Ruimtelijke onderbouwing RO_Lombok_230706
Tekst van het document
Per woonmilieu is daarom een volgorde voor de ontwikkeling van de verschillende deellocaties weergegeven, onder andere gebaseerd op beschikbaarheid en de strategische ligging. Parkachtig wonen in de zuidelijke Spoorzone Er worden verschillende woonmilieus binnen de Spoorzone onderscheiden. De Lomboklocatie is gelegen in het woonmilieu ‘Parkachtig wonen in de zuidelijke Spoorzone’. Ten zuiden van het spoor is het karakter duidelijk anders dan aan de hoogstedelijke noordkant. De zuidkant wordt gekenmerkt door vooroorlogse bebouwing in een parkachtige groene omgeving. In dit woonmilieu wordt gekozen om de historische lagere dichtheid voort te zetten. De nadruk ligt dan ook op stedelijke vormen van grondgebonden wonen en kleinschalige appartementengebouwen met veel aandacht voor de bijzondere cultuurhistorische en groene kwaliteiten van de locaties en de directe omgeving. Dichter op het spoor zijn hoogte-accenten mogelijk. Kleinschalige kantoren en maatschappelijke voorzieningen en specifieke woon-werkcombinaties zijn hier toegestaan. De sfeer die we beogen is die van een rustig stedelijk woonmilieu, dat een rustpunt vormt tussen het drukkere stationsgebied en de binnenstad. De openbare ruimte in dit gebied krijgt een positieve impuls door de herontwikkeling van het zuidelijk stationsgebied. Door de ligging nabij het station liggen lagere parkeernormen voor de hand.
Bewoners kunnen voor deelmobiliteit gebruik maken van het aanbod in het noordelijk stationsgebied. Lomboklocatie Voor de Lomboklocaite wordt een mix van herenhuizen, villa’s, tweekappers en appartementen gemaakt. De bindende factor is in de eerste plaats het park waar de panden in zijn gesitueerd. De hoogte varieert van 2 tot 5 bouwlagen. De overgang tussen voortuinen van de herenhuizen en appartementen aan de noordzijde en de straat wordt met de woning mee ontworpen. De vrijstaande woningen en tweekappers worden gerealiseerd met voortuinen. 3.4.1.1 Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling sluit aan bij de principes uit de Spoorzone en de visie voor het parkachtig wonen op de Lomboklocatie. De beoogde ontwikkeling is uitgewerkt binnen de kaders van het Ontwikkelperspectief. Ook de RIP draagt bij aan de gewenste combinatie tussen wonen en werken op de Lomboklocatie. 3.4.1.2 Conclusie De beoogde ontwikkeling is in lijn met het Ontwikkelperspectief Spoorzone Gouda.
Omgevingsvisie Gouda Gouda heeft veel mooie eigenschappen. Gemeente Gouda noemt dit de Goudse waarden. Zo is Gouda een compacte stad met een bruisend historisch centrum en rustige randen. De stad ligt in het Groene Hart, met waardevol landschap, natuur en veel water. Compleet en evenwichtig, dat kenmerkt de stad. En de mensen willen er graag in goede gezondheid wonen, werken, winkelen, recreëren en van cultuur genieten. Want Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 27
Gouda bruist! Veel inwoners doen vrijwilligerswerk, zijn lid van een sportvereniging of hebben andere sociale verbanden. Ze hechten waarde aan de gezelligheid in de binnenstad, en de vele activiteiten en evenementen die worden georganiseerd. Een grote plus is de centrale ligging tussen de grote steden Den Haag, Rotterdam en Utrecht. Goed te bereiken met de auto, maar ook met het openbaar vervoer. Deze belangrijke Goudse waarden wil de gemeente graag beschermen en waar mogelijk verder ontwikkelen. Maar er zijn ook grote opgaven. Waar vooral veel nieuwe aandacht en energie aan gegeven moet worden, zijn de verstedelijking, de energietransitie en de klimaatadaptatie. Natuurlijk is er meer te doen de komende jaren, maar deze opgaven brengen uitdagingen met zich mee die een grote ruimtelijke impact hebben. Tegelijkertijd wil de gemeente ervoor zorgen dat de bestaande stad niet verandert: de kwaliteit ervan bewaken en zelfs verbeteren waar dat nodig is. Onderstaande figuur toont de Goudse opgaven. Figuur 13. Goudse opgaven (bron: ontwerp omgevingsvisie Gouda)
3.4.2.1 Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling vindt binnenstedelijk plaats en zorgt voor een efficiënter ruimtegebruik ten opzichte van de huidige situatie. Dit sluit goed aan bij de opgave om duurzaam door te ontwikkelen. De ruimte wordt efficiënt gebruikt, waarbij hittestress wordt tegengegaan en ruimte is voor natuur en biodiversiteit. Het beoogde groen en parkachtig woongebied, sluit goed aan bij de opgaven om een prettig woon- een leefklimaat voor iedereen en een gezonde leefomgeving te realiseren. De realisatie van woningen draagt bij aan de deelopgave voor voldoende woningen met aandacht voor diverse doelgroepen. Er is daarbij voldoende ruimte om te bewegen. De verplaatsing en dus behoud van de RIP kan een bijdrage leveren aan de opgave om een blijvend sterke economie en regionale positie te behouden. De regionale (hoogwaardig) ov-bereikbaarheid blijft behouden en wordt versterkt. 3.4.2.2 Conclusie De beoogde ontwikkeling is in lijn met de gemeentelijke Omgevingsvisie.
Woon(zorg)visie 2030 De woon(zorg)visie 2030 heeft als doel ‘Aangenaam stedelijk wonen voor iedereen, met oog voor mensen met een zorgbehoefte. Hij beschrijft de gewenste ontwikkeling van het wonen in Gouda in de komende jaren. De visie gaat verder op de koers die in de woonvisie 2015-2020 is ingezet, aangevuld met onder andere de
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 28
ambities uit het coalitieprogramma van 2018. Belangrijk onderwerp in de visie is het verbeteren van de woonsituatie van kwetsbare doelgroepen. De woonvisie is daarom verbreed tot een woon(zorg)visie. De woonzorgvisie is opgesteld na gesprekken met woningcorporaties, huurdersorganisaties, makelaars en ook zorgaanbieders en cliëntvertegenwoordigers. Er worden vijf pijlers onderscheiden: 1. Bouwen naar behoefte 2. Gemengde wijken 3. Verduurzamen 4. Wonen voor iedereen 5. Weer en langer thuis 3.4.3.1 Relatie tot ontwikkeling Gouda wil een stad zijn waar het voor iedereen mogelijk is om te kunnen wonen. Betaalbaarheid, toekomstbestendigheid en een gevarieerd woningaanbod zijn daarbij essentieel. De komende tien jaar moeten er zeker zo’n 3600 woningen in Gouda bijkomen. Dat is berekend in provinciale prognoses. Momenteel blijkt dat met name starters moeilijk aan een woning kunnen komen. Daardoor groeit het aantal jongeren dat bij hun ouders woont. Onder andere voor deze starters is er behoefte aan meer betaalbare appartementen voor 1- of 2-persoonshuishoudens. Om gezinnen een plek te bieden in Gouda zijn daarnaast ook woningen voor die groep nodig. Huurwoningen worden vooral in appartementen toegevoegd. Om dat mogelijk te maken zijn twee locaties met grootschalige nieuwbouw voorzien: de Spoorzone en Westergouwe.
De Spoorzone wordt een stedelijke woonomgeving met veel groen en goede voorzieningen. Er komen woningen voor starters, ouderen en gezinnen. Als uitgangspunt hanteert Gouda dat van nieuwbouw 1/3 sociale huur betreft en 1/5 uit middensegment (vrije sector met huur tussen €752,= en €950,= per maand) bestaat of ‘bereikbare’ koop (tot € 260.000,=).* Deze verhouding gaat gelden voor alle nieuwbouwprojecten. Op basis van berekeningen zouden er dus tot 2030 circa 1200 sociale huurwoningen bij moeten komen. Gouda onderzoekt de invoering van het Fonds betaalbaar wonen waarmee ontwikkelaars een te laag percentage aan sociale woningen en middenhuur ‘af kunnen kopen’. Met dit fonds kan de gemeente sociale huur- en midden- huurwoningen elders realiseren. Herontwikkeling van de Lomboklocatie draagt bij aan hetgeen met de woonvisie wordt beoogd: de beoogde ontwikkeling levert een bijdrage aan grootschalige nieuwbouw. Het plan Lombok is echter niet in lijn met het uitgangspunt om sociale huur toe te voegen. Dit komt omdat het bouwprogramma in overeenstemming is met de Woonvisie Gouda 20150292 d.d. 9 december 2015 die van toepassing was op het moment van het initiatief tot het plan Lombok. Hiermee is er geen verplichting voor het realiseren van sociale huurwoningen op deze locatie.
Ook nu er eind 2021 een nieuwe woon(zorg)visie is vastgesteld, met andere voorwaarden voor het realiseren van sociale huurwoningen, blijven de oorspronkelijke uitgangspunten voor de Lomboklocatie onveranderd. Dit is vastgelegd in anterieure afspraken tussen gemeente en initiatiefnemer. Wel geldt dat in de Spoorzone als geheel (het grotere gebied waar onderhavig plangebied onderdeel van uitmaakt) een percentage van 33% sociale huur zal worden gerealiseerd. 3.4.3.2 Conclusie De beoogde ontwikkeling is in lijn met de gemeentelijke Woon(zorg)visie.
Verstedelijkingsagenda (2018) Om de kansen en potentie van woningbouw in Gouda inzichtelijk te maken is in 2018 de Verstedelijkingsagenda vastgesteld. De agenda zet in op het faciliteren van de toenemende vraag naar stedelijk wonen in de randstad, in de omgeving van OV-knooppunten. Inclusief het huidige Goudse woningbouwprogramma kunnen tot 2040 in totaal 8.500 woningen binnenstedelijk worden gerealiseerd. Dit zijn over de hele periode ruim 3.000 woningen meer dan is vastgelegd in de huidige regionale woningbouwafspraken.
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 29
Rekening houdend met de beschikbaarheid van terreinen en complexiteit van de realisatie, kan de woningproductie als volgt worden gefaseerd:
Periode 2017-2024: 4.500 woningen; Periode 2025-2029: 2.000 woningen; Periode 2030-2039: 2.000 woningen.
Gemeente Gouda wil vooruit met de ontwikkeling en transformatie van de Spoorzone. Het gebied dat voorheen vooral het karakter van kantoorlocatie had, is nu concreet in beeld voor woningbouw. Deze ambitie sluit aan bij de principes van transit-oriented development en slim ruimtegebruik. De ontwikkelingen hebben mede tot doel om de positie van station Gouda als OV-knooppunt voor de regio Midden-Holland te versterken. Het is de wens om circa 1.000 woningen in de Spoorzone en omgeving te realiseren. De Spoorzone als inclusieve wijk met een aanbod aan woningen voor elke portemonnee. De leidende ambitie van dit ontwikkelperspectief is om voor 2025 duizend nieuwe woningen te realiseren in de Spoorzone. In de jaren erna kunnen er wellicht nog extra woningen worden gerealiseerd. Dit biedt de kans om nieuwe woningtypen toe te voegen aan de Goudse woningmarkt en groepen te huisvesten die in Gouda op dit moment moeilijk aan een woning komen. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om betaalbare woningen voor jongeren. Daarnaast is er behoefte aan specifieke woonconcepten die aantrekkelijk zijn voor oudere Gouwenaren, die op dit moment nog in een eengezinswoning wonen. Zo ontstaat doorstroming op de woningmarkt. Om voldoende aanbod van betaalbare woningen te garanderen, geldt binnen Gouda de eis dat bij elke nieuwbouwontwikkeling een derde sociale huur moet worden gerealiseerd.
Om de Spoorzone voor verschillende doelgroepen aantrekkelijk te maken is het ook belangrijk dat er een gevarieerd aanbod wordt gerealiseerd. Aanbod waarin naast appartementen bijvoorbeeld ook ruimte is voor stedelijke vormen van eengezinswoningen voor gezinnen die graag dicht bij het stadscentrum en het station willen wonen. De gemeente stuurt hier binnen de woonmilieus met grotere deellocaties actief op. Naast de gewenste woningbouw blijft er binnen de Spoorzone ook ruimte voor de huisvesting van kantoren en voorzieningen. Waar mogelijk stimuleert de gemeente ook multifunctioneel ruimtegebruik op gebouwniveau, bijvoorbeeld door de huisvesting van bedrijven of maatschappelijke organisaties in de plint van een gebouw. 3.4.4.1 Relatie tot ontwikkeling De realisatie van woningen en verplaatsing van de RIP leiden tot slim ruimtegebruik. Het behouden en verplaatsen van de RIP draagt bovendien bij aan het versterken van de positie van station Gouda als OVknooppunt voor de regio. Een RIP is immers nodig voor onderhoud aan het spoor. In onderhavig geval worden zes verschillende typen woningen gerealiseerd, wat in lijn is met de ambitie om de Spoorzone voor diverse groepen aantrekkelijk te maken. Daarnaast draagt de ontwikkeling van 58 woningen bij aan het behalen van de beoogde woningbouwproductie.
3.4.4.2 Conclusie De beoogde ontwikkeling is in lijn met de gemeentelijke Verstedelijkingsagenda.
Erfgoed, cultuurhistorie en archeologie In de Erfgoedvisie (2013) is vastgelegd hoe de gemeente Gouda het cultureel erfgoed borgt en welke prioriteiten zij daarbij stelt. De gemeente geeft hiermee in overleg met ‘de stad’ richting aan een concrete uitwerking hiervan. De Erfgoedvisie is dus de basis over wat de gemeente wel en niet beschermt en hoe dit in stand wordt gehouden, ook in tijden van schaarste of bezuinigingen. Uitgangspunten van de Erfgoedvisie zijn onder meer: de samenhang centraal stellen en het verhaal van de stad beschrijven. Gouda beschikt over een digitale Cultuurhistorische Basiskaart (CHBK). Door het erfgoed in ruimtelijke samenhang te laten zien, worden het ontstaan en de ontwikkeling van Gouda in beeld gebracht. Bovendien wordt er in de behoefte voorzien om de kennis van het Goudse erfgoed te ordenen, te bundelen en te ontsluiten. Middels de CHBK is tevens de archeologische basiskaart te raadplegen.
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 30
Een belangrijk instrument om de cultuurhistorische waarden in beeld te krijgen, is de Cultuurhistorische Analyse (CHA). Deze is in Gouda sinds 2000 verplicht bij ontwikkelingen in alle gebieden waar waarden worden verwacht Op de zogenaamde “gele-vlekkenkaart” is aangeven waar deze verwachtingen liggen. De gemeente Gouda heeft op 28 oktober 2020 de Verordening Fysieke Leefomgeving vastgesteld. In deze verordening is de omgang met de archeologische waarden vastgelegd (zie artikel 3.12). Ook is de Erfgoedverordening opgegaan in deze Verordening Fysieke Leefomgeving (2020). De inhoudelijke regels zijn ongewijzigd gebleven. 3.4.5.1 Relatie tot ontwikkeling In de Erfgoedvisie zijn de historische binnenstad en water belangrijke onderdelen. Onderhavig plangebied ligt niet in de binnenstadkern, maar net buiten de singel, aan de rand van de historische binnenstad. Binnen de grenzen van onderhavig plangebied, zijn op de CHBK zijn geen monumentale gebouwen of monumentale bomen weergegeven. Wel is het plangebied op de “gele-vlekkenkaart” aangewezen als een gebied waar volgens de richtlijnen van de gemeente Cultuur Historische Analyse kan worden gevraagd. De archeologische basiskaart laat bovendien zien dat het plangebied archeologische verwachtingswaarde heeft. In paragraaf 4.2 (Archeologie) en 4.3 (Cultuurhistorie) wordt hier nader op ingegaan.
Vooruitlopend kan worden aangegeven dat aan het beleid wordt voldaan. 3.4.5.2 Conclusie De beoogde ontwikkeling is in lijn met het gemeentelijk beleid ten aanzien van erfgoed, cultuurhistorie en archeologie.
Welstandsnota 2020 Sinds 1 juli 2004 is het toetsen van bouwplannen aan ‘redelijke eisen van welstand’ alleen nog mogelijk op basis van de Goudse Welstandsnota. Op 9 december 2020 is de Update Welstandsnota 2020 vastgesteld, ter actualisering van het Welstandbeleid 2017. Doel van de welstandstoets is het behartigen van het publieke belang door de lokale overheid. Waarbij de individuele vrijheid van de burger wordt afgewogen tegen de aantrekkelijkheid van de leefomgeving als algemene waarde. Veel mensen zijn bereid mee te werken aan het in stand houden of bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit van hun leefomgeving, maar willen wel graag van tevoren op de hoogte zijn van de aspecten die een rol spelen bij de welstandsbeoordeling. Het kader waarbinnen deze beoordeling plaats vindt, wordt zoals gezegd vastgelegd door de gemeenteraad en is daarom een politieke keuze die is gebaseerd op inhoudelijk onderzoek en een maatschappelijke discussie. De Welstandsnota in Gouda bestaat uit drie delen (A, B en C):
Deel A heeft betrekking op de beleidsuitgangspunten voor het welstandsbeleid; Deel B bevat het beleid per gebied en categorie, met specifieke uitwerking toezicht per gebied/categorie; Deel C bevat de concrete welstandscriteria voor de verschillende toetsingsniveaus: volledig toezicht, beperkt toezicht en toezichtsvrij.
3.4.6.1 Relatie tot ontwikkeling Op de welstandskaart maakt het plangebied deel uit van zone 9 (Bloemendaal/Binnenstad) met regulier welstandstoezicht met bijzondere aandacht. Spoorzone (en omgeving) is daarbij als ontwikkelingsgebied aangewezen. De bouwplannen zijn daarmee welstandsplichtig. Definitieve bouwplannen worden in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ getoetst aan de criteria zoals opgenomen in de Welstandsnota. De bouwplannen worden daartoe voor advies voorgelegd aan de Adviescommissie Omgevingskwaliteit (AOK).
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 31
3.4.6.2 Conclusie De beoogde ontwikkeling is op hoofdlijnen in lijn met de gemeentelijke Welstandsnota en de bouwplannen zullen bij de aanvraag omgevingsvergunning ‘bouwen’ voor definitieve beoordeling aan RBA/milieu en AOK/welstand worden voorgelegd.
Structuurvisie Groen 2019 In de Structuurvisie Groen legt de gemeente Gouda haar visie vast voor behoud en aanleg van (openbaar) groen in de gemeente. Doel is dat bestaand openbaar groen en water behouden blijft en dat bij nieuwe planontwikkelingen 15% openbaar groen gerealiseerd dient te worden. De structuurvisie beschrijft de wijze waarop deze doelstellingen bereikt kunnen worden. Het doel van de Structuurvisie Groen is vergroten van de leefbaarheid door een toename van openbaar groen; het doel vanuit klimaatadaptatie is het bevorderen van maatregelen om de capaciteit van waterberging te vergroten, en wateroverlast en hittestress te verminderen. In de structuurvisie zijn de volgende beleidsregels geformuleerd: 1. Eerste beleidsregel: De oppervlakte bestaand openbaar groen en water, en het aantal bestaande bomen worden ten minste behouden. 2. Tweede beleidsregel: Bij planontwikkelingen dient een oppervlakte ter grootte van ten minste 15% van het totale projectgebied openbaar groen te worden. 3. Derde beleidsregel: Als het niet haalbaar blijkt om binnen het projectgebied de vereiste 15% openbaar groen te ontwikkelen, dan is het mogelijk: a. binnen het projectgebied compenserende maatregelen te treffen tot maximaal 50% van de opgave voor openbaar groen; b. de opgave voor openbaar groen te realiseren op andere locaties in dezelfde wijk als waarin het projectgebied ligt.
Het te realiseren openbaar groen buiten het projectgebied dient binnen een jaar na oplevering van het projectgebied te zijn aangelegd. Zijn er compenserende maatregelen mogelijk tot maximaal 50% van de opgave voor openbaar groen. 4. Vierde beleidsregel: Voor iedere niet gerealiseerde of gecompenseerde vierkante meter openbaar groen is een compensatiebijdrage aan de gemeente verschuldigd van € 250 per m2 (prijspeil 2019). Het bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd volgens de Grond-, weg- en waterbouwindex uit het Meerjarenperspectief Grondexploitaties. 5. Vijfde beleidsregel: Het college heeft de bevoegdheid te besluiten tot ontheffing of afwijking van de beleidsregels 2, 3 en 4, indien toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. 3.4.7.1 Relatie tot ontwikkeling Het planvoornemen voorziet in de ontwikkeling van nieuwe woningen. Ter plaatse van het bestaande relaishuis vinden geen veranderingen plaats. Het plangebied exclusief relaishuis heeft een omvang van circa 28.876 m2, waardoor (op basis van de tweede beleidsregel) ten minste circa 4.331 m2 openbaar groen gerealiseerd dient te worden. Het nieuwe openbaar groen in het plangebied wordt met name gevonden in het park op het binnenterrein. Het overige openbare groen kan gevonden worden in de vorm van groenvoorzieningen ter plaatse van de parkeergebieden aan de randen van het plangebied.
Het park is openbaar toegankelijk en kan door bewoners en omwonenden worden gebruikt. In het plangebied wordt circa 7.625 m2 (ruim 26%) openbaar groen gerealiseerd. Daarmee wordt (ook inclusief relaishuis) ruimschoots voldaan aan de nieuwe taakstelling voor ten minste 15% openbaar groen op basis van de Structuurvisie Groen. Er zijn geen compenserende maatregelen nodig. Hoewel niet noodzakelijk vanuit de groeneisen, worden de bungalows en delen van de daken van de villa’s voorzien van groene daken. De noordgevel van de stadswoningen en de appartementen krijgen deels een
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 32
groene gevel. Bovendien is er, ten opzichte van de huidige situatie, sprake van een afname in verhard oppervlak in het plangebied. Vanuit het oogpunt van groen zijn dit positieve toevoegingen aan het plan. 3.4.7.2 Conclusie De beoogde ontwikkeling is in lijn met de gemeentelijke Structuurvisie Groen.
Mobiliteitsplan 2017-2026 Het Mobiliteitsplan 2017-2026 is op 20 september 2017 vastgesteld door de gemeenteraad. Dit plan geeft een antwoord op hoe Gouda in de toekomst als stad in beweging kan blijven. In de nota wordt geconstateerd dat Gouda zich in de komende jaren zal ontwikkelen als regionaal centrum in de Zuidvleugel van de Randstad. Het aantal woningen en voorzieningen zal toenemen. Deze veranderingen gaan gepaard met een toename van verkeer naar en binnen de stad. Belangrijke aandachtspunten bij deze toenemende verplaatsingsbehoefte zijn méér ruimte voor de fiets, betere bereikbaarheid en doorstroming, versterken van leefbaarheid en duurzaamheid. Om onvoldoende bereikbaarheid tegen te gaan en om de kwaliteit van de leefbaarheid en verkeersveiligheid te waarborgen, zijn maatregelen nodig. In het Mobiliteitsplan komen verschillende manieren van vervoer aan bod met als doel om mensen te verleiden tot verantwoord mobiliteitsgedrag. Door het stimuleren van onder andere de fiets en het openbaar vervoer wil de gemeente overbelasting van de infrastructuur voorkomen waardoor ruimte blijft bestaan voor belangrijk economisch verkeer. Deze doelstelling is in het plan verder uitgewerkt in een aantal strategische keuzes. Ook is aangegeven wat nodig is om het autogebruik tot 2026 op verantwoorde wijze te verwerken en welke maatregelen verder onderzocht moeten worden.
3.4.8.1 Relatie tot ontwikkeling Voor het plangebied geldt dat er sprake is van een zeer gunstige ligging ten opzichte van openbaar vervoersvoorzieningen. Er is binnen het plan extra aandacht voor bereikbaarheid voor fiets en voetganger, en voor de aansluiting op en doorstroming naar het Van Bergen IJzendoornpark. Dit biedt mogelijkheden om de bereikbaarheid goed te houden en duurzaamheid te stimuleren. In paragraaf 4.13 (Verkeer en parkeren) worden de aspecten verkeer en parkeren nader toegelicht. Verder geldt dat de RIP impliciet bijdraagt aan betere bereikbaarheid en doorstroming, gelet op de activiteiten die gericht zijn op onderhoud aan de sporen. 3.4.8.2 Conclusie De beoogde ontwikkeling is in lijn met het gemeentelijk Mobiliteitsplan.
Uitvoeringsprogramma duurzame ontwikkeling Gouda 2020 en Handreiking duurzaamheid Uitvoeringsprogramma duurzame ontwikkeling Duurzame ontwikkeling is steeds meer zichtbaar in de samenleving. Milieuthema’s als stikstof hebben de aandacht. Steeds meer mensen kiezen voor biologisch, fairtrade of tweedehands. Ook groeit de bewustwording over energiebesparing en het opwekken van duurzame energie. Het begrip “duurzaam” wordt steeds meer een gangbaar uitgangspunt. In de gemeente Gouda is al langere tijd veel aandacht voor duurzame ontwikkeling. Afgelopen jaren werkte de gemeente aan de hand van het Uitvoeringsprogramma Duurzame Ontwikkeling 2016-2019. In 2018 is gestart met de raadsprogramma’s Energietransitie en Klimaatadaptatie. Dit Uitvoeringsprogramma Duurzame Ontwikkeling 2020 laat zien wat de gemeente vanuit haar verschillende taken doet om duurzame ontwikkeling in Gouda en in de gemeentelijke organisatie te faciliteren, stimuleren en realiseren. Vanuit dit overzicht wordt ook de samenhang in de gemeentelijke inzet duidelijk. Duurzame ontwikkeling kan worden beschreven langs drie aspecten: sociaal (people), ecologisch (planet) en financieel (profit). Dit uitvoeringsprogramma focust op ecologische duurzaamheid en betreft met name de
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 33
fysieke leefomgeving. Ecologische duurzaamheid gaat om minder gebruik en vooral meer hergebruik van energie en grondstoffen. En ook meer natuur en biodiversiteit horen hierbij. Dit uitvoeringsprogramma is opgebouwd uit de relevante thema’s van het landelijke klimaatbeleid:
Energietransitie – meer hernieuwbare energie en minder energiegebruik Klimaatadaptatie – meer groen en robuuste waterhuishouding Duurzame mobiliteit – meer hernieuwbare energie, minder brandstofgebruik en minder milieubelastende uitstoot Circulaire economie – meer hergebruik van grondstoffen
Uit de thema’s vloeien diverse ambities voort voor onder meer wonen. Gouda heeft onder meer de ambitie om CO2-neutraal en aardgasvrij te zijn in 2040. Tijdens grootschalige woningbouw wordt duurzaamheid ook meegenomen. Zo wordt er in de Spoorzone veel aandacht besteed aan duurzame mobiliteit. Handreiking duurzaamheid Bovendien hanteert gemeente Gouda een Handreiking duurzaamheid bij bouwplannen. Gemeente heeft graag dat initiatiefnemers hier rekening mee houden. Voor bouwplannen geldt:
Nieuwbouw is aardgasvrij en in principe energieneutraal. Dit geldt ook voor transformaties naar wonen. Bij verkoop of oplevering heeft de woning of het gebouw een geldig energielabel. Ook bij transformaties naar wonen. De verbouw of renovatie verbetert de energieprestaties van het pand. Bij de bouw van grondgebonden woningen is een tuin verplicht. Bij planontwikkelingen (bouwsom > € 1 ton) wordt 15% van het projectgebied openbaar groen.
3.4.9.1 Relatie tot ontwikkeling In dit plan worden woningen toegevoegd in segmenten waarnaar vraag is. Er is sprake van een duurzame verstedelijking, in die zin dat door middel van inpassing in bestaand stedelijk gebied wordt gebouwd, waardoor gebruik kan worden gemaakt van bestaande stedelijke voorzieningen. Inbreiden gaat voor uitbreiden. Verder worden diverse duurzaamheidsmaatregelen getroffen. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.6 (Duurzaamheid). Vooruitlopend hierop kan worden opgemerkt dat het plan op duurzame wijze wordt gerealiseerd en voldoet aan de gemeentelijk eisen. 3.4.9.2 Conclusie De beoogde ontwikkeling is in lijn met de gemeentelijke duurzaamheidsambities.
Inzichten en ambities voor de Goudse ondergrond Bij werkzaamheden in de openbare ruimte constateert de gemeente steeds vaker dat de ondergrond bijna vol zit. Het ordenen van de ondergrond zoals dat voor de bovengrond gebeurt is echter geen dagelijkse praktijk en tot nu toe niet georganiseerd. In de Omgevingsvisie is opgenomen dat de gemeente meer regie wil nemen op de inrichting van de ondergrond om ervoor te zorgen dat de grote ruimtelijk opgaven zodanig ingepast kunnen worden dat functies als onder meer archeologie, warmtesystemen, riolering, kabels en leidingen zo min mogelijk conflicteren. De Omgevingsvisie kondigt daarom omgevingsbeleid ondergrond aan. Als eerste stap naar omgevingsbeleid zijn nu de inzichten en ambities verhelderd en is er een werkproces opgesteld om samen de ondergrond te leren ordenen. Gemeente Gouda heeft hiertoe o.a. het beleidsdocument “Inzichten en ambities voor de Goudse ondergrond” opgesteld. Dit document schept een kader voor een optimaal ingerichte én gezonde ondergrond. Het moet niet alleen het gebruik van de ondergrond mogelijk maken, maar moet dat gebruik ook reguleren. Om tot de inzichten en ambities over de ondergrond te komen zijn de (toekomstige) opgaven in de ondergrond in beeld gebracht.
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 34
De ambitie van de gemeente Gouda voor de ondergrond is: “Een optimaal ingerichte en gezonde ondergrond is de basis voor een groeiende, groene en duurzame gemeente. Samen met onze initiatiefnemers benutten we de ondergrondse ruimte efficiënt, koesteren we ondergrondse kwaliteiten en voorkomen we zoveel als mogelijk bodemdegradatie of compenseren we indien nodig. De gemeente voert daarom regie op de ondergrond”. 3.4.10.1 Relatie tot ontwikkeling Het Lombokterrein vindt zijn oorsprong bij de aanleg van het spoor en het station in de tweede helft van de 19e eeuw. De huidige vorm van het gebied komt voort uit de functionele verandering van het emplacement. Allereerst zijn waterbassins op historische kaarten zichtbaar die later zijn ingevuld met het zand van de verbrede spoordijk om een rangeerterrein aan te leggen. Het rangeerterrein liep oorspronkelijk door tot aan het stationsgebouw. Hiermee is de basis van de locatie uniek in Gouda – deze ligt hoger dan het vastgestelde vloerpeil in plaats van (in de meeste gevallen) lager en loopt af in de richting van het Van Bergen IJzendoornpark. Figuur 14. Peilhoogten ter plaatse van de projectlocatie (bron: initiatiefnemer)
In de huidige situatie loopt het maaiveld af van circa +0,3 m NAP aan de noordzijde naar circa -1,0 m NAP aan de zuidzijde. Het waterpeil van de singel is -2,22 m NAP. Het stedenbowukundig plan volgt deze peilhoogtes grotendeels. Het stedenbouwkundig plan betekent ook voor de ondergrond een nieuwe infrastructuur. In het gebied is al sprake van infrastructuur ten aanzien van het spoor. Deze worden nauwkeurig met elkaar gecoördineerd: -
Nuts tracé en kabels en leidingen van Prorail kruisen elkaar op twee plekken. Deze kruisingen worden in hoogte en exacte locatie met afgestemd. Boomwortels worden op voldoende afstand van de nuts tracés geplaatst. Regenwater wordt zo veel mogelijk in het gebied behouden door onder andere wadi’s en waterbergende wegen. Bij de riolering wordt rekening gehouden met de hoogteverschillen en het plaatsen van het persgemaal op de meest gunstige weg.
3.4.10.2 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat door de nauwkeurige coördinatie van de nieuwe ondergrondse infrastructuur als gevolg van het voorgenomen initiatief, met de oude en bestaande ondergrondse infrastructuur er een optimaal ingerichte en gezonde ondergrond ontstaat. Op deze manier wordt bijgedragen aan de ambitie van de gemeente voor de ondergrond.
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 35
4
OMGEVINGSASPECTEN STEDENBOUWKUNDIGE INPASSING De stedenbouwkundige uitgangspunten zijn geland in het stedenbouwkundig plan ‘Parcour’, welke is opgenomen als bijlage 1 bij deze ruimtelijke onderbouwing. Figuur 15. Toekomstige situatie, plangebied bij benadering rood omlijnd (bron: Blauwhoed)
Het plangebied is de overgang van het spoor naar het Van Bergen IJzendoornpark. Aan de zijde van het spoor (noordzijde plangebied) komt hogere bebouwing tot 4 à 5 bouwlagen hoog die afloopt naar maximaal 3 lagen. De parkzone heeft een minimale breedte van overwegend 30 meter van gevel tot gevel. Tussen het plan en het Van Bergen IJzendoornpark blijft een groene ecologische zone in stand, die het plan afschermt van dit monumentale park. Aan de zuidoostzijde betreft het een groenstrook van circa 4 meter die wordt aangelegd als bosplantsoen. Aan de zuidwestzijde betreft het een verbrede watergang met een eiland in het het midden met wilgenbeplanting. De woningen richten zich op de parkzone. Bestaande elementen In en rondom het Lombokterrein zijn verschillende bestaande elementen die waardevol zijn vanuit bijvoorbeeld cultuurhistorie of ecologie.
Hiervoor geldt een aantal uitgangspunten: Leeuwenpoort: de vrije ligging van de poort in het groen en de zichtlijnen van en naar het stationsgebied blijven behouden; Volière: de ten zuiden van het plangebied gelegen volière blijft behouden; Halve Maan: op de gronden rondom de volière loopt het groene karakter van het Van Bergen IJzendoornpark door, direct rondom de volière wordt geen bebouwing toegevoegd; Van Bergen IJzendoornpark: het nieuwe plan doet geen afbreuk aan het monumentale park; Zorgvuldige omgang met de (gesloten) groene wand en het water aan de zuidrand van het terrein; Er wordt rekening gehouden met de historische gelaagdheid die voorkomt in en om het plangebied.
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 36
ARCHEOLOGIE Algemeen In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn: archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ); in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden; de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen en de uitwerking van alle archeologische onderzoeken. Het verdrag is geïmplementeerd in de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden. Het relevante beleid is verder reeds toegelicht in paragraaf 3.4.6.
Relatie tot ontwikkeling Gemeente Gouda beschikt over een eigen archeologische waardenkaart (de Archeologische Beleidskaart). Hierop wordt het grootste deel van het plangebied aangeduid met een hoge verwachtingswaarde vanaf 2,0 meter onder maaiveld. Overige delen hebben een lage verwachtingswaarde vanaf 0,5 meter onder maaiveld (zie onderstaand figuur). Figuur 16. Uitsnede Archeologische beleidskaart gemeente Gouda (bron: gemeente Gouda)
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 37
Om uit te wijzen in hoeverre archeologische waarden in het plangebied aanwezig zijn en op welke wijze hier rekening mee gehouden kan worden, is archeologisch onderzoek uitgevoerd door Bureau voor Archeologie. De rapportage is opgenomen als bijlage 2 bij deze ruimtelijke onderbouwing. Uit het onderzoek blijkt dat in het plangebied zeer waarschijnlijk de top van het veen is verstoord, waardoor eventuele archeologische resten niet meer intact zullen zijn. Bovendien ligt het plangebied op dusdanige afstand tot ontginningsassen dat geen resten van ontginningsboerderijen worden verwacht. Gezien de diepte van de verstoringen is het onwaarschijnlijk dat resten gerelateerd aan het veenriviertje, zover hier sprake van is geweest, nog intact zullen zijn. Naar verwachting zullen geen archeologische resten door de voorgenomen plannen verstoord worden. Vervolgonderzoek is dan ook niet noodzakelijk en geadviseerd wordt om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling.
Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van het plangebied.
CULTUURHISTORIE Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moeten aanwezige cultuurhistorische waarden meegewogen worden in de besluitvorming. Vanaf 1 januari 2012 is in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vastgelegd bij het maken van een bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met cultuurhistorische waarden. Als gevolg hiervan is het van belang dat voorafgaand aan het maken hiervan de aanwezige cultuurhistorische waarden bekend zijn. Het relevante beleid is verder reeds toegelicht in paragraaf 3.4.5.
Relatie tot ontwikkeling In het plangebied zijn geen rijksmonumenten of monumentale bomen aanwezig en het maakt geen onderdeel uit van een beschermd stadsgezicht. Wel is aan de zuidzijde van het plangebied het Van Bergen IJzendoornpark gelegen. Dit is aangewezen als gemeentelijk monument. De nieuw beoogde ontsluitingsweg in het zuiden van het plangebied vindt aansluiting op de straat Van Bergen IJzendoornpark die hier in de aangewezen zone gelegen is (zie onderstaande figuur). Figuur 17. Uitsnede CHBK gemeente Gouda (bron: https://gis.gouda.nl/viewer/app/Cultuurhistorie_open), plangebied bij benadering rood omlijnd
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 38
In het kader van de beoogde ontwikkeling is een cultuurhistorische analyse uitgevoerd. De resultaten worden hieronder toegelicht (teksten ontleend uit Kavelpaspoort Lombokterrein, augustus 2022). Cultuurhistorie Lombokterrein Op het Lombokterrein komen verschillende ruimtelijke structuren samen. Ten eerste is er het onderliggende polderlandschap met een orthogonaal slotenpatroon in noordoost-zuidwest richting. Daar dwars doorheen is de spoorlijn aangelegd in oost-west richting. Het Lombokterrein zelf is een tijd als waterbekkens ingericht geweest ten behoeve van waterretentie voor het spoor en het station. Deze bekkens werden in de richting van het spoor aangelegd en daaraan ontleent het terrein zijn vorm en richting die afwijkt van het onderliggende polderpatroon. In 1888 zijn de waterbekkens gedempt en is het Lombokterrein in gebruik genomen als rangeerterrein. Het terrein is grotendeels opgehoogd en ligt duidelijk hoger dan de omgeving. In de zuidwesthoek van het Lombokterrein is dit niet gebeurd. Deze driehoek, omgeven door sloten is een overblijfsel uit het polderlandschap. In de plannen is ervoor gekozen om de tijdslaag waarin het emplacement is aangelegd als uitgangspunt te nemen voor de verkaveling. De driehoek die in deze tijd niet is opgehoogd, wordt betrokken in de orthogonale verkaveling.
Tussen spoor/station en de binnenstad is in 1901-1902 het Van Bergen IJzendoornpark aangelegd. Dit park, in Engelse landschapsstijl, is als cultuurhistorisch waardevol bestemd en beschermd als gemeentelijk monument. De drassige grond is hier getransformeerd in een langgerekte, quasi-landschappelijke vijverpartij met enkele bruggetjes. Het karakter is in zichzelf gekeerd, er zijn geen zichtlijnen van buiten het park. Het park heeft dichte randen met villa’s en hoog opgaande begroeiing van bosjes en bomen. De bomen en bosschages aan de zuidzijde van het Lombokterrein zijn onderdeel van de cultuurhistorische waarde van het park en zijn ook van ecologische waarde. Ter hoogte van het Lombokterrein is de entree naar het park gemarkeerd door de Leeuwenpoort. De twee beelden van leeuwen op bakstenen pijlers waren onderdeel van de afgebroken Kleiwegpoort. Een klein stukje westelijker, buiten het plangebied is ook een monumentale volière te vinden. Het Lombokterrein heeft een rijke geschiedenis en is cultuurhistorisch interessant.
Hierbij gelden de volgende waardevolle punten: Relatie met het Van Bergen IJzendoornpark en het spoor; Entree tot het park via de Leeuwenpoort en via de Halve Maan nabij de volière; Zichtlijnen op het park en vice versa; Historische polderrichtingen; Relicten van het polderlandschap met sloten en waterpartijen en het eilandje in de zuidwestelijke hoek door het eerdere gebruik als waterbekkens; Het gebruik als rangeerterrein. Bij ontwikkeling van het Lombokterrein is zorgvuldig omgegaan met de complexe (cultuur)historische context die blijkt uit verschillende onderzoeken en studies. Zoveel mogelijk van bovenstaande cultuurhistorische punten zijn in het plan geïntegreerd, zoals ook blijkt uit het stedenbouwkundig plan.
Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van het plangebied.
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 39
BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Algemeen Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken. Tabel 1. Richtafstanden bedrijven en milieuzonering.
Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk / rustig buitengebied 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor. Gebieden langs een hoofdinfrastructuur worden ook gekwalificeerd als gemengd gebied.
Relatie tot ontwikkeling Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Het plangebied wordt omgeven door maatschappelijke bestemmingen (zoals een onderwijsgebouw) en kantoorbestemmingen. Daarnaast ligt direct ten noorden van het plangebied een spoorweg (zie ook onderstaande figuur). Daarom wordt het plangebied gekarakteriseerd als gemengd gebied. De beoogde woningen op het Lombokterrein worden getypeerd als een gevoelige bestemming in het kader van milieuzonering. Zodoende moet gekeken worden in hoeverre bestaande bedrijvigheid in de omgeving een belemmering vormt voor deze woningen. Voor de RIP geldt dat gekeken moet worden of voldoende afstand tot omliggende gevoelige bestemmingen wordt aangehouden.
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 40
Figuur 18. Uitsnede bestemmingsplankaart (www.ruimtelijkeplannen.nl)
Direct ten oosten van het plangebied is een kantoorbestemming opgenomen. Kantoren vallen in milieucategorie 1, hiervoor geldt in gemengd gebied een richtafstand van 0 meter tot woningen. Aan deze afstand wordt zodoende voldaan. Aan de zuidwestzijde van het plangebied is een school gevestigd. Hiervoor geldt milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. De beoogde nieuwbouwwoningen in het plangebied zijn op ten minste 10 meter afstand gesitueerd, waardoor aan de richtafstand wordt voldaan. Ten noorden/oosten van het plangebied is het station gesitueerd, hier is in het bestemmingsplan een bestemming voor 'Verkeer - Railverkeer' opgenomen. Voor stations geldt een milieucategorie van 3.2 met richtafstand van 50 meter in gemengd gebied. Aan deze richtafstand wordt niet voldaan. Ook is de RIP beoogd in het plangebied. Binnen de geldende richtafstand van de bedrijvigheid zijn de woningen op het Lombokterrein beoogd en zijn ook (zorg)woningen (Huize Winterdijk) ter plaatse van de maatschappelijke bestemming (ten westen van het plangebied) gelegen. Derhalve dient onderzoek (akoestisch onderzoek voor geluid en externe veiligheidsonderzoek voor gevaar) uit te wijzen of gemotiveerd afgeweken kan worden van de richtafstanden. Dergelijk onderzoek is uitgevoerd. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 4.8 (Geluid) en 4.7 (Externe veiligheid).
Vooruitlopend hierop kan worden gemeld dat de activiteiten geen belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling, mits de gestelde voorwaarden in acht worden genomen, en in dit kader derhalve een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen gerealiseerd kan worden. De voorgestelde maatregelen worden getroffen. Derhalve wordt gemotiveerd van de richtafstanden afgeweken en wordt een goed woon- en leefklimaat geborgd. In de omgeving van het plangebied zijn verder geen bedrijven aanwezig die het beoogd initiatief belemmeren en vice versa. Onderdeel van het plan, zoals ook beschreven in paragraaf 2.2 is het behoud van het relaishuis centraal gesitueerd binnen het plangebied. Het relaishuis kent maximaal milieucategorie 2. Uitgaande van gemengd gebied, geldt een richtafstand van 10 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan. De afstand van het relaishuis naar de dichtstbijzijnde woning is minimaal 12 meter. De GGD heeft eerder geadviseerd om rekening te houden met elektromagnetische velden afkomstig van het relaishuis en/of ondergrondse hoogspanningslijnen en geen woningen te realiseren op plaatsen waar het magnetische veld boven de 0,4 microtesla uitkomt. Binnen de projectlocatie is geen sprake van magnetische velden, aangezien de aanwezigen leidingen geen hoogspanningsleidingen betreffen. Het een en ander is nader door ProRail onderbouwd in een memo.
Hieruit blijkt dat de kabels in het relaishuis en in het kabeltracé tussen het relaishuis en het emplacement voedingskabels, seinwezen kabels en middenspanning kabels 3 kV betreffen.
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 41
Het hoogste vermogen betreft 3 kV kabels die - uitgaande van aanleg volgens de geldende richtlijnen en dat is het geval - geen risico met zich mee brengen van een magnetisch veld hoger dan de geldende grenswaarde. Derhalve kan geconcludeerd worden dat voldaan wordt aan het advies van de GGD voor wat betrekt elektromagnetische velden geen belemmering vormt voor het project dat middels voorliggende rapportage mogelijk gemaakt dient te worden.
Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van het plangebied.
BODEM Algemeen Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden.
Relatie tot ontwikkeling Ten behoeve van de geplande herinrichting zijn diverse bodemonderzoeken uitgevoerd. De onderzoeksresultaten voor het terrein waar de woningen beoogd zijn worden hieronder toegelicht. Vervolgens wordt ingegaan op de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatste van de nieuwe RIP locatie. Het meest recente onderzoek d.d. 26 oktober 2020 is uitgevoerd door Grondslag bodemkwaliteitsbureau. In dit onderzoek zijn de eerder uitgevoerde onderzoeken meegenomen, derhalve wordt enkel op dit onderzoek ingegaan (opgenomen als bijlage 4 bij deze ruimtelijke onderbouwing). In het bodemonderzoek is het plangebied opgedeeld in 3 deelgebieden, in onderstaande figuur zijn de 3 deelgebieden weergegeven. Het doel van het onderzoek is het verkrijgen van een indicatie van de kwaliteit van de bodem, zowel chemisch als ten aanzien van asbest, zodat globaal bekend is met welke saneringsmaatregelen rekening gehouden moet worden bij de ontwikkeling van het terrein. De reeds bekende Wbb-gevallen worden niet onderzocht. Figuur 19. Afbakening onderzoeksgebied indicatief bodem- en asbestonderzoek (Grondslag, 2020)
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 42
Uit het onderzoek door Grondslag kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Voor de ontwikkeling van de locatie wordt aangeraden de verontreiniging van het eiland te saneren. Aangeraden wordt om de verontreiniging ter plaatse van de boringen 10 en 11 verder in kaart te brengen om te bepalen of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Tevens wordt aanbevolen om de verhardingslaag ter plaatse van de boringen 14 en 27 nader te onderzoeken op asbest. Ter plaatse van boring 06 wordt aangeraden de grond met een teergeur apart te ontgraven en af te voeren naar een erkende verwerker als sterk met PAK verontreinigde grond. Aanbevolen wordt om de grond die maximaal matig verontreinigd is en tijdens de werkzaamheden vrijkomt te hergebruiken binnen de perceelsgrenzen. Indien dit niet mogelijk is kan de grond op basis van dit rapport worden afgevoerd naar een grondbank of -depot. Als de grond wordt afgevoerd voor hergebruik elders, is (normaliter) eerst een keuring nodig (doorgaans incl. PFAS) conform het Besluit Bodemkwaliteit. Met name bij grotere partijen grond is dit laatste voordeliger dan afvoeren naar een grondbank of -depot. De gemeente beschikt over een bodemkwaliteitskaart, waardoor in sommige gevallen hergebruik mogelijk is zonder aanvullend onderzoek.
De sterk verontreinigde grond mag binnen het geval en onder de toekomstige leeflaag worden herschikt. De beoogde nieuwe locatie voor de RIP valt buiten het onderzoeksgebied van de rapportage door Grondslag. Ter plaatse van deze locatie was een geval van bodemverontreiniging geconstateerd (Wbb-12). Bij dit geval was sprake van een sterke grondwaterverontreiniging die al stabiel was. Deze gronden zijn gesaneerd en hiervan is in 2015 een evaluatieverslag opgeleverd. Uit de beoordeling door het bevoegd gezag (zie brief ODMH d.d. 15 juli 2015 welke is opgenomen als bijlage 3 bij deze ruimtelijke onderbouwing), blijkt dat de formele eindresultaat (stabiele eindsituatie) voor Wbb-12 is aangetoond door een monitoring. Hiermee is aangetoond dat de verontreinigingssituatie niet is veranderd ten opzichte van de situatie voor de sanering. De bodem van de gesaneerde percelen worden wel geschikt geacht voor het beoogde gebruik. In het plangebied zal (na de sloopwerkzaamheden), daar waar nodig, nader onderzoek worden uitgevoerd. Op deellocaties zal sanering plaatsvinden om de locatie geschikt te maken voor de beoogde woonfunctie. De milieuhygiënische bodemkwaliteit is in het kader van de bestemmingswijziging voldoende in kaart gebracht.
Conclusie Het aspect bodem vormt een randvoorwaarde, maar geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van het plangebied. In het kader van de planologische procedure, die middels voorliggende rapportage mogelijk gemaakt dient te worden, is het aspect bodem voldoende onderzocht. In het kader van het aspect uitvoerbaarheid (zie ook navolgend hoofdstuk 5 van onderhavige rapportage) van het plan zijn voldoende financiële middelen gereserveerd voor de realisatie van het plan.
DUURZAAMHEID Algemeen Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EPBD).
Relatie tot ontwikkeling Voor de RIP geldt dat de impact van de verplaatsing van de RIP beperkt is. Er worden ter plaatse van de RIP geen gebouwen gerealiseerd. Het verhard oppervlak wordt zo minimaal mogelijk gehouden en neemt af ten
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 43
opzichte van de huidige situatie. In het kader van duurzaamheid kan zodoende worden gesproken van een verbetering van de situatie, aangezien water beter in de bodem kan infiltreren. Zoals reeds toegelicht wordt 15% van het plangebied ingericht als openbaar groen. De beoogde woningen ter plaatse van het Lombokterrein worden op duurzame wijze gerealiseerd. De woningen voldoen aan de BENG eisen voor nieuwbouw. Daarnaast is aandacht voor het klimaat met betrekking tot ecologie, biodiversiteit, energie en materiaal. De thema’s worden hieronder toegelicht. Ecologie en biodiversiteit In een steeds verder verstedelijkt land, komt de biodiversiteit in het geding. De beoogde ontwikkeling speelt hierop in door natuurinclusief te ontwerpen. Dit kan bijvoorbeeld door toepassing van groene daken, groene gevels, nestkasten en diversiteit in de inheemse beplanting. Natuurinclusief bouwen levert een bijdrage aan de instandhouding van soorten en levert tegelijkertijd een bijdrage aan een prettige leefomgeving. De nieuwe bewoners worden gestimuleerd om de tuinen niet volledig te verharden, bijvoorbeeld door de tuinen op te leveren met zwarte aarde in plaats van zand. Bij de inrichting van de tuinen wordt verder ingezet op zo min mogelijk verharding en duurzame materialisatie en uitvoering van erfscheidingen, bijvoorbeeld egelvriendelijke erfscheidingen.
De openbare ruimte op het Lombokterrein is voor mens en dier en verandert mee met de seizoenen: Natuurlijke beplanting; Soorten gericht op biodiversiteit; Natuurlijke oevers; Geïntegreerde nestkasten voor bijvoorbeeld mussen, zwaluwen en vleermuizen in gevel, nokken, tussenspouw of overstekken; Inbouw gevelstenen voor insecten zoals bijen of blokken aan de gevel; Groene gevels en daken (ook voor verkoeling van de woningen). Klimaatadaptief Ook klimaatadaptatie is beleefbaar in de openbare ruimte: Water vasthouden in het gebied m.b.v. wadi’s en groene daken; Hoogteverschillen, waterpartijen en wadi’s zorgen voor het gevoel dat natuur overal om je heen is; Zichtbaar/beleefbaar watersysteem. Energie De energietransitie is onderweg, we gaan van fossiele brandstoffen naar duurzame energie. Voor de nieuwbouw wordt uitgegaan van een GPR-score van minimaal 7,5. Voor de energieprestatie en de verschillende onderdelen voor energie geldt een minimale GPR-score van 8. Het streven is om zo snel mogelijk ‘nul op de meter’ te gaan bouwen en toe te werken naar een GPR-score van 8 of hoger. De gemeente wil bovendien in de Spoorzone graag in samenwerking met de betrokken marktpartijen een collectief warmtesysteem realiseren en zal daar actief op sturen. Ook zijn elektrische laadpalen voorzien. Zoals reeds toegelicht wordt daarnaast aan de BENG eisen voldaan.
Materiaal Materialen zijn een schaars goed. Bij de beoogde ontwikkeling wordt aandacht besteed aan materiaalgebruik, om hier op een bewuste manier mee om te gaan. Bijvoorbeeld door: Restmaterialen van gesloopte gebouwen worden waar mogelijk opnieuw gebruikt (sporen, bielzen, kinderkopjes), waarbij de plek haar identiteit ontleent aan haar spoorverleden; Een materiaalpaspoort geeft inzicht in het materiaalgebruik en de wijze waarop materialen worden gebruikt. Hiermee ontstaat inzicht in de economische waarde van een gebouw, omdat in beeld wordt gebracht welke waarde alle materialen, die na de gebruiksduur herbruikbaar of recyclebaar zijn, vertegenwoordigen; Verminderen van verharding door verplaatsing van de RIP.
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 44
Conclusie Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
EXTERNE VEILIGHEID Algemeen Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp.
Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast kan ook het risicoregister worden geraadpleegd. Visie Externe Veiligheid gemeente Gouda De Visie Externe Veiligheid geeft mede invulling aan de duurzame ontwikkeling van de stad. Enerzijds moeten ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk blijven, terwijl tegelijkertijd de gemeente zorg draagt voor een veilige woon-, werk- en leefomgeving. In deze visie staat de samenhang tussen ruimtelijke ordening, beheersbaarheid en verantwoording van risico's centraal. In het kader van deze visie is de hele stad beschouwd en voor alle soorten risico's op alle soorten locaties is een uniforme en consequente benadering geformuleerd.
Op deze manier geeft Gouda concreet richting en uitwerking aan een veilige, integrale invulling van haar ruimtelijke ontwikkeling. Bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen geeft de visie planologische kaders voor de procedures. Waar nodig worden aan deze kaders voorwaarden gekoppeld die het risiconiveau beheersbaar houden of risico's uitsluiten. Deze planologische kaders bieden vooraf duidelijkheid in de omgang met externe veiligheid in ruimtelijke procedures.
Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling zelf is geen risicovolle activiteit. De RIP is geen risicobron, aangezien hier geen gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of vervoerd.
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 45
Voor de beoordeling van risico’s is de risicokaart geraadpleegd (zie onderstaande figuur). Voor het plangebied is de spoorweg als risicobron van belang. Over het spoor Rotterdam – Gouda worden gevaarlijk stoffen vervoerd. Hier is het groepsrisico derhalve van belang en ook het plaatsgebonden risico in verband met het plasbrandaandachtsgebied dat aanwezig is. Figuur 20. Uitsnede risicokaart (bron: www.nederland.risicokaart.nl), plangebied bij benadering rood omlijnd
In dit kader is onderzoek uitgevoerd naar de externe veiligheidsrisico's door Oostkracht10. Het onderzoek is opgenomen in als bijlage 5 bij deze ruimtelijke onderbouwing. De RIP komt in dit onderzoek slechts beknopt aan bod, aangezien dit – in tegenstelling tot woningen – geen (beperkt) kwetsbaar object betreft. Hieronder zijn de resultaten uit het onderzoek samenvattend weergegeven. Bij het onderzoek is een addendum is opgenomen (eveneens opgenomen in bijlage 5), omdat het bouwplan na oplevering van het externe veiligheidsonderzoek (2022) op een tweetal punten is aangepast. In het addendum wordt geconcludeerd dat deze aanpassingen niet leiden tot gewijzigde conclusies. Plaatsgebonden risico Voor de plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6 per jaar) is voor basisnetroutes een vaste afstand vastgelegd. Deze is in de Regeling basisnet (hierna: Rbn) opgenomen. Voor de spoorlijn ter hoogte van het plangebied varieert deze afstand van 1 tot 7 meter, gemeten vanaf het midden van de spoorbundel. Het plangebied ligt hierbuiten en daarmee vormt het plaatsgebonden risico geen belemmering geeft voor ruimtelijke ontwikkelingen. Plasbrandaandachtsgebied Voor de spoorlijn ter hoogte van het plangebied geldt een plasbrandaandachtsgebied.
Dit betekent dat nieuwbouw binnen het plasbrandaandachtsgebied (30 meter) moet voldoen aan de bouwkundige eisen zoals opgenomen in de Regeling bouwbesluit 2012. Met het principe "gelijkwaardigheid" kan hiervan worden afgeweken. Voor het plan Lombok is het gelijkwaardigheidsprincipe toegepast. De toegepaste maatregelen hiervoor zijn: Binnen de 30 meter zone zijn de gevels van de stadswoningen zo goed als gesloten. De nog aanwezige deuren en kleine ramen zijn 60 minuten brandwerend. Plaatsen van een vloeistof kerende muur van minimaal 30 cm hoog nabij het spoor. Groepsrisico Hoewel de populatie in het plangebied in de toekomstige situatie groter is dan in de huidige situatie, neemt het groepsrisico in beperkte mate af (6.1%). Dit komt doordat het grootste gedeelte van de bebouwing op een iets grotere afstand van het spoortraject wordt gerealiseerd in vergelijking met de huidige bebouwing. Daarnaast zullen de aanwezige personen en bewoners in de toekomstige situatie meer verspreid aanwezig zijn in het plangebied, wat leidt tot een lagere personendichtheid in vergelijking met de huidige situatie. Het groepsrisico van de spoorlijn dient conform het Bevt beperkt verantwoord te worden. Dit betekent dat inzicht in de mogelijkheden voor de rampenbestrijding en zelfredzaamheid gegeven moet worden. De Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO