Was-wordt Verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Gouda 2023
Tekst van het document
Een pgb voor maatschappelijke ondersteuning wordt verstrekt als wordt voldaan aan de eisen zoals opgenomen in artikel 2.3.6, tweede lid, van de Wmo 2015. Het gaat om de volgende eisen: a. een inwoner is naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn
Huidige artikelen Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2020
Aanpassingen, vragen en opmerkingen
Voorstel artikelen Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2023 vertegenwoordiger, in staat de aan een pgb verbonden taken op een verantwoorde manier uit te voeren; b. een jeugdige zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als pgb geleverd wenst te krijgen; en c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de ondersteuning veilig, doeltreffend en cliëntgericht is. 5. Het college kan nadere regels stellen over de invulling van dit artikel.
NIEUW ARTIKEL
Artikel 20 Voorwaarden inkopen ondersteuning uit sociaal netwerk 1. Een pgb voor jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning kan alleen uitgevoerd worden door een persoon die behoort tot het sociale netwerk (informele ondersteuning) als gemotiveerd kan worden dat de inzet van het sociale netwerk tot minimaal gelijkwaardig of aantoonbaar betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. 2. Op grond van voornoemd kader kan een pgb voor jeugdhulp worden verstrekt in de volgende situaties: a. de ondersteuning vooraf niet goed in te plannen is; b. op ongebruikelijke momenten geboden dient te worden; c. op veel korte momenten per dag nodig is; d. op verschillende locaties geleverd dient te worden; of e. 24 uur per dag en op afroep beschikbaar moet zijn; f. het leidt bij aangeboden jeugdhulp niet tot voor de jeugdige onveilige situaties; en g. de aangeboden jeugdhulp is geen GGZ-zorg, spoedeisende jeugdhulp of pleegzorg.
Opmerkingen: Voor de verankering van de voorwaarden voor het inkopen van ondersteuning uit het sociaal netwerk voor pgb, zijn uit de huidige Verordening Artikel 10 lid 4, 5 en 6 verder uitgewerkt in Artikel 20 van de Verordening 2023.
pagina 24
Huidige artikelen Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2020
Aanpassingen, vragen en opmerkingen
NIEUW ARTIKEL
Opmerking: Voor de verankering van de kaders waarbinnen de hoogte van pgb’s worden vastgesteld, zijn uit de huidige Verordening Artikel 10 lid 1, 2 en 3 verder uitgewerkt in Artikel 21 van de Verordening 2023.
pagina 25
Voorstel artikelen Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2023 3. Indien nodig kan door het college ter uitvoering van het eerste en tweede lid, advies gevraagd worden aan een (externe) deskundige. 4. Het college kan nadere regels opstellen over de invulling van dit artikel. Artikel 21 Hoogte van een pgb 1. De hoogte van een pgb: a. wordt bepaald aan de hand van het pgb-plan in combinatie met het persoonlijk gesprek met de cliënt; b. is gebaseerd op de frequentie, de kwaliteit en professionaliteit van de in te zetten vorm van ondersteuning. Er wordt rekening houden met een verschil tussen formele en informele ondersteuning; c. is niet meer dan de kostprijs van de in de desbetreffende situatie goedkoopst en meest adequate en passende voorziening in natura; d. is toereikend voor de inkoop of aanschaf van veilige, doeltreffende en kwalitatief goede voorzieningen en wordt als nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; e. is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten zoals salaris, vervanging tijdens vakantie en verzekeringen. 2. De hoogte van een pgb door zorgorganisaties en ZZP-ers wordt het tarief als volgt vastgesteld: a. 100% van het laagst toepasselijke tarief dat voor dergelijke dienst zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder als de dienst wordt uitgevoerd door een zorgorganisatie; b.
80% van het laagst toepasselijke tarief dat voor dergelijke dienst wordt gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder als de dienst wordt uitgevoerd door een ZZP-er. 3. De hoogte van een pgb voor voorzieningen die worden uitgevoerd door een persoon die behoort tot het sociale netwerk wordt vastgesteld op basis van de volgende uitgangspunten:
Huidige artikelen Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2020
Aanpassingen, vragen en opmerkingen
Voorstel artikelen Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2023 a. deze persoon hanteert een tarief dat gelijk is aan het wettelijk minimumloon gekoppeld aan diens leeftijd op voorwaarde dat voor jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning een tarief gehanteerd wordt dat maximaal 200% van het wettelijk minimumloon bedraagt, op voorwaarde dat voor hulp bij het huishouden een tarief gehanteerd wordt dat gelijk is aan 120% van het wettelijk minimumloon; b. tussenpersonen of belangenbehartigers worden niet uit het pgb betaald; en c. de zorg aan de belanghebbende mag niet tot overbelasting leiden van deze persoon. 4. Het pgb mag alleen worden gebruik voor de kosten van het leveren van ondersteuning. Het pgb mag niet worden gebruikt voor het betalen van een vertegenwoordiger.
Artikel 15 Opschorting betaling uit het pgb 1. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste 13 weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 dan wel artikel 8.1.4, eerste lid, onder a, d of e, van de Jeugdwet. 2. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 12, tweede lid, onder f, van deze verordening. 3. Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid.
Aanpassing: - Toegevoegd 22.4 Het college kan nadere regels stellen omtrent het opschorten van de betaling uit het persoonsgebonden budget.
Artikel 22 Opschorting betaling uit het pgb 1. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste 13 weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 dan wel artikel 8.1.4, eerste lid, onder a, d of e, van de Jeugdwet. 2. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder f, van deze verordening. 3. Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid.
pagina 26
Huidige artikelen Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2020
Artikel 16 Bijdrage in de kosten voor maatschappelijke ondersteuning 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening dan wel pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 2. In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor: a. een woonvoorziening voor een minderjarige cliënt; b. de financiële tegemoetkoming als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van deze verordening; en c. collectief vervoer in de vorm van een regiotaxipas als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder j, van de verordening. 3. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura wordt bepaald: a. door een aanbesteding, of b. na een consultatie in de markt, of c. in overleg met de aanbieder. 4. De kostprijs van pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb. 5. Het college regelt door welke instantie de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een pgb voor opvang wordt vastgesteld en geïnd. 6. De bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, dan wel het totaal aan bijdragen, is gelijk aan de kostprijs tot aan ten hoogste de in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 genoemde bijdrage per maand voor de cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere eigen bijdrage is verschuldigd.
Aanpassingen, vragen en opmerkingen
Aanpassing: - Artikelnummer is aangepast. - Lid 1.c toegevoegd: ook als het koopbedrag van een met pgb verstrekte voorziening niet is voldaan, is een cliënt een bijdrage in de kosten verschuldigd. - Lid 2.b tussengevoegd: rolstoel. - Lid 5 uit huidige verordening wordt lid 6 in de Verordening 2023. Daarbij wordt ook aangegeven om welke instellingen het gaat. Dit dient namelijk te worden opgenomen in de Verordening. - Lid 6 uit huidige Verordening wordt lid 5 in Verordening 2023. - Lid 7 is toegevoegd over de eerste maand waarin cliënten in de opvang geen bijdrage in de kosten hoeven te betalen. - Lid 8 is toegevoegd over de bijdrage die mantelzorgers zelf betalen voor hulp in het huishouden voor mantelzorgers. pagina 27
Voorstel artikelen Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2023 4. Het college kan nadere regels stellen omtrent het opschorten van de betaling uit het persoonsgebonden budget. HOOFDSTUK 6 BIJDRAGE IN DE KOSTEN VOOR MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING Artikel 23 Bijdrage in de kosten voor maatschappelijke ondersteuning 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening dan wel pgb, zolang: a. de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt, of b. gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt, of c. het koopbedrag van een middels een pgb verstrekte voorziening niet is voldaan. 2. In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor: a. een woonvoorziening voor een minderjarige cliënt; b. een rolstoelvoorziening; c. een financiële maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 3, derde lid, onder i, van deze verordening; en d. collectief vervoer in de vorm van een regiotaxipas als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van deze verordening. 3. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura wordt bepaald: a. door een aanbesteding, b. na een consultatie in de markt, of c. in overleg met de aanbieder. 4. De kostprijs van pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb. 5.
De bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, of het totaal aan bijdragen, is gelijk aan de kostprijs tot aan ten hoogste de in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 genoemde bijdrage per
Huidige artikelen Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2020
Aanpassingen, vragen en opmerkingen
Voorstel artikelen Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2023 maand voor de cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere eigen bijdrage is verschuldigd. 6. Mantelzorgers betalen voor de hulp bij het huishouden voor mantelzorgers een tarief met korting aan de aanbieder. Artikel 24 Bijdrage in de kosten voor beschermd wonen en opvang 1. De hoogte van de bijdrage in de kosten voor beschermd wonen wordt vastgesteld op grond van paragraaf 3 van hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 2. De bijdrage in de kosten voor opvang wordt vastgesteld op grond van artikel 3.20, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 3. In afwijking van het tweede lid betalen cliënten in de eerste maand van de opvang geen bijdrage in de kosten, tenzij er sprake is van doorlopend inkomen. 4. In afwijking van het tweede lid betalen cliënten geen bijdrage in de kosten voor opvang als zij doorlopende huurlasten hebben van een woning die zij hebben verlaten vanwege risico’s in verband met huiselijk geweld. 5. De instellingen die een bijdrage in de kosten voor opvang innen zijn het Leger des Heils, Kwintes: Opvang en Begeleiding na Huiselijk Geweld Midden-Holland en De Reling. 6.
De in het vijfde lid genoemde instellingen bepalen per opvangvorm de hoogte van het te innen bedrag, rekening houdend met het tweede, derde en vierde lid.
Artikel 12 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering 1. Onverminderd artikel 2.3.8 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikel 8.1.2 van de Jeugdwet doet een cliënt op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het
Aanpassingen: - Artikelnummer aangepast - Toevoeging lid dat het college nadere regels kan bepalen voor nieuwe feiten en pagina 28
HOOFDSTUK 7 WIJZIGINGEN Artikel 25 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering 1. Zoals beschreven in artikel 2.3.8 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en in artikel 8.1.2 van de Jeugdwet doet een cliënt op verzoek of direct uit
Huidige artikelen Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2020 college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande het recht op een voorziening. 2. Onverminderd artikel 2.3.10 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikel 8.1.4 van de Jeugdwet kan het college een besluit genomen op grond van deze verordening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid; b. de cliënt niet langer op de voorziening of het pgb is aangewezen; c. de voorziening of het pgb budget niet meer toereikend is te achten; d. de cliënt niet voldoet aan de voorwaarden van de voorziening of het pgb; e. de cliënt de voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is bestemd; of f. de cliënt langer dan 6 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. 3.
Als het college een besluit op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en verstrekking van onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college de geldwaarde vorderen van de ten onrechte genoten voorziening of het ten onrechte genoten pgb. 4. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen 6 maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.
Aanpassingen, vragen en opmerkingen omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering.
pagina 29
Voorstel artikelen Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2023 eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing over het recht op een voorziening. 2. Zoals beschreven in artikel 2.3.10 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en in artikel 8.1.4 van de Jeugdwet kan het college een besluit genomen op grond van deze verordening herzien of intrekken als het college vaststelt dat: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid; b. de cliënt niet langer op de voorziening of het pgb is aangewezen; c. de voorziening of het pgb-budget niet meer toereikend is te achten; d. de cliënt niet voldoet aan de voorwaarden van de voorziening of het pgb; e. de cliënt de voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is bestemd; of f. de cliënt langer dan 6 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. 3.
Als het college een besluit op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en verstrekking van onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college de geldwaarde vorderen van de ten onrechte genoten voorziening of het ten onrechte genoten pgb. 4. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen 6 maanden na uitbetaling niet is gebruikt voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 5. Het college kan nadere regels bepalen voor het herzien, intrekken of terugvorderen van voorzieningen.
Huidige artikelen Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2020
Aanpassingen, vragen en opmerkingen
Artikel 13 Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan.
Aanpassing: - Artikelnummer gewijzigd
Artikel 14 Aanwijzen toezichthouder jeugd Het college kan personen aanwijzen die belast zijn met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de Jeugdwet bepaalde.
Aanpassingen: - Artikelnummer gewijzigd - Jeugdwet en Wmo apart toegelicht in plaats van alleen Jeugdwet.
Artikel 19 Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1. Geregistreerde mantelzorgers van cliënten in de gemeente worden ambtshalve door het college in aanmerking gebracht voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering. 2. Het college erkent, waardeert en ondersteunt mantelzorgers door middel van: het beschikbaar stellen van een persoonsgebonden stadspas als bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de verordening bevordering maatschappelijke participatie Gouda 2017; het bekostigen van bijeenkomsten waarin mantelzorgers worden gewaardeerd en erkend; het bieden van praktische ondersteuning bestaande uit in ieder geval hulp bij het huishouden voor maximaal 78 uur per kalenderjaar.
Aanpassingen: - Artikelnummer aangepast. - Lettering toegevoegd. - De persoonsgebonden stadspas is vervangen door een jaarlijkse attentie.
pagina 30
Voorstel artikelen Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2023 HOOFDSTUK 8 TOEZICHT EN HANDHAVING Artikel 26 Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan.
Artikel 27 Aanwijzen toezichthouder 1. Het college kan personen aanwijzen die belast zijn met het toezicht op de naleving van wat in of volgens de Jeugdwet is bepaald. 2. Het college kan personen aanwijzen die belast zijn met het toezicht op de naleving van wat in of volgens de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is bepaald. HOOFDSTUK 9 WAARDERING MANTELZORGERS Artikel 28 Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1. Geregistreerde mantelzorgers van cliënten in de gemeente komen ambtshalve door het college in aanmerking voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering. 2. Het college erkent, waardeert en ondersteunt mantelzorger door middel van: a. het beschikbaar stellen van een jaarlijkse attentie; b. het bekostigen van bijeenkomsten waarin mantelzorgers worden gewaardeerd en erkend; c. het bieden van praktische ondersteuning bestaande uit in ieder geval hulp bij het huishouden voor maximaal 78 uur per kalenderjaar.
Huidige artikelen Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2020
Aanpassingen, vragen en opmerkingen
Artikel 20 Klachtregeling bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 1. Aanbieders die maatschappelijke ondersteuning verlenen, beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van maatwerkvoorzieningen. 2. Voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen is het klachtrecht als bedoeld in § 4.2.a. van de Jeugdwet van toepassing. 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.
Aanpassing: - Artikelnummer gewijzigd
Artikel 21 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 1. Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van maatwerkvoorzieningen. 2. Voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen zijn de regels voor medezeggenschap als bedoeld in § 4.2.b. van de Jeugdwet van toepassing.
Aanpassing: - Artikelnummer gewijzigd
Artikel 22 Intrekking De Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2018 wordt ingetrokken
Aanpassingen: - Artikelnummer gewijzigd - Jaartal gewijzigd
Artikel 23 Overgangsrecht 1. Besluiten op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda worden aangemerkt als besluiten op grond van deze verordening.
Aanpassing: - Artikelnummer gewijzigd
pagina 31
Voorstel artikelen Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2023 HOOFDSTUK 10 KLACHTEN EN MEDEZEGGENSCHAP BIJ AANBIEDERS VAN MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING EN JEUGDHULP Artikel 29 Klachtregeling bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 1. Aanbieders die maatschappelijke ondersteuning verlenen, beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van maatwerkvoorzieningen. 2. Voor zorgaanbieders en gecertificeerde instellingen is het klachtrecht als bedoeld in § 4.2.a. van de Jeugdwet van toepassing. 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 30 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 1. Aanbieders moeten beschikken over een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van maatwerkvoorzieningen. 2. Voor zorgaanbieders en gecertificeerde instellingen zijn de regels voor medezeggenschap als bedoeld in § 4.2.b. van de Jeugdwet van toepassing. HOOFDSTUK 11 SLOTBEPALINGEN Artikel 31 Intrekking De Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2020 wordt ingetrokken. Artikel 32 Overgangsrecht 1.
Besluiten op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2020 worden aangemerkt als besluiten op grond van deze verordening.
Huidige artikelen Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2020 2. Aanvragen die zijn ingediend voor inwerkingtreding van deze verordening en waarop nog niet is beslist bij de inwerkingtreding van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 3. Op bezwaar- en beroepschriften gericht tegen een besluit genomen op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda, wordt beslist met inachtneming van deze verordening.
Aanpassingen, vragen en opmerkingen
Voorstel artikelen Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2023 2. Aanvragen die zijn ingediend voor inwerkingtreding van deze verordening en waarop nog niet is beslist bij de inwerkingtreding van deze verordening, worden afgehandeld volgens deze verordening. 3. Op bezwaar- en beroepschriften gericht tegen een besluit genomen op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2020, wordt beslist met inachtneming van deze verordening.
Artikel 24 Inwerkingtreding en citeertitel Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2020.
Aanpassing: - Artikelnummer gewijzigd - Datum inwerkingtreding verordening vervangen door XXX. Datum volgt.
Artikel 33 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2024.
Artikel 25 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2020’.
Aanpassingen: - Artikelnummer gewijzigd - Jaartal gewijzigd
Artikel 34 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2023’.
pagina 32
Toelichting bij de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2020 ALGEMENE TOELICHTING
Aanpassingen, vragen en opmerkingen
Voorstel Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2023 ALGEMENE TOELICHTING
Met de decentralisatie van de taken op grond van de Wmo, Jeugdwet en Participatiewet zijn de mogelijkheden en is de noodzaak toegenomen meer integraal vanuit de leefwereld van de cliënt te kijken naar oplossingen voor de problematiek in het sociaal domein. Om dit ook juridisch te faciliteren is hiertoe al met ingang van 1 januari 2018 een integraal kader opgesteld voor de domeinen Jeugd en Wmo. Dit moet leiden tot een meer gelijke beoordeling en benadering van Goudse burgers die in de doelgroep vallen en moet tegenstrijdigheden in de gemeentelijke regelgeving en uitvoering voorkomen. Voorts is de gemeente wettelijk verplicht om cliënten onder bepaalde omstandigheden te ondersteunen bij hun maatschappelijke zelfredzaamheid en/of participatie. Dit geldt voor jeugdigen en hun gezinnen, en voor volwassenen. Dit is aan de orde indien cliënten op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen onvoldoende zelfredzaam zijn, onvoldoende kunnen participeren of als er sprake is van risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld. De aard en omvang van de voorzieningen die de gemeente treft, bepaalt de gemeente (maatwerk), uiteraard zoveel mogelijk in overleg met de betrokken cliënten.
De aard en omvang van de voorzieningen en de gekozen oplossingen worden in samenspraak met de cliënt bepaald, op basis van zijn individuele omstandigheden en voorkeuren. In deze verordening staan regels voor de invulling van deze ondersteuningsplicht.
Artikel is aangepast op de volgende onderdelen: • De Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp is al langer integraal. Dit behoeft in deze versie geen nadere toelichting. • In de algemene toelichting is de term “cliënt” vervangen door “inwoner”. Verder wordt benadrukt dat eigen regie het uitgangspunt vormt. • In de nieuwe Verordening wordt wel dieper ingegaan op onder meer het belang van eigen regie, de criteria om in aanmerking te komen voor een voorziening en is meer aandacht voor het persoonsgebonden budget. Dat gebeurt in separate artikelen die onderdeel zijn van de Verordening.
De gemeente is wettelijk verplicht om inwoners onder bepaalde omstandigheden te ondersteunen bij hun maatschappelijke zelfredzaamheid en/of participatie. Dit geldt voor jeugdigen en hun gezinnen, en voor volwassenen. Dit is aan de orde als inwoners op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van het sociale netwerk of door gebruik te maken van algemene voorzieningen onvoldoende zelfredzaam zijn, onvoldoende kunnen participeren of als er sprake is van risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld.
Toeleiding naar jeugdhulp Iemand toegang geven tot jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden, te weten: • via de gemeente;
pagina 33
In deze verordening staan regels voor de invulling van de ondersteuningsplicht. De regels zijn een lokale vertaling van het landelijke wettelijke kader en omschrijven de manier waarop de gemeente de verantwoordelijkheid voor de toeleiding naar en inzet van passende en kwalitatief goede ondersteuning vormgeeft. In de opbouw van de Verordening volgen we de route van de inwoner richting een voorziening: • • • • • • • • • • •
Toegang Melding/gesprek/aanvraag Toets Toewijzingscriteria en wijzigingsgronden Betrekkingsvorm (ZIN of pgb) Kwaliteitscriteria Bijdrage in de kosten Wijzigingen Toezicht en handhaving Mantelzorgondersteuning KIachten
• • •
na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts; via de gecertificeerde instellingen, rechter, OM of justitiële jeugdinrichting (JJI); via Veilig Thuis.
Toegang jeugdhulp via de gemeente Een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder kan binnenkomen bij de gemeente. De gemeentelijke beslissing welke zorg een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft, wordt gemaakt in overleg met die jeugdige en zijn ouders. In een gesprek tussen een door de gemeente ingezette deskundige en de jeugdige en zijn ouders wordt gekeken wat de jeugdige en zijn ouders eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als aanvullend daarop een jeugdhulpvoorziening nodig is, kijkt de gemeente eerst of dit een algemene voorziening of een individuele voorziening is. Is het laatste het geval, dan geeft het college een beschikking af en schakelt de noodzakelijke jeugdhulp in.
•
De verschillende routes naar jeugdhulp staan in de nieuwe verordening al uitgewerkt in de diverse artikelen en hoeven niet benoemd te worden in de algemene toelichting op de Verordening.
Toegang via de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist Het verzoek voor toegang tot jeugdhulp kan ook verlopen via een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist. Dit is geregeld in artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onder g, van de Jeugdwet. In de praktijk bepalen zij vaak niet welke specifieke vorm van hulp nodig is, maar verwijzen door naar een van de jeugdhulpaanbieders waarmee de gemeente een dienstverleningsovereenkomst heeft afgesloten. De jeugdhulpaanbieder beoordeelt op basis van zijn professionele autonomie welke voorziening nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Hierbij vindt overleg plaats met de jeugdige of ouder. De aanbieder verstrekt aan de gemeente een kennisgevingsbericht over het opstarten van de jeugdhulp waarna er door de gemeente een formeel besluit wordt genomen. Het besluit wordt door de gemeente verstuurd naar zowel de jeugdhulpaanbieder als de jeugdige. Deze toegang pagina 34
wordt in de Jeugdwet geregeld en komt daarom verder niet terug in deze verordening. Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie of justitiële jeugdinrichting De uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering maakt het voor een gecertificeerde instelling mogelijk zelfstandig te bepalen dat jeugdhulp nodig is (artikel 3.5, lid 1, van de Jeugdwet). Wel moet er overleg zijn met de gemeente. Bij jeugdreclassering heeft niet alleen de gecertificeerde instelling deze bevoegdheid, maar kunnen ook andere instanties besluiten dat jeugdhulp nodig is. Deze andere instanties zijn de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI) en de selectiefunctionaris van de JJI. De gemeente is verantwoordelijk voor de inzet van jeugdhulp die deze instanties nodig achten ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. De gemeente heeft hier dus een leveringsplicht (zie artikel 2.4, lid 2, aanhef en onder b, van de Jeugdwet). Het uitgangspunt is dat rekening wordt gehouden met de ingekochte jeugdhulp van de gemeente. Deze toegang wordt in de Jeugdwet geregeld en komt daarom verder niet terug in deze verordening. Toegang via Veilig Thuis Via Veilig Thuis kan ook toegang worden verkregen tot (onder andere) jeugdhulp.
Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling of huiselijk geweld, motiveert zo nodig ouders tot het accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening.
pagina 35
De toegang tot jeugdhulp via deze weg staat beschreven in de Jeugdwet en wordt daarom niet verder toegelicht in deze verordening en toelichting.
Hoofdstuk 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 Begripsbepalingen Algemeen gebruikelijke voorziening De gemeente dient geen voorzieningen te verstrekken waarover de cliënt ook kan beschikken als de cliënt geen beperkingen heeft (zie o.a. CRvB 03‐07‐2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16‐04‐2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14‐07‐2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16‐08‐2012, nr. AWB 11/5564).
Artikel is aangepast op de volgende onderdelen: • Extra toelichting toegevoegd op de begrippen ‘eigen regie’ ‘voorziening’. • Extra criterium voorziening toegevoegd. • Taal veranderd
Artikel 1 Begripsbepalingen Algemeen gebruikelijke voorziening De gemeente hoeft geen voorzieningen te verstrekken waarover de cliënt ook kan beschikken als de cliënt geen beperkingen heeft (zie o.a. CRvB 03‐07‐2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16‐04‐2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14‐07‐2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16‐08‐2012, nr. AWB 11/5564).
Het college dient steeds te onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt (zie CRvB 17‐11‐2009, nr. 08/3352 Wmo). De beoordeling of er sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen had gehad. De volgende criteria kunnen een rol spelen bij die beoordeling: • Is de voorziening regulier te koop? • Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht? • Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen?
Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt (zie CRvB 17‐11‐2009, nr. 08/3352 Wmo). De beoordeling of er sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening beantwoordt de vraag of de cliënt ook over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen had gehad. De volgende criteria kunnen een rol spelen bij die beoordeling: • Is de voorziening regulier te koop? • Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht? • Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen? • Kan de voorziening financieel worden gedragen met een inkomen op minimumniveau?
Algemene voorziening De Jeugdwet spreekt in artikel 2.9, onderdeel a van 'overige voorziening'. In de wettelijke teksten wordt net als in de praktijk ook over algemene of vrij toegankelijke voorzieningen gesproken. Omdat 'algemene voorziening' de meest gangbare term is, is deze overgenomen in de verordening. Dit sluit ook
Algemene voorziening De Jeugdwet spreekt in artikel 2.9, onderdeel a van 'overige voorziening'. In de wettelijke teksten wordt net als in de praktijk ook over algemene of vrij toegankelijke voorzieningen gesproken. Omdat 'algemene voorziening' de meest gangbare term is, is deze overgenomen in de verordening. Dit sluit ook aan pagina 36
aan bij de terminologie van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
bij de terminologie van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
Kenmerkend voor een algemene voorziening is dat het gaat om een vrij toegankelijke voorziening. Dat wil zeggen: zonder dat eerst een diepgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers heeft plaatsgevonden. De diensten, activiteiten of zaken kunnen toegankelijk zijn voor specifieke groepen of soms ook voor de gehele bevolking.
Kenmerkend voor een algemene voorziening is dat het gaat om een vrij toegankelijke voorziening. Dat wil zeggen: zonder dat eerst een diepgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers heeft plaatsgevonden. De diensten, activiteiten of zaken kunnen toegankelijk zijn voor specifieke groepen of soms ook voor de gehele bevolking.
Melding Iedereen kan zich melden bij de gemeente met een hulpvraag. Na deze melding stelt de gemeente zo spoedig mogelijk samen met de cliënt een onderzoek in. Een onderzoek volgt niet als de cliënt alleen informeert naar de beschikbaarheid van een algemene voorziening of aangeeft gebruik te willen maken van een algemene voorziening.
Eigen regie In de verordening komt het begrip eigen regie een aantal keer naar voren. De gemeente Gouda ondersteunt haar inwoners in het voeren van eigen regie. Hierdoor worden inwoners in staat gesteld hun talenten en netwerk in te zetten en vinden ze duurzame oplossingen die passen bij hun leefwereld: • De aard en omvang van de voorzieningen en de gekozen oplossingen worden zoveel mogelijk samen met de inwoner bepaald, op basis van individuele omstandigheden, voorkeuren en de mogelijkheden binnen de wettelijke kaders. • De inwoner kan ook een familiegroepsplan (jeugdhulp) of persoonlijk plan (Wmo) indienen. • Als wordt vastgesteld dat inwoners in aanmerking komen voor indicatie voor een individuele voorziening in het kader van Jeugdhulp of voor maatwerk in het kader van de Wmo, hebben zij de keuze uit een aanbod van zorg in natura waarin de gemeente via inkoop voorziet. Als dit aanbod niet aansluit bij hun ondersteuningsbehoefte, kunnen inwoners ook kiezen voor een pgb. Met behulp daarvan kunnen zij hun eigen ondersteuningspalet samenstellen en organiseren.
Het aantal definities van artikel 1 is beperkt. Dit komt omdat in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet veel definities staan die ook voor deze verordening gelden. Deze wettelijke definities zijn daarom niet nogmaals opgenomen in de verordening. Ook de Algemene wet bestuursrecht kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, te weten: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen), ‘besluit’ (artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, te weten: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling) en ‘beschikking’ (artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, te weten: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan).
Voorziening Om het verschil duidelijk te maken tussen voorzieningen waarvoor de gemeente een beschikking afgeeft in het kader van de Jeugdwet of in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, pagina 37
De begrippen jeugdige en ouder gebruiken we in de verordening overeenkomstig de Jeugdwet. Daarmee beperken we verschillende betekenissen tot twee begrippen. Met de aanduiding ‘de jeugdige of zijn ouders’ bedoelen we dus: • de jeugdige (van bijvoorbeeld 16 jaar of ouder); • de jeugdige tussen de 12 en 16 jaar met een of beide ouders (in de definitie van artikel 1 van de Jeugdwet: de gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige in zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder) of; • de ouders namens de jeugdige (bij een jeugdige jonger dan 12 jaar).
wordt in deze verordening een voorziening in het kader van de Jeugdwet ‘individuele voorziening’ genoemd en voorzieningen in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 ‘maatwerkvoorziening’.
Artikel 2 Toegang algemene voorziening Om van een algemene voorziening gebruik te kunnen maken, is geen uitgebreid onderzoek naar de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager noodzakelijk. Een formele beslissing (beschikking) van de gemeente is niet nodig. De aanvrager die tot de doelgroep van de voorziening behoort, kan er meestal meteen gebruik van maken. De ‘beperkte toegangsbeoordeling’ waar het artikel over spreekt, zorgt ervoor dat bepaalde algemene voorzieningen voor een bepaalde doelgroep beschikbaar zijn. Het betreft hier bijvoorbeeld schoolmaatschappelijk werk als vorm van kortdurende ondersteuning, dat toegankelijk is voor leerlingen die onderwijs volgen op een Goudse school. Ervaart de aanvrager niet voldoende ondersteuning met een algemene voorziening, dan kan deze de hulpvraag melden en indien gewenst een maatwerkvoorziening aanvragen.
Aanpassing: • Maatwerkvoorziening in de laatste zin gewijzigd naar ‘voorziening’
Artikel 3 Beschikbare algemene en individuele voorzieningen De gemeente stelt regels aan de individuele en algemene jeugdhulpvoorzieningen die zij verleent (artikel 2.9, onderdeel a, van de Jeugdwet). De burger heeft recht op een duidelijk beeld van het aanbod van individuele voorzieningen binnen de
Aanpassing: Toelichting is aangepast op de volgende onderdelen: • Eerste alinea: in de toelichting uit 2020 stond niet vermeld dat
Artikel 2 Toegang algemene voorziening Om van een algemene voorziening gebruik te kunnen maken, is geen uitgebreid onderzoek naar de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager noodzakelijk. Een formele beslissing (beschikking) van de gemeente is niet nodig. De aanvrager die tot de doelgroep van de voorziening behoort, kan er meestal meteen gebruik van maken. De ‘beperkte toegangsbeoordeling’ waar het artikel over spreekt, zorgt ervoor dat bepaalde algemene voorzieningen voor een bepaalde doelgroep beschikbaar zijn. Het betreft hier bijvoorbeeld schoolmaatschappelijk werk als vorm van kortdurende ondersteuning, dat toegankelijk is voor leerlingen die onderwijs volgen op een Goudse school. Sluit de algemene voorziening onvoldoende aan bij de hulpvraag- of niet voldoende ondersteuning met een algemene voorziening, dan kan deze de hulpvraag melden en als dat gewenst is een voorziening aanvragen.
pagina 38
Artikel 3 Beschikbare algemene en individuele voorzieningen en maatwerkvoorzieningen De gemeente stelt regels aan de individuele-, maatwerk- en algemene jeugdhulpvoorzieningen die zij verleent (artikel 2.9, onderdeel a, van de Jeugdwet). De inwoner heeft recht op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de
gemeente (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3). Dit artikel toont de algemene en individuele voorzieningen die in ieder geval beschikbaar zijn binnen de gemeente Gouda. • Van de genoemde algemene voorzieningen hebben de voorzieningen van kortdurende ondersteuning, participatie in de buurt en vervoersvoorzieningen betrekking op algemene voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning. Het jeugdvervoer vindt plaats op grond van artikel 2.3 van de Jeugdwet.
•
het ook maatwerkvoorzieningen betreft. Burger veranderd naar inwoner ‘individuele’ uit de eerste alinea over de kamerstukken verwijderd.
Dit artikel toont tevens de minimaal mogelijke vormen van individuele voorzieningen zoals bedoeld in de Jeugdwet en maatwerkvoorzieningen overeenkomstig de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 binnen de gemeente Gouda. In de opsomming is aangesloten bij het traject van de inkoop van producten voor jeugdhulp. Dit geldt eveneens voor de maatwerkvoorzieningen begeleiding, dagbesteding en beschermd en beschut wonen. Voorzieningen op het gebied van jeugdhulp omvatten, voor zover naar het oordeel van het college noodzakelijk in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, eveneens het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden. De vorm waarin het vervoer naar de locatie bij jeugdhulp aangeboden wordt, is afhankelijk van de specifieke situatie van de cliënt.
pagina 39
gemeente (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3). Dit artikel toont de algemene-, maatwerk en individuele voorzieningen die in ieder geval beschikbaar zijn binnen de gemeente Gouda. Van de genoemde algemene voorzieningen hebben de voorzieningen van kortdurende ondersteuning, participatie in de buurt en vervoersvoorzieningen betrekking op algemene voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning. Het jeugdvervoer vindt plaats op grond van artikel 2.3 van de Jeugdwet Dit artikel toont de minimaal mogelijke vormen van individuele voorzieningen zoals bedoeld in de Jeugdwet binnen de gemeente Gouda: a) Hoogspecialistische jeugdhulp: Integrale en/of (zeer) intensieve ambulante jeugdhulp en verblijfsvoorzieningen met behandeling. De hulp is gericht op stabiliseren (geen crisis) en behandelen en wordt meestal tijdelijk ingezet, waarna afschaling naar andere zorgvormen (zoals behandeling specialistisch, begeleiding en/of wonen) volgt. b) Jeugdbescherming/jeugdreclassering: Jeugdigen die via de Rechterlijke Macht (civielrechtelijk of strafrechtelijk) een maatregel (Onder Toezicht Stelling, Voogdij of Jeugdreclassering) opgelegd hebben gekregen en daarbij worden begeleid door een Gecertificeerde Instelling. c) Crisis: Crisis betreft de ongeplande hulp aan alle jeugdigen en/of gezinnen, die te maken krijgen met een urgente situatie, die direct en 24/7 beschikbaar en bereikbaar is.
De situatie is (levens)bedreigend en urgent. De crisishulp is kortdurend en kan bestaan uit intensieve begeleiding in de thuissituatie, tijdelijk verblijf in het eigen netwerk of pleeggezin (crisispleegzorg) of crisisopvang/opname in een instelling. d) JeugdzorgPlus: vorm van gesloten jeugdhulp, die wordt opgelegd door de kinderrechter. De zorg bestaat uit verblijf en intensieve (groeps-) behandeling. Daarbij
e)
f)
g)
h)
i) j)
k)
pagina 40
wordt ook onderwijs (extern) georganiseerd, passend bij het leerniveau. Behandeling: Er wordt ambulante en/of poliklinische hulp geboden, gericht op het verbeteren van, het ondersteunen bij en het leren omgaan met situaties en/of specifiek gedrag, die de ontwikkeling en het opgroeien van jeugdigen bedreigen. De geboden ondersteuning varieert van lichte, enkelvoudige ondersteuning tot aan specialistische intensieve ondersteuning en combinaties hiervan. Ook meervoudig complexe situaties komen voor in dit segment. Begeleiding: Begeleiding wordt ingezet om onze inwoners (jeugdigen en volwassenen) te ondersteunen met het vergroten zelfredzaamheid, groeien naar zelfstandigheid, leren omgaan met de situatie/problematiek, participatie in de samenleving en stabiliseren van de situatie. De individuele doelen worden gemonitord en geëvalueerd. Wonen: Alternatieve passende structurele woonvormen (gezinshuizen, pleegzorg etc.), die zo lang als nodig als thuis fungeren, worden ingezet voor jeugdigen, die geen veilige of passende thuissituatie kennen. Dagbesteding: Dagbesteding bestaat uit een groepsaanbod van activiteiten. Deze kunnen gericht zijn op het ontlasten van de thuissituatie (respijtzorg), het bieden van een zinvolle invulling van de dag of op ontwikkeling en het bevorderen van deelname aan de maatschappij.
Logeren: Logeren wordt gebruikt om het gezin, de mantelzorger/verzorger te ontlasten en is een vorm van respijtzorg. Ernstige dyslexiezorg; Bij dyslexiezorg gaat het om kinderen die ernstige problemen hebben met lezen en spellen. Dit heet Ernstige Dyslexie (ED). De behandeling richt zich op het verminderen van die problemen. Vervoer naar jeugdhulplocatie: Voorzieningen op het gebied van jeugdhulp omvatten, voor zover naar het oordeel van het college noodzakelijk in verband met een
medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, eveneens het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden. De vorm waarin het vervoer naar de locatie bij jeugdhulp aangeboden wordt, is afhankelijk van de specifieke situatie van de cliënt. Het artikel toont ook de minimaal mogelijke vormen maatwerkvoorzieningen overeenkomstig de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 binnen de gemeente Gouda: a. Hulp bij het huishouden: hulp waarbij (een deel van) de huishoudelijke taken worden overgenomen door een professionele hulp. b. Begeleiding: Begeleiding wordt ingezet om onze inwoners (jeugdigen en volwassenen) te ondersteunen met het vergroten zelfredzaamheid, groeien naar zelfstandigheid, leren omgaan met de situatie/problematiek, participatie in de samenleving en stabiliseren van de situatie. De individuele doelen worden gemonitord en geëvalueerd. c. Dagbesteding: Dagbesteding bestaat uit een groepsaanbod van activiteiten. Deze kunnen gericht zijn op het ontlasten van de thuissituatie (respijtzorg), het bieden van een zinvolle invulling van de dag of op ontwikkeling en het bevorderen van deelname aan de maatschappij. d.
Vervoer naar dagbesteding: Een indicatie dagbesteding omvat voor zover dat naar het oordeel van het college noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, eveneens het vervoer van een cliënt van en naar de locatie waar de dagbesteding wordt geboden. De vorm waarin het vervoer naar de locatie bij dagbesteding aangeboden wordt, is afhankelijk van de specifieke situatie van de cliënt. pagina 41
e. Logeeropvang en verblijf: logeeropvang of kortdurend verblijf wordt ingezet al respijtzorg om de mantelzorger te ontlasten. f. Hulpmiddelen zijn een verzameling van de volgende voorzieningen: vervoersvoorzieningen, rolstoelvoorzieningen en woonvoorzieningen. Vervoersvoorzieningen die onder de hulpmiddelen vallen zijn: scootmobielen, aangepaste fietsen en aangepaste scooters. De verschillende rolstoelvoorzieningen zijn: handbewogen rolstoelen, elektrische rolstoelen en aangepaste buggy’s voor kinderen. De woonvoorzieningen die onder hulpmiddelen vallen zijn middelen waarvoor geen woningaanpassing nodig is, dus onder andere: verrijdbare tilliften, douchestoelen en toiletstoelen. g. Woonvoorzieningen: vallen uiteen in bouwkundige woningaanpassingen (waaronder trapliften, niet reguliere wandbeugels, plafondtilliften, een aanbouw, het verwijderen van een bad en creëren van een inloopdouche, drempelhulpen) en niet bouwkundige woningaanpassingen (waaronder verrijdbare tilliften, douchestoelen en toiletstoelen). h. Rolstoelvoorzieningen: handbewogen rolstoelen, elektrische rolstoelen en aangepaste buggy’s voor kinderen. i. Vervoersvoorzieningen: vallen uiteen in hulpmiddelen (scootmobielen, aangepaste fietsen en aangepaste scooters) en het collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV). j.
Financiële maatwerkvoorzieningen: voorzieningen die bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie van inwoners, maar waarbij de financiële tegemoetkoming niet noodzakelijk kostendekkend hoeft te zijn. Voor de volgende kosten is een financiële maatwerkvoorziening mogelijk: - Verhuis- en inrichtingskosten: Deze voorziening wordt verstrekt als cliënt medisch gezien in staat is te verhuizen en de kosten van de pagina 42
woningaanpassingen boven het maximaal te verstrekken verhuis- en herinrichtingskostenbudget komen. - Aanschaf en onderhoud sportvoorziening: Inwoners die vanwege hun beperking belemmerd worden in hun mogelijkheden om te sporten en daarom een voorziening nodig hebben, kunnen hiervoor een financiële tegemoetkoming aanvragen bij de gemeente. - Vervoersvoorziening voor het gebruik van een eigen auto of een bruikleenauto: dit is een tegemoetkoming voor de kosten die gemaakt worden bij het aanpassen van de eigen auto of voor het gebruik van een eigen auto of bruikleenauto als een inwoner daar gebruik van maakt in plaats van voorliggende voorzieningen. k. Gewoon Thuis: vorm van intensieve begeleiding die gelijkwaardig is aan een beschermende woonomgeving, maar dan thuis. Cliënten kunnen hierbij 24 uur per dag een beroep doen op begeleiding, maar wonen zelfstandig. l. Beschut wonen: Een geclusterde woonvorm met een gemeenschappelijke ruimte, waar begeleiding door de weeks op vaste momenten aanwezig is en daarbuiten 24-uurs bereikbaar en indien nodig op afroep langs komt. De doelgroep kan (nog) niet zelfstandig wonen, maar wel zelf aangeven wanneer hulp nodig is en deze hulpvraag uitstellen. Beschut wonen is bedoeld voor bewoners die uitstromen uit beschermd wonen, maatschappelijke opvang en verblijfszorg jeugdzorg én om instroom te voorkomen.
Bij beschut wonen is het uitgangspunt scheiden van wonen en zorg. Dit betekent dat de inwoner in principe zelf zijn huur betaalt en zelf een huurcontract heeft met de verhuurder of de zorgorganisatie. m. Beschermd wonen: woonvorm waarbij de cliënt permanent toezicht nodig heeft. De doelgroep is kwetsbaar met risico op verwaarlozing en overlast en pagina 43
kan een gevaar vormen voor zichzelf en voor anderen. Doel van deze manier van wonen is de doorstroom naar (beschut) zelfstandig wonen. Alle kosten worden vergoed en via het CAK wordt een eigen bijdrage berekend. n. Maatschappelijke opvang: onderdak en begeleiding voor mensen die dak- of thuisloos zijn en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Hieronder vallen crisisopvang (alleenstaande volwassenen), herstart (alleenstaande volwassenen), herstart gezinnen, crisisopvang jongeren en reguliere opvang jongeren. o. Vrouwenopvang: 24-uurs opvang voor vrouwen met of zonder kinderen die te maken hebben met huiselijk geweld. p. Jongeren onder Dak: traject voor dak- en thuisloze jongeren (18 tot en met 23 jaar) in Midden-Holland. Door begeleiding en ondersteuning aan de jongeren wordt gestreefd naar vergroting van de persoonlijke mogelijkheden en groei naar zelfstandigheid.
Artikel 4 Zorgplicht college voor integrale toegang en intake
Geen wijzigingen (alleen taal).
HOOFDSTUK 2 PROCEDUREREGELS TEN BEHOEVE VAN INDIVIDUELE VOORZIENINGEN EN MAATWERKVOORZIENINGEN Artikel 4 Zorgplicht college voor integrale toegang en intake Lid 1 De verschillende wetten in het sociaal domein, voorzien niet in een wettelijke basis voor een gelijke, integrale en domein brede uitvoering en procedure. Om zoveel mogelijk integraal te werken, heeft het college de plicht te zorgen voor een integrale toegang en intake.
Eerste lid De afzonderlijke wetten die het sociaal domein bestrijken, voorzien niet in een wettelijke basis voor een uniforme, integrale en domeinbrede taakuitoefening met dito procedure. Om tegemoet te komen aan het beleidsvoornemen van de gemeente Gouda om zo veel mogelijk integraal te werken, is aan het college de zorgplicht opgelegd voor een integrale toegang en intake. Door de zorgplicht vast te leggen in de verordening, is een juridische basis gecreëerd. De integrale intake moet onderscheiden worden van de gesprekken die gevoerd worden in het kader van een onderzoek dat
De integrale intake moet onderscheiden worden van de gesprekken die gevoerd worden voor het onderzoek dat uitgevoerd wordt als er een ondersteuningsbehoefte blijkt te zijn en duidelijk is binnen welk domein in de eerste plaats een oplossing gevonden kan worden. pagina 44
uitgevoerd wordt als er een meer concrete ondersteuningsbehoefte blijkt te zijn en duidelijk is binnen welk domein in de eerste plaats een oplossing gevonden kan worden.
Het college moet bepalen hoe het de zorgplicht invult. In ieder geval moet bereikt worden dat inwoners eenvoudig bij de gemeente aan kunnen kloppen voor informatie en hulp bij het verhelderen van hun mogelijke vraag.
Het is aan het college om te bepalen hoe aan deze zorgplicht invulling gegeven wordt. In ieder geval moet bereikt worden dat inwoners op laagdrempelige wijze – en onafhankelijk van hun specifieke ondersteuningsbehoefte – bij de gemeente aan kunnen kloppen voor zowel informatie als voor hulp bij het verhelderen van een mogelijke ondersteuningsbehoefte.
Als de vraag duidelijk is, worden inwoners doorgeleid naar de passende organisatie en de juiste wettelijke kaders voor de verdere ondersteuning.
Zodra de ondersteuningsbehoefte duidelijk is, worden ze doorgeleid naar de passende instantie inclusief de daarbij horende wettelijke kaders voor het verdere ondersteuningstraject. Artikel 5 Melding en gesprek Om een zorgvuldig besluit te nemen, worden eerst alle feiten en omstandigheden van de hulpvraag onderzocht. De wet omschrijft dit als ‘een onderzoek in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger’. In deze verordening noemen we dit ‘het gesprek’.
Aanpassing: • In de nieuwe verordening werken we melding en gesprek voor Jeugd en Wmo uit in nieuwe, aparte artikelen.
Het belangrijkste uitgangspunt is de eigen regie van de cliënt. Voordat het gesprek plaatsvindt, krijgt de cliënt informatie over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning. Reeds bij de bevestiging van de ontvangst van de melding wijst het college de cliënt op de mogelijkheid van het inleveren van een persoonlijk plan. De cliënt geeft in het gesprek zelf aan wat zijn hulpvraag is en welke ondersteuning gewenst is. Het gesprek is erop gericht een totaalbeeld van de situatie te krijgen. We kijken naar alle verschillende leefgebieden van de cliënt. De mate van zelfredzaamheid kan per leefgebied verschillend zijn en problemen op verschillende leefgebieden kunnen elkaar beïnvloeden. pagina 45
Indien nodig voor het onderzoek, kan ook sprake zijn van meerdere (opeenvolgende) gesprekken. Ook komen procedures aan de orde voor een deskundige beoordeling als het om individuele voorzieningen gaat. Het kan bij jeugdigen bijvoorbeeld gaan om diagnostiek om voor een psychiatrische behandeling of voor een verblijf in 24uursopvang in aanmerking te komen. Dat zijn zwaarwegende beslissingen waaraan professioneel onderzoek en een gedegen afweging ten grondslag moeten liggen. De volgende onderwerpen komen aan bod tijdens het gesprek: a. de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en (gezins/leef)situatie van de cliënt en het probleem of de hulpvraag; b. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; c. het vermogen van de cliënt om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden. Hierbij komen de belastbaarheid en de ondersteuningsbehoefte van de mantelzorger aan de orde; d. de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening; e. de mogelijkheden om ondersteuning te verlenen met gebruikmaking van een algemene voorziening; f. de mogelijkheden om een maatwerk of een individuele voorziening te verstrekken; g. de wijze waarop een eventuele, individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen; h.
hoe rekening te houden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt; i. de gevolgen van een eventuele keuze voor een persoonsgebonden budget, en; j. voorlichting over een mogelijke eigen bijdrage. Het gaat dan om welke eigen bijdrage het betreft en een uitleg over de wijze pagina 46
waarop de hoogte van de eigen bijdrage wordt berekend; hoe deze tot stand komt. Het gesprek vindt zo mogelijk plaats bij de cliënt thuis zodat er een totaalbeeld van betrokkene en zijn situatie verkregen kan worden. De uitkomsten van het gesprek worden betrokken bij de beoordeling. De eigen kracht van de cliënt staat voorop. De Jeugdwet bepaalt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt. Een voorziening kan nodig zijn om de mate van probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouders en die van de naaste omgeving te versterken. Er kan op grond van het gesprek echter ook geconcludeerd worden dat de inzet van eigen kracht, sociaal netwerk of een algemene voorziening toereikend is dan wel nader onderzocht moet worden. Dit wordt dan opgenomen in het gespreksverslag, maar de individuele- of maatwerkvoorziening wordt (nog) niet aangevraagd. Als later blijkt dat deze individuele- of maatwerkvoorziening alsnog nodig is, kan de cliënt hiervan een nieuwe melding maken. In bepaalde situaties is een inventarisatie van de individuele situatie niet noodzakelijk, bijvoorbeeld als de cliënt al bij het college bekend is. In zulke situaties kan ervoor gekozen worden het gesprek in te korten of over te slaan en direct de aanvraag in te dienen.
Met het zesde lid wordt duidelijk vastgelegd dat voor de totale procedure van melding tot het besluit over een individuele voorziening of maatwerkvoorziening een termijn van acht weken geldt. Het college kan de beslistermijn op grond van artikel 4:14 van de Algemene wet bestuursrecht verlengen als de beschikking niet binnen acht weken kan worden afgegeven, bijvoorbeeld bij een complexe situatie waar een pagina 47
zorgvuldig onderzoek moet plaatsvinden en/of voor een diagnose een langere termijn nodig is. Wel noemt het college dan een zo kort mogelijke termijn binnen welke de cliënt de beschikking tegemoet kan zien. Indien rechtstreeks bij het college een aanvraag voor een voorziening wordt ingediend, geldt een termijn van acht weken waarbinnen de cliënt een beschikking ontvangt. Ook hier kan het college bij complexe situaties de beslistermijn verlengen op grond van artikel 4:14 van de Algemene wet bestuursrecht. Het college noemt dan een zo kort mogelijke termijn binnen welke de cliënt de beschikking tegemoet kan zien. Artikel 7 Aanvraag Een aanvraag is nodig om een beschikking te krijgen van de gemeente inzake het toekennen van een individuele voorziening. De Algemene wet bestuursrecht stelt regels voor de aanvraag. Op grond van artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht moet een aanvraag schriftelijk worden ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is om op de aanvraag te beslissen. Dit bestuursorgaan is het college. Op het aanvraagformulier wordt aangegeven welke voorziening, gewenste start- en einddatum en volume nodig is.