CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

RB Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2026

Raadsvergadering 28 januari 2026, gemeente GoudaBij agendapunt: Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2026 (Hamerstuk)33.937 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

pagina 17

g. de aanbieder heeft een klachtenregeling die aansluit bij het niveau van de cliënt, h. de aanbieder heeft een klachtenprotocol waarin staat hoe klachten, incidenten en calamiteiten behandeld worden alsmede een beschrijving van de wijze waarop deze leiden tot verbeteracties, i. de aanbieder kan op verzoek van de toezichthouder aangeven hoe wordt omgegaan met veiligheid (onder andere meldcode, risico-inventarisatie en evaluatie cliënten en woonomgeving, wettelijke eisen rondom brandveiligheid etc.), j. de aanbieder heeft een beschrijving hoe wordt omgegaan met cliëntveiligheid (agressie, medicatieveiligheid, brandveiligheid), en k. de aanbieder heeft een beschrijving hoe omgegaan wordt met privacy (meldcode datalekken en privacyprotocol). 3. In aanvulling op het tweede lid gelden voor formele ondersteuning (met uitzondering van zzp’ers) de volgende aanvullende kwaliteitseisen: a. de aanbieder draagt zorg voor het naleven van beroeps- en meldcodes door de medewerkers, b. de aanbieder heeft een systematische kwaliteitsbewaking, en c. de aanbieder doet regelmatig een cliëntervaringsonderzoek en stelt dit ter beschikking aan de toezichthouder wanneer daar om gevraagd wordt. Artikel 34. Hoogte van een pgb 1. De hoogte van een pgb: a. wordt bepaald aan de hand van het pgb-plan in combinatie met het persoonlijk gesprek met de cliënt; b.

is gebaseerd op de frequentie, de kwaliteit en professionaliteit van de in te zetten vorm van ondersteuning. Er wordt rekening gehouden met een verschil tussen formele en informele ondersteuning; c. is niet meer dan de kostprijs van de in de desbetreffende situatie goedkoopst en meest adequate en passende voorziening in natura; d. is toereikend voor de inkoop of aanschaf van veilige, doeltreffende en kwalitatief goede voorzieningen en wordt als nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; e. is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten zoals salaris, vervanging tijdens vakantie en verzekeringen. 2. De hoogte van een pgb voor ondersteuning die geboden gaat worden door zorgorganisaties en ZZP-ers bedraagt: a. 100% van het laagst toepasselijke tarief dat voor een dergelijke dienst zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder als de dienst wordt uitgevoerd door een zorgorganisatie; b. 80% van het laagst toepasselijke tarief dat voor een dergelijke dienst wordt gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder als de dienst wordt uitgevoerd door een ZZP-er, tenzij daarmee geen passende zorg of ondersteuning kan worden ingekocht . 3. De tarieven voor het persoonsgebonden budget kunnen jaarlijks geïndexeerd worden. 4.

De hoogte van een pgb voor ondersteuning die geboden gaat worden door een persoon die informele ondersteuning biedt, wordt vastgesteld op basis van de volgende uitgangspunten: a. deze persoon hanteert een tarief dat: 1°. voor hulp bij het huishouden (maatschappelijke ondersteuning) gelijk is aan het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren; 2°. voor begeleiding (maatschappelijke ondersteuning) gelijk is aan het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren; 3°. voor jeugdhulp maximaal 200% van het wettelijke minimumloon bedraagt; b. tussenpersonen of belangenbehartigers worden niet uit het pgb betaald;

pagina 18

c.

de zorg aan de belanghebbende mag niet tot overbelasting leiden van deze persoon die informele ondersteuning biedt de informele hulpverlener. 5. Het pgb mag alleen worden gebruikt voor de kosten van het leveren van ondersteuning. Het pgb mag niet worden gebruikt voor het betalen van een vertegenwoordiger. 6. Het tarief is lager als op basis van het door de cliënt ingediende pgb-plan passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht. Artikel 35. Uitgesloten van pgb De volgende kosten zijn uitgesloten van vergoeding vanuit een pgb: a. kosten voor bemiddeling; b. kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; c. kosten voor het voeren van een pgb-administratie; d. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; e. kosten die worden gemaakt voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college; f. kosten voor vervoer als de jeugdige op grond van artikel 16 naar het oordeel van het college niet in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening; h. kosten voor een aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag; i. reiskosten van de zorgverlener; en j. feestdagenuitkering. Artikel 36. Opschorting betaling uit het pgb 1.

Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste 13 weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 dan wel artikel 8.1.4, eerste lid, onder a, d of e, van de Jeugdwet. 2. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder f, van deze verordening. 3. Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid 4. Het college kan nadere regels stellen omtrent het opschorten van de betaling uit het persoonsgebonden budget. HOOFDSTUK 9 BIJDRAGE IN DE KOSTEN VOOR MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING Artikel 37. Bijdrage in de kosten voor maatschappelijke ondersteuning 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening dan wel pgb, zolang: a. de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt, of b. gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt, of c.

het koopbedrag van een middels een pgb verstrekte voorziening niet is voldaan. 2. In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor: a. een woonvoorziening voor een minderjarige cliënt; b. een rolstoelvoorziening; c. een financiële maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, onder k, van deze verordening; en d. collectief vervoer in de vorm van de GroeneHartHopper als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel k, van deze verordening. 3. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura wordt bepaald: a. door een aanbesteding, b. na een consultatie in de markt, of c. in overleg met de aanbieder. 4. De kostprijs van pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb.

pagina 19

5. De bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, of het totaal aan bijdragen, is gelijk aan de kostprijs tot aan ten hoogste de in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 genoemde bijdrage per maand voor de cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere eigen bijdrage is verschuldigd. 6. Mantelzorgers betalen voor de hulp bij het huishouden voor mantelzorgers een tarief met korting aan de aanbieder. Artikel 38. Bijdrage in de kosten voor beschermd wonen en opvang 1. De hoogte van de bijdrage in de kosten voor beschermd wonen wordt vastgesteld op grond van paragraaf 3 van hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 2. De bijdrage in de kosten voor opvang wordt vastgesteld op grond van artikel 3.20, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 3. In afwijking van het tweede lid betalen cliënten in de eerste maand van de opvang geen bijdrage in de kosten, tenzij er sprake is van doorlopend inkomen. 4. In afwijking van het tweede lid betalen cliënten geen bijdrage in de kosten voor opvang als zij doorlopende huurlasten hebben van een woning die zij hebben verlaten vanwege risico’s in verband met huiselijk geweld. 5.

De instellingen die een bijdrage in de kosten voor opvang innen zijn het Leger des Heils, Kwintes: Opvang en Begeleiding na Huiselijk Geweld Midden-Holland en De Reling. 6. De in het vijfde lid genoemde instellingen bepalen per opvangvorm de hoogte van het te innen bedrag, rekening houdend met het tweede, derde en vierde lid. HOOFDSTUK 10 WIJZIGINGEN, HERZIENING EN TERUGVORDERING Artikel 39. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering 1. Het college kan periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een beslissing aangaande een verstrekking van een voorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget te heroverwegen. 2. Zoals beschreven in artikel 2.3.8 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en in artikel 8.1.2 van de Jeugdwet doet een cliënt op verzoek of direct uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing over het recht op een voorziening. 3. Zoals beschreven in artikel 2.3.10 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en in artikel 8.1.4 van de Jeugdwet kan het college een besluit genomen op grond van deze verordening herzien of intrekken als het college vaststelt dat: a.

de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid; b. de cliënt niet langer op de voorziening of het pgb is aangewezen; c. de voorziening of het pgb-budget niet meer toereikend is te achten; d. de cliënt niet voldoet aan de voorwaarden van de voorziening of het pgb; e. de cliënt de voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is bestemd; of f. de cliënt langer dan 6 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet; of 4. Als het college een besluit op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken en verstrekking van onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college de geldwaarde vorderen van de ten onrechte genoten voorziening of het ten onrechte genoten pgb. 5. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen 6 maanden na uitbetaling niet is gebruikt voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 6. Als het college een beslissing heeft herzien of ingetrokken op grond van het derde lid onder a, dan kan het college de geldschade vorderen van de te veel of ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of het te veel of ten onrechte genoten pgb.

pagina 20

7. Als het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken, kan het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten pgb invorderen. 8. Het college kan nadere regels bepalen voor het heroverwegen, herzien, intrekken of terugvorderen van voorzieningen. HOOFDSTUK 11 TOEZICHT EN HANDHAVING Artikel 40. Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan. Artikel 41. Aanwijzen toezichthouder 1. Het college kan personen aanwijzen die belast zijn met het toezicht op de naleving van wat in of volgens de Jeugdwet is bepaald. 2. Het college kan personen aanwijzen die belast zijn met het toezicht op de naleving van wat in of volgens de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is bepaald. Artikel 42. Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik van Jeugdhulp voorzieningen 1.

Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties. 2. Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over het monitoren van de gemiddelde trajectduur tijdens de looptijd van een contract. HOOFDSTUK 12 WAARDERING MANTELZORGERS Artikel 43. Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1. Geregistreerde mantelzorgers van cliënten in de gemeente komen ambtshalve door het college in aanmerking voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering. 2. Het college erkent, waardeert en ondersteunt mantelzorger door middel van: a. het beschikbaar stellen van een jaarlijkse attentie; b. het bekostigen van bijeenkomsten waarin mantelzorgers worden gewaardeerd en erkend; c. het bieden van praktische ondersteuning bestaande uit in ieder geval hulp bij het huishouden voor maximaal 78 uur per kalenderjaar. HOOFDSTUK 13 KLACHTEN EN MEDEZEGGENSCHAP BIJ AANBIEDERS VAN MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING EN JEUGDHULP Artikel 44. Klachtregeling bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 1.

Aanbieders die maatschappelijke ondersteuning verlenen, beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van maatwerkvoorzieningen. 2. Voor zorgaanbieders en gecertificeerde instellingen is het klachtrecht als bedoeld in § 4.2.a. van de Jeugdwet van toepassing. 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 45. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 1. Aanbieders moeten beschikken over een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van maatwerkvoorzieningen.

pagina 21

2. Voor zorgaanbieders en gecertificeerde instellingen zijn de regels voor medezeggenschap als bedoeld in § 4.2.b. van de Jeugdwet van toepassing. HOOFDSTUK 14 SLOTBEPALINGEN Artikel 46. Intrekking De Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2023 wordt ingetrokken. Artikel 47. Hardheidsclausule en onvoorziene omstandigheden 1. Het college kan bepalingen van deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. 2. In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel 48. Overgangsrecht 1. Besluiten op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2023 worden aangemerkt als besluiten op grond van deze verordening. 2. Aanvragen die zijn ingediend voor inwerkingtreding van deze verordening en waarop nog niet is beslist bij de inwerkingtreding van deze verordening, worden afgehandeld volgens deze verordening. 3. Op bezwaar- en beroepschriften gericht tegen een besluit genomen op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2023, wordt beslist met inachtneming van deze verordening. Artikel 49. Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de dag na die van haar bekendmaking. Artikel 50.

Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2026’

pagina 22

Aldus besloten in de openbare vergadering van 28 januari 2026. De raad van de gemeente voornoemd, griffier

voorzitter

mr. drs. E.J. Karman - Moerman

mr. drs. P. Verhoeve

pagina 23

Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2026 ALGEMENE TOELICHTING De gemeente is wettelijk verplicht om inwoners onder bepaalde omstandigheden te ondersteunen bij hun maatschappelijke zelfredzaamheid en/of participatie. Dit geldt voor jeugdigen en hun gezinnen, en voor volwassenen. Dit is aan de orde als inwoners op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van het sociale netwerk of door gebruik te maken van algemene voorzieningen onvoldoende zelfredzaam zijn, onvoldoende kunnen participeren of als er sprake is van risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld. In deze verordening staan regels voor de invulling van de ondersteuningsplicht. De regels zijn een lokale vertaling van het landelijke wettelijke kader en omschrijven de manier waarop de gemeente de verantwoordelijkheid voor de toeleiding naar en inzet van passende en kwalitatief goede ondersteuning vormgeeft. In de opbouw van de Verordening volgen we de route van de inwoner richting een voorziening. Artikel 1. Begripsbepalingen Algemeen gebruikelijke voorziening De gemeente hoeft geen voorzieningen te verstrekken waarover de cliënt ook kan beschikken als de cliënt geen beperkingen heeft (zie o.a. CRvB 03‐07‐2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16‐04‐2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14‐07‐2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16‐08‐2012, nr. AWB 11/5564).

Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt (zie CRvB 17‐11‐2009, nr. 08/3352 Wmo). De beoordeling of er sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening beantwoordt de vraag of de cliënt ook over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen had gehad. De volgende criteria kunnen een rol spelen bij die beoordeling: • Is de voorziening regulier te koop? • Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht? • Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen? • Kan de voorziening financieel worden gedragen met een inkomen op minimumniveau? Algemene voorziening De Jeugdwet spreekt in artikel 2.9, onderdeel a van 'overige voorziening'. In de wettelijke teksten wordt net als in de praktijk ook over algemene of vrij toegankelijke voorzieningen gesproken. Omdat 'algemene voorziening' de meest gangbare term is, is deze overgenomen in de verordening. Dit sluit ook aan bij de terminologie van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Kenmerkend voor een algemene voorziening is dat het gaat om een vrij toegankelijke voorziening. Dat wil zeggen: zonder dat eerst een diepgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers heeft plaatsgevonden.

De diensten, activiteiten of zaken kunnen toegankelijk zijn voor specifieke groepen of soms ook voor de gehele bevolking. Eigen regie In de verordening komt het begrip eigen regie een aantal keer naar voren. De gemeente Gouda ondersteunt haar inwoners in het voeren van eigen regie. Hierdoor worden inwoners in staat gesteld hun talenten en netwerk in te zetten en vinden ze duurzame oplossingen die passen bij hun leefwereld: • De aard en omvang van de voorzieningen en de gekozen oplossingen worden zoveel mogelijk samen met de inwoner bepaald, op basis van individuele omstandigheden, voorkeuren en de mogelijkheden binnen de wettelijke kaders. • De inwoner kan ook een familiegroepsplan (jeugdhulp) of persoonlijk plan (Wmo) indienen. • Als wordt vastgesteld dat inwoners in aanmerking komen voor indicatie voor een individuele voorziening in het kader van Jeugdhulp of voor maatwerk in het kader van de Wmo, hebben zij de keuze uit een aanbod van zorg in natura waarin de gemeente via inkoop voorziet. Als dit aanbod niet aansluit bij hun ondersteuningsbehoefte, kunnen inwoners ook kiezen voor een

pagina 24

pgb. Met behulp daarvan kunnen zij hun eigen ondersteuningspalet samenstellen en organiseren. Voorziening Om het verschil duidelijk te maken tussen voorzieningen waarvoor de gemeente een beschikking afgeeft in het kader van de Jeugdwet of in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, wordt in deze verordening een voorziening in het kader van de Jeugdwet ‘individuele voorziening’ genoemd en voorzieningen in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 ‘maatwerkvoorziening’. Artikel 2. Toegang algemene voorziening Om van een algemene voorziening gebruik te kunnen maken, is geen uitgebreid onderzoek naar de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager noodzakelijk. Een formele beslissing (beschikking) van de gemeente is niet nodig. De aanvrager die tot de doelgroep van de voorziening behoort, kan er meestal meteen gebruik van maken. De ‘beperkte toegangsbeoordeling’ waar het artikel over spreekt, zorgt ervoor dat bepaalde algemene voorzieningen voor een bepaalde doelgroep beschikbaar zijn. Het betreft hier bijvoorbeeld schoolmaatschappelijk werk als vorm van kortdurende ondersteuning, dat toegankelijk is voor leerlingen die onderwijs volgen op een Goudse school.

Sluit de algemene voorziening onvoldoende aan bij de hulpvraag- of niet voldoende ondersteuning met een algemene voorziening, dan kan deze de hulpvraag melden en als dat gewenst is een voorziening aanvragen. Artikel 3. Beschikbare algemene en individuele voorzieningen en maatwerkvoorzieningen Lid 1: De gemeente stelt regels aan de individuele-, maatwerk- en algemene jeugdhulpvoorzieningen die zij verleent (artikel 2.9, onderdeel a, van de Jeugdwet). De inwoner heeft recht op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3). Dit artikel toont de algemene-, maatwerk en individuele voorzieningen die in ieder geval beschikbaar zijn binnen de gemeente Gouda. Van de genoemde algemene voorzieningen hebben de voorzieningen van kortdurende ondersteuning, participatie in de buurt en vervoersvoorzieningen betrekking op algemene voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning. Het jeugdvervoer vindt plaats op grond van artikel 2.3 van de Jeugdwet Lid 2: Dit artikel toont de minimaal mogelijke vormen van individuele voorzieningen zoals bedoeld in de Jeugdwet binnen de gemeente Gouda: a. Hoogspecialistische jeugdhulp: Integrale en/of (zeer) intensieve ambulante jeugdhulp en verblijfsvoorzieningen met behandeling.

De hulp is gericht op stabiliseren (geen crisis) en behandelen en wordt meestal tijdelijk ingezet, waarna afschaling naar andere zorgvormen (zoals behandeling specialistisch, begeleiding en/of wonen) volgt. b. Jeugdbescherming/jeugdreclassering: Jeugdigen die via de Rechterlijke Macht (civielrechtelijk of strafrechtelijk) een maatregel (Onder Toezicht Stelling, Voogdij of Jeugdreclassering) opgelegd hebben gekregen en daarbij worden begeleid door een Gecertificeerde Instelling. c. Crisis: Crisis betreft de ongeplande hulp aan alle jeugdigen en/of gezinnen, die te maken krijgen met een urgente situatie, die direct en 24/7 beschikbaar en bereikbaar is. De situatie is (levens)bedreigend en urgent. De crisishulp is kortdurend en kan bestaan uit intensieve begeleiding in de thuissituatie, tijdelijk verblijf in het eigen netwerk of pleeggezin (crisispleegzorg) of crisisopvang/opname in een instelling. d. JeugdzorgPlus: vorm van gesloten jeugdhulp, die wordt opgelegd door de kinderrechter. De zorg bestaat uit verblijf en intensieve (groeps-) behandeling. Daarbij wordt ook onderwijs (extern) georganiseerd, passend bij het leerniveau. e. Behandeling: Er wordt ambulante en/of poliklinische hulp geboden, gericht op het verbeteren van, het ondersteunen bij en het leren omgaan met situaties en/of specifiek gedrag, die de ontwikkeling en het opgroeien van jeugdigen bedreigen.

De geboden ondersteuning varieert van lichte, enkelvoudige ondersteuning tot aan specialistische intensieve ondersteuning en combinaties hiervan. Ook meervoudig complexe situaties komen voor in dit segment.

pagina 25

f.

Begeleiding: Begeleiding wordt ingezet om onze inwoners (jeugdigen en volwassenen) te ondersteunen met het vergroten zelfredzaamheid, groeien naar zelfstandigheid, leren omgaan met de situatie/problematiek, participatie in de samenleving en stabiliseren van de situatie. De individuele doelen worden gemonitord en geëvalueerd. g. Wonen: Alternatieve passende structurele woonvormen (gezinshuizen, pleegzorg etc.), die zo lang als nodig als thuis fungeren, worden ingezet voor jeugdigen, die geen veilige of passende thuissituatie kennen. h. Dagbesteding: Dagbesteding bestaat uit een groepsaanbod van activiteiten. Deze kunnen gericht zijn op het ontlasten van de thuissituatie (respijtzorg), het bieden van een zinvolle invulling van de dag of op ontwikkeling en het bevorderen van deelname aan de maatschappij. i. Logeren: Logeren wordt gebruikt om het gezin, de mantelzorger/verzorger te ontlasten en is een vorm van respijtzorg. j. Ernstige dyslexiezorg; Bij dyslexiezorg gaat het om kinderen die ernstige problemen hebben met lezen en spellen. Dit heet Ernstige Dyslexie (ED). De behandeling richt zich op het verminderen van die problemen. k.

Vervoer naar jeugdhulplocatie: Voorzieningen op het gebied van jeugdhulp omvatten, voor zover naar het oordeel van het college noodzakelijk in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, eveneens het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden. De vorm waarin het vervoer naar de locatie bij jeugdhulp aangeboden wordt, is afhankelijk van de specifieke situatie van de cliënt. Lid 3: Uit de parlementaire geschiedenis bij de wet volgt dat de gemeenteraad, ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2.9, van de wet, in de verordening (op geaggregeerd niveau) kan sturen op duur, omvang en frequentie van individuele voorzieningen (Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 148 en Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 10, p. 40). In het derde lid wordt daarom bij bepaalde individuele voorzieningen op collectief niveau op deze elementen gestuurd. Het college moet op basis van het vierde lid deze elementen overnemen in de afspraken die zij maakt met jeugdhulpaanbieders in het kader van de inkoop- en subsidierelatie. Het feit dat deze omvang in beginsel wordt aangehouden maakt dat in zeer bijzondere individuele situaties van de in de verordening bepaalde omvang kan worden afgeweken. p) Verlenging mogelijk na afstemming met de verwijzer vanuit de gemeente.

Redenen om te verlengen kunnen zijn: -aanvraag voor een BGGZ traject voor een andere DSM-diagnose; -aanvraag voor beperkt aantal extra uren om de behandeling af te maken, o.a. met als doel instroom in de SGGZ of de J&O behandeling te voorkomen. q) Verlenging van de standaard toewijzing in de SGGZ is altijd mogelijk. een jeugdige met een verwijzing heeft recht op passende jeugdzorg totdat de behandeling is afgerond. Lid 4: Op grond van artikel 2.6, eerste lid, onder a, van de jeugdwet is het aan het college om zorg te dragen voor een kwalitatief en kwantitatief aanbod. In het vierde lid is bepaald over welke elementen het college in het kader van zijn inkoop- of subsidierelatie met de jeugdhulpaanbieders afspraken moet maken. Deze afspraken dragen bij aan duidelijkheid over het beschikbare voorzieningenpakket. De kwaliteitseisen waar jeugdhulpaanbieders moeten voldoen die onder verantwoordelijkheid van het college werkzaamheden uitvoeren vloeien rechtstreeks voort uit de wet. Deze zijn daarom niet in de verordening opgenomen, maar moeten uiteraard wel in de contractuele afspraken worden opgenomen. Lid 5: Het artikel toont ook de minimaal mogelijke vormen maatwerkvoorzieningen overeenkomstig de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 binnen de gemeente Gouda: a.

Hulp bij het huishouden: hulp waarbij (een deel van) de huishoudelijke taken worden overgenomen door een professionele hulp.

pagina 26

b. Begeleiding: Begeleiding wordt ingezet om onze inwoners (jeugdigen en volwassenen) te ondersteunen met het vergroten zelfredzaamheid, groeien naar zelfstandigheid, leren omgaan met de situatie/problematiek, participatie in de samenleving en stabiliseren van de situatie. De individuele doelen worden gemonitord en geëvalueerd. c. Dagbesteding: Dagbesteding bestaat uit een groepsaanbod van activiteiten. Deze kunnen gericht zijn op het ontlasten van de thuissituatie (respijtzorg), het bieden van een zinvolle invulling van de dag of op ontwikkeling en het bevorderen van deelname aan de maatschappij. d. Vervoer naar dagbesteding: Een indicatie dagbesteding omvat voor zover dat naar het oordeel van het college noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, eveneens het vervoer van een cliënt van en naar de locatie waar de dagbesteding wordt geboden. De vorm waarin het vervoer naar de locatie bij dagbesteding aangeboden wordt, is afhankelijk van de specifieke situatie van de cliënt. e. Logeeropvang en verblijf: logeeropvang of kortdurend verblijf wordt ingezet al respijtzorg om de mantelzorger te ontlasten. f. Hulpmiddelen zijn een verzameling van de volgende voorzieningen: vervoersvoorzieningen, rolstoelvoorzieningen en woonvoorzieningen.

Vervoersvoorzieningen die onder de hulpmiddelen vallen zijn: scootmobielen, aangepaste fietsen en aangepaste scooters. De verschillende rolstoelvoorzieningen zijn: handbewogen rolstoelen, elektrische rolstoelen en aangepaste buggy’s voor kinderen. De woonvoorzieningen die onder hulpmiddelen vallen zijn middelen waarvoor geen woningaanpassing nodig is, dus onder andere: verrijdbare tilliften, douchestoelen en toiletstoelen. g. Woonvoorzieningen: vallen uiteen in bouwkundige woningaanpassingen (waaronder trapliften, niet reguliere wandbeugels, plafondtilliften, een aanbouw, het verwijderen van een bad en creëren van een inloopdouche, drempelhulpen) en niet bouwkundige woningaanpassingen (waaronder verrijdbare tilliften, douchestoelen en toiletstoelen). h. Rolstoelvoorzieningen: handbewogen rolstoelen, elektrische rolstoelen en aangepaste buggy’s voor kinderen. i. Vervoersvoorzieningen: vallen uiteen in hulpmiddelen (scootmobielen, aangepaste fietsen en aangepaste scooters) en het collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV). j. Financiële maatwerkvoorzieningen: voorzieningen die bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie van inwoners, maar waarbij de financiële tegemoetkoming niet noodzakelijk kostendekkend hoeft te zijn.

Voor de volgende kosten is een financiële maatwerkvoorziening mogelijk: - Verhuis- en inrichtingskosten: Deze voorziening wordt verstrekt als cliënt medisch gezien in staat is te verhuizen en de kosten van de woningaanpassingen boven het maximaal te verstrekken verhuis- en herinrichtingskostenbudget komen. - Aanschaf en onderhoud sportvoorziening: Inwoners die vanwege hun beperking belemmerd worden in hun mogelijkheden om te sporten en daarom een voorziening nodig hebben, kunnen hiervoor een financiële tegemoetkoming aanvragen bij de gemeente. - Vervoersvoorziening voor het gebruik van een eigen auto of een bruikleenauto: dit is een tegemoetkoming voor de kosten die gemaakt worden bij het aanpassen van de eigen auto of voor het gebruik van een eigen auto of bruikleenauto als een inwoner daar gebruik van maakt in plaats van voorliggende voorzieningen. k. Gewoon Thuis: vorm van intensieve begeleiding die gelijkwaardig is aan een beschermende woonomgeving, maar dan thuis. Cliënten kunnen hierbij 24 uur per dag een beroep doen op begeleiding, maar wonen zelfstandig. l. Beschut wonen: Een geclusterde woonvorm met een gemeenschappelijke ruimte, waar begeleiding door de weeks op vaste momenten aanwezig is en daarbuiten 24-uurs bereikbaar en indien nodig op afroep langs komt.

De doelgroep kan (nog) niet zelfstandig wonen, maar wel zelf aangeven wanneer hulp nodig is en deze hulpvraag uitstellen. Beschut wonen is bedoeld voor bewoners die uitstromen uit beschermd wonen, maatschappelijke opvang en verblijfszorg jeugdzorg én om instroom te voorkomen. Bij beschut wonen is het uitgangspunt scheiden van wonen en zorg. Dit betekent dat de inwoner in principe zelf zijn huur betaalt en zelf een huurcontract heeft met de verhuurder of de zorgorganisatie. m. Beschermd wonen: woonvorm waarbij de cliënt permanent toezicht nodig heeft. De doelgroep is kwetsbaar met risico op verwaarlozing en overlast en kan een gevaar vormen voor zichzelf en voor anderen. Doel van deze manier van wonen is de doorstroom naar (beschut)

pagina 27

zelfstandig wonen. Alle kosten worden vergoed en via het CAK wordt een eigen bijdrage berekend. n. Maatschappelijke opvang: onderdak en begeleiding voor mensen die dak- of thuisloos zijn en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Hieronder vallen crisisopvang (alleenstaande volwassenen), herstart (alleenstaande volwassenen), herstart gezinnen, crisisopvang jongeren en reguliere opvang jongeren. o. Vrouwenopvang: 24-uurs opvang voor vrouwen met of zonder kinderen die te maken hebben met huiselijk geweld. p. Jongeren onder Dak: traject voor dak- en thuisloze jongeren (18 tot en met 23 jaar) in MiddenHolland. Door begeleiding en ondersteuning aan de jongeren wordt gestreefd naar vergroting van de persoonlijke mogelijkheden en groei naar zelfstandigheid. HOOFDSTUK 2 TOEGANG EN PROCEDURE ALGEMEEN We willen dat inwoners met een hulpvraag zich melden bij Sociaal Team Gouda. Als er een individuele jeugdhulpvoorziening vanuit de Jeugdwet of maatwerkvoorziening vanuit de Wmo 2015 wenselijk/nodig is, kunnen inwoners (eventueel met hulp vanuit het Sociaal team) terecht bij de gemeente voor jeugdhulp op grond van de Jeugdwet of maatschappelijke ondersteuning vanuit de Wmo 2015. Dit hoofdstuk beschrijft de werkwijze daarvoor. Na een melding, onderzoekt de gemeente wat er nodig is. De uitkomsten van het onderzoek worden vastgelegd in het verslag.

Als er een individuele voorziening vanuit de Jeugdwet of een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo 2015 nodig is, volgt een aanvraag en een besluit op de aanvraag. Dit besluit heet ook wel een indicatie. Artikel 5 gaat over het afstemmen van hulp op andere wetten, zoals de Jeugdwet, Wmo, zorgverzekeringswet en onderwijswetgeving. Zo sluit de hulp beter op elkaar aan. Bij jongeren vanaf 16 jaar wordt alvast gekeken naar de overgang naar volwassenenzorg, zodat die zo goed mogelijk verloopt. Als een inwoner aangeeft jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning nodig te hebben, onderzoekt de gemeente wat er nodig is. Hoe dat onderzoek precies verloopt, wordt verderop in de verordening uitgelegd. De uitkomsten worden vastgelegd in een verslag. Dat verslag wordt gedeeld met de inwoner, die het kan aanvullen en, als dat nodig is, ondertekend. Artikel 4. Zorgplicht college voor integrale toegang en intake Lid 1 De verschillende wetten in het sociaal domein, voorzien niet in een wettelijke basis voor een gelijke, integrale en domein brede uitvoering en procedure. Om zoveel mogelijk integraal te werken, heeft het college de plicht te zorgen voor een integrale toegang en intake.

De integrale intake moet onderscheiden worden van de gesprekken die gevoerd worden voor het onderzoek dat uitgevoerd wordt als er een ondersteuningsbehoefte blijkt te zijn en duidelijk is binnen welk domein in de eerste plaats een oplossing gevonden kan worden. Het college moet bepalen hoe het de zorgplicht invult. In ieder geval moet bereikt worden dat inwoners eenvoudig bij de gemeente aan kunnen kloppen voor informatie en hulp bij het verhelderen van hun mogelijke vraag. Als de vraag duidelijk is, worden inwoners doorgeleid naar de passende organisatie en de juiste wettelijke kaders voor de verdere ondersteuning. Artikel 5. Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning Waar het de afbakening met andere wetgeving betreft, zoals de Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Jeugdwet en de Wmo 2015, zijn o.a. artikel 1.2 van de Jeugdwet en artikel 2.3.5 van de Wmo 2015 van toepassing. Als een jeugdige of volwassene aanspraak kan maken op zorgverlening op grond van één van deze (andere) wetten (Wlz, Zvw of onderwijswetgeving), dan is die betreffende wet voorliggend.

pagina 28

Als echter: i) meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen en stoornissen en ii) de persoon daardoor aanspraak kan maken op zorgverlening uit een recht op zorg uit de Wlz, een zorgverzekering als bedoeld in de Zvw én de Jeugdwet of Wmo 2015, dan is het college gehouden een voorziening te treffen op basis van deze wet. Ook de voorziening als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, onderdeel b, van de Jeugdwet en voorzieningen op grond van artikel 2.1.1 van de Wmo 2015 zijn uitgezonderd van het uitgangspunt dat geen voorziening hoeft te worden verstrekt als aanspraak bestaat op de Wlz of Zvw. Een voorbeeld binnen de Wmo betreft begeleiding bij het structureren van het dagelijks leven voor een volwassene met psychische problematiek. Als deze persoon ook aanspraak heeft op behandeling via de Zvw, maar de begeleiding niet onder die behandeling valt, dan kan het college op grond van de Wmo 2015 een voorziening treffen. Ook ondersteuning bij het voeren van regie over het eigen leven of het behouden van sociale contacten valt onder de Wmo en niet onder de Zvw. Een andere belangrijke wettelijke afbakening is te vinden met onderwijswetgeving.

Ondersteuning gericht op het doorlopen van het onderwijsprogramma dat primair gericht is op het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of om de jeugdige verder te helpen in de onderwijsontwikkeling, valt niet onder de jeugdhulpplicht van de wet. Als een jeugdige recht heeft op ondersteuning vanuit onderwijswetgeving is deze wetgeving voorliggend op de wet en hoeft het college geen voorziening te treffen op grond van de wet. Als een gedragswetenschapper Ernstige Dyslexie (ED) vaststelt, maar daarvoor géén behandelindicatie afgeeft, dan is geen sprake van jeugdhulp. Dat betekent dat onderwijs in dat geval (ook voor deze jeugdige) verantwoordelijk blijft voor goed lees- en spellingsonderwijs in de klas, eventuele extra begeleiding in de klas en andere specifieke interventies. Het onderzoek van de gedragswetenschapper is overigens wél een vorm van jeugdhulp onder de wet. Intelligentietesten die worden afgenomen met een ander doel dan ten behoeve van onderwijs en het vaststellen van de behoefte aan behandeling van leerstoornissen, huiswerkbegeleiding, remedial teaching of motorische remedial teaching (MRT), begeleiding op school (voor zover gericht op het leerproces), dyscalculie, behandeling stoornis op gebied van leren en begeleiding bij ernstige taal- en spraakmoeilijkheden, vallen evenmin onder jeugdhulp (zie artikel 10).

Op grond van artikel 2.9, aanhef en onder b, van de Jeugdwet en artikel 2.1.3 van de Wmo 2015 moet in de verordening ook geregeld zijn op welke wijze de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. Wanneer een jeugdige, volwassene of ouder ondersteuning vraagt van het college, moet afstemming plaatsvinden met het andere aanbod vanuit de gemeente. Afstemming betekent samenwerking met uitvoerders van andere wet- en regelgeving om de problematiek binnen het gezin of huishouden te verminderen of zelfs op te lossen. Als de hulp vanuit de Jeugdwet of Wmo niet (langer) volstaat, dan zal de overgang naar hulp vanuit een andere wet goed afgestemd moeten worden. Personen mogen niet in een gat vallen waar aanspraken uit de gelijktijdig toepasselijke wet- en regelgeving niet naadloos op elkaar aansluiten. Op grond van artikel 5 van de verordening is het college ervoor verantwoordelijk dat een jeugdige, volwassene of diens ouder(s) zoveel mogelijk de juiste hulp op grond van de wet ontvangt en dat wordt voorkomen dat zij tussen wal en schip vallen. Eerste lid Het eerste lid bevat een opsomming van wetten op basis waarvan recht zou kunnen bestaan op voorzieningen die ook relevant kunnen zijn bij het inzetten van jeugdhulp.

Met de opname van deze wetten krijgt het college een uitdrukkelijke opdracht en bevoegdheid om de inzet van jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning in elk geval hierop af te stemmen. De lijst is niet limitatief. Tweede en derde lid Het tweede en derde lid bakenen het doel van het zoeken van afstemming af. Zij normeren de inzet van het college bij de afstemming. Bij de afstemming van ondersteuning vanuit zowel preventieve ondersteuning (zie artikel 3), de Jeugdwet als andere wettelijke kaders (zoals bedoeld in lid 1) is het uitgangspunt dat de ingezette hulp bijdraagt aan het versterken van de eigen kracht van de jeugdige en diens ouders. Dit betekent dat hulp niet uitsluitend gericht is op het wegnemen van problemen, maar ook op het vergroten van de mogelijkheden van gezinnen om zelf

pagina 29

oplossingen te vinden en hun draagkracht duurzaam te benutten. Op deze manier wordt ondersteuning toekomstbestendig. Vierde lid Het zorgen voor afstemming van voorzieningen is een uitdrukkelijke opdracht aan het college. Het college is daarbij echter afhankelijk van de medewerking van de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger. Het vierde lid maakt duidelijk dat het niet verlenen van de noodzakelijke medewerking kan leiden tot het beëindigen van het onderzoek naar het recht op een individuele voorziening en het weigeren van een individuele voorziening. Het college is daarmee niet gehouden het onderzoek zonder medewerking voort te zetten of een voorziening te verstrekken. Het college maakt hier wel een afweging, waarbij de onderzoeksbelangen en de eventueel opgegeven redenen om medewerking te weigeren een rol kunnen spelen. Vijfde en zesde lid Het vijfde en zesde lid regelen de afstemming van het recht op voorzieningen bij de overgang naar volwassenheid. Het is belangrijk dat jeugdigen bij het bereiken van het achttiende levensjaar, of het eenentwintigste of drieëntwintigste levensjaar bij verlengde jeugdhulp, niet plotseling zonder passende voorzieningen komen te zitten.

Deze bepaling regelt dat er daarom al vanaf het zestiende levensjaar van de jeugdige bij de inzet van voorzieningen wordt gekeken naar de afstemming van de in te zetten voorziening op de mogelijk in de toekomst in te zetten voorzieningen. Artikel 6. Verslag Jeugdhulp In het kader van het onderzoek naar aanleiding van een hulpvraag, vindt een gesprek plaats. De bevindingen van het onderzoek en hetgeen in het gesprek aan de orde is gekomen, worden vastgelegd in een verslag. De jeugdige en zijn ouders krijgen daarbij de gelegenheid om eventuele opmerkingen of aanvullingen aan het verslag toe te voegen, voordat het college dit verslag gebruikt als basis voor besluitvorming. Vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid vergewist het college zich ervan dat de jeugdige en diens ouders de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek, zoals neergelegd in het verslag, hebben begrepen. Uit het verslag moet duidelijk zijn wat er precies wordt aangevraagd, de aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, onder c, van de Awb). De oorspronkelijke hulpvraag hoeft immers niet hetzelfde te zijn als de jeugdhulpvoorziening die uiteindelijk nodig is en wordt aangevraagd.

Het is ook mogelijk dat de jeugdige of zijn ouders het niet eens zijn met de uitkomsten van het onderzoek van het college en vinden dat zij wel zijn aangewezen op een individuele voorziening, of dat zij vinden dat zij een andere individuele voorziening nodig hebben dan de individuele voorziening die het college op basis van het onderzoek aangewezen acht. De jeugdige en zijn ouders doen dan een afwijkende aanvraag, die schriftelijk voldoende concreet moet zijn voor het college om een nieuw besluit op te kunnen nemen. Wet Maatschappelijke Ondersteuning Achtergrondinformatie Deze bepaling is opgenomen, omdat een zorgvuldige dossiervorming en een procedurebeschrijving belangrijk zijn. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. In de toelichting op de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14 33 841, nr.3) staat dat de gemeente de uitkomsten van het onderzoek schriftelijk aan de cliënt geeft, zodat deze een aanvraag kan doen voor een maatwerk- of individuele voorziening. Inhoud van het verslag Een goed verslag maakt het voor de gemeente mogelijk om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag, en maakt de communicatie met de cliënt duidelijker. Het gespreksverslag gaat over de afspraken die tussen het college en de cliënt zijn gemaakt. Het verslag kan gaan over meerdere gesprekken. Hoe het verslag eruitziet, hangt af van de uitkomsten van het onderzoek.

Als er geen maatwerkvoorziening of individuele voorziening nodig is, zal het verslag bijvoorbeeld beperkt zijn. Bij meer ingewikkelde onderzoeken is een uitgebreider verslag nodig.

pagina 30

Arrangement Als het gewenst is, kan de gemeente het verslag met onderzoeksuitkomsten ook gebruiken als een gezamenlijk overeengekomen plan, een arrangement. Hierin zijn alle gemaakte afspraken en de verplichtingen vastgelegd. De gemeente en de cliënt ondertekenen dan samen het plan. Opmerkingen of wijzigingen aan het verslag Later kunnen opmerkingen of aanpassingen worden gedaan in het verslag of feitelijke onjuistheden worden hersteld (artikel 7, derde lid). Het kan namelijk zo zijn, dat een inwoner na het gesprek nog onderzoekt wat er in de omgeving mogelijk is om ondersteuning te ontvangen of dat de inwoner nog een aanvullende opmerking heeft. Daarnaast staat dit lid dat de inwoner regie heeft over de eigen aanvraag en dus medezeggenschap heeft over de inhoud van het verslag. De aanvraag voorzien moet zijn van naam, adres, dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt aangevraagd Het adres in de aanvraag hoeft niet het adres te zijn waar de aanvrager woont. De aanvrager kan ook een ander adres kiezen, bijvoorbeeld het adres van zijn gemachtigde. Bij een digitale aanvraag hoeft niet precies te staan welke beschikking wordt gevraagd, maar de hulpvraag moet voldoende duidelijk zijn. Omdat op de aanvraag een besluit moet volgen, moet de aanvrager hierop zijn hulpvraag aangeven.

HOOFDSTUK 3 TOEGANG TOT JEUGDHULP Jeugdhulp kan worden aangevraagd via de gemeente, maar ook via de huisarts, jeugdarts of instanties zoals Veilig Thuis of de rechter. In dit hoofdstuk staat hoe de gemeente de hulpvraag onderzoekt en welke stappen daarbij horen. De gemeente betaalt de jeugdhulp, maar er gelden wel regels. Een voorbeeld is dat een huisarts mag alleen verwijzen naar aanbieders waarmee de gemeente een contract heeft, tenzij er sprake is van een pgb of bijzondere omstandigheden. Bij Ernstige Dyslexie (ED)verloopt de toegang via het onderwijs. Hulp wordt alleen ingezet als ED officieel is vastgesteld, en voor jeugdigen die op de basisschool zitten tot 13 jaar. Artikel 7. Toegang Jeugdhulp via de gemeente Deze en volgende bepalingen regelen de toegang tot jeugdhulp via de gemeente. Dit artikel regelt in algemene zin het toegangs- en besluitvormingsproces en de daaraan verbonden beslistermijnen. De CRvB heeft geoordeeld dat de toegang tot jeugdhulp via de gemeente onderverdeeld kan worden in verschillende “stappen” (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Die stappen zijn in dit artikel en in artikel 11 verdisconteerd en zijn opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het college is daarbij verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en bevoegd om de toegang tot jeugdhulp te verlenen op grond van de wet.

In de praktijk zal het college de beslissing over het inzetten van jeugdhulp niet altijd zelf uitvoeren, maar mandateren aan deskundigen. Iemand toegang geven tot jeugdhulp kan op verschillende manieren, namelijk: • via de gemeente; • na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts; • via de gecertificeerde instellingen, rechter, OM of justitiële jeugdinrichting (JJI); • via Veilig Thuis (het Crisis Interventie Team). Toegang jeugdhulp via de gemeentelijke toegang Een hulpvraag van een jeugdige of diens ouders kan binnenkomen bij de gemeente. De gemeente beslist welke zorg een jeugdige of diens ouders precies nodig hebben, in overleg met die jeugdige en diens ouders. In een gesprek tussen een deskundige van de gemeente en de jeugdige en diens ouders wordt gekeken wat de jeugdige en zijn ouders zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als aanvullend daarop een jeugdhulpvoorziening nodig is, kijkt de gemeente

pagina 31

eerst of dit een algemene voorziening of een individuele voorziening is. Is het laatste geval geeft het college een beschikking af en schakelt de noodzakelijke jeugdhulp in. Eerste lid Jeugdigen en ouders kunnen bij het college terecht met hun hulpvraag. Soms is die hulpvraag nog niet concreet. Dat betekent dat de inwoner geholpen moet worden bij het vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouders is. Het college is (mede)verantwoordelijk voor het verkennen of verhelderen van de hulpvraag. Dat kan door het voeren van een of meer gesprekken (zie artikel 11). Hierbij wordt overeenkomstig de jurisprudentie een zekere medewerking van de jeugdige of de ouders verlangd (CRvB 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:276). Tweede lid Een aanvraag jeugdhulp kan enkel als aanvraag worden gezien als deze volgens de vormschriften van de Algemene wet bestuursrecht (AWB) gedaan is. Dit betekent dat een aanvraag schriftelijk moet zijn ingediend, voorzien van naam en adres van de aanvrager, datum, een omschrijving van de gevraagde voorziening en een handtekening. Deze procedure waarborgt dat de aanvraag formeel juist is en dat er een besluit op kan volgen waartegen bezwaar en beroep mogelijk is. Ondertekening Hieronder staat in welke fase er wel/geen handtekening nodig is: Fase van aanvragen: De ouder, verzorger en/of jeugdige kan een aanvraag voor jeugdhulp indienen.

Deze aanvraag moet door de aanvrager worden ondertekend. Fase van onderzoek: Als duidelijk is welke jeugdhulp nodig is, inventariseert de gemeente of de jeugdige en/of de ouders instemmen met de inzet van die jeugdhulp. Zo weet de gemeente of de noodzakelijke hulp kan worden ingezet. Fase van hulpverlening: Het is echter niet nodig dat de gemeente van jeugdigen en ouders handtekeningen vragen voor het verlenen voor de noodzakelijke jeugdhulp. Niet de gemeente, maar de jeugdhulpverlener is verantwoordelijk om te zorgen dat de vereiste toestemming aanwezig is. De jeugdhulpverlener beoordeelt of de vereiste toestemming voor het verlenen van jeugdhulp aanwezig is. Het geven van toestemming kan mondeling of schriftelijk. Zonder de vereiste toestemming kan de jeugdhulpverlener de hulp niet starten. De jeugdhulpverlener moet volgens de toestemmingsregels handelen. De jeugdhulpverlener (en niet de gemeente) kan daarop worden aangesproken. Ontbreekt de vereiste toestemming, dan moet de gemeente afwegen of het uitblijven van jeugdhulp de ontwikkeling van de jeugdige ernstig bedreigd. Als dat het geval is moet de gemeente de Raad voor de Kinderbescherming vragen onderzoek te doen. vierde lid Bij het doen van een melding en in het onderzoek daarna staat de eigen regie van de jongere en diens ouders centraal.

Eigen regie is het vormgeven aan de autonomie van de jeugdige; deze mag keuzes maken op grond van wat hij denkt, voelt en wil. De eigen regie wordt gestimuleerd door het college op de volgende manieren: 1. De jeugdige en diens ouders krijgen de mogelijkheid om een familiegroepsplan in te leveren. Een familiegroepsplan is een plan dat ouders/gezinnen samen met familie, vrienden en anderen uit hun omgeving kunnen maken om een vraag of probleem aan te pakken. In dat plan kunnen ouders aangeven hoe ze zelf de opvoed- en opgroeisituatie voor hun kind(eren) willen verbeteren. Bij de bevestiging van de ontvangst van de melding wijst het college de jeugdige en diens ouders op de mogelijkheid van het inleveren van een familiegroepsplan. 2. De jeugdige en diens ouders worden, voordat het gesprek plaatsvindt, geïnformeerd over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning in de ontvangstbevestiging van de aanvraag. 3. De jeugdige en diens ouders worden gewezen op de mogelijkheid om te kiezen voor een pgb en de gevolgen als daarvoor wordt gekozen. Pgb is een middel voor cliënten om zelf jeugdzorg in te kopen. Vijfde lid Om een zorgvuldig besluit te nemen, worden eerst alle feiten en omstandigheden van de hulpvraag onderzocht. In deze verordening noemen we dit ‘het gesprek’ of ‘het onderzoek’.

pagina 32

Als het nodig is voor het onderzoek, kunnen ook meerdere gesprekken achter elkaar worden gevoerd. Het gesprek is erop gericht een totaalbeeld van de situatie te krijgen. We kijken naar alle verschillende leefgebieden van de jeugdige en diens ouders. De mate van zelfredzaamheid kan per leefgebied verschillend zijn en problemen op verschillende leefgebieden kunnen elkaar beïnvloeden. Ook komen procedures aan de orde voor een deskundige beoordeling als het om individuele voorzieningen gaat. Het kan bij jeugdigen bijvoorbeeld gaan om diagnostiek om voor een psychiatrische behandeling of voor een verblijf in 24-uursopvang in aanmerking te komen. Dat zijn zwaarwegende beslissingen waarvoor professioneel onderzoek en een gedegen afweging nodig zijn. De volgende onderwerpen komen aan bod tijdens het gesprek: a. de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en (gezins-/leef-) situatie van de jeugdige en diens ouders en het probleem of de hulpvraag; b. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; c. het vermogen van de jeugdige en diens ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden. Hierbij komen de belastbaarheid en de ondersteuningsbehoefte van de mantelzorger aan de orde; d. de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening; e.

de mogelijkheden om ondersteuning te verlenen met gebruikmaking van een algemene voorziening; f. de mogelijkheden om een maatwerk of een individuele voorziening te verstrekken; g. de manier waarop een eventuele, individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen; h. hoe rekening te houden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt; i. de gevolgen van een eventuele keuze voor een persoonsgebonden budget. Als het kan, is het gesprek bij de jeugdige en diens ouders thuis, om een goed totaalbeeld te krijgen. De uitkomsten van het gesprek wegen mee bij de beoordeling. Eigen kracht De eigen kracht van de cliënt staat voorop. De Jeugdwet bepaalt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt. Een voorziening kan nodig zijn om de mate van probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouders en die van de naaste omgeving te versterken. Er kan door het gesprek echter ook vastgesteld worden dat de inzet van eigen kracht, sociaal netwerk of een algemene voorziening voldoende is. In dat geval hoeft er geen individuele voorziening te worden ingezet.

Een verdere uitwerking van het onderzoek naar de eigen kracht van de jeugdige, diens ouders en/of diens sociale netwerk wordt uitgewerkt in artikel 13. Zevende lid Als de jeugdige of zijn ouder(s) een familiegroepsplan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord. Hiermee wordt artikel 12, van het Verdrag inzake de rechten van het kind in acht genomen. Op grond van de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst mogen jeugdigen vanaf 16 jaar over de eigen behandeling een beslissing nemen en is het mede afhankelijk van de wens van de jongere of de ouders al dan niet geïnformeerd mogen worden door de behandelaar. Achtste lid Met het zesde lid wordt duidelijk vastgelegd dat voor de totale procedure van aanvraag tot het besluit over een individuele voorziening een termijn van acht weken geldt. Het college kan de beslistermijn op grond van artikel 4:14 van de Algemene wet bestuursrecht éénmaal verlengen als de beschikking niet binnen acht weken kan worden afgegeven. Dat kan bijvoorbeeld bij een ingewikkelde situatie waar een zorgvuldig onderzoek gedaan moet worden en/of als voor een diagnose een langere termijn nodig is. Wel noemt het college dan een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de jeugdige en diens ouders de beschikking krijgen.

Van een verlenging doet het college mededeling aan de aanvrager. Daarbij geeft het college de termijn aan waarbinnen de besluit wordt verzonden. Negende lid

pagina 33

Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Een individuele voorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze verplichting vloeit ook voort uit de Awb. tiende lid Deze bepaling regelt de toeleiding naar jeugdhulp in spoedsituaties of crisissituaties. In gevallen waar onmiddellijke start van de hulp nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht) kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. Het besluit tot inzetten van de hulp moet vervolgens binnen 4 weken na de start van de hulp zijn vastgelegd in een beschikking. Artikel 8. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts Het verzoek voor toegang tot jeugdhulp kan ook lopen via een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist. Dit is geregeld in artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onder g, van de Jeugdwet. Naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, bestaat ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar gecontracteerd aanbod, maar uitzonderingen blijven mogelijk op basis van de hardheidsclausule (artikel 2.6, eerste lid, onder e, van de jeugdwet).

Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk bepalen zij vaak niet welke specifieke vorm van hulp nodig is, maar verwijzen door naar een van de jeugdhulpaanbieders waarmee de gemeente een dienstverleningsovereenkomst heeft afgesloten. De jeugdhulpaanbieder beoordeelt op basis van zijn professionele autonomie welke voorziening nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Hierbij vindt overleg plaats met de jeugdige of ouder. De huisarts, medisch specialist en jeugdarts moeten in beginsel verwijzen naar een door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. Als de jeugdige of zijn ouders na een verwijzing door de huisarts kiezen voor een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee zij een contract of subsidierelatie heeft, is de gemeente niet gehouden de andere keuze te vergoeden (Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 149). De gemeente bepaalt bij de medische verwijsroute niet welke jeugdhulp moet worden geleverd, maar heeft wel de regie over wie de jeugdhulp verleent (Rb.

Oost-Brabant 26 maart 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:1761). De verordening sluit vergoeding van deze kosten in een dergelijke situatie dan ook uit. De jeugdige of zijn ouders kunnen in een situatie als deze wel een pgb aanvragen. Het college zal deze aanvraag dan beoordelen op basis van de aan de verkrijging van een pgb gestelde voorwaarden (zie hoofdstuk 8). De zorgaanbieder moet zich bij het beoordelen van de jeugdhulpvraag na een verwijzing houden aan het woonplaatsbeginsel, afspraken die hij met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie en met de regels die daarover zijn neergelegd in de Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp 2026 en/of Regeling maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Gouda 2026. De aanbieder verstrekt aan de gemeente een kennisgevingsbericht over het opstarten van de jeugdhulp waarna er door de gemeente een formeel besluit wordt genomen. Het besluit wordt door de gemeente verstuurd naar zowel de jeugdhulpaanbieder als de jeugdige. Deze toegang wordt in de Jeugdwet geregeld en komt daarom verder niet terug in deze verordening. Artikel 9.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=2b9ca968-d330-4ba6-b640-b9339bd07471