Koloniaal en slavernijverleden van Gouda - Binnenwerk_LR7
Tekst van het document
32
men vervolgens onder rechtstreeks bestuur van de Staten-Generaal, die daarvoor een ‘Commité tot de zaken van de Coloniën en Bezittingen op de kust van Guinea en Amerika’ instelden. Het stadsbestuur van Gouda en de WIC De belangen van het Goudse stadsbestuur in de WIC waren vergelijkbaar met die in de VOC. Het ging Gouda bestuurlijk om een bewindhebberspost bij de WIC en daarnaast kunnen er financiële voordelen geweest zijn. De Goudse bewindhebberspost bij de WIC Voor Gouda was het net als bij de VOC aantrekkelijk om te kunnen beschikken over een bewindhebberspost in de WIC. Hoewel de WIC al in 1621 was opgericht, verkreeg Gouda pas in 1669 een buitengewone bewindhebberspost bij de kamer Amsterdam, nog net voordat de WIC failliet ging en de Tweede WIC in 1674 zou worden opgericht. Dat moment was niet zonder betekenis. Eind 1672 zou het tweede octrooi van de WIC aflopen. Verlenging van het octrooi was een zaak van lange adem, waarvoor de voorbereidingen ver van tevoren begonnen en op onder andere de agenda van de Staten van Holland en West-Friesland stonden. Op 24 december 1668 besprak de vroedschap van Gouda een concept-besluit van deze Staten over de voorwaarden van verlenging van het octrooi. De vroedschap van Gouda stelde als voorwaarde om in te stemmen dat ook de stad Gouda een bewindhebberspost zou verkrijgen.
De kamer Amsterdam van de WIC was na rijp beraad bereid om hiermee akkoord te gaan, omdat wel werd ingezien dat men de steden nodig had. Gouda was immers één van grotere steden van Holland en alle andere grote steden hadden ofwel een eigen kamer of anders al een bewindhebber. Dat betekende voor de kamer Amsterdam wel dat de lasten zouden toenemen door de vergoedingen voor de betreffende bewindhebber. Bovendien was het plan om het aantal bewindhebbers van alle kamers te verminderen, wat voor de betrokkenen nadelig kon uitpakken. Als dan tegelijkertijd wel een plek voor een Goudse bewindhebber zou worden gecreëerd, zou dit niet overal in goede aarde vallen. Besluitvorming door de kamer Amsterdam vond plaats met geheime besluiten, waarschijnlijk om anderen niet op dezelfde gedachten te brengen en tegenstand vooraf te voorkomen. In januari 1669 vergaderde de vroedschap verder over de bewindhebbersplaats in de kamer Amsterdam. De vroedschap besloot om op naam van de stad voor 9000 gulden aandelen in de WIC aan te kopen. Daarnaast besloot de vroedschap om als bewindhebber diegene te benoemen die namens Gouda zitting had in de Admiraliteit van Amsterdam om zo diens inkomsten te verhogen. Die combinatie van functies heeft overigens maar beperkt plaatsgevonden.
En omdat het salaris van de bewindhebber van de VOC ook gering was, zou de bewindhebber van de WIC aan de bewindhebber van de VOC jaarlijks 200 gulden moeten uitkeren. Tot slot besloot de vroedschap om de aandelen die de stad zou aankopen over te dragen aan de te kiezen bewindhebber, vanwege zijn geringe verdiensten.20
33
In het octrooi van de WIC was bepaald dat elke provincie en later ook elke stad die geen eigen kamer bezat, maar minstens 100.000 gulden in de Compagnie had geïnvesteerd, een bewindhebber mocht leveren aan de kamer waarin dat kapitaal was belegd. In andere steden en provincies werd dit kapitaal ingelegd door de burgers van die stad of provincie. Opmerkelijk is dat Gouda en haar inwoners helemaal niet 100.000 gulden in aandelen in de WIC investeerden. Het stadsbestuur investeerde 9000 gulden en daarnaast hebben enkele burgers van Gouda ook belegd in WICaandelen, maar dat kwam niet in de buurt van 100.000 gulden. Kort na de liquidatie van de Eerste WIC werd een overzicht gemaakt van het ingelegde kapitaal bij de verschillende kamers.
Gouda wordt hierop niet vermeld, wel de andere steden en provincies zonder eigen kamer.21 Bij een geschil over de verdeling van een legaat merkten de bewindhebbers van de kamer Amsterdam in een brief aan de Staten-Generaal van 18 november 1686 op dat alle provincies en steden met een bewindhebber in de kamer Amsterdam het vereiste kapitaal hadden ingebracht, behalve Gouda.22 Dat wordt nog eens bevestigd in een brief van 3 mei 1687 van de kamer Amsterdam aan de Staten-Generaal, waarin verongelijkt wordt vermeld dat Gouda een bewindhebber verkreeg ‘sonder eenen penning inde Compagnie gefourneert te hebben’.23 Kennelijk was het voor Amsterdam en de WIC zo belangrijk dat het octrooi van de WIC werd verlengd, dat er genoegen mee werd genomen dat Gouda niet aan de bepalingen in het octrooi voldeed. In het geheime besluit van de kamer Amsterdam van 12 januari 1669 stemde deze kamer immers in met de besluiten van Gouda, maar merkte ondubbelzinnig op dat men ervan uit ging dat de vroedschap van Gouda dan zou instemmen met verlenging van het octrooi van de WIC.
Veel financieel voordeel zou Gouda overigens niet verkrijgen van de aangekochte aandelen in de WIC, want met het faillissement van de Eerste WIC en de oprichting van de Tweede WIC werd de waarde van de aandelen in de Eerste WIC teruggebracht tot 15% van de nominale waarde.24 Het bewindhebberschap bood Gouda wel de mogelijkheid om zicht te houden op wat er bij de WIC, en meer specifiek de kamer Amsterdam, gebeurde en van die kennis zo nodig gebruik te maken. Leiden wilde bijvoorbeeld de bewindhebberspost inzetten om Leids textiel via de WIC af te zetten.25 Voor Gouda kan dit ook goed een reden geweest zijn, want de stad heeft de Compagnie meermaals Gouds ‘saijen’ (wollen stof) verkocht voor de ruilhandel in West-Afrika. Daarnaast speelde status een rol. Om in de woorden van de burgemeesters van Gouda uit 1669 te blijven: ‘de stad van De Goude, zijnde één van de voorzittende en grote steden van Holland’.26 Zo werd op 24 januari 1669 Cornelis de Lange, die ook zitting had in de Admiraliteit van Amsterdam, de eerste bewindhebber namens Gouda. Op de keuze van de Goudse bewindhebbers had de kamer Amsterdam geen invloed. Dat werd bepaald door de vroedschap van Gouda, later was hierbij ook een rol weggelegd voor de stadhouder. Het waren steeds regenten of rijke kooplieden die deze post tot de opheffing van de WIC zouden bezetten.
Bij de Tweede WIC was een benoeming in beginsel voor het leven, maar het was bewindhebbers toegestaan zelf ontslag te
34
nemen. Onder de Goudse bewindhebbers hielden de meesten het vol tot aan hun dood. Daardoor was de kans om aanspraak te maken op deze post voor andere leden van de Goudse elite niet groot. De Goudse kandidaten moesten zich kwalificeren door aan drie voorwaarden te voldoen. Zij moesten aantonen dat zij door hun stad waren gekozen als kandidaat, zij moesten minstens twee jaar hoofdparticipant (hoofdaandeelhouder) van de Compagnie zijn, en zij moesten een ambtseed afleggen.27
Zegel van de WIC op een brief met aanstelling tot bewindhebber van de WIC.
De kamer Amsterdam van de Tweede WIC telde tien bewindhebbers, gekozen uit de belangrijkste aandeelhouders. Dit aantal werd aangevuld tot zestien met bewindhebbers uit Gelderland, Utrecht, Overijssel, Haarlem, Leiden en Gouda. Deze bewindhebbers van buiten Amsterdam werden ‘buytenheeren’ genoemd. De voordelen van een bewindhebberspost voor de WIC zaten voor deze ‘buytenheeren’ niet zozeer in de materiele sfeer. De WIC was immers niet zo’n florerend bedrijf. Deze post bracht echter wel status met zich mee. We zien daarom vele namen van de Goudse elite terug onder deze bewindhebbers. Bewindhebbers met belangen in de handel op Suriname en het Caribisch gebied konden bovendien profiteren van (voor)kennis en invloed binnen de machtige kamer Amsterdam van de WIC. Dat zal bijvoorbeeld gegolden hebben voor de familie Jongkint, die gedurende drie generaties een bewindhebberspost bekleedde. De bewindhebbers moesten behoorlijk wat taken verrichten voor hun verdiensten. Zo zaten zij in verschillende commissies. In 1682 had de kamer Amsterdam bijvoorbeeld commissies voor de slavenhandel, Afrikaanse zaken en Amerikaanse zaken. Daarnaast moesten de bewindhebbers bij toerbeurt vertrekkende en aankomende schepen begeleiden. Zij moesten de lading van vertrekkende schepen controleren, met de kapitein de bemanning doornemen en controleren op smokkelwaar.
Bij schepen die aankwamen controleerde de bewindhebber onder andere de lading en nam hij de brieven en papieren uit de koloniën in ontvangst. Alles bij elkaar was het met name voor de bewindhebbers van de kamers Amsterdam en Zeeland veel werk. Als beloning voor hun werkzaamheden werd tien procent van het uitgekeerde dividend met een maximum van 60.000 gulden per dividenduitkering als provisie verdeeld onder alle bewindhebbers. Uiteraard alleen voor zover er sprake was van dividend. De bewindhebbers van de kamer Amsterdam waren niet onverdeeld gelukkig met de plaatsing van de ‘buytenheren’ in hun kamer. Diverse malen ontstonden er geschillen over de verdeling van de provisie over de bewindhebbers, met name over de vraag wie op moest draaien voor de provisie van de ‘buytenheren’. De kamer Amsterdam vond het niet redelijk om daar geheel voor op te draaien, omdat volgens deze kamer alleen in de kamer Amsterdam sprake was van ‘buytenheren’. De
35
kamer Zeeland was het daar uiteraard niet mee eens. En hoewel de Staten-Generaal duidelijk maakten dat de ‘buytenheren’ recht hadden op dezelfde provisie, zou er met regelmaat gesteggeld worden over de wijze van de bekostiging hiervan. Dat was ook wel te verwachten, want de zogenaamde ‘buytenheeren’ verrichtten veel minder werk. De Goudse Cornelis de Lange bijvoorbeeld was gedurende zijn ambtstermijn van zes jaar maar vier keer aanwezig. Het was dus niet vreemd dat over de verdeling van provisie en andere extraatjes wrevel ontstond tussen de bewindhebbers van Amsterdam, die het werk moesten verrichten, en de ‘buytenheeren’, die af en toe langskwamen.28 Boudewijn Jongkint was een Goudse bewindhebber die wel regelmatig deelnam aan de vergaderingen van de bewindhebbers. In 1702 werd hij benoemd in de commissies van de rekenmeesters, de zaken van Afrika en de slavenhandel.29 Vanuit die rol was Boudewijn Jongkint nauw betrokken bij de activiteiten van de kamer Amsterdam bij de slavenhandel. Zo schreef hij in september 1704 over een lading goederen aan Jacobus van den Broeken, die in Ardra (een West-Afrikaans koninkrijk aan de kust in het huidige Benin) werkzaam was voor de WIC. Hiermee zouden meer dan 500 slaafgemaakten kunnen worden aangekocht.
Ook zou Van den Broeken moeten zorgen voor varkens, hoenderen, limoentjes en andere verversingen, die gedurende de reis aan de slaafgemaakten verstrekt zouden moeten worden, zodat zij zo gezond mogelijk aan zouden komen op hun bestemming. Aan de schippers van de slavenschepen moest hij nauwkeurige rekeningen meegeven met de vermelding hoeveel goederen er voor iedere slaafgemaakte waren betaald. Zo kon de WIC een goed beeld krijgen van de handel en daarmee in de toekomst haar voordeel mee doen. Tot slot raadde Boudewijn Jongkint en zijn mede-briefschrijver aan om met de koningen en groten aldaar ‘in een goede harmonie en intelligentie te leven’, ook bedoeld om de handel te bevorderen.30 Wat verder de inbreng is geweest van de Goudse buitengewone bewindhebbers en of zij daarbij Goudse belangen inbrachten of aandacht hadden voor de uitwassen van het WIC-bedrijf, de slavenhandel en de slavernij, zal nader onderzoek moeten uitwijzen. Behalve provisie werden ook andere extraatjes uitgedeeld. Bewindhebber Dirk Aemilius Jongkint (1715-1783) ontving bijvoorbeeld van de WIC uit West-Afrika flessen limoensap, vaatjes limoensap, zoute limoenen en zure en zoute limmetjes (kleine limoenen).31 François de Mey (1726-1797) werd beloond met onder andere twee pullen zout, een mandje met 66 ‘Curaçaose appelen’ en een pot gember uit de kolonie Demerary.
Ook de stad Gouda zelf is in ieder geval een ruime periode jaarlijks voorzien van het nodige limoensap.32 Financiële belangen van de stad in de WIC Anders dan bij de VOC investeerde de stad Gouda wel in de WIC, maar zoals gemeld bij lange na niet de volgens het octrooi van de WIC vereiste 100.000 gulden, die door stad of inwoners moest worden ingelegd. In januari 1669 verstrekte het stadsbestuur van Gouda de order voor de aankoop van 9000 gulden nominale waarde aan aandelen voor rekening van de stad.33 De stad droeg de aandelen tegen een rente over aan bewindhebber Cornelis de Lange, in 1675 aan bewindhebber
36
Jacob van der Dussen en in 1682 aan bewindhebber Arent van Vossenburgh.34 Een bewindhebber was namelijk volgens de regels verplicht om voor 3000, later 4200 gulden aandelen WIC in bezit te hebben. Deze bewindhebber zou deze aandelen voor eigen rekening en risico behouden zolang hij bewindhebber was. Tegelijk met de overdracht van de aandelen moest de bewindhebber een obligatie (schuldbewijs) ter waarde van de aandelen verstrekken en een jaarlijkse rente aan de stad Gouda betalen. Mogelijk werden de aandelen op deze wijze steeds overgedragen aan een volgende bewindhebber. Ook is het mogelijk dat de aandelen op een gegeven moment definitief aan een bewindhebber werden verkocht. Nader onderzoek zal dit moeten uitwijzen. Toen de stad Gouda halverwege de 18e eeuw uit financiële noodzaak een belasting op ambten invoerde, werd die belasting voor de bewindhebber van de VOC expliciet genoemd. Hoewel de WIC niet genoemd werd, mag aangenomen worden dat ook op het ambt van bewindhebber van de WIC belasting werd geheven. Vanwege de lagere inkomsten van de bewindhebber van de WIC zal die belasting naar alle waarschijnlijkheid ook lager zijn geweest. Daarnaast heeft de stad Gouda een obligatie van 1000 gulden aangeschaft in de koloniën Essequibo en Demerary. Op deze obligatie is tussen 1780 en 1830 rente uitgekeerd.35
Obligatie van de stad in de koloniën Essequibo en Demerary, 1771, met kanttekeningen van de uitgekeerde bedragen.
37
Goudse bewindhebbers van de WIC en de periode van hun ambten van schepen, burgemeester en lid van de vroedschap36 1669-1671 Dr. Cornelis de Lange (1629 Gouda - 1682 Gouda) Vroedschap: 1660-1682 Schepen: 1660, 1661, 1663, 1664, 1666, 1667, 1671 Burgemeester: 1671, 1772, 1675, 1680, 1681. 1671-1676 Jacob van der Dussen (1631 Schiedam - 1701 Gouda; 1657 poorter Gouda) Vroedschap: 1664-1701 Schepen: 1665, 1669, 1670 Burgemeester: 1677, 1687, 1688, 1690, 1691, 1695, 1696, 1698, 1699, 1701 1677-1682 Dr. Cornelis de Lange (1629 Gouda - 1682 Gouda) Vroedschap: 1660-1682 Schepen: 1660, 1661, 1663, 1664, 1666, 1667, 1671 Burgemeester: 1671, 1772, 1675, 1680, 1681 1683-1693 mr. Arent van Vossenburgh Vroedschap: 1667-1693 Schepen: 1669, 1672 Burgemeester: 1682, 1684, 1685, 1688, 1689, 1692, 1693 1694
-
1695-1713 Boudewijn Jongkint (1655 Gouda - 1713 Gouda) Vroedschap: 1683-1713 Schepen: 1687, 1688, 1692, 1693 Burgemeester: 1706, 1707, 1713 1714-1715 1716-1743 Theodore Jongkint (1676 Gouda - 1743 Gouda) Vroedschap: 1714-1743 Schepen: 1715, 1716 Burgemeester: 1721, 1722, 1725, 1726, 1729, 1730, 1732, 1733, 1735, 1736, 1738, 1742, 1743 1744, 1745 Mr Willem Hendrik van Cattenburgh, heer van Grijpskerke en Poppendamme (1684 Den Bosch - 1745 Gouda; 1710 poorter Gouda) Vroedschap: 1720-1745 Schepen: 1720, 1721, 1724, 1725 Burgemeester: 1731, 1732, 1736, 1737, 1740, 1741 1746-1748 Reijnier Crabeth (- 1768 Gouda) Vroedschap: 1711-1748 Schepen: 1714, 1717, 1718, 1720, 1721 Burgemeester: 1727, 1728, 1730, 1731 1748-1762 Mr. Dirk de Lange (1700 Gouda - 1762 Gouda) Vroedschap: 1726-1762 Schepen: 1729 Burgemeester: 1741, 1742, 1745, 1746, 1749, 1750, 1753, 1754, 1757, 1758
38
1763-1783 Mr. Dirk Aemilius Jongkint (1715 Gouda- 1783 Gouda) Vroedschap: 1744-1783 Schepen: 1744, 1745, 1748, 1749, 1753, 1754, 1756, 1757 Burgemeester: 1758, 1759, 1762, 1763, 1766, 1767, 1770, 1771, 1774, 1775, 1778, 1779, 1782, 1783 1784-1792 Mr. Francois de Mey, heer van Nieuw-Lekkerland en Limmen (1726 Amsterdam – 1797 Limmen; 1742 poorter Gouda) Commissaris van de West-Indischen Handel 1793-1795 Vroedschap: 1748-1795 Schepen: 1755, 1756, 1758, 1765, 1766 Burgemeester: 1767, 1768, 1777, 1778, 1781, 1782, 1787, 1788, 1791, 1792, 1795
Conclusie Hoewel Gouda met Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden en Amsterdam behoorde tot de steden die samen met de Ridderschap van oudsher vertegenwoordigd waren in de Staten van Holland en West-Friesland, slaagde de stad er pas laat in buitengewone bewindhebbersposten bij de VOC (1665) en de WIC (1669) te verwerven. Het was toen al zeker duidelijk dat deze organisaties zich met slavenhandel en slavernij inlieten. Dat Gouda uiteindelijk een buitengewone bewindhebberspost in beide compagnieën wist te verkrijgen, lag aan het feit dat de octrooien van VOC en WIC verlengd moesten worden en dat men daar de steun van Gouda goed voor kon gebruiken. Zo werd het een uitruil van gunsten tussen Gouda en de compagnieën. Daarbij slaagde Gouda er wel in om, zo lijkt het, als enige stad of provincie aan de eis van een kapitaalinleg van 100.000 gulden aan aandelen in een kamer van de WIC te ontkomen. Direct financieel voordeel lijkt het stadsbestuur van Gouda nauwelijks gehad te hebben van de buitengewone bewindhebbersposten bij de VOC en de WIC. Voor de bewindhebbers zelf lag dat anders. De bewindhebberspost leverde verdiensten op, status, informatie en netwerken, die men kon inzetten voor eigen gewin. Het waren geliefde functies. Niet voor niets waren de bewindhebbers afkomstig uit de top van de Goudse (bestuurlijke) elite.
Allen waren lid van de vroedschap van Gouda en de meesten bekleedden meerdere jaren het belangrijke ambt van burgemeester van Gouda. Dat laatste gold voor alle Goudse buitengewone bewindhebbers van de WIC en voor dertien van de zestien, dus ruim 80% van de buitengewone bewindhebbers van de VOC. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de verwevenheid van het Goudse stadsbestuur en de buitengewone bewindhebbers bij de VOC en de WIC bijzonder groot is geweest. Dit hoofdstuk geeft een eerste blik op de relatie van het stadsbestuur van Gouda met de VOC en de WIC. Hoe vaak de Goudse buitengewone bewindhebbers de vergaderingen van de bewindhebbers bijwoonden, wat hun inhoudelijke bijdragen op die vergaderingen waren en of zij daarbij Goudse belangen inbrachten of aandacht hadden voor de uitwassen van de VOC en de WIC, de slavenhandel en de slavernij, zijn interessante vragen voor verder onderzoek.
39
3 Lourens en Madagascar: de zwarte zeehelden van de Eerste Schipvaart Leendert van der Valk
40
T
Tijdens de ‘Eerste Schipvaart’ richting Zuidoost-Azië, in 1595, kidnapte de Nederlandse vloot twee jongens die daarna jarenlang in dienst bleven van de compagnie. De handelsmissie stond onder leiding van de in Gouda geboren Cornelis de Houtman. Ook zijn broer Frederik was aan boord. Voor zover nu bekend zijn Lourens en Madagascar de eerste Afrikanen die door Nederlanders tot slaaf werden gemaakt. Een jongen van ongeveer vijftien jaar zit geketend aan boord van een groot schip. Het is eind oktober 1595, het schip ligt voor de kust van het Afrikaanse eiland Madagaskar. In de mast wappert een oranje-wit-blauwe vlag: de kleuren van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. De jongen heeft gemerkt dat de witte zeemannen hem ‘Lourens’ noemen, maar zo heet hij helemaal niet. Hij heeft een Malagassische naam, een naam die hij kreeg van zijn ouders in het dorp daar achter de bomen op de kust, waar hij een paar dagen geleden nog woonde. Een naam die hij hoorde als zijn vrouw hem riep wanneer zij hem nodig had. Een naam die hij nu alleen nog maar hoort van zijn dorpsgenoot die ook gevangen aan boord is. Dat is een jongen van ongeveer twaalf jaar, die door de witte mannen ‘Madagascar’ wordt genoemd. Maar zo heet hij niet. Hun echte namen zijn nooit genoteerd. De Nederlanders vernoemden hen naar het eiland vanwaar ze hen roofden. Het eiland Madagaskar werd destijds ook wel St.
Laurens genoemd. Over wat de twee voelden en dachten weten we ook vrijwel niets. Toch weten we meer over Lourens en Madagascar - zoals we de jongens dan maar zullen noemen - dan over de meeste andere slaafgemaakten die na hen kwamen. Bijvoorbeeld dat ze in de baai van St. Augustijn woonden, aan de zuidoostkant van het eiland. We weten dat de Nederlandse zeelui hen probeerden terug te verkopen aan de Malagassen, maar dat ze uiteindelijk werden toebedeeld aan de belangrijkste koopmannen op het schip. En dat ze slim waren, snel Nederlands leerden en noodgedwongen ervaren zeelieden werden in dienst van Hollandse handelaren. We weten ook dat ze zich niet zonder slag of stoot neerlegden bij hun lot.1
41
Het ‘groote Eylandt Madagascar’ ook wel Sint Laurens genaamd en 't Hollandse Kerkhof, 1598.
Lourens zou worden toegewezen aan de in Gouda geboren opperkoopman Cornelis de Houtman. Hij was de handelsleider van deze allereerste Nederlandse expeditie om Kaap de Goede Hoop naar Zuidoost-Azië, een reis die het pad zou effenen voor de latere Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Zijn broer Frederik was ook aan boord, als vrijwilliger. Sommige geschiedschrijvers hebben deze zogenoemde ‘Eerste Schipvaart’ de ‘belangrijkste reis voor de Nederlandse geschiedenis’ genoemd.2 De broers hebben er vele straatnaambordjes aan te danken. Op het De Houtmanmonument uit 1880, in het Houtmansplantsoen in Gouda, worden ze ‘grondleggers van het verbond van Nederland met Insulinde’ genoemd. Insulinde was de koloniale koosnaam voor Nederlands-Indië. Wat op geen enkel straatnaambordje of monument is terug te vinden, is dat het slagen van de reis mede afhankelijk was van de kennis en gedwongen arbeid van Lourens en Madagascar en enkele andere zeehelden van kleur die later nog gedwongen aan boord zouden komen. Lourens en Madagascar zijn voor zover bekend de eerste twee Afrikanen die door Nederlanders tot slaaf werden gemaakt en in dienst van een Nederlandse compagnie waren.3 Spionnen Voor de gebroeders De Houtman was de voorbereiding op deze reis al begonnen in 1592. De zoons van een Goudse bierbrouwer waren als twintigers naar Amster-
42
dam gekomen, in een periode waarin Gouda onder constante oorlogsdreiging van het Spaanse leger stond en de handel in bier sterk terugliep. De twee hadden een goede opleiding genoten aan de Goudse Latijnse school. In Amsterdam, het handelscentrum in opkomst, was wel behoefte aan dergelijke slimme ondernemers.4 Cornelis en Frederik werden benaderd door Reinier Pauw, een familielid met Goudse wortels die zou uitgroeien tot een van de belangrijkste regenten van Amsterdam. De vraag van Pauw was of ze als spionnen naar Lissabon wilden gaan. Hij had samen met enkele andere koopmannen en de cartograaf, astronoom en predikant Petrus Plancius het plan opgevat om een handelsreis ‘om de Zuid’ op te zetten: langs Kaap de Goede Hoop, een door Nederlanders nog onbevaren route. Al een eeuw lang had Portugal het Europese monopolie op de gewilde Aziatische specerijen als peper, nootmuskaat en kruidnagel. Portugal, dat in deze periode onder de Spaanse kroon viel, was de vijand en Hollandse handelaren zagen kansen in Azië. Maar de Portugezen hielden hun zeekaarten en handelscontacten vooralsnog geheim. Onder de dekmantel van de handel gingen de broers naar Lissabon om inlichtingen te verkrijgen, maar ze werden ontmaskerd en gevangengezet. De Amsterdamse handelaren, die zich inmiddels hadden verenigd in de Compagnie van Verre, kochten hen vrij en begin 1594 waren de twee weer terug in Holland.
Daar begon direct de voorbereiding op de tocht om de Zuid, want er was inmiddels wel degelijk informatie beschikbaar. Zo kregen de
Portret en handtekening van Cornelis de Houtman.
Titelblad van de Itinerario, voyage ofte schipvaert naer Oost ofte Portugaels Indien, 1596.
43
schippers beschikking over een manuscript van de Itinerario van Jan Huygen van Linschoten, een Nederlander die in dienst van de Portugezen had gevaren en zijn kennis over Portugees-Indië deelde. Met deze ‘sleutel tot de Oost’ en veel moed moest Indië te bereiken zijn. Zo vertrokken 249 bemanningsleden op 2 april 1595 vanaf de rede van Texel zuidwaarts, verdeeld over de vier schepen de Amsterdam, Hollandia, Mauritius en het Duyfken. Gevangen Als De Houtman begin oktober 1595 de St. Augustijn-baai van Madagaskar bereikt, ziet het er helemaal niet best uit voor de Hollanders. Ze hebben weliswaar de Kaap gerond, maar einddoel Bantam op Java is nog heel ver weg. De witte mannen waarmee Lourens spoedig kennis zou maken, zien er ongezond uit. Velen hebben bloedend tandvlees, zijn vermagerd en zitten onder de wonden. De helft van de bemanning lijdt aan scheurbuik. Ze hebben dan al zeker zeventig door ratten aangevreten lichamen begraven op een eilandje voor de kust van Madagaskar dat ‘Hollands kerkhof’ wordt gedoopt, een aantal andere doden is overboord gegooid. Bovendien heerst aan boord al wekenlang een hoogoplopende machtsstrijd tussen De Houtman en een andere belangrijke koopman, Gerrit van Beuningen. En dan beginnen ook de schermutselingen met de Malagassen.
Aanvankelijk wordt er goed gehandeld met ‘de indiaenen’, ‘wilden’ of ‘swarten’, zoals ze worden genoemd in de vele reisverslagen die zijn gemaakt en die dienen als bron voor het leven van Lourens en Madagascar. De zieke Nederlanders zijn van hen afhankelijk voor vers water, vis en vee, zoals de ‘eenighe schape die uytermaten schoon ende vet zijn’.5 Vanuit kano’s verruilen de eilandbewoners hun waren voor tinnen lepels, mutsen en kralen. Maar op 13 oktober lijkt een groep Malagassen een overval te doen op het Hollandse ziekenkamp dat is ingericht op het strand. Drie of vier Malagassen worden doodgeschoten. In de dagen daarna wordt de vrede kortstondig hersteld en de handel hervat, maar tijdens een vogeljacht van de Hollanders op 26 oktober gaat het mis. Op hun tocht landinwaarts nemen de matrozen zonder duidelijke reden een oude man gevangen. Later die dag varen zeven kano’s naar het schip Mauritius, waarschijnlijk om de oude man vrij te kopen. De Malagassen bieden vis aan, maar ze worden beschoten. Er valt een dode en de Hollanders nemen Lourens en Madagascar gevangen, samen met twee vrouwen, een man en twee jongere kinderen. Later die dag laten de ze de jongste kinderen en de vrouwen weer vrij. De eerder gevangen oude man verkopen ze voor een os en twee schapen. Maar Lourens en Madagascar blijven samen met de overgebleven volwassen man tegen hun wil aan boord.
De ontsnappingspoging Een paar dagen na het gevecht wringt Lourens zich midden in de nacht door de
44
patrijspoort van de Hollandia, samen met Madagascar en hun oudere dorpsgenoot. Vijf dagen zijn ze aan boord gevangen geweest en eindelijk voelt hij het bevrijdende warme water van de Indische Oceaan weer. Als kano varende kustbewoners kunnen ze goed zwemmen, maar de oude man heeft, als enige dan nog, een ijzeren boei om zijn voeten of handen (de verschillende verslagen spreken elkaar tegen). Lourens en Madagascar zien hoe het gewicht hem naar de bodem trekt. Hun dorpsgenoot verdrinkt voor hun ogen. Ze besluiten naar een schuit te zwemmen die aan een ander Hollands schip vastligt. Ze maken het los en proberen over het donkere water naar de monding van hun vertrouwde Onilahy-rivier te roeien. Tevergeefs, de stroming is te sterk. Bij het ochtendgloren worden ze ontdekt. De eerste Afrikanen die in oktober 1595 door Nederlanders tot slaaf worden gemaakt, zijn dus ook de eersten die in verzet komen. Dat verzet wordt direct de kop ingedrukt. Vanaf die dag worden ze geketend. Het zou staande praktijk worden van de vele handels- en ontdekkingsreizigers die na De Houtman kwamen: het gevangennemen van vaak jonge jongens om te dienen op het schip.
Het wordt lang niet altijd slavernij genoemd in de geschiedschrijving, maar dat is het natuurlijk wel: Lourens en Madagascar werden immers met geweld geroofd en te koop aangeboden (de zeelui proberen een dag later vee te krijgen in ruil voor Madagascar, maar het komt niet tot een deal). Ze probeerden aan hun lot te ontsnappen, maar dat werd hen onmogelijk gemaakt met ketens, en ze worden toegewezen aan ‘eigenaren’, de hoogsten in rang op het schip: Lourens aan Cornelis de Houtman en Madagascar aan koopman Jan Jansz Kaerel. Ze werden gedwongen te werken op een missie die niet de hunne is. Slavernij was in de Noordelijke Nederlanden in de 16e eeuw abnormaal. Het was in veel steden, waaronder Amsterdam, zeer waarschijnlijk bij wet verboden.6 Maar voor Hollandse zeevaarders die naar het zuiden voeren was het geen onbekende praktijk. Zij liepen zelf het gevaar om voor de kust van Noord-Afrika tot slaaf te worden gemaakt en ze zullen ook de Zuid-Europese slavenhandel hebben gekend. De gebroeders De Houtman hebben in Lissabon waarschijnlijk veel Afrikanen gezien. Sommigen vrij, maar velen niet. Er was in die stad een slavenmarkt waar al ruim een eeuw lang duizenden Afrikanen per jaar werden verhandeld. Ze zullen bovendien in de Itinerario van Jan Huygen van Linschoten hebben gelezen over de plekken in Azië waar de slaafgemaakten het goedkoopst gekocht konden worden.
Mochten er onder de bemanning van de Eerste Schipvaart nog scheepslui zijn geweest die de slavenhandel niet kenden, dan hadden ze er eerder die reis alsnog kennis mee gemaakt. Al een maand na vertrek uit Texel waren ze in de Golf van Guinee bij West-Afrika vijf schepen tegengekomen waarop weliswaar een Spaanse vlag wapperde, maar een Nederlandse admiraal het bevel voerde. Deze Joris van Medemblik vervoerde suiker en ‘veele swarten’, vooral vrouwen, van het Afrikaanse eiland São Tomé naar Lissabon, waarna hij zou terugvaren naar de Republiek. Uit
45
opmerkingen van de admiraal valt op te maken dat de scheepslui de vrouwen benedendeks verkrachtten.7 De reis van De Houtman had op papier niets te maken met slavernij; de Compagnie van Verre wilde niet in mensen handelen, maar was op zoek naar informatie en contacten voor de specerijenhandel. Toch werden Lourens en Madagascar zonder veel omhaal geroofd en tot slaaf gemaakt. Waarschijnlijk juist om die handelscontacten te dienen. Ze werden tolk, men leerde van hen de Malagassische gebruiken, handig voor een volgende reis die ongetwijfeld opnieuw zou aanleggen op het eiland. Bovendien was hun extra paar onbetaalde handen welkom op de schepen waar nog elke dag mensen stierven. De twee Malagassen leerden snel. Een van de verslagleggers van de reis schrijft: ‘Sij zijn beyde van goeden begrijpe (…). Want in corter tijt conden zy onse tale verstaen ende bequamelic spreken.’8 Uit de meestal vrij droge verslagen is op te maken dat de bemanning milde interesse had in de jongelingen. Zo ontdekken ze dat de twee onder hun katoenen lendendoeken besneden waren, waaruit sommigen ten onrechte concludeerden dat ze moslims waren. Bij een prent van de ‘inwoonderen van Madagascar’ staat dan weer dat ze ‘gheen Religie noch Wetten’ hebben, een ander zegt dat ze wel een schepper en een duivel kennen, maar weten ‘gantsch niet van bidden’.9 Het lijkt erop dat de Nederlanders maar wat gisten.
De prent is een afbeelding van de bewoners van Madagaskar. De mannen maken sprongen en dansen met veel rumoer en een ‘gheweer’ of stok in de hand. De vrouwen klappen en zingen daarbij in een ritme met kleine passen, 1617.
46
Toch vertellen die prenten en beschrijvingen wel iets, zij het gekleurd, over de wereld die Lourens en Madagascar achterlieten toen ze begin december vanaf de Hollandia hun dorp kleiner zagen worden. In dat dorp, aan een rivier vol vis en omgeven door bossen vol kleurrijke vogels, woonden ze in kleine ‘huijskens’, aten vis, peulen van de tamerinde, melk en ‘somwylen vleesch’ van wild of vee. Onder baobabbomen maakten ze muziek. Volgens de Hollanders ging dat gepaard met een vreemde dans: de mannen maakten ‘seltsame sprongen met veel rumoers, haer voeten achter uyt slaende, als de Peerden’.10 Toen ze wegvoeren richting Java liet mogelijk niet alleen Lourens een vrouw achter, maar ook Madagascar, want volgens de beschrijving van Malagassische gebruiken, die op basis van de twee jongens moet zijn gemaakt, trouwden ze rond hun twaalfde jaar. In de Indische Archipel Na een aantal maanden zijn de twee van hun ketenen bevrijd, want eenmaal op de volle oceaan was er geen ontsnappingsgevaar meer. Andere gevaren waren er te over. Nog altijd heersten scheurbuik, ruzie, wantrouw en de dood aan boord van de vier schepen. Er waren stormen, de schepen raakten elkaar kwijt en er waren conflicten; een dronken bootsman werd aan boord geëxecuteerd. Lourens had het niet getroffen met Cornelis de Houtman als baas.
Uit de reisverslagen spreekt een ongunstig beeld van de Gouwenaar die weinig leiderscapaciteiten bezat. Hij kon geen orde houden en handelde ondiplomatiek met buitenlandse gezaghebbers. Hoe hij omging met Lourens en Madagascar is niet bekend, maar de jongelingen waren de laagsten in rang aan boord, een kwetsbare positie als die-
Tekening van de stad Bantam op de noordwestkust van het eiland Java, 1598.
47
naar van de opperkoopman, die zelfs met de hooggeplaatste bemanningsleden regelmatige slaande ruzie had. Met nog minder dan de helft van de oorspronkelijke bemanning in leven bereikt de vloot in juni 1596 de stad Bantam op Java. Daar treffen de Hollanders een multiculturele handelsgemeenschap. In de haven en op de straten wordt gehandeld door Portugezen, Arabieren, Oost-Afrikanen, Chinezen en Bengalen. Slavernij is een belangrijk onderdeel van die wereld. Zowel de Portugezen als Javanen hielden slaafgemaakten die vaak afkomstig waren uit India, Bali of andere eilanden meer in de buurt. Welke rol Lourens en Madagascar precies spelen tijdens de zeven maanden dat de vloot in de Indische Archipel bleef, valt niet op te maken uit de overgeleverde verslagen. Met almaar minder overlevenden aan boord zal het belang van hun aanwezigheid verder zijn toegenomen, want erg soepel verliep het eerste contact tussen de Republiek en Azië niet. Was Lourens erbij toen Cornelis de Houtman en enkele bemanningsleden door tussenkomst van de Portugezen gevangen werden genomen door de sultan van Bantam? Mogelijk. Wat volgde was een beschieting van Bantam door de Hollandse vloot. Tijdens het verblijf in Azië komen er vaker vreemdelingen aan boord van de Hollandse schepen. Soms zijn het mensen die eerder door Portugezen tot slaaf zijn gemaakt. Zoals Antonio uit Goa in India.
Hij lijkt zich vrijwillig bij de Hollanders te hebben aangesloten en door zijn goede kennis van de talen en de wateren wordt hij een zeer waardevolle gids. Wanneer De Houtman gevangen zit, is het Antonio die boodschappen heen en weer brengt in zijn kano. Maar als later, wanneer de gevangenen weer vrij zijn, de Indiër door vijanden wordt ontvoerd, wil Cornelis de Houtman niets doen voor de man. Dit tot ontsteltenis van zijn bemanning die gehecht was geraakt aan Antonio. Zelfs als door Javaanse slaafgemaakten wordt aangeboden om hem voor een paar munten vrij te krijgen, weigert De Houtman. Een andere slaafgemaakte die de Nederlanders helpt is Abdoel; hij zou zelfs met Lourens en Madagascar meevaren naar Amsterdam. Abdoel kwam uit Gujarat, India, en fungeert als bootsman en tolk. Het heeft er de schijn van dat sommige slaafgemaakten dus juist hun vrijheid zoeken bij de Nederlanders. Tegelijk worden anderen, soms per tientallen tegelijk, gevangengehouden of zelfs botweg geroofd door De Houtman en zijn bemanning. Dat is het geval met twee Javaanse jongens. Het voorval zal Lourens en Madagascar bekend zijn voorgekomen. Bij een gevecht op 8 december 1596 nemen de Nederlanders ongeveer twintig mensen gevangen, waaronder een aantal vrouwen die later worden vrijgelaten. Maar als de schepen weer wegvaren, blijven twee jongens gedwongen aan boord.
Ze worden Arosbaja en Madoera genoemd, naar de plek waar ze geroofd werden, net als Lourens en Madagascar.
48
Ook deze twee jongens leggen zich niet neer bij hun lot. Ze hebben meer geluk dan de Malagassen. Hun ontsnapping lukt. Bij Lombok weten ze naar de kust te zwemmen en te ontsnappen uit slavernij. Hoewel er wonderbaarlijk genoeg tussendoor ook nog handel wordt gedreven, overheerst het geweld. Tijdens een gevecht bij Soerabaja komen ongeveer 150 Javanen om en enkele tientallen Nederlanders. Als het na enkele maanden tijd is om terug te keren naar Nederland zijn er nog maar net genoeg bemanningsleden in leven voor drie van de vier schepen. De Amsterdam wordt in brand gezet. Vlak voor vertrek sterft kapitein Jan Meulenaer een mysterieuze dood, die op vergiftiging lijkt. De dag ervoor had hij ruzie gehad met De Houtman en de opperkoopman wordt door zijn eigen scheepsraad, samengesteld uit de voornaamsten van het scheepsvolk, gevangengezet op verdenking van moord. Hij kreeg boeien om. Misschien wel dezelfde boeien als die Lourens had gedragen. Wat er met Lourens gebeurde terwijl zijn ‘meester’ gevangen zat, is niet duidelijk. Na twee dagen van onderzoek wordt De Houtman weer bevrijd van zijn boeien. Acht vreemdelingen Als in augustus 1597 de terugkeer van de reis om de Zuid wordt aangekondigd met trompetgeschal, zien de massaal toegestroomde Amsterdammers onder de 89 uitgeteerde zeehelden ook acht vreemdelingen door de stad lopen. Onder hen de twee tieners Lourens en Madagascar.
Ook de oudere Abdoel is naar Amsterdam meegekomen en er is een Javaanse jongen van acht jaar oud. Een andere Aziatische jongen is op de terugweg overleden. Zo brachten de gebroeders De Houtman op de eerste reis uit de koloniale geschiedenis van Nederland behalve veel informatie en een magere opbrengst van specerijen ook de eerste geroofde Afrikanen en Aziaten, voornamelijk kinderen, naar Nederland. Alleen al op basis van de cijfers valt te concluderen dat de slaafgemaakten een sleutelrol speelden in het voltooien van de missie. Na bijna dertig maanden reizen maakten de vreemdelingen een relatief groot deel uit van de overgebleven bemanning. Die was totaal uitgeput; in de eerste dagen aan wal stierven nog eens acht Indiëvaarders. Nog waardevoller dan hun fysieke arbeid was waarschijnlijk de cruciale kennis van talen, handel en waterwegen van de vreemdelingen. Het is de vraag of ze, eenmaal op het vasteland van de Republiek, als slaafgemaakten werden gezien. Er waren in die tijd in elk geval ook enkele vrije zwarte Amsterdammers en uit een door Hollanders opgetekend verslag over Abdoel is op te maken dat hij enige vrijheid ervoer. Zo wordt beschreven hoe hij later vertelt over zijn ervaringen in Amsterdam.
‘Dat Hollandt een vry Lant was, ende dat elck man daer zijn eygen Meester ende Heere was, ende dat daer gheen eyghen knechten ofte slaven waren.’11 Mogelijk waren Lourens en Madagascar er ook bij toen Abdoel in de winter van 1597 en 1598 in de Republiek zag dat er wel duizend sleeën over het bevroren water gingen en dat wel tweeduizend mensen ‘zowel te voet als te paard’ over het
49
water reisden. Hij had zelf ook op een slee gezeten. Daarbij zag hij kerken zo groot dat er een hele stad in paste, waarschijnlijk de Oude en Nieuwe Kerk van Amsterdam. Het is niet duidelijk hoeveel vrijheid de vreemdelingen kregen. Lourens, Madagascar en Abdoel zullen in de maanden dat ze in de Republiek waren in beeld van de Compagnie van Verre zijn gebleven, want ze staan een half jaar later op de rede van Texel klaar voor de ‘Tweede Schipvaart’ van de compagnie. Of ze een keuze hadden en of ze betaald werden is onbekend. Terug naar Java Ze gaan op 1 mei 1598 opnieuw scheep naar de Indische Archipel, maar ditmaal niet onder leiding van De Houtman, want die had voor de Amsterdamse compagnie afgedaan als leider. Dat betekent dat De Houtman blijkbaar geen persoonlijke zeggenschap heeft gehad over Lourens, maar dat de Malagassen mogelijk als opbrengst van de compagnie werden gezien en zodoende als ‘compagnieslaven’, of als werknemers. De reis om de Zuid had een ware wedloop om de handel in Azië ontketend. In 1598 vertrokken er meteen maar liefst 22 schepen die kant op. Cornelis de Houtman werd ondanks zijn dubieuze optreden ditmaal in dienst genomen door de Veersche Compagnie, zijn broer Frederik werd kapitein op één van de twee schepen van deze compagnie. Ook deze reis ging gepaard met geweld, waarbij Cornelis op Atjeh om het leven kwam.
Frederik werd gevangengenomen door de sultan van Atjeh en zou pas twee jaar later weer vrijkomen. Bij terugkomst zou hij het Spraeck ende Woordenboeck inde Maleysche en Madagaskarsche talen publiceren. Voor deze taalgids voor de handel heeft hij de Malagassische zinnen opgetekend ‘van een ingezetene van de Antongilbaai, gelegen op het eiland Madagaskar’.12 Mogelijk vergist Frederik de Houtman zich hier, want de enige ingezetenen van Madagaskar waar Frederik volgens de verslagen lange tijd mee te maken had, waren Lourens en Madagascar. En die kwamen uit een heel ander deel van het immense eiland. Zij waren bovendien helemaal niet bij hem op Atjeh, dus mogelijk nam Frederik de Houtman op zijn tweede reis nog een andere inwoner van Madagaskar gevangen. De twee jongens waren in 1598 wel onderweg die kant op, maar dan onder leiding van nieuwe admiraals, in dienst van dezelfde Amsterdamse kooplui als hun eerste gedwongen reis. Ze passeerden hun geboorteplek, maar zagen die waarschijnlijk hoogstens vanuit de verte. Lourens zit op het grootste van de acht schepen, de Amsterdam, onder leiding van viceadmiraal Jacob van Heemskerck. In plaats van aan te meren op Madagaskar vaart het schip door naar een tot dan toe voor Nederlanders onbekend eiland. Ze noemen het Mauritius. Ze treffen er reuzenschildpadden en dodo’s, grote vogels die zich makkelijk laten doden.
50
Lourens is dan ongeveer achttien jaar oud, spreekt Nederlands en kleedt zich volgens de Hollandse zeemansgebruiken. Hij zal inmiddels gewend zijn geraakt aan de naam die de witte mannen hem hebben gegeven. Misschien dat hij tegen wil en dank inziet dat hij zich zal moeten aanpassen om te overleven. Op zijn verzoek, aldus verschillende verslagen, laat hij zich op Mauritius dopen door een meegereisde ‘ziekentrooster’ die ook predikt voor de zeelui. Een verslag vermeldt dat vice admiraal Jacob van Heemskerck en schipper Jan Cornelisz. de jongen ‘tot peten’ nemen. Hij is daarmee waarschijnlijk de eerste Afrikaan die door een Nederlander op Afrikaanse grond is bekeerd, zoals later staande praktijk zou worden voor missionarissen en zendelingen. Zijn naam was nu Lourens de Swart.13 Madagascar treft een ander lot. Hij vaart op een schip dat aanlegt bij de Antongilbaai. Dat is op zijn geboorte-eiland, maar wel zo’n duizend kilometer verwijderd van zijn dorp. Daar krijgt hij de mogelijkheid om vrij te worden. Volgens verschillende verslagen weigert hij omdat hij liever ‘gekleed aan boord blijft, dan naakt te gaan om zwaar werk te verzetten’.14 Uit andere delen van de verslagen is echter op te maken dat hij de taal van dat deel van het eiland niet sprak en dat er vermoedelijk onderlinge oorlogen woedden.
Het Hollandse schip was aantrekkelijker dan zogenaamde vrijheid in vijandelijk gebied ver van huis. Het is alsof je een Hollander zou vrijlaten in Spanje.
Anoniem, Journael vande reyse der Hollandtsche schepen ghedaen in Oost Indien: haer coersen, streckinghen ende vreemde avontueren die haer bejegent zijn, seer vlijtich van tijt tot tijt aengeteeckent [...] (1598).
Peper, kruidnagel, nootmuskaat De Tweede Schipvaart verliep een stuk gunstiger dan de eerste. Er was een beduidend betere verstandhouding met de lokale gezaghebbers op de verschillende eilanden en onderweg stierven veel minder bemanningsleden dan tijdens de eerste vaart. Dat geldt helaas niet voor Abdoel. In Bantam hielp hij opnieuw als tolk en loods, maar wordt doodgestoken door vijanden.
51
Over Lourens en Madagascar wordt weinig meer verteld in de scheepsjournalen. Waarschijnlijk zijn zij aan boord als de vloot na bijna vijftien maanden terugkeert met een rijke lading peper, kruidnagel en nootmuskaat aan boord. De opbrengst is enorm en de Amsterdammers onthalen de schepen met een groot feest. Daarna zijn ze vooralsnog spoorloos in de archieven. Mogelijk verblijven de twee jongens, stevige jongemannen dan, weer enkele maanden in de Republiek, waarna ze waarschijnlijk opnieuw zouden uitvaren, want zulke ervaren zeelui waren zeer gewild op de gevaarlijke tochten naar Azië. In dat geval zouden ze na enige tijd voor de VOC zijn gaan werken, die in 1602 voortkwam uit onder meer de Compagnie van Verre. De opperkoopman op de eerste VOC-vloot was Frederik de Houtman. In 1605 benoemde de VOC hem tot gouverneur van Ambon en in 1621 kreeg hij de belangrijke functie van Raad van Indië en werd gouverneur van de Molukken. Tijdens zijn gouverneurschap op de Molukken vond het beruchte bloedbad op de Banda-eilanden plaats. De VOC pleegde er genocide op de lokale bevolking, maakte honderden Bandanezen tot slaaf en besloot de eilanden later te herbevolken met slaafgemaakten van elders. Zo was de VOC in nog geen twintig jaar tijd uitgegroeid tot een expansieve, oorlogvoerende handelscompagnie, die geweld en genocide niet schuwde.
De compagnie ontwikkelde zich vanaf het begin in de slavenhandel, waarbij ook slaven uit Madagaskar werden gehaald.15 Dubbelhartig Frederik de Houtman stierf in 1627 in Alkmaar. De Goudse broers zijn in de eeuwen daarna vaak geroemd als grondleggers van de handel in ‘de Oost’. Toen er circa 250 jaar later sprake was van de oprichting van het De Houtman-monument in Gouda, was er een enkeling die daar vraagtekens bij durfde te plaatsen. In de Goudse Courant van 18 februari 1876 schrijft een auteur die zich Luctor noemt dat een vriend hem vroeg hoe het vieren van de gebroeders De Houtman zich verhoudt tot de aanklacht tegen het koloniale stelsel zoals beschreven in de roman Max Havelaar. ‘Is dat niet tegelijker tijd hulde brengen aan het stelsel van onderdrukking, door onze regeering in Indië reeds zoolang in toepassing gebracht?’ Deze Luctor komt echter tot de conclusie dat de Goudse broers niets te maken hebben met wat na hen gebeurde. ‘Redenen waarom ik volhoud, dat men met den Max Havelaar in de ene hand, met de andere het glas kan ledigen, ter eere van den ondernemingsgeest der Houtmans, zonder daarom dubbelhartig te zijn!’ Hij was vermoedelijk niet op de hoogte van Lourens, Madagascar, Arosbaja, Madoera en de andere geroofde kinderen tijdens deze reis.16
52
Monument in het Houtmansplantsoen ter nagedachtenis aan de gebroeders Cornelis en Frederik de Houtman, kort na de onthulling in 1880.
In 1901 kreeg het plantsoen waar het monument staat de naam Houtmansplantsoen. Ook andere plaatsen in Nederland hebben een plantsoen met die naam, zoals Drunen en Voorschoten. Tientallen steden en dorpen hebben straten, pleinen of lanen vernoemd naar een of beide broers. De namen van Lourens de Swart en Madagascar komen voor zover bekend nergens voor op straatnaambordjes. Laat staan hun echte Malagassische namen.
53
interview De reis naar de voorouders Een interview met Anne-Fay Kops en Juliet Echteld Stuart Kensenhuis
54
Zangeres Anne-Fay en haar broer Felix Kops zijn geboren en getogen in Gouda. Op zoek naar hun familiegeschiedenis krijgen zij een tour door de kerkers van Fort Elmina. Dit is een eeuwenoude handelspost aan de kust van Ghana, die bijna 250 jaar het bezit was van de Nederlanders. In de duistere ruimtes hangt de achtergebleven energie van duizenden slaafgemaakte Afrikanen. Angst, wanhoop en verdriet. Aan de zeezijde zit de ‘door of no return’. Afrikanen die gedwongen werden hier doorheen te lopen, zouden nooit meer thuiskomen. ‘Hier zaten de mannen. En hier zaten de
derland zijn wij begonnen met onderzoe-
vrouwen’, zegt een gids. ‘Elke avond kwam de Hollandse gouverneur om de vrouwen aan te wijzen die gewassen mochten worden. Daarna werden zij verkracht.’ Anne-Fay probeert de beelden in haar hoofd te analyseren en te controleren, maar het lukt niet. Na het lezen van de tekst op een plaquette barst zij in tranen uit.
ken en het interviewen van verschillende mensen. Daarna zijn wij naar Aruba en Curaçao getrokken. Vervolgens naar Suriname en naar Ghana. De laatste reis zou naar China gaan, maar door de coronapandemie ging dat niet door.’
IN EVERLASTING MEMORY of the anguish of our ancestors. May those who died rest in peace. May those who return find their roots. May humanity never again perpetrate such injustice against humanity. We the living vow to uphold this. Haar broer troost haar. Op dat moment is er niets krachtiger. Dus zij herpakt zich. Door de gezamenlijke zoektocht naar hun familiegeschiedenis staan zij vastberaden in de ruimtes, waar één of meer van hun Afrikaanse voorouders gruwelijke tijden hebben meegemaakt. Hier werden zij gebrandmerkt. Hier waren zweepslagen aan de orde van de dag, voor relatief kleine vergrijpen. Bij zwaardere ‘vergrijpen’, waaronder verzet, volgde verminking of de dood. Alles had tot doel om angst in te boezemen en de slaafgemaakten te onderwerpen. Over deze zoektocht naar identiteit maakten Anne-Fay en Felix een muziekalbum en een theatervoorstelling: ‘Reaspora’. De voorstelling werd genomineerd voor de BNG Bank Theaterprijs. ‘Het woord Reaspora komt van het woord diaspora, maar dan in omgekeerde volgorde’, vertelt Anne-Fay. ‘In Ne-
Vermoedelijk kunnen zij bij de afsluiting van de reis hun familiegeschiedenis veel beter een plek geven. Hun Surinaamse opa was Joannes Julius Marie Echteld, van gemengde Chinese en Creoolse afkomst. Duidelijk verbonden met de trans-Atlantische slavernij, met verhalen zoals dat van Fort Elmina. Maar ook verbonden met de Chinese contractarbeiders. Begin jaren ‘50 van de 20e eeuw vertrok hij naar Nederland. Omstreeks 1962 ging hij voor een nieuwe baan met zijn gezin naar Curaçao. Bijna vijf jaar later was hij terug in ons land. Joannes Echteld had zes kinderen, van wie twee meisjes. Juliet Echteld woont in Gouda en is één van hen. Zij trouwde met een witte man met de naam Kops. Samen kregen zij twee kinderen: Anne-Fay en Felix. ‘Vanwege onze witte huid kunnen wij voor “white passing persons” doorgaan’, zegt Anne-Fay. Oost en west zijn dus duidelijk in deze familie verenigd. ‘Het perspectief van personen met een gemengde afkomst is een dimensie verder dan alleen maar zwart en wit’, zegt Juliet Echteld. Zij is trots op haar kinderen; dat zij de stappen hebben gezet om de familiegeschiedenis te ontrafelen. Want zij hadden makkelijk achterover kunnen leunen, genietend van hun ‘white privilege’. Maar zo staan zij er niet
55
Juliet Echteld (l) en Anne-Fay Kops (r).
in. Zij willen ook kennismaken met en leren van hun Afrikaanse oorsprong. En zicht hebben op wat hen voor een deel Chinees maakt. Daarom werken zij ook aan een familiestamboom. Als het aan de vader van Juliet had gelegen, dan waren zijn nazaten onwetend gebleven over hun oorsprong. Hij vertelde namelijk niets over de periode toen hij in Suriname opgroeide. Niets over zijn familie. Niets over het racisme dat hij ongetwijfeld moet hebben meegemaakt in zijn beginjaren in Nederland. En niets over Sranantongo, de taal die hij zo liefhad. Zelfs toen hij in 1961 promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam (UvA), nota bene op een proefschrift over de Engelse woorden in het Sranantongo, zag hij geen aanleiding om zijn kinderen die taal te leren. Misschien wilde hij ze niets meegeven van zijn pijn en zijn verdriet, zowel over Suriname als over Nederland. Misschien wilde hij dat zij zich zo goed mogelijk zouden aanpassen aan de Nederlandse taal en cultuur.
56
Een feit is dat Juliet niets is bijgebracht over haar afkomst, dus kon zij ook niets doorgeven aan haar eigen kinderen. ‘Na opa’s overlijden vond mijn nicht tussen zijn spullen een boek van Frantz Fanon’, vertelt AnneFay. ‘De titel was Zwarte huid, blanke maskers. Daarin had hij verschillende zinnen onderstreept die gaan over racisme. Dus hij sprak er niet over, maar hij was er wel degelijk mee bezig.’ Haar moeder herinnert zich ook iets, wat je kunt verklaren als de doorwerking van het koloniaal en slavernijverleden. ‘Ik hoorde hem wel eens Sranantongo praten tegen anderen, bijvoorbeeld tegen een Surinaamse buurman van ons. Maar nooit bewust waar wij bij waren.’ In de zoektocht naar hun identiteit is het voor Anne-Fay en Felix belangrijk dat zij zich gedragen voelen. Onder meer door hun moeder. Maar ook door hun Surinaamse opa, ook al vertelde hij niets over zijn achtergrond. Hij is wel de dichtstbijzijnde voorouder die al vertrokken is. Een man die zij bovendien persoonlijk gekend hebben. Vast-
staat dat hij in directe lijn verbonden is met de voorouders. Anne-Fay voelt soms nadrukkelijk hun aanwezigheid. Bijvoorbeeld tijdens een bezoek aan Peperpot, een voormalige koffieplantage in Suriname. Het is de plek waar de familie Echteld vandaan komt. ‘Ik ging daar naartoe om een eerbetoon te brengen aan mijn voorouders door te gaan
men. ‘Het leek wel alsof er heel precies, speciaal voor mij, een gat in de dag gemaakt was om dat optreden te doen’, zegt AnneFay.
zingen en had daarom familieleden uitgenodigd. De hele dag regende het hard. Onderweg ernaartoe begon het bovendien te bliksemen. Daarom twijfelde ik sterk of ik dit wel mocht doen’, vertelt Anne-Fay. Ongeveer tien minuten voordat zij zou beginnen, stopte het plotseling met regenen en brak de zon door. Tijdens het zingen, voelde zij de wind in haar rug. Het gaf rust. Zoiets als: je mag dit doen. Na het eerbetoon begon het meteen weer te regenen en te blikse-
verleden, nu kun je er bijna niet omheen. Dat geldt ook voor Gouda, de stad waar Anne-Fay is geboren en getogen. ‘Hartstikke mooi dat mijn geboortestad zich ook bezighoudt met dat verleden. Het is een belangrijk deel van de Nederlandse geschiedenis. Daarom moeten wij samen stilstaan en herdenken. Zodat het niet opnieuw gebeurt’, merkt zij op. Haar moeder ondersteunt haar woorden. ‘Kennis geeft begrip en verbinding’, zegt zij.
Gunstig is dat het tij in Nederland is gekeerd. Waren er vroeger weinig zichtbare uitingen in Nederland van het koloniaal en slavernij-
Gezicht op de huizen op de Plantage Peperpot. Onderdeel van het fotoalbum Souvenir de Voyage, over het leven van de familie Dooyer, circa 1891.
57
4 Dienaren en schepen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC): Gouwenaars en hun overzeese ontmoetingen Roxana Chandali
58
A
Azië, Afrika en Amerika lagen weliswaar ver weg, maar toch kwamen veel Gouwenaars daar terecht door in dienst te treden bij de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) of de West-Indische Compagnie (WIC). Deze Gouwenaars vertelden, als zij tenminste levend terugkeerden, ongetwijfeld hun verhalen bij thuiskomst. Daarnaast kwamen steeds meer mensen in aanraking met de producten uit deze verre gebieden, zoals peper, nootmuskaat, foelie, koffie, thee, cacao, tabak en porselein. Voor de ruilhandel waren deels goederen nodig die in Nederland werden geproduceerd en als handelswaar de wereld overgingen, maar ook producten voor de bouw van schepen en de bevoorrading van de bemanning. Dit hoofdstuk vertelt het verhaal van (een aantal) Gouwenaars die in dienst van de VOC naar Azië vertrokken en dat van schepen met de naam Gouda. Welke reizen maakten deze schepen en met welk doel? Volgens de Trans-Atlantic Slave Trade Database (TSTD), die zoveel mogelijk slavenreizen verzamelt, zijn er geen slavenschepen geweest met de naam Gouda. Wel waren er koopvaardijschepen in het Atlantisch gebied actief die de naam Gouda droegen, zoals een schip met de naam Juffrouw Gouda en een bark genaamd Gouda. Hoewel er ook Gouwenaars zijn geweest die in dienst zijn geweest bij de WIC, zijn de bronnen hiervoor schaarser en minder toegankelijk.1 De aandacht in dit hoofdstuk gaat daarom uit naar de VOC en Azië.
Scheepsbemanning van de VOC De personeelsadministratie van de VOC is redelijk goed bewaard gebleven en toegankelijk. In de scheepssoldijboeken zijn de persoons- en salarisgegevens te vinden van de opvarenden van een groot aantal VOC-schepen uit de periode 1699-1794. Hierin komen maar liefst 774.200 opvarenden voor die hebben aangemonsterd voor een reis naar de Oost. Dit zijn niet allemaal unieke personen. Sommigen van hen maakten namelijk meerdere reizen. In de index van VOC-opvarenden komt ruim 4100 keer een Gouwenaar voor.2 Ook hierin zitten dubbeltellingen, want een behoorlijk aantal van hen maakte meerdere reizen en komt dus vaker voor.
59
Overlijdensverklaring betreffende Bartholomeus van Es uit Gouda, overleden in Batavia in 1756.
Wisselbrief voor het uitbetalen van ruim 4000 gulden aan de Weesmeesters van Gouda, waarschijnlijk ten behoeve van de nalatenschap van Bartholomeus van Es, gestorven in 1756 in Batavia.
60
Sommigen van de Goudse opvarenden zullen voor het avontuur hebben gekozen, anderen hoopten om rijk te worden via particuliere handel of corruptie, maar voor het overgrote deel van hen was het een mogelijkheid om in het levensonderhoud te voorzien. Onderweg kregen zij te maken met ziekten, gebrek aan voedsel en water en velen keerden niet naar huis terug. En daar, ver van huis, kwamen zij in aanraking met geheel andere werelden en met slavernij. Verreweg de meeste Goudse opvarenden vertrokken als matroos. Matrozen behoorden tot het lagere scheepsvolk en verdienden zo’n tien gulden per maand. Zij zorgden voor de waak- en roergang, hielpen bij het laden en lossen van de vracht, zorgden voor het reinigen en onderhouden van het schip en voor de zeilen en verrichtten allerhande klusjes voor de onderofficieren aan boord. Bosschieters en hooplopers vormden, naast de matrozen, andere grote groepen. Bosschieters waren ervaren matrozen die ook een kanon konden afvuren. Hooplopers waren daarentegen minder ervaren en waren juist de helpers van de matrozen. Onder de Gouwenaars was ook een behoorlijk aantal soldaten te vinden. Jaarlijks maakten soldaten 1/3 tot 2/5 van het uitgezonden personeel van de VOC uit. Van de matrozen kwam circa 40% uit het buitenland en van de soldaten circa 60%. Over het algemeen waren zij niet getrouwd en hadden zij niet de zorg voor een gezin.
Gezien de arbeidsomstandigheden bij de VOC, het loonpeil en de overlevingskansen in dienst van de VOC, behoorden de matrozen en soldaten tot de maatschappelijke onderlaag.3
Aantal reizen van Gouwenaars naar de tien meest voorkomende functies van hen aan boord van een VOC schip in de periode 1699-17944 Functie
Aantal
Matroos
1474
Bosschieter
712
Soldaat
437
Hooploper
424
Jongmatroos
363
Jongen
101
Kwartiermeester
88
Konstabelsmaat
50
Onder(scheeps)timmerman
49
Adelborst
44
Totaal
3742
De schipper was de belangrijkste man aan boord en had de algehele leiding. Onder de Gouwenaars brachten twee het tot schipper: Jurriaan Verburg en Thomas Middelmeer. Jurriaan Verburg begon zijn carrière bij de VOC als derde stuurman in 1755 en klom via onderstuurman en een lange tijd op de intra-Aziatische vaart, op
61
tot schipper in 1771. In die functie maakte hij drie retourreizen. Toen hij in 1777 uit Batavia met het schip Amsterdam teruggekeerde, had hij ook zes passagiers aan boord, onder wie twee vrouwelijke slaafgemaakten. Deze behoorden ongetwijfeld bij één of meerdere van de andere passagiers. Het kwam vaker voor dat slaafgemaakten met schepen van de VOC terugreisden. In de Republiek bestond formeel geen slavernij; daarom werden zij vaak op Kaap de Goede Hoop verkocht. Gouwenaars kwamen zo aan boord van deze schepen in aanraking met slaafgemaakten, maar zeker ook in Azië zelf, waar zowel de VOC als privépersonen slaafgemaakten bezaten. Een goede afkomst en de juiste relaties konden een VOC-carrière aanzienlijk positief beïnvloeden en versnellen. Dat gold ook voor een aantal Gouwenaars. De positie van (onder)koopman bood geheel andere perspectieven dan die van matroos of soldaat. De functie van koopman was niet zozeer geliefd vanwege het hogere loon, maar vooral door de mogelijkheid van privéhandel. Voor de VOC werd de privéhandel en de corruptie een steeds groter probleem en één van de oorzaken van de ondergang van de VOC. De VOC had te maken met een groot verloop onder het personeel. Een deel van de Gouwenaars bedacht zich nog voor vertrek van het schip waarvoor zij waren aangemonsterd, een ander deel liep tijdens de reis weg.
Een groot deel van de aangemonsterde Gouwenaars keerde niet levend terug naar het vaderland. Velen van hen zullen door ziekte zijn overleden, maar we weten ook dat er zes vermoord werden en er 79 met hun schip zijn vergaan. Eén van hen, over wie later meer, kreeg de doodstraf. Van velen van hen weten we niet meer dan wat is opgetekend in de scheepssoldijboeken; dat wil zeggen gegevens als naam, plaats van herkomst, schip en verdiensten. Van anderen is meer bekend. Hun levensverhalen bieden een kijkje in de wereld waarmee zij in aanraking kwamen, maar duidelijk mag zijn dat dit een eenzijdig Eurocentrisch perspectief is.5 Steven Doensen van Groenendijck: van koopman in Indië tot burgemeester in Gouda Steven Doensen van Groenendijck (1574-1649) vertrok in 1602 met een vloot onder leiding van Wybrand van Warwijck naar Azië. Van Warwijck stichtte handelsposten in Bantam op Java en Grissee, nu Gresik, vlakbij Soerabaja, aan de noordkust van Java. Bantam was in die tijd de belangrijkste stad van wat nu de Indonesische archipel is. Handelaren uit onder andere India, Perzië en China kwamen hiernaartoe voor allerhande handelswaren. Van Groenendijck begon in 1603 als onderkoopman in Bantam, maakte promotie en was vervolgens van 1606 tot 1608 koopman in Grissee. Grissee was in die periode een belangrijke havenstad en een stapelplaats van voedsel, peper en textiel.