CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

Was-wordt Verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Gouda 2023

Raadsvergadering 13 december 2023, gemeente GoudaBij agendapunt: Verordening Maatschappelijke ondersteuning Jeugdhulp 202332.484 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Aanpassingen: • In de nieuwe verordening werken we aanvraag voor Jeugd en Wmo uit in nieuwe, aparte artikelen. • De aanvraag Jeugdhulp is uitgewerkt in het nieuwe artikel over aanvraag Jeugdhulp en gesprek.

Het is ook mogelijk dat het verslag met uitkomsten van het onderzoek als aanvraag dient. Dit verslag moet dan wel voldoen aan de voorwaarden als genoemd in artikel 4:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het gespreksverslag dient de naam en het adres van de aanvrager te bevatten, een aanduiding van de gewenste beschikking en voorzien te zijn van datum en handtekening. Voor jeugdhulp wordt onder het verslag het ondersteuningsplan verstaan waarin de situatie van het kind wordt beschreven en wordt benoemd wat de komende periode nodig is. NIEUW ARTIKEL pagina 48

Artikel 5 Aanvraag Jeugdhulp en gesprek

Opmerking: Deels ontleend aan artikel 5 van de huidige Verordening en de daarbij behorende toelichting. Aanpassingen: • Toeleiding jeugdhulp ingevoegd (stond voorheen in algemene toelichting) • Binnen de jeugdwet wordt er niet gesproken over het persoonlijk plan, maar over het familiegroepsplan. Om deze reden is het persoonlijk plan vervangen voor familiegroepsplan • In de toelichting is gekozen om puntsgewijs te beschrijven hoe de eigen regie gestimuleerd wordt. • Er is toegevoegd dat cliënten worden geïnformeerd over het Pgb • Voorlichting over een eventuele eigen bijdrage verwijderd

pagina 49

Toeleiding naar jeugdhulp Iemand toegang geven tot jeugdhulp kan op verschillende manieren, namelijk: • via de gemeente; • na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts; • via de gecertificeerde instellingen, rechter, OM of justitiële jeugdinrichting (JJI); • via Veilig Thuis. Toegang jeugdhulp via de gemeentelijke toegang Een hulpvraag van een jeugdige of diens ouders kan binnenkomen bij de gemeente. De gemeente beslist welke zorg een jeugdige of diens ouders precies nodig hebben, in overleg met die jeugdige en diens ouders. In een gesprek tussen een deskundige van de gemeente en de jeugdige en diens ouders wordt gekeken wat de jeugdige en zijn ouders zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als aanvullend daarop een jeugdhulpvoorziening nodig is, kijkt de gemeente eerst of dit een algemene voorziening of een individuele voorziening is. Is het laatste geval geeft het college een beschikking af en schakelt de noodzakelijke jeugdhulp in. Aanvraag en gesprek Aanvraag Een jeugdige en diens ouders kunnen een hulpvraag schriftelijk indienen bij het college. Hiervoor wordt in ieder geval een door het college vastgesteld format beschikbaar gesteld op de website van de gemeente Eigen regie Bij het doen van een melding en in het onderzoek daarna staat de eigen regie van de jongere en diens ouders centraal.

Eigen regie is het vormgeven aan de autonomie van de jeugdige; deze mag keuzes maken op grond van wat hij denkt, voelt en wil. De

eigen regie wordt gestimuleerd door het college op de volgende manieren: 1. De jeugdige en diens ouders krijgen de mogelijkheid om een familiegroepsplan in te leveren. Een familiegroepsplan is een plan dat ouders/gezinnen samen met familie, vrienden en anderen uit hun omgeving kunnen maken om een vraag of probleem aan te pakken. In dat plan kunnen ouders aangeven hoe ze zelf de opvoed- en opgroeisituatie voor hun kind(eren) willen verbeteren. Bij de bevestiging van de ontvangst van de melding wijst het college de jeugdige en diens ouders op de mogelijkheid van het inleveren van een familiegroepsplan. 2. De jeugdige en diens ouders worden, voordat het gesprek plaatsvindt, geïnformeerd over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning in de ontvangstbevestiging van de aanvraag. 3. De jeugdige en diens ouders worden gewezen op de mogelijkheid om te kiezen voor een pgb en de gevolgen als daarvoor wordt gekozen. Pgb is een middel voor cliënten om zelf jeugdzorg in te kopen. Het gesprek Om een zorgvuldig besluit te nemen, worden eerst alle feiten en omstandigheden van de hulpvraag onderzocht. In deze verordening noemen we dit ‘het gesprek’ of ‘het onderzoek’. Als het nodig is voor het onderzoek, kunnen ook meerdere gesprekken achter elkaar worden gevoerd. Het gesprek is erop gericht een totaalbeeld van de situatie te krijgen.

We kijken naar alle verschillende leefgebieden van de jeugdige en diens ouders. De mate van zelfredzaamheid kan per leefgebied verschillend zijn en problemen op verschillende leefgebieden kunnen elkaar beïnvloeden. pagina 50

Ook komen procedures aan de orde voor een deskundige beoordeling als het om individuele voorzieningen gaat. Het kan bij jeugdigen bijvoorbeeld gaan om diagnostiek om voor een psychiatrische behandeling of voor een verblijf in 24-uursopvang in aanmerking te komen. Dat zijn zwaarwegende beslissingen waarvoor professioneel onderzoek en een gedegen afweging nodig zijn. De volgende onderwerpen komen aan bod tijdens het gesprek: a. de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en (gezins-/leef-) situatie van de jeugdige en diens ouders en het probleem of de hulpvraag; b. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; c. het vermogen van de jeugdige en diens ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden. Hierbij komen de belastbaarheid en de ondersteuningsbehoefte van de mantelzorger aan de orde; d. de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening; e. de mogelijkheden om ondersteuning te verlenen met gebruikmaking van een algemene voorziening; f. de mogelijkheden om een maatwerk of een individuele voorziening te verstrekken; g. de manier waarop een eventuele, individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen; h.

hoe rekening te houden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt; i. de gevolgen van een eventuele keuze voor een persoonsgebonden budget. Als het kan, is het gesprek bij de jeugdige en diens ouders thuis, om een goed totaalbeeld te krijgen. De uitkomsten van het gesprek wegen mee bij de beoordeling. Eigen kracht pagina 51

De eigen kracht van de cliënt staat voorop. De Jeugdwet bepaalt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt. Een voorziening kan nodig zijn om de mate van probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouders en die van de naaste omgeving te versterken. Er kan door het gesprek echter ook vastgesteld worden dat de inzet van eigen kracht, sociaal netwerk of een algemene voorziening voldoende is. In dat geval hoeft er geen individuele voorziening te worden ingezet. Een verdere uitwerking van het onderzoek naar de eigen kracht van de jeugdige, diens ouders en/of diens sociale netwerk vindt plaats in nadere regels.

NIEUW ARTIKEL Deels ontleend aan artikel 5 van de huidige Verordening en de daarbij behorende toelichting. Opmerkingen: • Er is toegevoegd dat cliënten worden pagina 52

Beslistermijn Met het vijfde lid wordt duidelijk vastgelegd dat voor de totale procedure van aanvraag tot het besluit over een individuele voorziening een termijn van acht weken geldt. Het college kan de beslistermijn op grond van artikel 4:14 van de Algemene wet bestuursrecht éénmaal verlengen als de beschikking niet binnen acht weken kan worden afgegeven. Dat kan bijvoorbeeld bij een ingewikkelde situatie waar een zorgvuldig onderzoek gedaan moet worden en/of als voor een diagnose een langere termijn nodig is. Wel noemt het college dan een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de jeugdige en diens ouders de beschikking krijgen. Van een verlenging doet het college mededeling aan de aanvrager. Daarbij geeft het college de termijn aan waarbinnen de beschikking wordt verzonden. Artikel 6 Melding en gesprek Wmo Melding Een cliënt kan een hulpvraag via een melding indienen bij het college. Eigen regie Bij het doen van een melding en in het onderzoek daarna staat de eigen regie van de inwoner centraal. Eigen regie is het vormgeven aan de autonomie van de inwoner; deze mag keuzes

•

•

geïnformeerd over het Pgb Er wordt verwezen naar het persoonlijk plan als instrument voor eigen regie Voorlichting over een eventuele eigen bijdrage verwijderd

maken op grond van wat hij denkt, voelt en wil. De eigen regie wordt gestimuleerd door het college op de volgende manieren: 1. Het college laat een inwoner die een melding doet weten dat zij een persoonlijk plan in kunnen dienen. 2. Voor het gesprek krijgt de inwoner in de ontvangstbevestiging van de melding informatie over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning. 3. De inwoner krijgt informatie over de mogelijkheid om te kiezen voor een pgb en de gevolgen als daarvoor wordt gekozen. Pgb is een middel voor cliënten om zelf de ondersteuning in te kopen. Het gesprek Om een zorgvuldig besluit te nemen, worden eerst alle feiten en omstandigheden van de hulpvraag onderzocht. In deze verordening noemen we dit ‘het keukentafelgesprek’. Als dat nodig is voor het onderzoek, kan ook sprake zijn van meerdere (opeenvolgende) gesprekken. Het gesprek is erop gericht een totaalbeeld van de situatie te krijgen. We kijken naar alle verschillende leefgebieden van de cliënt. De mate van zelfredzaamheid kan per leefgebied verschillend zijn en problemen op verschillende leefgebieden kunnen elkaar beïnvloeden.

De volgende onderwerpen komen aan bod tijdens het gesprek: a) de behoeften, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en (gezins-/leef)situatie van de cliënt en het probleem of de hulpvraag; b) het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; c) het vermogen van de cliënt om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden. Hierbij komen de belastbaarheid en de ondersteuningsbehoefte van de mantelzorger aan de orde;

pagina 53

d) de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening; e) de mogelijkheden om ondersteuning te verlenen met gebruikmaking van een algemene voorziening; f) de mogelijkheden om een maatwerk of een individuele voorziening te verstrekken; g) de manier waarop een eventuele, individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen; h) hoe rekening te houden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt; i) de mogelijkheid om te kiezen voor een pgb; j) de gevolgen van een eventuele keuze voor een pgb. Als het kan, is het gesprek bij de inwoner thuis, om een goed totaalbeeld te krijgen. De uitkomsten van het gesprek wegen mee bij de beoordeling. Beslistermijn Met het zesde lid wordt duidelijk vastgelegd dat voor de totale procedure van melding tot het besluit over een maatwerkvoorziening een termijn van acht weken geldt. Het college kan de beslistermijn op grond van artikel 4:14 van de Algemene wet bestuursrecht éénmaal verlengen als de beschikking niet binnen acht weken kan worden afgegeven. Dat kan bijvoorbeeld bij een ingewikkelde situatie waar een zorgvuldig onderzoek gedaan moet worden en/of als voor een diagnose een langere termijn nodig is.

Wel noemt het college dan een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de inwoner de beschikking krijgen. Van een verlenging doet het college (liefst schriftelijk) mededeling aan de aanvrager. Daarbij geeft het college de termijn aan waarbinnen de beschikking wordt verzonden. Artikel 6 Verslag

Aanpassingen: pagina 54

Artikel 7 Verslag

Deze bepaling is opgenomen, omdat een zorgvuldige dossiervorming en een procedurebeschrijving belangrijk is. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. In de toelichting op de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14 33 841, nr.3) staat dat de gemeente de uitkomsten van het onderzoek schriftelijk aan de cliënt geeft, zodat deze een aanvraag kan doen voor een maatwerk- of individuele voorziening. Een goed verslag maakt het voor de gemeente mogelijk om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag, en maakt de communicatie met de cliënt duidelijker. Hoe het verslag eruit ziet, hangt af van de uitkomsten van het onderzoek. Als er geen maatwerkvoorziening of individuele voorziening nodig is, zal het verslag bijvoorbeeld beperkt zijn. Bij meer complexe onderzoeken is een uitgebreider verslag nodig. Als het gewenst is, kan de gemeente het verslag met onderzoeksuitkomsten ook gebruiken als een gezamenlijk overeengekomen plan, een arrangement. Hierin zijn alle gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien vastgelegd. De gemeente en de cliënt ondertekenen dan samen het plan.

• •

Artikelnummer. Toegevoegd dat het later toevoegen van opmerkingen bijdraagt aan de eigen regie van de cliënt

Jeugdhulp Ondertekening De ondertekening, als bedoeld in lid 4, voor een aanvraag voor een individuele voorziening Jeugdhulp moet door minimaal één betrokkene ondertekend worden. Hieronder staat in welke fase er wel/geen handtekening nodig is: Fase van aanvragen: Elke belanghebbende kan een aanvraag indienen. De aanvraag moet door de belanghebbende worden ondertekend. In Gouda wordt gewerkt met het Plan van Aanpak dat wordt ondertekend. Fase van onderzoek: Als duidelijk is welke jeugdhulp nodig is, inventariseert de gemeente of de jeugdige en/of de ouders instemmen met de inzet van die jeugdhulp. Zo weet de gemeente of de noodzakelijke hulp kan worden ingezet. Fase van hulpverlening: Het is echter niet nodig dat de gemeente van jeugdigen en ouders handtekeningen vragen voor het verlenen voor de noodzakelijke jeugdhulp. Niet de gemeente, maar de jeugdhulpverlener is verantwoordelijk om te zorgen dat de vereiste toestemming aanwezig is. De jeugdhulpverlener beoordeelt of de vereiste toestemming voor het verlenen van jeugdhulp aanwezig is. Het geven van toestemming kan mondeling of schriftelijk. Zonder de vereiste toestemming kan de jeugdhulpverlener de hulp niet starten. De jeugdhulpverlener moet volgens de toestemmingsregels handelen. De jeugdhulpverlener (en niet de gemeente) kan daarop worden aangesproken.

Het is mogelijk om later opmerkingen of wijzigingen aan te brengen of feitelijke onjuistheden te herstellen (artikel 6, derde lid). Het kan namelijk zo zijn, dat een cliënt na het gesprek nog onderzoekt wat er in zijn omgeving mogelijk is om ondersteuning te ontvangen of dat hij nog een aanvullende opmerking heeft.

Ontbreekt de vereiste toestemming, dan moet de gemeente afwegen of het uitblijven van jeugdhulp de ontwikkeling van de jeugdige ernstig bedreigd. Als dat het geval is moet de gemeente de Raad voor de Kinderbescherming vragen onderzoek te doen. pagina 55

Wet Maatschappelijke Ondersteuning Achtergrondinformatie Deze bepaling is opgenomen, omdat een zorgvuldige dossiervorming en een procedurebeschrijving belangrijk zijn. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. In de toelichting op de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14 33 841, nr.3) staat dat de gemeente de uitkomsten van het onderzoek schriftelijk aan de cliënt geeft, zodat deze een aanvraag kan doen voor een maatwerk- of individuele voorziening. Inhoud van het verslag Een goed verslag maakt het voor de gemeente mogelijk om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag, en maakt de communicatie met de cliënt duidelijker. Het gespreksverslag gaat over de afspraken die tussen het college en de cliënt zijn gemaakt. Het verslag kan gaan over meerdere gesprekken. Hoe het verslag eruitziet, hangt af van de uitkomsten van het onderzoek. Als er geen maatwerkvoorziening of individuele voorziening nodig is, zal het verslag bijvoorbeeld beperkt zijn. Bij meer ingewikkelde onderzoeken is een uitgebreider verslag nodig. Arrangement Als het gewenst is, kan de gemeente het verslag met onderzoeksuitkomsten ook gebruiken als een gezamenlijk overeengekomen plan, een arrangement. Hierin zijn alle gemaakte afspraken en de verplichtingen vastgelegd. De gemeente en de cliënt ondertekenen dan samen het plan.

Opmerkingen of wijzigingen aan het verslag Later kunnen opmerkingen of aanpassingen worden gedaan in het verslag of feitelijke onjuistheden worden hersteld (artikel 7, derde lid). Het kan namelijk zo zijn, dat een inwoner na het gesprek nog onderzoekt wat er in de omgeving mogelijk is om ondersteuning te ontvangen of dat de inwoner nog een aanvullende opmerking heeft. Daarnaast staat dit lid dat de pagina 56

inwoner regie heeft over de eigen aanvraag en dus medezeggenschap heeft over de inhoud van het verslag. De aanvraag voorzien moet zijn van naam, adres, dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt aangevraagd Het adres in de aanvraag hoeft niet het adres te zijn waar de aanvrager woont. De aanvrager kan ook een ander adres kiezen, bijvoorbeeld het adres van zijn gemachtigde. Bij een digitale aanvraag hoeft niet precies te staan welke beschikking wordt gevraagd, maar de hulpvraag moet voldoende duidelijk zijn. Omdat op de aanvraag een besluit moet volgen, moet de aanvrager hierop zijn hulpvraag aangeven. NIEUW ARTIKEL Staat in de huidige Verordening in de algemene toelichting. Opmerking • Hiermee ook vastgelegd aan welke voorwaarden de zorgaanbieder zich moet houden bij het beoordelen van jeugdhulpaanvragen.

pagina 57

Artikel 8 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts Toegang via de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist Het verzoek voor toegang tot jeugdhulp kan ook lopen via een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist. Dit is geregeld in artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onder g, van de Jeugdwet. In de praktijk bepalen zij vaak niet welke specifieke vorm van hulp nodig is, maar verwijzen door naar een van de jeugdhulpaanbieders waarmee de gemeente een dienstverleningsovereenkomst heeft afgesloten. De jeugdhulpaanbieder beoordeelt op basis van zijn professionele autonomie welke voorziening nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Hierbij vindt overleg plaats met de jeugdige of ouder. De aanbieder verstrekt aan de gemeente een kennisgevingsbericht over het opstarten van de jeugdhulp waarna er door de gemeente een formeel besluit wordt genomen. Het besluit wordt door de gemeente verstuurd naar zowel de jeugdhulpaanbieder als de jeugdige. Deze toegang wordt in de Jeugdwet geregeld en komt daarom verder niet terug in deze verordening.

Het uitgangspunt is dat rekening wordt gehouden met de ingekochte jeugdhulp van de gemeente. Het college hoeft de keuze voor een niet-gecontracteerde aanbieder niet te vergoeden, zo lang er soortgelijke jeugdhulp geleverd kan worden vanuit het gecontracteerde aanbod. Willen de jeugdige of diens ouders desondanks hulp ontvangen van de nietgecontracteerde aanbieder, dan kan hiervoor een pgb worden aangevraagd. De zorgaanbieder moet zich bij het beoordelen van de jeugdhulpvraag na een verwijzing houden aan het woonplaatsbeginsel, afspraken die hij met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie en met de regels die daarover zijn neergelegd in de Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp 2023 en/of Regeling maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Gouda 2023. NIEUW ARTIKEL Staat in de huidige Verordening in de algemene toelichting.

Opmerkingen: • Toegang jeugdhulp via Veilig Thuis, GI, rechter, OM of Justitiële jeugdinrichting toegevoegd. Inhoudelijk geen wijzigingen ten opzichte van de algemene toelichting in de huidige Verordening.

Artikel 9 Toegang jeugdhulp via Veilig Thuis, gecertificeerde instellingen, rechter, OM of justitiële jeugdinrichting (JJI) Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie of justitiële jeugdinrichting De uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering maakt het voor een gecertificeerde instelling mogelijk zelfstandig te bepalen dat jeugdhulp nodig is (artikel 3.5, lid 1, van de Jeugdwet). Wel moet er overleg zijn met de gemeente. Bij jeugdreclassering mag niet alleen de gecertificeerde instelling dit doen, maar kunnen ook andere instanties besluiten dat jeugdhulp nodig is. Deze andere instanties zijn de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI) en de selectiefunctionaris van de JJI. De gemeente is verantwoordelijk voor de inzet van jeugdhulp die volgens deze instanties nodig is om een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uit te voeren.

pagina 58

De gemeente heeft hier dus een leveringsplicht (zie artikel 2.4, lid 2, aanhef en onder b, van de Jeugdwet). Het uitgangspunt is dat rekening wordt gehouden met de ingekochte jeugdhulp van de gemeente. Deze toegang wordt in de Jeugdwet geregeld en komt daarom verder niet terug in deze verordening. Toegang via Veilig Thuis Via Veilig Thuis kan ook toegang worden verkregen tot (onder andere) jeugdhulp. Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt als dat nodig is op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling of huiselijk geweld, motiveert zo nodig ouders tot het accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. De toegang tot jeugdhulp via deze weg staat beschreven in de Jeugdwet en wordt daarom niet verder toegelicht in deze verordening en toelichting. NIEUW ARTIKEL

Artikel 10 Diagnostiek en behandeling van Ernstige Dyslexie De toeleiding naar diagnostiek en behandeling van ernstige dyslexie (ED) heeft een aparte werkwijze. De toeleiding geschiedt conform de meest recente versie van ‘samenwerking in uitvoering Jeugd en Wmo in M-H’; Het besluit geeft toegang voor diagnostiek en behandeling. Behandeling is uitsluitend mogelijk indien uit de uitgevoerde diagnostiek blijkt dat sprake is van ernstige enkelvoudige dyslexie.

NIEUW ARTIKEL

pagina 59

Artikel 11 Toegang beschermd wonen en opvang Gemeenten in de regio Midden-Holland hebben afgesproken dat de gemeente Gouda in deze regio de toegang verzorgt voor beschermd wonen en opvang. De gemeente Gouda maakt voor de voorzieningen voor beschermd wonen, maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en Jongeren onder Dak afspraken met aanbieders en heeft verschillende toegangsroutes ingericht die

het beste passen bij de voorzieningen en de doelgroepen. Voor beschermd wonen en vrouwenopvang verzorgt de gemeente Gouda ook de bovenregionale en landelijke toegang. HOOFDSTUK 3 CRITERIA EN WEIGERINGSGRONDEN Artikel 9 Criteria voor een individuele voorziening voor jeugdhulp De Jeugdwet (artikel 2.9, onderdeel a) bepaalt dat de gemeenteraad in de verordening moet aangeven wat de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening zijn. In dit artikel is met de uitwerking van deze verplichting een kader gegeven. Belangrijk is dat bij het beoordelen van de problematiek allereerst gekeken wordt in hoeverre het eigen sociale netwerk van de betrokkene ondersteuning kan bieden. Dit is een van de belangrijkste uitgangspunten van de Jeugdwet: het inschakelen, herstellen en versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouders en hun omgeving (artikel 2.1, onderdeel d van de Jeugdwet).

Aanpassingen: • Artikelnummer. • Verwezen naar de regeling voor verdere uitwerking onderzoek eigen kracht en gebruikelijke hulp. • Toegevoegd dat de nadruk bij het onderzoek eerst ligt op de eigen kracht en hulp van anderen. • Lid 3 t/m 5 toegevoegd.

Pas als blijkt dat de jeugdige of zijn ouders er zelf, met hulp van de omgeving, niet of slechts gedeeltelijk uitkomen, moet het college een voorziening treffen. Het college hoeft geen voorziening toe te kennen: • voor zover het naar algemeen aanvaarde maatstaven gebruikelijk is dat deze zorg wordt geboden door de partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (we spreken dan van 'gebruikelijke hulp'); • als er een algemene (vrij toegankelijke) voorziening beschikbaar is die volledig tegemoet komt aan de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders.

Artikel 12 Criteria voor een individuele voorziening voor jeugdhulp De Jeugdwet (artikel 2.9, onderdeel a) bepaalt dat de gemeenteraad in de verordening moet aangeven wat de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening zijn. In dit artikel is met de uitwerking van deze verplichting een kader gegeven. Belangrijk is dat er na het vaststellen van de hulpvraag, het in kaart brengen van de problemen en het vaststellen van de benodigde hulp, er gekeken wordt in hoeverre de inwoner en/of het eigen sociale netwerk van de betrokkene ondersteuning kan bieden (eigen kracht). Dit is een van de belangrijkste uitgangspunten van de Jeugdwet: het inschakelen, herstellen en versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, diens ouders en hun omgeving (artikel 2.1, onderdeel d van de Jeugdwet). Als ouders jeugdhulp vragen voor taken waarvan het ‘gebruikelijk’ is dat ze dit zelf oppakken, hoeft de gemeente geen jeugdhulp toe te kennen. Mits voldoende duidelijk is dat ze die taken ook kúnnen oppakken. De eigen mogelijkheden van de ouders zijn dan toereikend. Pas als blijkt dat de jeugdige of zijn ouders er zelf en met hulp van de omgeving niet of maar voor een deel uitkomen, moet het college een voorziening treffen. Het college hoeft geen voorziening toe te kennen: • als er sprake is van voldoende eigen kracht en als de

De eerste zin van het artikel bevat de woorden ‘voor zover’. Dit betekent dat als het eigen netwerk of een andere voorliggende voorziening slechts een gedeelte van de

uitvoering van de hulpvraag in alle redelijkheid van de cliënt en diens sociale netwerk verwacht kan worden. In de

pagina 60

ondersteuningsbehoefte kan oplossen, de gemeente nog steeds een voorziening voor de resterende ondersteuningsbehoefte treft.

•

regeling is het onderzoek naar eigen kracht nader uitgewerkt; als er een algemene (vrij toegankelijke) voorziening beschikbaar is die volledig tegemoet komt aan de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders.

In de nadere regeling is vastgelegd hoe er invulling gegeven wordt aan de toetsing van eigen kracht en gebruikelijke hulp. Lid 2 De eerste zin van lid 2 bevat de woorden ‘voor zover’. Als het eigen netwerk of een andere voorliggende voorziening maar een gedeelte van de hulpvraag kan oplossen, treft de gemeente nog steeds een voorziening voor de rest van de hulpvraag. Lid 3 tot en met 5 Het is de verantwoordelijkheid van jeugdigen en ouders zelf om zich op tijd te melden bij het college. Zodat het college ook goed onderzoek kan doen naar de ervaren problemen. In deze bepaling zijn regels opgenomen voor de situatie dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) reeds zelf jeugdhulp ingeschakeld hebben en daarna pas een aanvraag indienen bij het college voor deze hulp. Het college kan onder enkele uitzonderlijke omstandigheden dan alsnog een voorziening verstrekken voor deze hulp, voor een periode tot maximaal 3 maanden vóór de aanvraag. Voorwaarde voor het alsnog verstrekken van een voorziening is dat de jeugdige/ouder op het moment dat ze zich melden, nog steeds tot de doelgroep van de Jeugdwet behoren. Er moet met andere woorden nog steeds sprake zijn van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen. Is dat niet het geval, dan heeft college namelijk ook geen jeugdhulpplicht.

Verder moet het college nog in staat zijn de noodzaak en passendheid van de ingeschakelde hulp te beoordelen. Als het college na onderzoek vaststelt dat andere hulp hier meer op zijn pagina 61

plek was geweest, hoeft het geen voorziening te verstrekken. Ook hoeft het college geen voorziening te verstrekken als het niet meer mogelijk is deze beoordeling te maken. Het komt dan voor risico van de jeugdige/ouders zelf dat ze zich niet eerder bij het college hebben gemeld. Artikel 8 Criteria voor een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning Het eerste lid laat alle afwegingen zien waar de gemeente rekening mee houdt bij de beoordeling van een aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Dit is het algemene afwegingskader dat in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 centraal staat. De nadruk ligt eerst op de eigen kracht en hulp van anderen en daarna pas op een maatwerkvoorziening die geheel gericht is op de persoonlijke situatie van de cliënt.

Aanpassingen • Artikelnummer. • Verwijzingen naar het vierde lid zijn weggehaald.

De gemeente heeft enige mate van vrijheid bij maatwerkvoorzieningen. Dit komt omdat de behoefte van cliënten per gemeente kan verschillen (denk aan religie, leeftijden, dorp of stad) en omdat de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is (denk aan de aanwezigheid van sociaal teams).

Artikel 13 Criteria voor een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning Gemeenten hebben enige vrijheid bij maatwerkvoorzieningen. Dit komt omdat de behoefte van inwoners per gemeente kan verschillen (denk aan religie, leeftijden, dorp of stad), omdat de ondersteuning aan inwoners verschillend is georganiseerd (zoals de aanwezigheid van een sociaal team) en omdat gemeenten verschillende soorten huizen en buurten hebben. Met die vrijheid kan de gemeente inspelen op wat de eigen inwoners nodig hebben. De gemeente moet wel met geschikte en toepasbare afwegingen en duidelijk afbakenen wanneer iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt. Lid 1 Het eerste lid laat alle afwegingen zien waar de gemeente rekening mee houdt bij de beoordeling van een aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Dit is het algemene afwegingskader dat in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 centraal staat. De nadruk ligt eerst op de eigen kracht en hulp van anderen en daarna pas op een maatwerkvoorziening die geheel gericht is op de persoonlijke situatie van de cliënt.

Met die vrijheid kan de gemeente inspelen op wat haar cliënten nodig hebben. De gemeente moet wel met geschikte en toepasbare criteria, en op gedetailleerde en concrete wijze afbakenen wanneer iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt.

Als er een voorziening uit een ander wettelijk kader wordt ingezet, moet deze een passende bijdrage leveren aan het zorgen voor een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld tot eigen regie, zelfredzaamheid en/of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

Het tweede lid geeft aan dat de gemeente de goedkoopst adequate voorziening verleent. Wat de goedkoopst adequate voorziening is wordt bepaald aan de hand van objectieve maatstaven. Compenserend betekent: volgens deze objectieve maatstaven nog toereikend. Sommige voorzieningen zijn duurder en niet per definitie beter voor de cliënt. Deze voorzieningen komen in principe niet voor vergoeding in aanmerking. Wil de cliënt van deze duurdere

Lid 2 Het tweede lid geeft aan dat de gemeente voorziening verleent die gekeken naar het geld dat ervoor gevraagd wordt de meest pagina 62

compenserende voorziening toch gebruik maken, dan kan dit als de cliënt het prijsverschil met de adequate voorziening zelf betaalt. Tegelijkertijd is het denkbaar dat een voorziening duurder is dan een vergelijkbare voorziening, maar langer meegaat en daardoor uiteindelijk goedkoper is. In dat geval is een duurdere voorziening wel te overwegen. De kwaliteit van de voorziening moet altijd aansluiten bij een verantwoord niveau. Levering kan plaatsvinden via zorg in natura of via het verstrekken van een pgb.

voordelige oplossing is die het beste past bij de hulpvraag. We spreken dan van een “goedkoopst adequate” voorziening. Sommige voorzieningen zijn duurder, maar niet beter voor de cliënt. Deze voorzieningen kan de gemeente niet vergoeden. Als de inwoner toch gebruik wil maken van deze duurdere voorziening, dan moet de inwoner het prijsverschil zelf betalen. Tegelijkertijd kan een voorziening duurder is dan een vergelijkbare voorziening, maar langer meegaat en daardoor uiteindelijk goedkoper en dus voordeliger is. In dat geval is een duurdere voorziening wel te overwegen. De kwaliteit van de voorziening moet altijd aansluiten bij een verantwoord niveau. Levering kan plaatsvinden via zorg in natura of via het verstrekken van een pgb.

In het derde en vierde lid wordt de financiële maatwerkvoorziening geregeld. In een tweetal uitspraken heeft de Centrale Raad van Beroep overwogen dat de definitie van maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 1.1.1. van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, ruim genoeg is om ook een financiële tegemoetkoming te kunnen omvatten (uitspraken van 12 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:395 en ECLI:NL:CRVB:2018:396). Om deze reden wordt gesproken over een financiële maatwerkvoorziening als verstrekkingswijze.

Lid 3 Het derde lid omschrijft dat de gemeente een aanvraag kan weigeren als de cliënt door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid het middel is verloren. De eigen verantwoordelijkheid van de cliënt speelt hier een rol. Als voorbeeld wordt gegeven een in woning aangebrachte verstelbare keuken of andere dure voorziening. De meerwaarde hiervan moet worden meeverzekerd in de opstalverzekering. Als bij woningbrand blijkt dat dit niet is meeverzekerd, kan de cliënt geen beroep doen op de verordening.

De Centrale Raad van Beroep stelt als voorwaarde dat de financiële maatwerkvoorziening een passende bijdrage moet leveren aan de zelfredzaamheid en participatie van de aanvrager. Dit geldt ook voor de mogelijkheid zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te blijven. Hieruit kan worden afgeleid dat de (forfaitaire) financiële tegemoetkoming niet kostendekkend behoeft te zijn.

De voorziening is voor de persoonlijke situatie van de inwoner, daarom worden geen groepsvoorzieningen verstrekt. Daarvoor zijn de algemene maatregelen en - voorzieningen beschikbaar. Of een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning gericht op zelfredzaamheid en/of participatie wordt verstrekt, hangt ook af van de hulpvraag. Hierbij wordt meegewogen of ondersteuning langdurig noodzakelijk is.

Het derde en vierde lid zijn opgenomen om de inzet van een financiële maatwerkvoorziening te beperken tot die gevallen waarin de inzet een duidelijke meerwaarde heeft of waar geen alternatief in natura voorhanden is. De financiële maatwerkvoorziening is een geschikt instrument bij kosten waarvan de hoogte vooraf lastig te bepalen is.

Lid 4 Het vierde lid geeft aan dat ook financiële tegemoetkomingen kunnen worden gezien als maatwerkvoorziening. In een tweetal uitspraken heeft de Centrale Raad van Beroep overwogen dat de pagina 63

In het vierde lid is opgenomen welke voorzieningen in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming. Er is voor de genoemde voorzieningen gekozen, omdat hierbij de financiële tegemoetkoming niet noodzakelijk kostendekkend hoeft te zijn.

definitie van maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 1.1.1. van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, ruim genoeg is om ook een financiële tegemoetkoming te kunnen omvatten (uitspraken van 12 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:395 en ECLI:NL:CRVB:2018:396). Daarom wordt gesproken over een “financiële maatwerkvoorziening als verstrekkingswijze”. De Centrale Raad van Beroep stelt als voorwaarde dat de financiële maatwerkvoorziening een passende bijdrage moet leveren aan de zelfredzaamheid en deelname aan de samenleving van de aanvrager. Dit geldt ook voor de mogelijkheid zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te blijven. Hieruit kan worden afgeleid dat de (forfaitaire) financiële tegemoetkoming niet kostendekkend behoeft te zijn. Het derde lid is opgenomen om de inzet van een financiële maatwerkvoorziening te beperken tot die gevallen waarin de inzet een duidelijke meerwaarde heeft of waar geen alternatief in natura voorhanden is. De financiële maatwerkvoorziening is een geschikt instrument bij kosten waarvan de hoogte vooraf lastig te bepalen is. Lid 5 Het vijfde lid heeft betrekking op de mogelijkheid om deskundig oordeel en advies in te winnen om tot een goede afweging te komen. Artikel 14 Criteria voor beschermd wonen en opvang Lid 4 De Maatschappelijke opvang is bedoeld als laatste oplossing om dakloosheid te voorkomen.

Andere oplossing die dakloosheid kunnen voorkomen, zoals opvang in het eigen netwerk of het zelf kunnen financieren van onderdak op een alternatieve locatie, zijn voorliggend. Gemeente Gouda is aangesloten bij het Convenant Landelijke Toegankelijkheid Maatschappelijke Opvang. Dit betekent dat opvang in Gouda alleen geboden wordt aan de inwoner als regio Midden-Holland de regio is waarbinnen de opvang en herstel van de inwoner het meest kansrijk is. De Maatschappelijke opvang betreft het tijdelijk bieden van pagina 64

onderdak om dakloosheid te voorkomen, totdat de inwoner kan doorstromen naar vervolghuisvesting. Lid 6 Jonge mensen die dak- of thuisloos worden zijn extra kwetsbaar. Daarom biedt de regio Midden-Holland, aanvullend op onderdak in de Maatschappelijke opvang, begeleiding aan dak- of thuisloze jongeren van 18 tot en met 23 jaar. Deze begeleiding via Jongeren onder Dak is voor jongeren in de jongerenopvang én thuisloze jongeren die elders verblijven. Om het traject te laten slagen, is het van belang dat de jongere gemotiveerd is om mee te werken aan het herstel. Artikel 11 Weigeringsgronden Dit artikel bevat redenen waarom de gemeente een voorziening kan weigeren. Op deze manier biedt de gemeente zoveel mogelijk duidelijkheid aan cliënten over de voorwaarden voor het wel of niet toekennen van voorzieningen. 1.a. Het kan zijn dat de cliënt geen voorziening krijgt, als deze ondersteuning via een andere wettelijke regel voorhanden is. Het gaat om een ‘aanspraak op’, wat betekent dat de cliënt de voorziening niet al daadwerkelijk heeft, maar wel dat hij de voorziening moet kunnen krijgen. 1.b. Het kan zijn dat de cliënt met een hulpvraag zelf al de voorziening heeft geregeld, voordat de gemeente hierover een besluit heeft genomen.

De gemeente kan de voorziening dan niet meer volgens het beleid verstrekken (de cliënt heeft dan al voldoende ondersteuning) en heeft geen invloed meer op de voorziening, wat een reden tot weigering kan zijn. Een uitzondering hierop is als de gemeente aan de cliënt schriftelijke toestemming heeft gegeven om voor het besluit al de voorziening te regelen of als achteraf de noodzaak alsnog kan worden vastgesteld.

Aanpassingen: • Artikelnummer. • Toegevoegd bij 1b dat in artikel 11 een verdere uitwerking is beschreven voor cliënten met een ondersteuningsvraag op grond van de jeugdwet. • Toelichting op 1c toegevoegd. • Toegevoegd lid 4 toegelicht.

Artikel 15 Weigeringsgronden In dit artikel staan redenen waarom de gemeente een voorziening kan weigeren. Zo biedt de gemeente zoveel mogelijk duidelijkheid aan inwoners over de voorwaarden voor het wel of niet toekennen van voorzieningen. Lid 1 1.a. Het kan zijn dat de cliënt geen voorziening krijgt, als deze ondersteuning via een andere wettelijke regel voorhanden is. Het gaat om een ‘aanspraak op’, wat betekent dat de inwoner de voorziening niet al daadwerkelijk heeft, maar wel dat hij de voorziening moet kunnen krijgen. 1.b. Het kan zijn dat de inwoner met een hulpvraag zelf al de voorziening heeft geregeld, voordat de gemeente hierover een besluit heeft genomen. De gemeente kan de voorziening dan niet meer volgens het beleid verstrekken (de cliënt heeft dan al voldoende ondersteuning) en heeft geen invloed meer op de voorziening, wat een reden tot weigering kan zijn. Een uitzondering hierop is als de gemeente aan de inwoner schriftelijke toestemming heeft gegeven om voor het besluit al de voorziening te regelen of als achteraf de noodzaak alsnog kan worden vastgesteld. In de verordening is in artikel 11 hier meer

pagina 65

2. De gemeente kan een aanvraag weigeren als de cliënt door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid het middel is verloren. De eigen verantwoordelijkheid van de cliënt speelt hier een rol. Als voorbeeld wordt gegeven een in woning aangebrachte verstelbare keuken of andere dure voorziening. De meerwaarde hiervan moet worden meeverzekerd in de opstalverzekering. Als bij woningbrand blijkt dat dit niet is meeverzekerd, kan de cliënt geen beroep doen op de verordening. De voorziening is voor de persoonlijke situatie van de cliënt, vandaar dat geen generieke voorzieningen – van toepassing op een groep – worden getroffen. Daarvoor zijn de algemene maatregelen en - voorzieningen beschikbaar.

over uitgewerkt voor cliënten die een ondersteuningsvraag hebben op grond van de Jeugdwet. 1.c als de inwoner niet mee wil werken aan het onderzoek, bestaat het risico dat het college onvoldoende onderzoek kan doen nar de hulpvraag. Het gevolg hiervan is dat daardoor niet duidelijk wordt welke hulp noodzakelijk is. Dit kan leiden tot afwijzing van de aanvraag tot jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning. De meewerkplicht kan het volgende beslaan: • meewerken aan het onderzoek om vast te stellen welke hulp nodig is; • met het college gesprekken voeren over de hulpvraag (dit kan dus ook betekenen dat met een jeugdige wordt gesproken); • rapportages aanleveren die door derden zijn gemaakt; • toestemming geven voor het voeren van gesprekken met (eerdere) hulpverleners ; • toestemming geven de inwoner te observeren

Of een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning gericht op zelfredzaamheid en/of participatie zal worden verstrekt is mede afhankelijk van de aard van de zorgvorm. Hierbij wordt meegewogen of ondersteuning langdurig noodzakelijk is. 3.a. Een voorbeeld ter illustratie: een cliënt heeft astma en vraagt een woonvoorziening om normaal gebruik te kunnen maken van de woning. Uit het onderzoek blijkt dat vocht- en tochtproblemen komen door achterstallig onderhoud en de gebruikte materialen. In dat geval kan de gemeente een woonvoorziening weigeren. Bij achterstallig onderhoud is de eigenaar verantwoordelijk voor het saneren van de woning. Huurt de cliënt de woning, dan moet hij de verhuurder aanspreken. Als de cliënt goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de verhuurder te laten wegnemen en met het oog op de gezondheidstoestand van de cliënt er binnen een redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek geen uitzicht op opheffing van de gebreken is, ligt het voorgaande anders.

Lid 2 2. Als de ondersteuning is afgerond, verstrekt het college geen voorziening.

3.c. Een ADL- woning bevat een aantal standaard aanpassingen, zodat de woning geschikt is voor mensen in

Als de inwoner goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de verhuurder te laten wegnemen en met het oog op de gezondheidstoestand van de cliënt er binnen een

Lid 3 3.a. Een voorbeeld om het uit te leggen: een inwoner heeft astma en vraagt een woonvoorziening om normaal gebruik te kunnen maken van de woning. Uit het onderzoek blijkt dat vochten tochtproblemen komen door achterstallig onderhoud en de gebruikte materialen. In dat geval kan de gemeente een woonvoorziening weigeren. Bij achterstallig onderhoud is de eigenaar verantwoordelijk voor het saneren van de woning. Huurt de cliënt de woning, dan moet hij de verhuurder aanspreken.

pagina 66

een rolstoel met zware lichamelijke beperkingen. Een voorbeeld is een aangepaste keuken.

redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek geen uitzicht op opheffing van de gebreken is, ligt het voorgaande anders.

Het kan zijn dat de standaard aanpassingen voor een individuele bewoner niet voldoende zijn. De extra individuele aanpassingen komen dan voor rekening van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

3.c. Een ADL- woning bevat een aantal standaard aanpassingen, zodat de woning geschikt is voor mensen in een rolstoel met zware lichamelijke beperkingen. Een voorbeeld is een aangepaste keuken.

Bij vervanging geldt hetzelfde onderscheid. Moet een complete aangepaste keuken worden vervangen omdat deze afgeschreven is, dan valt dat onder de ADL- financiering. Moet een individuele aanpassing worden vervangen, dan valt dat onder de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

Het kan zijn dat de standaard aanpassingen voor een individuele bewoner niet voldoende zijn. De extra individuele aanpassingen komen dan voor rekening van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Bij vervanging geldt hetzelfde onderscheid. Moet een complete aangepaste keuken worden vervangen omdat deze afgeschreven is, dan valt dat onder de ADL- financiering. Moet een individuele aanpassing worden vervangen, dan valt dat onder de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

3.e. Het kan zijn dat in een medisch advies nadrukkelijk staat dat de cliënt moet verhuizen naar een woning die voldoet aan de gestelde criteria in het medisch advies. Verzuimt de cliënt dit te doen, dan kan de gemeente een voorziening weigeren. Als voorbeeld: een cliënt vraagt een verhuiskostenvergoeding aan voor een nieuwe woning. De nieuwe woning is via 5 trappen te bereiken, maar de cliënt heeft chronische knieproblemen en is kortademig. Het medisch advies vermeldt dat de woning traploos moet zijn. De cliënt komt dan niet in aanmerking voor een verhuisvergoeding (CRvB 15-07-2015, nr. 14/3154 Wmo).

3.e. Het kan zijn dat in een medisch advies nadrukkelijk staat dat de cliënt moet verhuizen naar een woning die voldoet aan de gestelde criteria in het medisch advies. Verzuimt de cliënt dit te doen, dan kan de gemeente een voorziening weigeren. Als voorbeeld: een cliënt vraagt een verhuiskostenvergoeding aan voor een nieuwe woning. De nieuwe woning is via 5 trappen te bereiken, maar de cliënt heeft chronische knieproblemen en is kortademig. Het medisch advies vermeldt dat de woning traploos moet zijn. De inwoner komt dan niet in aanmerking voor een verhuisvergoeding (CRvB 15-07-2015, nr. 14/3154 Wmo). 3.f Een aanvraag voor een woonvoorziening mag worden afgewezen als de verhuizing niet medisch noodzakelijk is en er naar het oordeel van het college ook geen andere belangrijke reden voor de verhuizing was. Lid 4 Als iemand uitsluitend dakloos is, wordt geen voorziening voor beschermd of beschut wonen verstrekt. pagina 67

Lid 5 Het kan zijn dat een dak- of thuisloze jongere die zich meldt al in een begeleidingstraject zit of dat er een aanbod van een andere organisatie ook passend is. In dat geval wordt geen Jongeren onder Dak traject gestart. Het Jongeren onder Dak traject vindt vaak gelijktijdig met opvang plaats. Het is daarmee meer dan alleen onderdak en begeleiding binnen de opvang. Voor het slagen van dit traject is het daarom van belang dat er geen sprake is zware verslaving en/of psychische problematiek en/of gedragsproblematiek. HOOFDSTUK 4 KWALITEITSEISEN ZORG IN NATURA Artikel 17 Kwaliteitseisen voorzieningen De gemeente is verplicht in de verordening aan te geven welke eisen zij stelt aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen (Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, artikel 2.1.3, tweede lid). De gemeente en aanbieder zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van die voorzieningen. De eis voor een goede kwaliteit van een voorziening biedt de gemeente veel ruimte om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.

Aanpassingen: • Artikelnummer. • Artikel 2.11 uit jeugdwet toegevoegd als ondersteuning waarom de kwaliteitseisen zijn opgenomen voor jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning. • Specificaties toegevoegd voor hulpmiddelen.

Artikel 16 Kwaliteitseisen voorzieningen Diensten: De gemeente is verplicht in de verordening aan te geven welke eisen zij stelt aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen (Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, artikel 2.1.3 tweede lid en jeugdwet artikel 2.11). De gemeente en aanbieder zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van die voorzieningen. De eis voor een goede kwaliteit van een voorziening biedt de gemeente veel ruimte om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. Voorzieningen: Kwaliteitseisen waaraan hulpmiddelen moeten voldoen De verdragen betreffen: - 93/42/EEG (Richtlijn Medische Hulpmiddelen) - 89/336/EEC (Richtlijn voor niet-ingebouwde acculaders voor elektrische rolstoelen/scooters) - 73/23/EEC (Laagspanningsrichtlijn, voor niet-ingebouwde acculaders voor elektrische rolstoelen/scooters)

pagina 68

- 85/364/EEC (Aansprakelijkheidsrichtlijn) - 99/44/EEC (Garantie op consumentenproducten) De wettelijke bepalingen betreffen: - Wet Medische Hulpmiddelen, Opdrachtnemer kan aantonen dat zijn product aan de Essentiële Eisen voldoet - Eisen uit de Verkeerwet 1994 Normen voor hulpmiddelen die genoemd zijn in de Richtlijn Medische Hulpmiddelen betreffen (o.a.): - EN 12183 (Handbewogen rolstoelen) - EN 12184 (Elektrische rolstoelen en scooters) - EN ISO 10535 (patiëntentilliften) − EN 12182 (Hulpmiddelen gehandicapten in het algemeen) Normen voortkomend uit de code VVR betreffen: - ISO 7176-19 (Norm voor botsveilige rolstoelen) - ISO 10542-1 t/m 5 (Normen voor botsveilige vastzetsystemen voor de rolstoel en inzittende, van toepassing als Opdrachtnemer de Eindgebruiker vervoert). Eventuele andere verdragen, wetten en normen die van toepassing zijn op (de verstrekking van) medische hulpmiddelen binnen de Wmo 2015, zijn ook op deze opdracht van toepassing. Artikel 18 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden De gemeente heeft contracten met aanbieders om de voorzieningen voor de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 te laten uitvoeren (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet en artikel 2.6.4, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015).

Bij de verordening zijn regels voor een goede verhouding tussen de kwaliteit en prijs van een voorziening opgesteld (artikel 2.12 van de Jeugdwet en artikel 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015). Daarbij wordt rekening gehouden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden.

Aanpassing: • Artikelnummer. • Lid 1 tussengevoegd. • Iets aangepaste weergave van de toelichting onder lid 2 en 3.

pagina 69

Artikel 17 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden De gemeente heeft contracten met aanbieders om de voorzieningen voor de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 te laten uitvoeren (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet en artikel 2.6.4, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015). Bij de verordening zijn regels voor een goede verhouding tussen de kwaliteit en prijs van een voorziening opgesteld (artikel 2.11 van de Jeugdwet en artikel 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015). Daarbij wordt rekening gehouden met de

deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden.

Om te voorkomen dat de laagste prijs voor de uitvoering leidend is, vermeldt het artikel een aantal andere aspecten waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van de reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden om de voorziening te leveren. Hiervoor is een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen.

Om te voorkomen dat de laagste prijs voor de uitvoering leidend is, vermeldt het artikel een aantal andere aspecten waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van de reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden om de voorziening te leveren. Hiervoor is een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen.

Artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 bepaalt aan welke eisen ten minste moet worden voldaan om een goede prijs-kwaliteitverhouding te borgen.

Artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 bepaalt aan welke eisen ten minste moet worden voldaan om een goede prijs-kwaliteitverhouding te borgen.

Eerste lid In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4. van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, of een vaste prijs vaststelt of een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs.

Lid 1 Het college houdt bij de vaststelling van de tarieven rekening met de in dit artikel genoemde elementen. Lid 2 In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4. van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015: • •

Tweede lid Bij het vaststellen van de prijs dient het college rekening te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, als bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning

een vaste prijs vaststelt of een reële prijs vaststelt - die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of - die geldt als ondergrens voor de vaste prijs.

Als het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Als het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs. pagina 70

2015, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. Derde lid Het college moet de vaste prijs of de reële prijs minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen.

Lid 3 Bij het vaststellen van de prijs dient het college rekening te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, als bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. Lid 4 Het college moet de vaste prijs of de reële prijs minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen. HOOFDSTUK 5 PERSOONSGEBONDEN BUDGET (PGB)

Artikel 10 Criteria voor een persoonsgebonden budget Het eerste lid geeft aan op welke manier de hoogte van het persoonsgebonden budget wordt bepaald. De gemeente heeft voorzieningen ingekocht. De hoogte van het budget bedraagt niet meer dan de kostprijs voor de goedkoopste adequate voorziening in natura. Toereikend voor de aanschaf betekent dat de hoogte van het persoonsgebonden budget dusdanig is dat de cliënt ermee de vastgestelde ondersteuning daadwerkelijk kan inkopen.

Artikel is aangepast op de volgende onderdelen: • Integraal verwerkt in artikel 18 en 19.

Uit de Memorie van Toelichting bij de Wmo 2015 blijkt dat er verschillende tarieven gehanteerd mogen worden voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Dit artikel bevat regels voor de wijze van berekening van de hoogte van de bedragen voor pgb’s voor maatwerkvoorzieningen en individuele voorzieningen. In dit artikel wordt voor de verschillende vormen van zorg en ondersteuning onderscheid gemaakt in pgb-tarief voor professionals (hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden) en het tarief voor personen uit het sociaal netwerk, waarbij gedacht kan worden aan zorg van mantelzorgers. pagina 71

De tariefdifferentiatie wordt in dit artikel vastgelegd. Bij een pgb voor een professionele ZZP-er wordt uitgegaan van 80% van het laagst toepasselijke tarief dat voor een dergelijke dienst wordt gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder, aangezien rekening wordt gehouden met 20% overhead bij zorgaanbieders. In onderhavig artikel zijn tevens de voorwaarden betreffende het tarief opgenomen waaronder dat maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp in de vorm van een pgb kan worden betrokken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk. Deze persoon uit het sociale netwerk dient een tarief te hanteren dat gelijk is aan het wettelijk minimumloon gekoppeld aan diens leeftijd oplopend tot maximaal 200% van het wettelijk minimumloon. Voor hulp bij het huishouden geldt een tarief dat gelijk is aan 120% van het wettelijk minimumloon. In dit artikel worden ook de voorwaarden gesteld om in aanmerking te komen voor een pgb voor jeugdhulp en specifiek de voorwaarden wanneer jeugdhulp kan worden geleverd door een persoon die behoort tot het sociaal netwerk. Het college is namelijk van mening dat de gewenste jeugdhulp van goede kwaliteit moet zijn. Ook als deze geleverd wordt door een persoon die behoord tot het sociaal netwerk.

Professionele aanbieders van jeugdhulp (jeugdhulpaanbieders, dit kunnen ook ZZP-ers zijn) mogen alleen jeugdhulp verlenen als ze voldoen aan de kwaliteitseisen die genoemd staan in de Jeugdwet. De hulpverlener moet bijvoorbeeld geregistreerd staan in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ-registratie) of het BIG-register. Informele hulpverleners hoeven niet te voldoen aan de kwaliteitseisen uit de Jeugdwet. De verklaring omtrent gedrag zal door hulpverleners uit het sociale netwerk overlegd moeten worden. De kosten hiervan pagina 72

zijn voor rekening van de hulpverlener. Het overleggen van een verklaring omtrent gedrag is niet noodzakelijk voor eersteof tweedegraadsfamilieleden. NIEUW ARTIKEL

Artikel 18 Aanvraag pgb en pgb-plan Als een cliënt in aanmerking wil komen voor een pgb, moet hij een pgb-plan opstellen. In lid 3 van deze bepaling is aangegeven welke onderdelen in ieder geval opgenomen zijn in dat plan. Bijna alle onderdelen staan in de wet. In de Jeugdwet noemt in artikel 8.1.1 en de Wmo 2015 in artikel 2.3.6 staat namelijk een aantal criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze criteria komen terug in het pgb-plan en het college kan op deze manier toetsen of aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan.

NIEUW ARTIKEL

Artikel 19 Beoordeling pgb-aanvraag Lid 2 d Als er sprake is van aantoonbare fraude in de afgelopen vier jaar voorafgaand aan de aanvraag, wordt er geen pgb verstrekt. Lid 2 e Als de zorgverlener ook de regie op de zorg en/of het beheer van het budget uitvoert, komt “de redelijke waardering van belangen voor de budgethouder” mogelijk in het gedrang: de zorgverlener stuurt zichzelf aan en controleert zichzelf. Lid 2 f In spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin terstond opvang noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, beslist het college na een melding als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2 en de aanvraag van de cliënt. Lid 2 g Het pgb-plan wordt met cliënt besproken. Als de cliënt een bespreking weigert, kan het zijn dat het college onvoldoende informatie heeft om te beoordelen of de cliënt voldoende vaardig is om het pgb te beheren.

pagina 73

Lid 3 en 4 In zowel Wmo2015 (2.3.6 lid 2) als de Jeugdwet (8.1.1 lid 2) staat dat het vaststellen van voldoende pgb vaardigheid gaat over de waardering van zijn belangen: kan de budgethouder (en/of met een vertegenwoordiger) voldoende zelfstandig beslissingen nemen over de ondersteuning en de financiering daarvan. In de regeling wordt nader uitgewerkt welke vaardigheden getoetst wordt en op welke manier. Mocht de gemeente van oordeel zijn dat de persoon niet in staat is om de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren dan kan de gemeente een aanvraag voor het pgb weigeren. Het gaat dan bijvoorbeeld om het kunnen voeren van een deugdelijke administratie. Lid 4 Er wordt verwezen naar de regeling waarin de pgb-vaardigheden verder zijn uitgewerkt met daarbij ook een toelichting op de manier waarop deze vervolgens worden getoetst. NIEUW ARTIKEL

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=e81d9a48-4221-4929-a240-f34529009ada