CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

Koloniaal en slavernijverleden van Gouda - Binnenwerk_LR7

Commissie Samenleving 6 mei 2024, gemeente GoudaBij agendapunt: Vervolg oordeelsvorming Slavernijverleden32.850 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Nadat hij zich eerst verheugd had betoond dat er tot nu toe geen slaafgemaakten zijn overleden, vervolgde hij dat hij hoopte ‘voor sterfte van slaaven, ten minste van goede slaaven, zullen bevrijd blijven’.36 En even verderop als het gaat over één weggelopen slaafgemaakte van Souburg en één van Marseille, vraagt hij ‘zijn het nog al van de beste of maar gemeene (dat wil zeggen ‘gewone’, red.) en oude slaven en slavinnen?’.37 Een andere keer zijn de plantage-eigenaren verheugd dat er drie kinderen zijn geboren en spreken zij de hoop uit dat dit voorbeeld door anderen zal worden gevolgd.38 Op termijn zouden zij welkome arbeidskrachten zijn. In 1760 verzocht administrateur Fellman om Samuel, een jongen van zeven jaar en omschreven als ‘mulat’ (iemand met een zwarte en een witte ouder) aan hem over te doen om hem zijn vrijheid te geven. Deze jongen had dezelfde naam als administrateur Fellman. Toeval? Waarschijnlijk niet. In deze periode waren seksuele relaties tussen vrije personen en slaafgemaakten formeel nog verboden. Dat wilde niet zeggen dat die niet voorkwamen, maar wel dat de werkelijke redenen voor vrijmaking niet werden gegeven.

Jean Gijsberto de Mey besloot hem deze jongen cadeau te doen en schreef erbij dat zijn beide zoons en de vierde eigenaar Jacob Nicolaas Jacoby het met hem eens waren, want ‘zij gedenken ook jong zijn geweest’.39 Behalve dat zij allen ook jong geweest zijn, waren hun situaties natuurlijk onvergelijkbaar. Enkele jaren later, in 1784, vroeg administrateur Van Stuyvesant om het jongetje Johannes van de ‘mulattin’ Jacoba van de plantage te mogen kopen voor 250 gulden. Johannes was toen ruim drie jaar oud. Wat precies de achterliggende reden hiervoor was, is gissen, maar Van Stuyvesant schreef zelf: ‘dan zoude ik zien van dat slaafje een Mensch te maaken’.40 Een dergelijke uitspraak, hoe goed bedoeld misschien ook, laat zien dat slaafgemaakten niet werden gezien als mensen.

91

Slavenhalers Om over voldoende slaafgemaakte arbeidskrachten te beschikken, heeft de familie De Mey een aantal maal geïnvesteerd in zogenaamde slavenhalers. Slavenhalers waren schepen die als voornaamste doel hadden om slaafgemaakten te leveren. In 1765 nam de familie De Mey voor 1/32 deel in de slavenhaler Johannes van kapitein Hans Evertsen en voor 1/32 in het schip Anna Maria van kapitein Marten Eggers. De Johannes haalde 289 slaafgemaakten op, van wie 39 niet de bestemming haalden.41 In 1767 arriveerde ook de slavenhaler van kapitein Marten Eggers in Suriname. Kennelijk was de vraag naar slaafgemaakten groter dan het aanbod, want de slaafgemaakten werden door loting toegewezen: drie mannen, drie vrouwen en één jongen werden toegewezen aan plantage Groot Marseille voor 2400 gulden.42 Koffieplantage Utrecht43 en andere investeringen De Utrechtse compagnie kocht omstreeks 1734 een koffieplantage aan die plantage Utrecht werd genoemd. Toen in 1754 de Utrechtse Compagnie ontbonden werd, besloot een grote groep oud-aandeelhouders van deze Compagnie als Utrechtse Sociëteit verder te gaan met deze plantage. De vraag naar koffie, suiker en katoen was namelijk aanzienlijk toegenomen na 1750. Zij stelden twee personen aan om vanuit de Republiek de plantage te beheren en zorg te dragen voor de verkoop van de koffiebonen.

Eén van deze heren was de eerdergenoemde Jean Gijsberto de Mey, de vader van François de Mey. De productie van de plantage kreeg te maken met problemen, die volgens de beheerders vooral te maken hadden met een gebrek aan slaafgemaakten. Dat aantal was tussen 1755 en 1783 sterk afgenomen van 95 naar 68, terwijl wel bijna 20.000 nieuwe koffiebomen waren bij geplant. Tegelijkertijd was een groot aantal van de oude koffiebomen uitgeput en leverde dus weinig meer op en datzelfde gold voor de bodem. De eigenaren zagen geen mogelijkheden meer om de plantage voldoende winstgevend te maken en lieten een inventarisatie en taxatie opstellen van de plantage. Hierin waren de slaafgemaakten opgenomen als bezit en de individuele slaafgemaakten van een prijskaartje voorzien, dat varieerde van nul gulden tot 1200 gulden. Op deze inventarisatie in 1792 kwamen 62 slaafgemaakten voor, die in vijftien huisjes woonden. Tot de boedel behoorde ook een ijzeren brandmerk, een tastbaar object dat de mens letterlijk en figuurlijk tot voorwerp en bezit brandmerkte.

De totale waarde van de plantage werd geschat op ruim 64.000 gulden.44 Opmerkelijk is dat François de Mey kort daarna de koffieplantage kocht voor ruim 15.000 gulden, een fractie van het bedrag van de taxatie van een jaar eerder.45 Eveneens opmerkelijk is dat de plantage vervolgens vrij snel werd doorverkocht voor 24.000 gulden.46 Hier toonde zich opnieuw de zakenman. De familie was ook bereid om te investeren in andere plantages. Administrateur Fellman kreeg opdracht om uit te kijken naar goede investeringsmogelijkheden. Maar daarvoor was het niet altijd een gunstige tijd. De aanvallen van de marrons en ook de oorlogen met de Engelsen maakten hen terughoudend. In 1770 besloot de familie af te zien van de koop van plantage La Paix. Deze plantage zou geveild worden en men verwachtte een prijs van ongeveer 300.000 gulden. Dit bedrag vond men te hoog. Het bracht hen echter wel op het idee om de plantage Groot Marseille

92

te verkopen, die hetzelfde zou kunnen opbrengen. Jean Gijsberto de Mey was immers op leeftijd en administrateur Fellman, over wie men tevreden was, zou ook niet het eeuwige leven hebben. En daarbij kwam dat er dadelijk zeven eigenaren zouden zijn ‘en veel hoofden, veel zinnen maaken’.47 Vooruitlopend werd de opdracht gegeven om alvast een inventarisatie op te maken.48 Uiteindelijk is hier niets van gekomen, want de plantage bleef in handen van de familie De Mey. Een enkele keer belegde François de Mey ook in andere plantages, zoals in 1770, toen hij via een negotiatiefonds 5000 gulden belegde in plantages in Suriname.49 In zijn nalatenschap bevonden zich naast zijn 3/8 deel in de plantages Groot Marseille en Souburg, obligaties ten laste van planters in de koloniën Essequibo en Demerary, 1/5 part in een som van 20.000 gulden hypotheek op de koffie- en katoenplantage Theodora Susanna en 1/16 in de plantage Nicaribo (beide in Suriname). Verder nog diverse effecten, waaronder ook buitenlandse, en beleggingen in de Engelse Zuidzee Compagnie.50 Gerard Willem van Blijdenbergh (1731-1819): van compagniesdienaar in Elmina tot burgemeester van Gouda Gerard Willem van Blijdenbergh kwam uit een familie die vele banden had met maar liefst vier continenten: Azië, Afrika, Amerika en uiteraard Europa.51 Hij werd in 1731 net over de grens in Kalkar in het huidige Duitsland geboren.

Hier was zijn vader Jacob Hendrik van Blijdenbergh, die zelf in Amsterdam was geboren, ontvanger der domeinen, krijgsraad en domeinraad voor de koning van Pruisen. Zijn moeder Evardina Maria van Grimbergen was de tweede echtgenote van Jacob Hendrik, en dochter van een rijke bierbrouwer die lid was van de vroedschap in Den Bosch. In 1763 werd Gerard Willem van Blijdenbergh poorter van Gouda52 en al snel behoorde hij tot de Goudse regenten. Zo was hij lid van de vroedschap, schepen en in 1785 en 1795 één van de burgemeesters in Gouda. Zijn carrière begon echter op de kust van West-Afrika, waar hij opklom tot oppercommies en vervolgens tot raad en gouverneur op de kust van Guinea. Familie Zijn broers Frederik Willem Hendrik en Jan Willem traden beiden in dienst bij de VOC. Deze broers traden daarmee in het voetspoor van hun vader Gerard Drijver (van) Blijdenbergh, een Amsterdamse koopman die voor de VOC had gewerkt, onder andere als onderkoopman in Kanton in het huidige China en als koopman en boekhouder op het Kasteel in Batavia. Op de terugweg naar de Republiek verkocht Gerard Drijver tijdens een tussenstop in Kaapstad twee slaafgemaakten: Jan van Makassar en Liesbeth van Tonkin.53 Aan hun namen te zien, kwamen deze slaafgemaakten, ongetwijfeld tegen hun zin, terecht op een geheel ander en voor hen vreemd continent.

Gerard Willem van Blijdenbergh zou meer in de voetsporen treden van zijn overgrootvader, Hendrick Hamel. Hamel voer als WIC-bewindhebber van de kamer Amsterdam naar Brazilië. Daar gaf hij vanaf 1646 korte tijd leiding aan deze kersverse kolonie van de Republiek. Ook de oom van Gerard Willem van Blijdenbergh, Gerard

93

(van) Blijdenbergh (1712-1766), broer van zijn vader en raad in de vroedschap van Utrecht, was meer op de koloniën in Zuid-Amerika gericht. Hij was van 1746 tot 1752 bewindhebber van de Utrechtse Compagnie. In deze periode investeerde deze compagnie in schepen die slaafgemaakten tussen West-Afrika en Zuid-Amerika vervoerden. Als aandeelhouder in deze compagnie was hij mede-eigenaar van de koffieplantage Utrecht. De familiebanden met de overzeese koloniën in Oost en West gingen dus al ver terug.54 In dienst van de WIC Gerard Willem Blijdenbergh trad in 1750 in dienst bij de WIC. Hij was toen twintig jaar. Op 29 september 1750 verscheen hij voor de bewindhebbers van de kamer Amsterdam, waar hij werd aangesteld tot assistent op de kust van Guinea en zijn eed aflegde.55 In de periode dat Van Blijdenbergh in West-Afrika verbleef, had de WIC geen monopoliepositie meer, maar beschikte nog wel over forten en handelsposten voor de goederenhandel, vooral voor goud en ivoor. In 1753 was hij opgeklommen tot magazijnmeester op de kust van Guinea in WestAfrika. In 1756 was hij eerste magazijnmeester in Fort Elmina, wat betekende dat hij de leiding had over personeel en voorraden. Onder de voorraden werden ook slaafgemaakten gerekend. Fort Elmina was in 1637 veroverd op de Portugezen.

Elmina lag aan de zogenaamde Goudkust in het huidige Ghana en was de belangrijkste handelspost voor de WIC in West-Afrika en werd daarmee ook het belangrijkste slavenfort. Het fort bestaat nog steeds en staat symbool voor de gruwelijkheden die slaafgemaakten daar en elders hebben meegemaakt. Hier werden zij opgesloten tot zij door de ‘door of no return’ het continent van hun geboorte gedwongen vaarwel moesten zeggen en hun overtocht over de Atlantische Oceaan begon.

Fort Elmina aan de Goudkust (Ghana), door Gerard van Keulen, 17e eeuw.

94

Van Blijdenbergh verdiende toen 24 gulden per maand.56 In 1756 werd hij bevorderd tot commies en raad. Ook stond hij een periode aan het hoofd van Fort Oranje in Secondi aan de Goudkust (Ghana). Bij zijn installatie op 14 augustus 1758 als commies in Accra, de hoofdstad van het huidige Ghana, ontving hij volgens het gebruik lokale vorsten en belangrijke personen en deelde hij geschenken uit aan een reeks van personen. Hieronder waren koning Tette, oppermakelaar Offey, Quateragje of pappam Tette Appo, Darkon koning in Aquamboe, Quisie koning van Assiantyn, Acampoe koning van Popo, de slaafgemaakten van de compagnie en de vrouwen van Accra. Voor de compagniesslaven was er brandewijn en tabak. De koning van de Ashanti ontving onder andere suiker, brandewijn, witte wijn, bier, pijpen, een jachtsnaphaan (vuurwapen) en een hoed met zwaar goudgalon en witte pluim.57 Zo’n bijeenkomst met het bijbehorende uitdelen van geschenken was belangrijk om kennis te maken, maar ook om relaties te leggen voor de handel, de positie van de WIC te bevestigen en om de rust in het gebied te bewaren. Uiteindelijk werd hij in 1760 bevorderd tot oppercommies, raad en gouverneur van het Fort Crèvecoeur te Accra in Ghana. De belangrijkste forten, waaronder Crèvecoeur, stonden onder leiding van een oppercommies.

De oppercommies gaf leiding aan het personeel en onderhield de handelscontacten met de lokale vorsten en belangrijkste makelaars in zijn gebied. De makelaars waren tussenpersonen bij de handel in goud, ivoor en andere producten, maar ook voor de handel in slaafgemaakten. Het was geen gemakkelijke tijd in Accra. Met regelmaat waren er pro-

Plattegrond van Fort Crevecoeur in Accra (Ghana), circa 1790.

95

blemen met Afrikaanse groepen en tussen de Afrikanen onderling. In 1761 verzuchtte Van Blijdenbergh dat de dagelijkse grote problemen met de Afrikanen de belangrijkste oorzaak van zijn ziekte op dat moment waren.58 Als hoofd van het Fort Crèvecoeur maakte Van Blijdenbergh ook deel uit van de raad van de kust van Guinea en daarmee van het hoogste gezag in West-Afrika. Formeel nam de raad beslissingen met een meerderheid van stemmen, maar de directeur-generaal stond aan het hoofd en had grote invloed. Na een dienstverband van elf jaar, verliet Van Blijdenbergh in 1762 de WIC en keerde terug naar de Republiek. Handel in slaafgemaakten Zijn terugreis naar Nederland ging via Suriname. Met het schip Snoek en Both maakte hij de overtocht van West-Afrika naar Suriname. Daar aangekomen kreeg hij problemen met de gouverneur en de Raad Fiscaal van Suriname, omdat hij en voormalig equipagemeester van de WIC Ary de Graaf slaafgemaakten hadden meegenomen uit West-Afrika. Volgens Van Blijdenbergh en De Graaf behoorden zij tot hun huishouding en wilden zij wel veertien tot zestien van hen in Suriname verkopen omdat zij niet mee konden naar Europa.59 Deze kwestie kreeg kennelijk nog een staartje, want enkele maanden later gaven ene Jan van Nes en Diderik Borrewinkel op verzoek van de bewindhebbers van de kamer Amsterdam van de WIC een verklaring af.

Hierin verklaarden zij dat zij in 1762 met het schip de Guineasche Vrienden in het gezelschap van het schip Snoek en Both van West-Afrika naar Suriname waren gevaren en hadden gezien dat 70 à 80 slaven die toebehoorden aan Van Blijdenbergh en De Graaf naar Suriname waren gebracht en dat zij aldaar waren verkocht.60 Of dit aantal klopte is zeer de vraag, want volgens het journaal van de Gouverneur kwamen er met dit schip 23 personen mee als huispersoneel.61 Wat hier precies speelde en is gebeurd, is niet duidelijk. Duidelijk is wel dat Blijdenberg zelf in slaafgemaakten heeft gehandeld en dat dit niet de enige keer was. Om het risicovolle werk op de West-Afrikaanse kust aantrekkelijker te maken, was het aan bepaalde rangen van compagniesdienaren toegestaan om extra inkomsten te halen uit particuliere handel. Hieronder viel ook de handel in slaafgemaakten, waarbij voor elke slaafgemaakte twintig gulden moest worden betaald aan de WIC. Zo werden jaarlijks tussen de 1500 en 2000 slaven verhandeld.62 Blijdenbergh viel onder deze rangen. Tijdens zijn verblijf aan de West-Afrikaanse kust heeft Blijdenbergh als privépersoon in slaafgemaakten gehandeld. Zijn winsten zette hij deels om in goud dat hij vervolgens van Elmina naar Nederland zond. 63 Met het schip Snoek en Both stuurde hij bij zijn vertrek een lading olifantstanden (ivoor) mee.

Later bleek dat hij over deze lading 3% recognitiegeld (een belasting) moest betalen, omdat de kapitein niet bevoegd was voor dit vervoer. Blijdenbergh was hierover ontstemd en diende een verzoekschrift in om hiervan ontheven te worden. Hij gaf aan dat hij toestemming had gekregen voor vrijhandel tegen betaling van recognitie- of hoofdgeld voor elke te verhandelen slaafgemaakte. Volgens zijn zeggen had hij tijdens zijn commando in Accra al voor ongeveer 14.000 gulden in goud en olifantstanden aan recognitiegeld opgebracht.64 Zijn verzoek werd afgewezen, maar dit maakt meer dan duidelijk dat hij als slavenhandelaar goed verdiend moet hebben.

96

Op 14 mei 1763 reisde hij als passagier met kapitein Godlieb Zielkens op het schip Koertvlugt door naar Nederland. Het schip had een lading handelswaar aan boord, waaronder koffiebonen, cacao en olifantstanden.65 Regent in Gouda Eenmaal terug in de Republiek werd hij al heel snel poorter van Gouda (5 december 1763) en maakte hier bestuurlijk carrière als raad van de vroedschap (sinds 1770), schepen en burgemeester. In 1785 trad hij namens Gouda toe tot het College ter Admiraliteit in Amsterdam. Bij zijn bestuurlijke carrière zal zijn huwelijk in 1764 met Clara Cornelia van Eijck, dochter van de Goudse Vincent van Eijck en Catharina Hoffkens, zeker behulpzaam zijn geweest. Zijn schoonvader behoorde tot een machtige Goudse familie en was ook burgemeester. De drie schoonzoons van Van Eijck, Bartolomeus de Moor van Immerzeel, Martinus van Toulon en dus ook Gerard Willem van Blijdenbergh werden allen burgemeester van Gouda. Het huwelijk van Gerard Willem van Blijdenbergh en Clara Cornelia van Eijck duurde bijna 37 jaar, maar op 11 februari 1801 overleed zijn vrouw ‘die my het dierbaarste was op aarde. Eene bezettinge op de borst maakte een einde aan haar nuttig en Godvrugtig leven, in het een en sestigste Jaar van haaren ouderdom, en het byna zeven en dertigsten van onzen allergenoeglyksten Echt’.66 Toch liet ook in Gouda de West-Afrikaanse kust hem niet los.

In 1783, toen hij raad in de vroedschap en schepen van Gouda was, schreef hij een document, waarschijnlijk aan de Admiraliteit van Amsterdam. Hierin schreef hij dat de Portugese tabak uit Brazilië onontbeerlijk was als ruilmiddel voor de handel in slaafgemaakten en dus voor de koloniën. De Engelsen waren volgens hem jaloers op de positie van de WIC. Zij probeerden aan de tabak te komen en vormden door hun inzet van oorlogsschepen een gevaar, omdat zij hierdoor het gezag van de Nederlanders bij de Afrikanen ondermijnden. Hij beklaagde zich erover dat er tussen 1665 en 1765 geen oorlogsschip met de vlag van de Republiek meer was gezien en pleitte er dan ook voor om minstens één keer per jaar een oorlogsschip dat naar West-Indië ging, ter afschrikking eerst langs de kust van Guinea te laten varen.67 Dit was een lastige periode voor de WIC. De Vierde Engels-Nederlandse Oorlog (1780-1784) was in volle gang en de vaart op West-Afrika lag bijna geheel stil. Zoals vele regenten, kocht hij in 1771 een buitenplaats: Rijnstroom onder Aarlanderveen. Hier overleed zijn vrouw en hij verkocht het weer in 1801.

Zijn Oost-Indische porseleinen koffie- en theeservies met het wapen van de familie dat hij expliciet noemde in zijn testament68 met de uitdrukkelijke voorwaarde om het in de familie te behouden, moet wel het ‘Chine de Commande’ servies zijn geweest dat in 2018 op een veiling werd aangeboden.69 Op 20 augustus 1819 overleed Gerard Willem, 88 jaar oud en kinderloos in zijn huis aan de Witte Vrouwenstraat in Utrecht, waar hij vanaf 1805 woonde.70 Zijn nalatenschap bedroeg ruim 133.000 gulden, een behoorlijk groot bedrag voor iemand die begon met een bescheiden maandloon.71 Deels zal hij zijn vermogen te danken hebben gehad aan erfenissen en zijn huwelijk, maar de kans is groot dat zijn dienstverband bij de WIC hiervoor de basis heeft gelegd en dat zijn bijverdiensten

97

in de particuliere handel, waaronder die in slaafgemaakten, daaraan hebben bijgedragen. Diederik Gregorius van Teylingen, heer van Kamerik en de beide Houtdijken (1752-1837), en Sara Jacoba Becker (1754-1805) Diederik Gregorius van Teylingen en Sara Jacoba Becker vormen een voorbeeld van een echtpaar dat door vererving mede-eigenaar werd van twee plantages. Beide plantages, Siparipabo en Poelwijk, lagen in Suriname. Familie Van Teylingen werd in 1752 geboren in Rotterdam als zoon van Jan van Teylingen, commies-generaal van de admiraliteit Maze, en Elisabeth Selkart, vrouwe van Kamerik en de beide Houtdijken. Nog voor zijn twintigste werd Diederik Gregorius van Teylingen in 1772 toegelaten als poorter van Gouda. Van 1778 tot 1781 was hij kapitein van de schutterij en al snel behoorde hij tot de regenten en elite van Gouda. Tussen 1780 en 1795 bekleedde hij tal van bestuurlijke functies binnen Gouda. Gedurende vijftien jaar was hij lid van de vroedschap, maar hij was ook verschillende jaren schepen, kerkmeester, schepenmeester en weesmeester, om maar enkele functies te noemen. De machtigste functie binnen Gouda oefende hij in 1793 en 1794 uit. Hij was toen burgemeester van Gouda. Later werd hij onder andere belastingontvanger. In 1814 benoemde soeverein vorst Willem hem tot lid van de Vergadering van Notabelen om te beslissen over de ontwerpGrondwet.

Een jaar later werd hij in de adelstand verheven en mocht hij zich voortaan Familiewapen van Diederik Gregorius van Teylingen. jonkheer noemen. In 1777 trouwde hij met Sara Jacoba Becker. Zij was de dochter van Floris Jacob Becker, luitenant-kolonel van de infanterie, en Everdina Beatrix Schippers. Diederik Gregorius van Teylingen en Sara Jacoba Becker kregen samen zes kinderen. Volgens de volkstelling van 1830 woonde Van Teylingen aan de Westhaven 31 en had hij toen twee dienstbodes in huis. Sara Jacoba was al in 1805 overleden. Diederik Gregorius overleefde zijn vrouw ruimschoots en overleed in 1837 in Gouda, 85 jaar oud en maar liefst 65 jaar inwoner van Gouda. Plantage Siparipabo Siparipabo lag aan de rivier de Commewijne in Suriname en was een suikerplantage. De plantage werd voor het eerst genoemd op een kaart uit 1686. De naam van de plantage is een inheemse of zoals de Nederlanders destijds zeiden ‘indi-

98

aanse’ naam. Het Rijksmuseum in Amsterdam verwierf in 2011 een zeldzaam zogenaamd gelegenheidsglas, waarop het woonhuis van de plantage-eigenaar, enkele hutjes en slaafgemaakten in de suikermolen staan afgebeeld. Ook staat de tekst ‘ ‘t Welvaren van Siparipabo’ erin gegraveerd. Het glas dateert uit de periode 1725-1750, ruim voordat Van Teylingener een aandeel in de plantage kreeg. Dergelijke glazen gebruikten plantagehouders om te toosten op het welzijn van hun bezit. Dit staat in scherp contrast met de afbeelding van de suikermolen, want juist het werk in de suikermolens was bijzonder zwaar. Het werk op een plantage begon ’s ochtends vroeg om een uur of vijf. Op de suikerGelegenheidsglas ‘ ‘t Welvaren van Siparipabo’. plantages werd dan geplant, geoogst en het suikerriet verwerkt. Het verwerken van het suikerriet gebeurde in de suikermolen, die door dieren op gang werd gehouden, de zogenaamde beestenmolen. Later werden hier ook wel stoommachines voor ingezet. In de molens werd het suikerriet geperst en vervolgens gekookt tot ruwe suiker. De suikerkokers en de vuurstokers hadden hierbij een belangrijke rol, omdat het koken van de suiker een uitgekiende timing vereiste. De raffinage van de suiker vond plaats in Europa. Ook in Gouda heeft suikerraffinage plaatsgevonden. De opbrengsten van de suiker van Siparipabo konden van jaar tot jaar verschillen.

Sommige jaren gaven een positief saldo te zien en anderen een nadelig. Zo was er in 1788-1791 en 1794-1795 een positief saldo, maar in de jaren 1785-1787 en 17921793 een nadelig saldo. De periode 1785-1795 leverde gemiddeld gezien een jaarlijkse opbrengst op van 856 gulden.72 De ouders van Diederik Gregorius van Teylingen verkregen via vererving via zijn moederszijde voor de eerste keer in 1763 een deel in deze plantage. En in 1771 kwamen zijn ouders wederom door vererving in het bezit van 1/3 deel. Hun kinderen, waaronder dus Diederik Gregorius zelf, verwierven gezamenlijk 1/8 deel.73 In 1780 telde de plantage 117 slaafgemaakten. Verder was er een beestenmolen en behoorden tot de inventaris onder andere suiker, bananen, cassave, een moestuin, hoornbeesten, trekossen, paarden, muilezels, duiven en schapen. Enkele jaren later in 1782 werd er opnieuw een inventaris opgemaakt omdat er een nieuwe administrateur kwam. Er waren toen 109 slaafgemaakten.74

99

Namen van slaafgemaakten op plantage Siparipabo, 1782.

Hoewel Van Teylingen door vererving in het bezit was gekomen van een deel van de plantage en in Gouda woonde, betekende dit niet dat het bestuur en beheer van de plantage geheel werd overgelaten aan de in Suriname aanwezige plantagedirecteur en de administrateur. Over en weer, en ook tussen de mede-eigenaren in Nederland, werd er druk gecorrespondeerd en meegedacht over de plantage. Bewaard gebleven archiefstukken zijn daarvan nog de stille getuigen. In 1804 was Van Teylingen voor 5/8 eigenaar van Siparipabo en Johan Gerbrand van Mierop (1733-1807) voor het overige deel. De dochter van Van Mierop trouwde in 1794 met Willem Maurits Swellengrebel, die lid van de vroedschap (1788-1795) en schepen (1789-1795) is geweest in Gouda. Toen eerst zijn schoonvader overleed en vervolgens zijn echtgenote in 1811, raakte ook Willem Maurits Swellengrebel betrokken bij de plantage Siparipabo. Swellengrebel stamde zelf uit een koloniaal geslacht. Zijn grootvader Hendrik Swellengrebel was gouverneur van Kaap de Goede Hoop geweest.

100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=82dfaebe-0a8b-4928-9cba-82b32f80d2a0