Ruimtelijke onderbouwing RO_Lombok_230706
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Project Status Projectnummer Kenmerk Datum Auteur Controle
Parcour / Lombok te Gouda Concept 20257 20257.RO 6 juli 2023 M.L. Baboeram LLB J. Schoneveld
Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628
COLOFON Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer 085 – 744 08 38 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch op geluidsband of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Mees Ruimte & Milieu.
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 2
INHOUDSOPGAVE 1
2
3
4
5
6
Inleiding
5
Aanleiding
5
Projectbeschrijving
6
Projectlocatie Projectplan Geldend bestemmingsplan
6 7 12
Ruimtelijk beleid
15
Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid
15 18 24 26
Omgevingsaspecten
36
Stedenbouwkundige inpassing Archeologie Cultuurhistorie Bedrijven en milieuzonering Bodem Duurzaamheid Externe veiligheid Geluid Luchtkwaliteit Natuur Ontplofbare oorlogsresten Trillingen Verkeer en parkeren Water (Vormvrije) m.e.r-beoordeling
36 37 38 40 42 43 45 47 49 51 53 54 55 57 58
Beschrijving uitvoerbaarheid
62
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
62 62
Conclusie ruimtelijke en functionele inpasbaarheid
63
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 3
Bijlagen 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11
Stedenbouwkundig plan (Parcour, 2023) Archeologisch onderzoek (Bureau voor Archeologie, 2022) Indicatief bodem- en asbestonderzoek (Grondslag, 2020) Beschikking evaluatieverslag en nazorg bodemsanering locatie NS emplacement (ODMH, 2015) Onderzoek externe veiligheid (Oostkracht10, 2022), inclusief addendum (2023) en advies Veiligheidsregio (2023) Akoestisch onderzoek woningbouwplan De Lombok (M+P, 2023) Ecologische quickscan, bomeninventarisatie en nader onderzoek (Econsultancy, 2022) AERIUS-berekening (M+P, 2023) Onderzoek ontplofbare oorlogsresten (ECG Group, 2021) Trillingsadvies (M+P, 2022) Verkeersonderzoek (Goudappel, 2023)
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 4
1
INLEIDING In opdracht van Gouda Spoorzicht, een ontwikkelcombinatie van Gebroeders Blokland en Blauwhoed, en in samenwerking met ProRail heeft Mees Ruimte & Milieu een ruimtelijke onderbouwing opgesteld voor de gewenste ontwikkeling van het Lombokterrein in de Goudse Spoorzone (rondom het adres Stationsplein 6 te Gouda). Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de realisatie van 58 woningen en verplaatsing van de bestaande railinzetplaats mogelijk gemaakt. Deze ontwikkeling is niet mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan “Nieuwe Park Wonen” (2011), waardoor een planologische procedure doorlopen dient te worden om de ontwikkeling mogelijk te maken. De planologische procedure wordt doorlopen aan de hand van de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’. Onderdeel van deze omgevingsvergunning is de motivatie om af te wijken van het vigerende bestemmingsplan, de zogenoemde Goede Ruimtelijke Onderbouwing (GRO). Voorliggende rapportage betreft de GRO, waarin het project aan de hand van zowel ruimtelijke als milieutechnische aspecten wordt gemotiveerd.
Aan de te verlenen omgevingsvergunning ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ wordt een voorschrift verbonden, welke toeziet op de voorwaarde dat de woningen in gebruik genomen kunnen worden, mits de bestaande bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd/verplaatst (met bijbehorende omgevingsvergunning voor de activiteit ‘milieu’). Immers is de verplaatsing van de railinzetplaats noodzakelijk voor de uitvoerbaarheid van het plan.
AANLEIDING De Goudse Spoorzone wordt getransformeerd naar een gemengde, stadse woonwijk. De Spoorzone bestaat uit twaalf deellocaties. Het Lombokterrein, ten zuiden van het spoor, is een van de deellocaties. De gronden in het plangebied zijn in de huidige situatie in gebruik ten behoeve van een spoorwegemplacement (rangeerterrein met railinzetplaats), welke – als onderdeel van de beoogde ontwikkeling – wordt verplaatst binnen het plangebied (naar de noordwestelijke ‘taartpunt’ van het plangebied). Op het Lombokterrein is bovendien de bouw van 58 woningen beoogd. De toekomstige railinzetplaats (RIP) wordt afgeschermd van de toekomstige woningen, om geluidhinder tegen te gaan. Het gebied wordt herontwikkeld tot een parkachtig woongebied voor een variërende doelgroep (vitale ouderen en gezinnen). De locatie is bij uitstek geschikt voor wonen: de gunstige ligging ten opzichte van het stadscentrum met alle voorzieningen, veel groen nabij en een goede bereikbaarheid met het openbaar vervoer geeft de planlocatie voordelen om woningbouw te realiseren. De beoogde appartementen en parkwoningen vormen een goede aanvulling op de gewenste uitbreiding van het woningaanbod.
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 5
2
PROJECTBESCHRIJVING PROJECTLOCATIE Het plangebied is gelegen nabij Stationsplein 6 te Gouda en bevindt zich ten zuiden van de spoorlijn en het Station Gouda, in de wijk Nieuwe Park. Het is gesitueerd ten noordwesten van het historisch centrum. De locatie is vanaf de stationszijde ontsloten via de straat Van Bergen IJzendoornpark, de inrit is gesitueerd naast het gebouw van Gouwespoor. Het Gouwespoor is een zes laags kantoorpand met een – op termijn – eigen transformatie opgave. Het plangebied ligt voor driekwart op het aangebrachte zandpakket van het spoor en gemiddeld ca. 2 tot 3 m boven het polderpeil van de aanliggende terreinen. Het plangebied is in de huidige situatie ontoegankelijk door water en groenzones en afgesloten van zijn omgeving door het spoor en hekken. De locatie wordt globaal omsloten door: de spoorlijn (ten noorden); kantoor het Gouwespoor (ten oosten); het Van Bergen IJzendoornpark (ten zuidoosten) en; woonzorgvoorzieningen en een school (ten zuiden en westen). Onderstaande figuur toont de ligging van het plangebied. Figuur 1. Ligging, plangebied bij benadering rood omlijnd (bron luchtfoto: PDOK, eigen bewerking)
Kadastraal is de locatie bekend als (delen van): gemeentecode GDA01, sectie H, percelen 2774, 3218, 3280, 3281, 3751, 3752, 3756, 3762, 3934, 3941, 3943, 3944, 3945, 3946, 3966, 3967, 4037, 4035, 4036, 4038, 4039, 4040 en 4041. Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 6
Figuur 2. Ligging, plangebied bij benadering rood omlijnd (bron: kadastrale kaart, eigen bewerking)
PROJECTPLAN De gronden zijn in de huidige situatie in gebruik ten behoeve van een spoorwegemplacement (rangeerterrein met railinzetplaats), loodsen en een buitenterrein met parkeerterrein en groenvoorzieningen. De railinzetplaats bevindt zich momenteel in het midden en oosten van het plangebied, maar wordt verplaatst naar de westelijke ‘taartpunt’ van het plangebied. De bestaande panden (loodsen en kantoor) in de noordelijke zone van het plangebied worden gesloopt, om plaats te maken voor de beoogde nieuwbouwwoningen. Het terrein is grotendeels verhard, maar in het zuidwestelijk deel bevindt zich een groen ‘eilandje’ en enkele watergangen. Centraal op het terrein is een relaishuis gesitueerd, deze blijft behouden. In de toekomstige situatie is de railinzetplaats verplaatst en zijn 58 woningen rondom een groen park in het plangebied aanwezig. Onderstaande figuur toont een impressie. Figuur 3. Toekomstige situatie, plangebied bij benadering rood omlijnd (bron: Blauwhoed)
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 7
Om een helder beeld te schetsen van de functie railinzetplaats en de aard van de activiteiten die er plaatsvinden, wordt hieronder een toelichting van een railinzetplaats (hierna: RIP) gegeven. Vervolgens wordt het beoogde woningbouwplan (Parcour) ter plaatse van het Lombokterrein nader toegelicht.
Railinzetplaats (RIP) De treinsporen worden beheerd door ProRail. Verdeeld over het land bevinden zich een aantal railinzetplaatsen die er gezamenlijk voor zorgen dat de onderhoudsmaterialen ter plaatse van het spoor kunnen komen. Een RIP is een gedeelte wegverharding dat in het spoor is aangelegd (een railinzetspoor), aangesloten op een verhard terrein waar voertuigen (zoals vrachtwagens) kunnen manoeuvreren. RIP typering algemeen Een RIP kan in de vrije baan liggen, zoals in onderstaande figuur weergegeven. Figuur 4. Een RIP in de vrije spoorbaan (bron: ProRail)
Een RIP kan echter ook op een emplacement liggen. Het betreft een soort laad- en losplaats, voor het inzetten en/of uitnemen van railwegvoertuigen, in de regel is dit materieel van spooraannemers of materieel van hulpverlening bij calamiteiten. Een vracht – bijvoorbeeld vanuit een vrachtwagen – wordt op het spoor gehesen, vaak met behulp van een krol (zie hiernavolgende figuur) en dieplader. Vanaf de inzetplaats, vervolgt de vracht vervolgens de weg over het spoor. Op de RIP zelf vinden verder geen werkzaamheden plaats.
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 8
Figuur 5. Een krol op de spoorbaan (bron: ProRail)
Een RIP kan onderverdeeld worden in drie categorieën: X, Y en Z. Om te bepalen in welke categorie de RIP valt, wordt gekeken naar de minimale lengte van de verharding in het spoor en het maatgevende voertuig dat op de RIP gefaciliteerd moet worden. Het gebruik van de RIP vereist dat enkele parkeerplaatsen (voor medewerkers) beschikbaar zijn alsook ruimte om spoormaterialen in depot te nemen. In relatie tot de omgeving zijn de onderstaande basisvoorzieningen van belang: ontsluiting op de openbare weg (route zonder obstakels); gecontroleerde toegang (doorgaans wordt dit bewerkstelligt met hekwerken en een afsluitbare poort); voorzieningen ten behoeve van de realisatie van een veilige werkomgeving; verlichting. RIP ter plaatse van Lombok De RIP ter plaatse van het Lombokterrein is een RIP in categorie Y (in de huidige én toekomstige situatie). Het maatgevende voertuig dat op de RIP gefaciliteerd wordt is een combinatie trekker-oplegger met een lengte tot 19,5 m. De RIP is in de toekomstige situatie in de uiterste hoek van het plangebied gelegen (noordwestelijke ‘taartpunt’). De toekomstige RIP bestaat uit: de RIP op het spoor (platform van 17x11 meter); een toegangspoort; parkeervoorzieningen; opslagruimte (een klein depot). In onderstaande figuur is het schetsontwerp voor de inrichting opgenomen
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 9
Figuur 6. Schetsontwerp terreininrichting toekomstige RIP (bron: ProRail)
Het meeste ruimtebeslag zit in de verkeersruimte die benodigd is om te kunnen manoeuvreren met voertuigen. De auto’s zullen in de hoek van het plangebied moeten keren. Daar is verharding voor nodig. Daarnaast kan het zijn dat de lading voor het spoor al eerder gebracht wordt en pas later op het spoor wordt gezet, daarom is er op de RIP een klein depot aanwezig waar deze materialen neergezet kunnen worden. Een viertal parkeerplaatsen zorgt ervoor dat het personeel de eigen personenauto op de RIP kan parkeren (bijvoorbeeld wanneer personeel benodigd is als begeleider bij het laden/lossen van het materiaal, of in geval van vertrek van personeel met materieel en materialen naar de werkplek). Verder is in het ontwerp het uitgangspunt dat geen hekwerk wordt gerealiseerd, maar dat de geluidwerende voorzieningen en de afsluiting van de omgeving worden geïntegreerd. Het uiteindelijke gebruik van de RIP of gebruiksmogelijkheden worden vastgelegd in de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘milieu’. De voertuigen die de RIP bereiken worden gedefinieerd in de milieuvergunning. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten die overdag, in de avond en in de nacht plaatsvinden. Tevens wordt een onderscheid tussen reguliere activiteiten (> 20 keer per jaar) en incidentele activiteiten (<12 keer per jaar).
Woningen Voor de herontwikkeling van het Lombokterrein worden al lange tijd plannen gemaakt. In eerste instantie ging het om een herontwikkeling met kantoren, later zijn verschillende scenario’s onderzocht voor woningbouw. Tijdens dit onderzoek is door de gemeente een aantal uitgangspunten ingebracht die zijn overgenomen. In 2017 heeft dat geleid tot de visie ‘Parkkwartier’ van SVP en de ontwikkelcombinatie Gouda Spoorzicht CV. Het plan dat sloot aan op de groene woonkwaliteit van het Van Bergen IJzendoornpark. Vanaf 2018 is er overeenstemming met ProRail en NS over de verkoopprijs van de gronden. In juni 2020 is het Ontwikkelperspectief Gouda Spoorzone vastgesteld. Voor het Lombokterrein zijn de stedenbouwkundige aspecten uitgewerkt in het stedenbouwkundig plan ‘Parcour’ (opgesteld door SVP, Copijn en de ontwikkelcombinatie). De ambitie van dit plan is een nieuwe groene buurt te creëren. Parcour is klimaatadaptief wonen in het groen, verbonden met het spoor, het stadscentrum en het Van Bergen IJzendoornpark. De woningen van verschillende typen zijn gesitueerd rondom een centrale groene ruimte. Voor het Lombokterrein is bovendien een kavelpaspoort (augustus 2022) opgesteld. In het kavelpaspoort heeft gemeente Gouda de volgende uitgangspunten voor het programma vastgelegd: max. 59 woningen, waarvan minimaal 50% grondgebonden en minimaal 9 gestapelde woningen.
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 10
Programma en stedenbouwkundige opzet In het onderhavige plan Parcour zijn 58 woningen voorzien. Het gaat om verschillende typen woningen, te weten: 9 appartementen; 10 patiobungalows; 8 herenhuizen; 20 stadswoningen; 4 twee-onder-een-kapwoningen; 7 villa’s. Doelgroep voor de beoogde woningen zijn met name vitale ouderen en gezinnen. Van de 58 woningen zijn 49 grondgebonden en 9 gestapeld. Hiermee wordt aan de programmatische eisen uit het kavelpaspoort voldaan. Onderstaande figuur toont een impressie van de beoogde inrichting van het terrein. Figuur 7. Schetsontwerp terreininrichting woningen, plattegrond van bovenaf (bron: Blauwhoed)
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 11
GELDEND BESTEMMINGSPLAN Ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan “Nieuwe Park Wonen” geldend. Het bestemmingsplan is op 11 november 2010 vastgesteld door de gemeenteraad van gemeente Gouda (en op 20 juli 2011 onherroepelijk geworden). Binnen het plangebied gelden een viertal enkelbestemmingen, te weten: ‘Bedrijf’, ‘Verkeer – Railverkeer’, ‘Groen’ en ‘Water’. Ter plaatse van de gronden met de enkelbestemming ‘Bedrijf’ geldt tevens de functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 4.2’ en mag gebouwd worden met een bouwhoogte van 6, 7 of 10 meter. Verder is op het gehele plangebied de gebiedsaanduiding ‘veiligheidszone – vervoer gevaarlijke stoffen’ van kracht. Onderstaande figuur bevat een uitsnede van de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan. Vervolgens worden enkele bepalingen uit de regels weergegeven, voor zover meest relevant en daarmee niet limitatief. Figuur 8. Uitsnede bestemmingsplankaart (www.ruimtelijkeplannen.nl)
Bestemmingsplan “Nieuwe Park Wonen” Artikel 3 Bedrijf 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: b. bedrijfsactiviteiten uitsluitend ten behoeve van overslag van personeel en goederen op spoorwagons ten behoeve van het onderhoud aan het spoor met sbi-code 6024 uit milieucategorie 3.1 en sbi-code 601 uit milieucategorie 4.2 voor zover deel uitmakend van de bijbehorende staat van bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 4.2’; alsmede voor:
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 12
Artikel 7 Groen 7.1 Bestemmingsomschrijving 7.1.1 De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen en water; b park; c. voet- en fietspaden; d. speelvoorzieningen; Artikel 12 Verkeer – Railverkeer 12.1 Bestemmingsomschrijving 12.1.1 De voor ‘Verkeer – Railverkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. spoorwegvoorzieningen, waaronder lightrail voorzieningen en de daarbij behorende bermen, taluds en spoorwegovergangen; d. wegen en straten; e. water; f. groenvoorzieningen; g. fietsenstallingen; h. geluidwerende voorzieningen; Artikel 14 Water 14.1 Bestemmingsomschrijving 14.1.1 De voor ‘Water’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. water; b. recreatief medegebruik; c. duikers; d. groenvoorzieningen; e. bruggen; 24.1 24.1.1
Veiligheidszone – vervoer gevaarlijke stoffen Op de gronden gelegen binnen de aanduiding ‘veiligheidszone – vervoer gevaarlijke stoffen’ is binnen de bestemming ‘Centrum’, ‘Gemengd’ en ‘Maatschappelijk’ de vestiging van functies of objecten voor ‘zeer kwetsbare groepen’ niet toegestaan, behoudens waar het betreft bestaande vestigingen van functies of objecten voor ‘zeer kwetsbare groepen’.
Toets aan bestemmingsplan “Nieuwe Park Wonen” Een deel van de RIP is binnen de bestaande bestemming ‘Groen’ bestemming voorzien. Binnen deze bestemming wordt het gebruik als RIP niet toegestaan, daarom is sprake van strijdigheid met het bestemmingsplan. Bovendien geldt dat het plaatsen van de geluidschermen binnen de bestemming ‘Groen’ op basis van het geldende bestemmingsplan niet mogelijk is, ook hier is derhalve sprake van strijdigheid. Binnen de van kracht zijnde enkelbestemmingen zijn woningen niet toegestaan. Ook de bebouwing van het beoogde woningbouwplan past niet binnen de kaders van de bouwregels. Om de genoemde strijdigheden weg te nemen en het project planologisch mogelijk te maken, wordt een procedure doorlopen aan de hand van een omgevingsvergunning ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat voor de verplaatsing van de RIP ook een wijziging van de omgevingsvergunning ‘milieu’ benodigd is, welke eveneens wordt aangevraagd. Overige ruimtelijke plannen Ter plaatse van het plangebied is eveneens de Parapluherziening parkeren, vastgesteld op 21 november 2018, van kracht. Hierin zijn parkeernormen vastgelegd. Hierop wordt nader op ingegaan in paragraaf 4.13 (Verkeer en parkeren). Ook geldt een voorbereidingsbesluit Darkstores (vastgesteld op 16 februari 2022), welke is bedoeld om flitsbezorgsupermarkten met zgn.
darkstores te reguleren. Aangezien Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 13
flitsbezorgsupermarkten niet beoogd zijn in het plangebied, vormt dit geen belemmering. Bovendien is het bestemmingsplan Parapluplan Wonen (vastgesteld 1 juni 2022) van kracht. Met dit parapluplan wil de gemeente toewerken naar eenduidige definities in alle bestemmingsplannen teneinde ongewenste situaties te voorkomen. Het gebruik van woonvormen voor meer dan één huishouden is niet zonder meer toegestaan. Het parapluplan wijzigt de begripsbepalingen en/of de bestemmingen die de functie wonen, woningen, woongebouwen dan wel andere benamingen die zien op de functie wonen toelaten. Voor het overige blijven de oorspronkelijke plannen van kracht. Aangezien de beoogde ontwikkeling niet voorziet in woningen voor meer dan één huishouden of in kamerverhuur, wordt het parapluplan verder buiten beschouwing gelaten.
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 14
3
RUIMTELIJK BELEID RIJKSBELEID Nationale Omgevingsvisie Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. Figuur 9. Afwegen met de NOVI (bron: Nationale Omgevingsvisie)
De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. 1. 2. 3. 4.
Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie Duurzaam economisch groeipotentieel Sterke en gezonde steden en regio’s Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied
Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: ‘(a) het bereiken en in stand houden
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 15
van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig 2. Kenmerken & identiteit 3. Afwentelen voorkomen 3.1.1.1 Relatie tot ontwikkeling De NOVI benoemt 21 nationale belangen. Dit betreffen onder meer de volgende nationale belangen: Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit (nationaal belang 2). Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving (nationaal belang 4). Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte (nationaal belang 5). In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit (nationaal belang 7).
Daarnaast volgt uit de uitwerking van prioriteit 3 ‘Sterke en gezonde steden en regio’s’ dat steden zich duurzaam dienen te ontwikkelen, dat het woningaanbod moet aansluiten bij de vraag en dat de voorkeur uitgaat naar verstedelijking binnen bestaand stedelijk gebied. Eén van de beleidskeuzes onder deze prioriteit (beleidskeuze 3.3, onder prioriteit 3) is “Verstedelijking vindt geconcentreerd plaats in de regio, toe te voegen nieuwe woon- en werklocaties worden zorgvuldig en op ruimte- en mobiliteitsefficiënte wijze ingepast. Het woningaanbod in de regio’s sluit daarbij aan bij de vraag naar aantallen en typen woningen, woonmilieus en prijsklasse”. De beoogde 58 woningen leveren een bijdrage aan de woningbehoefte binnen de regio en gemeente. Zij worden tevens binnen stedelijk gebied gerealiseerd, wat aansluit bij de beleidskeuzes onder prioriteit 3 en nationaal belang 5 uit de NOVI, zie hiervoor ook de hiernavolgende paragrafen waar wordt ingegaan op de woningbehoefte die volgt uit vigerend beleid. Daarnaast wordt aandacht besteed aan de ruimtelijke aspecten en inpassing van het plan, zodat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (fysieke leefomgeving) gerealiseerd wordt en de nationale belangen 2 en 4 worden geborgd, zie hiervoor hoofdstuk 4 (Omgevingsaspecten) van deze ruimtelijke onderbouwing. De verplaatsing van de RIP levert daarnaast een bijdrage aan nationaal belang 7.
Een goed functionerend mobiliteitssysteem vereist het waarborgen en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor o.a. het vervoer van personen en goederen via spoorwegen. Ononderbroken netwerken voor heel Nederland moeten worden gewaarborgd. Dit belang overstijgt territoriaal het gemeentelijke, regionale en provinciale niveau. Middels de RIP kan invulling gegeven worden aan de opgave om bestaande infrastructuurnetwerken te onderhouden, verjongen, vernieuwen, verduurzamen en klimaatbestendig te maken. De overige nationale belangen worden niet geschaad door de voorgenomen ontwikkeling. 3.1.1.2 Conclusie De beoogde ontwikkeling is in lijn met de NOVI en geeft invulling aan opgaven die voortvloeien uit een aantal van toepassing zijnde nationale belangen.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk rijksbeleid te borgen en legt daarmee nationale ruimtelijke belangen vast. De ruimtelijke onderwerpen van nationaal belang zijn daardoor beperkt. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 16
noodzakelijk maken. In hoofdstuk 2 van het Barro is, om de nationale belangen te beschermen per onderwerp (één onderwerp per titel) aangegeven welke beperkingen er per welk (ruimtelijk) gebied gelden. 3.1.2.1 Relatie tot ontwikkeling Geen van de onderwerpen worden geraakt met voorliggend project. Beleid voor deze specifieke locatie dan wel ontwikkeling wordt daarom overgelaten aan de provincie en de gemeente. 3.1.2.2 Conclusie Het Barro legt geen restricties op voor de locatie waar de ontwikkeling wordt voorzien.
Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Het Bro stelt vanuit de Rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. Onderwerpen zoals Ladder voor duurzame verstedelijking en de proceseisen voor goed ontwerp, aandacht voor de waterhuishouding (watertoets), het milieu en het cultureel erfgoed zijn allen geborgd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). 3.1.3.1 Relatie tot ontwikkeling Volgens het bepaalde in artikel 3.1.6 lid 2 Bro dient voor het toepassen van de Ladder sprake te zijn van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Een ‘stedelijke ontwikkeling’ is in artikel 1.1.1 lid 1 aanhef en onder i Bro gedefinieerd als “een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen”. Het plangebied ligt binnen het bestaand stedelijk gebied. De RIP is niet aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling, aangezien het gaat om verplaatsing van een bestaande RIP (geen nieuwe ontwikkeling). Wel wordt in het plangebied een woonprogramma toegevoegd. Voor dit onderdeel is wel sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hierdoor is de Ladder van duurzame verstedelijking van toepassing op het woonprogramma.
Voor gemeente Gouda geldt dat de Regionale Agenda Wonen (RAW) het vertrekpunt is voor de verdere fasegewijze uitwerking tot een regionale woonvisie, het regionale kader voor het woonbeleid. De RAW Midden-Holland is eind 2019 vastgesteld en gaat in op behoud en versterking van de diversiteit aan woonmilieus in de regio Midden-Holland. Als uitwerking van de RAW Midden-Holland geeft de bestaande Regionale Projectenlijst Woningbouw (RPW) Midden-Holland inzicht in de actuele woningbouwplannen van de gemeenten in de regio Midden-Holland. Wanneer onderhavig project is opgenomen in de RPW MiddenHolland 2021, kan dit als onderbouwing worden gebruikt om aan te tonen dat wordt voldaan aan het regionale behoeftecriterium van de Ladder voor duurzame verstedelijking. In paragraaf 3.3 en 3.4 wordt nader ingegaan op de provinciale en regionale kaders. In paragraaf 3.4 komt de kwantitatieve en kwalitatieve woonbehoefte op basis van gemeentelijk beleid en gemaakte afspraken aan de orde. Vooruitlopend hierop kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling voorziet in zowel een kwantitatieve en kwalitatieve woonbehoefte. De Ladder voor duurzame verstedelijking wordt daarmee succesvol doorlopen. De relevante onderwerpen voor onderhavig project worden behandeld in hoofdstuk 4, waarin de ruimtelijke en milieutechnische aspecten worden behandeld.
3.1.3.2 Conclusie De behoefte in het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking kan worden aangetoond. De beoogde ontwikkeling is in lijn met het Bro.
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 17
PROVINCIAAL BELEID Omgevingsvisie Zuid-Holland Per 15 maart 2022 is de (geconsolideerde) Zuid-Hollandse Omgevingsvisie in werking getreden. In de Omgevingsvisie is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Er is daarom geen eindbeeld voor 2030 of 2050 opgenomen, maar de maatschappelijke opgaven zijn vertaald in ambities. De provincie heeft hiervoor 7 vernieuwingsambities geformuleerd. Deze ambities dienen als stip op de horizon: 1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. 2. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor. 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. 4. Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid-Holland. 5. Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. 6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. 7. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving.
Deze nevengeschikte ambities staan niet op zichzelf. Ze zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De ambities zijn de kaders waarbinnen de provincie ruimte geeft. Die ruimte kan per opgave verschillen. Door in te zetten op de zeven ambities draagt Zuid-Holland bij aan een betere leefomgeving in de provincie. Beleid ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening (‘handelingskader ruimtelijke kwaliteit’). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd.
De schaal van een gebied (‘korrelgrootte’) bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het ‘laadvermogen’ van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder. Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie.
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 18
Figuur 10. Soorten ontwikkelingen (bron: Omgevingsvisie Zuid-Holland)
De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit vormen een uitwerking van de kwaliteitskaart en de richtpunten op gebiedsniveau, en zijn opgesteld in samenwerking met regionale partijen. Ze bieden een gebiedsspecifieke handreiking voor het omgaan met ruimtelijke kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. Naast het generieke kwaliteitsbeleid, dat geldt voor de gehele provincie, wordt een tweetal beschermingscategorieën onderscheiden, waar onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ook ontwikkelingen mogelijk zijn, maar waar vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid extra voorwaarden van toepassing zijn. 3.2.1.1 Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling betreft een inpassing, omdat er sprake is van een gebiedseigen ontwikkeling, passend bij de schaal en aard van het stedelijk gebied. De ontwikkeling vindt plaats op een binnenstedelijke locatie, nabij andere stedelijke functies en uit de kwaliteitskaart blijkt dat aan de richtpunten wordt voldaan (zie hieronder). Kwaliteitskaart Het plangebied is niet gelegen in een aangewezen gebiedsprofiel. Onderstaand is beoordeeld welke kwaliteitskaarten van toepassing zijn op het plangebied en welke richtpunten bij een dergelijke inpassing horen. Laag van de ondergrond Het plangebied is deels aangemerkt als ‘rivierdeltacomplex’ en als ‘Veencomplex – Veen’ (zie onderstaande figuur). Figuur 11.
Uitsnede kwaliteitskaart, kaartlaag ‘Laag van de ondergrond’, plangebied bij benadering rood omlijnd (bron: bron: gebiedsprofielen.zuid-holland.nl)
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 19
Hieruit blijken de volgende richtpunten: Ontwikkelingen in het rivierengebied houden het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar. Ontwikkelingen in het veenlandschap dragen zorg voor behoud van het veen en zijn met name bij de diepe veenpakketten gericht op het beperken van de bodemdaling. Met de beoogde ontwikkeling wordt voldoende rekening gehouden met de bodemkwaliteit en de waterstand van de veengronden. Bodemdaling wordt zoveel mogelijk voorkomen. In paragraaf 3.4.10 wordt de ondergrondse ordening nader toegelicht. De genoemde richtpunten vormen daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Deze laag is niet van toepassing op het plangebied. Laag van de stedelijke occupatie Het plangebied is gelegen binnen de gebieden ‘Steden en dorpen’ en ‘Bouwwerken voor energie-opwekking’ en gedeeltelijk aangemerkt als ‘Historische centra en kernen’ (zie onderstaande figuur). Figuur 12. Uitsnede kwaliteitskaart, kaartlaag ‘Laag van de stedelijke occupatie’, plangebied bij benadering rood omlijnd (bron: bron: gebiedsprofielen.zuid-holland.nl)
Historische centra en kernen De historische centra en kernen met hun compacte bebouwingsstructuur zijn waardevolle woon- en vestigingsmilieus in Zuid-Holland en dragen bij aan de toeristische kwaliteit. Als ontwikkelingen plaatsvinden in of in de nabijheid van het historisch centrum dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de vitale stads- en dorpscentra met een gevarieerd functioneel en ruimtelijk beeld. De beoogde ontwikkeling houdt rekening met de kwaliteiten van het nabijgelegen historische centrum en omliggende bestaande elementen zoals het Van Bergen Ijzendoornpark, de Leeuwenpoort en Halve Maan met voliére. Steden en dorpen De bij ‘Steden en dorpen’ behorende richtpunten luiden als volgt: Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. Hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur. Daar waar hoogbouw niet samenvalt met “zwaartepunten” in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving. Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur.
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 20
Een nieuwe uitbreidingswijk bouwt voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand (zie stads- en dorpsranden). Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd. Het eigen karakter van het historisch centrum wordt versterkt. Historische centra en kernen blijven ervaarbaar vanuit het omringende gebied. Bij bedrijventerreinen krijgt de beeldkwaliteit van de randen, een goede ontsluiting en de samenhang met de omgeving extra aandacht. De locatie wordt, met respect voor de cultuurhistorische waarde, ontwikkeld tot een woongebied en de bestaande RIP wordt verplaatst. Er is geen sprake van hoogbouw. Naast het karakter van de bebouwing, geldt dat de beoogde functies eveneens aansluiten op het stedelijke karakter van het omliggende gebied, waarin woon- en werkfuncties elkaar afwisselen en versterken. Toekomstige bewoners in het plangebied kunnen het historische centrum bij uitstek goed ervaren, gelet op de nabije ligging.
Bouwwerken voor energie-opwekking Bij de plaatsing van nieuwe bouwwerken voor energie-opwekking (zoals windturbines, biovergistingsinstallaties en zonnevelden) zal een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht moeten geven in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van deze bouwwerken op de (wijde) omgeving. Aangezien de beoogde ontwikkeling geen bouwwerk voor energie-opwekking betreft, is dit richtpunt verder niet relevant voor het plangebied. Laag van de beleving Deze laag is niet van toepassing op het plangebied. Conclusie kwaliteitskaart De beoogde ontwikkeling is getoetst aan de relevante richtpunten die volgen uit de kwaliteitskaart behorend bij het provinciale Omgevingsbeleid. Hieruit blijkt dat aan de relevante richtpunten wordt voldaan. Er is sprake van inpassing. Kaarten Omgevingsvisie Daarnaast zijn 61 kaarten bij de Omgevingsvisie opgenomen. De meest relevante (gedeeltelijke of gehele) aanwijzingen zijn hieronder per kaart toegelicht, waarbij is aangegeven op welke manier de beoogde ontwikkeling aansluit bij de daaraan gerelateerde beleidskeuzes. 1: Concessie- en contractgebied openbaar vervoer: Adequaat aanbod openbaar vervoer Het behoud/verplaatsing van de RIP draagt bij aan een adequaat aanbod van openbaar vervoer in het vervoergebied van de provincie Zuid-Holland.
4: Bodemdalingsgevoelig gebied: Beperken maatschappelijke kosten door bodemdaling De provincie wil, samen met alle belanghebbende partners en partijen, de directe en indirecte maatschappelijke kosten door bodemdaling beperken. Provincie vraagt van gemeenten en anderen dat bij locatiekeuzes voor ruimtelijke ontwikkelingen, de bodemdalingsgevoeligheid van een gebied expliciet wordt meegenomen vanwege het toekomstig beheer. Voor de beoogde ontwikkeling geldt dat bij de uitvoering van de werken voldoende rekening gehouden wordt met de gevolgen van bodemdaling. Er worden zettingsrapporten opgesteld. 13: Bedrijventerrein: Concurrerende en toekomstbestendige bedrijventerreinen Het plangebied is gedeeltelijk aangemerkt als ‘concurrerende en toekomstbestendige bedrijventerreinen’. De provincie streeft hiervoor naar een kwantitatief en kwalitatief evenwicht in vraag en aanbod van bedrijventerreinen op regionaal en bovenregionaal schaalniveau en een optimale benutting van bedrijventerreinen. Daarbij wordt ingezet op beter benutten en duurzaam functioneren van bestaande bedrijventerreinen en op het behoud van voldoende ruimte voor bedrijven in hogere milieucategorieën / milieuzones en watergebonden bedrijven. De beoogde ontwikkeling zorgt voor een feitelijke compensatie van bedrijvigheid (zie hiernavolgende paragraaf Omgevingsverordening).
Dit aspect is afgestemd met provincie en is daarmee in lijn met de provinciale ambities.
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 21
Voor een heel aantal kaarten geldt daarnaast dat (nagenoeg) de gehele provincie, en daarmee ook het plangebied, is aangewezen vanwege een breder provinciaal belang. Kortheidshalve worden deze kaarten hier niet allen opgesomd. Wel wordt opgemerkt wordt dat de beoogde ontwikkeling niet in strijd is met deze belangen. 3.2.1.2 Conclusie De beoogde ontwikkeling is in lijn met de provinciale Omgevingsvisie.
Omgevingsverordening Zuid-Holland Naast de provinciale Omgevingsvisie, is ook de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) vastgesteld. De ZHOV is 15 december 2021 vastgesteld door Provinciale Staten (geconsolideerde versie 2022-12-02). In de ZHOV zijn de regels over de fysieke leefomgeving van de provincie opgenomen. In de verordening staat aangegeven wat wel en niet is toegestaan: mag bijvoorbeeld op een bepaalde locatie een bedrijf worden uitgebreid of kan dat niet vanwege een nabijgelegen natuurgebied. 3.2.2.1 Relatie tot ontwikkeling Het plangebied is deels of geheel aangewezen op de volgende kaarten: 4: Gebieden met waterkwantiteitsnorm en waterschappen (Hoogheemraadschap van Rijnland) 9: Ontgrondingen (ontgrondingen op land en in regionale wateren) 10: Kantoren en detailhandel (OV-knooppuntlocatie en centrum- en (intercity)stationslocatie) 17: Gebieden met verplichte peilbesluiten (gebied verplicht peilbesluit) 20: Bedrijventerreinen (bedrijventerrein) 22: Planoptimalisatie (stationsomgeving) 24: Hoofdfietsnet en Hoofd wandelnet (utilitair fietsnetwerk) De relevante regels van kaart 20 en kaart 24 worden hieronder nader toegelicht.
Aan de overige regels zoals opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening wordt, voor zover relevant in het kader van voorliggende ontwikkeling, voldaan: de regels van het waterschap en peilbesluiten worden in acht genomen (kaart 4, kaart 17); er is geen sprake van ontgrondingen (kaart 9); er wordt niet voorzien in kantoren of detailhandel (kaart 10) en met parkeernormen voor stationsomgevingen (kaart 22) wordt voldoende rekening gehouden (zie hiervoor paragraaf 4.13 Verkeer en parkeren). Bedrijventerreinen Onderstaand tekstvak toont het relevante artikel uit de Omgevingsverordening dat van toepassing is. In de huidige situatie wordt ter plaatse van de RIP een hoge milieucategorie bedrijvigheid toegestaan. Een deel van het plangebied is dan ook aangewezen als ‘bedrijventerrein’ op kaart 20 en dient in principe behouden te blijven (lid 1) dan wel gecompenseerd te worden (lid 4). Echter kan compensatie van feitelijk gebruik en m² voor m² worden toegepast indien wordt voldaan aan een evenwichtige balans in vraag en aanbod (lid 7). Bij de voorgenomen ontwikkeling is dit het geval. Immers is in de feitelijke situatie niet de gehele zone in gebruik voor hoge milieucategorie bedrijvigheid en gaat het bovendien om een verplaatsing van de RIP, waarmee feitelijk gebruik direct wordt gecompenseerd.
Het oppervlakte aan bedrijfsbestemming in voorgenomen ontwikkeling bedraagt in de huidige situatie circa 11.000 m2. Zo’n 500 m2 zal na de herontwikkeling een bedrijfsfunctie behouden, dit betreft het relaishuis van Prorail en bijbehorende gronden. Het te transformeren oppervlakte aan bedrijfsbestemming bedraagt minder dan circa 10.500 m2. Deze te transformeren gronden met milieucategorie 4.2 zijn in de huidige situatie bestemd voor bedrijfsactiviteiten uitsluitend ten behoeve van railactiviteiten (overslag van personeel en goederen) en onderhoud aan het spoor. Door de terugtrekking van de railactiviteiten – met uitzondering van de RIP – blijft het in dit gebied enkel planologisch mogelijk om categorie 2 bedrijven toe te laten. Een hogere categorie is vanwege de afstand tot de reeds bestaande woningen aan het Van Bergen IJzendoornpark ook niet mogelijk.
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 22
In de huidige situatie wordt met het gebruik van de RIP en het relaishuis feitelijk geen gebruik gemaakt van milieucategorie 4.2, maar van maximaal milieucategorie 2. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt dan ook ingezet op compensatie van feitelijk gebruik en het opheffen van de hoge milieucategorie bedrijfsbestemming. Hiermee wordt voldaan aan lid 7 van artikel 6.12 uit de provinciale verordening. De Lombok locatie is opgenomen in de door Gedeputeerde Staten aanvaarde regionale bedrijventerreinenvisie waarin de plannen staan om in de regio een evenwichtige balans in vraag en aanbod te brengen. Artikel 6.12 Bedrijven 1 Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 20 in bijlage II, maakt vestiging mogelijk van bedrijven uit de hoogst mogelijke milieucategorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, dan wel voorziet in overeenkomstige milieuzones voor geluid of geur, passend bij de omgeving van het bedrijventerrein, waarbij rekening wordt gehouden met toekomstige ontwikkelingen op een grote buitenstedelijke bouwlocatie als bedoeld in artikel 6.10 of die mogelijk zijn op grond van een vigerend bestemmingsplan.
2 Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een watergebonden bedrijventerrein, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 20 in bijlage II, laat in hoofdzaak watergebonden bedrijven toe. 3 Het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan in beperkte mate voorzien in nieuwe woningen, bedrijfswoningen en andere functies op delen van een bedrijventerrein, voor zover dit niet in strijd is met het eerste lid. 4 Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein als bedoeld in het eerste of tweede lid en dat gehele of gedeeltelijke transformatie naar een andere bestemming dan bedrijven mogelijk maakt, verantwoordt in de toelichting op welke wijze binnen de regio planologische compensatie van bedrijventerrein zal plaatsvinden of reeds heeft plaatsgevonden. Planologische compensatie is nodig bij: a. een bedrijventerrein met milieucategorie 3, dan wel overeenkomstige milieuzones voor geluid of geur; b. een bedrijventerrein met milieucategorie 4 of hoger, dan wel overeenkomstige milieuzones voor geluid of geur; c. een geluidgezoneerd bedrijventerrein; d. een watergebonden bedrijventerrein. 5 Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing bij verlaging van de milieucategorie of milieuzone.
6 Compensatie als bedoeld in het vierde lid, kan achterwege blijven als is aangetoond dat na transformatie voldoende bedrijventerrein in de regio beschikbaar zal blijven afgezet tegen de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. 7 Compensatie van feitelijk gebruik en m² voor m² is mogelijk mits wordt voldaan aan een evenwichtige balans in vraag en aanbod, vastgelegd in de door Gedeputeerde Staten aanvaarde regionale bedrijventerreinenvisie.
Hoofdfietsnet Door het noordelijk deel van het plangebied is een hoofdfietsnetwerkroute aangeduid. Op basis van artikel 6.20a uit de provinciale verordening, dient een bestemmingsplan dat voorziet in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling rekening te houden met het belang van de instandhouding en zo mogelijk de verbetering van het hoofdfietsnetwerk. Het profiel van de noordelijke ontsluitingsroute is op termijn aanpasbaar aan een eventuele fietsroute. 3.2.2.2 Conclusie De beoogde ontwikkeling is in lijn met de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.
Convenant Klimaatadaptief bouwen De provincie Zuid-Holland heeft een bouwopgave van 100.000 nieuwe woningen tot 2025. Deze grote bouwopgave biedt de kans om deze woningen klimaatbestendig te ontwikkelen en hiermee schade of duurdere herstelmaatregelen in de toekomst te voorkomen. De provincie heeft daarom in 2018 procesafspraken gemaakt met overheden, organisaties en marktpartijen in het Convenant Klimaatadaptief
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 23
Bouwen. Het doel van het convenant is het verminderen van wateroverlast, hittestress, droogte en bodemdaling en het vergroten van de biodiversiteit. Één van de convenantafspraken is het ontwikkelen van een instrumentarium om de klimaatbestendigheid van nieuwbouw te beoordelen en te bevorderen. Dit is een complex en meerjarig traject. In het convenant is afgesproken om in afwachting van de resultaten van dit instrumentarium alvast een ‘Minimaal Programma van Eisen’ te ontwikkelen. Dit Programma is bedoeld als voorlopige maatregel om de nieuwbouwplannen die in de komende jaren ontwikkeld worden klimaatbestendig in te richten. Het doel van het Programma van Eisen is het opstellen van praktische eisen die partijen in de provincie ZuidHolland kunnen gebruiken om op korte termijn klimaatbestendig te ontwikkelen. 3.2.3.1 Relatie tot ontwikkeling Gouda zich aangesloten bij het Convenant Klimaatadaptief Bouwen. Met de ondertekening van het convenant, heeft Gouda zich gecommitteerd om klimaatadaptief bouwen tot het nieuwe normaal te verheven. Het convenant bestaat uit een aantal producten zoals een Leidraad ter ondersteuning voor beleidsontwikkeling en een Programma van Eisen met handvatten voor nieuwe ontwikkelingen. In het kader van de beoogde ontwikkeling, dient dan ook voldaan te worden aan de praktische eisen die gesteld worden om klimaatbestendig te ontwikkelen.
3.2.3.2 Conclusie In paragraaf 3.4.9 (Uitvoeringsprogramma duurzame ontwikkeling Gouda 2020 en Handreiking duurzaamheid) wordt nader ingegaan op de gemeentelijke visie die in dit kader eveneens relevant is alsmede de duurzaamheidsaspecten van het beoogde plan.
REGIONAAL BELEID Regionale Agenda Wonen 2019 Midden-Holland is een bijzonder gebied: veel ruimte, groen, prachtige natuurgebieden, maar ook de historische stad Gouda, volop stedelijke ontwikkeling en een goede bereikbaarheid. Een centrale ligging in het (internationale) handelsnetwerk en bedrijvigheid maakt de regio een aantrekkelijke plek om te wonen, mede omdat regio’s Utrecht, Holland Rijnland en de metropoolregio’s Rotterdam en Haaglanden nabij zijn. De centrale ligging wordt kracht bijgezet doordat de regio goed bereikbaar is met zowel openbaar vervoer als auto, dankzij onder meer het Hoogwaardig Openbaar Vervoersnetwerk (HOV) in combinatie met de A12 en de A20. Het unieke landschap en het erfgoed in de regio maakt Midden-Holland tot een fijne plek om te wonen. Ook door een variatie in woonmilieus zoals stedelijke of dorps/landelijk wonen. Mensen hebben wat te kiezen. Dan gaat het om bereikbaarheid, ligging, nabijheid van steden, cultuur, landschap en sociale binding. De grote aantrekkingskracht van de regio gecombineerd met de toenemende spanning op de woningmarkt resulteert in een netto uitbreidingsbehoefte van de woningvoorraad met zo’n 10.000 woningen tot 2030 (Marktonderzoek regio Midden-Holland, Fakton). De regiogemeenten verdelen en realiseren deze grote opgave met erkenning voor de lokale verschillen en identiteiten.
Elk woongebied in de regio kent een eigen karakter. De profielen tezamen geven de breedte van het aanbod in de Regio Midden-Holland weer. Gouda Gouda is de centrumgemeente in de Regio Midden-Holland, met een meer stedelijk profiel dan de andere gemeenten: een historische binnenstad met een ring van stadswijken uitlopend naar een laagbouw woonmilieu.Het heeft als enige gemeente in de regio een binnenstedelijk centrum met omliggend stadswijken. De regio Midden-Holland heeft baat bij het versterken van de centrumfunctie van Gouda. Gouda is via de A12 en Hoogwaardig Openbaar Vervoer bij uitstek goed ontsloten en dus interessant voor nieuwe inwoners. Het overall beeld van Gouda is gemiddeld: veel voorraad scoort gemiddeld op belevingswaarde en op toekomstwaarde. Maar omdat ook in Gouda een toename van het aantal
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 24
huishoudens te verwachten is, kent de gemeente weinig echt kwetsbare voorraad: er is geen voorraad met een negatieve toekomstwaarde. Strategische toevoegingen aan de bestaande voorraad zijn meergezinswoningen en huureengezinswoningen, in het binnenstedelijke woonmilieu en de levendige stadswijk, in het milieu met hoog- en laagbouw en in het centrum-dorps woonmilieu. Met de ontwikkeling van de Spoorzone streeft de gemeente naar een versterking van het stedelijk woonklimaat in Gouda. Voor Westergouwe worden de mogelijkheden voor verbreding van het woningaanbod onderzocht. Met een verbeterde positionering schept Gouda kansen voor het accommoderen van een deel van de bovenregionale vraag, uit bijvoorbeeld de metropoolregio Rotterdam – Den Haag en in mindere mate ook de Utrechtse regio. Spoorzone Gouda Verder wordt de herontwikkeling van de Spoorzone benoemd als ontwikkeling die leidt tot versterking van het woonklimaat in Gouda. Onderhavige ontwikkeling maakt onderdeel uit van de herontwikkeling van de spoorzone. In de Regionale Agenda Wonen (RAW) (regio Midden-Holland) is als belangrijke kwaliteit van de regio de diversiteit benoemd. Het behoud en versterken van de verschillende woonmilieus binnen de regio is een belangrijke ambitie. Met de woningbouw in de Spoorzone wil gemeente Gouda het bestaande gemengd stedelijk gebied uitbreiden.
Het aanbod is een stedelijk woonmilieu met goede voorzieningen in de buurt en gericht op gebruik van het OV. Uit de Woningmarktverkenning 2017-2030 volgt dat van de totale behoefte aan 4.813 woningen (in de periode 2017-2030), 3.152 woningen (65%) betrekking heeft op het woonmilieu Buiten-centrum en 1.474 woningen (31%) op het woonmilieu Groen-stedelijk. Binnen de regio MiddenHolland is de Spoorzone van Gouda de enige locatie waar op grote schaal aan deze vraag kan worden voldaan. Voor de Spoorzone zijn 1.000 woningen opgenomen in Blok I in de meest actuele versie van de Regionale Projectenlijst Woningbouw (RPW) Midden-Holland die aan de provincie is aangeboden door de regio MiddenHolland. De Spoorzone wordt hierin gezien als een plan met bovenregionale kwaliteit, ondermeer vanwege het hier te realiseren stedelijk woonmilieu nabij een HOV-knooppunt. Plannen met bovenregionale kwaliteit zijn in de ogen van de provincie plannen die liggen in het invloedsgebied van Stedenbaan(plus)trein / lightrailstations. 3.3.1.1 Relatie tot ontwikkeling In Midden-Holland is sprake van een netto uitbreidingsbehoefte van de woningvoorraad met zo’n 10.000 woningen tot 2030. Hierbij is het streven om een aangenaam stedelijk woonklimaat voor iedereen te realiseren binnen Gouda. Om dit streven na te leven gaat de voorkeur uit naar een mix van verschillende typen woningen.
Het beoogde plan voorziet in de realisatie van 58 woningen, waarbinnen verschillende typen woningen worden gerealiseerd (zie ook paragraaf 2.2.2 voor het beoogde programma). Met het Ontwikkelperspectief Spoorzone is rekening gehouden met de uitgangspunten uit de Goudse Woonvisie en de Regionale Agenda Wonen Midden-Holland (RAW). Het programma voor de Lomboklocatie dat dit bestemmingsplan mogelijk maakt, volgt uit het Ontwikkelperspectief. Met een centrumstedelijke woonmilieu nabij een OV-knooppunt en met veel stedelijke voorzieningen op loopafstand (zoals stadscentrum, ziekenhuis en bioscoop) is sprake van een unieke kwaliteit binnen de regio. Het programma van het Ontwikkelingsperspectief Spoorzone (en daarmee ook de planlocatie) is onderdeel van de Verstedelijkingsagenda en biedt een binnen de regio uniek en onderscheidend woonmilieu. Zowel kwantitatief als kwalitatief wordt het woonprogramma als passend bevonden in de aanwezige behoefte. Het programma voor de Spoorzone dient te voldoen aan de uitgangspunten uit de Woonvisie, waaronder de verhouding in het programma aan sociale huur en middeldure huur. Deze uitgangspunten worden op gebiedsniveau (Spoorzone) bewaakt. In de Spoorzone als geheel, zal aan het uitgangspunt m.b.t. 33% sociale huur worden voldaan.
Voor de onderhavig plangebied is echter geen programma aan sociale huurwoningen en middeldure huurwoningen voorzien, de locatie Lombok vormt in dit opzicht een uitzondering. Dit komt omdat de oude Woonvisie op het plan van toepassing is verklaard, zoals ook wordt
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 25
toegelicht in paragraaf 3.4.3 (Woon(zorg)visie 2030). Op grond van anterieure afspraken geldt de sociale huur verplichting niet voor onderhavig plangebied, omdat er minder dan 60 woningen worden gerealiseerd. 3.3.1.2 Conclusie Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een bijdrage geleverd aan de woningbehoefte en aan het streven om een aangenaam woonklimaat voor iedereen te realiseren. De ontwikkeling draagt bij aan ambities uit de regionale woonagenda.
GEMEENTELIJK BELEID Ontwikkelperspectief Spoorzone Gouda (2020) De Goudse Spoorzone biedt door haar gunstige ligging en uitstekende bereikbaarheid kansen om de komende jaren uit te groeien tot een nieuw gemengd stedelijk gebied, in het verlengde van de historische Goudse binnenstad. De Spoorzone is in de huidige situatie een gebied met verschillende gezichten. Het stationsgebied, waarin de afgelopen jaren een aantal nieuwe kantoorgebouwen en een bioscoop zijn gerealiseerd, wordt door een bestaande woonwijk gescheiden van het oostelijk deel van bedrijventerrein Goudse Poort. De Spoorzone biedt een breed aanbod aan hoogwaardige voorzieningen, onder andere op het vlak van onderwijs en gezondheidszorg. Door middel van slim ruimtegebruik kunnen daar in de komende jaren woningen, kantoren en voorzieningen aan worden toegevoegd. Binnen het projectgebied zijn deellocaties beschikbaar in de vorm van braakliggende kavels langs het spoor en bedrijfslocaties die organisch mogen transformeren naar nieuwe multifunctionele locaties. Als onderdeel van de visie op de Spoorzone zijn zeven leidende principes geformuleerd. 1. De bodem biedt kansen voor duurzame energie, maar vraagt ook om aandacht in de planvorming.
De bodem in de Spoorzone is geschikt voor de inzet van Warmte Koude Opslag (WKO) en is potentie voor de inzet van aquathermie, waarbij op een duurzame manier warmte kan worden onttrokken uit het aanwezige oppervlaktewater of rioolwater. Gezamenlijk biedt dit kansen om de nieuwe en mogelijk ook bestaande gebouwen in de Spoorzone op een duurzame manier vanwarmte en koeling te voorzien. Door onderling samen te werken tussen de deellocaties en de bronnen en WKO’s met elkaar te verbinden ontstaan mogelijkheden om het systeem robuuster en effectiever te maken. De bodem vraagt echter ook aandacht als het gaat om positionering van warme en koude bronnen, waarborgen van de drinkwatervoorziening, bodemdaling in relatie tot bouwen en openbare ruimte, kabels en leidingen en niet gesprongen explosieven. 2. Binnenstedelijk ontwikkelen vraagt maatwerk per deelgebied en aandacht voor wisselwerking met de omgeving. Daarom zijn binnen de Spoorzone vier verschillende woonmilieus aangewezen met elk een eigen karakter en uitgangspunt en kijken we ook naar de gevolgen en kansen die de ontwikkeling oplevert voor de omliggende wijken. 3. De Burgemeester Jamessingel speelt een belangrijke rol als verbindende schakel binnen de Spoorzone. Daarom worden maatregelen genomen om de weg aantrekkelijker te maken voor langzaam verkeer.
Dit kan bijvoorbeeld door de aanleg van een tweezijdig fietspad aan de zuidzijde van de weg, door het verbeteren van de oversteekbaarheid en door de aanplant van nieuwe bomen. 4. We versterken de bestaande kwaliteiten van de Spoorzone door extra groen en water toe te voegen. Dit heeft een positieve invloed op de leefbaarheid, deze locaties kunnen fungeren als nieuwe informele ontmoetingsplekken. Daarnaast heeft het een verkoelende werking tijdens warme periodes in de toekomst en verbetert het de opnamecapaciteit bijovervloedige regenval. 5. Het streven is om in de Spoorzone voor 2025 minimaal duizend nieuwe woningen te realiseren, met een gevarieerd aanbod van verschillende woningtypen voor elke portemonnee. Daarnaast blijft ruimte voor de bouw van nieuwe kantoren en voorzieningen, daar waar die aanvullend zijn op het huidige aanbod in en om de Spoorzone. Hierbij wordt dubbel grondgebruik in multifunctionele gebouwen gestimuleerd.
Mees Ruimte & Milieu | 20257.RO
Pagina | 26
6. Binnen de Spoorzone realiseren we een fijnmazig en kwalitatief netwerk van verbindingen voor wandelaars en fietsers, zodat bewoners en gebruikers zich veilig en comfortabel kunnen verplaatsen en het gebruik van duurzame mobiliteitsvormen wordt gestimuleerd. 7. We werken met een mobiliteitsconcept waarin minder ruimte is voor de auto, zodat het gebied goed bereikbaar blijft en de luchtkwaliteit niet verslechterd. Om dit mogelijk te maken wordt gewerkt met een mogelijke korting op de parkeernormen, als er een goed aanbod is van deelmobiliteit en de gebieden zo worden ontworpen dat autogebruik wordt ontmoedigd. Binnen de Spoorzone is sprake van versnipperd grondeigendom. De gemeente heeft zelf drie deellocaties in eigendom, de overige locaties zijn in handen van private partijen. De gemeente ontwikkelt de Spoorzone samen met haar partners op basis van een strategie van ‘plotontwikkeling’. Dat betekent dat de gemeente, in overleg met de betrokken eigenaar, per deellocatie of plot daarbinnen werkt met een apart bestemmingsplan. Waar mogelijk worden afspraken vastgelegd in een anterieure overeenkomst. Uit onderzoek blijkt dat voldoende vraag is naar de woningen in de Spoorzone. Maar het is wel belangrijk om te zorgen voor voldoende onderscheid in het woningaanbod en een passende fasering.