RB Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2026
Tekst van het document
Toegang jeugdhulp via Veilig Thuis, gecertificeerde instellingen, rechter, OM of justitiële jeugdinrichting (JJI) Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie of justitiële jeugdinrichting De uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering maakt het voor een gecertificeerde instelling mogelijk zelfstandig te bepalen dat jeugdhulp nodig is (artikel 3.5, lid 1, van de Jeugdwet). Wel moet er overleg zijn met de gemeente.
pagina 34
Bij jeugdreclassering mag niet alleen de gecertificeerde instelling dit doen, maar kunnen ook andere instanties besluiten dat jeugdhulp nodig is. Deze andere instanties zijn de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI) en de selectiefunctionaris van de JJI. De gemeente is verantwoordelijk voor de inzet van jeugdhulp die volgens deze instanties nodig is om een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uit te voeren. De gemeente heeft hier dus een leveringsplicht (zie artikel 2.4, lid 2, aanhef en onder b, van de Jeugdwet). Het uitgangspunt is dat rekening wordt gehouden met de ingekochte jeugdhulp van de gemeente. Deze toegang wordt in de Jeugdwet geregeld en komt daarom verder niet terug in deze verordening. Toegang via Veilig Thuis Via Veilig Thuis kan ook toegang worden verkregen jeugdhulp. Dit geldt enkel voor crisishulp vanuit het Crisis Interventie Team. Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt als dat nodig is op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling of huiselijk geweld, motiveert zo nodig ouders tot het accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. Artikel 10.
Diagnostiek en behandeling van Ernstige Dyslexie De toeleiding naar diagnostiek en behandeling van ernstige dyslexie (ED) heeft een aparte werkwijze en geldt voor kinderen die op de basisschool zitten. De toeleiding geschiedt conform de meest recente versie van ‘samenwerking in uitvoering Jeugd en Wmo in M-H’; Het besluit geeft toegang voor diagnostiek en behandeling. Behandeling is uitsluitend mogelijk indien uit de uitgevoerde diagnostiek blijkt dat sprake is van ernstige enkelvoudige dyslexie. HOOFDSTUK 4 ONDERZOEK EN BEOORDELING AANVRAAG OM INDIVIDUELE VOORZIENING (JEUGDWET) Als een inwoner jeugdhulp aanvraagt, onderzoekt de gemeente wat er nodig is. Daarbij wordt gekeken naar de hulpvraag, de gezinssituatie, eventuele problemen of stoornissen, en wat ouders en het netwerk zelf kunnen doen. De gemeente betrekt bij het onderzoek ook de eigen kracht van ouders en jeugdigen. Ouders zijn in principe zelf verantwoordelijk voor de opvoeding en het welzijn van hun kind. Er wordt gekeken of zij, eventueel met hulp van hun netwerk of andere voorzieningen, de benodigde ondersteuning kunnen bieden. Alleen als dat niet lukt, kan er jeugdhulp worden ingezet. In artikel 14 wordt aangegeven dat er alleen in uitzonderlijke gevallen specialistische begeleiding op de kinderopvang kan worden ingezet.
Dit kan alleen als dit nodig is vanwege opgroei- of opvoedproblemen en niet door de kinderopvang zelf kan worden geboden. Als er een voorziening wordt toegekend – dat wil zeggen: een vorm van hulp of ondersteuning via de gemeente – legt de gemeente dit vast in een beschikking. Daarin staat onder andere of het gaat om zorg in natura of een persoonsgebonden budget (pgb), wat het doel is van de hulp, en welke voorwaarden gelden. Artikel 11. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren Eerste lid Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een goed beeld van de jeugdige en zijn ouders en de gezinssituatie te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat er één of meerdere gesprekken gevoerd worden met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger. Tweede lid Op grond van artikel 2.5, van de wet informeert het college jeugdigen, ouders en pleegouders tijdig over de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon.
Ter verduidelijking van deze tijdige informatieverplichting is deze verplichting in het tweede lid opgenomen. Op grond van artikel
pagina 35
4.1.1, van het Besluit Jeugdwet heeft de informatie die het college verstrekt over de mogelijkheid gebruik te maken van de diensten van een vertrouwenspersoon in ieder geval betrekking op: • de onafhankelijke rol van de vertrouwenspersoon; • de aard van de ondersteuning door een vertrouwenspersoon; • de vertrouwelijkheid van die ondersteuning; • het feit dat de ondersteuning kosteloos is; en • de bereikbaarheid en beschikbaarheid van de vertrouwenspersoon.
derde lid De wet schept een jeugdhulpplicht voor gemeenten, maar die geldt alleen als de jeugdige en zijn ouders er zelf niet uitkomen. De jeugdhulp is bedoeld om de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders te versterken en om het gezin en andere mensen die dichtbij de jeugdige staan te leren om de jeugdige (nog) beter te helpen en te verzorgen, zodat de jeugdige gezond en veilig op kan groeien en zo goed mogelijk mee kan doen in de maatschappij (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:2017:1477, rov. 4.3.1.). Een zorgvuldig onderzoek vereist het achtereenvolgens doorlopen van de volgende stappen: Stap 1 - inventariseer de vraag. Wat is de jeugdhulpvraag van de jeugdige of zijn ouders? In dit verband moet opgemerkt worden dat uit artikel 1.1, van de wet voortvloeit dat jeugdhulp niet alleen de hulp aan de jeugdige is, maar ook dat de ouder zelf in aanmerking kan komen voor jeugdhulp. Hierbij wordt ook nadrukkelijk gekeken naar hoe de situatie is ontstaan waarom de jeugdige of zijn ouders nu een beroep doen op de gemeente. Stap 2 - breng de onderliggende problematiek minutieus in kaart leg dat vast. Welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zijn er? Bij deze stap in het onderzoek wordt nadrukkelijk ook beoogd om de oorzaken van de waargenomen problematiek in de context van de systeem- en gezinsdynamiek in kaart te brengen.
Stap 3 - stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast. De vraag of hulp noodzakelijk is en zo ja, met welke omvang moet, met inachtneming van de bevindingen uit de eerste twee stappen, worden beantwoord op een wijze die rekening houdt met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige, alsmede (zoveel mogelijk) met de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, met als doelstelling dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien, dat hij kan groeien naar zelfstandigheid en dat hij voldoende zelfredzaam kan zijn en maatschappelijk kan participeren. Stap 4 - kijk wat de discrepantie tussen noodzaak en eigen kracht is. Onderzoek naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk en of de op basis van de eerste drie stappen als noodzakelijk bepaalde hulp hiermee al dan niet volledig kan worden ondervangen. Anders gezegd: het bepalen van de mate waarin de eigen kracht toereikend is. De stappen 1 tot en met 3 bouwen als het ware de jeugdhulpplicht eerst op tot een bepaald maximum. Stap 4 verkleint deze vervolgens weer, eventueel zelfs tot nul. Stap 5 - stel vast welke voorziening de geconstateerde discrepantie adequaat oplost.
Het is deze discrepantie tussen zorgvuldig geïnventariseerde noodzaak en eigen kracht die uiteindelijk de jeugdhulpplicht concretiseert, welke op het college rust. Ten aanzien van de afstemmingsplicht in lid 5 onderdeel e valt te denken aan een voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015), Wet langdurige zorg (hierna: Wlz) of de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) en een voorziening op het gebied van passend onderwijs (artikel 27 e.v.). vierde lid Het is mogelijk dat een jeugdige of zijn ouders, na het indienen van de aanvraag tot de conclusie komt dat een (verder) onderzoek niet nodig is. Bijvoorbeeld omdat de jeugdige of zijn ouders zelf een oplossing heeft gevonden, of geholpen is met een algemene voorziening. Zij kunnen in dat geval hun
pagina 36
aanvraag intrekken, waardoor het college geen besluit meer hoeft te nemen. Om misverstanden te voorkomen wordt dit schriftelijk bevestigd door het college. Vijfde en zesde lid Het vijfde en zesde lid stelt buiten twijfel dat ondertekening van het verslag of een schriftelijke bevestiging ook nodig is als het college en (de ouders of wettelijk vertegenwoordiger van) de jeugdige het erover eens zijn dat de hulpvraag kan worden opgelost op eigen kracht, door het sociaal netwerk, door een andere voorziening of overige voorziening. In dat geval wordt de aanvraag niet verder doorgezet. De hulpvraag is namelijk opgelost en een individuele voorziening is niet nodig. Het verslag of schriftelijke bevestiging dient hier als weergave van het onderzoek en daarmee is de hulpvraag opgelost. Het ondertekende verslag geldt dan, voor zover er een aanvraag ligt, als intrekking van de aanvraag om een individuele voorziening, zodat het college op grond van de Awb ook niet langer gehouden is een besluit te nemen. Artikel 12. deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming Het college is op grond van artikel, 2.3 eerste lid, van de jeugdwet verantwoordelijk voor het waarborgen van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen jeugdhulpvoorziening.
Voor iedere stap in artikel 11 geldt dat het college de deskundigheid inzet die nodig is om de stap goed af te kunnen ronden. Ook kan (medisch) advies worden ingezet om bepaalde medische stukken te laten beoordelen. Als dit noodzakelijk is voor het onderzoek, zal de jeugdige of zijn ouder(s) hier aan mee moeten werken, omdat anders niet vastgesteld kan worden hoe een hulpvraag opgelost kan worden. De verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid. In artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet is nader uitgewerkt dat het gaat om relevante deskundigheid met betrekking tot: • opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; • opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd; • taal- en leerproblemen; • somatische aandoeningen; • lichamelijke of verstandelijke beperkingen; en • kindermishandeling en huiselijk geweld. Het college moet ervoor zorgen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager. De rechtspraak over de wet vereist dat adviseurs beschikken over de voor het uitbrengen van hun adviezen noodzakelijke deskundigheid en dat dit vereiste wordt vastgelegd in de verordening (CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097, rov. 4.9 (slot)).
Daartoe bepaalt artikel 12, tweede lid, van de verordening dat adviezen worden uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd, een registratie bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen, of een registratie op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register. Daarmee is vastgesteld welke vakbekwaamheid van hen verwacht mag worden en is gezekerd dat de (eindverantwoordelijke) adviseur zich toetsbaar opstelt. Geregistreerden in de betreffende registers vallen namelijk onder het tuchtrecht. Het derde lid waarborgt de zorgvuldige voorbereiding van besluiten over de toekenning of afwijzing van jeugdhulp, door te bepalen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp uitvoert, niet ook adviseert en/of besluit over het al dan niet toekennen van jeugdhulp (vergelijk CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1096, rov. 4.11).
Daarnaast blijft het college – in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit – ook altijd verplicht om zich ervan te vergewissen of het advies concludent is, dat wil zeggen of inzichtelijk is op grond van welke vormen van onderzoek en op basis van welke gegevens de adviseur tot zijn bevindingen is gekomen, of de gegevens actueel en betrouwbaar zijn, of het onderzoek volledig is geweest en met de juiste deskundigheid is uitgevoerd en of de uit het onderzoek getrokken conclusies logisch voortvloeien uit het onderzoek. Artikel 13. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht) jeugdhulp Algemeen
pagina 37
Artikel 2.3, van de wet legt als uitgangspunt vast dat het college op grond van de wet alleen een voorziening moet treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij zelf – zo nodig met hulp van het sociale netwerk en/of andere hulpverlenende instellingen – niet in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, moet de gemeente hulp bieden. Dit uitgangspunt wordt in artikel 13 geconcretiseerd. De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf. Van ouders mag worden verwacht dat zij de nodige aanpassingen doen om de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen te realiseren. Dat kan betekenen dat zij hun eigen loopbaanplannen, de wijze waarop zij hun betaalde arbeid hebben georganiseerd of hun financiële situatie moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke hulp te bieden. Als uit zorgvuldig uitgevoerd onderzoek blijkt dat de noodzakelijke hulp met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen kan worden geboden, hoeft het college geen voorziening te treffen. Ouders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft.
Ook bovengebruikelijke hulp kan in beginsel van ouders worden verwacht, zo blijkt uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (CRvB 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362). De in de wet bedoelde maatstaven eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de ouder(s) bieden geen ruimte voor een beoordeling van de financiële draagkracht van een gezin om zelf jeugdhulp te kunnen verlenen (CRVB 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1326). Dit laat onverlet dat het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen wel door de Centrale Raad in de beoordeling wordt betrokken. Bij gescheiden ouders geldt als uitgangspunt dat beide ouders met gezag verantwoordelijk zijn voor het bieden van ondersteuning. Ook stiefouders zijn verantwoordelijk voor het bieden van ondersteuning aan tot het gezin behorende (stief)kinderen. Ook uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 2.3, van de wet volgt dat het college alleen gehouden is een voorziening te treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij er zelf niet uitkomen, moet de gemeente hulp bieden.
De wetgever formuleert het als volgt: “(…) Allereerst is het college niet gehouden om voor een jeugdige of zijn ouders een voorziening op het gebied van jeugdhulp te treffen voor zover de jeugdige en zijn ouders de problemen zelf het hoofd kunnen bieden, eventueel met behulp van personen uit het sociale netwerk of andere instellingen die ondersteuning bieden. Om dit buiten twijfel te stellen is in het eerste lid opgenomen dat een gemeente alleen een voorziening hoeft te treffen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouder ontoereikend zijn. Dit zou ook strijdig zijn met het uitgangspunten van artikel 2.1, waarbij ervan uit wordt gegaan dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt en waarin tot uitdrukking komt dat moet worden uitgegaan van de eigen kracht van de jeugdige, zijn ouders en het sociale netwerk. Hierbij past een actieve rol van de ouders en het kind om in eerste instantie te trachten de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen. (…) Als de jeugdige en zijn ouders zelf mogelijkheden hebben om de problemen op te lossen of het hoofd te bieden, is een voorziening niet nodig (…)” (Kamerstukken II, 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 135-136).
Eerste lid De inzet van ‘eigen mogelijkheden’ is het uitgangspunt bij de uitvoering van de wet. De in het Burgerlijk Wetboek (in de artikelen 1:82 en 1:247 BW) verankerde eigen verantwoordelijkheid van ouders en de jeugdige om problemen op te lossen, staat voorop. In het eerste lid wordt benoemd wat wordt verstaan onder de definitie ‘eigen mogelijkheden’, ook wel ‘eigen kracht’ genoemd. Daarbij geldt dat het aan ouders is om de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden.
Tweede lid
pagina 38
Het tweede lid benoemt de rol van het college als onderzoeker in hoeverre de jeugdige en diens ouder(s) gebruik kunnen maken van hun eigen mogelijkheden. Daarbij wordt een ruime beoordelingsruimte aan het college toegekend. Het college maakt in de individuele situatie een beoordeling van de mogelijkheden en neemt daarbij de geformuleerde uitgangspunten als basis. Derde lid Het derde lid benoemt dat bij de start van het onderzoek van het college 4 onderzoeksvragen worden beantwoord. A en b Bij onderzoeksvragen a en b wordt gesproken over noodzakelijke hulp. Hier wordt de gebruikelijke hulp onder verstaan die een jeugdige behoort te krijgen. Het totaal aan gebruikelijke zorghulp wordt gesteld op de totale omvang van zorg die ouders leveren aan een kind van dezelfde leeftijd, maar met een normaal ontwikkelingsprofiel. Voor het vaststellen van de gebruikelijke hulp per leeftijdscategorie, geldt een richtlijn. Aan de hand van onderstaande richtlijnen wordt in elke individuele situatie een zorgvuldige af weging gemaakt, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke omstandigheden van de jeugdige en/of zijn ouders.
Het afwegingskader van gebruikelijke zorg is als volgt: Kinderen van 0 tot 3 jaar oud met een normaal ontwikkelingsprofiel • Hebben bij alle activiteiten zorg van een ouder nodig; • Ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig; • Zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen; • Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; • Hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; • Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en waarbij er rekening gehouden wordt met de behoeften van het individuele kind. Kinderen van 3 tot 5 jaar oud met een normaal ontwikkelingsprofiel • Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv.
ouder kan was ophangen in andere kamer); • Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; • Hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; • Kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen; • hebben hulp, toezicht, stimulans, zindelijkheidstraining en controle nodig bij de toiletgang; • hebben hulp, toezicht, stimulans en controle nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen; • Kunnen ’s nachts nog begeleiding en zorg nodig hebben; • Hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding; • Zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven; • Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en waarbij er rekening gehouden wordt met de behoeften van het individuele kind. Kinderen van 5 tot 12 jaar oud met een normaal ontwikkelingsprofiel • Kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week; • Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv.
kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is); • Kinderen tot 8 hebben overdag nog voortdurend begeleiding nodig en soms op ongeplande momenten hulp bij of overname van zelfzorg nodig; • Hebben toezicht, stimulans en controle nodig en vanaf 6 jaar tot 12 jaar geleidelijk aan steeds minder hulp bij hun persoonlijke verzorging zoals het zich wassen en tandenpoetsen; • Hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie; • Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; • Hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; • Zijn overdag zindelijk, en 's nachts merendeels ook; ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers; • Hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrijetijdsbesteding gaan.
pagina 39
• Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en waarbij er rekening gehouden wordt met de behoeften van het individuele kind. Kinderen van 12 tot 18 jaar oud met een normaal ontwikkelingsprofiel • Hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen; • Kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden; • Kunnen vanaf 16 jaar een dag en/of een nacht alleen gelaten worden; • Hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig; • Hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig; • Hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding; • Hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen); • Hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; • Hebben tot en met 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. • Kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen; C en d Bij lid 5 en 6 wordt verder ingegaan op de eventuele overbelasting van ouder(s). Naast het bieden van noodzakelijke of gebruikelijke hulp mag er van ouders verwacht worden dat zij ook de benodigde bovengebruikelijke hulp bieden wanneer dat nodig is.
Dit hangt af van de situatie en dient verder onderzocht te worden. Vierde lid Het vierde lid bevat een concrete plicht van ouders om hun eigen mogelijkheden eerst te benutten. a. Op het moment dat ouders een aanvullende verzekering hebben afgesloten op basis waarvan zij (al dan niet gedeeltelijk) recht hebben op hulp (gefinancierd) vanuit de verzekeraar, dan moeten zij daar eerst gebruik van maken. Het gaat hierbij om een al afgesloten verzekering. Het vierde lid verplicht ouders niet tot het afsluiten van een aanvullende verzekering, zodat zij daar vervolgens een beroep op zouden kunnen doen. b. Ouders horen te zorgen voor opvang en toezicht van hun kind. Er wordt onderscheid gemaakt in drie verschillende groepen naar gelang er meer of minder opvang en toezicht geboden kan worden namelijk de niet schoolgerechtigde leeftijd, basisschoolgerechtigde leeftijd en de middelbare school gerechtigde leeftijd. Hiermee worden de leeftijdsfases benoemd en dus niet de feitelijke leeftijdsgrenzen. c. Ouders horen te zorgen voor structuur en het aanbrengen van dagritme waardoor hun kind kan deelnemen en participeren in de samenleving. d. Ook wanneer er binnen een gezin meerdere kinderen zorg nodig hebben dan zijn ouders hiervoor in de basis voor verantwoordelijk. De beschikbaarheid van het sociaal netwerk is in dit geval nog meer van belang dan wanneer één kind (extra) zorg nodig heeft.
Er dient goed naar deze beschikbaarheid gekeken te worden. e. Het kunnen aanleren van sociale en praktische vaardigheden bij het kind is van belang om het voldoende te kunnen laten functioneren en participeren in de maatschappij. Ouders hebben deze primaire taak, ook wanneer het kind langzamer leert dan een gemiddeld kind. f. Ouders horen beschikbaar te zijn bij het begeleiden van hun kind naar en tijdens deelname aan sociaal- recreatieve activiteiten zoals (sport) vereniging, zwemles of buitenspelen. g. Ouders horen ook beschikbaar te zijn bij het begeleiden van hun kind naar en tijdens medische afspraken zoals huisarts, fysiotherapeut en ziekenhuisbezoek. Ook kunnen ouders in de basis medische handelingen verrichten bij hun kind die kunnen worden aangeleerd volgens de zorgverzekeringswet. Hier kan van worden afgeweken na onderbouwing van een medisch specialist. h. Ouders dragen de primaire verantwoordelijkheid voor de mentale ontwikkeling en welbevinden van hun kind, óók als er sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of als er beperkingen zijn. De eventuele hulp die daarvoor nodig is kan allereerst en in beginsel door ouders geleverd worden.
Wanneer blijkt dat meerdere interventies onvoldoende hebben bijgedragen aan het verbeteren van het welbevinden van hun kind wordt er onderzocht welke andere vormen van ondersteuning passend zijn. Vijfde lid
pagina 40
Het vijfde lid geeft aan dat uit onderzoek kan blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van ouders tekort kan schieten. a. Met geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden wordt bedoeld; beperkingen die door een deskundige zoals consulent, arts of gedragsdeskundige vast kan worden gesteld en onderbouwd middels onderzoek en rapportage. b. Bij een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden dient de inschatting te worden gemaakt dat ouders niet op tijd deze vaardigheden kunnen aanleren middels aanbod bij een voorliggende voorziening. c. Bij overbelasting of dreigende overbelasting waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht dient onderzocht te worden wat er nodig is voor ouders om deze (dreigende) overbelasting te kunnen opheffen. Bij de beoordeling van de (mogelijke) overbelasting weegt het college in ieder geval mee: - De behoefte en mogelijkheden van het kind waarvan minder zware ondersteuningsbehoefte minder snel leidt tot overbelasting. - Het bieden van tijdelijke kortdurende ondersteuning door de ouder die niet langer dan 3 maanden duurt, leidt in principe niet tot overbelasting. - De planbaarheid van de hulp die door de ouder geboden moet worden waarbij een redelijke planbaarheid minder snel leidt tot overbelasting.
- De woonsituatie van het gezin waarbij de aanwezigheid van meerdere (stief)ouders minder snel leidt tot overbelasting dan bij de aanwezigheid van een alleenstaande ouder. Zesde lid Nadat uit onderzoek bij lid 5 c kan blijken dat de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen tekort schiet door overbelasting, wordt onder het zesde lid gesteld wat er redelijkerwijs van ouders zelf verwacht mag worden deze (dreigende) overbelasting op te heffen. a. In het belang van het kind mag er van ouders verwacht worden maatschappelijke activiteiten te beperken. Bij de afweging hiervan kan worden gekeken naar wat het kost als de maatschappelijke activiteit wordt beperkt in vergelijking met wat het oplevert. b. In het belang van het kind kan het helpend zijn als de ouder betaalde arbeid (tijdelijk) verminderd. Hoewel dit persoonsafhankelijk is en dit niet kan worden afgedwongen kan hier wel het gesprek over worden aangegaan. Ook kan het in bepaalde situaties mogelijk zijn om het werk op een andere manier in te richten zoals het aanpassen van werktijden of de werklocatie waardoor de overbelasting van de ouder kan worden verminderd. c. Er zou gekeken kunnen worden of het mogelijk is of de ouder zorgverlof of ander soort verlof zou kunnen opnemen om overbelasting te voorkomen. d.
Naast dat er van ouder(s) kan worden gevraagd om een beroep te doen op het eigen netwerk voor hulp en ondersteuning voor hun kind, kan er ook van ouder(s) gevraagd worden om een beroep te doen op het eigen netwerk voor hun eigen problematiek. Ook kan er gewerkt worden aan het vergroten van het eigen netwerk. e. Verder kan de eigen problematiek worden verminderd door het inzetten van o.a. de zorgverzekeringswet voor zichzelf, voor eigen behandeling, het verminderen van scheidingsproblematiek middels bijvoorbeeld voorliggend aanbod of andere vormen van zelfzorg. Artikel 14. Kinderopvang en buitenschoolse opvang In deze bepaling wordt geëxpliciteerd dat reguliere kinderopvang en buitenschoolse opvang geen jeugdhulp is waarvoor het college verantwoordelijk is. Kinderopvang en buitenschoolse opvang is de verantwoordelijkheid van ouder(s), werkgever en overheid. Het leren omgaan van leidsters van de kinderopvang met kinderen met een beperking is de verantwoordelijkheid van ouder(s) en de kinderopvang/buitenschoolse opvang. Kinderen die extra ondersteuning nodig hebben, kunnen ook terecht op een kinderdagverblijf. Dit is geregeld in de Wet op de kinderopvang. Alleen indien er ten gevolge van een hulpvraag aanvullende begeleiding vereist is die niet door leidsters kan worden geboden en niet van ouders kan worden verwacht, kan jeugdhulp worden ingezet.
Dit kan alleen in de situaties waarbij opvang niet het doel is, maar er sprake is van ontwikkelingsdoelstellingen. Daarbij kan gedacht worden aan (ernstige) gedragsproblematiek. Artikel 15. inzet en vergoeding tolkkosten
pagina 41
De Jeugdwet legt de verantwoordelijkheid voor het organiseren van passende jeugdhulp bij gemeenten. Daarbij geldt het uitgangspunt dat ouders en jeugdigen in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor het oplossen van problemen, inclusief communicatieproblemen door taalbarrières. Dit sluit aan bij het begrip ‘eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen’ zoals benoemd in artikel 2.3 en 2.9 van de Jeugdwet. Lid 1 – Eigen netwerk eerst Het eerste lid benadrukt dat van jeugdigen en hun ouders wordt verwacht dat zij in eerste instantie zelf zorgen voor adequate communicatie. Dit kan bijvoorbeeld door het inschakelen van familie of vrienden als tolk. Lid 2 – Voorwaarden voor vergoeding Een professionele tolk komt pas in aanmerking voor vergoeding als: • • • •
Er aantoonbaar geen tolk beschikbaar is uit het eigen netwerk. Er geen digitale vertaal-tools ingezet kunnen worden De inzet van een tolk noodzakelijk is voor het verlenen van passende hulp. Er vooraf toestemming is verleend door het college.
Deze voorwaarden zijn bedoeld om de inzet van tolken te beperken tot situaties waarin het echt niet anders kan. Lid 3 – Beperking tot specifieke situaties De vergoeding is beperkt tot: • •
Intakegesprekken en diagnostiek: cruciale momenten voor het vaststellen van hulpbehoefte. Crisissituaties: waarin directe communicatie essentieel is voor veiligheid en snelle interventie.
Lid 4 – Structurele inzet bij bijzondere omstandigheden Structurele inzet van een professionele tolk wordt alleen vergoed bij: -
-
langdurige en intensieve hulpverlening voor complexe problematiek (zoals psychiatrische stoornissen, trauma, of ernstige gezinsproblematiek), en waarbij communicatie zonder inzet van een professionele tolk aantoonbaar niet mogelijk is en dit de effectiviteit of veiligheid van de hulpverlening in gevaar brengt; Risico’s voor veiligheid of effectiviteit van de hulpverlening door het ontbreken van een tolk.
Deze uitzonderingsgrond is bedoeld voor complexe casussen, bijvoorbeeld bij trauma, psychiatrische problematiek of meervoudig complexe gezinssituaties. Lid 5 – COA-zorgnummer Voor jeugdigen in opvanglocaties van het COA met een geldig zorgnummer geldt dat de kosten voor tolken worden vergoed door het COA, mits de tolk wordt besteld via Global Talk. Dit is landelijk geregeld en voorkomt dubbele bekostiging. Artikel 16. Vervoer naar jeugdhulp Dit artikel regelt onder welke voorwaarden een vervoersvoorziening voor jeugdigen kan worden toegekend in het kader van jeugdhulp. Uitgangspunt is dat ouders zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer van hun kind naar en van de locatie waar jeugdhulp wordt geboden. Dit sluit aan bij de eigen kracht en verantwoordelijkheid van ouders, zoals bedoeld in de Jeugdwet. Een vervoersvoorziening wordt alleen toegekend als het college oordeelt dat er sprake is van een noodzaak. Die noodzaak kan voortkomen uit medische beperkingen van de jeugdige of uit praktische omstandigheden, zoals een combinatie van afstand, frequentie en duur van het vervoer die de gebruikelijke zorgplicht van ouders overstijgt. Bij medische noodzaak wordt beoordeeld of de jeugdige door een lichamelijke, verstandelijke, psychische of zintuiglijke beperking niet in staat is om zelfstandig of onder begeleiding gebruik te maken van het openbaar vervoer.
Deze noodzaak wordt vastgesteld door een arts, medisch specialist of het college. Voor individueel taxivervoer is een verklaring van een onafhankelijk arts vereist.
pagina 42
Om objectief te beoordelen of de vervoerslast voor ouders te zwaar is, hanteert het college een berekeningsformule: (aantal maanden) × (aantal keren per week) × (aantal weken per maand) × (afstand enkele reis in kilometers) × 0,25). Bij een uitkomst van 250 of hoger kan vervoer worden toegekend. Deze norm is gebaseerd op de beleidsregels vervoer jeugdhulp Gouda 2018 en biedt houvast bij de beoordeling van de redelijkheid van de vervoerslast. Vervoer wordt uitsluitend toegekend voor ritten van en naar de locatie waar jeugdhulp plaatsvindt, en alleen als er geen recht bestaat op vervoer via het leerlingenvervoer. Daarnaast geldt dat een voorziening waarvoor geen vervoer nodig is, voorrang heeft op een voorziening waarvoor wel vervoer nodig is. Artikel 17. Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening De beschikking zal gebaseerd zijn op het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders en de ingediende aanvraag. Dat dient dan ook terug te komen in de inhoud van de beschikking, opdat deze deugdelijk en begrijpelijk is gemotiveerd. De verordening stelt hiertoe een aantal basiseisen. HOOFDSTUK 5 PROCEDURE MELDING EN AANVRAAG MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING (WMO) Inwoners van Gouda kunnen een hulpvraag voor ondersteuning via de Wmo melden bij de gemeente. Na de melding volgt een gesprek waarin de hulpvraag wordt besproken en onderzocht.
Inwoners kunnen vooraf een persoonlijk plan inleveren waarin zij hun situatie en wensen beschrijven. Dit plan wordt meegenomen in het onderzoek. Als uit het gesprek blijkt dat ondersteuning nodig is, kan dit leiden tot een aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Als een inwoner kiest voor een persoonsgebonden budget (pgb), krijgt hij of zij daarover informatie en het format voor het pgb-plan. Voor hulp bij opvang of beschermd wonen geldt een aparte toegang. Inwoners kunnen zich hiervoor melden bij de gemeente Gouda, of buiten kantoortijden direct bij de organisatie die de opvang uitvoert. Voor vrouwenopvang verloopt de toegang via Veilig Thuis. Artikel 18. Melding en gesprek Wmo Melding Een cliënt kan een hulpvraag via een melding indienen bij het college. Eigen regie Bij het doen van een melding en in het onderzoek daarna staat de eigen regie van de inwoner centraal. Eigen regie is het vormgeven aan de autonomie van de inwoner; deze mag keuzes maken op grond van wat hij denkt, voelt en wil. De eigen regie wordt gestimuleerd door het college op de volgende manieren: 1. Het college laat een inwoner die een melding doet weten dat zij een persoonlijk plan in kunnen dienen. 2. Voor het gesprek krijgt de inwoner in de ontvangstbevestiging van de melding informatie over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning. 3.
De inwoner krijgt informatie over de mogelijkheid om te kiezen voor een pgb en de gevolgen als daarvoor wordt gekozen. Pgb is een middel voor cliënten om zelf de ondersteuning in te kopen. Het gesprek Om een zorgvuldig besluit te nemen, worden eerst alle feiten en omstandigheden van de hulpvraag onderzocht. In deze verordening noemen we dit ‘het keukentafelgesprek’. Als dat nodig is voor het onderzoek, kan ook sprake zijn van meerdere (opeenvolgende) gesprekken. Het gesprek is erop gericht een totaalbeeld van de situatie te krijgen. We kijken naar alle verschillende leefgebieden van de cliënt. De mate van zelfredzaamheid kan per leefgebied verschillend zijn en problemen op verschillende leefgebieden kunnen elkaar beïnvloeden. De volgende onderwerpen komen aan bod tijdens het gesprek:
pagina 43
a. de behoeften, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en (gezins-/leef)situatie van de cliënt en het probleem of de hulpvraag; b. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; c. het vermogen van de cliënt om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden. Hierbij komen de belastbaarheid en de ondersteuningsbehoefte van de mantelzorger aan de orde; d. de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening; e. de mogelijkheden om ondersteuning te verlenen met gebruikmaking van een algemene voorziening; f. de mogelijkheden om een maatwerk of een individuele voorziening te verstrekken; g. de manier waarop een eventuele, individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen; h. hoe rekening te houden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt; i. de mogelijkheid om te kiezen voor een pgb; j. de gevolgen van een eventuele keuze voor een pgb. Als het kan, is het gesprek bij de inwoner thuis, om een goed totaalbeeld te krijgen. De uitkomsten van het gesprek wegen mee bij de beoordeling. Beslistermijn Met het zesde lid wordt duidelijk vastgelegd dat voor de totale procedure van melding tot het besluit over een maatwerkvoorziening een termijn van acht weken geldt.
Het college kan de beslistermijn op grond van artikel 4:14 van de Algemene wet bestuursrecht éénmaal verlengen als de beschikking niet binnen acht weken kan worden afgegeven. Dat kan bijvoorbeeld bij een ingewikkelde situatie waar een zorgvuldig onderzoek gedaan moet worden en/of als voor een diagnose een langere termijn nodig is. Wel noemt het college dan een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de inwoner de beschikking krijgen. Van een verlenging doet het college (liefst schriftelijk) mededeling aan de aanvrager. Daarbij geeft het college de termijn aan waarbinnen de beschikking wordt verzonden. Artikel 19. Toegang beschermd wonen en opvang Gemeenten in de regio Midden-Holland hebben afgesproken dat de gemeente Gouda in deze regio de toegang verzorgt voor beschermd wonen en opvang. De gemeente Gouda maakt voor de voorzieningen voor beschermd wonen, maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en Jongeren onder Dak afspraken met aanbieders en heeft verschillende toegangsroutes ingericht die het beste passen bij de voorzieningen en de doelgroepen. Voor beschermd wonen en vrouwenopvang verzorgt de gemeente Gouda ook de bovenregionale en landelijke toegang. HOOFDSTUK 6 CRITERIA EN WEIGERINGSGRONDEN In dit hoofdstuk staat wanneer een inwoner in aanmerking komt voor hulp via de gemeente.
Voor jeugdhulp geldt dat er sprake moet zijn van opgroei- of opvoedproblemen, psychische problemen of stoornissen. De hulp moet bijdragen aan gezond opgroeien, zelfstandigheid en meedoen in de samenleving. De gemeente kijkt of de hulpvraag niet opgelost kan worden met eigen kracht, hulp uit het netwerk of andere voorzieningen. Voor maatschappelijke ondersteuning (Wmo) geldt dat een maatwerkvoorziening alleen wordt toegekend als iemand beperkingen ervaart in zelfredzaamheid of participatie, en deze niet op een andere manier kan oplossen. Ook hier geldt dat de gemeente kiest voor de goedkoopste en geschikte oplossing. Soms kan een financiële bijdrage worden verstrekt, bijvoorbeeld voor verhuiskosten of een vervoersvoorziening. Voor beschermd wonen, maatschappelijke opvang, vrouwenopvang of Jongeren onder Dak gelden aanvullende voorwaarden. De gemeente kijkt bijvoorbeeld naar psychische problemen, dakloosheid of onveiligheid thuis. De hulp moet bijdragen aan herstel en het weer zelfstandig kunnen meedoen. Tot slot worden in artikel 21 situaties genoemd waarin de gemeente geen voorziening toekent. Bijvoorbeeld als er al recht is op hulp via een andere wet, als de inwoner niet meewerkt aan het
pagina 44
onderzoek, als het niet medisch noodzakelijk is of als de aanvraag gaat over kosten die al zijn gemaakt zonder toestemming van de gemeente. Artikel 20. Criteria voor een individuele voorziening voor jeugdhulp De Jeugdwet (artikel 2.9, onderdeel a) bepaalt dat de gemeenteraad in de verordening moet aangeven wat de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening zijn. In dit artikel is met de uitwerking van deze verplichting een kader gegeven. Belangrijk is dat er na het vaststellen van de hulpvraag, het in kaart brengen van de problemen en het vaststellen van de benodigde hulp, er gekeken wordt in hoeverre de inwoner en/of het eigen sociale netwerk van de betrokkene ondersteuning kan bieden (eigen kracht). Dit is een van de belangrijkste uitgangspunten van de Jeugdwet: het inschakelen, herstellen en versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, diens ouders en hun omgeving (artikel 2.1, onderdeel d van de Jeugdwet). Als ouders jeugdhulp vragen voor taken waarvan het ‘gebruikelijk’ is dat ze dit zelf oppakken, hoeft de gemeente geen jeugdhulp toe te kennen. Mits voldoende duidelijk is dat ze die taken ook kúnnen oppakken. De eigen mogelijkheden van de ouders zijn dan toereikend.
Pas als blijkt dat de jeugdige of zijn ouders er zelf en met hulp van de omgeving niet of maar voor een deel uitkomen, moet het college een voorziening treffen. Het college hoeft geen voorziening toe te kennen: • als er sprake is van voldoende eigen kracht en als de uitvoering van de hulpvraag in alle redelijkheid van de cliënt en diens sociale netwerk verwacht kan worden. In de verordening is het onderzoek naar eigen kracht nader uitgewerkt; • als er een algemene (vrij toegankelijke) voorziening beschikbaar is die volledig tegemoet komt aan de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders. In de verordening in artikel 13 vastgelegd hoe er invulling gegeven wordt aan de toetsing van eigen kracht en gebruikelijke hulp. Indien de hulpvraag ligt op het domein van andere door de gemeente uitgevoerde regelingen wordt de aanvraag door de gemeente in behandeling genomen. Indien de vraag ligt op het gebied van andere uitvoeringsorganen attendeert de gemeente de aanvrager waar hij terecht kan. Lid 2 De eerste zin van lid 2 bevat de woorden ‘voor zover’. Als het eigen netwerk of een andere voorliggende voorziening maar een gedeelte van de hulpvraag kan oplossen, treft de gemeente nog steeds een voorziening voor de rest van de hulpvraag.
Lid 4 en 5 Lid 4 stelt dat een jeugdige of zijn ouder(s) geen recht hebben op een individuele voorziening op grond van deze verordening, indien er geen hulpvraag is die onder de Jeugdwet valt. Dit betekent niet dat het kind geen problemen mag ervaren, maar dat de oorzaak en oplossing van die problemen primair buiten het domein van jeugdhulp liggen. In zulke gevallen is ondersteuning via andere wettelijke kaders of algemene voorzieningen passender. Bijvoorbeeld: • Een gezin heeft ernstige financiële problemen. Het kind ervaart stress en spanningen thuis, slaapt slecht en is prikkelbaar. Hoewel het kind klachten heeft, ligt de kern van de problematiek bij de schulden van de ouders. Schuldhulpverlening is hier de meest doelmatige route. Jeugdhulp is niet automatisch het meest passend als de hulpvraag van het kind voortkomt uit een oplosbare ouderproblematiek via andere voorzieningen (bijv. via schuldhulpverlening). • Een ouder heeft psychische klachten en is regelmatig emotioneel afwezig. Het kind voelt zich eenzaam en mist aandacht. Er is geen sprake van ernstige ontwikkelingsproblematiek bij het kind, en de ouder is al in behandeling via de volwassenen-ggz. In dit geval is het niet doelmatig om jeugdhulp in te zetten, omdat de kern van de hulpvraag bij de ouder ligt en al wordt opgepakt via een ander kanaal.
Er liggen voor het kind mogelijk wel mogelijkheden in lotgenotencontact.
pagina 45
In zulke gevallen is jeugdhulp mogelijk niet doelmatig en kan een alternatieve voorziening passender zijn. Lid 5 nuanceert dit uitgangspunt. Waar in lid 4 wordt gesteld dat ouderproblematiek op zichzelf geen grond is voor jeugdhulp, maakt lid 5 duidelijk dat dit anders ligt wanneer er ook sprake is van een hulpvraag die de jeugdige zelf betreft, en deze zich voordoet binnen een bredere context van meervoudige problematiek in het gezin. In zulke situaties kan het college besluiten om jeugdhulp in te zetten, omdat de hulpvraag van de jeugdige niet los kan worden gezien van de bredere gezinsproblematiek. De inzet van jeugdhulp is dan gericht op het ondersteunen van de jeugdige binnen die complexe context. Dit waarborgt dat jeugdigen in complexe situaties niet tussen wal en schip vallen. Voorbeelden zijn: • Gedragsproblemen bij kind in gezin met huiselijk geweld en verslavingsproblematiek: Een kind vertoont agressief gedrag op school en thuis. Uit onderzoek blijkt dat er sprake is van huiselijk geweld en verslavingsproblematiek bij een ouder. De hulpvraag van het kind is evident, en de gezinscontext draagt bij aan de problematiek. Jeugdhulp kan hier worden ingezet als onderdeel van een bredere aanpak, waarbij ook andere instanties betrokken zijn.
• Kind met ontwikkelingsachterstand in gezin met langdurige stress en opvoedingsonmacht: Een jong kind laat een duidelijke ontwikkelingsachterstand zien. De ouders ervaren langdurige stress door werkloosheid en relationele spanningen, en geven aan het opvoeden niet goed aan te kunnen. De hulpvraag van het kind is aanwezig, en de gezinscontext belemmert de ontwikkeling. Jeugdhulp kan hier worden ingezet om het kind te ondersteunen en de opvoedingssituatie te versterken. Lid 7 t/m 9 Het is de verantwoordelijkheid van jeugdigen en ouders zelf om zich op tijd te melden bij het college. Zodat het college ook goed onderzoek kan doen naar de ervaren problemen. In deze bepaling zijn regels opgenomen voor de situatie dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) reeds zelf jeugdhulp ingeschakeld hebben en daarna pas een aanvraag indienen bij het college voor deze hulp. Het college kan onder enkele uitzonderlijke omstandigheden dan alsnog een voorziening verstrekken voor deze hulp, voor een periode tot maximaal 3 maanden vóór de aanvraag. Voorwaarde voor het alsnog verstrekken van een voorziening is dat de jeugdige/ouder op het moment dat ze zich melden, nog steeds tot de doelgroep van de Jeugdwet behoren. Er moet met andere woorden nog steeds sprake zijn van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen.
Is dat niet het geval, dan heeft college namelijk ook geen jeugdhulpplicht. Verder moet het college nog in staat zijn de noodzaak en passendheid van de ingeschakelde hulp te beoordelen. Als het college na onderzoek vaststelt dat andere hulp hier meer op zijn plek was geweest, hoeft het geen voorziening te verstrekken. Ook hoeft het college geen voorziening te verstrekken als het niet meer mogelijk is deze beoordeling te maken. Het komt dan voor risico van de jeugdige/ouders zelf dat ze zich niet eerder bij het college hebben gemeld. Lid 10 Inzet van een individuele voorziening vormt een laatste vangnet. Eerst wordt gekeken naar de mogelijkheid om de noodzaak voor de inzet van jeugdhulp te verminderen of weg te nemen met een andere of overige voorziening. Voorwaarde is wel dat deze voorziening daadwerkelijk beschikbaar is en passend en toereikend is voor de hulpvraag. Een andere of overige voorziening waarvoor bijvoorbeeld een wachtlijst geldt terwijl de hulp aan de jeugdige niet kan wachten, is geen voorziening die aan deze criteria voldoet. Omgekeerd, als de jeugdige wel even kan wachten voordat hij daadwerkelijk van de voorziening gebruik kan maken, dan voldoet de voorziening wel aan deze criteria. Als er wel een individuele voorziening nodig is, dan kiest het college de goedkoopst adequate voorziening.
Ook dan is van belang dat de jeugdige hier voor hem tijdig gebruik van kan maken. Dit betreft een individuele beoordeling van de situatie van de jeugdige en het gezin. Artikel 21. Criteria voor een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning
pagina 46
Gemeenten hebben enige vrijheid bij maatwerkvoorzieningen. Dit komt omdat de behoefte van inwoners per gemeente kan verschillen (denk aan religie, leeftijden, dorp of stad), omdat de ondersteuning aan inwoners verschillend is georganiseerd (zoals de aanwezigheid van een sociaal team) en omdat gemeenten verschillende soorten huizen en buurten hebben. Met die vrijheid kan de gemeente inspelen op wat de eigen inwoners nodig hebben. De gemeente moet wel met geschikte en toepasbare afwegingen en duidelijk afbakenen wanneer iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt. Lid 1 Het eerste lid laat alle afwegingen zien waar de gemeente rekening mee houdt bij de beoordeling van een aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Dit is het algemene afwegingskader dat in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 centraal staat. De nadruk ligt eerst op de eigen kracht en hulp van anderen en daarna pas op een maatwerkvoorziening die geheel gericht is op de persoonlijke situatie van de cliënt. Als er een voorziening uit een ander wettelijk kader wordt ingezet, moet deze een passende bijdrage leveren aan het zorgen voor een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld tot eigen regie, zelfredzaamheid en/of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
Lid 2 Het tweede lid geeft aan dat de gemeente voorziening verleent die gekeken naar het geld dat ervoor gevraagd wordt de meest voordelige oplossing is die het beste past bij de hulpvraag. We spreken dan van een “goedkoopst adequate” voorziening. Sommige voorzieningen zijn duurder, maar niet beter voor de cliënt. Deze voorzieningen kan de gemeente niet vergoeden. Als de inwoner toch gebruik wil maken van deze duurdere voorziening, dan moet de inwoner het prijsverschil zelf betalen. Tegelijkertijd kan een voorziening duurder is dan een vergelijkbare voorziening, maar langer meegaat en daardoor uiteindelijk goedkoper en dus voordeliger is. In dat geval is een duurdere voorziening wel te overwegen. De kwaliteit van de voorziening moet altijd aansluiten bij een verantwoord niveau. Levering kan plaatsvinden via zorg in natura of via het verstrekken van een pgb. Lid 3 Het derde lid omschrijft dat de gemeente een aanvraag kan weigeren als de cliënt door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid het middel is verloren. De eigen verantwoordelijkheid van de cliënt speelt hier een rol. Als voorbeeld wordt gegeven een in woning aangebrachte verstelbare keuken of andere dure voorziening. De meerwaarde hiervan moet worden meeverzekerd in de opstalverzekering. Als bij woningbrand blijkt dat dit niet is meeverzekerd, kan de cliënt geen beroep doen op de verordening.
De voorziening is voor de persoonlijke situatie van de inwoner, daarom worden geen groepsvoorzieningen verstrekt. Daarvoor zijn de algemene maatregelen en - voorzieningen beschikbaar. Of een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning gericht op zelfredzaamheid en/of participatie wordt verstrekt, hangt ook af van de hulpvraag. Hierbij wordt meegewogen of ondersteuning langdurig noodzakelijk is. Lid 4 Het vierde lid geeft aan dat ook financiële tegemoetkomingen kunnen worden gezien als maatwerkvoorziening. In een tweetal uitspraken heeft de Centrale Raad van Beroep overwogen dat de definitie van maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 1.1.1. van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, ruim genoeg is om ook een financiële tegemoetkoming te kunnen omvatten (uitspraken van 12 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:395 en ECLI:NL:CRVB:2018:396). Daarom wordt gesproken over een “financiële maatwerkvoorziening als verstrekkingswijze”. De Centrale Raad van Beroep stelt als voorwaarde dat de financiële maatwerkvoorziening een passende bijdrage moet leveren aan de zelfredzaamheid en deelname aan de samenleving van de aanvrager. Dit geldt ook voor de mogelijkheid zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te blijven. Hieruit kan worden afgeleid dat de (forfaitaire) financiële tegemoetkoming niet kostendekkend behoeft te zijn.
Het derde lid is opgenomen om de inzet van een financiële maatwerkvoorziening te beperken tot die gevallen waarin de inzet een duidelijke meerwaarde heeft of waar geen alternatief in natura
pagina 47
voorhanden is. De financiële maatwerkvoorziening is een geschikt instrument bij kosten waarvan de hoogte vooraf lastig te bepalen is. Lid 5 Het vijfde lid heeft betrekking op de mogelijkheid om deskundig oordeel en advies in te winnen om tot een goede afweging te komen. Artikel 22. Criteria voor beschermd wonen en opvang De Maatschappelijke opvang is bedoeld als laatste oplossing om dakloosheid te voorkomen. Andere oplossing die dakloosheid kunnen voorkomen, zoals opvang in het eigen netwerk of het zelf kunnen financieren van onderdak op een alternatieve locatie, zijn voorliggend. Gemeente Gouda is aangesloten bij het Convenant Landelijke Toegankelijkheid Maatschappelijke Opvang. Dit betekent dat opvang in Gouda alleen geboden wordt aan de inwoner als regio Midden-Holland de regio is waarbinnen de opvang en herstel van de inwoner het meest kansrijk is. De Maatschappelijke opvang betreft het tijdelijk bieden van onderdak om dakloosheid te voorkomen, totdat de inwoner kan doorstromen naar vervolghuisvesting. Jonge mensen die dak- of thuisloos worden zijn extra kwetsbaar. Daarom biedt de regio MiddenHolland, aanvullend op onderdak in de Maatschappelijke opvang, begeleiding aan dak- of thuisloze jongeren van 18 tot en met 23 jaar. Deze begeleiding via Jongeren onder Dak is voor jongeren in de jongerenopvang én thuisloze jongeren die elders verblijven.
Om het traject te laten slagen, is het van belang dat de jongere gemotiveerd is om mee te werken aan het herstel. Artikel 23. Weigeringsgronden In dit artikel staan redenen waarom de gemeente een voorziening kan weigeren. Zo biedt de gemeente zoveel mogelijk duidelijkheid aan inwoners over de voorwaarden voor het wel of niet toekennen van voorzieningen. Lid 1 1.a. Het kan zijn dat de cliënt geen voorziening krijgt, als deze ondersteuning via een andere wettelijke regel voorhanden is. Het gaat om een ‘aanspraak op’, wat betekent dat de inwoner de voorziening niet al daadwerkelijk heeft, maar wel dat hij de voorziening moet kunnen krijgen. 1.b. Het kan zijn dat de inwoner met een hulpvraag zelf al de voorziening heeft geregeld, voordat de gemeente hierover een besluit heeft genomen. De gemeente kan de voorziening dan niet meer volgens het beleid verstrekken (de cliënt heeft dan al voldoende ondersteuning) en heeft geen invloed meer op de voorziening, wat een reden tot weigering kan zijn. Een uitzondering hierop is als de gemeente aan de inwoner schriftelijke toestemming heeft gegeven om voor het besluit al de voorziening te regelen of als achteraf de noodzaak alsnog kan worden vastgesteld. In de verordening is in artikel 18, lid 7 en 8 hier meer over uitgewerkt voor cliënten die een ondersteuningsvraag hebben op grond van de Jeugdwet.
1.c als de inwoner niet mee wil werken aan het onderzoek, bestaat het risico dat het college onvoldoende onderzoek kan doen nar de hulpvraag. Het gevolg hiervan is dat daardoor niet duidelijk wordt welke hulp noodzakelijk is. Dit kan leiden tot afwijzing van de aanvraag tot jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning. De meewerkplicht kan het volgende beslaan: • meewerken aan het onderzoek om vast te stellen welke hulp nodig is; • met het college gesprekken voeren over de hulpvraag (dit kan dus ook betekenen dat met een jeugdige wordt gesproken); • rapportages aanleveren die door derden zijn gemaakt; • toestemming geven voor het voeren van gesprekken met (eerdere) hulpverleners ; • toestemming geven de inwoner te observeren Lid 2 Als de ondersteuning is afgerond, verstrekt het college geen voorziening. Lid 3 3.a. Een voorbeeld om het uit te leggen: een inwoner heeft astma en vraagt een woonvoorziening om normaal gebruik te kunnen maken van de woning. Uit het onderzoek blijkt dat vocht- en
pagina 48
tochtproblemen komen door achterstallig onderhoud en de gebruikte materialen. In dat geval kan de gemeente een woonvoorziening weigeren. Bij achterstallig onderhoud is de eigenaar verantwoordelijk voor het saneren van de woning. Huurt de cliënt de woning, dan moet hij de verhuurder aanspreken. Als de inwoner goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de verhuurder te laten wegnemen en met het oog op de gezondheidstoestand van de cliënt er binnen een redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek geen uitzicht op opheffing van de gebreken is, ligt het voorgaande anders. 3.c. Een ADL- woning bevat een aantal standaard aanpassingen, zodat de woning geschikt is voor mensen in een rolstoel met zware lichamelijke beperkingen. Een voorbeeld is een aangepaste keuken. Het kan zijn dat de standaard aanpassingen voor een individuele bewoner niet voldoende zijn. De extra individuele aanpassingen komen dan voor rekening van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Bij vervanging geldt hetzelfde onderscheid. Moet een complete aangepaste keuken worden vervangen omdat deze afgeschreven is, dan valt dat onder de ADL- financiering. Moet een individuele aanpassing worden vervangen, dan valt dat onder de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 3.e.
Het kan zijn dat in een medisch advies nadrukkelijk staat dat de cliënt moet verhuizen naar een woning die voldoet aan de gestelde criteria in het medisch advies. Verzuimt de cliënt dit te doen, dan kan de gemeente een voorziening weigeren. Als voorbeeld: een cliënt vraagt een verhuiskostenvergoeding aan voor een nieuwe woning. De nieuwe woning is via 5 trappen te bereiken, maar de cliënt heeft chronische knieproblemen en is kortademig. Het medisch advies vermeldt dat de woning traploos moet zijn. De inwoner komt dan niet in aanmerking voor een verhuisvergoeding (CRvB 15-07-2015, nr. 14/3154 Wmo). 3.f Een aanvraag voor een woonvoorziening mag worden afgewezen als de verhuizing niet medisch noodzakelijk is en er naar het oordeel van het college ook geen andere belangrijke reden voor de verhuizing was. Lid 4 Als iemand uitsluitend dakloos is, wordt geen voorziening voor beschermd of beschut wonen verstrekt. Lid 5 Het kan zijn dat een dak- of thuisloze jongere die zich meldt al in een begeleidingstraject zit of dat er een aanbod van een andere organisatie ook passend is. In dat geval wordt geen Jongeren onder Dak traject gestart. Het Jongeren onder Dak traject vindt vaak gelijktijdig met opvang plaats. Het is daarmee meer dan alleen onderdak en begeleiding binnen de opvang.
Voor het slagen van dit traject is het daarom van belang dat er geen sprake is zware verslaving en/of psychische problematiek en/of gedragsproblematiek. HOOFDSTUK 7 VERHOUDING PRIJS EN KWALITEIT In dit hoofdstuk staat hoe de gemeente zorgt dat hulp van goede kwaliteit is én dat de prijs daarvoor eerlijk is. Aanbieders van hulp moeten zorgen voor goede ondersteuning, die past bij de persoonlijke situatie van de inwoner. Ze moeten ook rekening houden met andere vormen van hulp, zoals onderwijs, zorg, werk en mantelzorg. De gemeente maakt afspraken over de prijs die zij betaalt voor jeugdhulp, kinderbescherming en jeugdreclassering. Die prijs is gebaseerd op verschillende kosten, zoals salarissen van hulpverleners, organisatiekosten en kosten voor scholing en administratie. Als een organisatie een deel van de hulp uitbesteedt aan een andere partij, moet ook die partij een eerlijke prijs krijgen. Voor hulp via de Wmo (Wet maatschappelijke ondersteuning) stelt de gemeente ook duidelijke prijzen vast. Die prijzen passen bij de kwaliteit die gevraagd wordt, zoals deskundigheid van hulpverleners en het zorgen voor een goede en stabiele hulpverlening. De gemeente houdt daarbij rekening met verschillende kosten, zoals reiskosten, opleidingskosten en kosten voor rapportages.