste gemeld worden (conform het Besluit lozen buiten inrichting of Activiteitenbesluit milieubeheer). Voor gesloten systemen met een bodemzijdig vermogen groter dan of gelijk aan 70 kW, alsmede alle systemen die in een interferentiegebied worden gerealiseerd, moet ook een Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets (OBM) worden aangevraagd bij het bevoegd gezag (gemeente Groningen). De belangrijkste aspecten voor de melding en vergunningverlening voor gesloten systemen zijn samengevat in Tabel 3.5 en daaronder nader toegelicht. Tabel 3.5 | Belangrijkste aspecten melding en vergunning gesloten systemen aspect
toelichting
bevoegd gezag
Gemeente Groningen
melding
alle systemen
vergunningplicht
≥ 70 kW of ligging in interferentiegebied
doorlooptijd
melding: 4 weken voor start werkzaamheden vergunning: 8 weken tot publicatie definitieve beschikking (OBM)
belangrijkste algemene regels
- de temperatuur van de circulatievloeistof mag niet hoger zijn dan 30 °C en niet lager zijn dan -3 °C, de gemeente heeft de mogelijkheid om een hogere temperatuur toe te staan; - bij vermoedelijke lekkage: onmiddellijk buiten werking stellen en circulatievloeistof verwijderen (tenzij de circulatievloeistof uit alleen water bestaat); - gesloten bodemenergiesystemen mogen geen negatieve invloed hebben op reeds aanwezige bodemenergiesystemen of andere belanghebbenden in de omgeving; - een koudeoverschot is in principe toegestaan en een warmteoverschot verboden, de gemeente heeft de mogelijkheid om het koudeoverschot te beperken.
Deze (en andere) voorschriften gesteld aan het installeren en het in werking hebben van gesloten bodemenergiesystemen zijn opgenomen in hoofdstuk 3a van het Besluit lozen buiten inrichting en paragraaf 3.2.8 uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Op het moment dat locatie Suikerzijde deelgebied Noord is aangewezen als interferentiegebied via een gemeentelijke verordening, gaat voor alle gesloten bodemenergiesystemen een vergunningsplicht gelden. Door het vaststellen en verankeren van een gemeentelijke beleidsregel kan de gemeente vastleggen op basis van welke regels een vergunningaanvraag voor een gesloten bodemenergiesysteem wordt getoetst. Deze regels zijn gebaseerd op het voorkomen van interferentie tussen systemen en het bevorderen van doelmatig gebruik van de ondergrond voor zowel op als gesloten bodemenergiesystemen. Dit kan betekenen dat de gemeentelijke beleidsregel beperkingen oplegt aan de aanleg van gesloten systemen. 3.4.3
Lozingen Er zijn verschillende momenten waarop lozingen, en daarmee de wettelijke kaders voor lozingsactiviteiten, aan de orde zijn. Boren van de bronnen/lussen (boorspoelwater) Voor de aanleg van de bronnen van open systemen en de lussen van gesloten systemen moet worden geboord. Tijdens het boren komt spoelwater vrij (boorspoelwater). De hoeveelheid water die hierbij vrijkomt is beperkt, maar bevat vaak boorspoeling (bentoniet en polymeren) en vrijgekomen grond (zand, klei).
Datum Referentie Pagina
6 februari 2020 69355/SV 17/24
Ontwikkelen van open bronnen (ontwikkelwater) Direct na het boren worden de bronnen van een open systeem eenmalig schoon gepompt (ontwikkelen). Het doel hiervan is om resten van het geboorde materiaal uit de bronnen te verwijderen (zand en slibdeeltjes), zodat deze niet voor verstoppingen kunnen zorgen. Tijdens het ontwikkelen komt grondwater vrij met een debiet tot maximaal 130% van het ontwerpdebiet. Dit grondwater moet geloosd worden. Om de lozingshoeveelheid en het lozingsdebiet te verlagen kan gebruik worden gemaakt van filtertechnieken om vaste bestanddelen te verwijderen, waarbij het water grotendeels weer geïnfiltreerd wordt in de bodem. Het blijft echter noodzakelijk dat een gedeelte van het vrijkomende grondwater geloosd kan worden, om onder andere de filterunits terug te spoelen. Door deze manier van ontwikkelen kan het lozingsdebiet beperkt worden. Onderhoud van open bronnen (spuiwater) In verband met preventief onderhoud van de bronnen worden deze een aantal keer per jaar gespoeld. Bij deze actie wordt uit de bronnen enige tijd grondwater onttrokken met het maximale debiet. Dit grondwater moet geloosd worden. Middels een onderhoudsfilter in de technische ruimte kan ervoor gezorgd worden dat er geen grondwater geloosd hoeft te worden. Bij een onderhoudsfilter wordt het vuil afgevangen met een zogenaamd kaarsenfilter met zeer kleine poriën.
Het grondwater wordt uit de bronfilters opgepompt en wordt via het onderhoudsfilter in de bypass van het leidingcircuit in een andere bron geïnjecteerd. Regulering van lozingen en voorkeursroutes Met de inwerkingtreding van de AMvB Bodemenergie zijn voorkeursvolgordes voor lozingen gedefinieerd. Hierbij worden twee type lozingen onderscheiden: - lozen van boorspoelwater (open en gesloten systemen); - lozen van ontwikkel- en beheerwater (alleen open systemen). Door de specifieke kenmerken van deze stromen geldt er een voorkeursvolgorde voor de lozingsroute. Lokale omstandigheden kunnen aanleiding zijn om af te wijken van deze volgorde. Onderstaande tabel geeft de voorkeursvolgorde weer. Tabel 3.6 | Voorkeursvolgorde lozen vanuit AMvB Bodemenergie type afvalwater
voorkeursvolgorde lozing (bevoegd gezag)
Boorspoelwater
1. vuilwaterriool (gemeente)
(open en gesloten systemen)
2. op de bodem (gemeente) 3. overige lozingsmethoden In de bodem en op het schoonwaterriool is niet toegestaan
Ontwikkel- en beheerwater
1. in de bodem (provincie)
(open systemen)
2. oppervlaktewater (Waterschap of Rijkswaterstaat) 3. schoonwaterriool (gemeente) 4. vuilwaterriool (gemeente) 5. externe verwerker
Het Besluit lozen buiten inrichtingen bevat regels voor een groot aantal categorieën van lozingen die het gevolg zijn van activiteiten die plaatsvinden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer. Lozingen vanuit inrichtingen vallen onder het Activiteitenbesluit. Het besluit geldt voor alle lozingsroutes: zowel lozingen op oppervlaktewater, de bodem als de riolering. De lozingen van het water voor het ontwikkelen van open bronnen geeft de grootste lozingsvolumes. Conform de voorkeursvolgorde voor lozingen heeft het terugbrengen van het grondwater de
Datum Referentie Pagina
6 februari 2020 69355/SV 18/24
voorkeur. Dit is echter een kostbare methode en door het beperken van het ontwikkeldebiet kunnen de bronnen niet optimaal ontwikkeld worden. Daarnaast is het nog steeds nodig om een kleine waterhoeveelheid te lozen. Het lozen van het ontwikkelwater op het oppervlaktewater heeft daarom de voorkeur. Mocht dit niet mogelijk zijn, moet het grondwater geloosd worden op een vuilwaterriool of gemengd rioolstelsel. Aanbevolen wordt om in een vroeg stadium in overleg te treden met het bevoegd gezag om de mogelijkheden voor lozen te bespreken. Het beleid ten aanzien van het lozen op oppervlaktewater is beschreven in het Besluit lozen buiten inrichtingen. Dit beleid wordt in het geval van Suikerzijde deelgebied Noord in Groningen gehanteerd en uitgevoerd door Waterschap Noorderzijlvest. Het beleid en het indienen van een vergunning of doen van een melding staat beschreven op de website van het waterschap (www.noorderzijlvest.nl).
Datum Referentie Pagina
6 februari 2020 69355/SV 19/24
4 Inventarisatie vraag en aanbod 4.1
BOUWPROGRAMMA Het te onderzoeken gebied betreft het oude Suikerzijde in Groningen en is opgedeeld in verschillende deelgebieden. In de verdere uitwerking van deze inventarisatie is onderscheid gemaakt tussen het daadwerkelijke projectgebied genaamd ‘deelgebied Noord’ en het overige deel. Het overige deel bestaat hierbij uit oostelijk gelegen Voorterrein en het gebied ten zuiden van het spoor (zie Figuur 1.1). In Figuur 4.1 is het deelgebied Noord meer in detail weergegeven. Dit figuur is afkomstig uit het Stedenbouwkundig plan.
Figuur 4.1 | Projectgebied noordelijk deel ontwikkelprogramma Suikerzijde Groningen (Stedenbouwkundig plan)
De gemeente Groningen heeft het bouwprogramma voor het Suikerzijde aangeleverd. Op basis van dit bouwprogramma zijn in Tabel 4.1 de oppervlaktes van de gebouwfuncties weergegeven voor het noordelijke en het overige deel van het Suikerzijde. Tabel 4.1 | Oppervlaktes gebouwfuncties per deelgebied in m²
4.2
woningen
woningen
utiliteit/
winkel/
aantal
[m²]
kantoor [m²]
horeca [m²]
totaal [m²]
deelgebied Noord
2.000
245.000
13.333
6.667
265.000
overige deelgebieden
3.000
368.000
20.000
10.000
398.000
totaal
5.000
613.000
33.333
16.667
663.000
WARMTE- EN KOUDEVRAAG Met de oppervlaktes uit Tabel 4.1 zijn de gebouwzijdige energievraag en benodigde vermogens per ontwikkeling en deelgebied bepaald. De kentallen welke gebruikt zijn voor deze berekeningen zijn te vinden in Tabel 4.2. Het resultaat van de berekeningen is weergegeven in Tabel 4.3.
Datum Referentie Pagina
6 februari 2020 69355/SV 20/24
Tabel 4.2 | Kentallen verschillende gebouwfuncties op basis van BENG gebouwfunctie
warmtevraag
warmtevraag
verwarmingsver-
koudevraag
koelvermogen
ruimteverwarming
tapwater
mogen
[kWh/m²/jaar]
[W/m²]
[kWh/m²/jaar]
[kWh/m²/jaar]
[W/m²]
woningen
37
20
35
18
20
winkel / horeca
35
2
50
21
35
utiliteit (kantoor)
45
3
50
27
35
Tabel 4.3 | Gebouwzijdige vraag en vermogens gebouwfunctie
warmtevraag
warmtevraag
verwarmings-
koudevraag
koelvermogen
ruimteverwarming
tapwater
vermogen
[MWh]
[kW]
[MWh]
[MWh]
[kW]
7.800
4.170
7.300
3.670
4.170
utiliteit kantoor
600
40
670
360
470
winkel horeca
230
20
330
140
230
totaal deelgebied Noord
8.630
4.220
8.300
4.170
4.870
overige deelgebieden
12.950
6.330
12.450
6.260
7.310
totaal gebied
21.580
10.550
20.750
10.430
12.180
deelgebied Noord woningen
Op basis van de gebouwzijdige vraag en vermogens zijn de bodemzijdige (grondwaterzijdige) uitgangspunten uitgerekend. Deze zijn berekend op basis van energetische uitgangspunten zoals opgenomen in Tabel 4.4 en Tabel 4.5. De uitkomst van de berekeningen zijn weergeven in Tabel 4.6. Tabel 4.4 | Energetische uitgangspunten: dT, COP en SPF warmtelevering
koeling
dTontwerp
6,0
8,0
dTgemiddeld
5,0
5,0
COP/SPF ruimteverwarming-/koeling
5,0
5,0
COP/SPF tapwater
3,0
-
Tabel 4.5 | Verdeling jaarlijkse energievraag en vermogens passief
actief
(direct uit bronnen)
(via warmtepomp)
-
100%
warmtevraag
-
100%
koelvermogen
100%
-
koudevraag
100%
-
verwarmingsvermogen
Datum Referentie Pagina
6 februari 2020 69355/SV 21/24
Tabel 4.6 | Grondwaterzijdige vraag en vermogen gebouwfunctie
warmtevraag
verwarmings-
koudevraag passief
koelvermogen
onbalans
[MWh]
vermogen
[MWh]
passief [kW]
(warmteoverschot)
[kW]
[MWh]
deelgebied Noord woningen
9.020
5.840
3.670
4.170
5.350
utiliteit kantoor
500
530
360
470
140
winkel horeca
200
270
140
230
60
totaal deelgebied Noord
9.720
6.640
4.170
4.870
5.550
overige deelgebieden
14.580
9.960
6.260
7.310
8.330
totaal gebieden
24.300
16.600
10.430
12.180
13.880
De grondwaterzijdige warmte- en koudevraag is vervolgens vertaald in de jaarlijkse grondwaterverplaatsing en benodigde grondwaterdebieten op basis van de kentallen in Tabel 4.4. De resultaten hiervan zijn weergegeven in Tabel 4.7. Tabel 4.7 | Benodigde waterverplaatsing en debiet gebouwfunctie
waterverplaatsing
waterverplaatsing
debiet
debiet koeling
warmtelevering
koeling [m³/jaar]
warmtelevering
[m³/h]
[m³/jaar]
[m³/h]
deelgebied Noord woningen
1.556.000
1.556.000
840
890
utiliteit kantoor
87.000
87.000
80
60
winkel horeca
34.000
34.000
40
30
totaal deelgebied Noord
1.677.000
1.677.000
950
990
overige deelgebieden
2.514.000
2.515.000
1.430
1.480
totaal gebieden
4.190.000
4.191.000
2.380
2.470
Op basis van de maximale capaciteit per doublet en/of monobron kan tot slot het benodigd aantal doubletten of monobronnen worden bepaald. Voor deze locatie geldt een maximale broncapaciteit van circa 200 m³/h voor een doublet en circa 45 m³/h voor een monobron. In Tabel 4.8 zijn het benodigd aantal doubletten of monobronnen per deelgebied weergegeven uitgaande van een collectief bodemenergiesysteem per deelgebied. Tabel 4.8 | Aantal doubletten en monobronnen per deelgebied deelgebied deelgebied Noord
doubletten
monobronnen
aandeel vermogen
5
22
40%
Overige deelgebieden
8
33
60%
totaal
13
55
100%
Datum Referentie Pagina
6 februari 2020 69355/SV 22/24
4.3
POTENTIEEL BODEMENERGIE Op basis van het gehanteerde ordeningspatroon is een inschatting gemaakt van het aantal doubletsystemen dat ingepast kan worden. Hierbij is indicatief gekeken waar bronnen geplaatst kunnen worden, rekening houdend met een minimale afstand tussen de bronnen van 60 m. Hieruit volgt dat binnen het noordelijk deelgebied circa 16 doubletten van elk 200 m³/uur geplaatst kunnen worden. In de praktijk kunnen mogelijk minder doubletten ingepast worden als gevolg van praktische belemmeringen.
4.4
MATCH VRAAG/AANBOD Uit de inventarisatie (paragraaf 4.2) volgt dat er maximaal 5 doubletten (totaal 1.000 m³/uur) nodig zijn. Geconcludeerd wordt dat het beschikbaar potentieel de vraag ruimschoots overstijgt en dat naar verwachting voldoende bodemenergie binnen het projectgebied beschikbaar is om in de vraag te voorzien.
Datum Referentie Pagina
6 februari 2020 69355/SV 23/24
5 Toelichting gebruiksregels 5.1
TOELICHTING GEBRUIKSREGELS Op het Suikerzijde deelgebied Noord wordt er gestuurd op een collectief WKO-systeem. Om ervoor te zorgen dat er optimaal gebruik gemaakt kan worden van het bodempotentieel, is er regie nodig bij het gebruik van de ondergrond om tot optimale benutting van bodemenergie te komen.
5.1.1
Afweging toepassing type bodemenergiesysteem Open of gesloten bodemenergiesystemen Gezien de beoogde omvang van de nieuwbouwontwikkelingen is de verwachting dat de toepassing van (collectieve) open bodemenergiesystemen veelal het beste aansluit bij de intensiteit van de warmtevraag. De praktische inpassing van gesloten systemen met bodemlussen zal in de meeste gevallen problematisch worden. Zodoende prevaleert de aanleg van open (collectieve) bodemenergiesystemen boven de aanleg van gesloten bodemenergiesystemen. Monobronnen of doubletten Vanwege de insteek voor het realiseren van een collectieve energievoorziening en de omvang van de nieuwbouwontwikkelingen bestaat de voorkeur voor het toepassen van doubletten boven monobronnen. Hierdoor kunnen relatief grote capaciteiten per bron gerealiseerd worden en kan het aanwezige bodempotentieel zo optimaal mogelijk gebruikt worden. Opslag en/of recirculatie Het gebruik van recirculatiesystemen is niet toegestaan, omdat het rendement van deze systemen lager is dan bij een opslagsysteem en daarmee het beschikbare bodempotentieel niet optimaal benut wordt.
5.1.2
Keuze opslagpakket en combinatie verschillende type systemen Het gecombineerde tweede en derde watervoerende pakket is relatief diep gelegen, heeft een hoge doorlatendheid en heeft een grote dikte. Hierdoor is dit pakket zeer geschikt voor open bodemenergiesystemen (doubletsysteem) met een capaciteit tot circa 200 m³/uur. Om interactie tussen open en gesloten bodemenergiesystemen te voorkomen wordt een verticale scheiding tussen deze twee type systemen aangehouden en zijn gesloten bodemenergiesystemen toegestaan tot een diepte van 50 m-mv. De bronfilters van open bodemenergiesystemen worden toegestaan vanaf 60 m-mv. Met deze insteek wordt prioriteit gegeven aan de open systemen aangezien hiermee de grootste bijdrage kan worden geleverd aan de warmtetransitie binnen Suikerzijde deelgebied Noord.
5.1.3
Energiebalans Het beschikbare potentieel kan optimaal worden benut als alle bodemenergiesystemen met een energiebalans functioneren. Op basis van ervaring bij soortgelijke locaties blijkt dat de invloed van een beperkt koudeoverschot (115%) slechts een kleine invloed heeft op de omvang van de thermische effecten. Daarom is in de ordeningsregels opgenomen dat een beperkt koudeoverschot tot maximaal 115% is toegestaan.
Datum Referentie Pagina
5.1.4
6 februari 2020 69355/SV 24/24
Zonering Er zijn zoekgebieden voor koude en warme bronnen opgenomen. De oriëntatie van de zoekgebieden is gebaseerd op het inrichtingspatroon en het kunnen plaatsen van meerdere stroken binnen het projectgebied. Op basis van de huidige structuurschets (Figuur 1.1) vormt het gehanteerde strokenpatroon geen belemmering voor een eventuele inrichting in de deelgebieden ten zuiden en oosten van het projectgebied. Het strokenpatroon zou in deze deelgebieden grotendeels doorgezet kunnen worden. De minimale afstand tussen de zoekgebieden bedraagt circa 160 m en de breedte van de zoekgebieden bedraagt circa 100 m. Hiermee is voldoende ruimte beschikbaar om meerdere bronnen binnen een zoekgebied te plaatsen zonder onderlinge thermische interferentie. Naast de zoekgebieden is een bufferzone opgenomen. Dit betreft een strook met een breedte van 100 m (gebaseerd op de thermische invloed van een open bodemenergiesysteem) waarbinnen andere initiatieven aan moeten sluiten op de warme en koude zoekgebieden. Hiermee wordt voorkomen dat ontwikkelingen direct buiten Suikerzijde deelgebied Noord een belemmering vormen voor het optimaal toepassen van bodemenergie binnen het gebied.
5.1.5
Plaatsing bodemlussen Bodemlussen dienen op het eigen perceel gerealiseerd te worden. Hiermee wordt voorkomen dat de openbare ruimte onnodig belast wordt en de inpassing van open bodemenergiesystemen belemmerd.
Datum Referentie
6 februari 2020 69355/SV
Bijlage 1 Plankaart Suikerzijde deelgebied Noord
0
5 0 1 0 0
2 0 0
3 0 0
4 0 0 M e te rs
E sriN e d e rla n d ,C o m m u n ityM a pC o n trib u to rs
S u ik e rz ijd ed e e lg e b ie dN o o rdinG ro n in g e n p la n k a a rt L e g e n d a p la n g e b ie d p ro je ctg e b ie d
zo e k g e b ie d
Ino p d ra c h tv a n O m g e v in g sb e la n g e n h o g e d ru kg a sle id in g b e sch e rm in g szo n eg a sle id in g
k o u d eb ro n n e n
w a te rk e rin g
w a rm eb ro n n e n
g e slo te nb o d e m e n e rg ie sy ste e m
b u ffe rzo n e
U itg e v o e rdd o o r
v e ro n tre in ig in g e n g ro n d g ro n d w a te r
a rch e o lo g ie b o e rd e rijp la a ts b u n k e r
R e fe re n tie :
6 9 3 5 5 /S V
A u te u r:
H .d eJ o n g e
D a tu m :
6 -2 -2 0 2 0
S ta tu s :
1 .0
Datum Referentie
6 februari 2020 69355/SV
Velperweg 37 6824 BE Arnhem Postbus 605 6800 AP Arnhem
T 026 35 35 555 E info@iftechnology.nl I www.iftechnology.nl
NL60 RABO 0383 9420 47 KvK Arnhem 09065422 BTW nr. NL801045599B01