CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

Koloniaal en slavernijverleden van Gouda - Binnenwerk_LR7

Commissie Samenleving 6 mei 2024, gemeente GoudaBij agendapunt: Vervolg oordeelsvorming Slavernijverleden32.850 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Als koopman zal Van Groenendijck het hier niet makkelijk hebben gehad, want om handel te kunnen drijven moest hij voor een gewenst aanbod zorgen. Textiel was het ruilmiddel bij uitstek voor de gewenste specerijen, maar de Nederlanders hadden niet de door de Javanen gewenste (Indiase) stoffen en de Portugezen waren geduchte concurrenten met hun lagere prijzen.

62

Na deze periode op Java keerde hij in 1609 terug naar de Republiek. Maar niet voor lang, want het jaar daarop ging hij opnieuw naar Azië met het schip Zwarte Leeuw. Vervolgens maakte hij snel carrière. In 1610 werd hij benoemd als lid van de Raad van Indië. De Raad van Indië was van 1609 tot 1942 een belangrijk orgaan van eerst de VOC en later het Nederlandse bestuur in Azië. De Raad fungeerde met de gouverneur-generaal, die de hoogste functie innam, als de regering ter plaatse. Als lid van de Raad van Indië, had Van Groenendijck de taak om de gouverneur-generaal te adviseren, maar ook te controleren. Van 1611 tot 1614 was hij commandeur op de Banda eilanden, die voor de VOC vanwege de kostbare nootmuskaat en foelie enorm van belang waren. Enkele jaren later, in 1621 zou Jan Pieterszoon Coen hier ongenadig huishouden om deze eilanden in de macht van de VOC te brengen. Van Groenendijck was toen al in Gouda. In 1617 was hij teruggekeerd en als beloning voor zijn diensten ontving hij van de Kamer Amsterdam van de VOC een geschenk ter waarde van 800 gulden.6 In 2021 zou dit geschenk bijna 13.000 euro waard zijn.7 Na zijn terugkomst werd hij al snel, in 1619, lid van de vroedschap in Gouda; hij zou dat tot aan zijn dood in 1649 blijven. Hij trouwde met Anna Pietersdochter de Lange, die in Gouda was geboren.

Binnen Gouda bekleedde hij diverse ambten als weesmeester en kerkmeester en bracht het in 1638 en 1639 tot het

Westhaven 20, genaamd Zeepketel, ooit van Steven Doensen van Groenendijck.

63

belangrijke ambt van burgemeester. In Azië had hij voor de VOC onder andere gehandeld in textiel. De ervaring die hij daar had opgedaan, kon hij in Gouda goed gebruiken. Hij werd textielfabrikant, textielkoopman en zeepzieder.8 Hij bezat verschillende panden, waaronder in ieder geval het pand Achter de vlasblom aan de Westhaven 19 en De Zeepketel aan de Westhaven 20. De namen van deze panden verwijzen duidelijk naar zijn werkzaamheden. Paulus Traudenius: van een Goudse onderwijzersfamilie tot gouverneur van Formosa (Taiwan) Paulus Traudenius (overleden in 1643) was afkomstig uit de Goudse onderwijzersfamilie Trudens, die de familienaam had verlatiniseerd naar Traudenius. Zijn grootvader, die ook Paulus heette, was de eerste rector van de Latijnse School in Gouda. Paulus zelf koos voor een andere richting. In 1628 bevond hij zich aan de andere kant van de wereld als koopman van de VOC en lid van de raad van Fort Zeelandia op Formosa, het huidige Taiwan. Vijf jaar later was hij opgeklommen tot opperkoopman. De VOC zag mogelijkheden in handel met Quinam en Tonkin, twee koninkrijken in het huidige Vietnam. Hier wilde de VOC zijde inkopen, om dat vervolgens in Japan te verhandelen voor zilver. Zilver (en ook goud) was voor de VOC van groot belang als ruilmiddel voor de handel in Azië. Zo kwam Traudenius met beide gebieden in aanraking.

In 1633 ging hij als opperkoopman samen met François Caron naar Quinam om met de Japanse kooplieden de handelsmogelijkheden te bespreken. Die bleken echter tegen te vallen.9 Wel slaagde de VOC er in 1637 in een handelsovereenkomst met de koning van Tonkin te sluiten en enkele jaren later sloot de VOC ook een militair bondgenootschap met Tonkin. Het was echter niet eenvoudig om het vertrouwen te winnen van de koning van Tonkin. Traudenius, die in 1640 was opgeklommen tot gouverneur van Formosa, speelde hierin een belangrijke rol door persoonlijk met geschenken naar Tonkin te gaan. Maar voor de VOC liep de militaire samenwerking uit op een teleurstelling en daarom werd deze in 1644 beëindigd.10 Toen Traudenius in 1628 op Formosa was aangekomen, had de VOC zich hier net een jaar eerder gevestigd. De VOC kreeg al snel concurrentie van Spanje, waarmee de Republiek nog in de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) was verwikkeld. Dit zinde de VOC niet. In een brief van 1641 aan de Spaanse gouverneur kondigde Traudenius als gouverneur van Formosa dreigend aan dat hij het commando had gekregen over een aanzienlijke militaire macht. Traudenius bood de Spanjaarden de mogelijkheid aan om zich zonder bloedvergieten over te geven. Daar ging de Spaanse gouverneur echter niet op in.

De eerste aanval van de VOC op de Spanjaarden mislukte, maar in 1642 slaagde de aanval wel en verlieten de Spanjaarden Formosa. Op Formosa is Traudenius in aanraking gekomen met de inheemse bevolking, die uit verschillende groepen bestond. Tussen de dienaren van de VOC en de inheemse bevolking was sprake van ‘wantrouwen en vertrouwen, verbazing en herkenning, afstandelijkheid en belangstelling, afschuw maar ook sympathie’.11 De inheemse bevolking werd geconfronteerd met predikanten, schoolmeesters, bestuur

64

en belastingen van de VOC, maar vaak genoeg slaagden zij erin op te komen voor hun eigen belangen.12 Traudenius werd In 1643 teruggeroepen naar Batavia, waar hij kort daarna overleed. Uiteindelijk verloor de VOC Formosa in 1662 aan China. Willem Decker: gouverneur in Malakka, burgemeester in Gouda en heer van Ursem Een geheel andere weg volgde Willem Decker (1709-1780). Hij werd niet geboren in Gouda, maar in Malakka in het huidige Maleisië. Zijn vader Simon Willemszoon Decker was daar onderkoopman voor de VOC en trouwde met Geertruida Blom die in Malakka was geboren en daar ook was overleden. Simon Decker keerde in 1713 terug naar Delft. Hij nam zijn drie kinderen mee, waaronder Willem, die in 1709 in Malakka het levenslicht had gezien en nog maar een peuter was. Niet alleen de kinderen van Simon Decker reisden mee, maar ook drie slaafgemaakten van wie de namen bekend zijn: Claas van Malabar, Clarinde van Semarang en Lea van Salette. Waarschijnlijk moesten zij voor de kinderen zorgen en werden zij op Kaap de Goede Hoop, ver van hun geboortegrond, in Zuid-Afrika verkocht.13 Voor het meenemen van slaafgemaakten naar de Republiek was namelijk toestemming nodig van de Heren Zeventien. Hoe het deze slaafgemaakten verder verging, is onbekend. Dat weten wij wel van Willem Decker. Al in 1729 werd hij poorter van Gouda en in 1730 kocht hij de heerlijkheid Ursem in Noord-Holland.

Een heerlijkheid betrof een aantal rechten die van kracht waren binnen een nauwkeurig omschreven gebied, zoals de rechtsmacht. In deze periode werd het bezit van een heerlijkheid steeds meer een statussymbool van rijke kooplieden en regenten. Vaak was er aan een heerlijkheid ook een buitenplaats verbonden, waarmee men kon pronken. Sindsdien mocht Decker zich heer van Ursem noemen en was hij in het bezit van een familiewapen. In Gouda bekleedde hij vervolgens diverse ambten. Zo was hij onder andere kapitein van de burgerij (een of-

Het rode Stadthuys in Malakka, waar Willem Decker als gouverneur van Malakka zetelde.

65

ficiersfunctie bij de schutterij voor burgers of poorters van de stad), lid van de vroedschap van 1742 tot 1752, diverse jaren schepen van de stad en bewindhebber van de VOC van 1748 tot 1752. Hij trouwde op stand met Anna Helena de Mey en na haar overlijden in 1736 met Renetta Clara van Harencarspel. Daarna keerde hij terug naar zijn geboorteplaats Malakka. De VOC had in de periode 1641-1795 een gouvernement en handelspost in deze stad. Eerst was hij kort als waterfiscaal belast met het opsporen en vervolgen van strafbare feiten begaan op schepen. Maar al in 1754 werd hij benoemd tot gouverneur van Malakka en zetelde hij in het rode Stadthuys dat onder Nederlandse koloniale architectuur is gebouwd en nu als historisch museum in gebruik is. Hij maakte een roerige tijd mee in Malakka. De VOC kreeg hier te maken met de al maar machtiger wordende Boeginezen uit het huidige Zuid-Sulawesi, die steeds meer invloed kregen op de sultan van Johor. De Boeginezen maakten het moeilijk voor de VOC om de Straat van Malakka te beheersen. In juli 1757 kwam het zelfs zover dat de Boeginezen Malakka insloten en dat de sultan van het naburige Johor Malakka belegerde. Decker was genoodzaakt om versterkingen uit Batavia in te roepen om het beleg op te heffen. In 1761 keerde hij terug naar Gouda. In Gouda bekleedde hij weer verschillende bestuurlijke functies.

Hij werd opnieuw lid van de vroedschap (1763-1779) en werd in 1768 voor het eerst burgemeester. In totaal zou hij zes keer benoemd worden om dit invloedrijke ambt te bekleden. In Gouda heeft hij verschillende panden in bezit gehad, waaronder in ieder geval Spieringstraat 83 en 79/81 en Westhaven 12 dat hij uitbreidde met het naastliggende pand. Al deze panden verkocht hij aan Marcellus Bisdom (zie hoofdstuk 6 ‘Van geen kwaad bewust’). Uiteindelijk zou hij in 1780 in Haarlem overlijden. Herbert Vermeulen: van botteliersmaat tot opperhoofd in Japan Herbert Vermeulen (overleden in 1783) had een bijzondere carrière. Geboren in Moordrecht als zoon van Adrianus Vermeulen en Geertruida van der Mey, vertrok hij in 1746 als botteliersknecht met het schip Huys Ten Donk naar Batavia.14 De bottelier was verantwoordelijk voor het voedsel en de drank aan boord. Vermeulen was het hulpje van de bottelier en had dus bepaald geen hoge functie aan boord. Toch zou hij eindigen als welvarend man en in het bezit komen van een heerlijkheid. In Batavia aangekomen werd hij al snel aangesteld als onderkoopman en boekhouder van de wapenkamer van de VOC in Batavia. Vervolgens werd hij beheerder van het provisiemagazijn en pakhuismeester in Japan, en klom hij op tot koopman en in 1755 zelfs tot opperkoopman en opperhoofd, dat wil zeggen hoofd van de vestiging van de VOC op het eiland Deshima in Japan.

Vanaf 1636 waren de Nederlanders de enige Europeanen die handel mochten drijven met Japan en vanaf 1641 mochten zij dat alleen doen vanaf het kunstmatig aangelegde eiland Deshima voor de kust van Nagasaki. Dit kleine eiland was maar 214 bij 64 meter groot. Hier werden zij sterk in de gaten gehouden door de Japanners en moesten zij aan allerlei regels voldoen. De Nederlanders mochten het eilandje niet verlaten, behalve voor de jaarlijkse hofreis naar Edo. In Japan kocht de VOC zilver, goud, koper, kleding

66

Gezicht in vogelvluchtperspectief op Deshima, anoniem, 1729.

en porselein. Als opperhoofd was Vermeulen hiervoor verantwoordelijk. Andersom was de VOC voor Japan het enige contact met de Europese wereld. Tot ver in de 19e eeuw bleef Nederland de enige westerse handelspartner. Op Deshima beschikte Vermeulen over twaalf slaafgemaakten of, zoals zij omschreven werden, ‘lijfeijgenen van’t opperhoofd’. Hun namen, plaatsen van herkomst en leeftijden geven hun iets meer identiteit: Apollis (Boegis, 30 jaar) April (Mandaar, 30 jaar) Fortuijn (Makassar, 22 jaar) Hector (Ambon, 8 jaar) Jason (Batavia, 27 jaar) Junij (Makassar, 25 jaar) Leander (Kosta, 22 jaar) Meij (Boegis, 25 jaar) October (Bali, 24 jaar) Ontongh (Timor, 17 jaar) Slamat (Boegis, 26 jaar) Zeeland (Boegis, 12 jaar) Al deze slaafgemaakten waren ver weggevoerd van de plaats waar zij waren geboren en terechtgekomen op het piepkleine eiland Deshima. Sommigen onder hen waren nog erg jong, zoals Hector van acht jaar. Zij kregen andere namen, zoals van maanden in het jaar of zij werden vernoemd naar figuren uit de Griekse mythologie. Niet alleen het opperhoofd Vermeulen beschikte over slaafgemaakten, maar ook zeker zeven anderen die daar werkten.15 67

In 1757 werd Vermeulen nogmaals opperhoofd. De Japanners stonden namelijk niet toe dat iemand meer dan één jaar achter elkaar opperhoofd was. Op 25 april 1760 werd Vermeulen veroordeeld tot een boete van één jaar gage vanwege zijn taalgebruik richting zijn meerderen.16 Deze boete kwam ten goede aan de armen van Batavia. Het VOC-personeel mocht geen contant geld meenemen naar Nederland. Als men geld naar Nederland wilde overbrengen, betaalde men dat bedrag aan de kassier in Batavia. In ruil ontving men een wisselbrief, die door één van de kamers van de VOC in Nederland werd uitbetaald aan de persoon zelf of zijn gemachtigde.17 Gedurende zijn dienst bij de VOC maakte Vermeulen ruim 11.000 gulden over naar huis, een fors bedrag voor iemand die als botteliersmaat begon met een maandgage van veertien gulden. Dit bedrag in 1760 is vergelijkbaar met bijna 136.000 euro in 2021 en dat kan hij dus niet alleen met zijn loon bij de VOC hebben verdiend.18 Bovendien verstrekte hij in oktober 1760 drie schriftelijke betalingsopdrachten aan zichzelf ter waarde van 92.307 gulden (ruim 1.138.000 euro in 2021), een nog veel groter bedrag.19

Spiegelretourschip ‘Schellak’ bij Deshima, ingekleurde houtsnede, circa 1750.

68

In 1759 was hij met Antonia Dorothea Stein van Gollonessen, dochter van een zeer welgestelde raad van Indië, getrouwd. Met haar keerde hij terug naar Nederland met het schip Noord-Nieuwland dat in 1760 vertrok met aan boord elf passagiers, waaronder vijf slaafgemaakten. Wellicht behoorden één of meerdere van hen aan Vermeulen en zijn echtgenote en zijn zij op Kaap de Goede Hoop verkocht of hebben zij (tijdelijk) in Nederland verbleven. Het echtpaar vestigde zich in Gouda, waar hij kapitein van de burgerij werd. In 1763 kocht hij de heerlijkheid Oyen, ongetwijfeld met het geld dat hij in Azië had verdiend. Ook bezat hij diverse panden aan de Turfmarkt, namelijk de nummers 23 (waar nu de Vrije Evangelische Gemeente is gevestigd), 25, 39 en 41. Zijn huwelijk was bepaald geen succes, mede door zijn ruwe omgangsvormen, en eindigde in een scheiding. In 1783 stierf hij zonder kinderen na te laten.20 Jan Ambrosius Hoorn: een avonturier met grootspraak De Goudse Jan Ambrosius Hoorn (1752-1821) monsterde als zestienjarige in 1758 aan met hulp van zijn broer maar zonder dat zijn ouders het wisten, als hooploper op het VOC-schip Leiden. Al op de derde dag, toen het schip nog op de rede van Texel lag, werden zijn spullen gestolen en had hij spijt van deze roekeloze stap. Hij smeekte zijn ouders in een brief om hem van het schip te halen.

Maar daarvoor was het te laat, zijn schip had al het ruime sop gekozen. Jan Ambrosius Hoorn maakte twee reizen met een VOC-schip en verbleef ook enige tijd in Azië. Hier maakte hij tal van avonturen mee, die hij later uitgebreid liet optekenen en in 1819 liet publiceren.21 Daar zat ongetwijfeld veel grootspraak bij. In Azië kwam hij in aanraking met slavernij en slaafgemaakten en ook hierover verhaalt hij. Zo kocht hij eens een slaafgemaakte jongen voor tachtig rijksdaalders als hulp bij het logement dat hij toen had. In zijn verhalen komen slaafgemaakten meermaals voor. Zelf bezat hij meerdere slaafgemaakten. En hoewel hij dit als de gewoonste zaak van de wereld leek te beschouwen, merkte hij in zijn boek op: ‘Slaven zijn zoo wel menschen als wij (…)’.22 Toen hij in 1770 werd benoemd tot plaatsvervangend waterfiscaal in Batavia, wist hij zich door corruptie te verrijken. Zo keerde hij gefortuneerd terug naar de Republiek. Hij vestigde zich niet in Gouda, maar in Zwolle en Kampen en stierf in 1821.23 Zijn kleinzoon en naamgenoot Jan Ambrosius Hoorn, die in 1810 in Kampen werd geboren, zou in 1839 trouwen in Gouda. Jan Veerman: een einde aan de galg Wie niet terugkwam was Jan Veerman (circa 1751- 1777).

Waarschijnlijk verloor hij al op jonge leeftijd zijn vader.24 Hij vertrok in 1762 als hooploper, de laagste functie aan boord, met het VOC-schip Bleijswijk voor de kamer Delft naar Azië. Bij vertrek was hij ongeveer elf jaar oud en analfabeet. Dat laatste blijkt uit verschillende verklaringen die hij later met een kruisje tekende. In Azië aangekomen, keerde hij niet met een volgend VOC-schip terug naar Gouda, maar monsterde hij aan op het schip Hercules, die verschillende reizen in de omgeving van Soerabaja op Oost-Java maakte. Tot het gruwelijk misging in april 1774.

69

Jan Veerman maakte samen met vijf andere Europese matrozen en de Javaanse bemanning deel uit van een vloot ten westen van Soerabaja onder het commando van bootsman Helmkamp. Helmkamp had de instructie meegekregen om zeerovers te verjagen, passen van vaartuigen te controleren en handelaren te beschermen. Dat was echter niet wat hij deed. Het passensysteem was door de VOC ingevoerd om de scheepvaart te reguleren en concurrentie tegen te gaan. Wanneer een schipper geen pas bezat of zich niet aan de regels hield, kon de VOC het schip en de goederen innemen.25 Op een gegeven moment besloot Helmkamp twee vaartuigen van vrije handelaren die van het eiland Bawean, ten noorden van Oost-Java, op weg waren naar Batavia, aan te vallen. De 32 opvarenden werden gevangengenomen en vervolgens op afschuwelijke wijze vermoord door van een deel van hen de hoofden af te hakken en anderen dood te schieten. Uit angst sprong een aantal van hen geboeid en al over boord. Na deze moordpartij beroofden Helmkamp en zijn medeplichtigen de vaartuigen. Na afloop instrueerde Helmkamp de matrozen om tegen niemand te zeggen dat zij deze handelaren hadden overvallen, beroofd en vermoord, maar dat het om zeerovers ging. Om hun verhaal rond te maken, vervalste hij ook nog eens zijn scheepsjournaal.

Twee van de weerloze handelaren hadden echter kunnen ontsnappen door in zee te springen, zich van het touw om hun handen te bevrijden en weg te zwemmen. Uiteindelijk bereikten zij land en konden zij hun beklag doen. Zo werd Jan Veerman na een langdurig proces tezamen met bootsman Helmkamp en drie anderen door de VOC veroordeeld wegens moord, roof en meineed. Hun straf luidde ‘Een voor Een met de koorde om de halsch aan de galg ter dood gestraft te worden […] dat vervolgens hunne doode Lichaemen na het buiten geregt gesleept en aldaar ten Exempel en afschrik weeder aan een galge opgehangen en dusdanig ten prooije van de lugt gelaeten sullen worden’.26 Op 9 augustus 1777 werd zijn doodstraf ver weg van huis uitgevoerd. Jan Veerman was toen 26 of 27 jaar oud.27 Oost-Indiëvaarders met de naam Gouda28 De VOC heeft in haar bestaan gebruikgemaakt van ruim tweeduizend schepen. Vier daarvan droegen de naam Gouda of Gouw en één heette Het wapen van Gouda. Vóór de oprichting van de VOC was er ook al een schip met de naam Gouda dat deel uitmaakte van de Oude Compagnie, één van de voorgangers van de VOC. Totaal dus zes schepen met Gouda in de naam. Waarom deze schepen de naam Gouda hadden, is helaas niet bekend. Wel was het gebruikelijk om VOCschepen te voorzien van plaats- of gebiedsnamen, (vaak vrouwelijke) persoonsnamen, dierennamen of de namen van buitenplaatsen van bewindhebbers.

Deze schepen waren onmisbaar voor het vervoer van handelswaar, personen en wapens. Dat gold ook voor de schepen die verwezen naar de Hollandse stad Gouda. Wat waren de lotgevallen van deze schepen?

70

Kleurtekening van het dek van een Oostindiëvaarder met centraal de grote mast. Uit het schetsboek van Jan Brandes, 1778-1787.

Gouda (1600) Het eerste schip dat de naam Gouda droeg dateerde uit 1600. Dit was een jacht met een laadvermogen van 280 ton. Dit schip vertrok op 28 juni 1600 van de rede van Texel en maakte deel uit van een vloot van zes schepen van de Oude Compagnie onder leiding van Jacob van Neck. De schepen van deze vloot droegen de namen van de belangrijkste Hollandse steden: Amsterdam, Dordrecht, Haarlem, Leiden, Delft en dus ook Gouda. Het schip Gouda kwam met schipper Klaas Korneliszoon op 30 maart 1601 aan op Bantam, een havenstad op Java, en keerde in 1603 beladen met kostbare peper terug in de Republiek der Verenigde Nederlanden. Gouda (1604) Het tweede schip genaamd Gouda werd in 1604 gebouwd voor de kamer Amsterdam van de VOC. Dit schip had een laadvermogen van 260 ton en vertrok in 1604 voor zijn eerste reis naar de Oost onder schipper Kornelis Heinszoon Pronk. Daarna maakte dit schip tussen 1606 en 1609 een tweede reis naar Bantam. Bantam was bekend om de winstgevende zwarte peper. Een jaar later, in 1610, vertrok het schip voor de derde en laatste keer naar Bantam. Deze zeereis kreeg een bijzondere opdracht mee. Hendrik Brouwer moest als commandeur van de schepen Rode Leeuw met Pijlen en Gouda een betere route vanaf Kaap de Goede Hoop in Zuidelijk Afrika naar Indië onderzoeken. Dat lukte door gebruik te maken van een gebied met wes-

71

tenwinden. In 1616 besloten de Heeren Zeventien dat dit voortaan de koers moest worden. Het werd echter wel de laatste reis van het schip Gouda. Op 4 mei 1612 werd dit schip door de Spanjaarden bij Tidore, één van de eilanden van de Molukken, veroverd. Weliswaar was het Twaalfjarig Bestand met Spanje tijdens de Tachtigjarige Oorlog nog van kracht, maar dit bestand was niet van toepassing in Azië. Gouda (1620) Het derde schip Gouda werd in 1620 eveneens voor de kamer Amsterdam gebouwd. Het was een zogenaamd spiegelretourschip en aanzienlijk groter dan de eerdere schepen met de naam Gouda. Het was een schip van 800 ton. Het spiegelretourschip was voor het transport het belangrijkste scheepstype. Qua uiterlijk leken deze driemasters sterk op de oorlogsschepen van de Republiek en ze konden in tijden van nood ook daarvoor worden ingezet. Dit schip heeft vijf jaar gevaren, maar kende eveneens een ongelukkig einde. In 1620 vertrok dit schip voor zijn eerste reis onder schipper Gerard Douweszoon met 200 bemanningsleden, aangevuld met 50 soldaten, naar Jakarta, het latere Batavia. Hier kwam het acht maanden later aan. Arnoldus Buchelius, een Amsterdamse bewindhebber van de VOC, kreeg de opdracht om na te gaan of op het schip Gouda of het schip Dordrecht een ketel kon worden geplaatst, waarmee men zout water kon verversen.

Dit was een nieuwe uitvinding, die goed scheen te werken.29 In september 1622 kwam de Gouda weer aan op de rede van Texel. Kort daarna werd begonnen met de verkoop van de lading, waaronder diamanten, gouddraad, specerijen, zijde, porselein, laken, muskus, katoen, salpeter en kamfer.30 Begin 1624 vertrok het schip Gouda opnieuw naar Batavia, waar het na ruim zes maanden aankwam. De spiegelretourschepen waren niet alleen geschikt voor lading, maar ook voor passagiers. Op deze reis gingen 56 vrouwen en tien kinderen mee. Lang niet iedereen overleefde dergelijke zeereizen. Op deze reis overleden vier soldaten, dertien matrozen en twee passagiers. In januari 1625 begon de Gouda onder schipper Jan Willemszoon Dijk aan de terugreis, maar het schip zou nooit terugkeren in de Republiek. Samen met de schepen Middelburgh en Hollandia, die onder bevel stonden van de om zijn scheepsjournaal en avonturen bekend geworden Willem Bontekoe, vertrokken zij uit Batavia. Na zes weken kwamen de schepen 1500 kilometer ten oosten van Madagaskar in een zware storm terecht. De volgende dag bleken de schepen Middelburgh en Hollandia beschadigd, maar van de Gouda was niets meer over dan wat peper op het water.

72

Het uitzeilen van een aantal Oost-Indiëvaarders. Schilderij door Hendrick Vroom, circa 1600-1630.

Het Wapen van Gouda (1666) In 1666 werd het schip Het Wapen van Gouda, ook wel Het Wapen van der Gouw genoemd, op de VOC-werf van Amsterdam gebouwd. Dit schip had een laadvermogen van 708 ton en bood plaats aan een bemanning van 168 tot 200 koppen. Dit schip maakte twee retourreizen. In 1667 vertrok Het Wapen van Gouda naar Colombo op Ceylon (nu Sri Lanka) en keerde via Batavia in 1669 terug. Aan het eind van hetzelfde jaar vertrok het schip opnieuw naar Batavia en kwam in 1671 weer terug. Drie maanden later vertrok het schip voor zijn derde en laatste reis voor de VOC. In mei 1672 kwam het aan in Tuticorin, een havenstad in Zuid-India. Daarna heeft het schip waarschijnlijk tot 1678 dienstgedaan op de intra-Aziatische vaart. Gouda (1719) Er is ook een kleiner schip geweest met de naam Gouda. Het ging hier om een zogenaamde hoeker, die in 1719 voor de kamer Amsterdam is gebouwd. De hoeker was van oorsprong een vissersvaartuig, maar werd ook wel voor de koopvaardij gebruikt. Dit schip had een laadvermogen van maar 220 ton en een kleine bemanning van 27 koppen. Deze hoeker vertrok in 1720 naar Kaap de Goede Hoop in het huidige Zuid-Afrika. Samen met twee andere schepen zou de hoeker Gouda de basis leggen voor de VOC-vestiging in Rio de la Goa, in het huidige Mozambique, en de verbinding onderhouden tussen Kaap de Goede Hoop en Rio de la Goa.

Lang heeft dit schip deze taak niet kunnen uitvoeren, want in de nacht van 16 op 17 juni 1722, toen de Gouda voor anker lag in de Tafelbaai bij Kaap de Goede Hoop, stak er een zeer zware storm op. Maar liefst zes VOC-schepen vergingen die nacht.

73

Even leek het erop dat de hoeker Gouda het zou redden. Het schip kwam weliswaar op het strand terecht, maar de scheepsromp bleek onherstelbaar gebarsten. Op 5 mei 1723 schreef men vanuit Kaap de Goede Hoop: Wy souden niet gemanqueerd hebbe om voormelt hoeker gouda wederom ten spoedigsten tot Uwe Edelen met de Versogte noodwendigheeden af te senden, gelyk deselve ten dien eynde ook soo te seggen Zeylvaardig zag, dog nadien het den almagtigen God heeft behaagd ons alhier op den 16der maand Junij des voorledene Jaars te besoeken met een ongemeene en alhier nooijt beleefden stormwind en waar door dienselfde avond tot onse seer smertelyke droefheyd, s Compagnies uijtkomende scheepen de Standvastigheijd, rotterdam, de schotse Lorrendraijer de soetigheijd, de Lakeman, meer gemelte hoeker gouda, het hier permanente barquentijn d’Amy nevens drie Engelse scheepen van hare ankers afgeslagen en voor het meeren gedeelte op een seldsame wyse van een verbryseld syn geworden, zynde Gouda egter eenigsints daar inne gelukkig geweest dewijl hoog en droog op ztrand sit, en uyt dien hoofde ook geen menschen van deselve sijn verongelukt, zoo als van de andere in groote getalle is geschied (…).31

Bord met Hollandse schepen voor anker in de Tafelbaai, anoniem, circa 1740 - 1760.

74

Gouda (1784) Het laatste schip met de naam Gouda had een laadvermogen van 400 ton en werd in 1784 in Amsterdam gebouwd voor de VOC en in 1797 verkocht aan de marine. De VOC liep toen al op zijn eind. Dit schip maakte twee retourreizen. In 1786 vertrok dit schip naar Malabar in het zuidwesten van India. De tweede reis voerde naar Kaap de Goede Hoop in 1792, waarna in 1793 het schip weer aankwam op de rede van Texel. Conclusie Duizenden Gouwenaars zijn in dienst getreden bij de VOC. De motieven zullen uiteenlopend zijn geweest: uit economische nood, voor het avontuur of met de hoop of het doel om rijk te worden. Zij kwamen in aanraking met geheel andere werelden. Velen van hen keerden niet levend terug. Van de meesten is ook nauwelijks meer bekend dan wat in de scheepssoldijboeken is terug te vinden. Van enkelen weten we meer. Sommige Gouwenaars bereikten hoge posities. Waar voor de VOC handel en het maken van winst voorop stond en al het andere daaraan ondergeschikt was, gold dat in hoge mate eveneens voor de compagniesdienaren. Ook Gouwenaars deden mee aan oorlog, geweld en corruptie. En ook de slavernij en de slavenhandel waren voor hen niet vreemd, zoals uit dit hoofdstuk blijkt. Ondanks dat Gouda geen zeehaven had en geen kamer van de VOC, hebben verschillende schepen de naam Gouda gedragen, van net voor de oprichting van de VOC tot vlak voor het einde van de VOC.

Deze schepen met hun bemanning, soldaten en kooplieden gingen naar de Oost, en kwamen met rijke ladingen, niet altijd op geweldloze wijze verkregen, thuis. Maar door oorlog, schipbreuk of andere oorzaken, gold dat niet voor al deze schepen.

75

Kea en Adonis, Venus en Martha Slaafgemaakten met de naam Gouda Roxana Chandali

Diegenen die in Afrika en elders tot slaaf werden gemaakt, moesten afstand doen van hun geboortegrond, familie en bekenden, hun taal en vaak hun culturele gebruiken. Zelfs van hun naam. Hierdoor verloren zij een belangrijk deel van hun identiteit. Slaafgemaakten kregen daarnaast alleen een voornaam. Pas bij hun vrijmaking kregen ze een achternaam en soms ook andere voornamen. Een aantal van hen kreeg de achternaam Gouda. Wie waren zij? Kea en Adonis In 1804 verloor Nederland Suriname aan de Britten. Vier jaar later schaften de Britten de trans-Atlantische slavenhandel af. In 1816 kreeg Nederland Suriname weer terug, maar pas nadat ook Nederland in 1814 de transAtlantische slavenhandel had afgeschaft. Dit was een voorwaarde van de Britten, niet alleen ingegeven door goede bedoelingen, maar ook om de Britse plantagehouders te beschermen. Die zouden anders immers in een ongunstige concurrentiepositie komen ten opzichte van andere plantage-eigenaren die makkelijker aan goedkope arbeidskrachten konden komen. Om de illegale slavenhandel tegen te gaan, werd in 1818 een verdrag met de Britten gesloten en werd het ‘Brits-Nederlands Gemengd Geregtshof ter wering van de slavenhandel’ opgericht. Toch was dat onvoldoende om deze illegale slavenhandel te stoppen. Kea en Adonis werden daar het slachtoffer van.

er toch in om een deel van de slaafgemaakten te verkopen. De Afrikanen werden vervolgens overgedragen aan het gouvernement van Suriname en er werd besloten dat zij tijdelijk aan het werk gezet zouden worden als ‘vrije arbeiders’. Dit klonk echter mooier dan het was, want zij verrichtten hetzelfde werk als de gouvernementsslaven en werden ook als zodanig behandeld. Dat deze vrije arbeiders en hun in Suriname geboren kinderen uiteindelijk 24 jaar later toch hun vrijheidspapieren ontvingen was voor een belangrijk deel te danken aan de Britten, die zich voor hen hebben ingezet. Op 31 december 1847 ontvingen Kea en haar zoon Adonis naast hun vrijheidspapieren, ook de achternaam Gouda. De achternaam Gouda had niets van doen met de stad Gouda. Uit gebrek aan fantasie kreeg een groot deel van hen een naam die ontleend was aan een plaats in Nederland, op een continent waar zij nog nooit waren geweest.1

In 1823 waren Kea en Adonis aan boord van het Franse smokkelschip La Légère samen met 251 andere Afrikanen, waarschijnlijk afkomstig uit Nigeria en Kameroen. Een Engels oorlogschip onderschepte dit smokkelschip en bracht het naar Paramaribo. Ondanks het verbod, slaagde de bemanning

Venus en Martha Ook bij de afschaffing van de slavernij in 1863 kregen twee slaafgemaakten in Suriname de achternaam Gouda. Eén van hen was de toen 38-jarige Venus, die de naam Venus Johanna Gouda opgelegd kreeg. Zij werkte als huismeid in Paramaribo en was

76

Lijst met certificaten van manumissie, waarbij Kea en Adonis de achternaam Gouda krijgen, 1841.

eigendom van Hendrika Christina Antoinette Reijke. Tot dit huishouden behoorden ook vijf andere slaafgemaakten, die allemaal de achternaam Bennekom kregen en waarschijnlijk familie van elkaar waren. Onder hen waren een huismeisje Amalia van elf en een huisjongen Frits van dertien jaar. De eigenaresse ontving bij de vrijlating van deze slaafgemaakten voor ieder 300 gulden, in totaal dus 1800 gulden.2 De ander was Grietje, die de naam Martha Gouda kreeg. Zij woonde op de suikerplantage Cannawapibo aan de rivier de Boven-Commewijne. Hier werden 236 slaafgemaakten vrijgemaakt. Het Fonds

onder directie van U. H. Wilkens en Co, waar vijf eigenaren achter schuilgingen, ontving hiervoor het bedrag van 70.800 gulden.3 Het is goed mogelijk dat Venus en Martha familie van elkaar waren. De naam Gouda heeft net als bij Kea en Adonis geen directe relatie met de stad Gouda. Een groot deel van de vrijgemaakte slaven van de plantage Cannawapibo kreeg achternamen die overeenkomen met Nederlandse plaatsnamen, zoals Apeldoorn, Bloemendaal, Delft, Doesburg, Ellecom, Harderwijk enzovoorts. En zo dus ook Gouda. Het waren geen zelfgekozen namen en de betekenis van deze namen zal hen niets hebben gezegd.

77

5 Goudse elite, slaafgemaakten en plantages Roxana Chandali

78

O

Onder de Goudse elite, die veelal nauw verbonden was met het Goudse stadsbestuur, waren personen en families die banden hadden met de koloniën en betrokken waren bij de slavernij. Hoe zagen die banden eruit en hoe gingen deze Gouwenaars om met slavernij? Minstens zo interessant is om meer te weten te komen over het leven van de slaafgemaakten op de plantages. Hoewel de schriftelijke bronnen veel minder aandacht voor hen hadden, kan er, zij het fragmentarisch, toch wat over hen verteld worden. Dit hoofdstuk schetst een beeld aan de hand van enkele Gouwenaars uit de 18e eeuw, hun slaafgemaakten, plantages en koloniale handel en wandel. Het is een verhaal van winst maken over letterlijk en figuurlijk de ruggen van anderen, maar ook van verschillende vormen van verzet van de slaafgemaakten. Het was in deze periode, in de tweede helft van de 18e eeuw, dat de Nederlandse slavenhandel de grootste omvang bereikte. Goudse elite Zowel in Gouda als in Suriname waren families nauw met elkaar verbonden. Huwelijken waren daarvoor een belangrijk middel. Steeds weer duiken dezelfde namen op. De Goudse samenleving was klein en hetzelfde gold voor Suriname en de Caribische eilanden. Familiale netwerken waren van belang voor het uitwisselen van informatie, het toespelen van ambten en zakendeals en het creëren van handelsnetwerken over de oceanen heen.

Deze (familiale) netwerken zien we ook terug in het Goudse stadsbestuur. Een kleine groep van regenten was in de 17e en 18e eeuw verantwoordelijk voor de politieke besluitvorming. Zij maakten deel uit van de vroedschap, vanaf 1650 bestaande uit 28 mannen. Alleen poorters kwamen in aanmerking voor het lidmaatschap van de vroedschap. De vroedschap kan worden vergeleken met de hedendaagse gemeenteraad, maar in plaats van te worden gekozen door de inwoners van de stad, kozen zij elkaar. Lid van de vroedschap bleef men in beginsel tot het overlijden. Uit de vroedschap werden schepenen gekozen. De belangrijkste en

79

machtigste functie was die van burgemeester, van wie Gouda er in deze periode jaarlijks vier telde. Elk jaar koos de vroedschap de burgemeesters of deed hiervoor een voordracht aan de stadhouder. Deze bestuurlijke elite van regenten overlapte voor een groot deel met de economische elite van de stad. In de 18e eeuw was de Goudse burgerij overigens niet bijzonder vermogend en de Goudse elite telde niet meer dan 50 tot 80 huishoudens.1 Beleggingen De Goudse elite was bestuurlijk betrokken bij de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en de West-Indische Compagnie (WIC) via de buitengewone bewindhebbersposten in de kamer Amsterdam van deze compagnieën. Het was het topje van de elite dat voor deze bewindhebbersposten in aanmerking kwam. Hoofdstuk 2 ‘Gouda en de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en de West-Indische Compagnie (WIC)’ gaat daar uitvoeriger op in. Daarnaast kon de Goudse elite beleggen in aandelen of obligaties van de VOC en de WIC. Dat gebeurde echter relatief weinig. In de 18e eeuw maakten aandelen van de VOC slechts 3,6% uit van de nagelaten vermogens van deze regenten, 1,5% van die van hun familie en 2,4% van die van rijke burgers. Voor aandelen van de WIC lagen die percentages nog lager, namelijk respectievelijk 0,7, 0,1 en 0%. Liever belegden zij in obligaties van het gewest Holland. In de 18e eeuw waren VOC-aandelen duur, omdat de koers hoog was.

Dat maakte het voor velen geen haalbare investering, maar dit was wel gunstig als de aandelen geërfd werden. Het waren families als De Lange, De Mey, Van der Burgh, Van der Does en Griffioen die aandelen in de VOC bezaten. Tot de vermogende burgers die in de VOC investeerden behoorden suikerraffinadeur Vosmaer en grote kooplieden als Theodorus Bisdom en Jan Ravensberg. Investeren in de WIC was minder aantrekkelijk, omdat het dit bedrijf niet voor de wind ging en de koers daalde. Diegenen die wel investeerden in aandelen van de WIC waren zelf bewindhebber van de WIC of hadden handelsbelangen. Zo bevonden zich in de boedel van het echtpaar Gerrit Boon en Jacoba van Ostade aandelen voor 36.000 gulden nominaal in de Eerste WIC.2 Hun zoon Jacob Boon van Ostade, die zowel burgemeester als bewindhebber van de VOC werd, liet bij zijn overlijden in 1787 het aanzienlijke bedrag van 38.000 gulden aan aandelen in de VOC en 3000 in de WIC na.3 In dit hoofdstuk gaat het vooral om de particuliere deelname van de Goudse elite en hun familie aan de slavernij, slavenhandel en de op slavernij gebaseerde plantage-economie. Enkelen van hen komen nader aan bod. Plantages In de loop van de 17e eeuw begonnen Nederlanders plantages op te richten aan de andere kant van de Atlantische Oceaan.

Naast suiker en koffie, werd er op plantages ook cacao, tabak en indigo verbouwd.4 Slaafgemaakten werden beschouwd als productiemiddel en als zodanig op de inventarissen van de plantages vermeld. Na 1750 vonden ook In Gouda steeds meer risicodragende investeringen hun weg naar plantages.5 Voor zover (nu) bekend, waren het alleen plantages in Suriname en Demerary die (deels) in bezit waren van Gouwenaars.

80

Aanvankelijk waren eigenaren van plantages zelf aanwezig op deze plantages, maar in de loop van de 18e eeuw vertrokken steeds meer eigenaren naar Nederland en lieten het beheer over aan plantagedirecteuren en administrateurs, wat lang niet altijd gunstig uitpakte voor de eigenaren. Eigenaren bleven zich wel vrij intensief met deze plantages bezighouden. Regelmatig ontvingen zij een financiële verantwoording en ook tussendoor correspondeerden zij met elkaar, zowel met mede-eigenaren als met de plantagedirecteur en administrateur ter plekke. De plantagedirecteur was verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken. Als de plantage-eigenaar niet in de kolonie woonde, was de administrateur zijn zaakwaarnemer. De administrateur voerde het feitelijk beheer, bezocht een paar keer per jaar de plantages onder zijn beheer, deed de boekhouding en voerde correspondentie met de plantage-eigenaren. Halverwege de 18e eeuw kwam een financiële innovatie in zwang: de negotiatie. De negotiatie en het negotiatiefonds werden snel populair. De negotiaties waren hypothecaire leningen, waarvoor de plantage met toebehoren het onderpand vormde.

Met name in de periode 1765-1775 stroomde via de negotiatiefondsen veel kapitaal naar de plantages.6 In diezelfde periode begonnen ook de problemen, waardoor de negotiatiefondsen instortten, beleggers grote verliezen leden en plantage-eigenaren failliet gingen en plantages in handen kwamen van schuldeisers in Nederland. In sommige gevallen namen negotiatiefondsen de plantages over.7 Verzet van slaafgemaakten Slaafgemaakten waren geen willoze slachtoffers. Zij hielden zo goed en zo kwaad als het kon hun cultuur en gebruiken in stand en ontwikkelden in de nieuwe omge-

Kaart van de plantages van Suriname, Alexander de Lavaux, 1737-1757.

81

ving en onder invloed van hun mede-slaafgemaakten van andere herkomst nieuwe culturele gebruiken. Hierin kwam ook hun verzet tot uiting, zoals in verhalen, liederen, kleding en taal, vaak met alleen een voor ingewijden herkenbare betekenis. Verzet kon ook andere vormen aannemen en in verschillende gradaties voorkomen. Van sabotage en langzaam werken tot verschillende vormen van geweld en het vluchten van de plantage om eigen gemeenschappen in het bos op te bouwen, zoals de marrons deden. De marrons waren van plantages weggelopen slaafgemaakten. Zij leefden in groepen in dorpen in het bos. Met enige regelmaat sloten weggelopen slaafgemaakten zich bij hen aan. Verschillende groepen marrons sloten in de loop der jaren vrede met het koloniale gezag, zoals de Aukaners in 1760, de Saamaka in 1762 en de Matawai in 1769. Andere groepen volgden later. In de vredesverdragen werd afgesproken dat de marrons de plantages niet meer zouden aanvallen en nieuw weggelopen slaven zouden uitleveren. Daar tegenover stond de erkenning van hun vrije status, woongebieden en gezagsstructuur. Marron bij een plantage, vóór 1926.

Een enkele keer braken opstanden uit, zoals in 1763 in Berbice onder leiding van Kofi en in 1795 op Curaçao onder leiding van Tula. De marrons in Suriname vielen plantages aan en voerden langdurige guerrilla-oorlogen. Waar zij door de Nederlanders als weglopers, opstandelingen en rebellen werden aangeduid, waren zij vanuit eigen perspectief vrijheidsstrijders, bevrijders en mensen die voor hun eigen rechten opkwamen. In dit hoofdstuk is er aandacht voor het verzet van slaafgemaakten als Troebel, Sultan en Clarinda op hun plantages en lezen we soms iets meer over het leven van de slaafgemaakten zelf. Ook maken we kennis met François de Mey die grossierde in hoge ambten en medeplantage-eigenaar was, met Gerard Willem van Blijdenbergh, een WIC-dienaar die opklom tot burgemeester van Gouda, met Diederik Gregorius van Teylingen die met zijn vrouw plantages erfde en eveneens burgemeester van Gouda was, en met Abraham Vereul, die als patriot streed voor de rechten van burgers, maar niet voor die van zijn eigen slaafgemaakten.

82

François de Mey, heer van Nieuw-Lekkerland en Limmen (1726-1797), Charlotta Jacoba Jacoby (1728-1760), hun plantages en slaafgemaakten De Goudse regent François de Mey stamde uit een geslacht met veel koloniale en slavernijrelaties. Zelf zou hij, zowel door zijn huwelijk met de in Suriname geboren Charlotta Jacoba Jacoby als op eigen initiatief, in het bezit komen van plantages en beleggingen in plantages. Zijn sociale netwerk en zijn functies, zoals bewindhebber namens Gouda in de kamer Amsterdam van de WIC, zullen hem daarbij zeker geholpen hebben. Hoewel op afstand, had hij een belangrijke stem in het bestuur en beheer van deze plantages en daarmee op het leven van de slaafgemaakten daar. Bewaard gebleven brieven en andere bronnen geven, weliswaar eenzijdig gekleurd, wat meer inzicht in hun leven en verzet. Familie de Mey De broers Jan en Jacob de Mey vestigden zich vanuit de omgeving van het Franse Rouen omstreeks 1610 in Rotterdam. Daar groeide de familie De Mey uit tot een belangrijke koopmans- en regentenfamilie, gelieerd aan vele andere machtige families. De familie zat stevig in de rietsuikerproductie en -verwerking, een product dat bij uitstek dreef op slavernij. Jacob de Mey werd echter muntmeester in Nijmegen, rommelde met het zilvergewicht van de munten, moest vluchten en kwam zo terecht in Brazilië.

Jacobs zoon Johan de Mey bleef in Nederland en had een suikerraffinaderij in Rotterdam. Hij was getrouwd met Magdalena Bartels, wier zusters weer getrouwd waren met Nederlanders die in Brazilië suikerplantages hadden. Kortom, er waren vele relaties en economische belangen aan zowel de ene kant van de Atlantische Oceaan in Rotterdam en omstreken als aan de andere kant van deze oceaan. François de Mey was een nazaat van deze Johan de Mey. Carrière en persoonlijk leven François de Mey werd in 1726 geboren in Amsterdam als tweede zoon van Jean Gijsberto de Mey (1701-1788) en Catharina van Gerwen (1698-1769). François werd al op zijn vijftiende in 1742 poorter van Gouda en verwierf vervolgens tal van ambten. Hij was maar liefst bijna 50 jaar lid van de Goudse vroedschap (17481795). Daarnaast was hij onder andere verschillende jaren schepen, weesmeester, kerkmeesterregent van het leprooshuis, regent van het oudemannenhuis, lid van de Raad van State en lid van de admiraliteit. Van 1784 tot 1795 bekleedde hij namens Gouda de bewindhebberspost in de kamer Amsterdam van de WIC. Bij het einde van de WIC in 1791 werden de schulden en bezittingen van de WIC overgenomen door de Staat.

Voor de afwikkeling van de handelszaken werden in de steden waar kamers van de WIC gevestigd waren, ‘departementen’ opgericht met ‘commissarissen van de West-Indischen Handel’, waarvan François de Mey er één was.8 Het belangrijkste ambt van Gouda, namelijk dat van burgemeester, bekleedde hij tussen 1767 en 1795 maar liefst elf jaar. Dat alles maakte hem een machtig man, niet alleen in Gouda, maar ook daarbuiten. Zijn familiebanden kwamen hem daarbij goed van pas. In Gouda woonde François de Mey aan de Oosthaven 68 in het pand dat bekend staat als de Sterke Samson. Hij kocht dit pand in 1751 en liet later enkele aan elkaar

83

Fragment stamboom Francois de Mey Jacob de Mey 1565-1627 x Anna Wijntgens 1588-1622 Johan de Mey 1610-1659 x Magdalena Bartels 1610-1684 Johan de Mey 1639-1713 x Anna Witheyn 1640-1697 Jacob de Mey 1674-1749 x Anna Helena Mels 1680-1746 Jean Gijsberto de Mey 1701-1788 x Catharina van Gerwen 1698-1769 François de Mey 1726-1797 x 1. Charlotta Jacoba Jacoby 1728-1760 2. Anna Maria du Peyrou 1722-1785

Marcellus Jacoby 1682-1742 x Jacoba Lemmers 1701-1742

Jean Gijsberto de Mey 1759-1795 x Charlotta Gijsbertina Cornelia Schippers 1754-1838

grenzende middeleeuwse panden aan de Oosthaven samenvoegen tot één woning. De voorgevel zoals wij die nu kennen dateert uit deze periode. Na hem hebben diverse Goudse burgemeesters in dit pand gewoond. In ieder geval in 1764 was François de Mey ook eigenaar van de panden Spieringstraat 115, 117 en 119. Zijn broer Jacob Jan (1724-1769) en hij trouwden de gezusters Jacoby, die beiden in Suriname waren geboren. François trouwde in 1749 met Charlotta Jacoba. Jacob

84

Jan was al eerder met haar twee jaar oudere zus Johanna Rosina (1726-1777) getrouwd. Zij waren de dochters van Marcellus Jacoby (1682-1742) en Jacoba Lemmers (1701-1742). Marcellus Jacoby was geboren in Usingen in de Duitse deelstaat Hessen. Hier was zijn familie – protestantse hugenoten – vanuit Frankrijk terecht gekomen. Vanuit Duitsland vertrok Marcellus Jacoby naar Suriname, waar hij in 1725 secretaris van de gouverneur van Suriname was en later vendumeester (veilingmeester) en burgerkapitein van Paramaribo. Maar daarnaast was hij ook plantagehouder. De echtgenote van François de Mey, Charlotta Jacoba Jacoby, overleed al op 31jarige leeftijd in Gouda. Hun zoon Jean Gijsberto de Mey (1759-1795) was toen nog geen jaar oud. Na haar overlijden hertrouwde François de Mey in 1762 met Anna Maria du Peyrou (1722-1785), dochter van Jacobus du Peyrou, heer van Limmen, koopman en walvisreder. Via haar kwam hij aan zijn titel heer van Limmen, een dorpje in Noord-Holland. Ook zijn tweede vrouw overleefde hij, net als zijn zoon Jean Gijsberto, die in 1795 overleed. Zelf stierf François de Mey op 11 oktober 1797 op zijn buitenplaats Damp en Geest in Limmen. Hij was toen 71 jaar oud.

Zijn nalatenschap bedroeg maar liefst 220.680 gulden, een enorm bedrag voor die tijd.9 In zijn nalatenschap kwamen diverse panden voor, zoals de Sterke Samson10 aan de Oosthaven dat getaxeerd werd op 10.000 gulden, maar ook de Kleine Samson, een ander huis op de Oosthaven, zeven huizen aan de oostzijde van de Stadsvesting, een oofttuin (voor het fruit) achter de Sterke Samson, een stal en wagenhuis aan de Spieringstraat, pakhuizen in Amsterdam en bezittingen in Limmen, Schermer en Nieuw-Lekkerland. Hij overleed kinderloos. Zijn bezittingen liet hij na aan de kinderen van zijn overleden broer. Limmen en een zeker vruchtgebruik ging naar de weduwe van zijn zoon.11

De Sterke Samson, woonhuis van François de Mey, aan de Oosthaven 68.

85

Hij had goede zakengedaan gedurende zijn leven en lucratieve ambten bekleed. Als (mede)plantagehouder zal zijn vermogen deels zijn terug te voeren op zijn handel en banden met de koloniën en de opbrengsten van de op slavernij gebaseerde plantage-economie. Plantage Groot Marseille De schoonvader van François de Mey, Marcellus Jacoby, had in 1733 de suikerplantage (Groot) Marseille aan de Cotticarivier in Suriname gekocht.12 Onder de slaafgemaakten stond deze plantage echter bekend als Jakubi en verwees daarmee naar de achternaam van de eigenaar. Zijn dochter Charlotta Jacoba, de latere echtgenote van François de Mey, moet in haar vroege jeugd omringd zijn geweest door slaafgemaakten. Al vrij jong werd zij met haar zus naar Nederland gezonden om daar een behoorlijke opvoeding en opleiding te krijgen. Samen met de zwarte vrouw Lucia kregen zij in mei 1736 een pas om met het schip Juffrouw Susanna onder schipper Jan Bollewijn naar Amsterdam te vertrekken.13 Lucia is weer teruggekeerd naar Suriname, want later zou zij het jongste zusje Cornelia Catharina naar Nederland begeleiden en wederom naar Suriname terugkeren. De zusjes Johanna Rosina en Charlotta Jacoba kwamen in de kost terecht bij de juffrouwen Frescarode in Gouda. Hun oudere broer Jacob Nicolaas was al eerder in Gouda in de kost ondergebracht bij schoolmeester Jan de Kedts.

Later zou ook zusje Cornelia Catharina, die erg ziekelijk was, aansluiten. Na enkele jaren zijn zij van school en uit Gouda gehaald, omdat zij daar niets meer zouden leren. De zussen gingen naar familie in Haarlem en de broer ging naar de Franse School in Amsterdam. Zo kon hun familie beter zicht op hen houden. Kort daarna meldde Jan Jacob de Mey zich als huwelijkskandidaat voor oudste zus Johanna Rosina. Vader De Mey was bereid daarin toe te stemmen, hoewel hij eigenlijk hogere verwachtingen had gehad van de financiële middelen van zijn aanstaande schoondochter.14 Zij trouwden in 1746. Jacob Nicolaas Jacoby zou later, in ieder geval tijdelijk, weer in Gouda wonen. Datzelfde zou gelden voor Charlotta Jacoba. In hetzelfde jaar dat de twee zusjes Jacoby naar Nederland vertrokken, vielen marrons Groot Marseille aan, nadat kort daarvoor het kamp en de kostgronden (stukjes grond waar voedsel werd verbouwd) van deze marrons waren ontdekt en vernietigd. De slaafgemaakten van deze plantage verdedigden de plantage, maar enkele van hen sloten zich met medeneming van wapens aan bij de marrons.15 De familie Jacoby verbleef meestal in de stad Paramaribo en heeft deze confrontatie niet zelf meegemaakt. In Paramaribo beschikten Jacoby en zijn gezin over elf slaafgemaakten. De marrons en Groot Marseille zouden, zoals verderop blijkt, vaker met elkaar te maken krijgen.

De ouders van de drie zussen Jacoby (Cornelia Catharina was de jongste) en hun oudere broer Jacob Nicolaas overleden in 1742 binnen twee weken van elkaar in Suriname. Zij lieten aan hun vier kinderen voor gelijke delen woonhuizen aan de Gravenstraat en de Herenstraat in Paramaribo, de suikerplantage Groot Marseille, de plantage Klein Marseille en een deel in de suikerplantage Ephrata na.16 Zo werd

86

ieder van de kinderen voor 1/4 eigenaar van de plantages Groot Marseille en Klein Marseille en voor 1/12 deel van de plantage Ephrata.17 Van deze drie plantages en de woningen aan de Gravenstraat werden minutieuze inventarissen opgemaakt. Alles werd vermeld tot op de lepel toe. Alle slaafgemaakten werden als bezit genoteerd en met naam vermeld. Ook werden hun gebreken vermeld, zoals Mallo met een houten been en Roselina ‘verrot van de Spaanse pokken’.18 Die gebreken bepaalden namelijk hun waarde en daar ging het bij een taxatie om. Op Groot Marseille werkten toen 149 slaafgemaakten, waaronder enkele inheemse mensen. Onder de slaafgemaakten was ook ene Sultan, waarbij stond ‘een kint’.19 Dit moet wel dezelfde Sultan zijn, die 32 jaar later meeging of naar eigen zeggen gedwongen werd mee te gaan bij een aanval van de marrons. Op Ephrata waren in 1742 187 en op Klein Marseille 45 slaafgemaakten, en in het huis aan de Gravenstraat nog eens twintig. Al deze inventarissen werden opgemaakt door Nicolaas Lemmers en Jean Vereul, beiden executeurs testamentair en voogden over de minderjarige kinderen van Jacoby.20 Beide heren kweten zich slecht van hun taak. Zij legden geen rekening en verantwoording af, verwaarloosden de plantages, malverseerden en kregen onderling ruzie. En ook met de daaropvolgende administrateur verbeterde de situatie nauwelijks.21

Detail met de plantages Groot Marseille, Klein Marseille en Souburg van de kaart van de plantages van Suriname door landmeter J.H. Moseberg, 1801.

87

Met het overlijden van haar vader kwam een deel van deze plantages aan Charlotta Jacoba toe en vervolgens na haar overlijden aan haar zoon en aan haar echtgenoot François de Mey. Zo werd de Goudse regent François de Mey mede-eigenaar van de plantages Groot Marseille en Klein Marseille en Souburg. Vanaf zijn huwelijk met Charlotta Jacoba in 1749 was hij, samen met zijn broer en vader, zeer nauw betrokken bij het bestuur van de plantages. De vele brieven, die (mede) door hem zijn ondertekend, getuigen daarvan. Zodoende is François de Mey goed op de hoogte geweest van de staat van de plantages, de situatie van de slaafgemaakten en de zendingen koffie, suiker en cacao die met regelmaat vanuit Suriname in Nederland arriveerden en die hier verkocht werden. De erfgenamen van Jacoby verkochten hun deel van de plantage Ephrata in 1758 voor 55.000 gulden aan Nicolaas Lemmers, die voor een deel al mede-eigenaar van deze plantage was.22 De plantage Klein Marseille werd gesloopt en deels verkocht, terwijl Jacob Nicolaas Jacoby zijn erfdeel in Marseille en Souburg in 1768 aan de familie De Mey verkocht.23 Souburg was een stuk grond nabij Groot Marseille dat omstreeks 1757 was ontwikkeld. In 1770 werd de waarde van de plantages geschat op ruim 346.000 gulden, een enorm bedrag voor die tijd.

François de Mey was voor 1/4 deel eigenaar, net als zijn vader Jean Gijsberto de Mey, zijn schoonzus Jacoba Rosina Jacoby en haar kinderen. Op Groot Marseille waren toen 50 mannelijke slaafgemaakten, 51 vrouwelijke en 24 jongens en 28 meisjes. Jan de timmerman en molenmaker was het meeste waard: 1800 gulden. Onder hen waren Sultan (950 gulden), Clarinda (650 gulden), Amimba (500 gulden) en Candasie (650 gulden). Vier jaar later zouden zij bij een aanval van de marrons op de plantage meegenomen worden.24 De opbrengsten van deze plantages, waarop in hoofdzaak koffie en suiker, maar ook cacao werd verbouwd, bedroegen tussen 1772 en 1777 26.300 gulden, per jaar dus gemiddeld 5263 gulden. Het jaar 1792 was zelfs een heel gunstig jaar voor François de Mey waarin hij 11.311 gulden ontving.25 De waarde van de plantages schommelde wel, want de taxatie van Groot Marseille, Souburg en de onverkochte grond van Klein Marseille was in 1779 met 160.000 gulden duidelijk lager dan voorheen.26 Slaafgemaakten Af en toe geven de bronnen iets meer zicht op het leven van de slaafgemaakten en hun nazaten. Zo werd eind 1757 op de plantage Groot Marseille een jongen geboren. Het waren niet zijn ouders die hem zijn naam gaven, maar administrateur Samuel Fellman. Om Jean Gijsberto de Mey, heer van Lekkerland en Souburg, te plezieren gaf hij het kind de naam Lekkerlant.

De volgende kinderen beloofde hij Souburg en Streefkerken, ook titels van de familie, te noemen. Soms bemoeiden zelfs de plantage-eigenaren zelf zich met de naamgeving. Zo vroeg Jean Gijsberto de Mey in 1768 om het eerstvolgende meisje dat geboren zou worden Albertina te noemen.27

88

De administrateur hield de plantage-eigenaren uitgebreid op de hoogte van het reilen en zeilen op de plantages. Voor verschillende zaken had hij toestemming nodig van de eigenaren, zoals voor de aanschaf van slaafgemaakten. Zo schreef administrateur Fellman begin 1759 dat hij twaalf slaafgemaakten had gekocht voor 3600 gulden van kapitein Meester. Fellman had toestemming om er zestien te kopen, de overige vier zouden later volgen. Verder hoopte hij dat jaar 300 oxhoofden28 suiker te produceren op Marseille, meer dan ooit tevoren. Volgens hem deed Marseille het beter dan andere plantages. Later dat jaar kocht hij zes mannelijke slaafgemaakten voor 275 gulden per persoon en omdat de prijs gunstig was, verzocht de administrateur om toestemming om er meer aan te mogen kopen.29 Slaafgemaakten slaagden er soms ook in om deels hun eigen gang te gaan. Zo schreef de nieuwe administrateur Fellman in zijn brief van 4 augustus 1756 dat het op de plantage Marseille tegenwoordig redelijk gaat, maar dat het hem behoorlijk wat moeite gekost heeft en nog zal kosten ‘eer die slaeven weederom op een goede voet gebragt sijn’.30 Zijn voorganger Van der Werff had volgens hem de slaafgemaakten nooit gestraft en was bang voor ze. Soms kwam Van der Werff in geen 15 maanden op de plantage en als hij wel kwam, dan strafte hij hen nooit.

En dat terwijl soms wel vijf of meer slaafgemaakten maanden weggeweest waren en zich verborgen hadden gehouden. Zonder bestraffing zouden zij het vast opnieuw proberen en was het voor de plantagedirecteur moeilijk om orde te houden. Voor Fellman was bestraffing de oplossing om (tijdelijk) weglopen te voorkomen.31 Echt helpen deed het bestraffen niet, want met enige regelmaat bleven slaafgemaakten van de plantage weglopen om zich aan te sluiten bij de marrons of tijdelijk weg te blijven. Op en rondom de plantage Groot Marseille was het onrustig. Zo overvielen marrons afkomstig van Groot Marseille in 1758 de plantage Nieuw-Java. In de vredesverdragen die de marrons en de overheid met elkaar sloten, was onder andere afgesproken dat deze zogenaamde weglopers door de marrons zouden worden uitgeleverd. Een vorm van verdeel en heers. Zowel weggelopen slaafgemaakten als marrons zorgden voor ergernis bij de plantage-eigenaren. In 1769 vielen marrons tijdens de eerste Boni-oorlog (1768-1777) de plantage Rust en Lust aan. Boni was een bekende vrijheidsstrijder van de marrons. Tot misnoegen van de familie De Mey was hun aanvoerder Troebel afkomstig van Groot Marseille. Deze Troebel had zelfs gedreigd om ook Groot Marseille te bezoeken. Een passage uit de brief van 30 juni 1769 van de eigenaren De Mey spreekt boekdelen.

Een officier had 26 weggelopen slaafgemaakten van andere plantages teruggebracht en de officier had de vrede met ‘dat volkje’, waarmee de marrons werden bedoeld, vernieuwd. Dit verheugde de familie De Mey zeer en zij waren van mening dat dit veel effect zou hebben ‘en de slaaven hier door vrees voor wegh te loopen sal ingeboesemt worden, en men ook minder vrees voor attacques op de plantagien sal hebben, wij wenschen dien oude neeger (die was weggelopen en opgepakt, red.) soodanige ontdekking mag doen, dat sijn kinderen en verder gespuys, waaronder Troebel als hooft is ook mogen in handen van de commandoos vallen en het geeft ons een speciaal vergenoegen men eyndelyk het stuk tegens

89

de wegloopers eens ter deege ter harte neemt. Wij zijn nieuwsgierig te weeten hoe men met die opgebragte neegers leeft, wat straffe zij ondergaan, en of die geene die niet ter dood werde gebragt, weder werden gestelt in handen van haar voorige meester.’32 Inleven in de positie van slaafgemaakten en marrons en hun beweegredenen voor hun handelen zit hier niet in. De interesse is er alleen voor de belangen van de plantage-eigenaren. In 1774 vielen marrons, dit keer onder leiding van Boni zelf en bijgestaan door de van Groot Marseille afkomstige Suku, de plantage aan. Ook deze keer, net als in 1736, verzette de slaafgemaakte bevolking van Groot Marseille zich succesvol tegen de marrons, maar zij konden niet verhinderen dat de marrons twaalf van hen al dan niet gedwongen meenamen. Eén van hen was Sultan, die later bij zijn verhoor verklaarde met geweld gevangengenomen te zijn door de marrons. Hij besloot samen met Clarinda en haar dochter Marretje, Amimba met haar dochter Betje en Candasie terug te keren naar Groot Marseille. Niet veel later werd Sultan onder verdachte omstandigheden dood aangetroffen op de plantage.33 In die periode woonden 151 slaafgemaakten op de plantage in 28 planken woninkjes met daken van gedroogde palmbladeren. Zij hadden kennelijk reden om bij hun eigen gemeenschap op de plantage te blijven.

Ook het leven van de marrons in het bos was immers zwaar en niet voor iedereen een verbetering. Toch zijn twee weggelopen slaafgemaakten van Groot Marseille, Aluku en Suku, belangrijke leiders geworden van de Boni-marrons. En ook andere van Groot Marseille gevluchte slaafgemaakten hebben zich in de loop der tijd aangesloten bij de marrons, zoals July, Cojo, Coridon en Dora. Zij verkozen dit zware maar vrije leven boven het als slaafgemaakten op de plantage blijven. Zelfs heden ten dage leeft de band tussen Groot Marseille en

‘Een plantaadge slavenkamp’. Woningen van tot slaaf gemaakten op een Surinaamse plantage West-Indië, 1860-1862.

90

de marrons door in de naam van één van de clans van de Boni-marrons, namelijk de Yakubi clan, vernoemd naar de eigenaar Jacoby en daarmee de naam die de slaafgemaakten gebruikten voor de aanduiding van hun plantage. Aan het eind van de 18e eeuw en het begin van de 19e eeuw dreven de directeuren van de plantage zelfs handel met marrons, waarbij de marrons bewerkte houtwaren ruilden tegen dram (ruwe rum).34 De eigenaren bemoeiden zich zoals vermeld intensief met de plantages. Aandacht voor de slaafgemaakten was er ook, maar die beperkte zich tot het geven van toestemming voor de aankoop van slaafgemaakten en aandacht voor ziekte en sterfte onder hen. In vele brieven aan administrateur Fellman komt de aanschaf van slaafgemaakten voor. In 1786 machtigde François de Mey samen met een medeeigenaar, Pieter Cornelis van Stuyvesant om de plantages te besturen en te administreren. Daarbij werd expliciet vermeld dat hieronder ook de aankoop van slaafgemaakten viel, maar dat daar wel de toestemming van de eigenaren voor nodig was.35 Met regelmaat gaan de brieven over ziekte en sterfte onder de slaafgemaakten. Dat laatste had minder te maken met oprechte zorg en interesse dan met financiële motieven. Dat blijkt nadrukkelijk uit een brief van François de Mey die hij in 1769 in Gouda schreef.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=82dfaebe-0a8b-4928-9cba-82b32f80d2a0