CConstaterende datGroningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Zienswijzenverslag (anoniem).pdf

Politieke woensdag (Dag agenda) 26 mei 2021, gemeente GroningenBij agendapunt: 2: Structuurvisie De Suikerzijde bestemmingsplan De Suikerzijde deelgebied Noord en het MER De Suikerzijde (raadsvoorstel 21-4-2021)38.294 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Ook kan het station in aan dat ‘te kostbaar’ een pure drogreden blijkt te zijn. Aangezien relatie tot Zernike betekenis krijgen vanuit de richting het ministerie van OCW alle campussen in Nederland van Winschoten. ‘nationaal belang’ acht dan hoort de ontsluiting ervan ook excellent georganiseerd te zijn en met een betere onderlinge afstemming van de verschillende deelprojecten rond de Ring West

51

voorstel

De zienswijze leidt niet tot aanpassing van de stukken

Nr.

Inhoud zienswijze

standpunt burgemeester en wethouders

voorstel

is er ook een betere OV station oplossing bij de Suikerzijde denkbaar. 13.3 SV

13.4 SV

Het kiezen voor de route langs het Van Starkenborghkanaal in combinatie met station Suikerzijde laat veel reizigerspotentieel liggen. Aangezien de Suikerzijde een gecombineerd milieu krijgt van zowel wonen als werken. In geen van de plannen is echt voldoende diepgaand onderzoek gepleegd naar een zogenaamde V haltering. Dat de treinen vanaf Eemshaven/Delfzijl ook bij Suikerzijde kunnen stoppen. En tevens kan dienen als overstap op de trein naar Leeuwarden. Rover verwacht een beter voorstel als onderbouwing over de locatie keuze van het station in het plan Suikerzijde. Ook bij de recente documenten zijn we ontevreden over deze keuze.

We hebben aan het begin van de verkenning gekeken De zienswijze leidt naar een variant tussen Suikerzijde en Zernike. Echter niet tot aanpassing zagen we dit niet als een kansrijke variant. Ook is hier de van de stukken ruimtelijke inpassing een uitdaging. Wij zijn er niet overtuigd dat hier alsnog naar gekeken moet worden. De locatiekeuze voor het station in De Suikerzijde is bepaald door een centrale ligging in het plangebied met beste mogelijkheid als locatie voor een spoortunnel. Het station krijgt daarmee een belangrijke hubfunctie voor dit stadsdeel. Vanuit station De Suikerzijde ontstaan op termijn goede directe doorgaande treinverbindingen richting Leeuwarden en het Hoofdstation, en op termijn het station Europapark. Vanaf het Hoofdstation zijn er diverse bestemmingen snel bereikbaar, zoals Eemshaven, Delfzijl en richting Zwolle en Amsterdam.

Rover vraagt aandacht voor de aansluiting van de treinen komend Het spoor loopt langs het meest oostelijk deel van het uit Eemshaven/Roodeschool/Delfzijl. Deze zijn niet meegenomen gebied van de structuurvisie. Wanneer deze gebieden in dit dossier, terwijl deze voor de nieuwe wijk langsrijden. verder uitgewerkt worden, wordt gekeken wat de gevolgen zijn van deze treinverbinding voor dit oostelijk gebied. Een station aan de Ring West is ons inziens geen reële mogelijkheid. Het ligt te dicht bij het hoofdstation van Groningen, waardoor er te weinig in- en uitstappers zullen zijn. Ook kan hierdoor (ruimtelijk) conflict met de Ring West zelf ontstaan. Het station op De Suikerzijde 52

De zienswijze leidt niet tot aanpassing van de stukken

Nr.

Inhoud zienswijze

standpunt burgemeester en wethouders

voorstel

komt centraal en hierdoor optimaal in de gebiedsontwikkeling voor Suikerzijde te liggen.

13.5 SV

13.6 SV

Een station centraal op De Suikerzijde heeft ook een functie voor Hoogkerk. Een oostelijk gelegen station kan deze functie niet dragen (en daardoor ongewenst). De huidige onderzoeken naar de ring West blijken vooral het Het klopt dat bij de onderzoeken voor Ring West vooral autogebruik te ondersteunen, maar naar betere ontsluiting van de gekeken is naar de auto en de fiets. In de mobiliteitsvisie wijken Paddepoel, Vinkhuizen, Reitdiepzone, Reitdiep en De Held die na de zomer van 2021 wordt vastgesteld wordt ook wordt niet gekeken of dat voor het openbaar vervoer nog beter voor dit stadsdeel ruim aandacht gegeven aan het kan. openbaar vervoer. Vanuit De Suikerzijde wordt ingezet op een nieuw treinstation met een hubfunctie voor het openbaar vervoer en de fiets. Voor het busvervoer is de inzet om een bus tangentlijn tussen P+R Hoogkerk en Zernike te realiseren en deze te koppelen aan het station. Deze lijn heeft meerdere functies, zoals het afvangen van treinreizigers naar Zernike ter ontlasting van het Hoofdstation, maar ook voor een hoogwaardige OV ontsluiting van de wijken met het station Suikerzijde door middel van frequente buslijnen. Het westelijke deel van de stad profiteert dan ook van het station. Intussen blijkt station Europapark gunstige effecten te hebben.

Verwezen wordt naar de beantwoording bij zienswijze Volgens Rover zal het opschuiven van het station naast de ring 13.4 West ook de bestaande wijken beter ontsluiten per openbaar vervoer, Wijken zoals Laanhuizen, Kostverloren, Schildersbuurt, Daarnaast hebben de bestaande wijken die u noemt de Badstratenbuurt en zelfs de Grunobuurt. Ook voor de forensen mogelijkheid om gebruik te maken van het relatief vanuit Friesland ligt het station nog gunstiger ten opzichte van het nabijgelegen Hoofdstation. Zowel vanuit de Martini Tradepark. gebiedsontwikkeling Suikerzijde als uit oogpunt van stadsontwikkeling als geheel is er geen aanleiding om de gekozen stationslocatie te heroverwegen.

53

De zienswijze leidt niet tot aanpassing van de stukken

De zienswijze leidt niet tot aanpassing van de stukken

Nr. 13.7 SV

13.8 SV

Inhoud zienswijze In de kaders van het Suikerzijde ziet Rover een knelpunt dat er alleen per wijk gekeken wordt en niet in relatie met de andere ontwikkelingen rondom de ring west. Zoals de visie Zernike, Reitdiepzone. De ring West zelf in relatie met het openbaar vervoer dat van deze weg gebruik maakt.

Bij de relatie station Suikerzijde zijn wij van mening dat in de plannen ook rekening met de volgende ontwikkelingen gehouden moet worden: Overname sprinters door de provincie tussen Groningen/Leeuwarden – Zwolle. Met station Zernike kan deze trein ook direct de Suikerzijde bedienen. Of een project zoals de Nedersaksenlijn dat de trein uit Emmen ook via station Suikerzijde doorrijdt naar Zernike of de Eemshaven. Uit de structuurvisie hebben wij niet kunnen halen of deze variabelen in de locatiekeuze zijn meegenomen of meegewogen?

14

St. Vleermuiswerkgroep Groningen (VWG)

14.1

Het Suikerunieterrein ten noorden van het spoor bestaat uit bakken water met 4-5 meter hoge dijken er omheen. Op de meeste dijken staat veel begroeiing: variërend van 2 meter hoge bramenstruiken tot wilgen die 10-12 meter boven de dijken uitsteken. De dijken rond de voormalige vloeivelden mét de begroeiing zorgen ervoor, dat er onder alle weersomstandigheden

standpunt burgemeester en wethouders

voorstel

Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 13.4 & 13.6.

De zienswijze leidt niet tot aanpassing van de stukken

Uw zienwijze gaat in op een wijkoverstijgende visie op openbaar vervoer. In de (toekomstige) mobiliteitsvisie wordt hier naar gekeken naar het wijkoverstijgende niveau en ook in onder andere het onderzoek naar de OV-verbetering van Zernike is gekeken op stad- en regionaal niveau. In onze (toekomstige) mobiliteitsvisie, naar verwachting gereed na de zomer 2021, kijken wij zeker naar de eventuele mogelijkheden en gevolgen hiervan.

De zienswijze leidt niet tot aanpassing van de stukken

Het klopt het dat de genoemde variabelen hier niet zijn meegenomen, want deze zijn voor De Suikerzijde deelgebied noord niet direct relevant. In kader van de benodigde spoorinfrastructuur nemen wij dit soort ontwikkelingen mee en dit is ook relevant voor De Suikerzijde deelgebied zuid, vanwege het ruimtebeslag van die spoorinfrastructuur.

De situatie die u beschrijft met ‘bakken water’ (ofwel De zienswijze leidt vloeivelden) met hoge dijken er omheen en begroeiing, niet tot aanpassing vormen inderdaad foerageergebied voor watervleermuis van de stukken en meervleermuis. Uit het onderzoek van Regelink Ecologie & Landschap (Molenaar, 2019) blijkt dat vleermuizen met name de randen van deze vloeivelden 54

Nr.

Inhoud zienswijze

standpunt burgemeester en wethouders

waarbij water- en meervleermuizen foerageren, van windstilte tot gebruiken om er te foerageren. Het betreft de ondiepere krachtige wind en van droog tot matig regenachtig weer, altijd en windluwe zones. Bij minder wind en in het geval van delen van het water in de luwte liggen. Voor zowel water- als de meervleermuis worden ook de zones iets verder van meervleermuizen is dit essentieel, hoewel meervleermuizen wat de oevers gebruikt. We herkennen deze situatie ook in robuuster zijn en bij matig tot krachtige wind ook wel boven water uw uiteenzetting. met wat golven kunnen foerageren. In de huidige situatie is het zo dat ook Geoorde futen Het wateroppervlak van deze plassen is schoon, waardoor de gebruik maken van het gebied om er te broeden. Tevens vleermuizen er ongehinderd kunnen foerageren. Dat doen ze door komen veel andere watervogels voor die er soms echolocatie, d.w.z. zij oriënteren zich op de omgeving en broeden maar er ook in grotere groepen overnachten. In prooidieren door het uitstoten en weer opvangen en de bestaande situatie komen vleermuizen en interpreteren van hoge geluiden. Een schoon wateroppervlak watervogels dus naast elkaar voor. Indien watervogels in betekent in dit verband dat er geen “rommel” op drijft, zoals de huidige situatie het beschikbare foerageeroppervlak kroos, flap, blad e.d.

van bomen: “rommel” die voor vleermuizen voor vleermuizen zouden beperken, is dus een te veel echo’s oplevert zodat ze hun prooien niet kunnen evenwicht ontstaan. ontdekken. Drijvende nesten van futen en grote groepen slapende watervogels gedurende de nacht zijn geen rommel, maar De ondiepere delen ofwel de oeverzones zijn zoals u beperken wél de beschikbaarheid voor wateroppervlak voor het aangeeft, de meest windluwe zones maar ook de zones foerageren door de genoemde vleermuizen. die voedsel leveren in de vorm van diverse insecten. Dat maakt ook dat deze zones het meest door vleermuizen De bakken hebben een waterdiepte variërend van 2 tot 3 meter (en ook geoorde fuut) worden gebruikt. met een ondiepe oeverzone. De gebieden, die het gebied zo waardevol voor watervleermuizen maken, zijn juist deze oeverzones. De oeverzones langs de hoge, begroeide dijken zijn onder de wind de luwste plekken en bovendien leveren ze voedsel op. De lage begroeiing met riet e.d. langs randen is van belang voor de voortplanting en de ontwikkeling van prooien van wateren meervleermuizen, dat wil zeggen insecten zoals muggen, vliegen, haften e.d.

55

voorstel

Nr.

Inhoud zienswijze

standpunt burgemeester en wethouders

voorstel

14.2

Waardenburg stelde in 2018 vast dat er watervleermuizen in dit noordelijke Suikerunieterrein foerageerden. In 2019 deed Regelink telemetrisch onderzoek in dit gebied. Hierbij bleek dat in het noordelijke en ook tenminste in een deel van het zuidelijke gebied vleermuizen uit drie verschillende kraamkolonies watervleermuizen in de buurt foerageren en “een groot aantal meervleermuizen” uit een kraamkolonie, die meerdere locaties in Selwerd en in Corpus den Hoorn gebruiken.

Uit onderzoek (Molenaar 2019) dat we hebben laten uitvoeren blijkt inderdaad dat binnen het projectgebied van de Suikerzijde foerageergebied van Watervleermuis en Meervleermuis aanwezig is. De Watervleermuizen zijn afkomstig uit drie kraamkolonies die ontdekt zijn door het onderzoek dat wij hebben laten uitvoeren. De Meervleermuizen zijn afkomstig uit een reeds bekende kraamkolonie.

De zienswijze leidt niet tot aanpassing van de stukken

Groningen als stad heeft een sleutelfunctie voor watervleermuizen in de provincie en een belangrijke functie voor de verbinding tussen watervleermuispopulaties in Friesland Drenthe en Noord-Duitsland.

Tot enige jaren geleden werd gedacht dat er nog slechts enkele individuen (mannetjes) van de Watervleermuis aanwezig waren in de stad Groningen. Uit diverse onderzoeken is inmiddels gebleken dat er meerdere kraamkolonies in de stad aanwezig zijn (4 verblijfplaatsen in totaal). Dat maakt dat de populatie veel robuuster is dan gedacht, hoewel die, gebaseerd op de huidige gegevens, nog steeds kwetsbaar is.

De staat van instandhouding van de watervleermuizen in Groningen-Zuid is sinds 2013 ernstig aangetast door meerdere en achtereenvolgende infrastructurele projecten, waarbij de mitigatie en compensatie voor de in het Sterrebos aanwezige koloniewatervleermuizen grotendeels mislukt is of nog aangelegd moet worden: de aanleg van Station Europapark, het verlies van de Julianavijver voor de Aanpak Ring Zuid, de bouw van de Helperzoomtunnel en de verdichting nabij en nieuwbouw voor de Engelse Kamp en de Kempkensberg.

Bovenstaande geeft aan dat we nog veel niet weten over de populatie Watervleermuizen in de stad en dat er meer Watervleermuizen zijn dan gedacht. Er is simpelweg nog te weinig onderzoek gedaan om een goed beeld te hebben van de omvang van de gehele lokale populatie en het gebruik van de stad door deze Er zijn misschien twee kleine concentraties watervleermuizen dieren. Dat de Groningse populatie een sleutelfunctie elders in de stad: in Selwerd en aan de oostkant van de stad. Of dat om kraamkolonies gaat is onbekend. Provinciewijd onderzoek heeft voor de provincie en een belangrijke functie zou naar kolonies van meervleermuizen heeft in 2016 opgeleverd dat hebben voor de regionale en zelfs internationale de twee concentraties van kraamkolonies meervleermuizen in de verbindingen kan daarom niet gestaafd worden met stad – in Selwerd en in Corpus den Hoorn - het overgrote deel van onderzoek. alle meervleermuizen in de provincie omvatten. Er is een kleine

56

Nr.

Inhoud zienswijze

standpunt burgemeester en wethouders

mannenkolonie bekend in Sauwerd en er huizen nog klein aantal meervleermuizen in Appingedam.

Volgens de Verspreidingsatlas Zoogdieren zijn er duidelijke aanwijzingen dat de aantallen in Nederland toenemen. Deze toename in aantallen lijkt nog niet ten Het Suikerunieterrein is dus het belangrijkste foerageergebied van einde. De Staat van Instandhouding (SvI) is gunstig (de de stad voor water- en meervleermuizen. Als dit foerageergebied SvI is een maat voor de duurzaamheid van de populatie vervalt en de compensatie mislukt betekent dat een grote aanslag die wordt gebruikt bij ecologische effectbeoordelingen op de staat van instandhouding van deze dieren voor de stad en ten aanzien van de Wet natuurbescherming). Gezien de een veel groter gebied in de provincie. actieradius en dus ook de uitwisseling in de regio die u aangeeft, moet de SvI dus op landelijk niveau bekeken worden. Van een lokale SvI die aangetast wordt, kan daarom in principe geen sprake zijn. Desondanks kijken wij daar wel naar omdat we de Groningse populatie op peil willen houden en waar mogelijk willen laten groeien. Daarom laten we ook monitoring uitvoeren naar Watervleermuizen in Groningen zuid waar de infrastructurele projecten waaraan u refereert spelen. Ook Rijkswaterstaat laat monitoring uitvoeren in het kader van de Aanpak Ring Zuid. Uit deze beide monitoringsprojecten blijkt niet dat de kraamkolonie in het Sterrebos of de populatie van Watervleermuizen in het zuiden van de stad is aangetast.

Het is waarschijnlijk dat, zoals u ook aangeeft, er in andere delen van de stad nog meer kraamverblijfplaatsen zijn omdat daar ook met regelmaat dieren worden waargenomen. Waar alle dieren foerageren is niet bekend. Het projectgebied van De Suikerzijde is zeker een belangrijk foerageergebied, maar niet het enige foerageergebied. Tijdens het zenderonderzoek zijn er slechts 4 dieren gezenderd en gevolgd. Waar de overige dieren uit de kraamkolonies 57

voorstel

Nr.

Inhoud zienswijze

standpunt burgemeester en wethouders foerageren kan dus niet met zekerheid worden gezegd. Er kan daarom ook niet worden gesteld dat het projectgebied van De Suikerzijde het belangrijkste foerageergebied van de stad is. Desondanks beschouwen we het wel als zeer belangrijk foerageergebied en hebben daar ook rekening mee gehouden bij het uitwerken van de plannen. Tijdens de uitwerking zijn we ook in gesprek gegaan met de Provincie Groningen, het bevoegd gezag inzake de Wet natuurbescherming, om te bespreken aan welke eisen er voldaan moest worden en om de conceptvoorstellen door te spreken. Samen met de externe deskundigen en belangenpartijen is gewerkt aan een zo goed mogelijk plan waarbij rekening is gehouden met alle beschermde natuurwaarden. De plannen zijn, als ontheffingsaanvraag, inmiddels ingediend bij de provincie Groningen en de provincie is momenteel bezig met de beoordeling om te zien of de plannen, inclusief compensatie en monitoringsvoorstel, voldoende zijn. Wij hebben hier alle vertrouwen in. Indien de Provincie besluit tot het verlenen van de ontheffing die nodig is vanuit de Wet natuurbescherming, mogen we ervan uitgaan dat aan de compensatie voldoende inhoud is gegeven. Onderdeel van de plannen is ook het monitoren (en bijsturen indien nodig) van de geschiktheid van de compensatiegebieden. ‘Mislukking’ is daarom niet aan de orde.

58

voorstel

Nr.

Inhoud zienswijze

14.3

De ontdekking, dat het noordelijke Suikerunieterrein een essentieel foerageergebied is voor drie kraamkolonies watervleermuizen en de twee kraamkolonies meervleermuizen, betekent dat het een toplocatie is voor twee soorten vleermuizen, die het moeilijk hebben.

standpunt burgemeester en wethouders

voorstel

Zoals onder zienswijze 14.2 gesteld, komt uit onderzoek De zienswijze leidt naar voren dat drie kraamkolonies watervleermuizen en niet tot aanpassing één kolonie meervleermuizen van het projectgebied van van de stukken De Suikerzijde gebruik maken om er te foerageren. Het gebied is daarmee zoals u ook aangeeft belangrijk foerageergebied. Uw stelling dat twee soorten Het is niet onmogelijk dat een deel van de vrouwtjes vleermuizen, nl. de watervleermuizen en de watervleermuizen wegens de aantasting van hun vliegroutes en meervleermuizen het moeilijk hebben, onderschrijven foerageergebieden uit de kolonie in Groningen-Zuid is gevlucht en we niet. Hoewel de Groningse populatie naar het Suikerunieterrein is gekomen omdat dit foerageergebied watervleermuizen klein lijkt (op basis van beperkt garandeert dat ze hun jongen zullen kunnen grootbrengen. onderzoek dat in de stad als geheel is uitgevoerd voor diverse projecten), nemen aantallen landelijk toe en is Een foerageergebied van één kraamkolonie water- of de Staat van Instandhouding gunstig (SvI). Gezien de meervleermuizen is al “goud” waard, een foerageergebied waar in actieradius van watervleermuizen is geen sprake van een feite vijf kolonies van afhankelijk zijn heeft een “diamanten” lokale populatie en moet dus de landelijke SvI waarde. Een dergelijk belangrijk foerageergebied mag pas gehanteerd worden.

Daarnaast is het zo dat we door verdwijnen als de dieren een bewezen goed alternatief hebben. Er gericht onderzoek in de afgelopen jaren 4 moet eerst bewezen worden dat de compensatie werkt, vóórdat kraamverblijven hebben ontdekt terwijl gedacht werd men van start kan gegaan met de verdere sloop van het huidige dat er helemaal geen kraamverblijven meer waren in foerageergebied. Groningen. Daarmee is de populatie dus een stuk Het is duidelijk dat het gebied essentieel is, dus van levensbelang robuuster dan gedacht. En door deze inzichten kan ook veel beter dan in het verleden rekening gehouden is voor meerdere kolonies van beschermde soorten, en van doorslaggevend belang voor de staat van instandhouding van deze worden met deze soort. Voor Meervleermuizen geldt dat de landelijke Staat van Instandhouding matig tot twee soorten in de stad en de provincie. ongunstig is. Er zijn geen aanwijzingen dat Meervleermuizen in de stad Groningen achteruit gaan of • De compensatie moet hiervoor minstens 1:1 (en bij dat ze het moeilijk hebben. Uw eigen jaarlijkse voorkeur veel meer) even geschikt gebied zijn. Ook de monitoring laat stabiele aantallen zien van de bekende routes naar het nieuwe gebied mogen niet van mindere verblijfplaatsen. En ook uit onderzoeken voor andere kwaliteit zijn (stukken over land, verlichting, projecten blijkt dat de populatie stabiel is. "vindbaarheid").

Dit geldt beide voor alle

59

Nr.

Inhoud zienswijze

•

•

weersomstandigheden, ook bij minder weer (harde wind, regen). De waarde van het compensatiegebied kan niet alleen maar op papier zijn “aangetoond”. Het compensatiegebied moet ook al af en in gebruik zijn bij de start van de werkzaamheden in het originele gebied. Met uitvoerig veldonderzoek, niet alleen bij mooi weer maar óók tijdens winderige omstandigheden of lichte regen, moet bewezen worden dat ALLE kolonies de nieuwe terreinen kunnen vinden en gebruiken. Het moet ook vaststaan dat de nieuwe locatie geschikt moet blijven voor deze soorten, en het niet weer over vijf of tien jaar gesloopt of anderszins aangetast wordt.

standpunt burgemeester en wethouders Zoals onder de beantwoording van zienswijze 14.2 gesteld, zijn er evenmin aanwijzingen dat de kraamkolonie in het Sterrebos door projecten is aangetast of dat de populatie watervleermuizen in Groningen zuid is afgenomen. Onderzoeken voor diverse projecten in Groningen zuid laten stabiele aantallen zien. Bovendien liggen de kraamkolonies in het Sterrebos en de kraamkolonies die een relatie hebben met het terrein van De Suikerzijde relatief ver uit elkaar. Dat dieren ‘gevlucht’ zouden zijn vanaf dit deel van de stad naar het terrein van De Suikerzijde is dus, gezien de stabiele populatie in Groningen zuid en de vliegafstand, volgens ons onwaarschijnlijk en voor zover ons bekend niet gebaseerd op onderzoeksresultaten. Zoals in de beantwoording van zienswijze 14.2 gesteld, is er voor de aantasting van het huidige foerageergebied van vleermuizen een compensatieplan gemaakt inclusief een plan voor monitoring. Daarbij is ook uitgegaan van een gewenningstijd van minimaal 1 jaar voordat huidig foerageergebied ongeschikt wordt gemaakt. Er is dus enige tijd een ‘overschot’ aan foerageergebied beschikbaar. De monitoring stelt ons in staat om waar nodig bij te sturen. Voor vliegroutes is geen plan opgesteld omdat er geen aantasting van deze routes plaats vindt.

De nieuwe compensatiegebieden zijn bereikbaar via de reeds bestaande vliegroutes die we intact laten en waar mogelijk versterken. Zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve compensatie eisen, zoals aangegeven door de externe deskundigen, 60

voorstel

Nr.

Inhoud zienswijze

standpunt burgemeester en wethouders

voorstel

zijn verwerkt in de uitwerking van de ontwerpen en monitoringsplannen. Ook zijn adviezen van diverse belangengroepen waar mogelijk overgenomen in de plannen. De ontwerpen zijn ook besproken met de provincie Groningen. Alle plannen zijn opgenomen in de ontheffingsaanvraag die inmiddels is ingediend bij de provincie. De provincie beoordeelt of de plannen voldoende zijn en of de ontheffing wordt afgegeven.

14.4

De duurzaamheid van de compensatiegebieden is voor de lange termijn geborgd. Compensatiegebied 1 is onderdeel van (en gelegen in) het structuurvisiegebied. Dit compensatiegebied maakt deel uit van een veel groter groengebied dat hier wordt aangelegd en in de toekomst ook behouden blijft. Voor compensatiegebied 2 bij Hoogkerk geldt dat er geen ontwikkelingen zijn voorzien op deze locatie en dat we vanuit de Wet natuurbescherming ook de verplichting hebben om leefgebied voor de beschermde natuurwaarden te behouden. BIJ kennisdocument Watervleermuis, versie 1.0 juli 2017, pag. 7: Voor vleermuizen worden er twee compensatiegebieden De zienswijze leidt Watervleermuizen jagen voornamelijk vlak boven beschut gelegen aangelegd. tot aanpassing van wateren, zonder drijvende of uitstekende waterplanten. Ook aan de stukken de beschutte kant van vijvers in landgoederen en parken en langs Eén compensatiegebied ligt binnen het projectgebied smalle vaarten, langzaam stromende rivieren en beken wordt van De Suikerzijde ten zuiden van het spoor. Het betreft Paragraaf 4.6.2 (inclusief bijlage gejaagd. Bij windstil weer wordt de aanwezigheid van beschutting voormalige vloeivelden die grotendeels zijn 21) van de minder belangrijk. De typerende vliegwijze is in banen en cirkels dichtgegroeid. De vloeivelden worden weer open op zo’n 5 tot 30 centimeter boven het wateroppervlak.

gegraven en enkele dijken tussen de vloeivelden worden toelichting van het bestemmingsplan Watervleermuizen vangen insecten van het wateroppervlak of deels verwijderd. Bij de graafwerkzaamheden wordt vlak boven het water. Boven oevers en langs vegetatie worden erop gelet dat er uiteindelijk over het gehele oppervlak is geactualiseerd. insecten uit de lucht gevangen.

van de voormalige vloeivelden een optimale waterdiepte 61

Nr.

Inhoud zienswijze

standpunt burgemeester en wethouders

Rapport Suikerunie 2018, Bureau Waardenburg, Rapport 18-200, pag. 46: Watervleermuizen zijn vleermuizen die veel eisen stellen aan hun foerageergebied. Het moet schoon water zijn, met weinig bedekkende begroeiing en het water moet redelijk in de luwte liggen. (…) Vleermuizen zoeken de luwte, waarbij ze enkel de randen van de vloeivelden gebruiken, aangezien die afhankelijk van de wind in de luwte liggen.

ontstaat waar insecten zich goed kunnen vermenigvuldigen zodat er voldoende voedsel aanwezig is voor de vleermuizen (waaronder de diepte van 5-30 cm). De werkzaamheden houden ook rekening met bestaande bosschages zodat na aanleg direct al sprake is van luwte op het water door de omliggende dijken en bosschages. Dit zorgt ervoor dat er vergelijkbare omstandigheden ontstaan als bij de vloeivelden ten noorden van het spoor dat nu het foerageergebied van de vleermuizen vormt.

Dit is klare taal voor vleermuisdeskundigen, maar het ontwerpvoorstel voor een gebied met vooral “open water” als compensatiegebied voor watervleermuizen wijst erop dat de ontwerpers niet begrepen hebben wat de eisen aan een essentieel foerageergebied van watervleermuizen inhouden.

Het tweede foerageergebied wordt aangelegd in het weilandengebied bij Hoogkerk. Dit betreft is op dit moment een open weidegebied dat in de huidige vorm inderdaad ongeschikt is voor vleermuizen. Bij het herinrichten van het gebied wordt net als bij compensatiegebied 1 een optimale waterdiepte gecreëerd zodat voedselbeschikbaarheid gunstig is. Naar aanleiding van onder meer uw opmerkingen tijdens eerder overleg, is het ontwerp op een aantal punten aangepast. Het ontwerp waarop u in deze zienswijze commentaar geeft, is dus niet de laatste versie zoals die is ingediend voor de ontheffingaanvraag. Het laatste ontwerp is opgenomen in de paragraaf 4.6.2 van de toelichting van het bestemmingsplan. De vorm van het open water is aangepast en geconcentreerd aan de oostzijde van het weilandengebied. En langs de oever aan de westzijde van het open water worden bosschages aangeplant die voor meer luwte zorgen. Deze bosschages staan op een laag dijkje om de luwtewerking te versterken en het 62

voorstel

Nr.

14.5

Inhoud zienswijze

standpunt burgemeester en wethouders

voorstel

water binnen het compensatiegebied te houden. Dit is nodig aangezien er een peilverschil is tussen het compensatiegebied en het omliggende weidegebied. Door ook enkele eilandjes in het nieuw te graven water aan te leggen en die te beplanten met bosschages, ontstaat ook ‘midden in het water’ luwte. Bovendien zijn er hierdoor veel randjes en hoekjes zodat zo veel mogelijk vleermuizen, ongehinderd door elkaar, kunnen foerageren. Afhankelijk van de windrichting kunnen de vleermuizen dus altijd in de luwte foerageren. Een essentieel foerageergebied is een gebied waar vleermuizen Wij onderschrijven uw opmerking dat vrouwtjes van de De zienswijze leidt die een gezamenlijke verblijfplaats hebben, d.w.z. een kolonie, het Watervleermuis een beperkte actieradius hebben. niet tot aanpassing grootste deel van hun voedsel zoeken. Volgens de externe deskundige die betrokken is, is de van de stukken homerange bij dit project circa 4 km. Deze afstand is Mannetjes watervleermuizen kunnen ’s nachts langdurig gebaseerd op veldwaarnemingen voor dit project maar onderweg zijn en allerlei vijvers langs vliegen om eten te zoeken. ook op waarnemingen door het hele land. Dat is ook de Vrouwtjes watervleermuizen hebben die luxe niet.

Kraamkolonies hoofdreden waarom de locatie bij Hoogkerk is van vrouwtjes bevinden zich daarom op plaatsen waar ze binnen uitgekozen voor de aanleg van het tweede een actieradius van ongeveer 2 km op een gegarandeerde compensatiegebied. Volgens de externe deskundige voedselvoorziening kunnen rekenen. Gegarandeerd betekent: er kunnen op deze locatie de vleermuizen vanuit alle drie is voldoende voedsel en het voedsel is ook te verzamelen onder de kraamkolonies foerageren omdat het binnen het vrijwel alle weersomstandigheden. vliegbereik ligt. Voor de twee noordelijke kraamkolonies geldt bovendien dat de vliegafstand korter wordt dan in de huidige situatie het geval is. Door een gunstige inrichting met luwte en een optimale waterdiepte, zoals in de beantwoording van zienswijze 14.4 aangegeven, kunnen vleermuizen onder vrijwel alle weersomstandigheden foerageren. Uitzondering hierop zijn omstandigheden met echt harde wind. In een

63

Nr.

14.6

14.7

Inhoud zienswijze

standpunt burgemeester en wethouders

voorstel

dergelijke situatie vliegen ze normaal niet uit en maken ook geen gebruik van het huidige foerageergebied. Vrouwtjes watervleermuizen vestigen zich begin april samen een Deze uiteenzetting met informatie over de voortplanting De zienswijze leidt kraamkolonie en worden zwanger als het weer en de van de Watervleermuizen is ons bekend. Dat is ook de niet tot aanpassing voedselvoorziening daarvoor geschikt is. De draagtijd is ongeveer reden dat compensatiegebied zodanig is ontworpen dat van de stukken 2 maanden. De jongen worden normaliter begin of medio juni deze in de meest cruciale periode van de voortplanting geboren; vanwege de uitzonderlijk warme lentes kan dit de laatste optimaal functioneert. Zo is bijvoorbeeld de waterdiepte jaren ook al eerder zijn geweest. zodanig gekozen dat deze optimaal is in de kwetsbare periode. En ook met werkzaamheden wordt rekening De naakt geboren jongen worden gezoogd met melk. Net bij als gehouden met deze periode en het actieve seizoen van mensenkinderen gebeurt dat regelmatig verspreid over het vleermuizen in het algemeen. etmaal. Het duurt een maand totdat de jongen zelfstandig kunnen vliegen en hun eigen eten moeten verzamelen. Twee weken later, tussen begin en half augustus, vallen de kraamkolonies uit elkaar en zorgt elke vleermuis voor zichzelf. Watervleermuizen zijn lichtschuw.

De moeders gaan pas voedsel Het beeld dat u schetst over heen en weer vliegende De zienswijze leidt verzamelen als het echt donker is. Het kost ongeveer 10 minuten vrouwtjes wordt niet onderschreven door het onderzoek niet tot aanpassing om hemelsbreed 2 kilometer te vliegen, maar vaak is de route niet dat is uitgevoerd voor dit project (en door de externe van de stukken zo rechtstreeks. Alleen al het heen en weer vliegen van en naar deskundige die bij dit project betrokken is). Uit diverse het kraamverblijf kost dus gauw een half uur. Vooral als de jongen onderzoeken die de externe deskundige zelf elders in nog klein zijn, komen de moeders vaak al na een uur terug om de het land heeft uitgevoerd, blijkt dat zogende vrouwtjes jongen warm te houden. Ze hebben dan dus effectief een half uur uitvliegen en lokaal een half uur tot een uur foerageren om zoveel mogelijk voedsel te verzamelen, dus hoe efficiënter hoe en dan terugvliegen naar de verblijfplaats om de jongen beter. Zwangere vrouwtjes 4-8 prooien kunnen per minuut te zogen. Vervolgens vliegt het vrouwtje weer uit en vangen, afhankelijk van 50% – 92% succes per poging. Maar dan blijft dan enkele uren weg om te foerageren. Dat beeld moet het wel een héél goed foerageergebied zijn. komt overeen met het onderzoek dat is uitgevoerd voor het projectgebied van De Suikerzijde.

Zogende vrouwtjes zijn dus flexibeler dan u hier schetst hoewel natuurlijk altijd blijft gelden dat hoe efficiënter er gefoerageerd kan worden hoe beter. Daarom leggen we ook

64

Nr.

Inhoud zienswijze

standpunt burgemeester en wethouders

voorstel

compensatiegebieden aan die volgens de randvoorwaarden optimaal geschikt zijn. Het is ons bekend dat Watervleermuizen gebruik maken De zienswijze leidt van echolocatie om te jagen en daarbij relatief kleine niet tot aanpassing rondjes vlak boven het water vliegen. Daarbij ‘scheppen’ van de stukken ze insecten van het wateroppervlak. Hiermee is ook rekening gehouden bij het ontwerp van de compensatiegebieden.

14.8

Bij het jagen vliegen de watervleermuizen met een snelheid van zo’n 15 km per uur heen en weer of in rondjes van 20-50 meter doorsnede, meestal 5-20 cm boven het water. De insecten lokaliseren ze met echolocatie. Ze slaken 10-20 keer per seconde een kreet en luisteren naar de echo om hun omgeving te verkennen en hun prooien te vinden. Alle opeenvolgende echo’s verwerken ze tot een “geluidsbeeld”, ongeveer zoals mensen met hun ogen afzonderlijke beeldjes waarnemen en er met hun hersens een doorlopende “film” van maken.

14.9

Watervleermuizen jagen vooral op insecten, die zich vlak boven of Het is ons bekend dat Watervleermuizen vlak boven het De zienswijze leidt op het water bevinden. Muggen en vliegen ontwikkelen zich vaak water jagen en hun prooien van het wateroppervlak af niet tot aanpassing in het water en tussen de planten langs de kant, en hebben een ‘harken’. Een schoon wateroppervlak dat ook weinig van de stukken larvenstadium. Als deze larven op het water drijven kunnen golfslag heeft, is daarom inderdaad belangrijk. Daarom watervleermuizen ze er met hun achterpoten afharken. Zo kunnen hebben we de compensatiegebieden ook zodanig ook kevertjes en haften (eendagsvliegen) verzameld worden. ontworpen dat altijd ergens in de gebieden luwe hoeken Watervleermuizen zijn gespecialiseerd in met achterpoten vliegjes zijn te vinden onafhankelijk van de windrichting. Dat is en dergelijke van wateroppervlak te pakken. De meeste andere immers in de huidige situatie ook het geval. Daarnaast vleermuizen kunnen dat niet, daarom zijn ze boven water in het zorgen we met beheer voor ‘schoon’ water. De voordeel ten opzichte van andere soorten. ontwerpen zijn zodanig dat een goed beheer ook mogelijk is. Een watervleermuis heeft een schoon, glad, luw, en donker wateroppervlak nodig om te kunnen jagen en een goed onderscheid te kunnen maken tussen een eetbaar insect en rommel.

Een glad oppervlak geeft een regelmatig echogeluid, waardoor de echo van een object op het water of vlak boven het water goed opvalt.

65

Nr. 14.10

Inhoud zienswijze

standpunt burgemeester en wethouders

voorstel

Er zijn drie factoren die een foerageergebied, waar wel voldoende De drie factoren die u noemt en die mede bepalend zijn De zienswijze leidt insecten te vinden zouden zijn, voor watervleermuizen voor de voedselbeschikbaarheid van Watervleermuizen, niet tot aanpassing onbruikbaar maken of sterk kunnen inperken. zijn ons bekend. Voor zover relevant is hier ook rekening van de stukken mee gehouden in de ontwerpen. 1. “Rommel” op het wateroppervlak. Een vliegje heeft een andere weerkaatsing van het geluid als een glad Zoals al benoemd in de beantwoording van zienswijze wateroppervlak. Kroos en takjes op het water bemoeilijken 14.9 genoemd, wordt er door middel van beheer voor het zoeken doordat dit ook andere reflecties geeft. Veel gezorgd dat geen grote oppervlakken met ‘rommel’ rommel op het wateroppervlak, zoals kroos of flap (drijvende ontstaan in de compensatiegebieden. Afhankelijk van draadalgen-massa), pluizen van populieren, afgevallen blad, waar het om gaat, worden beheeracties ondernomen. waterplanten of een slijmlaag die achterblijft na het Voor bijvoorbeeld kroos geldt daarbij dat de verwijderen van waterplanten, en een plas-dras gebieden oppervlaktes van het open water juist zodanig zijn, dat waar gras, riet en lage wilgen vlak boven het water uitsteken, kroos minder kans krijgt zoals u ook aangeeft.

Bovendien maken een wateroppervlak onbruikbaar als foerageergebied hebben we in compensatiegebied 2 ook de mogelijkheid voor watervleermuizen. Kroosvorming is sterk gerelateerd aan om het gebied ‘door te spoelen’ zodat kroosvorming kan de hoeveelheid slib op de bodem; 20 cm slib leidt gemiddeld worden tegengegaan. Pluizen van populieren en wilgen, tot 40% bedekking met kroos. Kroos begint zich in de afgevallen blad en overhangende takken gaan we tegen kraamtijd van watervleermuizen sterk te ontwikkelen en de door zo min mogelijk hogere bomen langs de waterkant meeste soorten zijn in juli maximaal aanwezig. Hoe groter het te planten en te kiezen voor soorten die geen hinderlijke wateroppervlak des te meer kan de wind vat krijgen op de zaadpluizen hebben. Plasdras gebieden leggen we “rommel” op het water en dit in de oeverbegroeiing drijven. bewust wel aan om juist een kraamkamer voor insecten Een watertje van 5 meter breed krijgt gemiddeld 40% te maken waar de vleermuizen op jagen. Dit ‘verlies’ aan kroosbedekking, een vijver van 15 meter breed 7% (STOWA. bejaagbaar oppervlak betaalt zich terug in Kennis over Kroos, Rapport 2014-14, pag. 13). voedselbeschikbaarheid. 2. Het Rapport van Waardenburg, pag.

46, noemt in verband met het Suikerunieterrein een tweede factor, die de bruikbaarheid van het wateroppervlak voor watervleermuizen Voor watervogels geldt dat die zich, zoals in het rapport kan beperken: “Grote delen van de vloeivelden worden van Bureau Waardenburg (pag. 46) aangegeven is, in de gebruikt door watervogels als slaapplaats; watervogels ’s huidige foerageergebieden van vleermuizen ophouden. avonds op het water zijn potentiële obstakels voor Vleermuizen en watervogels leven daar dus naast elkaar vleermuizen.” (zie ook beantwoording bij zienswijze 14.1). Er is geen 66

Nr.

14.11

Inhoud zienswijze

standpunt burgemeester en wethouders

3. De derde beperkende factor voor foeragerende watervleermuizen is de wind, die golven op het water veroorzaakt. Alleen bij vrijwel windstil kunnen watervleermuizen vrijwel alle wateroppervlaktes gebruiken om te foerageren. Bij alle windsnelheden van zwakke tot en met matig tot krachtige wind moeten watervleermuizen de luwte opzoeken om minder last te hebben van de golven. Bij harde wind en veel regen gaan watervleermuizen niet jagen. De insecten waaien weg en schuilen in bomen en struiken. Vleermuizen houden niet van een natte vacht en harde wind betekent ook zoveel beweging van het water dat het onmogelijk wordt om de prooien te lokaliseren.

reden om aan te nemen dat in de nieuwe compensatiegebieden meer watervogels zullen zijn dan in de huidige vloeivelden.

Aangezien het in Nederland zelden windstil is, is de aanwezigheid van luwte in alle windrichtingen van groot belang voor een goed foerageergebied van watervleermuizen. Luwte ontstaat door vertraging van de windsterkte achter een dijk of een scherm en/of bomen en hoge struiken langs de waterkant.

Zoals onder de beantwoording van zienswijze 14.4 aangegeven zijn in compensatiegebied 1 reeds volgroeide bomen en bosschages aanwezig en zijn ook rondom de voormalige vloeivelden hoge dijken aanwezig. De situatie komt dus overeen met hoe die nu in het huidige foerageergebied is. Wij gaan ervan uit dat daar dus de omstandigheden optimaal zullen zijn. Door middel van monitoring houden we hier een vinger aan de pols zodat bijgestuurd kan worden indien nodig.

Een “hard” dijklichaam zonder begroeiing of een zeer dichte windsingel geeft evenveel luwte als de hoogte van de dijk of de singel boven het water. Daarentegen geeft opgaande begroeiing met een matige doorlaatbaarheid veel meer luwte. Het meest effectief voor watervleermuizen is een aanplant met 20-30% doorlaatbaarheid, waarbij de gaten in de begroeiing ongeveer een kwart uitmaken van de totale doorsnede van de boom met de stam, alle takken, twijgen en blad. Hierdoor kan tot op een afstand van vijfmaal de hoogte van de aanplant de windsnelheid met 80-90% vertraagd worden.

voorstel

Voor wat betreft de wind en luwte op het water verwijzen we naar de beantwoording bij zienswijzen 14.4 en 14.9.

Voor compensatiegebied 2 zijn er, zoals aangegeven in de beantwoording van zienswijze 14.4, aanpassingen gedaan die zorgen voor meer luwte op het water. Volgens advies van de externe deskundige die we hebben betrokken bij dit project, zijn forse rietkragen en solitaire bomen in principe genoeg om voldoende luwte op het water (in de oeverzones) te creëren. Desondanks hebben we meer opgaande begroeiing toegevoegd om

67

De zienswijze leidt tot aanpassing van de stukken Paragraaf 4.6.2 (inclusief bijlage 21) van de toelichting van het bestemmingsplan is geactualiseerd.

Nr.

Inhoud zienswijze

standpunt burgemeester en wethouders

Bomen langs de waterkant hebben nog twee andere voordelen voor foeragerende watermuizen.

de luwte te maximaliseren. En zijn eilandjes ingepast om de oeverlengte in de luwte te maximaliseren.

•

Het aanleggen van forse dijken of veel hoge bomen is naar onze mening nadelig voor vleermuizen. Het zorgt namelijk voor meer schaduw op het water en draag in belangrijke mate bij aan de vervuiling van het wateroppervlak met blad, stuifmeel en katjes. De ‘vervuiling’ maakt het gebied meteen ongeschikt voor vleermuizen. De schaduw zorgt ervoor dat het water minder snel opwarmt wat voor een vertraging in de productie van macrofauna zorgt. De watervleermuis is er juist bij gebaat om vroeg in het seizoen te beschikken over voldoende voedsel. We hebben daarom gezocht naar een optimum om zoveel mogelijk luwte te creëren zonder dat daardoor andere nadelige effecten ontstaan.

•

In de luwte van deze bomen krijgen de watervleermuizen ook beschutting tegen lichte regen of motregen; overhangende takken zijn nog effectiever. Hoge bomen langs de kant bieden deze vleermuizen schaduw bij volle maan. Watervleermuizen beschouwen het licht van de volle maan (0,3 tot 1 Lux) als te gevaarlijk. Zolang er een wolk voor de volle maan hangt, foerageren ze nog wel boven open water, maar als de wolk wegschuift vluchten de watervleermuizen direct naar de schaduw, bijvoorbeeld onder een brug. Als de maan niet heel hoog aan de hemel staat, maar bijvoorbeeld halverwege kan een hoge begroeiing voldoende schaduw bieden om te kunnen doorgaan met foerageren.

voorstel

Voor wat betreft de verlichting is er nu in de huidige situatie in beide compensatiegebieden al niet of nauwelijks sprake van uitstraling van openbare verlichting in het gebied. In compensatiegebied 2 wordt de aanwezige uitstraling vanaf de naastliggende wegen nog verder verminderd door de aanplant van bomen en bosschages. En er zijn ook plekken waar de bomen tijdens volle maan schaduw op het water werpen. 14.12

Bureau Waardenburg, Culemborg, Ecologisch onderzoek in verband met de voorgenomen herinrichting van het voormalige terrein van de Suikerunie te Groningen, Rapportnr. 18-200, 1-22019.

Het onderzoek dat Bureau Waardenburg heeft De zienswijze leidt uitgevoerd is, zoals u zelf al aangeeft, uitgevoerd volgens niet tot aanpassing de richtlijnen van het vleermuisprotocol. Dat is een door van de stukken de rijksoverheid goedgekeurd middel vanuit de Wet natuurbescherming om te bepalen welke inspanning nodig is voor het onderzoeken van vleermuizen. Het 68

Nr.

Inhoud zienswijze

standpunt burgemeester en wethouders

“Het onderzoek naar vleermuizen is te voet uitgevoerd bij goede onderzoek van Bureau Waardenburg voldoet aan de weersomstandigheden. Een overzicht van de bezoekdata, tijden juridische vereisten waaronder de vereiste van en omstandigheden is gegeven in Tabel 4. Er is bij het onderzoek bij gunstige weersomstandigheden. Voorlopig vleermuisonderzoek gebruik gemaakt van een batdetector van het is dit het instrument waarmee in heel Nederland door type Petterson D240x, voorzien van opname apparatuur (Zoom alle adviesbureaus wordt gewerkt. En dat door het H2n) (pag. 35-36). bevoegd gezag ook gevraagd wordt bij beoordeling van ontheffingsaanvragen. Het betrof vijf tot zeven individuen. De watervleermuizen zijn op 21 mei 2018 foeragerend aangetroffen vanaf 22:35 en waren gedurende een periode van minimaal 1 uur aanwezig. (…) Op basis Het uitvoeren van onderzoek volgens het van het tijdstip (een uur na zonsondergang) kan het betekenen vleermuisprotocol houdt in dat een minimale inspanning dat een kraamverblijfplaats op relatief korte afstand van het moet worden gepleegd en wil dus niet zeggen dat in plangebied aanwezig is. (…) De watervleermuizen zijn op 10 juli ecologisch opzicht alles dat zich in het gebied afspeelt 2018 niet aangetroffen op de verschillende wateren van het ook is waargenomen of vastgelegd. Dat is overigens suikerunieterrein (pag. 36.)” nooit het geval bij onderzoek.

De voornaamste uitkomst van het onderzoek is echter dat er belangrijk Het onderzoek van Waardenburg naar de aanwezigheid van foerageergebied is vastgesteld. Op basis daarvan is watervleermuizen is weliswaar volgens het vleermuisprotocol nader onderzoek uitgevoerd. uitgevoerd, maar had gezien de situatie meer het karakter van een quickscan. Het vaststellen van het voorkomen van Het nader onderzoek is veel verder gegaan dan wat watervleermuizen vraagt maatwerk (BIJ kennisdocument normaal gesproken wordt uitgevoerd. Er is niet alleen Watervleermuis, pag. 19) en voor dit grote watergebied was het gebruik gemaakt van een batcorder zoals u aangeeft, standaardonderzoek ontoereikend. maar er zijn zelfs dieren gezenderd. Het directe resultaat daarvan is dat niet alleen foerageergebied beter in kaart De D240x detector kan slechts geluiden van watervleermuizen op is gebracht, maar dat ook drie nieuwe verblijfplaatsen een beperkte afstand registreren: bij erg rustig weer tot maximaal van de watervleermuis zijn ontdekt buiten het 20 meter. De onderzoeker moet daarbij zeer dicht bij de rand van plangebied. Met deze verblijfplaatsen kan dus in de het water staan, en aan de luwe kant van het water, waar de toekomst rekening gehouden worden bij ruimtelijke watervleermuizen foerageren. ingrepen.

Op 21 mei werden 5-7 watervleermuizen gehoord in de Gezien bovenstaande concluderen wij dat het zuidoosthoek van de grote oostelijke vijver (zie uitsnede uit figuur uitgevoerde onderzoek volgens de geldende richtlijnen 69

voorstel

Nr.

Inhoud zienswijze 13). De onderzoeker stond daarbij op een plek die te voet makkelijk te bereiken is, onderaan de zuidelijke dijk, overeenkomend met bovenstaande foto’s op locatie X3. Volgens Waardenburg (tabel op pag. 36) was er die avond een zwakke westelijk wind, maar dan zou men de foeragerende watervleermuizen in het meest luwe deel, dus aan de westzijde verwachten. Volgens de weerstatistieken van Eelde was het die nacht echter overwegend oostenwind, hetgeen consistent is met de locatie waar de vleermuizen gespot zijn.

standpunt burgemeester en wethouders is uitgevoerd en voldoende is voor het onderbouwen van het belang van het gebied voor vleermuizen. Uiteindelijk is het bevoegd gezag, de provincie Groningen, degene die hierover een besluit neemt met betrekking tot de ontheffing Wet natuurbescherming.

De grote oostelijke vijver is hier vanaf de zuidelijke dijk 150 meter breed in noordelijke richting. Het is onmogelijk om met een D240x detector over zo’n afstand een volledig beeld te krijgen van de aantallen foeragerende watervleermuizen te krijgen. Waardenburg heeft in 2018 ook geen meervleermuizen vastgesteld, terwijl bij het vervolgonderzoek in 2019 “tijdens de vangnacht (…) ook een groot aantal meervleermuizen aanwezig (bleek) te zijn in het plangebied (Rapport Regelink, pag. 8). Meervleermuizen kunnen meer golfbeweging op het water tolereren en vlogen waarschijnlijk veel verder van de kant en daardoor buiten het bereik van de waarnemer op de kant met een D240X. Uit recent onderzoek bij grote plassen is gebleken dat men alleen met een warmtebeeldcamera de aantallen watervleermuizen goed in beeld kan krijgen. In aanvulling daarop heeft het meerwaarde om op diverse plaatsen op de kant een zeer goed gerichte automatische batrecorder neer te zetten. Volgens Waardenburg zijn op 10 juli 2018 geen watervleermuizen aangetroffen op de verschillende wateren van het 70

voorstel

Nr.

Inhoud zienswijze

standpunt burgemeester en wethouders

voorstel

In het rapport van Regelink Ecologie & Landschap is in tabel 1 (p. 9) aangegeven dat 6 watervleermuizen gevangen zijn. Daarvan zijn 4 gezenderd. De niet gezenderde watervleermuizen waren een zwanger vrouwtje en een mannetje.

De zienswijze leidt niet tot aanpassing van de stukken

Suikerunieterrein. Dat betekent niet dat er geen watervleermuizen waren. Er stond die avond een zwakke tot matige noordenwind. De beste foerageerplekken zijn dan aan de zuidzijde van de middelste dijken waar veel bomen op staan. Deze zijn echter niet bezocht, vanwege de aanwezigheid van grote aantallen ondoordringbare bramenstruiken. Verder zijn alle vleermuisonderzoeken bij zeer mooi weer uitgevoerd. De kwaliteit van een goed foerageergebied voor watervleermuizen echter hangt af van de mogelijkheid om er bij alle windrichtingen én bij minder goede weersomstandigheden in de luwte, en met bescherming tegen lichte regen, voedsel te kunnen vergaren. 14.13

Regelink Ecologie & Landschap, Wageningen, Telemetrieonderzoek Watervleermuis Suiker Unie Groningen. In het kader van de Wet natuurbescherming. Rapportnr. RA1922101, 3-2-2020 Het telemetrieonderzoek is grondig uitgevoerd en leverde op dat er vleermuizen uit drie kolonies watervleermuizen en twee kolonies meervleermuizen in het gebied foerageerden. Het rapport van Regelink geeft ons aanleiding tot de volgende opmerkingen: • •

Er zijn voor het onderzoek vier zogende watervleermuis vrouwtjes gezenderd. Het is niet duidelijk hoeveel watervleermuizen er gevangen zijn. Er zijn liefst 19 meervleermuizen gevangen, waarvan één zogend vrouwtje gezenderd werd.

Het zenderonderzoek heeft inderdaad uitgewezen dat er 3 tot nu toe onbekende kraamkolonies aanwezig zijn aan de westzijde van de stad. Op basis van het onderzoek en op basis van reeds bekende gegevens uit het verleden maakt een belangrijk deel van de nu bekende Groningse populatie gebruik van het projectgebied De Suikerzijde. Maar zoals ook onder 14.2 aangegeven weten we nog lang niet alles over de Groningse populatie. Er zijn naast de watervleermuizen inderdaad een groot aantal meervleermuizen gevangen. Ook zijn waarnemingen via de batcorder gedaan van deze soort. 71

Nr.

Inhoud zienswijze •

14.14

standpunt burgemeester en wethouders

voorstel

De meervleermuizen foerageren in tegenstelling tot de Van de drie kolonies watervleermuizen kon slechts bij één Watervleermuizen slechts kort in het gebied, maar wel kolonie een aantal van 16 individuen vastgesteld. Regelink vroeg op de avond en in grote aantallen. Dat maakt neemt aan dat alle watervleermuiskolonies een omvang van inderdaad dat is geconcludeerd dat het projectgebied 15-20 vleermuizen hebben. Aangezien bekend is dat kraamvrouwtjes overwegend maar een of twee waterpartijen van De Suikerzijde ook voor meervleermuizen essentieel gebruiken, komt Regelink tot de conclusie dat 75% van de nu foerageergebied vormt. Er wordt daarom ook in de compensatieplannen rekening gehouden met deze bekende watervleermuiskolonies in en rondom de stad Groningen voor hun voedsel geheel of voor het belangrijkste soort. deel afhankelijk zijn van de waterpartijen in het plangebied (Regelink, pag. 13-15). Op basis van de vanggegevens schat Regelink dat er 10% tot 15% van de kraamkolonie en 50% tot 100% van een niet bekende mannenkolonie meervleermuizen gebruik maken van het plangebied. Daarom is het gebied ook voor de meervleermuis een essentieel foerageergebied is en van essentieel belang voor het duurzaam voortbestaan van de kolonies (Regelink, pag.15).

Volgens Regelink worden binnen het plangebied alle grotere plassen gebruikt, waarvan de plassen aan de noordwestkant en de noordoostkant het meest intensief (Regelink, pag. 14). Dit is te zien op de kaart van de precieze locaties waar de vier gezenderde watervleermuizen foerageerden.

Voor twee van de drie kolonies ligt het deel ten zuiden De zienswijze leidt van het spoor ruimschoots binnen het vliegbereik en de niet tot aanpassing dijken zijn hoog genoeg om hier ook gedeeltelijk luwte van de stukken te genereren. Indien de vloeivelden ten noorden van het spoor even geschikt zijn, kiezen dieren uit efficiëntieoverwegingen waarschijnlijk toch voor deze Deze voorkeur voor de noordelijke plassen was logisch: De vloeivelden. Uiteindelijk is het bepalen van de reden noordelijke plassen liggen het dichtst bij de verblijfplaatsen van de waarom sommige vloeivelden intensiever worden vleermuizen. De kraamvrouwtjes hebben haast (zie zienswijze gebruikt dan andere op basis van de huidige gegevens 14.7). Het is dus het meest efficiënt om daar direct te gaan speculatie. Belangrijke aanvulling hierop is dat het foerageren, want dan is de terugweg naar de kolonie ook het zenderonderzoek een steekproef betreft van de gehele kortste. populatie. Er zijn vier dieren gezenderd en gevolgd. Wat de andere dieren uit de populatie doen, is dus 72

Nr.

Inhoud zienswijze

standpunt burgemeester en wethouders

voorstel

Het is ook mogelijk dat de verdeling te maken had met het weer tijdens de meetnachten van 25, 26 en 27-28 juni, waarbij de wind overwegend uit noordelijke richtingen kwam.

onbekend. Wellicht foerageren die wel meer ten zuiden van het spoor.

Volgens het rapport van Regelink bestaat de huidige wateroppervlakte ten noorden van het spoor uit 11,33 ha foerageergebied van hoge kwaliteit en 10,18 ha van gemiddelde kwaliteit (Regelink, pag. 17). De kwaliteit is onder andere bepaald op basis van de waterdiepte. Waterdiepten van meer dan 2 meter diepte blijven langer koel en hebben een lagere insectenproductie.

De waterdieptes zoals die zijn opgenomen in het rapport De zienswijze leidt van Regelink Ecologie & Landschap betreffen globale niet tot aanpassing dieptes. Na oplevering van het rapport zijn van de stukken gedetailleerdere waterdieptes beschikbaar gekomen. Deze gedetailleerdere metingen laten een verschuiving zien tussen diep en ondiep in een aantal bassins. Ook laten ze zien dat een deel van het wateroppervlak dat eerst als water werd beschouwd, inmiddels is verland. Een deel van uw opmerkingen over het gebruik van de vloeivelden door de vleermuizen kan hierdoor mogelijk verklaard worden.

Voor de huidige ontwikkelingen is de mate van gebruik Het zuidwestelijke bassin ten zuiden van het spoor, waar maar tussen de vloeivelden ten noorden en ten zuiden van het één gezenderde vleermuis gespot is, heeft een veel minder hoge spoor in feite ook niet relevant. Zowel de noordelijke als dijk en weinig hoge begroeiing aan de noordkant dan de plassen de zuidelijke vloeivelden (die niet zijn dichtgegroeid) zijn ten noorden van het spoor. Die locatie was daarom tijdens het in de onderzoeksrapportage aangegeven als essentieel onderzoek veel minder luw en minder aantrekkelijk dan de bassins foerageergebied. Hiermee moet dus rekening worden ten noorden van het spoor. Bij andere windrichtingen kan het een gehouden bij de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen. Voor de noordelijke vloeivelden zijn al beter foerageergebied zijn. plannen gemaakt. Voor de zuidoostelijke vloeivelden die buiten compensatiegebied 1 vallen wordt dat eveneens gedaan op het moment dat daar ontwikkelingen plaatsvinden. Dat duurt naar verwachting nog vele jaren. Op dat moment moet ook een actualisatie van het onderzoek worden uitgevoerd. 14.15

De VWG heeft de kaart van de waterdieptes (Regelink, pag. 38) vergeleken met de kaart van de locaties van foeragerende watervleermuizen (Regelink, pag. 36). Op basis van de onderstaande overwegingen kan de VWG het grote onderscheid tussen diep water met een overwegend gemiddelde foerageerkwaliteit en ondiep water met hoge foerageerkwaliteit

Het is vooral van belang te benadrukken dat de bewegingen van de gezenderde dieren een steekproef 73

Nr.

Inhoud zienswijze niet volgen. Als de ondiepe oeverzones voldoende voedsel produceren en het water voldoende beschut is, lijkt de diepte onder het wateroppervlak niet zoveel uit te maken. Bovendien vraagt de VWG zich af of het langer koel blijven van diep water wel zo’n groot nadeel is met het oog op de klimaatverandering. Het onderzoek van Regelink is uitgevoerd in een week met een hittegolf. Het is mogelijk dat in die periode het diepe water bijdroeg aan een aangename gemiddelde temperatuur van het water.

standpunt burgemeester en wethouders betreffen van de totale populatie. Indien op kaarten geen stippen staan van gezenderde dieren, betekent dat niet dat er geen dieren foerageren. Het kunnen immers de niet-gezenderde dieren zijn die hier foerageren.

Ook de locatie van de stippen moet niet als hard gegeven worden gebruikt. In het uitpeilen van de gezenderde dieren zit een onnauwkeurigheid. De inschatting van de externe deskundige die betrokken is bij dit project, is dat de onnauwkeurigheid in het projectgebied in de ordegrootte van circa 20 meter ligt. Vijver F (Regelink, pag. 38.) de vierkante zuidoostelijke plas van de Dat maakt dat op basis van deze gegevens niet hard kan grote vloeivelden, bestaat vrijwel geheel uit ondiep water en zou worden aangegeven of dieren vlak langs de oever volgens Regelink een optimaal foerageergebied moeten zijn. Op vliegen of toch meer in het open gedeelte en of ze boven deze plas is volgens de kaart met foeragerende watervleermuizen dieper water vliegen op boven ondiep water. maar 5 of 6 keer een gezenderde watervleermuis gespot. Ten noorden van deze vijver ligt de vijver E. Deze rechthoekige vijver E Een analyse zoals door u uiteengezet over het gebruik is ruim twee keer zo groot als vijver F en omvat min of meer van de diverse vloeivelden, kan op basis van de gelijke delen diep en ondiep water, dus vrijwel evenveel ondiep beschikbare gegevens dus niet worden gemaakt. water als vijver F. Op vijver F zijn echter zijn ongeveer 35 Het gebruik van de vloeivelden hangt natuurlijk af van vleermuizen geregistreerd. Als vooral het ondiepe water van meer dan alleen de waterdiepte.

Zoals u ook al aangeeft belang zou zijn, zou men op vijver E anderhalf keer zoveel speelt windluwte een rol, maar ook bijvoorbeeld vleermuizen verwachten als op vijver F, dus hoogstens 10 onderlinge concurrentie en aanwezigheid van individuen, maar het waren er drie keer zo veel. watervogels of ‘vervuiling’. Het belang van ondiep water Er waren op vijver E drie keer zoveel watervleermuizen per ha als is echter uit diverse onderzoeken naar voren gekomen op vijver F. Vijver F met de helft diep water was dus veel en uit waarnemingen en onderzoeken van de externe populairder dan vijver E, terwijl beider vijvers evenveel ondiep deskundige die bij dit project betrokken is. Daarbij is water hebben. natuurlijk niet hard te zeggen dat water met een bepaalde diepte 100% geschikt of juist 100% ongeschikt De smalle westelijke vijver A is ook overal ondiep. Zo op het oog is zou zijn. Maar er zijn wel zeer sterke aanwijzingen dat dit plasje ideaal gezien de luwte die het overal biedt, maar geen dieper water minder gebruikt wordt en dus van 74

voorstel

Nr.

Inhoud zienswijze van de gezenderde vleermuizen heeft hier gefoerageerd. Daarentegen zien wij op het diepe water van de grote vijver B ongeveer 24 stippen van foeragerende watervleermuizen staan. Waarschijnlijk is vijver A alleen aantrekkelijk bij harde wind, de ruimte om er rondjes te vliegen is er nogal klein, en het onderzoek is bij zwakke tot matige wind uitgevoerd, waarvan de vleermuizen op vijver B waarschijnlijk dankzij de vele luwte weinig last hadden. De vijvers G en H aan de oostkant hebben een waterdiepte van minder dan 2 meter, maar op deze vijvers zijn bij het onderzoek geen watervleermuizen aangetoond. Vijver H heeft geen hoge dijken en een beperkte begroeiing langs de kant, dus biedt veel minder luwte als de diepe vloeivelden. Op de luchtfoto van Bing ligt het wateroppervlak vol groeisels. De vijver is dus ongeschikt als foerageergebied voor watervleermuizen.

standpunt burgemeester en wethouders

voorstel

‘gemiddelde kwaliteit’ is in plaats van ondieper water dat een ‘hoge kwaliteit’ heeft. Dat dieper water in tijden van hitte een koelende of bufferende werking heeft, onderstrepen wij. Een klein dieper gedeelte in waterpartijen wordt daarom vrijwel altijd meegenomen als nieuwe waterpartijen worden ontworpen. In de compensatiegebieden voor De Suikerzijde hebben we hiermee rekening gehouden in de ontwerpen van de waterdieptes, zonder dat dit ten koste gaat van het oppervlak aan kwalitatief hoogwaardig foerageergebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.groningen.nl/api/v1/meetings/4226/documents/62136