CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

Was-wordt Verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Gouda 2023

Raadsvergadering 13 december 2023, gemeente GoudaBij agendapunt: Verordening Maatschappelijke ondersteuning Jeugdhulp 202332.484 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Artikel 20 Voorwaarden inkopen ondersteuning uit sociaal netwerk Lid 1 In het eerste lid worden de voorwaarden gesteld om in aanmerking te komen voor een pgb voor jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning welke geleverd wordt door een persoon die behoort tot het sociaal netwerk. Het college is namelijk van mening dat de gewenste ondersteuning van goede kwaliteit moet zijn. Ook als deze geleverd wordt door een persoon uit het sociaal netwerk. Lid 2 Uit artikel 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet volgt dat bij verordening kan worden bepaald onder welke voorwaarden de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Dit lid geeft aan dat de jeugdhulp ook door een persoon

pagina 74

behorend tot het sociaal netwerk kan worden gedaan en geeft daar voorwaarden aan. De jeugdhulp die gericht is op ggz-behandeling is uitgesloten. Dat betekent dat deze vorm van jeugdhulp niet door personen binnen het sociaal netwerk kan worden geboden. De reden hiervoor is dat de objectiviteit die noodzakelijk is voor een dergelijke vorm van jeugdhulp niet gegarandeerd is en daarmee de jeugdhulp niet voldoet aan de kwaliteitseisen. NIEUW ARTIKEL

Artikel 21 Hoogte van een pgb In de verordening moet in ieder geval worden bepaald hoe de hoogte van een pgb wordt vastgesteld (artikel 2.9 onderdeel c van de Jeugdwet, 2.1.3 en Wet maatschappelijke ondersteuning 2015). Het bedrag moet hoog genoeg zijn om de benodigde hulp in te kunnen kopen. Ook als de hulp uit het sociale netwerk komt. Uit de Memorie van Toelichting bij de Wmo 2015 blijkt dat er verschillende tarieven gehanteerd mogen worden voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Dit artikel bevat regels voor hoe de hoogte van de bedragen voor pgb’s voor maatwerkvoorzieningen en individuele voorzieningen wordt bepaald. In dit artikel wordt voor de verschillende vormen van zorg en ondersteuning onderscheid gemaakt in pgb-tarief voor professionals (hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden) en het tarief voor personen uit het sociaal netwerk, waarbij gedacht kan worden aan zorg van mantelzorgers. Lid 1 Het eerste lid betreft de huurprijs over een periode van de economische afschrijftermijn (7 jaar).

Lid 2 pagina 75

Het tweede lid geeft aan op welke manier de hoogte van het persoonsgebonden budget wordt bepaald. De gemeente heeft voorzieningen ingekocht. De hoogte van het budget bedraagt niet meer dan de kostprijs voor de goedkoopste adequate voorziening in natura. Toereikend voor de aanschaf betekent dat de hoogte van het persoonsgebonden budget dusdanig is dat de cliënt ermee de vastgestelde ondersteuning daadwerkelijk kan inkopen, zoals beschreven in het pgb-plan. Lid 3 De tariefdifferentiatie wordt in dit artikel vastgelegd. Bij een pgb voor een professionele ZZP-er wordt uitgegaan van 80% van het laagst toepasselijke tarief dat voor een dergelijke dienst wordt gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder, aangezien rekening wordt gehouden met 20% overhead bij zorgaanbieders. Lid 4 Bij het inzetten van een pgb binnen het sociale netwerk, kan sprake zijn van een arbeidsovereenkomst, zorgovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. Voor beide type overeenkomsten geldt sinds 1 januari 2018 de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). In deze bepaling zijn de voorwaarden betreffende het tarief opgenomen waaronder dat maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp in de vorm van een pgb kan worden betrokken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk.

Deze persoon uit het sociale netwerk moet een tarief hanteren dat gelijk is aan het wettelijk minimumloon gekoppeld aan diens leeftijd oplopend tot maximaal 200% van het wettelijk minimumloon. Voor hulp bij het huishouden geldt een tarief dat gelijk is aan 120% van het wettelijk minimumloon. De cliënt kan daarmee altijd aan diens arbeidsrechtelijke verplichtingen voldoen. Het pgb kan ook ingezet worden voor ondersteuning door personen uit de huiselijke kring of andere personen die niet voldoen aan de kwaliteitseisen voor formele ondersteuning, bijvoorbeeld met gebruikmaking van de Regeling dienstverlening aan huis als de cliënt de hulp bij het huishouden pagina 76

zelf wil regelen. De cliënt moet daarvoor wel aan de pgbvoorwaarden voldoen. Als het college een pgb niet wil toekennen vanwege het risico op overbelasting van de persoon die de ondersteuning biedt, moet het college wel aannemelijk maken dat deze persoon daadwerkelijk overbelast zal worden als hij de hulp gaat verlenen. Het is aan het college om het causaal verband aannemelijk te maken; dat wil zeggen dat het voldoende onderbouwd moet zijn dat het inzetten van pgb daadwerkelijk tot overbelasting leidt.

Artikel 15 Opschorting betaling uit het pgb

Aanpassing: • Artikelnummer.

Middels opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking. Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de SVB te verzoeken over te gaan tot opschorting aan de verordening toegevoegd. Het college kan een verzoek enkel doen als een ernstig vermoeden is gerezen dat (conform artikel 8.1.4 van de Jeugdwet en artikel 2.3.10 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015):

Artikel 22 Opschorting betaling uit het pgb Door opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking. Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de SVB te verzoeken over te gaan tot opschorting aan de verordening toegevoegd. Het college kan een verzoek enkel doen bij een ernstig vermoeden dat (conform artikel 8.1.4 van de Jeugdwet en artikel 2.3.10 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015): 1. de cliënt, de jeugdige of diens ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; 2. de cliënt, de jeugdige of diens ouders niet voldoen aan de voorwaarden van het pgb, of; 3. de cliënt, de jeugdige of diens ouders het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is.

1. de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; 2. de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van het pgb, of; 3. de jeugdige of zijn ouders het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is.

Van de onder punt 2 genoemde omstandigheid is ook sprake als de cliënt, de jeugdige of diens ouders: • niet langer op eigen kracht, dan wel met hulp uit het sociale netwerk of van een vertegenwoordiger, de aan

Van de onder 2 genoemde omstandigheid is ook sprake als de jeugdige of diens ouders niet langer voldoende in staat zijn op eigen kracht, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van een vertegenwoordiger, de aan een pgb verbonden taken op pagina 77

verantwoorde wijze uit te voeren, en als niet langer is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.

•

Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en – met inachtneming van de daarvoor geldende regels – de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting.

Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en rekening houdend met de daarvoor geldende regels de SVB voldoende informatie geven op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming over opschorting.

Verder kan er voor ten hoogste 13 weken worden opgeschort. Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56 van de Algemene wet bestuursrecht en onder de Wet langdurige zorg.

Verder kan voor ten hoogste 13 weken worden opgeschort. Dit sluit aan bij de termijn in artikel 4:56 van de Algemene wet bestuursrecht en onder de Wet langdurige zorg. Op grond van het tweede lid kan het college de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 24, tweede lid, onder f, van de verordening. Deze bepaling is toegevoegd, omdat het voor kan komen dat de cliënt of een jeugdige tijdelijk geen gebruik van een individuele voorziening of pgb kan maken door (tijdelijke) opname in een instelling. In dat geval kan het praktischer zijn de individuele voorziening of het pgb tijdelijk op te schorten. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van dit verzoek. Zie artikel 6:3 van de Awb: voorbereiding op eventueel intrekken of herzien.

Op grond van het tweede lid kan het college de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 12, tweede lid, onder f, van de verordening. Deze bepaling is toegevoegd, omdat het voor kan komen dat een jeugdige tijdelijk geen gebruik van een individuele voorziening of pgb kan maken door (tijdelijke) opname in een instelling. In dat geval kan het praktischer zijn de individuele voorziening of het pgb tijdelijk op te schorten. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van dit verzoek. Zie artikel 6:3 van de Awb: voorbereiding op eventueel intrekken of herzien.

Artikel 16 Bijdrage in de kosten voor maatschappelijke ondersteuning De gemeente Gouda kiest ervoor om een eigen bijdrage te heffen voor maatwerkvoorzieningen en pgb’s. Hiervoor geldt het abonnementstarief van in totaal maximaal € 19,00 per

een pgb verbonden taken op een verantwoorde manier uit kunnen voeren èn niet langer is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.

Aanpassingen • Artikelnummer. • Toevoeging bijdrage in de kosten voor beschermd wonen, maatschappelijke pagina 78

HOOFDSTUK 6 BIJDRAGE IN DE KOSTEN VOOR MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING Artikel 23 Bijdrage in de kosten voor maatschappelijke ondersteuning Lid 1 De gemeente Gouda kiest ervoor om een eigen bijdrage te heffen voor maatwerkvoorzieningen en pgb’s in het kader van de

maand (per 1 januari 2020). Het CAK stelt de eigen bijdrage vast en int deze bij de cliënt.

opvang en vrouwenopvang.

Er wordt geen eigen bijdrage gevraagd voor een woonvoorziening voor een minderjarige cliënt, omdat Gouda ervoor kiest de Jeugdwet te volgen; in de Jeugdwet is bepaald dat er geen eigen bijdrage wordt gevraagd voor voorzieningen aan minderjarigen.

wet maatschappelijke ondersteuning. Hiervoor geldt het abonnementstarief van in totaal maximaal € 19,00 per maand (per 1 januari 2020). Het CAK stelt de eigen bijdrage vast en int deze bij de cliënt.

Voor financiële tegemoetkomingen wordt geen eigen bijdrage gevraagd, omdat hier sprake is van een verstrekking in de vorm van geld.

Lid 2 Er wordt geen eigen bijdrage gevraagd voor een woonvoorziening voor een minderjarige cliënt, omdat Gouda ervoor kiest de Jeugdwet te volgen; in de Jeugdwet is bepaald dat er geen eigen bijdrage wordt gevraagd voor voorzieningen aan minderjarigen.

Gebruikers van het collectief vervoer betalen een bijdrage aan de vervoerder. Om deze reden wordt collectief vervoer uitgezonderd van de eigen bijdrage.

Voor financiële tegemoetkomingen wordt geen eigen bijdrage gevraagd, omdat hier sprake is van een verstrekking in de vorm van geld. Gebruikers van het collectief vervoer betalen een bijdrage aan de vervoerder. Om deze reden wordt collectief vervoer uitgezonderd van de eigen bijdrage. Artikel 24 Bijdrage in de kosten voor beschermd wonen en opvang Lid 2 De hoogte van de bijdrage in de kosten voor opvang wordt vastgesteld op grond van artikel 3.20, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en is zodanig dat de cliënt na het betalen van de bijdrage, een bedrag overhoudt dat gelijk is aan het zak- en kleedgeld zoals genoemd in artikel 23 van de Participatiewet, vermeerderd met de standaardpremie, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de zorgtoeslag en gecorrigeerd met de zorgtoeslag. HOOFDSTUK 7 WIJZIGINGEN

Artikel 12 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

Aanpassingen: • Artikelnummer. pagina 79

Artikel 25 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

De gemeente heeft geld om kwetsbare inwoners de zorg of ondersteuning te geven die zij nodig hebben. Het spreekt voor zich dat de gemeente wil voorkomen dat cliënten een voorziening ten onrechte ontvangen, of dat er sprake is van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet. Het is de verantwoordelijkheid van de gemeente om misbruik te voorkomen en hiertegen op te treden.

•

Er is een extra toelichting geplaatst bij lid 4, waarom de bepaling is opgenomen en in welke situatie dit wordt toegepast.

De gemeente heeft geld om kwetsbare inwoners de zorg of ondersteuning te geven die zij nodig hebben. De gemeente wil voorkomen dat cliënten een voorziening ten onrechte ontvangen, of dat er sprake is van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet. Het is de verantwoordelijkheid van de gemeente om misbruik te voorkomen en hiertegen op te treden. Lid 1 In de Jeugdwet (artikel 8.1.2, eerste lid) staat dat de jeugdige of diens ouders de gemeente alle informatie verstrekken die van belang kan zijn voor het verlenen van een persoonsgebonden budget of voorzieningen in natura. Ook in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (artikel 2.3.8) staat dat inwoners een informatieplicht hebben, voor zowel het persoonsgebonden budget als voor een voorziening in natura. Het college heeft voldoende informatie nodig om te beoordelen of terecht een beroep op de voorziening wordt of is gedaan. De praktijk wijst uit dat een cliënt soms, bijvoorbeeld vanwege zijn beperking, niet altijd in staat is zelf te beoordelen of er zich omstandigheden voorgedaan hebben die van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening. In die gevallen ziet artikel 13 erop toe dat periodiek het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s op rechtmatigheid beoordeeld worden.

1. De Jeugdwet (artikel 8.1.2, eerste lid) vermeldt dat de jeugdige of zijn ouders de gemeente alle informatie verstrekt die van belang kan zijn voor het verlenen van een persoonsgebonden budget. Dit geldt ook voor voorzieningen in natura. Ook de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (artikel 2.3.8) kent een informatieplicht, voor zowel het persoonsgebonden budget als voor een voorziening in natura. Ook bij jeugdhulp of voorzieningen in natura moeten voldoende gegevens en inlichtingen worden verstrekt om het college in staat te stellen te beoordelen of terecht een beroep op de voorziening wordt of is gedaan. De praktijk wijst uit dat een cliënt soms, bijvoorbeeld vanwege zijn beperking, niet altijd in staat is zelf te beoordelen of er zich omstandigheden voorgedaan hebben die van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening. In die gevallen ziet artikel 13 er op toe dat periodiek het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s op rechtmatigheid beoordeeld worden.

Lid 2 In sommige gevallen kan de gemeente een besluit intrekken of herzien. Het gaat hier om een 'kan'-bepaling. De gemeente is niet verplicht gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot herziening of intrekking.

2. In sommige gevallen kan de gemeente een besluit intrekken of herzien. Het gaat hier om een 'kan'-bepaling. De gemeente is niet verplicht gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot herziening of intrekking.

Onderdeel f betreft een uitbreiding ten opzichte van de Jeugdwet (artikel 8.1.4, eerste lid), zowel wat betreft individuele voorzieningen (in natura) als pgb. Op grond hiervan kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening of pgb herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat de cliënt langer dan 6 weken verblijft in een instelling als bedoeld in

Onderdeel f betreft een uitbreiding ten opzichte van de Jeugdwet (artikel 8.1.4, eerste lid), zowel wat betreft individuele voorzieningen (in natura) als pgb. Op grond hiervan kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening of pgb herzien dan wel intrekken als pagina 80

het college vaststelt dat de cliënt langer dan 6 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. Deze bepaling is toegevoegd naar analogie van artikel 5.20, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling langdurige zorg op basis waarvan het zorgkantoor de verleningsbeschikking kan wijzigen of intrekken, als de verzekerde langer dan – in dat geval – 2 maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de wet of de Zorgverzekeringswet.

de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. Deze bepaling is toegevoegd naar analogie van artikel 5.20, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling langdurige zorg op basis waarvan het zorgkantoor de verleningsbeschikking kan wijzigen of intrekken, als de verzekerde langer dan – in dat geval – 2 maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de wet of de Zorgverzekeringswet. Lid 3 Intrekking of herziening van een voorziening kan plaatsvinden vanwege de conclusie dat ten onrechte of teveel hulp is verleend. Dit artikel regelt dat de gemeente dan bevoegd is de geldwaarde terug te vorderen van de teveel of ten onrechte genoten voorziening in natura of verstrekt persoonsgebonden budget.

3. Intrekking of herziening van een voorziening kan plaatsvinden vanwege de conclusie dat ten onrechte of teveel hulp is verleend. Dit artikel regelt dat de gemeente dan bevoegd is de geldwaarde terug te vorderen van de teveel of ten onrechte genoten voorziening in natura of verstrekt persoonsgebonden budget.

Lid 4 Het vierde lid is eveneens een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen 6 maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Van een cliënt wordt verwacht dat ze binnen zes maanden hun indicatie ‘verzilveren’ door zich te melden bij de zorgpaanbieder. Of, als het bijvoorbeeld gaat om hulp uit het sociale netwerk, het pgb binnen zes maanden gaan inzetten voor de aangewezen jeugdhulp. Dit om te voorkomen dat een indicatie veroudert en de situatie op termijn dusdanig is gewijzigd, dat eigenlijk een nieuwe indicatie nodig is. Voldoen cliënten niet aan deze voorwaarde, dan kan dat een grond opleveren om de aanspraak op de individuele- of maatschappelijke voorziening in te trekken.

Het vierde lid is eveneens een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen 6 maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken.

HOOFDSTUK 8 TOEZICHT EN HANDHAVING Artikel 13 Onderzoek naar de kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s Op grond van artikel 2.3.9 van de Wmo 2015 moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een besluit tot

Aangepast: Artikelnummer

pagina 81

Artikel 26 Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s Op grond van artikel 2.3.9 van de Wmo 2015 moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een besluit tot

verstrekking van een maatwerkvoorziening of toekenning van een pgb te heroverwegen. Soms bestaat er echter twijfel over de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van geleverde ondersteuning. Het onderzoek in het kader van artikel 2.3.9 biedt hiervoor onvoldoende houvast, om welke reden artikel 13 is opgenomen. Op grond van deze bepaling moet het college in aanvulling op het onderzoek overeenkomstig artikel 2.3.9 ook periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, onderzoeken of de verstrekte maatwerkvoorzieningen in natura en pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed, ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt, of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een cliënt of pgb-houder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de cliënt, bezoek aan de locatie waar de cliënt ondersteuning krijgt en gesprekken met de aanbieder. Artikel 14 Aanwijzen toezichthouder jeugd Anders dan in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, ontbreekt in de Jeugdwet een bepaling inzake het aanwijzen van een toezichthouder.

Om die reden is in dit artikel geregeld dat het college personen kan aanwijzen die belast zijn met toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet.

verstrekking van een maatwerkvoorziening of toekenning van een pgb te heroverwegen. Alleen bestaat er soms twijfel over de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van geleverde ondersteuning. Het onderzoek in het kader van artikel 2.3.9 biedt hiervoor onvoldoende houvast. Op grond van dit artikel moet het college in aanvulling op het onderzoek overeenkomstig artikel 2.3.9 ook periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, onderzoeken of de verstrekte maatwerkvoorzieningen in natura en pgb’s worden ingezet voor het doel waarvoor ze zijn verstrekt, of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is. Een onderzoek kan gaan over een cliënt of pgb-houder en over de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de cliënt, bezoek aan de locatie waar de cliënt ondersteuning krijgt en gesprekken met de aanbieder.

Aangepast: • Artikelnummer. • Er is een toevoeging gedaan, omdat er in de verordening een bepaling is opgenomen dat het college voor de Wmo een persoon kan aanwijzen die belast is met het toezicht.

Artikel 27 Aanwijzen toezichthouder Anders dan in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, ontbreekt in de Jeugdwet een bepaling inzake het aanwijzen van een toezichthouder. Om die reden is in dit artikel geregeld dat het college personen kan aanwijzen die belast zijn met toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet. Voor de volledigheid is opgenomen dat het college ook een toezichthouder kan aanwijzen die belast zijn met toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. HOOFDSTUK 9 WAARDERING MANTELZORGERS

Artikel 19 Jaarlijkse waardering mantelzorgers Blijkens artikel 2.1.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 wordt bij verordening bepaald op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van

Aanpassingen: • Artikelnummer. • Toelichting verwijderd over de stadspas. Deze pagina 82

Artikel 28 Jaarlijkse waardering mantelzorgers Volgens artikel 2.1.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 wordt in de verordening bepaald op welke manier het college zorgt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.

waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.

bepaling is uit de verordening.

De wet stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. De gemeente Gouda kijkt bij deze verplichting breder: het gaat niet om waar de mantelzorger woont, maar of deze zorg wordt verleend aan iemand in de gemeente Gouda.

Mantelzorgers betrokken bij Goudse inwoners kunnen zich laten registreren als mantelzorger bij Mantelzorg Centraal Gouda. Deze registratie is nodig om de jaarlijkse blijk van waardering te krijgen.

De jaarlijkse blijk van waardering bestaat uit drie onderdelen. Ten eerste de persoonsgebonden stadspas. Een mantelzorger krijgt deze pas cadeau. Ten tweede de bijeenkomsten voor mantelzorgers. Hierbij kan gedacht worden aan de jaarlijkse dag van de Mantelzorg, een respijtdag en bijeenkomsten over thema’s die mantelzorgers bezighouden. Ten derde het bieden van praktische ondersteuning, zoals in ieder geval hulp bij het huishouden voor mantelzorgers voor maximaal 78 uur per kalenderjaar. Indien de mantelzorger hiervan gebruik wil maken, kan dit via een daartoe bestemd formulier kenbaar worden gemaakt en wordt de hulp bij het huishouden ambtshalve toegekend.

Artikel 20 Klachtregeling bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Het is mogelijk een klacht in te dienen over een aanbieder. Aanbieders van maatwerkvoorzieningen moeten beschikken over een klachtregeling (artikel 3.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015). De aanbieder is verantwoordelijk om de cliënt te informeren over het bestaan van de klachtenregeling. In de contracten stelt de gemeente eisen aan de aanbieder om de klachtenregeling goed te laten functioneren.

De wet stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Maar de gemeente Gouda kijkt bij deze verplichting breder: het gaat niet om waar de mantelzorger woont, maar of deze zorg wordt verleend aan iemand in de gemeente Gouda.

De jaarlijkse blijk van waardering bestaat uit: 1) een jaarlijkse attentie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een waardebon te besteden bij Goudse ondernemers. 2) bijeenkomsten voor mantelzorgers. Hierbij kan gedacht worden aan de jaarlijkse dag van de Mantelzorg, een respijtdag en bijeenkomsten over thema’s die mantelzorgers bezighouden. 3) praktische ondersteuning, zoals in ieder geval hulp bij het huishouden voor mantelzorgers voor maximaal 78 uur per kalenderjaar tegen een verlaagd tarief. Als de mantelzorger hiervan gebruik wil maken, kan dit via een formulier worden doorgegeven en wordt het door de gemeente toegekend.

Geen wijzigingen doorgevoerd.

pagina 83

HOOFDSTUK 10 KLACHTEN EN MEDEZEGGENSCHAP BIJ AANBIEDERS VAN MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING EN JEUGDHULP Artikel 29 Klachtregeling bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Cliënten kunnen een klacht indienen over een aanbieder. Aanbieders van maatwerkvoorzieningen moeten beschikken over een klachtregeling (artikel 3.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015). De aanbieder is verantwoordelijk om de cliënt te informeren over het bestaan van de klachtenregeling. In de contracten stelt de gemeente eisen aan de aanbieder om de klachtenregeling goed te laten functioneren.

Cliënten moeten een klacht kunnen indienen wanneer zij zich onheus bejegend voelen. Ontevredenheid over het gedrag van een aanbieder kan gaan over de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder). Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van een klacht open.

Cliënten moeten een klacht kunnen indienen wanneer zij zich onheus bejegend voelen. Ontevredenheid over het gedrag van een aanbieder kan gaan over de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder). Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van een klacht open. De invulling van de klachtenregeling is aan de aanbieder. De gemeenteraad kan, zoals benoemd in de verordening, alleen bepalen ten aanzien van welke voorzieningen hij een klachtregeling of een regeling voor medezeggenschap vereist vindt. Vervolgens zijn aanbieders die dergelijke voorzieningen leveren direct verantwoordelijk voor het inrichten van deze regelingen voor hun cliënten. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, als het niveau van een vorm van maatschappelijke ondersteuning dit vereist, nadere eisen aan de aanbieders van voorzieningen worden gesteld.

De invulling van de klachtenregeling is aan de aanbieder. De gemeenteraad kan, zoals benoemd in de verordening, alleen bepalen ten aanzien van welke voorzieningen hij een klachtregeling of een regeling voor medezeggenschap vereist vindt. Vervolgens zijn aanbieders die dergelijke voorzieningen leveren direct verantwoordelijk voor het inrichten van deze regelingen voor hun cliënten. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, indien het niveau van een vorm van maatschappelijke ondersteuning dit vereist, nadere eisen aan de aanbieders van voorzieningen worden gesteld.

Voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen is het klachtrecht geregeld in de Jeugdwet.

Voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen is het klachtrecht geregeld in de Jeugdwet.

De cliënt kan ook ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de manier waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. De klacht kan de cliënt bij de gemeente indienen. In de Algemene wet bestuursrecht (hoofdstuk 9) is de klachtbehandeling door een bestuursorgaan geregeld. Deze wet bepaalt onder meer dat het bestuursorgaan (het college van burgemeester en wethouders van Gouda) een klacht binnen 6 weken na ontvangst afhandelt. Eventueel kan deze termijn met maximaal vier weken worden verlengd.

De cliënt kan ook ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. De klacht kan de cliënt bij de gemeente indienen. In de Algemene wet bestuursrecht (hoofdstuk 9) is de klachtbehandeling door een bestuursorgaan geregeld. Deze wet bepaalt onder meer dat het bestuursorgaan (het college van burgemeester en wethouders van Gouda) een klacht binnen 6 weken na ontvangst afhandelt. Eventueel kan deze termijn met maximaal vier weken worden verlengd. pagina 84

Artikel 21 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp De Wet maatschappelijk ondersteuning 2015 (artikel 2.1.3, tweede lid, onder e) bepaalt dat in de verordening moet staan voor welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten aanwezig is, die zo kunnen meepraten over de voorgenomen besluiten van de aanbieder. Het gaat hier om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. De aanbieder is verplicht voor de genoemde voorziening een medezeggenschapsregeling op te stellen (Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, artikel 3.2, eerste lid, onder b).

Aanpassing: • Artikelnummer

Artikel 30 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp De Wet maatschappelijk ondersteuning 2015 (artikel 2.1.3, tweede lid, onder e) bepaalt dat in de verordening moet staan voor welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten aanwezig is, die zo kunnen meepraten over de voorgenomen besluiten van de aanbieder. Het gaat hier om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. De aanbieder is verplicht voor de genoemde voorziening een medezeggenschapsregeling op te stellen (Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, artikel 3.2, eerste lid, onder b). Voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen is de medezeggenschap geregeld in de Jeugdwet.

Voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen is de medezeggenschap geregeld in de Jeugdwet.

HOOFDSTUK 11 SLOTBEPALINGEN Artikel 23 Overgangsrecht In het eerste lid is bepaald dat besluiten die berusten op de in te trekken verordening, voortaan berusten op de nieuwe verordening.

Aanpassing: • Artikelnummer.

Artikel 32 Overgangsrecht In het eerste lid is bepaald dat besluiten die berusten op de in te trekken verordening, voortaan berusten op de nieuwe verordening.

In het tweede lid is bepaald dat op aanvragen ingediend vóór de inwerkingtreding van deze verordening wordt beslist met inachtneming van de bepalingen van deze verordening.

In het tweede lid is bepaald dat op aanvragen ingediend vóór de inwerkingtreding van deze verordening wordt beslist met inachtneming van de bepalingen van deze verordening.

In het derde lid is voor lopende bezwaar –en beroepschriften bepaald dat deze volgens de nieuwe verordening worden afgedaan.

In het derde lid is voor lopende bezwaar- en beroepschriften bepaald dat deze volgens de nieuwe verordening worden afgedaan.

pagina 85

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=e81d9a48-4221-4929-a240-f34529009ada