Ruimtelijke onderbouwing RO_Lombok_230706
Tekst van het document
Pagina | 46
beleidsvisie van de gemeente stelt echter hogere eisen aan bouwen nabij het spoor. Om deze reden wordt in de verantwoording van het groepsrisico ook ingegaan op het nemen van maatregelen ter verlaging van het groepsrisico. Verantwoording van het groepsrisico Aan de hand van de volgende stappen is invulling gegeven aan de verantwoording van het groepsrisico: 1) Afstand houden 2) Waarderen al bestaande bescherming 3) Overwegen aanvullende bescherming Voor een toelichting hierop wordt kortheidshalve verwezen naar de verantwoording van het groepsrisico zoals opgenomen in het onderzoeksrapport (bijlage 5 bij deze ruimtelijke onderbouwing). Advies veiligheidsregio Op 20 oktober 2021 heeft de veiligheidsregio Hollands Midden een preadvies uitgebracht. In het ontwerp en de verantwoording van het groepsrisico is rekening gehouden met dit advies. Het definitieve advies van de veiligheidsregio d.d. 20 maart 2023 is opgenomen achter het onderzoeksrapport in bijlage 5 bij deze ruimtelijke onderbouwing. Hierin wordt bevestigd dat gelijkwaardige maatregelen voor het plasbrandaandachtsgebied aan worden gevraagd, met hetzelfde resultaat als de algemene regels aan bouwkundige eisen. In het advies wordt verzocht om maatvoering/bochtstralen en bluswatervoorzieningen nader uit te werken en hierbij advies te vragen t.a.v. bestrijdbaarheid van een gebouwbrand.
Ook wordt aandacht gevraagd voor het brandveilig toepassen van groene daken en gevels om het risico op een onbeheersbare brand te voorkomen. In de nadere planuitwerking wordt rekening gehouden met de aandachtspunten uit het advies van de veiligheidsregio. Resumerend kan worden geconcludeerd dat zowel het plaatsgebonden risico en groepsrisico geen belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling. Uitschakelbare mechanische ventilatie Conform de Visie Externe Veiligheid van de gemeente Gouda moeten de woningen worden uitgevoerd met de mogelijkheid om de mechanische ventilatie met één druk op de knop uit te schakelen in geval van calamiteiten. Hiermee wordt voorkomen dat giftige (rook)gassen naar binnen worden gezogen. Dit zal in de omgevingsvergunning onderdeel bouwen als voorschrift worden opgenomen.
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van het plangebied.
GELUID Algemeen In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit: woningen; onderwijsgebouwen; ziekenhuizen; verpleeghuizen; verzorgingstehuizen; psychiatrische inrichtingen; kinderdagverblijven.
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 47
Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen.
Relatie tot ontwikkeling Woningen zijn geluidgevoelige functies. Gezien de ligging binnen de zones van de lokale wegen en het spoor moeten de geluidsaspecten worden beschouwd. Bovendien geldt dat voor de RIP akoestisch onderzoek nodig is, om aan te tonen of van de richtafstanden voor geluid kan worden afgeweken (zoals reeds toegelicht in paragraaf 4.4 Bedrijven en milieuzonering). Voor de beoordeling van weg- en railverkeerslawaai alsmede het geluid afkomstig van de nieuwe RIP, is dan ook een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting op de nieuw te realiseren en bestaande woningen. Voor het bouwplan is bovendien onderzocht of deze zal voldoen aan de Wet geluidhinder en aan de gestelde voorwaarden die vermeld staan in Hogere Waardenbeleid van omgevingsdienst Midden-Holland. Het onderzoek is opgenomen als bijlage 6 bij deze ruimtelijke onderbouwing. De resultaten worden hieronder samenvattend weergegeven. Onderstaande figuur toont de hierbij gebruikte benaming van bouwblokken. Figuur 21. Woningblokken bouwplan Lombok met toetspunten (bron: M+P)
De geluidsbelasting afkomstig van de lokale wegen voldoen aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en is daarmee niet relevant. Wel is sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van het railverkeerslawaai. Blokken 1, 2 en 4 hebben een dove noordelijke gevel op de verdiepingen, dit is nodig omdat ter plaatse van een aantal woningen de maximale grenswaarde van 68 dB wordt overschreden. Middels geluidschermen van 1 en 3 meter wordt een dove gevel op de begane grond vermeden. Daarnaast wordt voor de overige blokken een beter woon- en leefklimaat gecreëerd. In blok 4 (appartementengebouw)
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 48
dient positionering van een slaapkamer in de meest noordelijke gevel vermeden te worden op de tweede en derde verdieping. Bij de geluidsbelaste woningen zijn geluidswerende maatregelen in de gevel nodig om te kunnen voldoen aan het vereiste binnenniveau conform het Bouwbesluit. De RIP is mede van invloed op de geluidssituatie. Bij de bestaande woningen wordt in de representatieve bedrijfssituatie voldaan aan de standaard grenswaarden en in de incidentele situatie aan de verruimde grenswaarden voor zowel het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als het maximaal optredende geluidsniveau. Bij de nieuwbouw is er sprake van een overschrijding van de maximale grenswaarden voor zowel het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als het maximaal optredende geluidsniveau op de verdiepingen. Door het toepassen van dove gevels (of een gebouwgebonden afscherming) wordt de overschrijding teniet gedaan. Op de begane grond wordt wel voldaan aan de standaard grenswaarden en voor het maximaal optredende geluidsniveau aan de maximaal te vergunnen waarde. Bovenstaande geluidsafschermde maatregelen moeten voorwaardelijk voor de woningbouw worden geregeld in de te verlenen vergunning. Ook de reservering voor de schermen moet worden vastgelegd.
In het kader van van de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ is een onderzoek naar geluidwering van de gevels uitgevoerd (“Woningbouwproject Parcours te Gouda - Geluidwering van de gevels”, Peutz, Rapportnummer H 8992-2-RA d.d. 22 juni 2023), waarbij voor de nieuw te bouwen woningen de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructies is onderzocht. Uit de resultaten blijkt dat, bij toepassing van de in het onderzoek omschreven voorzieningen, voldaan wordt aan de vigerende eis uit het bouwbesluit 2012 ten aanzien van de geluidwering van de gevel. Op specifieke locaties zijn aanvullende voorzieningen benodigd om de vereiste geluidwering van de gevel (GA;k) te realiseren. Geconcludeerd kan worden dat een akoestisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. Randvoorwaarde is dat een deel van de bebouwing met dove gevels wordt uitgevoerd en geluidsafschermende maatregelen worden getroffen. Bovendien zijn hogere waarden nodig. Deze worden aangevraagd.
Conclusie Het aspect geluid vormt een randvoorwaarde, maar geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van het plangebied.
LUCHTKWALITEIT Algemeen In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van ‘niet in betekenende mate’ is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder:
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 49
woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen.
Relatie tot ontwikkeling In onderhavig geval is sprake van een toevoeging van 58 woningen en behoud/verplaatsing van een RIP. Op basis van bovenstaande voorbeelden mag geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt. Voor de volledigheid is op basis van de berekende verkeersgeneratie (zie paragraaf 4.13 Verkeer en parkeren) de NIBM-rekentool gebruikt. Op basis daarvan kan eveneens geconcludeerd worden dat de grenswaarde van 3% niet wordt overschreden en de ontwikkeling daarmee niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit (zie hiernavolgende figuur). De beoogde ontwikkeling maakt bovendien geen gevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) mogelijk. Een luchtkwaliteitsonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Er is uitgegaan van enkel de toename aan motorvoertuigbewegingen als gevolg van het plan dat voorliggende rapportage mogelijk maakt. De verkeersbewegingen van en naar de RIP blijven ongewijzigd, aangezien deze niet in omvang toe- of afneemt. Figuur 22. NIBM-rekentool 2022
Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van actuele kaarten kan worden beoordeeld wat de totale concentratie is ter plaatse van een specifiek rekenpunt. Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woonen leefklimaat ter plaatse van het plangebied. De grenswaarden voor toetsing van deze concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5. De hiernavolgende tabel toont de totale concentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij de projectlocatie geraadpleegd via het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) op 17 maart 2023) met bijbehorende grenswaarden.
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 50
Tabel 1. Totale concentraties van stikstofdioxide en fijnstof in nabijheid van de projectlocatie Jaar Totale concentratie rekenpunt 15830062 NO2 (µg/m3)
PM10 (µg/m3)
PM2,5 (µg/m3)
2030
12,295
15,165
7,931
Grenswaarden
40
40
25
Uit
bovenstaande tabel blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van het plangebied, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden en gesproken kan worden van een goede luchtkwaliteit. De maximale bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de beoogde ontwikkeling, is niet van zodanige omvang dat een overschrijding van de grenswaarden hierdoor te verwachten is.
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van het plangebied.
NATUUR Algemeen Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000gebieden.
Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Voorheen gold hier de regeling Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) voor, maar naar aanleiding een tweetal belangrijke uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar, kan al sprake zijn van een significant negatief effect. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie.
Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een ‘nee-tenzij-toets’. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN.
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 51
Relatie tot ontwikkeling In het kader van soortenbescherming en gebiedsbescherming zijn diverse onderzoeken uitgevoerd. Soortenbescherming In het kader van flora en fauna is een bomen inventarisatie, ecologische quickscan en nader ecologisch onderzoek uitgevoerd door Econsultancy. De onderzoeksrapportages zijn opgenomen als bijlage 7 bij deze ruimtelijke onderbouwing. De onderzoeksresultaten worden hieronder samenvattend weergegeven. Bomeninventarisatie In totaal zijn er 179 bomen in het plangebied geïnventariseerd. Van de 179 bomen betreft het voornaamste gedeelte exemplaren van de soorten zwarte els (Alnus glutinosa) en schietwilg (Salix alba). Indien voor de geplande herontwikkeling bomen geveld moeten worden, is mogelijk een omgevingsvergunning met activiteit vellen (lees: kapvergunning) benodigd. Volgens de Bomenverordening 2010 (gemeente Gouda) is voor private bomen een vergunning benodigd indien de stamdiameter groter of gelijk is aan 30 centimeter (gemeten op 1,30 cm boven maaiveld). In de bomeninventarisatie is opgenomen welke bomen het betreft. Bij uitvoering zal hier rekening mee gehouden worden en indien nodig een vergunning worden aangevraagd. Daarnaast zijn ‘bomen met gebreken’ geregistreerd, waardoor veiligheidsmaatregelen noodzakelijk zijn voorafgaand aan de (bouw)werkzaamheden. Ook hier zal voldoende rekening mee gehouden worden bij de planuitvoering.
Quickscan flora en fauna In de quickscan is beoordeeld of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Het volgende is geconcludeerd: Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door werkzaamheden aan het groen en de bebouwing buiten het broedseizoen uit te voeren. Voor de aangetroffen steilwand met mogelijke nestlocatie van ijsvogel dienen gepaste alternatieven aangeboden te worden, onder begeleiding van een deskundige en buiten de invloedssfeer van de ontwikkeling. Een nader onderzoek ten aanzien van gebouw- en boombewonende vleermuizen dient uit te wijzen of beschermde functies in de bebouwing en de bomen met gaten in een deel van het plangebied aanwezig zijn. Ter plaatse van het naastgelegen kantoorgebouw dient vleermuisvriendelijke verlichting toegepast te worden. De bomenrij ten zuiden van de watergang dient intact gehouden te worden ten behoeve van potentiële vliegroutes van vleermuizen. Een nader onderzoek ten aanzien van ringslang moet uitwijzen of er vaste rust- en voortplantingsplaatsen van ringslang aanwezig zijn langs de zuidelijke watergang, op het eilandje en ter plaatse van de nieuwe RIP locatie.
Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht en worden enkele aanbevelingen gedaan. Nader onderzoek (vleermuizen + ringslang) Het nader ecologisch onderzoek is uitgevoerd naar gebouw- en boombewonende vleermuizen en de ringslang. Er zijn geen verblijfsfuncties van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis of watervleermuis waargenomen op de onderzoekslocatie. Ten oosten van het plangebied zijn enkele paarverblijfsplaatsen waargenomen en in het plangebied zijn nietessentiële foerageergebieden waargenomen. Diverse aanbevelingen worden gedaan, zoals vleermuisvriendelijke verlichting. Deze zullen in acht worden genomen bij de verdere planuitwerking. Dit vormt verder geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er zijn bovendien geen functies van de ringslang of individuen van de ringslang waargenomen. Vervolgstappen zijn niet benodigd en ook dit vormt verder geen belemmering. Verder geldt de algemene zorgplicht en worden enkele aanbevelingen gedaan.
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 52
Een van de aanbevelingen is het aanbrengen van compenserende maatregelen gezien de aanwezigheid van het ijsvogelnest binnen de projectlocatie. Ook is in de watergang een waterdrieblad aanwezig. Aangezien deze soort op de rode lijst staat, wordt geadviseerd deze zo veel mogelijk te behouden. Bij de uitwerking van het plan zal zoveel mogelijk rekening gehouden worden met deze aanbevelingen. Het aspect soortenbescherming vormt geen belemmering. Gebiedsbescherming Om uit te wijzen in hoeverre het beoogde gebruik indirect leidt tot significant negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie, is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (bouw- en gebruiksfase). De rapportage met AERIUS-berekening is opgenomen als bijlage 8 bij deze ruimtelijke onderbouwing. Uit de rapportage blijkt dat de maximale projectbijdrage van het gebruik van de bebouwing niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar op de meest dichtbijgelegen stikstofgevoelige habitattypen. Indirecte negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie kunnen daarmee worden uitgesloten. Het aspect gebiedsbescherming vormt geen belemmering.
Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van het plangebied.
ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN Algemeen De opslag van munitie en/of explosieven valt niet onder het toepassingsgebied van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Op de opslag van munitie en/of explosieven is de 'Circulaire Opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik' van toepassing. In tegenstelling tot het Bevi is geen sprake van risicobenadering maar van een effectbenadering bij de opslag van munitie en/of explosieven. Per categorie explosieven zijn aan te houden afstanden onderscheiden. Kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogen binnen deze afstanden niet aanwezig zijn. Conform de Arbowetgeving dient voorafgaand aan grondroerende werkzaamheden het terrein onderzocht te worden op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Hiermee wordt voorkomen dat tijdens werkzaamheden in de bodem ontplofbare oorlogsresten worden aangetroffen die een gevaar voor de werknemers en de openbare orde en veiligheid kunnen vormen.
Relatie tot ontwikkeling Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is, in het kader van NGE, door Explosive Clearance Group (ECG) een onderzoek uitgevoerd. De onderzoeksrapportage is opgenomen als bijlage 9 bij deze ruimtelijke onderbouwing. Hieronder zijn samenvattend de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Op basis van het geraadpleegde bronnenmateriaal zijn er feitelijke en positioneerbare gegevens achterhaald die erop wijzen dat het onderzoeksgebied betrokken is geweest bij oorlogshandelingen. Op de CEBodembelastingkaart worden delen van het gebied aangemerkt als 'verdacht'. Er zijn grondroerende werkzaamheden en opsporingswerkzaamheden (bijvoorbeeld in verband met sonderingen en proefsleuven) uitgevoerd in delen van het als verdacht aangemerkte gebied. Hierdoor kunnen deze delen voor wat betreft de naoorlogs geroerde en onderzochte locaties als ‘onverdacht’ worden aangemerkt.
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 53
In de verdachte gebieden kan afgeworpen munitie uit de periode 1940-1945 worden aangetroffen. Over de hoeveelheden zijn geen feitelijk te staven uitspraken te doen. Er is in het primaire bronnenmateriaal geen bewijs gevonden voor de inzet van afwerpmunitie met trillingsgevoelige ontstekingsmechanismen. ECG adviseert om het opsporingsproces voort te zetten in de gebieden die op de CE/OOBodembelastingkaart als 'verdacht' zijn aangemerkt. Tevens dienen uitvoerende partijen op de hoogte gesteld te worden van het Protocol Spontane Vondst. De voorgestelde maatregelen zullen bij uitvoering/bouw worden getroffen. Door het uitvoeren van opsporingswerkzaamheden worden de potentiële risico's met betrekking tot CE/OO op een effectieve manier beheerst.
Conclusie Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van het plangebied.
TRILLINGEN Algemeen Bij het aspect trillingen gaat het in de afweging meestal om bescherming tegen trillingshinder door personen. Er kan ook sprake zijn van verstoring van activiteiten door trillingen (bijvoorbeeld laboratoria of computercentra). Trillingen ontstaan doordat een bron (bijvoorbeeld een passerende goederentrein), eventueel via een gebouw, een kracht uitoefent op de bodem. Net als bij geluid kunnen trillingen in relatie met trillingshinder beschreven worden in het volgende model: bron overdracht ontvanger. Anders dan bij geluid vindt de overdracht niet plaats via de lucht (gasvormig medium), maar via vaste materie (bodem, vloeren, wanden en dergelijke). Weg- of railverkeer en industriële activiteiten kunnen trillingen in de bodem veroorzaken. De trilling verspreidt zich verder via de bodem. Hoewel de sterkte afneemt naarmate de afstand tot de bron groter wordt, kan de trilling ergens anders hinder of zelfs schade opleveren.
Relatie tot ontwikkeling SBR-richtlijn Voor het beoordelen van trillingen op het risico van gebouwschade, hinder voor personen in gebouwen of verstoring van apparatuur/processen, heeft de Stichting Bouwresearch de SBR-richtlijn 'Trillingen' uitgegeven. De richtlijn heeft geen wettelijke status, maar heeft mede door jurisprudentie een ruim draagvlak opgebouwd en wordt geïnterpreteerd als de meest recente stand der inzichten. Deze richtlijn bestaat uit de volgende drie delen: SBR-A: Schade aan gebouwen, uitgave 2017. SBR-B: Hinder voor personen in gebouwen, uitgave 2002. SBR-C: Storing aan apparatuur, uitgave 2002. Het plangebied ligt naast het spoor en er is kans dat trillingshinder optreedt voor de toekomstige bewoners en gebruikers van het nieuwe gebouw dat het bestemmingsplan mogelijk maakt. De SBP-richtlijn hanteert streefwaardes die afhangen van de toekomstige gebouwfunctie. Bij de nieuwbouw zal rekening moeten worden gehouden met deze streefwaarden. Wanneer uit onderzoek blijkt dat de trillingsniveau hoger is dan de streefwaarde, zijn bouwkundige maatregelen of overdrachtsmaatregelen mogelijk, zoals het aanbrengen van een stijve(re) fundering, een trillingsarm gebouwontwerp of een ingreep in de bodem tussen het spoor en het gebouw.
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 54
Onderzoek en advies trillingshinder Om meer zicht te krijgen op mogelijke trillingshinder als gevolg van de ligging naast het spoor, is een trillingshinder onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is uitgemond in een advies welke is opgenomen als bijlage 10 bij deze ruimtelijke onderbouwing. De resultaten worden hieronder samenvattend weergegeven. Aangezien de RIP geen trillingsgevoelige functie betreft, is deze in het advies buiten beschouwing gelaten. In oktober 2020 is een meetsysteem in het bestaande kantoorpand aan het Stationsplein 7 geplaatst. In november 2020 zijn overdrachtsmetingen uitgevoerd. Op basis van deze metingen is een prognose gemaakt voor het te verwachten trillingsniveau ter plaatse van het ontwikkelplan. Hieruit volgen de maatregelen die getroffen dienen te worden om te kunnen voldoen aan de streefwaarde voor trillingshinder. Om de trillingswaarden te kunnen beoordelen zijn de richtwaarden gebruikt van de SBR richtlijn B 'hinder voor personen in gebouwen'. De metingen zijn uitgewerkt conform de statistische methode uit deze richtlijn. Uit metingen ter plaatse van het maaiveld bij de toekomstige woningen blijkt dat de streefwaarde voor hinder conform de SBR richtlijn deel B overschreden wordt. Binnen een afstand van 34 meter vanaf het spoor is er risico op trillingshinder in de woningen.
Rekening houdende met bovengenoemde minimale reductie zijn praktisch gezien maatregelen nodig voor 5 van de woningblokken. De benodigde reductie ten opzichte van het maaiveld is berekend. De trillingsreducerende maatregelen dienen nader uitgewerkt te worden. Verwacht kan worden dat bij de bungalow-woningen en de appartementen met een zwaardere, stijve gebouwconstructie kan worden volstaan. Bij de stadswoningen zijn speciale trillingsdempende maatregelen nodig. Denk daarbij aan een trillingdemping tussen de fundering en de woningen in de vorm van een trillingsdempend materiaal of stalen veren. De constructie van deze woningen dient aangepast te worden aan de benodigde trillingsreductie, er is een speciale bouwwijze nodig. Zodoende wordt in de verdere planuitwerking rekening gehouden met de te treffen maatregelen. Hierdoor kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gerealiseerd. De definitieve toetsing hiervan vindt plaats in het kader van de vergunningenfase voor de activiteit ‘bouwen’.
Conclusie Het aspect trillingen vormt een randvoorwaarde, maar geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van het plangebied.
VERKEER EN PARKEREN Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld.
Relatie tot ontwikkeling Om de verkeerssituatie en de parkeerbehoefte voor de woningen in beeld te brengen, is een onderzoek uitgevoerd door Goudappel. De rapportage is opgenomen als bijlage 11 bij deze onderbouwing. De resultaten worden hieronder samenvattend besproken. Ontsluiting De woningen worden via twee verschillende ontsluitingswegen ontsloten (zie ook onderstaande figuur). De zuidzijde is in één richting toegankelijk voor gemotoriseerd verkeer. De noordzijde is in twee richtingen toegankelijk voor gemotoriseerd verkeer, de uitzondering hierop vormt het verkeer dat richting de railinzetplaats van Prorail moet kunnen rijden.
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 55
Figuur 23. Ontsluitingssituatie (bron: Goudappel)
Verkeer en parkeren Uit het onderzoek worden de volgende conclusies getrokken: Per werkdagetmaal bedraagt de verkeersgeneratie van De Lombok (58 woningen) 378 motorvoertuigen. Hiervan zijn 30 motorvoertuigbewegingen in het ochtendspitsuur en 34 motorvoertuigbewegingen in het avondspitsuur te verwachten. De verkeersgeneratie per weekdag bedraagt 340 motorvoertuigbewegingen. Er is sprake van een verkeersveilige verkeersdruk op het Van Bergen IJzendoornpark en in het plangebied De Lombok. De railinzetplaats (RIP) van Prorail moet bereikbaar blijven voor zware voertuigen (bijvoorbeeld vrachtwagens of diepladers). De frequentie van de zware voertuigen ten behoeve van de RIP is beperkt: in de afgelopen drie jaar ging het om circa 60 keer per jaar. De noordelijke ontsluitingsroute, de straat die evenwijdig loopt aan het spoor, kan gebruikt worden door dit incidentele zware verkeer in beide richtingen. Om genoeg ruimte te bieden voor tegemoetkomend verkeer zullen er inhaalhavens worden gerealiseerd. Bij de geslotenverklaring (eenrichtingsverkeer voor gemotoriseerd verkeer op de straat die evenwijdig loopt aan het spoor) komt een onderbordje ‘met uitzondering van voertuigen van Prorail’. Dit bordje komt ook te staan bij het bordje eenrichtingsverkeer aan de andere zijde.
Het wegvak Van Bergen IJzendoornpark biedt in 2030 zonder De Lombok een restcapaciteit van circa 1.900 motorvoertuigbewegingen. Er is geen negatief effect op de verkeersafwikkeling op wegvak Van Bergen IJzendoornpark te verwachten als gevolg van de ontwikkeling van De Lombok. Op eigen terrein wordt 1 parkeerplaats per woning aangeboden voor bewoners en 0,25 parkeerplaats per woning voor bezoekers. Er wordt gewerkt met vergunningen voor bewoners. Gegeven de doelgroep (gezinnen en vitale ouderen) en de nabije ligging bij station Gouda is dit een acceptabele parkeernorm. Onderstaande figuur toont een impressie van de toekomstige parkeersituatie in het plangebied. Er wordt voldoende parkeergelegenheid in het plangebied gerealiseerd.
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 56
Figuur 24. Parkeersituatie (bron: Goudappel)
Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van het plangebied.
WATER Algemeen Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het doorlopen van de watertoets verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt.
Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen binnen het beheergebied van Hoogheemraadschap Rijnland. Ten behoeve van deze ontwikkeling is de watertoets doorlopen door overleg te voeren met het hoogheemraadschap. Het project leidt tot een afname van verharding (ruim 7.000 m2 aan verharding komt te vervallen). Er wordt water gedempt en gegraven. Omdat meer dan 100 m2 wordt gedempt, is een watervergunning nodig. In geval van grondwater onttrekkingen, kan een ontheffing nodig zijn, afhankelijk van de hoeveelheden. Voor het overige is het project watervergunningsvrij. Onderstaand worden de thema’s nader toegelicht. Beschermde gebieden Het plangebied is niet gelegen in (de beschermingszone van) een primaire of regionale waterkering. Waterkwantiteit Binnen het plangebied is wel overig oppervlaktewater gelegen, zie ook onderstaande figuur. Er wordt water gedempt en gegraven. Dit leidt netto tot een kleine toename in wateroppervlak (circa 25 m2 open water wordt toegevoegd).
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 57
Figuur 25. Legger oppervaktewateren (bron: Hoogheemraadschap Rijnland), plangebied bij benadering rood omlijnd
Waterkwaliteit Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Riolering De nieuwbouw wordt aangesloten op de bestaande riolering ter plaatse. In de huidige situatie is reeds sprake van afkoppeling, waarbij het hemelwater naar het naastgelegen oppervlaktewater afstroomt. Dit komt overeen met de basisdoelstelling van het Hoogheemraadschap om het hemelwater van nieuwe oppervlakken zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater.
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van het plangebied.
(VORMVRIJE) M.E.R-BEOORDELING Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt alsnog een m.e.r.-plicht. In bijlage D worden in kolom 2 drempelwaarden gegeven. Indien een ontwikkeling boven de drempelwaarden uitkomt, geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Op het moment dat een ontwikkeling genoemd staat in bijlage D, maar onder de drempelwaarden valt, dient te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze beoordeling vindt plaats middels de zogeheten ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’.
Sinds 16 mei 2017 dient het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen teneinde vast te stellen of voor een ruimtelijke ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld door de initiatiefnemer. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU.
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 58
Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van maximaal 58 woningen en verplaatsing van de RIP. De woningbouwontwikkeling is aan te merken als een stedelijke ontwikkelingsproject in het kader van de m.e.r. De ontwikkeling valt onder categorie D11.2 die voorkomt op de D-lijst van het Besluit m.e.r. De realisatie van 58 woningen ligt echter ruim onder de drempelwaarden die genoemd staan onder categorie D11.2. Daarom volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling, waarin wordt gemotiveerd dat het bestemmingsplan niet m.e.r.beoordelingsplichtig is. De verplaatsing van de RIP is aan te merken als D2.2 ‘Aanleg, wijziging of uitbreiding van een tramrails, boven- en ondergrondse spoorwegen, zweefspoor en dergelijke constructies’. De verplaatsing van de RIP valt onder de drempelwaarde, waardoor eveneens kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. Het bevoegd gezag dient daartoe een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen, teneinde vast te stellen of voor een ruimtelijke ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.beoordeling. Hieronder is gemotiveerd of er als gevolg van de ontwikkelingen belangrijke nadelige milieugevolgen te verwachten zijn. 1. Kenmerken van de ontwikkeling Aard en omvang activiteit
Verplaatsing RIP, nieuwbouw van 58 woningen en veranderde situering bebouwing. Gelet op m.e.r. regelgeving is sprake van een beperkte impact.
Cumulatie
Voor zover bekend zijn er in de directe omgeving van het plan geen ontwikkelingen welke voor een onevenredige cumulatie van negatieve milieueffecten zullen zorgen.
Rijkdom aan en kwaliteit en Voor de realisatie van het project worden reguliere natuurlijke hulpbronnen regeneratieve vermogen gebruikt als bouwmateriaal, zoals beton, hout, staal en grond. Een andere natuurlijke hulpbronnen van locatie zal niet leiden tot minder gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Bij de het gebied beoogde ontwikkeling is geen sprake van productieprocessen. Hinder en verontreiniging
Hinder ten gevolge van de (tijdelijke) aanlegfase, zoals effecten van geluid of trillingen gedurende de inzet van bouwmateriaal en mobiele werktuigen, zal tot een minimum beperkt worden.
Ongevallen
Het risico op zware ongevallen en/of rampen zal niet verhogen met de realisatie van het plan.
Gezondheidseffecten
Het risico voor schadelijke effecten op de menselijke gezondheid zal niet verhogen met de realisatie van het plan.
2. Plaats van de ontwikkeling De omgeving van het plangebied en het plangebied zelf zijn nader beoordeeld in onderstaand tabel, waarbij de eventuele kwetsbaarheid van een gebied ten opzichte van de beoogde activiteit wordt beschouwd. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het projectgebied zelf, maar ook naar de aangrenzende gebieden.
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 59
Bestaand grondgebruik
De gronden zijn in de huidige situatie in gebruik ten behoeve van een railinzetplaats, loodsen/kantoor en relaishuis. Het terrein is grotendeels verhard, in de zuidwestelijke zone bevindt zich groen en watergangen.
Opnamevermogen van het Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu heeft te maken met de natuurlijke milieu gevoeligheid van gebieden voor ontwikkelingen. In het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is een analyse gedaan naar het voorkomen van en het mogelijke effect van de ontwikkeling op zogenaamde gevoelige gebieden, zoals gedefinieerd in bijlage III van de EU-Richtlijn. Echter, behalve gebieden die op grond van de richtlijn als gevoelig worden beschouwd, zijn er ook gebieden waar krachtens nationale en provinciale regels in het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling rekening mee dient te worden gehouden. Er is inzichtelijk gemaakt welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op de nabijgelegen natuurbeschermingsgebieden. Uit de stikstofdepositieberekening (AERIUS-calculator) is gebleken dat de maximale projectbijdrage van het gebruik van de bebouwing niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar op de meest dichtbijgelegen stikstofgevoelige habitattypen. Indirecte negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie kunnen daarmee worden uitgesloten. Daarnaast is gebleken dat niet gelegen is binnen een van de volgende gevoelige gebieden conform bijlage III van de EU-richtlijn: wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en nationale natuurparken, Natura 2000- gebied, NNN gebied, archeologisch- cultuurhistorisch waardevol gebied.
3. Potentiële effecten In onderstaand tabel wordt een overzicht gegeven van de potentiële effecten van de voorgenomen activiteit, waarbij het gaat om de interactie tussen beide voorgaande beoordelingscriteria uit bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r. (kenmerken van het project en plaats van het project). Hetgeen beschreven is over de kenmerken van het project en de plaats van het project zijn bepalend voor de milieuaspecten die in dit hoofdstuk nader aan de orde zijn gesteld. Van de overige (milieu)aspecten wordt op basis van de beoordeling die heeft plaatsgevonden in dit hoofdstuk op voorhand verwacht dat deze niet leiden tot betekenisvolle milieueffecten Archeologie
Realisatie van het plan leidt niet tot verstoring van archeologische waarden.
Bodem
Met de voorgenomen bestemmingsplan en bijbehorende werkzaamheden worden geen bodemvervuilende werkzaamheden of activiteiten verwacht. Gezien het feit dat de gehele locatie nader wordt onderzocht en plaatselijk gesaneerd ten gevolge van de herontwikkeling, wordt veronderstelt dat de bodemkwaliteit zal verbeteren. Het plan zal derhalve geen negatieve milieueffecten veroorzaken met betrekking tot het aspect bodem.
Water
De voorgenomen ontwikkeling heeft een positief effect op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse. Het aantal m2 verhard oppervlak neemt af en er wordt extra open water gerealiseerd. Er is een ecologische quickscan naar flora en fauna en nader ecologisch onderzoek uitgevoerd in het kader van de voorgenomen plannen. Met inachtneming van de resultaten uit deze onderzoeken, in combinatie met eventueel te nemen maatregelen, zullen mogelijk nadelige milieueffecten ten gevolge van het plan voorkomen worden.
Ecologie
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 60
Luchtkwaliteit
De ontwikkeling draagt naar verwachting “niet in betekenende mate” (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Het plan betreft minder dan 1.500 woningen, waardoor er volgens de Regeling NIBM geen aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit noodzakelijk is. Hiermee wordt geconcludeerd dat de luchtkwaliteit met de realisatie van het plan niet significant zal verslechteren.
Verkeer
Er is geen negatief effect op de verkeersafwikkeling op de omgeving te verwachten als gevolg van de ontwikkeling van De Lombok. Het gebruik van de beoogde woningen leidt niet tot een relevante geluidsemissie naar de omgeving. Voor de RIP geldt dat een akoestisch onderzoek is uitgevoerd naar de geluidbelasting op de nieuw te realiseren en bestaande woningen. Geconcludeerd wordt dat met toepassing van maatregelen (zoals het plaatsen van geluidsschermen) een akoestisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd is en er geen significante nadelige milieueffecten optreden.
Geluid
Overige milieuaspecten
Van de overige milieuaspecten wordt op basis van de beoordeling die heeft plaatsgevonden in de voorgaande hoofdstukken op voorhand verwacht dat deze niet leiden tot betekenisvolle milieueffecten.
Geconcludeerd wordt dat, gelet op de aard en omvang van het project en de daarmee gepaard gaande milieugevolgen, een nadere m.e.r.-beoordeling niet nodig is. Op basis van de motivatie en eventuele adviezen moeten B&W een besluit nemen of een milieueffectrapport al dan niet opgesteld moet worden. Dit m.e.r.-beoordelingsbesluit kan genomen worden bij de vaststelling van de ontwerpvergunning.
Conclusie Het aspect (vormvrije) m.e.r.-beoordeling vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van het plangebied.
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 61
5
BESCHRIJVING UITVOERBAARHEID ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Het project wordt door initiatiefnemer uitgevoerd. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van initiatiefnemer. Voor het plaatsen van geluidsschermen alsmede nader bodemonderzoek en bodemsanering, die benodigd zijn in het kader van de omgevingsvergunning voor het aspect bouwen, zijn voldoende financiële middelen gereserveerd. Er is geen aanleiding om aan de economische haalbaarheid van het plan te twijfelen. Ten behoeve van de herontwikkeling is een overeenkomst gesloten tussen gemeente Gouda en initiatiefnemer. Hierin wordt overeengekomen dat op het moment er sprake is van planschade, voortvloeiend uit voorliggende planologische mutatie, deze schade in zijn geheel ten laste komt aan initiatiefnemer.
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Participatie Door initiatiefnemer is in 2020 reeds een platform opgezet, waar belanghebbenden en geïnteresseerden kunnen deelnemen en actief meepraten over de uitgangspunten van het plan. Sinds 2020 hebben vijf formele participatiebijeenkomsten plaatsgevonden. De uitkomsten zijn meegenomen in de verdere planuitwerking. Voor verslagen en meer informatie over de bijeenkomsten wordt verwezen naar het platform (https://blauwhoed.citizenlab.co/).
Planologische procedure Voor deze ontwikkeling wordt de uitgebreide planologische procedure doorlopen. Het is daarom in eerste instantie voor een ieder mogelijk door middel van een inspraakreactie of zienswijze te reageren op het ontwerpbesluit, dat gedurende zes weken ter inzage ligt. Vervolgens staat nog de gang naar de rechtbank en daarna de Raad van State open. Met bovenstaande procedures wordt de maatschappelijke betrokkenheid afdoende gewaarborgd.
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 62
6
CONCLUSIE RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE INPASBAARHEID De initiatiefnemer heeft als doel om het Lombokterrein, rondom het adres Stationsplein 6 te Gouda, te herontwikkelen. Beoogd zijn maximaal 58 woningen en een verplaatsing van de bestaande railinzetplaats (RIP) binnen het plangebied. Voor deze ontwikkeling dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt aan de hand van een omgevingsvergunning doorlopen. Middels voorliggende rapportage is het project gemotiveerd aan relevante beleidskaders en omgevingsaspecten. Hieruit volgt dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met het rijks-, provinciaal - en gemeentelijk beleid. Tevens is de uitvoerbaarheid van het initiatief getoetst aan de diverse omgevingsaspecten en de bijbehorende regelgeving. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor voorgenomen ontwikkeling. De ruimtelijke en functionele inpasbaarheid is daarmee gewaarborgd.
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 63