CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

RB Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2026

Raadsvergadering 28 januari 2026, gemeente GoudaBij agendapunt: Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2026 (Hamerstuk)33.937 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

pagina 49

Artikel 24. Kwaliteitseisen voorzieningen Diensten: De gemeente is verplicht in de verordening aan te geven welke eisen zij stelt aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen (Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, artikel 2.1.3 tweede lid en jeugdwet artikel 2.11). De gemeente en aanbieder zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van die voorzieningen. De eis voor een goede kwaliteit van een voorziening biedt de gemeente veel ruimte om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.

Voorzieningen: Kwaliteitseisen waaraan hulpmiddelen moeten voldoen De verdragen betreffen: - 93/42/EEG (Richtlijn Medische Hulpmiddelen) - 89/336/EEC (Richtlijn voor niet-ingebouwde acculaders voor elektrische rolstoelen/scooters) - 73/23/EEC (Laagspanningsrichtlijn, voor niet-ingebouwde acculaders voor elektrische rolstoelen/scooters) - 85/364/EEC (Aansprakelijkheidsrichtlijn) - 99/44/EEC (Garantie op consumentenproducten) De wettelijke bepalingen betreffen: - Wet Medische Hulpmiddelen, Opdrachtnemer kan aantonen dat zijn product aan de Essentiële Eisen voldoet - Eisen uit de Verkeerwet 1994 Normen voor hulpmiddelen die genoemd zijn in de Richtlijn Medische Hulpmiddelen betreffen (o.a.): - EN 12183 (Handbewogen rolstoelen) - EN 12184 (Elektrische rolstoelen en scooters) - EN ISO 10535 (patiëntentilliften) − EN 12182 (Hulpmiddelen gehandicapten in het algemeen) Normen voortkomend uit de code VVR betreffen: - ISO 7176-19 (Norm voor botsveilige rolstoelen) - ISO 10542-1 t/m 5 (Normen voor botsveilige vastzetsystemen voor de rolstoel en inzittende, van toepassing als Opdrachtnemer de Eindgebruiker vervoert). Eventuele andere verdragen, wetten en normen die van toepassing zijn op (de verstrekking van) medische hulpmiddelen binnen de Wmo 2015, zijn ook op deze opdracht van toepassing. Artikel 25.

Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van de continuïteit van de jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering en een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.11, tweede lid, van de jeugdwet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Artikel 2.3, eerste lid, van het Besluit Jeugdwet voorziet in nadere criteria, zogenoemde kostprijselementen, voor het bepalen van een reële prijs bij de inkoop van jeugdzorg door gemeenten, die in de verordening moeten worden opgenomen. Artikel 23 voorziet hierin. Het college bepaalt, met inachtneming van deze kostprijselementen, de te betalen prijzen voor de in te kopen jeugdhulp.

Artikel 2.3, van het Besluit Jeugdwet geldt voor alle inkoop door het college en voor door hen verleende subsidies voor zover deze het daadwerkelijk verlenen van jeugdzorg volledig bekostigen. Overeenkomstig dit besluit wordt in het tweede en derde lid verplicht gesteld dat in contracten tussen het college en aanbieders, of in de subsidievoorwaarden, wordt opgenomen dat een aanbieder in geval van uitbesteding van zorg aan onderaannemers, een reële, met behulp van de kostprijselementen tot stand gekomen prijs betaalt.

pagina 50

Artikel 26. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders Wet Maatschappelijke Ondersteuning De gemeente heeft contracten met aanbieders om de voorzieningen voor de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 te laten uitvoeren (artikel 2.6.4, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015). Bij de verordening zijn regels voor een goede verhouding tussen de kwaliteit en prijs van een voorziening opgesteld ( artikel 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015). Daarbij wordt rekening gehouden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden. Om te voorkomen dat de laagste prijs voor de uitvoering leidend is, vermeldt het artikel een aantal andere aspecten waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van de reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden om de voorziening te leveren. Hiervoor is een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 bepaalt aan welke eisen ten minste moet worden voldaan om een goede prijs-kwaliteitverhouding te borgen.

Lid 1 In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4. van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015: • een vaste prijs vaststelt of • een reële prijs vaststelt - die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of - die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. Als het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Als het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs. Lid 2 Bij het vaststellen van de prijs dient het college rekening te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, als bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. Lid 3. Het college moet de vaste prijs of de reële prijs minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen.

HOOFDSTUK 8 PERSOONSGEBONDEN BUDGET (PGB) Dit hoofdstuk beschrijft de voorwaarden voor het aanvragen en gebruiken van een persoonsgebonden budget (pgb). Een pgb is een bedrag waarmee ondersteuning zelf kan worden ingekocht. Hiervoor is een pgb-plan nodig waarin wordt onderbouwd waarom het aanbod van de gemeente niet passend is (jeugd), waarom er gekozen wordt voor een pgb (Wmo), welke hulp wordt ingekocht en hoe de kwaliteit wordt geborgd. De gemeente beoordeelt of een pgb passend is op basis van het plan en een gesprek. Er zijn voorwaarden voor wie de hulp mag geven: dit kan een professionele zorgverlener zijn (formele hulp) of iemand uit het netwerk (informele hulp), zoals familie. Voor beide soorten hulp gelden kwaliteitseisen. De hoogte van het pgb hangt af van het soort hulp, de intensiteit en wie de hulp verleent. Bepaalde kosten zijn uitgesloten van vergoeding, zoals bemiddeling, administratie en reiskosten van de zorgverlener.

pagina 51

Bij vermoeden van misbruik of bij opname in een instelling kan de gemeente de betaling (tijdelijk) stopzetten. Artikel 27. Aanvraag pgb en pgb-plan Wanneer een jeugdige of zijn ouders naar aanleiding van het onderzoek in aanmerking komt voor een individuele voorziening, en de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger vervolgens aangeeft deze in de vorm van een pgb geleverd te willen hebben, is aan dit verzoek een aantal eisen verbonden. In het derde lid wordt bepaald wat er in het pgb-plan dient te zijn opgenomen. Uit de motivering in het pgb-plan moet duidelijk blijken dat men zelf de regie kan voeren, hoe men dit gaat doen en waarom men een pgb wil in plaats van gebruik te maken van het aanbod dat de gemeente heeft voor zorg in natura. Ook moet onderbouwd worden dat de beoogde voorziening van voldoende kwaliteit is. Van belang is of de motivering doordacht en houdbaar is en verband houdt met de rechten, verplichtingen en vrijheden die een pgb met zich meebrengt. Het pgb-plan moet zijn van voorzien van een motivatie waarom is voldaan aan de 10 punten van pgb-vaardigheid als benoemd in 29 van de verordening. Verder moet uit het pgb-plan blijken welke kosten er aan de inhuur van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp verbonden zijn. Artikel 28.

Beoordeling pgb-aanvraag Lid 2 d als er in de afgelopen vier jaar voorafgaand aan de aanvraag sprake is geweest van aantoonbare fraude waarbij het, na hoor en wederhoor te hebben toegepast, ook aantoonbaar de intentie was om te frauderen, wordt er geen PGB verstrekt. Lid 2 e Als de zorgverlener ook de regie op de zorg en/of het beheer van het budget uitvoert, komt “de redelijke waardering van belangen voor de budgethouder” mogelijk in het gedrang: de zorgverlener stuurt zichzelf aan en controleert zichzelf. Lid 2 f In spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin terstond opvang noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, beslist het college na een melding als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2 en de aanvraag van de cliënt. Lid 2 g Het pgb-plan wordt met cliënt besproken. Als de cliënt een bespreking weigert, kan het zijn dat het college onvoldoende informatie heeft om te beoordelen of de cliënt voldoende vaardig is om het pgb te beheren.

Lid 3 en 4 In zowel Wmo2015 (2.3.6 lid 2) als de Jeugdwet (8.1.1 lid 2) staat dat het vaststellen van voldoende pgb vaardigheid gaat over de waardering van zijn belangen: kan de budgethouder (en/of met een vertegenwoordiger) voldoende zelfstandig beslissingen nemen over de ondersteuning en de financiering daarvan. In de regeling wordt nader uitgewerkt welke vaardigheden getoetst wordt en op welke manier. Mocht de gemeente van oordeel zijn dat de persoon niet in staat is om de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren dan kan de gemeente een aanvraag voor het pgb weigeren. Het gaat dan bijvoorbeeld om het kunnen voeren van een deugdelijke administratie. Lid 4 Er wordt verwezen naar de regeling waarin de pgb-vaardigheden verder zijn uitgewerkt met daarbij ook een toelichting op de manier waarop deze vervolgens worden getoetst. Artikel 29. Beoordeling pgb-vaardigheden Om in aanmerking te komen voor een pgb moet een budgethouder of budgetbeheerder in staat zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, en in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren (artikel 8.1.1, tweede lid, van de jeugdwet). Het gaat daarbij om de vraag of de budgethouder (en/of met een vertegenwoordiger: de budgetbeheerder) voldoende zelfstandig beslissingen kan nemen over de ondersteuning en de financiering daarvan.

De bekwaamheid voor het hebben van een pgb wordt in samenspraak met de aanvrager getoetst, het oordeel van het college is hierin leidend. Mocht het college van oordeel zijn dat de persoon niet bekwaam is voor het houden of beheren van een pgb, dan weigert het college de aanvraag voor het pgb. Een goed beheer van een toegekend pgb vraagt volgens een in opdracht van het Ministerie van

pagina 52

VWS opgesteld rapport om de volgende vaardigheden en basisvoorwaarden (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-833053.pdf): 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Aanvragen van de ondersteuning (inclusief formuleren ondersteunings-, cq. zorgvraag); Inkopen van de zorg/aansturen van de zorg (ook als de ondersteuningsvraag wijzigt); Goed werkgeverschap; Coördinatie van zorgverleners en betrokkenheid familie en mantelzorg; Voeren van een administratie; Verantwoording afleggen en contact met de gemeente; en In algemene zin taalvaardig in de Nederlandse taal en ICT vaardig.

Deze taken dienen als basis om op basis van een pgb-plan de benodigde kennis en vaardigheden van de cliënt vast te stellen. Deze taken zijn door VWS uitgewerkt in het document ‘10 punten pgbvaardigheid’ (https://open.overheid.nl/documenten/ronl-277e25d6-4c27-4356-8950-2f1e9f27e89b/pdf). In de eerste bepaling wordt daarbij aangesloten. Daarbij wordt in aanvulling op het belang van de beheersing van de Nederlandse taal gewezen op artikel 2:6, van de Awb, waaruit volgt dat er in de Nederlandse taal met bestuursorganen wordt gecommuniceerd. Mocht de cliënt, die zelf niet over deze vaardigheden beschikt, alsnog een pgb wensen, dan dient er een vertegenwoordiger te zijn die de aan het pgb verbonden taken kan uitvoeren (de budgetbeheerder). Ook de budgetbeheerder dient te voldoen aan de gestelde eisen en wordt eveneens getoetst op de genoemde aspecten. De beoordeling van een pgb-aanvraag, waaronder de geschiktheid van de budgetbeheerder, heeft als doel: a. ervoor te zorgen dat de cliënt passende zorg van voldoende kwaliteit ontvangt. b. de budgetbeheerder te behoeden voor terugvorderingen die voortvloeien uit verkeerd gebruik van het pgb. c. te voorkomen dat pgb-middelen onrechtmatig worden gebruikt. De uitkomst van de weging kan van persoon tot persoon kan verschillen. Het onderzoek is berust op een individuele weging.

Leidend is de vraag of geborgd is dat het budget ten goede komt aan de gewenste ondersteuning en aan de kwetsbare persoon die ondersteuning nodig heeft en of deze goed beheerd kan worden. In lid 3 staat benoemd dat de pgb-vaardigheden opnieuw worden beoordeeld in gesprek bij herindicatie. Mochten zich tijdens de looptijd van de indicatie wijzigingen voordoen in de omstandigheden van de inwoner die invloed kunnen hebben op de toegang tot het pgb of de hoogte van het pgb, dan moet de inwoner dit melden bij de gemeente. De inwoner wordt hierop geattendeerd in de beschikking. Artikel 30. Formele en informele ondersteuning In deze bepaling wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Van formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een zorgaanbieder of door een zelfstandige zorgverlener (zzp’er). Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de zorgverlener een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad (o.a. (groot)ouders, broers, zussen en (adoptie)kinderen). Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, is altijd sprake van informele hulp.

Ook al gaat het om een zorgverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in artikel 31,32 of 33 van de verordening; dan nog geldt dat in het kader van deze regeling als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorggerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Informele hulp is alle hulp die geboden wordt door bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad, personen uit de huiselijke kring en andere personen met wie regelmatig contacten worden

pagina 53

onderhouden, of door personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig hulp verlenen. In de praktijk gaat het dan eigenlijk altijd om personen uit het sociale netwerk. Het pgb kan ook ingezet worden voor ondersteuning door personen die niet voldoen aan de kwaliteitseisen voor formele ondersteuning, bijvoorbeeld met gebruikmaking van de Regeling dienstverlening aan huis. Als het college op basis van pgb-plan tot conclusie komt dat er eigen kracht is (in de zin van dat hulp ingezet kan worden vanuit sociaal netwerk) dan moet aan die gestelde kwaliteitseisen voor informeel netwerk voldaan worden. Dit geldt ook als de persoon uit het sociale netwerk zou voldoen aan enkele eisen voor een formele aanbieder. Informeel tarief is dan van toepassing. Bij het onderzoek of de formele zorgverlener relevante diploma's heeft, kan gebruik gemaakt worden van de norm verantwoorde werkverdeling. Artikel 31. Voorwaarden inkopen ondersteuning uit sociaal netwerk Lid 1 In het eerste lid worden de voorwaarden gesteld om in aanmerking te komen voor een pgb voor jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning welke geleverd wordt door een persoon die behoort tot het sociaal netwerk. Het college is namelijk van mening dat de gewenste ondersteuning van goede kwaliteit moet zijn. Ook als deze geleverd wordt door een persoon uit het sociaal netwerk.

Lid 2 Uit artikel 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet volgt dat bij verordening kan worden bepaald onder welke voorwaarden de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Dit lid geeft aan dat de jeugdhulp ook door een persoon behorend tot het sociaal netwerk kan worden gedaan en geeft daar voorwaarden aan. De jeugdhulp die gericht is op ggz-behandeling is uitgesloten. Dat betekent dat deze vorm van jeugdhulp niet door personen binnen het sociaal netwerk kan worden geboden. De reden hiervoor is dat de objectiviteit die noodzakelijk is voor een dergelijke vorm van jeugdhulp niet gegarandeerd is en daarmee de jeugdhulp niet voldoet aan de kwaliteitseisen. Artikel 32. Kwaliteitseisen pgb jeugdhulp Volgens de Jeugdwet (artikel 8.1.1, tweede lid, onder c) moet het college vooraf oordelen of de jeugdhulp, voor verstrekking van het pgb, van goede kwaliteit is. Een kwaliteitsbeoordeling is daarom vooraf noodzakelijk. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de Inspectie Justitie en Veiligheid (Inspectie JenV) houden tezamen toezicht op naleving van de Jeugdwet en aanverwante regelgeving. Wel kan het college aanvullende kwaliteitseisen stellen. Het toezien op naleving van die aanvullende gemeentelijke kwaliteitseisen is aan het college en de budgethouder.

Zorgverleners uit het sociale netwerk moeten een verklaring omtrent gedrag overleggen. De kosten hiervan zijn voor rekening van de zorgverlener. Het overleggen van een verklaring omtrent gedrag is niet noodzakelijk wanneer de zorgverlener een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad van de budgethouder. Artikel 33. Kwaliteitseisen pgb maatschappelijke ondersteuning Volgens de Wmo 2015 (artikel 2.3.6., tweede lid, onder c moet het college vooraf beoordelen of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. Een kwaliteitsbeoordeling is daarom vooraf noodzakelijk. Zorgverleners uit het sociale netwerk moeten een verklaring omtrent gedrag overleggen. De kosten hiervan zijn voor rekening van de zorgverlener. Het overleggen van een verklaring omtrent gedrag is niet noodzakelijk wanneer de zorgverlener een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad van de budgethouder.

pagina 54

Artikel 34. Hoogte van een pgb In de verordening moet in ieder geval worden bepaald hoe de hoogte van een pgb wordt vastgesteld (artikel 2.9 onderdeel c van de Jeugdwet en artikel 2.1.3 van de wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015). Het bedrag moet hoog genoeg zijn om de benodigde hulp in te kunnen kopen. Ook als de hulp geboden wordt door een informele hulpverlener. Uit de Memorie van Toelichting bij de Wmo 2015 blijkt dat er verschillende tarieven gehanteerd mogen worden voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Dit artikel bevat regels voor hoe de hoogte van de bedragen voor pgb’s voor de voorzieningen wordt bepaald. Lid 1 Het eerste lid geeft aan op welke manier de hoogte van het persoonsgebonden budget wordt bepaald. De gemeente heeft voorzieningen ingekocht. De hoogte van het budget bedraagt niet meer dan de kostprijs voor de goedkoopst adequate voorziening in natura. Toereikend betekent dat de hoogte van het persoonsgebonden budget dusdanig is dat de cliënt ermee de vastgestelde ondersteuning daadwerkelijk kan inkopen. Lid 2 De tariefdifferentiatie wordt in dit artikel vastgelegd.

Bij een pgb voor een professionele ZZP-er wordt uitgegaan van 80% van het laagst toepasselijke tarief dat voor een dergelijke dienst wordt gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder, aangezien rekening wordt gehouden met 20% overhead bij zorgaanbieders. Indien met dit tarief geen passende ondersteuning kan worden ingekocht, kan hiervan gemotiveerd worden afgeweken. Lid 3 De pgb-tarieven worden jaarlijks geïndexeerd. Het indexpercentage is hetzelfde als voor de tarieven in natura. Voor de tekst van het artikel is aangesloten bij de tekst van de modelovereenkomst contractstandaard jeugd van het Ketenbureau I-Sociaal Domein. Lid 4 In deze bepaling zijn de voorwaarden betreffende het tarief opgenomen waaronder maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp in de vorm van een pgb kan worden betrokken van personen uit de huiselijke kring of andere personen die niet voldoen aan de kwaliteitseisen voor informele ondersteuning, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de Regeling dienstverlening aan huis als de cliënt hulp bij huishouden zelf wil regelen. De cliënt moet daarvoor wel aan de gestelde pgbvoorwaarden voldoen. Bij het inzetten van een pgb voor informele ondersteuning, kan sprake zijn van een arbeidsovereenkomst, zorgovereenkomst of een overeenkomst van opdracht.

De Centrale Raad van Beroep heeft bepaald dat gemeenten bij het vaststellen van de hoogte van een pgb voor maatschappelijke ondersteuning door een informele hulpverlener, moeten uitgaan van de volgende tarieven: •

•

Bij huishoudelijke hulp (maatschappelijke ondersteuning): het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. Bij begeleiding (maatschappelijke ondersteuning): het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren.

De hoogte van het pgb voor maatschappelijke ondersteuning door een informele hulpverlener, wordt in het derde lid, onderdeel a, onder 1° en 2°. bepaald overeenkomstig deze uitspraak. De hoogte van een pgb voor jeugdhulp dat geboden wordt door een informele hulpverlener, wordt in het derde lid onder a, onder 3° bepaald op basis van een tarief dat gelijk is aan het wettelijk minimumloon gekoppeld aan diens leeftijd oplopend tot maximaal 200% van het wettelijk minimumloon. Als het college een pgb niet wil toekennen vanwege het risico op overbelasting van de persoon die de ondersteuning biedt, moet het college aannemelijk maken dat deze persoon daadwerkelijk overbelast zal worden als hij de hulp gaat verlenen. Het is aan het college om het causaal verband aannemelijk

pagina 55

te maken; dat wil zeggen dat het voldoende onderbouwd moet zijn dat het inzetten van pgb daadwerkelijk tot overbelasting leidt. Lid 5 Deze bepaling bevat nog wat aanvullende bestedingsvoorwaarden voor een pgb. Lid 6 Als uit het budgetplan blijkt dat de hulp voor formele hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden dan genoemde tarieven voor formele hulp, dan mag uitgegaan worden van dit lagere tarief. Artikel 35. uitgesloten van pgb Niet alle kosten die worden gemaakt in het kader van de inkoop van maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp vanuit een pgb komen voor vergoeding vanuit het pgb in aanmerking. Deze kosten worden in dit artikel opgesomd. Een pgb is niet mogelijk voor de betaling van een persoon of organisatie die de cliënt helpt met het beheer van het pgb. Een vertegenwoordiger wordt derhalve niet betaald vanuit het pgb. Ook kosten als reiskosten, jaarlijkse uitkeringen, administratiekosten, intakekosten of bemiddelingskosten, worden niet vanuit het pgb betaald. Mochten dergelijke kosten zich voordoen, dan is de cliënt hier zelf verantwoordelijk voor aangezien hijzelf ook de keuze heeft gemaakt deze eventuele financiële verplichting aan te gaan. De cliënt heeft een inlichtingenplicht en moet het college vooraf informeren over een buitenlands verblijf.

Indien besteding van het pgb in het buitenland gewenst is, is dat alleen mogelijk als hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven. Artikel 36. Opschorting betaling uit het pgb Door opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking. Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de SVB te verzoeken over te gaan tot opschorting aan de verordening toegevoegd. Het college kan een verzoek enkel doen bij een ernstig vermoeden dat (conform artikel 8.1.4 van de Jeugdwet en artikel 2.3.10 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015): 1. de cliënt, de jeugdige of diens ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; 2. de cliënt, de jeugdige of diens ouders niet voldoen aan de voorwaarden van het pgb, of; 3. de cliënt, de jeugdige of diens ouders het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is.

Van de onder punt 2 genoemde omstandigheid is ook sprake als de cliënt, de jeugdige of diens ouders: • niet langer op eigen kracht, dan wel met hulp uit het sociale netwerk of van een vertegenwoordiger, de aan een pgb verbonden taken op een verantwoorde manier uit kunnen voeren èn • niet langer is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en rekening houdend met de daarvoor geldende regels de SVB voldoende informatie geven op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming over opschorting. Verder kan voor ten hoogste 13 weken worden opgeschort. Dit sluit aan bij de termijn in artikel 4:56 van de Algemene wet bestuursrecht en onder de Wet langdurige zorg. Op grond van het tweede lid kan het college de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 24, tweede lid, onder f, van de verordening. Deze bepaling is toegevoegd, omdat het voor kan komen dat de cliënt of een jeugdige tijdelijk geen gebruik

pagina 56

van een individuele voorziening of pgb kan maken door (tijdelijke) opname in een instelling. In dat geval kan het praktischer zijn de individuele voorziening of het pgb tijdelijk op te schorten. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van dit verzoek. Zie artikel 6:3 van de Awb: voorbereiding op eventueel intrekken of herzien. HOOFDSTUK 9 BIJDRAGE IN DE KOSTEN VOOR MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING In dit hoofdstuk staat wanneer een cliënt een eigen bijdrage moet betalen voor hulp via de Wmo. Dit geldt bijvoorbeeld bij hulp in huis, begeleiding of als iemand zelf hulp regelt met een persoonsgebonden budget (pgb). De bijdrage loopt zolang de hulp wordt gebruikt of zolang er nog kosten openstaan. Voor sommige vormen van hulp hoeft geen bijdrage betaald te worden, zoals een rolstoel of een woningaanpassing voor een kind. De hoogte van de bijdrage hangt af van het soort hulp en wordt berekend en geïnd door het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Bij opvang of beschermd wonen gelden aparte afspraken. In bepaalde situaties, zoals bij huiselijk geweld of in de eerste maand van opvang, hoeft tijdelijk geen bijdrage betaald te worden. Organisaties zoals het Leger des Heils en Kwintes bepalen het bedrag dat zij innen, binnen de regels van de gemeente. Artikel 37.

Bijdrage in de kosten voor maatschappelijke ondersteuning Lid 1 De gemeente Gouda kiest ervoor om een eigen bijdrage te heffen voor maatwerkvoorzieningen en pgb’s in het kader van de wet maatschappelijke ondersteuning. Hiervoor geldt het abonnementstarief van in totaal maximaal € 19,00 per maand (per 1 januari 2020). Het CAK stelt de eigen bijdrage vast en int deze bij de cliënt. Lid 2 Er wordt geen eigen bijdrage gevraagd voor een woonvoorziening voor een minderjarige cliënt, omdat Gouda ervoor kiest de Jeugdwet te volgen; in de Jeugdwet is bepaald dat er geen eigen bijdrage wordt gevraagd voor voorzieningen aan minderjarigen. Voor financiële tegemoetkomingen wordt geen eigen bijdrage gevraagd, omdat hier sprake is van een verstrekking in de vorm van geld. Gebruikers van het collectief vervoer betalen een bijdrage aan de vervoerder. Om deze reden wordt collectief vervoer uitgezonderd van de eigen bijdrage. Artikel 38.

Bijdrage in de kosten voor beschermd wonen en opvang Lid 2 De hoogte van de bijdrage in de kosten voor opvang wordt vastgesteld op grond van artikel 3.20, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en is zodanig dat de cliënt na het betalen van de bijdrage, een bedrag overhoudt dat gelijk is aan het zak- en kleedgeld zoals genoemd in artikel 23 van de Participatiewet, vermeerderd met de standaardpremie, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de zorgtoeslag en gecorrigeerd met de zorgtoeslag. HOOFDSTUK 10 WIJZIGINGEN, HERZIENING EN TERUGVORDERING De gemeente controleert regelmatig of de hulp of het persoonsgebonden budget (pgb) nog passend is. Als er nieuwe informatie is, kan een besluit worden aangepast of ingetrokken. Dit gebeurt bijvoorbeeld als iemand niet langer hulp nodig heeft, de hulp verkeerd gebruikt wordt, of als er onjuiste gegevens zijn doorgegeven. In sommige gevallen kan de gemeente geld terugvragen, bijvoorbeeld als het pgb niet is gebruikt waarvoor het bedoeld was. Artikel 39. Intrekking of herziening van een voorziening kan plaatsvinden vanwege de conclusie dat ten onrechte of teveel hulp is verleend. Dit artikel regelt dat de gemeente dan bevoegd is de geldwaarde terug te vorderen van de teveel of ten onrechte genoten voorziening in natura of verstrekt persoonsgebonden budget. Lid 1

pagina 57

Het college onderzoekt periodiek of de verstrekte individuele voorziening nog passend en doelmatig is. Dit geldt zowel voor voorzieningen in natura als voor voorzieningen in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Een heroverweging kan nodig zijn als de situatie van de cliënt verandert, bijvoorbeeld door verbetering, verslechtering of gewijzigde omstandigheden in de zorgbehoefte of het zorgaanbod. Door periodiek te toetsen of de voorziening nog aansluit bij de actuele situatie, wordt voorkomen dat ondersteuning onnodig voortduurt of niet meer effectief is. Dit draagt bij aan een rechtmatige en doelmatige inzet van publieke middelen. Bij een pgb wordt bovendien beoordeeld of de cliënt nog steeds beschikt over de benodigde vaardigheden om het budget verantwoord te beheren. Lid 4 Het vierde lid is eveneens een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen 6 maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Van een cliënt wordt verwacht dat ze binnen zes maanden hun indicatie ‘verzilveren’ door zich te melden bij de zorgpaanbieder. Of, als het bijvoorbeeld gaat om hulp uit het sociale netwerk, het pgb binnen zes maanden gaan inzetten voor de aangewezen jeugdhulp.

Dit om te voorkomen dat een indicatie veroudert en de situatie op termijn dusdanig is gewijzigd, dat eigenlijk een nieuwe indicatie nodig is. Voldoen cliënten niet aan deze voorwaarde, dan kan dat een grond opleveren om de aanspraak op de individuele- of maatschappelijke voorziening in te trekken. HOOFDSTUK 11 TOEZICHT EN HANDHAVING De gemeente houdt toezicht op het gebruik van hulp en pgb’s. Dit gebeurt via controles, soms steekproefsgewijs. Er kunnen toezichthouders aangewezen worden die controleren of de regels worden nageleefd. Ook maakt de gemeente afspraken met zorgaanbieders over facturatie, controles en het volgen van de duur van hulptrajecten, om misbruik of fouten te voorkomen. Artikel 40. Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s Op grond van artikel 2.3.9 van de Wmo 2015 moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een besluit tot verstrekking van een maatwerkvoorziening of toekenning van een pgb te heroverwegen. Alleen bestaat er soms twijfel over de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van geleverde ondersteuning. Het onderzoek in het kader van artikel 2.3.9 biedt hiervoor onvoldoende houvast.

Op grond van dit artikel moet het college in aanvulling op het onderzoek overeenkomstig artikel 2.3.9 ook periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, onderzoeken of de verstrekte maatwerkvoorzieningen in natura en pgb’s worden ingezet voor het doel waarvoor ze zijn verstrekt, of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is. Een onderzoek kan gaan over een cliënt of pgb-houder en over de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de cliënt, bezoek aan de locatie waar de cliënt ondersteuning krijgt en gesprekken met de aanbieder. Artikel 41. Aanwijzen toezichthouder Anders dan in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, ontbreekt in de Jeugdwet een bepaling inzake het aanwijzen van een toezichthouder. Om die reden is in dit artikel geregeld dat het college personen kan aanwijzen die belast zijn met toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet. Voor de volledigheid is opgenomen dat het college ook een toezichthouder kan aanwijzen die belast zijn met toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Artikel 42.

Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik Zowel landelijk als gemeentelijk wordt ingezet op het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Daartoe treft het college de nodige maatregelen om de doelmatigheid en rechtmatigheid van de verstrekte individuele voorzieningen in natura en in vorm van pgb’s te waarborgen en fraude te voorkomen.

pagina 58

In het eerste en tweede lid is opgenomen dat wordt gestuurd op een correcte declaratie en verantwoording van de geleverde jeugdhulp (eerste lid). Door regelmatig te toetsen of de indicatie nog correct is en of de resultaten die zijn afgesproken ook worden behaald, wordt aandacht geschonken aan de doelmatigheid van individuele voorzieningen (tweede lid). HOOFDSTUK 12 WAARDERING MANTELZORGERS In dit hoofdstuk staat beschreven hoe de gemeente laat zien dat zij mantelzorgers erkent en ondersteunt. Artikel 43. Jaarlijkse waardering mantelzorgers Volgens artikel 2.1.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 wordt in de verordening bepaald op welke manier het college zorgt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. De wet stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Maar de gemeente Gouda kijkt bij deze verplichting breder: het gaat niet om waar de mantelzorger woont, maar of deze zorg wordt verleend aan iemand in de gemeente Gouda. Mantelzorgers betrokken bij Goudse inwoners kunnen zich laten registreren als mantelzorger bij Mantelzorg Centraal Gouda. Deze registratie is nodig om de jaarlijkse blijk van waardering te krijgen. De jaarlijkse blijk van waardering bestaat uit: 1. een jaarlijkse attentie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een waardebon te besteden bij Goudse ondernemers. 2.

bijeenkomsten voor mantelzorgers. Hierbij kan gedacht worden aan de jaarlijkse dag van de Mantelzorg, een respijtdag en bijeenkomsten over thema’s die mantelzorgers bezighouden. 3. praktische ondersteuning, zoals in ieder geval hulp bij het huishouden voor mantelzorgers voor maximaal 78 uur per kalenderjaar tegen een verlaagd tarief. Als de mantelzorger hiervan gebruik wil maken, kan dit via een formulier worden doorgegeven en wordt het door de gemeente toegekend. HOOFDSTUK 13 KLACHTEN EN MEDEZEGGENSCHAP BIJ AANBIEDERS VAN MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING EN JEUGDHULP Aanbieders van hulp via de Wmo en jeugdhulp moeten een regeling hebben voor het afhandelen van klachten van cliënten. Ook moeten zij zorgen voor medezeggenschap: cliënten moeten kunnen meedenken over besluiten die voor hen belangrijk zijn. De gemeente controleert of aanbieders deze regels naleven, onder andere via gesprekken en een jaarlijks onderzoek naar ervaringen van cliënten. Artikel 44. Klachtregeling bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Cliënten kunnen een klacht indienen over een aanbieder. Aanbieders van maatwerkvoorzieningen moeten beschikken over een klachtregeling (artikel 3.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015). De aanbieder is verantwoordelijk om de cliënt te informeren over het bestaan van de klachtenregeling.

In de contracten stelt de gemeente eisen aan de aanbieder om de klachtenregeling goed te laten functioneren. Cliënten moeten een klacht kunnen indienen wanneer zij zich onheus bejegend voelen. Ontevredenheid over het gedrag van een aanbieder kan gaan over de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder). Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van een klacht open. De invulling van de klachtenregeling is aan de aanbieder. De gemeenteraad kan, zoals benoemd in de verordening, alleen bepalen ten aanzien van welke voorzieningen hij een klachtregeling of een regeling voor medezeggenschap vereist vindt. Vervolgens zijn aanbieders die dergelijke voorzieningen leveren direct verantwoordelijk voor het inrichten van deze regelingen voor hun cliënten. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, als het niveau van een vorm van

pagina 59

maatschappelijke ondersteuning dit vereist, nadere eisen aan de aanbieders van voorzieningen worden gesteld. Voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen is het klachtrecht geregeld in de Jeugdwet. De cliënt kan ook ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de manier waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. De klacht kan de cliënt bij de gemeente indienen. In de Algemene wet bestuursrecht (hoofdstuk 9) is de klachtbehandeling door een bestuursorgaan geregeld. Deze wet bepaalt onder meer dat het bestuursorgaan (het college van burgemeester en wethouders van Gouda) een klacht binnen 6 weken na ontvangst afhandelt. Eventueel kan deze termijn met maximaal vier weken worden verlengd. Artikel 45. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp De Wet maatschappelijk ondersteuning 2015 (artikel 2.1.3, tweede lid, onder e) bepaalt dat in de verordening moet staan voor welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten aanwezig is, die zo kunnen meepraten over de voorgenomen besluiten van de aanbieder. Het gaat hier om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. De aanbieder is verplicht voor de genoemde voorziening een medezeggenschapsregeling op te stellen (Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, artikel 3.2, eerste lid, onder b).

Voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen is de medezeggenschap geregeld in de Jeugdwet. HOOFDSTUK 14 SLOTBEPALINGEN In dit hoofdstuk staat dat de oude verordening wordt vervangen door deze nieuwe versie. De gemeente kan in bijzondere situaties afwijken van de regels, bijvoorbeeld als de toepassing onredelijk uitpakt. Ook is geregeld hoe lopende aanvragen en besluiten worden behandeld bij de overgang naar de nieuwe verordening. De nieuwe regels gaan in op de dag na de bekendmaking en heten officieel: Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2026. Artikel 48. Overgangsrecht In het eerste lid is bepaald dat besluiten die berusten op de in te trekken verordening, voortaan berusten op de nieuwe verordening. In het tweede lid is bepaald dat op aanvragen ingediend vóór de inwerkingtreding van deze verordening wordt beslist met inachtneming van de bepalingen van deze verordening. In het derde lid is voor lopende bezwaar- en beroepschriften bepaald dat deze volgens de nieuwe verordening worden afgedaan.

pagina 60

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=2b9ca968-d330-4ba6-b640-b9339bd07471