CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

ruimtelijke onderbouwing.pdf

Raadsvergadering 14 maart 2023, gemeente GoudaBij agendapunt: Realiseren van vrijstaande woning achter Voorwillenseweg 149-15119.390 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Ruimtelijke onderbouwing, Achter Voorwillenseweg 151/151a, Gouda Definitief Het PAG is het gebied naast Basisnetroutes waarbij rekening gehouden wordt met de effecten van een plasbrand. Deze kan ontstaan wanneer bij een ongeval vrijgekomen brandbare vloeistof ontstoken wordt. Met het oog op een dergelijk ongeval zijn in het Bouwbesluit 2012 en de daarop berustende ministeriële regeling bouwvoorschriften gegeven voor gebouwen in plasbrandaandachtsgebieden. De plasbrandaandachtsgebieden zijn bij ministeriële regeling aangewezen. Ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn zijn de scenario’s toxische wolk, koude BLEVE en warme BLEVE en plasbrand relevant. Het projectgebied is namelijk gelegen nabij het invloedsgebied van de stofcategorieën (zeer) brandbare vloeistoffen, brandbare gassen en (zeer) toxische vloeistoffen. Plaatsgebonden risico In bijlage 2 van de Regeling basisnet is voor het spoortraject 40BA behorende tot het Basisnet een afstand vastgelegd voor de zogeheten veiligheidszone (de plaatsgebonden risicocontour 10-6). In de regeling is de afstand ‘1’ vermeld. Dit betekent dat het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen op 1 meter van de spoorbundel niet meer mag bedragen dan 10 -6 per jaar. De veiligheidszone ligt daarmee binnen de spoorbundel en vormt daarmee geen belemmering voor het plan.

BLEVE-scenario Een koude BLEVE ontstaat doordat de inhoud van een tankwagon met brandbaar gas, bijvoorbeeld door een botsing, ineens vrijkomt en direct ontsteekt in de vorm van een vuurbal. De vuurbal geeft zowel een drukgolf als een intense warmtestraling. Personen die zich binnen de vuurbal bevinden zullen komen te overlijden. Mensen buiten de vuurbal en buiten de 35 kW/m2 -contour kunnen komen te overlijden als gevolg van warmtestraling als ze zich buiten bevinden (dus niet in een gebouw). Naast een koude BLEVE is er ook nog de warme BLEVE voor het transport van gevaarlijke stoffen per spoor. Deze kan optreden ten gevolge van een langdurige afstraling door een brand bij een tankwagon met brandbare gassen. Door de hitte neemt de druk in de tank toe, waardoor deze op een gegeven moment ineens zal bezwijken en daardoor direct wordt ontstoken. De vuurbal geeft zowel een drukgolf als een intense warmtestraling. Personen die zich binnen de vuurbal bevinden zullen komen te overlijden. Mensen buiten de vuurbal en buiten de 35 kW/m2 -contour kunnen komen te overlijden als gevolg van warmtestraling als ze zich buiten bevinden (dus niet in een gebouw). Toxische wolk-scenario Toxische stoffen kunnen vrijkomen als de tankwagon met toxische stoffen het begeeft als gevolg van bijvoorbeeld een incident.

Hierbij komen de toxische stoffen vrij in de vorm van een plas (bij vloeistoffen) of een wolk (bij gassen). Bij een toxische plas zal deze vervolgens (gedeeltelijk) verdampen, waarbij een toxische wolk wordt gevormd. Afhankelijk van de windrichting en de weersomstandigheden kan de toxische wolk richting het projectgebied drijven. Plasbrandaandachtsgebied Het plasbrandaandachtsgebied (PAG) is het gebied tot 30 meter van het spoor waarin, bij de realisering van (kwetsbare) objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. De 30 meter voor het PAG wordt gemeten vanaf de buitenste spoorstaaf. Volgens de regeling Basisnet geldt voor de spoorroute een plasbrandaandachtsgebied. De woning wordt buiten deze 30 meter vanaf de buitenste spoorstaaf geplaatst, op exact 30 meter afstand. Groepsrisico De effecten van calamiteiten op het spoor kunnen het projectgebied wel bereiken. Er worden daarom door initiatiefnemer maatregelen (zoals wtw-ventilatie, rookmelders et cetera) getroffen om de aanwezige personen te beschermen tegen deze effecten. De Veiligheidsregio heeft in eerdere adviezen rond het spoor beschouwd welke maatregelen mogelijk en in voorbereiding zijn. Hierna wordt hier uitgebreider op ingegaan.

BLEVE-scenario maatregelen Voor een koude BLEVE en een wolkbrand zijn geen mogelijkheden voor zelfredzaamheid, aangezien dit scenario in principe geen ontwikkeltijd kent. Aangezien een koude BLEVE geen ontwikkeltijd kent en maar enkele seconden duurt, is het niet mogelijk om voor het incident het gebied te ontvluchten en/of te schuilen. De inrichting van het projectgebied is daardoor niet bepalend voor de zelfredzaamheid bij dit type scenario. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Ruimtelijke onderbouwing, Achter Voorwillenseweg 151/151a, Gouda Definitief Voor de wolkbrand geldt hetzelfde als voor de koude BLEVE. Derhalve is het niet nodig om extra eisen te stellen aan de inrichting van het gebied ten gevolge van een koude BLEVE. Voor de warme BLEVE zijn er meer mogelijkheden voor de zelfredzaamheid dan bij een koude BLEVE. Dit komt doordat de ontwikkeltijd bij een warme BLEVE langer is dan bij een koude BLEVE. Hierdoor hebben mensen meer tijd om het gebied te ontvluchten of te schuilen. Het belang voor de toekomstige bewoners van dat zij het projectgebied dienen te ontvluchten van de risicobron af. Om de zelfredzaamheid te bevorderen zijn de bewoners op de hoogte gebracht van wat ze moeten doen bij een incident op het spoor met brandbare gassen. In voorliggend geval dienen de beoogde bewoners als zelfredzaam beschouwd te worden. Vluchten uit de woning is dan ook in principe goed mogelijk. De woningen worden aan de voorzijde en zijzijde van de woning voorzien van een zichtbare uitgang en vluchtroute die van het spoor afgericht is, om zo bij incidenten gemakkelijk en snel te woning te kunnen verlaten en zich zelf zo in veiligheid kunnen brengen. De toekomstige bewoners zijn op de hoogte en zijn voorgelicht omtrent de risico’s die zij lopen bij het bewonen van een woning op korte afstand van een spoorlijn.

Tevens zijn zij op de hoogte over de acties welke in geval van een incident in werking dienen te worden gezet. Toxische wolk Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld. Aangenomen wordt dat personen die zich binnen in een van de buitenlucht afgesloten ruimte bevinden een 10 keer zo lage kans hebben te overlijden als personen die zich buiten bevinden (PGS 3). Aan de toekomstige bewoners is meegedeeld dat zij bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident op het spoor binnen kunnen te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten worden. In voorliggend geval worden er brandmeld- en ontruimingsinstallaties geïnstalleerd zodat brandmelding en ontruiming tijdig en juist verlopen. Daarnaast zal de woning worden voorzien van wtw-ventilatie. Zo kunnen de toekomstige bewoners bij een incident met een giftige stof veilig binnen schuilen en worden giftige stoffen buiten gehouden omdat er geen roosters in de gevel noodzakelijk zijn om te voldoen aan de vereiste ventilatiecapaciteit. Als thermische isolatie is gekozen voor glaswol. Tevens zal het dak worden opgebouwd met een dubbele spano-plaat met glaswol als thermische isolatie.

Vanwege luchtdichtheidseisen zal de woning worden uitgevoerd met een goede kier- en naaddichting. Ontvluchtingsmogelijkheden en bereikbaarheid Hulpdiensten (sprinklers) De personen kunnen eveneens haaks op de wolk wegvluchten. Er zijn vluchtopties beschikbaar zijn, die van de bron af gericht zijn. Op basis van de wegen- en inrichtingsstructuur in en rondom het projectgebied kan in algemene zin worden opgemaakt dat hiervan sprake is. Voor hulpdiensten is het goed kunnen bereiken en verlaten van een incident met eigen materieel en eigen personeel van cruciaal belang. Hiervoor is het van belang dat wegen zo veel mogelijk een onbelemmerde doorgang bieden zodat de hulpverlening bij bijvoorbeeld een reanimatie, brand of inbraak zo snel mogelijk geleverd kan worden. Om bij de woning te komen dienen enkele (nieuw aan te leggen) bruggen te worden overgestoken. Deze bruggen zijn qua breedte en constructie van dusdanige omvang dat deze geschikt zijn voor auto’s of bestelbusjes (denk aan ambulance-formaat) en niet voor grotere vrachtwagens (denk aan brandweerwagens of soortgelijk). De breedte van deze ontsluitingswegen is de bestaande breedte van circa 3,3 meter zoals momenteel aanwezig. Om meerdere redenen (o.a. cultuurhistorische aspecten), kunnen de bruggen niet zodanig worden uitgevoerd, dat ze geschikt zijn voor brandweervoertuigen.

Daardoor kan een blusvoertuig van de brandweer de woning niet dicht genoeg benaderen en kan niet worden voldaan aan Bouwbesluit artikel 6.37 ”Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten” en artikel 6.38 ”Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen”. Doelstelling van de voorschriften in deze artikelen is, dat conform artikel 6.35 lid 1: ”Een bouwwerk zodanig bereikbaar is voor hulpverleningsdiensten (in deze casus de brandweer) dat tijdig bluswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd.” Door de gemeente Gouda is daarom aan de initiatiefnemer voorgesteld om de mogelijkheden te onderzoeken inzake toepassing van gelijkwaardigheid van het bouwbesluit. Daarbij is, in overleg met de Brandweer (VRHM), de toepassing van woningsprinklers als mogelijke oplossing aangedragen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Ruimtelijke onderbouwing, Achter Voorwillenseweg 151/151a, Gouda Definitief De brandweer heeft aangegeven en bevestigd dat deze oplossing als gelijkwaardig kan worden geaccepteerd. In hoeverre het toepassen van woningsprinklers in dit geval kan dienen als alternatief / gelijkwaardigheid voor bovengenoemde punten waarop niet aan het bouwbesluit wordt voldaan, is echter wel ter nadere beoordeling van het bevoegd gezag i.c. de brandweer. In onderstaande paragraaf wordt dit daarom nader gemotiveerd en beargumenteerd. Voor een uitgebreide motivering wordt verwezen naar bijlage 8 bij deze ruimtelijke onderbouwing. Vooropgesteld staat het uitgangspunt, dat alle overige wettelijk vereiste voorzieningen in en aan de woning, conform het bouwbesluit zijn/worden uitgevoerd. Inzake de bouwkundige en installatietechnische voorzieningen zijn dienaangaande door het bevoegd gezag geen opmerkingen geplaatst. Gelijkwaardigheid woningsprinklers De wettelijke basis voor toepassing van woningsprinklers, ligt in artikel 1.3 van het Bouwbesluit ”Gelijkwaardigheidsbepaling”.

Dit artikel luidt als volgt: ”Aan een in hoofdstuk 2 tot en met 7 gesteld voorschrift behoeft niet te worden voldaan indien het bouwwerk of het gebruik daarvan anders dan door toepassing van het desbetreffende voorschrift ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt als is beoogd met de in die hoofdstukken gestelde voorschriften”. In dit geval gaat het dus om de voorschriften van artikel 6.37 en 6.38. Bezien moet worden wat met deze artikelen dan als ”mate van veiligheid” is beoogd / bedoeld. Dat valt op te maken uit het aansturingsartikel bij deze artikelen, artikel 6.35 lid 1: ”tijdig kunnen uitvoeren van bluswerkzaamheden”. Door het niet voldoen aan voornoemde artikelen impliceert dus dat bluswerkzaamheden niet tijdig kunnen worden uitgevoerd. Vraag is dan, of dat, gelet op het gegeven, dat bewoners wel veilig kunnen vluchten, en de aanwezigheid van een installatie met woningsprinklers, nog wel noodzakelijk is. Sprinklerinstallaties voor de woonomgeving worden in de meeste gevallen ontworpen om gelijkwaardige oplossingen te bieden voor de beveiliging van mensenlevens (life safety) als alternatief voor bouwkundige voorzieningen. De oorzaak ligt dan in het ontbreken van voorzieningen in de woning of in een woongebouw.

In dit geval ligt de oorzaak buiten de woning (met name wat betreft het aspect ‘cultuurhistorie’), waardoor de brandweer later met de bluswerkzaamheden zal kunnen aanvangen. Woningsprinklers worden met name in de VS al decennia lang toegepast en hebben gedurende vele jaren hun waarde bewezen. In Nederland is het nog een vrij recente ontwikkeling, waarvoor door de NEN een norm is uitgebracht, de NEN-EN 16925:2018 + NB:2020nl ”Vaste brandblusinstallaties – Automatische sprinklerinstallaties voor de woonomgeving – Ontwerp, installatie en onderhoud”, waarin voorschriften zijn gegeven voor ontwerp, aanleg, componenten, watervoorziening, onderhoud en het testen. Een goed ontworpen en geïnstalleerd sprinklersysteem zal een brand ontdekken en beheersen, en in de meeste gevallen ook blussen. Inwerkingtreding van het systeem zal snel de ontwikkeling van warmte en rook verminderen. Doordat onverbrande rookgassen worden gekoeld, wordt bovendien een flash-over voorkomen. Hierdoor komt er sowieso meer tijd voor de bewoners beschikbaar om te vluchten. Ook is er dan dus voor de brandweer geen directe noodzaak meer om snel een repressieve inzet te plegen. Woningsprinklers bieden derhalve een goede invulling als gelijkwaardigheid voor een snelle inzet van de brandweer.

Conclusie Bij de gekozen oplossing met woningsprinklers is er geen reden om aan te nemen dat daarmee de mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu minder is, dan met de betrokken voorschriften van artikel 6.37 en 6.38 is beoogd. Woningsprinklers, -mits uitgevoerd conform de norm NEN-EN 16925 + NB, in combinatie met de gebruikelijke rookmelders conform de NEN 2555 in de woning, zijn een effectieve gelijkwaardige oplossing voor het niet voldoen aan de eisen inzake bereikbaarheid van het Bouwbesluit. Ten aanzien van de rookmelders in de woning is Bouwbesluit artikel 6.21, lid 1 van toepassing. Met de op tekening aangegeven rookmelders - in de entree, de woonkamer en op de overloop wordt daar onverkort aan voldaan. Met die rookmelders, heeft de woning namelijk ”zodanige voorzieningen dat brand tijdig kan worden ontdekt zodat veilig kan worden gevlucht”. Daardoor wordt tevens voldaan aan artikel 6.9 lid 1. De overige rookmelders (slaapkamers en kantoor) zijn formeel niet vereist.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Ruimtelijke onderbouwing, Achter Voorwillenseweg 151/151a, Gouda Definitief Eveneens beziet initiatiefnemer de mogelijkheden om het glasoppervlak in de gevel parallel aan het spoor zoveel mogelijk te beperken. Dit beperkt de effecten van een incident met LPG op het spoor. Bestrijdbaarheid en beheersbaarheid in relatie tot de risicobron •

Bestrijdbaarheid

Een snelle opkomsttijd van de brandweer en een snelle ontsluiting van voldoende bluswater zijn bepalend voor een effectieve bestrijdingspoging en het beperken van de gevolgen voor de omgeving. De brandweerkazerne bevindt zich op relatief korte rijafstand van 6 kilometer. Echter, in de woning wordt een goed ontworpen sprinklersysteem geïnstalleerd, welke een brand snel zal ontdekken en beheersen, en in de meeste gevallen ook afdoende zal blussen. Inwerkingtreding van het systeem zal snel de ontwikkeling van warmte en rook verminderen. Doordat onverbrande rookgassen worden gekoeld, wordt bovendien een flash-over voorkomen. Hierdoor komt er sowieso meer tijd voor de bewoners beschikbaar om te vluchten. Ook is er dan dus voor de brandweer geen directe noodzaak meer om snel een repressieve inzet te plegen. Woningsprinklers bieden derhalve een goede invulling als gelijkwaardigheid voor een snelle inzet van de brandweer. Gesteld wordt dat wordt voldaan aan de Praktijkrichtlijn van de Brandweer. Door de Veiligheidsregio wordt geadviseerd om aanvullende brandveiligheidsvoorzieningen (naast de sprinklers) bij de bouw mee te nemen. Dit advies wordt overgenomen. Er worden ook extra rookmelders in de diverse verblijfsruimten aangebracht, iedere ruimte heeft een eigen melder.

Dit ten behoeve van een snelle alarmering bij een beginnende brand en daarmee de verkleining van de kans op slachtoffers.

Afbeelding 4.4

Allerhande informatie aangegeven op kaart (Bron: Bekhuis Kleinjan)

Beheersbaarheid De beheersbaarheid wordt bepaald door de interne veiligheidsvoorzieningen in de woning zelf en de mogelijkheden van de hulpdiensten en andere betrokken instanties om hun taken goed uit te voeren. Het betreft hier onder anderen de bereikbaarheid van de locatie, opstelmogelijkheden, de beschikbaarheid en inzetbaarheid van materieel en de personele capaciteit. Zoals verwoord onder het kopje bestrijdbaarheid is de brandweer op 6 kilometer van het projectgebied gevestigd. Het is daarom mogelijk om binnen afzienbare tijd (circa vier minuten) aanwezig te zijn. Nabij het projectgebied (aan de Voorwillenseweg) zijn er voldoende mogelijkheden voor hulpdiensten aanwezig om het

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Ruimtelijke onderbouwing, Achter Voorwillenseweg 151/151a, Gouda Definitief materieel te kunnen opstellen. De overige zaken hebben betrekking op de organisatorische aspecten van de hulpdiensten en zijn in het kader van deze ruimtelijke onderbouwing niet relevant. 1.

Het plan is daarnaast aan de lokale brandweer toegezonden voor advies. Inhoudelijke reactie is gegeven, welke is verwerkt in deze ruimtelijke motivering. Gebleken is dat indien het advies en de Bouwbesluit-vereisten worden aangehouden, er geen bezwaren tegen deze ontwikkelingen zijn, zie hiervoor bijlage 8.

2.

Op grond van artikel 9 van het ‘Besluit externe veiligheid transportroutes’ is het plan ter voorbereiding van de omgevingsvergunning aan de Veiligheidsregio voorgelegd ter advisering. Gebleken is dat indien het advies en de Bouwbesluit-vereisten worden aangehouden, er geen bezwaren tegen deze ontwikkelingen zijn.

4.4.3 Conclusie Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

4.5

Milieuzonering

4.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 4.5.2

Gebiedstypen

4.5.2.1 Algemeen Afstemming van bestaande en nieuwe functies gebeurt door het aanhouden van zogenaamde richtafstanden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Bij deze richtafstanden wordt rekening gehouden met de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zoals gesteld in de ‘Staat van

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Ruimtelijke onderbouwing, Achter Voorwillenseweg 151/151a, Gouda Definitief bedrijfsactiviteiten’. Hierbij wordt uitgegaan van het principe van functiescheiding, waarbij twee gebiedstypen te onderscheiden zijn, namelijk: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen , zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is.

Het projectgebied ligt nabij het centrum van Gouda. In de nabije omgeving bevinden zich verscheidene functies. Daarom wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. De volgende tabel geeft de richtafstanden voor de verschillende omgevingstypes weer. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

4.5.2.1 Situatie projectgebied 4.5.2.1.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Er wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

4.5.2.1.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling niet resulteert in de aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Ruimtelijke onderbouwing, Achter Voorwillenseweg 151/151a, Gouda Definitief 4.5.2.1.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de functie hinder ondervindt van bestaande milieubelastende functies in de omgeving en of de omliggende functies in hun werkzaamheden worden belemmerd als gevolg van de ontwikkeling. De beoogde woning wordt ontwikkeld te midden van reeds bestaande woonbestemmingen. Tussen de bestemmingen die anders zijn dan wonen qua milieucategorie in de buurt van het projectgebied en de beoogde woning liggen reeds bestaande woonbestemmingen. Hierdoor kan de hinder als gevolg van de bedrijvigheid op de beoogde woning als aanvaardbaar beschouwd worden. Ook zal de beoogde woning geen extra beperkingen opleggen aan deze objecten met een andere millieucategorie. Geconcludeerd wordt dat omliggende milieubelastende functies geen belemmering vormen voor de realisatie van woning op deze locatie. Er is vanuit milieuzonering een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten. Andersom wordt geconcludeerd dat omliggende functies niet worden beperkt in hun bedrijfsvoering door het initiatief. 4.5.4

Conclusie milieuzonering

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.6

Ecologie

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 4.6.1

Gebiedsbescherming

4.6.1.1 Natura 2000-gebieden Nederland heeft aan de hand van een vergunningenstelsel een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het projectgebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Broekvelden, Vettenbroek en Polderstein” ligt op een afstand van circa 0,9 kilometer. In afbeelding 4.5 is dit weergegeven. Het projectgebied is hier met de rode ster aangegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Ruimtelijke onderbouwing, Achter Voorwillenseweg 151/151a, Gouda Definitief

Afbeelding 4.5

Ligging van het projectgebied ten opzichte van Natura 2000-gebied (Bron: Provincie Zuid-Holland)

Om aan te tonen of het voornemen resulteert in significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden, is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Voor het volledige rapport behorende bij dit onderzoek wordt verwezen naar bijlage 3. Hieronder wordt beknopt ingegaan op de belangrijkste resultaten en conclusies. BJZ.nu heeft via de AERIUS-calculator een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase van het project. Uit de berekening is naar voren gekomen dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 4.6.1.2 Natuur Netwerk Nederland Het Natuur Netwerk Nederland (NNN) is, als onderdeel van het Nederlands Natuurnetwerk (NNN) de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van de NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. De dichtstbijzijnde gronden die zijn aangeduid als NNN liggen op ruim 0,65 kilometer afstand van het projectgebied.

Gezien de onderlinge afstand, de aard en omvang van de ontwikkeling en lokale invloedsfeer van de voorgenomen activiteit wordt gesteld dat als gevolg van voorliggend initiatief geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 4.6.2

Soortenbescherming

4.6.2.1 Algemeen Tevens wordt de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In dit geval er is een ‘Quickscan ecologie’ door de Natuurbank Overijssel uitgevoerd, deze is opgenomen in bijlage 4 bij deze onderbouwing.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Ruimtelijke onderbouwing, Achter Voorwillenseweg 151/151a, Gouda Definitief 4.6.2.2 Situatie projectgebied Uit de quickscan blijkt -samengevat- dat het projectgebied volledig uit rietland en open water bestaat, omgeven door stedelijk gebied. De inrichting en het gevoerde beheer maken het projectgebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot een potentieel geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten. Afhankelijk van de tijd van het jaar, waarin de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden, kunnen beschermde dieren gedood worden, eieren beschadigd/vernield worden en rust- en/of voortplantingsplaatsen van beschermde dieren beschadigd/vernield worden. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het projectgebied als foerageergebied voor beschermde dieren niet aangetast. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet zonder ontheffing negatief beïnvloed worden. Voor het (onbewust) doden van de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het projectgebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen. Gelet op de ligging van het projectgebied, op enige afstand van beschermd (natuur)gebied, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming.

Voor een uitgebreide rapportage wordt verwezen naar de quickscan in bijlage 4. 4.6.3

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

4.7

Archeologie & cultuurhistorie

4.7.1

Archeologie

4.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.7.1.2 Situatie projectgebied De gemeente Gouda heeft haar archeologiebeleid onder andere doorvertaald naar de zogenoemde ‘Archeologische basiskaart’. In aanvulling op het rijks- en provinciaal archeologisch beleid heeft de gemeente Gouda in juni 2011 de geactualiseerde gemeentelijke archeologische beleidskaart (ABK) vastgesteld. Op de ABK is aangegeven in welke gebieden binnen de gemeente archeologische waarden aangetroffen kunnen worden. In die gebieden is een omgevingsvergunning voor de activiteit archeologie vereist bij bodemverstorende werkzaamheden. In het beleid is opgenomen in welke situaties vrijstelling geldt van deze verplichting. Alle onderzoeken in Gouda tonen aan dat de gemiddelde dikte van de verstoorde bovenlaag in Gouda meer dan 50 cm bedraagt.

Zolang werkzaamheden niet dieper dan 50 cm -mv worden uitgevoerd, is er geen archeologisch onderzoek of een omgevingsvergunning activiteit archeologie vereist. Hiermee wordt afgeweken van de provinciale norm van 30 cm -mv. Bovenstaande verplichtingen en vrijstellingen gelden in situaties waar behoud in situ van de archeologische waarden geen optie is. Waar mogelijk probeert Gouda behoud in situ wel actief te stimuleren. Daarom is het archeologievriendelijk bouwen geïntroduceerd: wanneer een bouwplan voldoet aan een aantal richtlijnen, wordt het bodemarchief nog maar zo weinig verstoord dat archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. De

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Ruimtelijke onderbouwing, Achter Voorwillenseweg 151/151a, Gouda Definitief richtlijnen voor archeologievriendelijk bouwen zijn opgenomen in het beleid en vastgelegd in de Verordening inzake monumenten en archeologie. Voor het projectgebied geldt een (lage) verwachtingswaarde, zie onderstaande afbeelding 4.6.

Afbeelding 4.6

Ligging van het projectgebied op de Archeologische basiskaart (Bron: Gemeente Gouda)

Om die reden is in het geldende bestemmingsplan een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ aan het projectgebied toegekend. De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, bestemd voor doeleinden ter bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden. De lage verwachtingswaarde houdt blijkens de Archeologische basiskaart in dat voor nieuwe projecten met een groter oppervlak dan 10.000 m² of waarvan de bodemverstorende ingrepen dieper reiken dan 0,5 m –mv er vooraf archeologisch onderzoek moet plaatsvinden In voorliggend geval blijft de bodemverstoring ruim onder de 10.000 m². Het realiseren van de nieuwe bebouwing betreft een oppervlakte binnen het projectgebied van 138 m² (woning) hetgeen ruimschoots onder de 10.000 m² blijft. Gezien het feit dat de ingrepen de gestelde omvang niet zullen overschrijden is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Mocht onverhoopt tijdens de graafwerkzaamheden toch vondsten worden aangetroffen dan zullen deze bij het bevoegd gezag worden gemeld. 4.7.2

Cultuurhistorie

4.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Ruimtelijke onderbouwing, Achter Voorwillenseweg 151/151a, Gouda Definitief 4.7.2.2 Situatie projectgebied Cultuurhistorische Analyses In de Nota Cultuurhistorie is het beleid vastgelegd dat voor locaties waar zich nieuwe ontwikkelingen voordoen en een ontwikkelaar zich voorbereidt op een nieuw plan, een cultuurhistorische analyse (CHA) wordt opgesteld. De gebieden waar dit van toepassing is, zijn vastgelegd op de kaart 'Cultuurhistorische Analyse' (de zogenaamde "gelevlekkenkaart"). Uit deze kaart blijkt dat het gehele projectgebied is aangemerkt als gebied waar een analyse wordt gevraagd. Het betreft de zone langs de Voorwillenseweg. Er is een uitsnede van deze kaart in afbeelding 4.7 opgenomen. In onderhavig geval is door Lantschap Adviesbureau een cultuurhistorische analyse opgesteld inzake voorgenomen planontwikkeling. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 7 bij deze onderbouwing. De analyse van Lantschap ziet op het terrein tussen de spoorweg Gouda-Woerden en de erven van de panden Voorwillenseweg 151-151a en 151b-151c, het projectgebied.

Afbeelding 4.7

Ligging van het projectgebied op de Gele vlekken kaart (Bron: Gemeente Gouda)

Nota Cultuurhistorie De Nota Cultuurhistorie behandelt het cultuurhistorisch erfgoed zoveel mogelijk integraal (monumentenzorg, archeologie en landschapsbehoud). Centraal staat het streven het cultuurhistorisch erfgoed een bijdrage te laten leveren aan de eigen identiteit en herkenbaarheid van Gouda waarbij optimaal gebruik gemaakt wordt van haar bestaande kwaliteiten (belvedèrebeleid). Samen met de erfgoedvisie vormt de nota het cultuurhistorisch beleidskader voor de begeleiding van bouwinitiatieven. Erfgoedvisie Sinds het vaststellen van de nota Cultuurhistorie in 2004 is er veel veranderd. Budgetten voor stedelijke vernieuwing zijn weggevallen en hervormingen en bezuinigingen als gevolg van de crisis hebben hun invloed op het erfgoed in Gouda. Dit vraagt om een vernieuwingsslag; het beleid zal worden herijkt. Gouda wil zich blijven profileren met haar erfgoed en moet daarom antwoorden geven op de gevolgen van de economische crisis en vorm geven aan nieuwe inzichten. Belangrijke verschuiving is dat lange tijd het monument belangrijk was. Nu is de context leidend. Ander belangrijk nieuw inzicht is dat voorheen de nadruk vooral lag op conservering van het object. Nu ligt de focus juist op de ontwikkeling van het aanwezige erfgoed.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Ruimtelijke onderbouwing, Achter Voorwillenseweg 151/151a, Gouda Definitief Gouds erfgoed op de kaart Om een goed inzicht te verkrijgen in wat de historie van het projectgebied te bieden heeft, is de reeds opgebouwde kennis en informatie gebundeld en in overzichtskaarten samengebracht. Omdat dit regime voor het gehele projectgebied geldt, is inmiddels voldoende informatie beschikbaar gekomen om het erfgoed in kaart te brengen. Door de waarden die uit de verschillende analyses naar voren komen te stapelen in één kaartbeeld, is het mogelijk snel door accumulatie de meerwaarde van elementen, patronen en structuren te zien. Analyse Voorwillenseweg en conclusie onderzoek Het projectgebied is op de gele vlekkenkaart aangeduid als gebied waar een cultuurhistorische analyse wordt gevraagd. Met de Cultuurhistorische Analyse van Lantschap (bijlage 7) zijn alle belangrijke waarden in kaart gebracht. Initiatiefnemer is bereid gevonden deze waarden niet alleen te respecteren maar is ook de mogelijkheden (mede gezien de situering van de woning op het perceel) aan het verkennen om deze waar mogelijk te behouden. Tevens heeft initiatiefnemer zich bij de nadere uitwerking van de bouwplannen door deze analyse zich laten inspireren.

Ter plaatse wordt geen bebouwing gesloopt die voorheen bijzondere cultuurhistorische waarden had, het projectgebied is namelijk onbebouwd en voorzien van opgaande beplanting welke erg verwilderd is. Het plan tast de structuren van de Voorwillenseweg niet aan, waardoor ook de cultuurhistorische waarden behouden blijven, zie ook de situeringtekening van de woning. Op grond van het cultuur-historische onderzoek van Lantschap kan geconcludeerd worden: • • •

•

•

•

•

•

De Polder Willens is een middeleeuws ontginningsblok uit de periode van de vrije opstrek, voor de tijd van de zogeheten cope-ontginningen met een vooraf vastgestelde achtergrens. De polder bestond uit langgerekte, parallelle strookvormige kavels van de Goejanverwelledijk tot de Platteweg. Door verstedelijking is de oorspronkelijke structuur van Voor Willens en Middel Willens vrijwel onherkenbaar geworden. Slechts hier en daar is iets van de oorspronkelijke polderstructuur bewaard gebleven. De Voorwillenseweg is een oude polderkade die de grens vormde tussen Voor Willens en Middel Willens. Het is een waardevol cultuurhistorisch element doordat de maatvoering van de weg en de beide waterlopen behouden zijn gebleven. De landschappelijke context van de kade is echter geheel veranderd in een stedelijke. Het bebouwingslint aan de noordzijde van de Voorwillenseweg heeft ter plaatse van het plangebied geen cultuurhistorische waarde, met uitzondering van de historische percelering. De stedelijke ontwikkeling in de gehele zone tussen de Voorwillenseweg en de spoorlijn heeft ook niet geleid tot nieuwe stedenbouwkundige kwaliteit. De nieuwe ontsluiting van de woning op de Voorwillenseweg vindt plaats via een bestaande brug en een bestaand pad. De voorgenomen plannen hebben geen nadelige effecten op de cultuurhistorische kwaliteit van de Voorwillenseweg.

De sloten in het plangebied, die doorlopen tot aan de Voorwillenseweg, behoren tot de schaarse restanten van de vroegere percelering van de Polder Willens. De beide brede sloten aan de oost- en westzijde van het plangebied blijven, net als de smallere middensloot, in het plan gehandhaafd. Dit is belangrijk omdat hiermee nog iets van de oorspronkelijke structuur van het vroegere cultuurlandschap bewaard blijft. Door het huis in de lengterichting parallel aan de sloten te plaatsen wordt de vroegere noord-zuid oriëntatie van de polder versterkt.

Conclusie Vanuit cultuurhistorisch oogpunt bestaan er geen belemmeringen voor het plan. 4.7.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is. Op basis van het cultuur-historische onderzoek van Lantschap wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Ruimtelijke onderbouwing, Achter Voorwillenseweg 151/151a, Gouda Definitief

4.8

Groenstructuur

4.8.1

Algemeen

In december 2017 heeft de gemeenteraad de beleidsnotitie Groen, groener, Gouda vastgesteld. Daarin is opgenomen dat Gouda bij planontwikkelingen randvoorwaarden wil meegeven voor te realiseren groen. In het coalitieakkoord 2018-2022 Nieuwe energie – Samenwerken en investeren voor Gouda is het volgende opgenomen: “We willen tegelijkertijd de aantrekkelijkheid en leefbaarheid van de stad vergroten. Dat kan onder meer door het creëren van nieuw groen en water. We zorgen daarbij voor een samenhangende aanpak met klimaatmaatregelen, aangezien groen ook een functie kan hebben als het gaat om afwatering en hoe stedelijke hitte-effecten op te vangen.” Het doel is vergroten van de leefbaarheid door een toename van openbaar groen; het doel vanuit klimaatadaptatie is het bevorderen van maatregelen om de capaciteit van waterberging te vergroten, en wateroverlast en hittestress te verminderen. Gouda vindt het daarom belangrijk dat er in het algemeen voldoende groen in de stad beschikbaar is. Uitgangspunt is dat bouwende partijen het aanwezige groen behouden en ook nieuw groen aanleggen. Indien een projectontwikkelaar aanwezig groen niet behoudt of onvoldoende nieuw groen aanlegt, moet er financieel gecompenseerd worden door storting van een bijdrage in het Groenfonds. Met de financiën uit dit fonds kan op een andere plek alsnog openbaar groen worden aangelegd.

Om het stellen van randvoorwaarden bij planontwikkelingen mogelijk te maken, is een basis nodig in de vorm van een structuurvisie, die hier tevens in beleidsregels is uitgewerkt. Wanneer er een omgevingsvisie voor Gouda komt, zullen de beleidsregels daar onderdeel van uit gaan maken. De structuurvisie richt zich in hoofdzaak op openbaar gebied en niet op particuliere tuinen. Maar de tuinen vormen gezamenlijk wel een groot deel van de stad, dat verhard of groen kan zijn. Gouda heeft zich daarom aangesloten bij de landelijke organisatie Operatie Steenbreek. Deze is gericht op het stimuleren en faciliteren van meer groen op particulier terrein, met name de tuinen bij woonhuizen. Daarvoor werkt de gemeente samen met meerdere organisaties, zoals Instituut Voor Natuureducatie, Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, Groei&Bloei en de woningcorporaties. 4.8.2

Situatie projectgebied

Om aan het aspect leefbaarheid invulling te geven zal uitdrukkelijk rekening gehouden met de aanleg van groen bij de inrichting van het projectgebied.

Afbeelding 4.8

Groen inrichting van het projectgebied (Bron: Initiatiefnemer, bewerkt door BJZ.nu))

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Ruimtelijke onderbouwing, Achter Voorwillenseweg 151/151a, Gouda Definitief Daarnaast wordt uitgezocht in hoeverre groene (sedum)daken en gevels te realiseren zijn. Om aan het aspect klimaatadaptatie invulling te geven wordt onderzocht of in de tuin het steen te vervangen is door groen met bomen en water. Met deze maatregelen kan de capaciteit van de waterberging worden vergroot, en kunnen hittestress en wateroverlast worden bestreden.

4.9

Besluit Milieueffectrapportage

4.9.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een plan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •

•

•

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (kolom 3, plannen); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het plan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (kolom 4, besluiten); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het plan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r. beoordeling gehanteerd. 4.9.2

Situatie projectgebied

In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en daarmee geen sprake van een directe m.e.r.-plicht. In onderdeel D 11.2 van het besluit wordt de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen genoemd. Indien geoordeeld wordt dat sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Uit jurisprudentie volgt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. In dit geval is sprake van een ontwikkeling waarbij één woning wordt gerealiseerd. De aard en omvang van dit project is hiermee beperkt en de omvang van het nieuwe woonerf is kleinschalig. Daarnaast wordt het project gerealiseerd in directe aansluiting op de lintbebouwing, in een omgeving die zich kenmerkt door. Het projectgebied wordt op passende wijze ingepast in de omgeving. Dit is een herinrichting van ondergeschikte aard.

Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een nieuwe functie (woning) die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen. Gelet op de aard en omvang van dit project wordt geconcludeerd dat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Ruimtelijke onderbouwing, Achter Voorwillenseweg 151/151a, Gouda Definitief 4.9.3

Conclusie

Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk het de voorgenomen ontwikkeling geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.

4.10

Wateraspecten

4.10.1 Vigerend beleid 4.10.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 4.10.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen.

De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 4.10.1.3 Provinciaal beleid In het “Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016-2021” staat uitgebreid beschreven hoe de provincie, samen met waterschappen en andere partners, een duurzame en klimaatbestendige delta zal realiseren en behouden, waar het veilig en aangenaam wonen, werken en recreëren is. In het Waterplan zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationale waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Zuid-Holland. Het Waterplan vervangt de eerdere beleidsplannen voor (grond)water. Het plan staat in nauw verband met de provinciale structuurvisie. Daarin staat wat er met de ruimte in Zuid-Holland gaat gebeuren en waar. De provincie Zuid-Holland wil een gezonde, veilige en aantrekkelijke omgeving om in te leven, te werken en te recreëren. Daarin speelt water een belangrijke rol. Om te leven maken we gebruik van drinkwater, irrigatiewater voor land- en tuinbouw en water voor de natuur. Vaarwater op rivieren, meren en de zee is nodig voor transport en we hebben water nodig voor de industrie. Voor recreatie hebben we zwem- en vaarwater nodig van een goede kwaliteit.

4.10.1.4 Waterschap Rijnland In maart 2016 is het vijfde Waterbeheerplan (WBP5) vastgesteld. Dit plan geeft richting aan het waterbeheer in de periode 2016 -2021. Het WBP is een belangrijk kader voor het jaarlijkse meerjarenperspectief. In het WBP geeft de waterbeheerder aan wat de ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Ruimtelijke onderbouwing, Achter Voorwillenseweg 151/151a, Gouda Definitief In het Waterbeheerplan 2016 – 2021 laat het waterschap de hoofdlijnen zien van het beleid op het gebied van watersystemen en afvalwaterketen. In het plan zijn doelen gesteld voor de thema’s watersysteem en afvalwaterketen. Concreet betekent dat voor het watersysteem de volgende doelen: • • • •

Watersystemen zijn zo ontworpen dat ernstige en langdurige wateroverlast zoveel mogelijk wordt voorkomen: oppervlaktewater treedt niet vaak buiten zijn oevers. De gehanteerde waterpeilen zijn afgestemd op het grondgebruik oftewel de functies landbouw, natuur en wonen: goed waterpeil onder normale omstandigheden. Zorgen voor waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: gezond oppervlaktewater. Faciliteren van een verantwoord gebruik van het beschikbare zoetwater.

Voor de afvalwaterketen is het volgende doel van belang: •

In de afvalwaterketen van de toekomst wordt afvalwater op een duurzame en efficiënte manier ingezameld en gezuiverd, zodat het geen bedreiging vormt voor volksgezondheid en omgevingskwaliteit.

4.10.1.5 Hoogheemraadschap van Rijnland Het hoogheemraadschap van Rijnland zorgt dat het gebied tussen Den Haag, Gouda en Amsterdam beschermd is tegen overstromingen, wateroverlast en droogte. De watertoets is een instrument dat ervoor zorgt dat een initiatiefnemer water vanaf het begin van het planvormingsproces meeneemt bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het doel van het watertoetsproces is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze meewegen bij alle ruimtelijke plannen en besluiten die relevant zijn voor de waterhuishouding. Het waterbeleid van het hoogheemraadschap is opgenomen in onderstaande Rijnlandse beleidsdocumenten. • •

• •

“Keur Rijnland 2009” incl. Algemene en Beleidsregels; “Beleids- en algemene regels inrichting watersysteem 2011”  Aanbrengen van verharding, uitvoeringsregel 11;  Alternatieve waterbergingen, uitvoeringsregel 27; “Nota Waterkeringen, deel 2 beleidsregels”; Beleidskader Normering Wateroverlast (NBW).

Waterbeheerplan 2016-2021 Voor de planperiode 2016-2021 zal het Waterbeheerplan (WBP) van Rijnland van toepassing zijn. In dit plan geeft Rijnland aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen Het nieuwe WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering. De drie hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Keur 2020 De “Keur en Beleidsregels” maken het mogelijk dat het Hoogheemraadschap van Rijnland haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor:   

Waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), Watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken), Andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen).

De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. De meest actuele versie van de “Beleids- en Algemene Regels Keur 2020” is in werking getreden op 1 juni 2020. Keur en Beleidsregels van Rijnland zijn te vinden op de website van het Hoogheemraadschap. Het compenseren van verharding is belangrijk voor het functioneren van het watersysteem dat Rijnland beheert. Hemelwater kan ook tot overlast leiden voordat het watersysteem wordt bereikt. Deze overlast kan worden voorkomen door een klimaat adaptieve inrichting. In het Zuid-Hollandse “convenant klimaat adaptief BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Ruimtelijke onderbouwing, Achter Voorwillenseweg 151/151a, Gouda Definitief bouwen” dat Rijnland ook heeft ondertekend zijn eisen, werkwijze en voorbeelden opgenomen die een leidraad bieden voor klimaat adaptieve inrichting niet alleen voor wateroverlast maar ook andere klimaatopgaven. Bij nieuwe ontwikkelingen waarbij sprake is van een toename in het verhard oppervlak dient de versnelde afvoer van hemelwater te worden gecompenseerd. De algemene regel is van toepassing op het aanleggen van 500 tot 5.000 m². Bij kleine uitbreidingen (< 500 m2 ) van verharding zullen de negatieve effecten op de omgeving beperkt zijn. In die gevallen volstaat een zorgplicht. Bij uitbreidingen van het verharde oppervlak met meer dan 5.000 vierkante meter, kan het effect van de toename aan verharding op de omgeving aanzienlijk zijn. Bij deze grote oppervlakken is het belangrijk dat het verhard oppervlak wordt gecompenseerd. Er is geen compensatie benodigd wanneer er sprake is van een afname aan verharding. Het aanbrengen van de verharding moet worden gecompenseerd door het graven van compenserend wateroppervlak ter grootte van 15% van het oppervlak van de toename aan verharding. Indien nieuw oppervlaktewater wordt gegraven moet dit voorafgaand aan, of gelijktijdig met, het aanbrengen van de verharding worden gerealiseerd.

In afwijking hoeft geen compenserend wateroppervlak te worden gegraven voor zover er ten behoeve van de toename aan verharding een alternatieve waterberging wordt aangelegd, zoals bedoeld in regel 27 Alternatieve waterbergingen. Een alternatieve waterberging is een voorziening waarbij op een andere wijze dan door middel van het graven van oppervlaktewater, hemelwater al dan niet tijdelijk kan worden geborgen. Onder alternatieve waterberging worden onder andere verstaan: wadi’s, polderdaken en bergingskelders. In de uitvoeringsregel over alternatieve waterbergingen zijn de eisen opgenomen waaraan een alternatieve waterberging moet voldoen, deze dient ter compensatie van een toename aan verhard oppervlak. Ook als een alternatieve waterberging wordt verwijderd of opgeheven, kunnen hier regels voor gelden 4.10.1.6 Gemeentelijk Rioleringsplan 2019-2023 In 2019 heeft de gemeenteraad het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2019-2023 vastgesteld. Het GRP geeft invulling aan het stedelijk waterbeheer van de gemeente Gouda. Hierin staat Gouda's visie beschreven over het rioolbeheer. En het GRP geeft op transparante wijze invulling aan de gemeentelijke zorgplicht met betrekking tot water. Deze zorgplichten zijn: • • • •

•

Zorgplicht voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater (Wet Milieubeheer); Zorgplicht voor afvloeiend hemelwater (Wet op de Waterhuishouding); Zorgplicht voor het voorkomen of beperken van structureel nadelige gevolgen van grondwaterstanden (Waterwet). De rioleringszorg heeft één hoofddoel. Dit is het duurzaam beschermen van de volksgezondheid. Het aanleggen en het onderhouden van adequate rioolsystemen is een wettelijke verplichting die voort vloeit uit de gemeentelijke zorgplicht voor afvalwater (artikel 10.33 uit de Wet milieubeheer). Het algemene doel van de riolering wordt in het GRP vertaald in de onderstaande zes werkbare doelen: o Inzameling van het binnen gemeentelijk gebied geproduceerde verontreinigde water; o Inzameling van het overtollige hemelwater en grondwater dat niet mag of kan worden gebruikt voor de lokale waterhuishouding; o Transport van het ingezamelde water naar een geschikt lozingspunt; o Ongewenste emissies naar oppervlaktewater, bodem en grondwater zoveel mogelijk voorkomen; o Zo min mogelijk overlast voor de omgeving veroorzaken (in de breedste zin van het woord); o Doelmatig beheer en een goed gebruik van de riolering tegen de laagst mogelijke maatschappelijke kosten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Ruimtelijke onderbouwing, Achter Voorwillenseweg 151/151a, Gouda Definitief Kwaliteit In de Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen: Woningbouw nieuwbouw, Woningbouw beheer en Utiliteitsbouw is een tweetal maatregelen (S/U237 en S/U444) opgenomen die onder meer betrekking hebben op het verminderen van de emissie van milieubelastende stoffen naar het van daken afgevoerde hemelwater. Bij nieuwbouw wordt geadviseerd de emissies vanuit bouwmaterialen richting het oppervlaktewater zoveel mogelijk te beperken in verband met de waterkwaliteit en zoveel mogelijk gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk. Daarnaast dient het gebruik van onkruidbestrijdingsmiddelen zoveel mogelijk beperkt te worden en wordt geadviseerd bij voorkeur gebruik te maken van alternatieven hierin. Ook het wassen van auto’s is bij afkoppeling van hemelwater niet wenselijk. 4.10.1.7 Convenant Klimaatadaptief bouwen in Zuid-Holland Nieuwbouwlocaties in Zuid-Holland worden zoveel mogelijk klimaatadaptief gebouwd, zodat ze bestand zijn tegen weersextremen als gevolg van klimaatverandering. Deze ambitie is vastgelegd in het Convenant Klimaatadaptief Bouwen. Dit is ondertekend door onder meer bouwbedrijven, gemeenten, de provincie, waterschappen, maatschappelijke organisaties, financiers en projectontwikkelaars.

De Deltacommissaris stelde het ook: de woningbouwopgave moet klimaatadaptief worden ingevuld. Klimaatverandering heeft grote impact op onze leefomgeving en het aantal weersextremen neemt toe. ZuidHolland staat voor een grote bouwopgave – tot 2025 zijn er in de provincie 100.000 nieuwe woningen nodig. Deze ontwikkelingen maken het van belang dat klimaatadaptief bouwen zo snel mogelijk de nieuwe norm wordt. De Zuid-Hollandse coalitie neemt het voortouw om samen te versnellen, nieuwe ontwerpprincipes en standaarden te ontwikkelen, innovaties te stimuleren en meer proeflocaties mogelijk te maken. Om verder te versnellen wil de coalitie een brede vernieuwing realiseren, van het ombuigen van ‘klassieke aanbestedingen’ tot nieuwe manieren van financiering zoals een klimaathypotheek. Klimaatadaptief bouwen moet leiden tot: ▪ ▪ ▪ ▪

minder wateroverlast minder hittestress minder nadelige gevolgen van langdurige droogte en bodemdaling, meer biodiversiteit

De coalitie legt deze principes vast in een programma van eisen voor klimaatadaptief bouwen dat vanaf begin 2019 gehanteerd wordt, plus een witboek met technische en economische mogelijkheden. Op 13 september 2019 overhandigden de partners in het convenant het programma van eisen aan de Deltacommissaris en herbevestigden hun commitment om klimaatadaptief te gaan bouwen. Dit is een eerste onderdeel van een bredere aanpak die nog verder wordt ontwikkeld. Vertegenwoordigers van deelnemende partijen aan de coalitie werken de afspraken in het convenant uit, zoals: ▪ ▪ ▪

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=07ac2418-b184-497e-96e7-fb602a424546