CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

Koloniaal en slavernijverleden van Gouda - Binnenwerk_LR7

Commissie Samenleving 6 mei 2024, gemeente GoudaBij agendapunt: Vervolg oordeelsvorming Slavernijverleden32.850 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

HET

KOLONIAAL EN

SLAVERNIJVERLEDEN VAN

GOUDA Een verkenning

Coretta Bakker, Roxana Chandali, Endi Kartokromo, Ramona Negrón, Cor Revet (redactie)

Colofon Uitgave Streekarchief Midden-Holland, Gouda Redactie Coretta Bakker, Roxana Chandali, Endi Kartokromo, Ramona Negrón, Cor Revet Klankbordgroep Isabel Halvax, Leen de Jong, Giovanni Koelfat, Hans Kristian Ploos van Amstel, Yanice Slagveer Tekstredactie Miranda van Elswijk, Iris van Harskamp, Rosanne van der Wolf Beeldredactie Coretta Bakker, Roxana Chandali, Marianne van der Veer Eindredactie Roxana Chandali Vormgeving en productie The Happy Horseman, Rotterdam Afbeelding omslag De illustratie op de omslag is samengesteld op basis van afbeeldingen van Elisa Clasina Bergen (Privécollectie. Ingekleurd en bewerkt door Liefdewerck & Oudt Paepier), Jacob Blauw (National Gallery, Londen), Marcellus Bisdom van Vliet (Collectie Rijksmuseum) en Bok Srani Manirah (Nationaal Archief Den Haag, Database Javaanse contractarbeiders in Suriname 1890-1930) met op de achtergrond de kaart van Gouda door Johan Blaeu, 1650 (Streekarchief MiddenHolland, Collectie Kaarten en plattegronden). ISBN 9789082338393 NUR 680 © 2024, Streekarchief Midden-Holland en de auteurs Deze uitgave is tot stand gekomen in opdracht van en dankzij een bijdrage van de Gemeente Gouda en met subsidie van het Mondriaan Fonds in het kader van het Herdenkingsjaar Slavernijverleden

2

Voorwoord

‘Geschiedenis kun je niet opnieuw schrijven; wel opnieuw lezen.’ Deze dikke zin sprak theatermaker en oud-stadsdichter Ruud Broekhuizen uit tijdens een voorstelling. Ik vergat hem nooit meer; geraakt als ik was, ook als historicus. Natuurlijk kun je wel geschiedenis schrijven; historici doen niet anders door bronnenonderzoek, archiefvondsten en nieuwe inzichten. Wat hij vooral bedoelde te zeggen was dat de geschiedenis reeds gegeven is, niet meer opnieuw vorm te geven. Wat gebeurd is, is gebeurd. Dit kun je met een nieuwe bril telkens opnieuw bekijken; dit doet zich in de loop van de geschiedenis en de historiografie voortdurend voor. Hermeneutiek (studie van de interpretatie van teksten) doet er daarom toe. De geschiedenis en de herinneringscultuur rond het onderwerp slavernij is daar ook zo’n voorbeeld van. Tijdens mijn geschiedenisstudie in 2002 raakte ik gefascineerd door de 17e eeuw en de opkomst van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. De 17e eeuw was een tijd van ongekende bloei, met kunstenaars als Vermeer en Rembrandt en belangrijke uitvindingen als het fluitschip en de microscoop. In datzelfde jaar 2002 vierden velen in Nederland het 400-jarig bestaan van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). De herdenking van deze periode was vooral gericht op triomfen en successen, terwijl de slavenhandel meer op de achtergrond bleef.

“

Het is daarom een ongemakkelijk, maar nodig geschenk dat dit boek hier nu ligt Vandaag de dag is er beduidend meer aandacht voor de donkere kant van de geschiedenis. De Gouden Eeuw bijvoorbeeld had ook een ruwe en afschuwelijke kant. Ik denk dat het goed is om dit onder ogen te zien. Het is daarom een ongemakkelijk, maar nodig geschenk dat dit boek hier nu ligt. Een verkenning van het koloniaal en slavernijverleden van Gouda. Deze studiebundel is tot stand gekomen vanuit een doorleefd besef van het stadsbestuur om ons koloniale verleden en het daaruit voortvloeiende slavernijverleden onder ogen te zien. Het boek verschijnt in het Nationaal Herdenkingsjaar Slavernijverleden 1 juli 20231 juli 2024 en sluit aan op de activiteiten die in dit herdenkingsjaar binnen Gouda plaatsvinden. Het onderwerp leeft meer dan ooit tevoren. De veel grotere opkomst dan verwacht bij de eerste Keti Koti-viering in de Chocoladefabriek op 1 juli 2022

3

Voorwoord

en een nog grotere opkomst een jaar later in Cultuurhuis Garenspinnerij laat zien dat er zeker wel behoefte is aan meer kennis over en aandacht voor het koloniaal en slavernijverleden. De aanleiding voor deze publicatie is divers en rijk aan betekenis. Het begon met vragen vanuit de gemeenteraad, die hebben geleid tot het besluit om een onderzoek uit te voeren naar het koloniale en slavernijverleden van Gouda. De motivatie hierachter was helder: we moeten ons verleden onder ogen zien om het heden beter te begrijpen. We hebben Streekarchief Midden-Holland de opdracht gegeven om deze onbekende geschiedenis weer tot leven te brengen. Er zijn nieuwe vragen gesteld aan oude bronnen. In navolging van diverse andere steden, provincies en het Rijk hebben we de stap gezet om onze geschiedenis op dit vlak nader te verkennen. Aan het begin van dit project hadden we weinig idee wat deze verkenning zou opleveren. Het was een reis in het onbekende, een zoektocht naar verborgen verhalen, feiten en gebeurtenissen die het daglicht nog niet hadden gezien. Dit boek markeert het begin van een nieuw hoofdstuk in het begrijpen van ons verleden en is een aanzet voor gesprekken onder Gouwenaars over de doorwerking en betekenis van dit verleden in ons heden. Niet zonder reden.

Het is cruciaal dat we ons bewust worden van de gruwelijkheden van slavernij en erkennen dat dit onrecht niet enkel een historische gebeurtenis is, maar nog altijd in verschillende vormen voortleeft in onze hedendaagse samenleving. De geschiedenis van Gouda gaat niet slechts om economische belangen, maar ook altijd om mensen. Als het gaat om de trans-Atlantische slavernij gaat het om Afrikaanse mensen in de bloei van hun leven, die tegen hun wil gevangen werden genomen, geketend en vernederd. In een vreemd land werden ze gedwongen om te werken op plantages die door Nederlanders werden gerund, zonder vrede, vergoeding of vrijheid. Toch waren er in die tijd al protesten. Dominee Udemans uit Zierikzee schreef aan de VOC en de West-Indische Compagnie (WIC) dat mensen lichamelijk vrij moesten zijn, al was het maar om God in vrijheid te dienen. Dominee Smytegeldt uit Middelburg beschouwde het stelen van mensen als ‘grove dieverij’ en vond dat je daar geen ‘handel’ van mocht maken. Ze waren roependen in de woestijn, omdat de meerderheid van de samenleving profiteerde van het leed van anderen. Velen, van de Oranjes tot de regenten, slavenkapiteins, scheepstimmerlieden en matrozen, deelden in de winst en rijkdom die voortkwamen uit de slavenhandel.

4

Zo vaak zie je dat de wortel van kwaad geldzucht is. Nog steeds: het herinnert ons eraan dat we allemaal verantwoordelijk zijn voor de keuzes die we maken en dat we moeten blijven streven naar een rechtvaardigere wereld. Tot slot nog dit. Het is belangrijk om te benadrukken dat deze verkenning geen integrale geschiedenis is. Het is eerder een momentopname, een eerste stap in een langer proces van onderzoek en bewustwording. Desalniettemin heeft het toegewijde redactieteam samen met de auteurs binnen korte tijd veel informatie boven water weten te halen. Dit boek biedt de handvatten voor verdere onderzoeken en reflecties over ons verleden en we moedigen anderen aan om dit pad te blijven bewandelen. We spreken onze waardering uit voor de auteurs, de leden van de klankbordgroep, de redactiecommissie en iedereen die heeft bijgedragen aan dit project. Samen hebben we een stukje van onze geschiedenis teruggevonden en hebben we een begin gemaakt om het slavernijverleden van Gouda te begrijpen en herdenken. Roxana Chandali en Coretta Bakker, als bescheiden en deskundige aanjagers past jullie bijzondere dank. Meerstemmigheid lukt alleen als je meerstemmig communiceert; dat deden jullie. Chapeau. Dank ook aan Tsjalline en Yanice van de gemeente Gouda en de werkgroep Keti Koti. Zonder jullie betrokkenheid en passie was dit project nooit gelukt.

Tot slot dank aan het Mondriaan Fonds voor de financiële ondersteuning. Laten we dit werk voortzetten en samenwerken. Gouda is een veelkleurige en diverse stad. Die veelkleurigheid schittert in de Goudse Glazen; die weerspiegelt in de talloze nationaliteiten die hier samenleven. Kennis van het verleden helpt daarbij. Geschiedschrijving is een ‘never ending story.’ Pieter Verhoeve Burgemeester Gouda

5

Inhoudsopgave

Colofon

.............................................................................................................

2

.......................................................................................................

3

...........................................................................................................

8

Voorwoord 1

Inleiding

2

Gouda en de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en de West-Indische Compagnie (WIC) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 18

3

Lourens en Madagascar: de zwarte zeehelden van de Eerste Schipvaart . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 40 Interview:

4

8

..................................................

76

Wie was Kaatje? . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 114

De ontdekkingstocht van Yanice

....................................................

Jacob en Henrika Blauw van de Westhaven 62. Transnationale invloeden tussen Batavia en Gouda De Goudse koloniale economie Kadertekst:

9

Kea en Adonis, Venus en Martha

Van geen kwaad bewust. Marcellus Bisdom van Vliet en plantage ‘De Herstelling’ . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 116 Interview:

7

54

Goudse elite, slaafgemaakten en plantages . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 78 Kadertekst:

6

.............................................................

Dienaren en schepen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC): Gouwenaars en hun overzeese ontmoetingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 58 Kadertekst:

5

De reis naar de voorouders

....................................

128

....................................................................

136

Elisa Clasina Bergen (1847-1873)

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

‘Emancipatie zonder Evangeliezatie vervult mij met groote vreeze’. De Goudse kerken en de slavernij Interview:

124

Op zoek naar geborgenheid

147

..............................

150

...........................................................

160

10 Twee volksvertegenwoordigers van het District Gouda in het parlementaire debat over afschaffing van de slavernij . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 164

6

Kadertekst:

Koloniaal Gouda in Museum Gouda

11 De Goudse pijp en de slaafgemaakten

.............................................

176

.........................................................

178

12 Goudse ijsselsteentjes in de koloniale geschiedenis Kadertekst:

..................................

Keshi yena: een slavengerecht met een Gouds smaakje

............

188 194

13 Anatto, een innovatieve kleurstof voor scharlakenrood laken en geeloranje Goudse kaas . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 196 Kadertekst: Van De Houtman tot Vroman

Auteurs

..........................................................

206

............................................................................................................

208

Lijst van begrippen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 210 ...................................................................................

213

...............................................................................................................

214

Gebruikte afkortingen Noten

Verantwoording van de illustraties

...............................................................

228

Kaart handelsroutes WIC en VOC

.................................................................

233

7

1 Inleiding Roxana Chandali

8

H

Het Goudse verleden roept niet direct associaties op met koloniën en slavernij. Gouda had immers geen zeehaven of een directe verbinding met zee. Toch hadden Gouda en haar inwoners vele relaties met koloniën en slavernij. Deels is dit al te zien bij een wandeling door de historische kern van de stad. Denk aan het gedenkteken voor de gebroeders De Houtman in het Houtmansplantsoen, de woonhuizen van de Goudse elite aan de grachten en de panden waar voorheen koloniale producten als koffie, thee, suiker en tabak werden verkocht. Deels is de geschiedenis hiervan te vinden in archieven in Gouda, elders in Nederland en overzee. Deels zit het ook in familiegeschiedenissen, gebruiken en cultuur. De artikelen in deze bundel geven meer inzicht in dit verleden.

Gezicht op Gouda, Jan Caspar Philips, naar Abraham de Haen (II), 1743-1744.

Koloniaal en slavernijverleden Het slavernijverleden is een complex en gelaagd deel van een gezamenlijke historie. Door de toegenomen aandacht voor dit deel van de geschiedenis, wordt steeds meer over dit verleden bekend en groeit de bewustwording over deze pijnlijke periode in de Nederlandse geschiedenis en de gevolgen daarvan.

9

De koloniale expansie vanaf het einde van de 16e eeuw leidde er al snel toe dat Nederlanders actief deelnamen aan slavenhandel en slavernij. Geschat wordt dat circa 12,5 miljoen Afrikanen verhandeld werden als onderdeel van de Europese Atlantische slavenhandel. Ongeveer 610.000 van hen werden door Nederlanders uit Afrika weggevoerd. Er is minder bekend over de slavenhandel in het gebied waar de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) actief was, maar de aantallen slaafgemaakten die naar de VOC-koloniën in Azië werden vervoerd, liggen naar schatting nog hoger: ruim 600.000 tot ruim 1,1 miljoen. Deze slaafgemaakten kwamen onder andere uit India, Myanmar, Madagaskar, Mozambique en verschillende delen van de Indonesische archipel.1 Om de slavernij te legitimeren, werden racistische theorieën ontwikkeld die bijdroegen aan de ontmenselijking van deze slaafgemaakten en die tot op de dag van vandaag doorwerken. De VOC en de West-Indische Compagnie (WIC) speelden een belangrijke rol in zowel de koloniale expansie als de slavenhandel en slavernij in de 17e en 18e eeuw. Deze compagnieën waren een bijzondere mengeling van private en publieke betrokkenheid. Na de opheffing van deze compagnieën aan het eind van de 18e eeuw werd de Nederlandse Staat verantwoordelijk voor het koloniaal bestuur.

Eerst was het de Koning die volgens de Grondwet van 1815 het opperbestuur over de koloniën kreeg toebedeeld. Vanaf de wijziging van de Grondwet in 1848 waren dat de Staten-Generaal. In het begin van de 19e eeuw verloor Nederland een aantal koloniën aan Engeland, zoals de koloniën Essequibo, Demerary en Berbice (tezamen het huidige Guyana) in Zuid-Amerika, Ceylon (nu Sri Lanka) en de Kaapkolonie. In 1814 schafte Nederland, mede onder druk van de Engelsen, de slavenhandel in het Atlantisch gebied af. Daarmee was de slavenhandel niet helemaal verdwenen, want illegale slavenhandel bleef nog geruime tijd bestaan. Uiteindelijk schafte Nederland de slavernij relatief laat af. Eerst werd in 1860 in de gebieden die onder direct Nederlands bestuur vielen in Nederlands-Indië, zoals Java, de slavernij afgeschaft. Hierdoor werden ongeveer 5.000 mensen vrijgemaakt. Vervolgens werd in 1863 in Suriname en op Aruba, Curaçao, Bonaire, Sint-Eustatius, Sint-Maarten en Saba de slavernij afgeschaft. Op de eilanden in het Caribisch gebied waren toen zo’n 12.000 slaafgemaakten, van wie de meesten op Curaçao leefden.2 Om na de afschaffing van de slavernij de plantage-economie in Suriname draaiende te houden, werden twee maatregelen genomen. Ten eerste werden meer dan 33.000 voormalig slaafgemaakten in Suriname verplicht om nog tien jaar lang op de plantages te blijven werken.

Deze periode van staatstoezicht liep pas in 1873 af. Ten tweede werden grote aantallen contractarbeiders geronseld in, met name, Brits-Indië en Nederlands-Indië en vervoerd naar Suriname. Het ging hierbij om ruim 34.000 Brits-Indiërs en bijna 33.000 Javanen.3 Bij de afschaffing van de slavernij werden niet de slaafgemaakten gecompenseerd, maar kregen de eigenaren van de slaafgemaakten een tegemoetkoming. Er was in Gouda één gezin dat compensatie kreeg voor de vrijmaking van tot slaafgemaakten

10

Uitdeling bakkeljauw (gezouten kabeljauw) op plantage Meerzorg. Potloodtekening van Theodore Bray, 1843.

in Suriname in 1863. Dit betrof Walraven Robert baron van Heeckeren van Brandsenburg, zijn echtgenote en hun kinderen. Zij woonden aan de Kattensingel. Via vererving waren zij eigenaar geworden van een klein deel van de suikerplantage Meerzorg, waar in 1863 meer dan 300 slaafgemaakten werden vrijgemaakt. Voor hun aandeel kregen zij een tegemoetkoming van gezamenlijk ruim 300 gulden.4 De totale compensatie voor de slavenhouders bedroeg bijna 10 miljoen gulden, ruim een derde van de rijksbegroting van 1863.5 Deze compensatie werd bekostigd uit het begrotingsoverschot van het cultuurstelsel in Nederlands-Indië. Het cultuurstelsel was gebaseerd op dwangarbeid. Gouda Over het koloniaal en slavernijverleden van Gouda is nog weinig bekend. Het onderwerp komt weinig voor in de literatuur en ook archiefbronnen zijn hierop nog nauwelijks onderzocht. Daarom is ervoor gekozen om (eerst) een verkenning naar dit koloniaal en slavernijverleden uit te voeren. Deze verkenning is opgezet als een bundel met artikelen, die een breed spectrum aan onderwerpen beslaan en geschreven zijn door verschillende auteurs. Deze artikelen lichten daarmee een tipje van de sluier van dit verleden op. Deze bundel vormt echter geenszins een volledig beeld, noch komen alle mogelijke onderwerpen aan de orde.

Maar deze artikelen laten wel zien dat er meer over het koloniaal en slavernijverleden van Gouda te vertellen valt dan men op het eerste gezicht zou verwachten. Vele Gouwenaars hadden direct of indirect te maken met de koloniën en de slavenhandel en slavernij. Dat kon zijn door het (gedeeltelijk) bezit van plantages en slaafgemaakten in de koloniën, door koloniale handel, het bezit van aandelen in de VOC of WIC of door beleggingen in plantages. Goudse regenten die een bewindhebberspost hadden bij de VOC of WIC haalden hier voordeel uit. Maar er waren

11

ook duizenden ‘gewone’ Gouwenaars die hun brood verdienden door aan te monsteren op de schepen van de VOC en de WIC. En al die schepen moesten gebouwd en bevoorraad worden. Voor de schepen was niet alleen bijvoorbeeld touw nodig, maar ook ballast; ijsselsteentjes waren hiervoor uitermate geschikt. Dan was er ook nog de handelswaar die overzee als ruilmiddel diende, zoals de Goudse pijpen. Dit moest allemaal worden geproduceerd. En ook daar waren Gouwenaren bij betrokken. Andere handelswaar kwam juist richting Gouda: peper, specerijen, koffie, thee, tabak en suiker waren producten uit de koloniën die hun weg vonden naar Goudse consumenten.

Kaart van Gouda, door Johan Blaeu, 1650.

Historische verkenning In deze historische verkenning kunnen niet alle onderwerpen worden behandeld. Er is geen geografische afbakening toegepast, maar in het Atlantisch gebied ligt de nadruk op Suriname. Dat is geen bewuste keus, maar is ingegeven door wat de bronnen tot nu toe hebben opgeleverd. Hieruit is nog weinig naar boven gekomen als het gaat om de relatie tussen Gouda en de (ei)landen in het Caribisch gebied. Diverse gebieden in Azië komen terug in de reizen van Gouwenaars en schepen die naar Gouda zijn vernoemd. Verder ligt de nadruk op de 17e en 18e eeuw, met een kleine uitloop naar de 16e en de 19e eeuw. De nadruk op de 17e en 18e eeuw vloeit voort uit zowel de positie van de stad, die in die periode als bestuurslaag binnen de Republiek der Verenigde Nederlanden een relatief centrale en autonome rol vervulde, als de betrokkenheid van de Goudse elite met de plantages in het Atlantisch gebied. Die betrokkenheid van de Goudse elite concentreerde zich in de tweede helft van de 18e eeuw. Deze verkenning sluit aan bij het rijtje van andere gemeenten die (verkennende) onderzoeken hebben laten verrichten naar het koloniaal en slavernijverleden van

12

hun stad. Die lokale onderzoeken werpen meer licht op de rol van steden en lokale samenlevingen bij dit deel van het verleden. Juist op het lokale niveau kan geschiedenis dichtbij komen. De keuze voor een historische verkenning brengt met zich mee dat de artikelen vooral beschrijvend van aard zijn en meer kwalitatief dan kwantitatief van aard. Deze verkennende bundel biedt daarmee een basis voor verder onderzoek en voor meer analyse. Aangezien er weinig bekend was over dit deel van het Goudse verleden, is veel gebruik gemaakt van archiefbronnen. Met name notariële archieven zijn belangrijk voor het onderzoek naar het koloniaal en slavernijverleden. Recent verschenen onderzoeken over het slavernijverleden in andere steden laten zien hoe rijk deze en andere bronnen zijn. Deze bronnen zijn in het Streekarchief Midden-Holland, waar ook de archieven van Gouda zijn ondergebracht, nog niet gedigitaliseerd en doorzoekbaar gemaakt. Wanneer dit in de toekomst gebeurt, zal ongetwijfeld nog meer informatie naar boven komen. Het is goed om te beseffen dat de bronnen vrijwel allemaal vanuit het perspectief van de ‘machthebber’, zoals de VOC, de WIC, de plantage-eigenaar, de slavenhouder en de overheid, zijn geschreven. Dit brengt onontkoombaar een vertekend en Eurocentrisch perspectief met zich mee en vraagt daarom om een kritische benadering van deze bronnen.

Niet voor niets wordt de roep om het gebruik van andersoortige bronnen, zoals verhalen, muziek, archeologische vondsten en antropologische benaderingen, steeds groter. In deze publicatie is gepoogd om ook de kant van slaafgemaakten en hun nazaten in beeld te brengen door aandacht te schenken aan bijvoorbeeld het verzet van slaafgemaakten op plantages en door interviews met Goudse nazaten van slaafgemaakten. Deze interviews geven ook zicht op de doorwerking van dit slavernijverleden tot op de dag van vandaag. Een centraal begrip in deze bundel is het begrip ‘slavernij’. Slavernij is door de eeuwen heen in verschillende vormen voorgekomen en komt ook nu nog steeds voor. In deze publicatie staat het koloniale slavernijverleden centraal, waarbij slavernij voortkwam uit de koloniale expansie van wat nu Nederland is. In deze bundel wordt aangesloten bij de definitie die gehanteerd wordt in Staat en Slavernij. Hierin wordt slavernij gedefinieerd als ‘een extreme vorm van individuele onvrijheid en gedwongen arbeid waarin zowel de persoon als de arbeid van de slaafgemaakte als eigendom worden geclaimd’.6 Slaafgemaakten werden gekocht en verkocht, zij bleven in beginsel levenslang slaafgemaakten en hetzelfde gold voor hun nazaten.7 De koloniale expansie leidde tot een enorme schaalvergroting van slavenhandel en de op slavernij gebaseerde plantage-economie.

Slaafgemaakten verloren hun gezinnen en families en werden beknot in hun gebruiken, cultuur en religie. Zij waren feitelijk en juridisch zowel productiemiddel als handelswaar en werden op deze manier ontmenselijkt. Woorden doen ertoe. Geschiedschrijving en de daarbij gebruikte terminologie zijn een spiegel van de tijd waarin die geschiedschrijving plaatsvindt. Woorden die tegenwoordig breed als beledigend worden gezien en ervaren, worden in deze

13

publicatie niet gebruikt, behalve in citaten uit oudere bronnen. Ook is in deze publicatie zo veel mogelijk gekozen voor de begrippen ‘slaafgemaakte’ of ‘tot slaaf gemaakt’ in plaats van ‘slaaf’. Deze begrippen maken duidelijker dat slavernij niet inherent aan de betreffende persoon is, maar dat anderen deze mensen tot een staat van slavernij hebben gebracht of gehouden en dat dit geen natuurlijke positie is. De auteurs hebben de ruimte gekregen om hun eigen woorden en schrijfstijl te gebruiken. Tot slot, in de artikelen wordt omwille van de leesbaarheid regelmatig geschreven over ‘Nederland’ of ‘Nederlanders’, ook als in de betreffende periode hiervan formeel nog geen sprake was. Kort overzicht van de verkenning In deze verkenning naar het Goudse koloniaal en slavernijverleden worden artikelen afgewisseld met interviews en kaderteksten, die kort ingaan op een onderwerp of persoon. De bundel is zo opgezet dat de artikelen zo veel mogelijk zelfstandig leesbaar zijn. Dat leidt onvermijdelijk tot enige overlap. Na deze inleiding belicht hoofdstuk 2 ‘Gouda en de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en de West-Indische Compagnie (WIC)’ de rol van het Goudse stadsbestuur bij deze organisaties.

Hoe slaagde Gouda erin om buitengewone bewindhebbersposten te verwerven in deze compagnieën en wie verwierven deze gewilde functies? Hoofdstuk 3 ‘Lourens en Madagascar: de zwarte zeehelden van de Eerste Schipvaart’ vertelt het verhaal van twee jongens van Madagaskar, die nog voor de oprichting van de VOC door de Goudse Cornelis de Houtman gevangengenomen werden. Voor zover nu bekend, zijn Lourens en Madagaskar de eerste Afrikanen die door Nederlanders tot slaaf werden gemaakt. Het interview ‘De reis naar de voorouders’ met Anne-Fay Kops en haar moeder Juliet Echteld gaat in op de zoektocht naar de identiteit van Anne-Fay en haar broer, die zij reaspora hebben genoemd. Reaspora komt van het woord diaspora, maar dan in omgekeerde volgorde. De zoektocht ging via Nederland, Aruba, Curaçao en Suriname naar Ghana. Die zoektocht was nodig omdat in het gezin waarin Juliet opgroeide niet gesproken werd over het familieverleden. Hoofdstuk 4 ‘Dienaren en schepen van de VOC: Gouwenaars en hun overzeese ontmoetingen’ geeft met een aantal korte portretten van individuele Gouwenaars, een beeld van de VOC in Azië en de wereld waarmee de Gouwenaars die bij de VOC in dienst traden te maken kregen. Daarnaast is er aandacht voor schepen met de naam ‘Gouda’.

Kadertekst ‘Kea en Adonis, Venus en Martha’ gaat over slaafgemaakten die bij hun vrijmaking de niet zelfgekozen achternaam ‘Gouda’ toebedeeld kregen.

14

Hoofdstuk 5 ‘Goudse elite, slaafgemaakten en plantages’ staat stil bij personen en families uit de Goudse elite, die (delen van) plantages bezaten, slavenhouder of slavenhandelaar waren, deelnamen in koloniale handel of belegden in de koloniën. Wie waren deze Gouwenaars? Hoe zag het leven van de slaafgemaakten eruit en welke vormen van verzet pleegden zij? Kadertekst ‘Wie was Kaatje?’ probeert het raadsel op te lossen wie de West-Indische dienstmeid Kaatje was, die vermeld staat op een begraafbriefje uit 1795. In het artikel ‘Van geen kwaad bewust’ (hoofdstuk 6) over Marcellus Bisdom van Vliet en plantage De Herstelling, geven de adviezen van Marcellus Bisdom aan zijn jongere broer Cornelis een inkijkje in de gedachtegang van een Goudse regent ten aanzien van slavernij. Het interview ‘De ontdekkingstocht van Yanice’ gaat in op de zoektocht van de Goudse Yanice naar haar etnische herkomst en de doorwerking van het koloniaal en slavernijverleden. Zij is van mening dat oude patronen moeten worden doorbroken om een nieuwe toekomst te kunnen laten ontstaan. Hoofdstuk 7 ‘Jacob en Henrika Blauw van de Westhaven 62’ gaat over de geboren Gouwenaar Jacob Blauw, die als zeventienjarige in dienst van de VOC naar Batavia vertrok, daar Henrika huwde en terugkeerde naar Gouda. Ook als patriot bekommerde hij zich niet om het slavernijsysteem.

Het leven van Jacob en Henrika als direct betrokkenen bij koloniale activiteiten geeft zicht op de impact van het koloniale verleden op de Nederlandse samenleving en cultuur. Hoofdstuk 8 ‘De Goudse koloniale economie’ verkent hoe het koloniale systeem, inclusief de op slavernij gebaseerde handel, en de Goudse economie met elkaar verbonden waren. De kadertekst ‘Elisa Clasina Bergen (1847-1873)’ schetst het portret van het korte leven van Elisa Clasina Bergen, geboren als slaafgemaakte in Suriname, die al jong vrijgemaakt werd en via haar huwelijk in Gouda belandde. Hoofdstuk 9 ‘“Emancipatie zonder Evangeliezatie vervult mij met groote vreeze". De Goudse kerken en slavernij’ staat stil bij de vraag in hoeverre men zich in Goudse kerkelijke kringen bekommerde om de overzeese volkeren in het algemeen en om het vraagstuk van de slavernij in het bijzonder. Het interview ‘Op zoek naar geborgenheid’ met de Goudse Josephine HenriquesPombinha-Traag beschrijft onder andere de zoektocht naar haar Javaanse voorouder en contractarbeidster Bok Srani Manirah.

15

Hoofdstuk 10 ‘Twee volksvertegenwoordigers van het District Gouda in het parlementaire debat over afschaffing van de slavernij’ gaat in op de rol van de twee volksvertegenwoordigers namens het kiesdistrict Gouda in het parlementaire debat over de afschaffing van de slavernij. Hoewel de Goudsche Courant zich openlijk tegen de slavernij keerde, lijken de Goudse politiek en inwoners zich niet druk gemaakt te hebben over die afschaffing. Hoofdstuk 11 ‘De Goudse pijp en de slaafgemaakten’ vertelt het verhaal van de ooit wereldberoemde Goudse pijpen, die in Afrika door de WIC als ruilmiddel in de slavenhandel werden gebruikt en de speciale pijpen die aan slaafgemaakten op de slavenschepen en de plantages werden uitgedeeld. Kadertekst ‘Koloniaal Gouda in Museum Gouda’ illustreert aan de hand van een aantal objecten uit de collectie van Museum Gouda de 17e- en 18e-eeuwse kijk op mensen uit overzeese gebieden en de onderlinge machtsverhoudingen. Hoofdstuk 12 ‘Goudse ijsselsteentjes in de koloniale geschiedenis’ gaat in op de ‘Goudse klinkers’ die heden ten dage op verschillende plaatsen in de wereld nog kunnen worden gevonden als overblijfselen van en herinneringen aan de koloniale tijd.

De kadertekst ‘Keshi yena: een slavengerecht met een Gouds smaakje’ gaat over een van oorsprong slavengerecht, dat op de benedenwindse eilanden in het Caribisch gebied nog steeds wordt gegeten, en waaraan een Gouds smaakje blijkt te zitten. Hoofdstuk 13 ‘Anatto, een innovatieve kleurstof voor scharlakenrood laken en geeloranje Goudse kaas’ gaat in op een innovatief bedrijfsgeheim uit de 17e eeuw van de inheemse bevolking in Zuid-Amerika dat eeuwenlang onderbelicht bleef: de introductie van de kleurstof anatto. Deze kleurstof wordt onder andere gebruikt in het product dat wereldwijd met Gouda wordt geassocieerd: Goudse kaas. Kadertekst ‘Van de Houtman tot Vroman’ tot slot gaat in op koloniale wandelingen in het algemeen en in Gouda in het bijzonder.

16

Door William Blake gegraveerde prent met tot slaaf gemaakten, aan de hand van John Gabriel Stedmans tekeningen van Suriname. De gravure is opgenomen in Narrative of a five years’ expedition against the Revolted Negroes of Surinam, 1796.

17

2 Gouda en de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en de West-Indische Compagnie (WIC) Roxana Chandali

18

I

In de 17e en 18e eeuw waren de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en de West-Indische Compagnie (WIC) belangrijke spelers in de koloniale en slavernijgeschiedenis van wat nu Nederland is. Op het eerste gezicht ligt een relatie van Gouda met de VOC en de WIC wellicht niet voor de hand. Gouda ligt niet aan zee en had geen grote haven. Er kwamen dus ook geen kamers van de VOC en de WIC in Gouda. Maar Gouda behoorde wel tot de grotere steden van Holland en in de Staten van Holland was Gouda de zesde stad na Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden en Amsterdam, die van oudsher in deze Staten vertegenwoordigd waren. Naast de steden was ook de Ridderschap (vertegenwoordiging van de edelen) in de Staten vertegenwoordigd. En Gouda wilde meetellen, ook ten aanzien van de VOC en de WIC. Daarnaast zou het stadsbestuur financiële voordelen behaald kunnen hebben door de relaties met de VOC en de WIC. De bestuurlijke en financiële belangen van Gouda komen in dit hoofdstuk aan de orde. Hoe pakte het stadsbestuur van Gouda die aan? De VOC1 Door de eeuwen heen is er op verschillende manieren gekeken naar de VOC. De Compagnie is zowel geroemd om het overzeese ondernemerschap, de bijdrage aan de bloei van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en de financiële innovaties, als verguisd om de koloniale uitbuiting, het geweld, de slavenhandel en de slavernij.

Voor de VOC draaide alles om de handel en de daarbij te behalen winsten. Als het nodig was om daarbij geweld te gebruiken, volkeren te onderdrukken en mensen tot slaaf te maken, dan deed de Compagnie dat zonder bezwaar. Ontstaan en organisatie van de VOC Het begon allemaal met het streven om de aanvoer van de winstgevende peper in eigen hand te nemen. Eerst waren het de expedities van de zogenaamde voorcompagnieën – waaronder die van de Goudse Cornelis de Houtman (zie hoofdstuk 3 ‘Lourens en Madagascar: de zwarte zeehelden van de Eerste Schipvaart’) – die hiervoor naar de Indonesische archipel voeren. De opbrengsten van deze expedities waren veelbelovend. Om de onderlinge concurrentie tegen te gaan, werd in

19

Het kasteel en de markt van Batavia, met op de achtergrond het fort, met zowel vrije als onvrije mensen. Door Andries Beeckman, circa 1662.

1602 de VOC opgericht. Voor de Staten-Generaal was het van belang dat de VOC een militaire rol kon vervullen in de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) tegen Spanje (en Portugal). Zij verleenden daarom de VOC een monopolie voor de vaart vanuit de Republiek op het gebied ten oosten van Kaap de Goede Hoop in Zuidelijk Afrika. Het octrooi gold in eerste instantie voor 21 jaar, maar zou daarna diverse malen worden verlengd. Het octrooi bepaalde ook dat de VOC forten mocht bouwen, gouverneurs mocht aanstellen en als gevolmachtigde van de Staten-Generaal contracten en verdragen mocht sluiten. In de Republiek werden zes kamers van de VOC opgericht: in Amsterdam, Zeeland (Middelburg), Rotterdam, Delft, Hoorn en Enkhuizen. Deze kamers werden geleid door bewindhebbers. Afgevaardigden van de bewindhebbers vormden gezamenlijk de Heren Zeventien, die het centrale beleid bepaalden. Amsterdam leverde acht bewindhebbers voor dit belangrijke orgaan, onvoldoende voor een meerderheid, maar genoeg om een zwaarwegende stem te hebben. De kamers van de VOC in de verschillende steden voerden de besluiten van de Heren Zeventien uit. Op die besluiten hadden de bewindhebbers van de kamers wel een zekere invloed. Zij bespraken van tevoren de agendapunten van de vergaderingen van de Heren Zeventien en gaven aan hun afgevaardigden in de Heren Zeventien hun opdrachten mee.

Het hoogste gezag van de VOC in Azië berustte bij de gouverneur-generaal en de Raad van Indië. Aan het hoofd van de grotere vestigingen, waar de VOC een zekere mate van territoriaal gezag uitoefende, stond een gouverneur. Andere vestigingen werden geleid door een directeur, een commandeur, een resident of een opperhoofd.

20

Globaal organogram van de VOC

Kamer Amsterdam

Kamer Zeeland

Kamer Delft

Kamer Rotterdam

Kamer Hoorn

Kamer Enkhuizen

Heren Zeventien

Gouverneur-Generaal en Raad van Indië in Batavia

Gouverneur in buitengewesten met territoriaal gezag van de VOC

Directeur en Raad in buitengewesten zonder territoriaal gezag van de VOC

Commandeurs, gezaghebbers, residenten en opperhoofden in minder belangrijke nederzettingen van de VOC

Expansie Aangezien de VOC zich in de beginjaren vooral richtte op de handel in peper en specerijen, ging de aandacht vooral uit naar de Indonesische archipel. De VOC spande zich zwaar in om het monopolie te verwerven op de specerijen nootmuskaat, foelie, kruidnagel en kaneel. Op die manier kon de VOC het aanbod en de prijs beïnvloeden. De VOC was bereid om erg ver te gaan in het bemachtigen van monopolies. Een voorbeeld daarvan is de volkerenmoord door Jan Pieterszoon Coen op het Banda-eiland Lontor in 1621. Bijna de gehele bevolking werd uitgemoord. De overlevenden werden als slaafgemaakten naar Batavia afgevoerd. De VOC slaagde in de opzet en kreeg het monopolie op nootmuskaat in handen. Op de Banda-eilanden werden zogenaamde perken ingericht. De perkeniers waren

21

verplicht de nootmuskaat en de foelie tegen een vastgestelde prijs aan de VOC te leveren. Het werk werd verricht door slaafgemaakten, die van elders werden aangevoerd. Zo werd Banda de eerste plantage met slaafgemaakten in Nederlandse handen. In de 18e eeuw werden daarnaast koffie en thee belangrijke producten voor de VOC, en ook de handel in opium werd, ondanks de grootschalige smokkel, een winstgevende zaak voor de VOC. Uiteindelijk zou de VOC een uitgestrekt geografisch gebied als haar werkterrein beschouwen. De positie van de VOC verschilde echter van gebied tot gebied en ook van tijd tot tijd. Soms betekende dit dat de VOC agressief en militair optrad en gebieden onderwierp, soms beperkte de rol van de VOC zich tot de handel. Slavenhandel en slavernij Jan Pieterszoon Coen, die in 1617 gouverneur-generaal in Batavia was geworden, speelde een belangrijke rol in de slavenhandel, slavernij en gedwongen arbeid. Zo zette hij zich in om slaafgemaakten uit India, Madagaskar en de Indonesische Archipel te halen en elders te werk te stellen, zoals op de nootmuskaatplantages, in de suikerproductie en in mijnen. Niet alleen de VOC als bedrijf deed aan slavenhandel en slavernij. De VOC moedigde ook private slavenhandel aan.

Zo kon het dat het aantal slaafgemaakten in VOC-gebieden aanzienlijk groeide en er ruim 600.000 tot ruim 1,1 miljoen slaafgemaakten naar deze plekken werden vervoerd.2 In Batavia waren in 1699 circa 20.000 slaafgemaakten, ongeveer 30% van de totale bevolking. Het aantal slaafgemaakten groeide tot 34.000 in 1779.3 Zij werkten gedwongen op de plantages in de Indonesische archipel, op de werkplaatsen van

Een opperkoopman van de VOC, vermoedelijk Jakob Martensen met zijn vrouw en een tot slaaf gemaakte bediende, door (omgeving van) Aelbert Cuyp, circa 1650 - 1655.

22

de VOC en in de huishoudens van compagniedienaren. Voor de productie van specerijen op de Molukken en kaneel op Ceylon (het huidige Sri Lanka) zette de VOC corveearbeid in, gedwongen arbeid tegen slechts een kleine vergoeding.4 De Goudse gebroeders De Houtman Ook de van oorsprong Goudse Frederik de Houtman speelde een belangrijke rol in de expansie van de VOC. Na zijn eerste reis met zijn broer Cornelis de Houtman, werd Cornelis tijdens hun tweede reis om het leven gebracht. Frederik zelf werd ruim twee jaar gevangengehouden door de sultan van Atjeh. Na de oprichting van de VOC vertrok Frederik opnieuw naar Azië en werd daar de eerste gouverneur van Amboina (1605-1611) met de opdracht om dit gebied te onderwerpen aan de macht en het gezag van de VOC. Amboina was een gebied van de VOC in de Molukken. Na een verblijf van enkele jaren in de Republiek, ging hij in 1618 andermaal naar de Oost als commandeur van de vloot. Hij maakte deel uit van de hiervoor genoemde expeditie van Jan Pieterszoon Coen om de Banda-eilanden te veroveren en het monopolie op nootmuskaat zeker te stellen. Pogingen van de bevolking om tot een overeenkomst te komen, mislukten en de eilandbewoners dolven het onderspit. Voordat de volkerenmoord plaatsvond, verliet hij het gebied.

Zijn ster was inmiddels bij de VOC zodanig gerezen dat hij in 1621 benoemd werd tot lid van de Raad van Indië en gouverneur van de Molukken. Daar hield hij toezicht op het naleven van het specerijenmonopolie van de VOC.5 Ondergang Verschillende factoren zouden uiteindelijk leiden tot de ondergang van de VOC: slecht bestuur en beheer zowel in Nederland als in Azië, groeiende kosten van het bestuursapparaat overzee, gebrekkige financiering, verschuivingen in het handelspatroon, zowel in Azië als Europa, en de gevolgen van de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog die in 1780 uitbrak en tot 1784 duurde. De schuldenlast werd zo hoog dat de VOC niet meer te redden was. In 1798 werd de VOC formeel ontbonden, de schulden en bezittingen werden overgenomen door de Staat en het laatste octrooi liep in 1800 af.

De wapens van de Verenigde Oost-Indische Compagnie en van de stad Batavia, 1651, geschilderd door Jeronimus Becx.

23

Het stadsbestuur van Gouda en de VOC Het stadsbestuur van Gouda had verschillende mogelijkheden om invloed uit te oefenen op de VOC. Dat kon via de vertegenwoordigers van de stad in de Staten van Holland en West-Friesland, en via deze Staten weer in de Staten-Generaal. De Staten-Generaal moesten bijvoorbeeld toestemming geven voor verlenging van het octrooi, maar ook te hulp schieten als de compagnie in belangrijke geldproblemen kwam. Over deze weg van beïnvloeding beschikte Gouda al voordat de stad een bewindhebberspost bij de VOC bemachtigde. De invloed die Gouda kon uitoefenen via de Staten van Holland komt hier slechts zijdelings aan de orde in relatie tot de bewindhebbersposten van Gouda. Bestuurders van de stad konden daarnaast persoonlijke belangen hebben. Denk daarbij aan de voordelen van een bewindhebberspost, aan beleggingen in de VOC en de WIC, aan persoonlijke belangen in de vorm van koloniale handel, bezit van of beleggingen in plantages, deelname in negotiatiefondsen of aan bijvoorbeeld carrières overzee. Die persoonlijke belangen komen onder andere terug in hoofdstuk 5 ‘Goudse elite, slaafgemaakten en plantages’. De Goudse bewindhebberspost bij de VOC In de loop der jaren werden diverse bewindhebbersposten bij verschillende kamers van de VOC beschikbaar gesteld voor steden en provincies zonder eigen kamer.

Deze steden en provincies hadden immers via de verschillende gewestelijke Staten en via de Staten-Generaal invloed op de VOC. Door steden en provincies een bewindhebberspost te bezorgen, kon steun voor de VOC worden afgedwongen. Dat begon al in 1613 en 1614 toen Gelderland, Utrecht, Friesland en de stad Dordrecht het recht kregen om een bewindhebber aan te stellen, omdat zij toezicht wilden houden op de besteding van de omvangrijke bijdragen die de Staten-Generaal in 1606 aan de VOC hadden verstrekt. Bij de tweede octrooiverlenging in 1647 kwamen daar de provincie Overijssel en Stad en Lande (provincie Groningen) bij. Haarlem en Leiden volgden in 1648 met een gewone bewindhebbersplaats in de kamer Amsterdam, en Alkmaar verwierf een bewindhebber voor afwisselend de kamers Hoorn en Enkhuizen. Wat dat betreft was Gouda laat met de buitengewone bewindhebberspost in de kamer Amsterdam in 1665. Alleen de Ridderschap van Holland was in 1696 nog later, maar dan wel met twee gewone bewindhebbersplaatsen in de kleine Hollandse kamers.6 De kamer Amsterdam telde uiteindelijk twintig gewone (ordinaris) bewindhebbers, waaronder bewindhebbers van de steden Haarlem en Leiden, en vijf buitengewone (extra-ordinaris) bewindhebbers. Voor het stadsbestuur van Gouda was het van belang dat de bewindhebberspost de stad een stem opleverde in de kamer Amsterdam.

En hoewel de kamer Amsterdam geen meerderheidsstem had in de Heren Zeventien, had Amsterdam wel veruit de zwaarste stem in dit belangrijkste bestuurs- en beleidsorgaan van de VOC. Met een bewindhebberspost kon Gouda toezicht houden op de besteding van de subsidies van de Staten-Generaal en de Staten van Holland en West-Friesland aan de VOC, waar Gouda ook aan meebetaalde. Ook kon het economische voordelen opleveren en ongetwijfeld enige status voor de stad. De stad Leiden slaagde er bij-

24

voorbeeld in om afspraken te maken met de VOC over het afnemen van Leids laken door de VOC.7 Ook voor de bewindhebbers zelf leverde deze post status, invloed en financiële voordelen op. Nadrukkelijk was vastgelegd dat de Goudse bewindhebber hetzelfde gezag zou hebben als de andere bewindhebbers. Een bewindhebber ontving jaarlijks een salaris, maar moest ook op eigen naam en voor eigen risico een aandeel van 3000 gulden bezitten.8 Dit was een behoorlijk bedrag voor die tijd, maar deze investering zou een goed rendement opleveren. In de 17e eeuw werd op VOC-aandelen meestal tussen de 15 en 25% dividend uitgekeerd.9 De vroedschap (onderdeel van het Goudse stadsbestuur) stelde in 1665 een reglement op voor de Goudse bewindhebbers van de VOC. Dit regelde onder andere dat de (buitengewone) bewindhebber gekozen zou worden door de vroedschap, zelf ook lid van de vroedschap moest zijn en minstens 28 jaar oud. In beginsel werd hij voor zes jaar aangesteld, maar verlenging was mogelijk. De bewindhebber moest in Amsterdam gaan wonen of in ieder geval over een geschikt onderkomen daar beschikken, zodat hij de inwoners van Gouda goed van dienst zou kunnen zijn in hun relaties met de VOC.

Hij kreeg daarnaast als opdracht mee om goede contacten te onderhouden met andere bewindhebbers, zoveel mogelijk de vergaderingen bij te wonen en ervoor te zorgen dat hij voor zijn verschillende werkzaamheden niet minder beloond zou worden dan de bewindhebbers van Haarlem en Leiden.10

Vroedschapspenning Gouda, 1691.

Dat Gouda uiteindelijk toch een bewindhebberspost verwierf, kwam vooral doordat de VOC ook steun van steden en provincies nodig had die niet over een eigen kamer beschikten. Daarom hadden de bewindhebbers van de kamer Amsterdam nadrukkelijk als voorwaarde aan het verkrijgen van de buitengewone bewindhebberspost voor Gouda gesteld dat het octrooi van de VOC (dat af zou lopen) zou worden verlengd en dat Gouda zich hiervoor zou inzetten.11 Gouda verkreeg de buitengewone bewindhebberspost niet alleen laat, maar voelde zich ook misdeeld. Verschillende keren heeft de stad geprobeerd er meer uit te halen en Gouda greep de momenten dat het octrooi van de VOC vernieuwd moest worden daarvoor aan, bijvoorbeeld in 1776. De vroedschap besloot op 15 juli 1776 om niet in te stemmen met de verzochte verlenging van het octrooi van de VOC in

25

de Staten van Holland en West-Friesland, tenzij Gouda een gewone bewindhebberspost zou verkrijgen in plaats van de buitengewone bewindhebberspost die het had, en wel met hetzelfde loon en dezelfde voordelen als de steden van Leiden en Haarlem. De bewindhebbers uit Leiden en Haarlem werden namelijk ook in één van de commissies van de kamer Amsterdam benoemd en konden worden afgevaardigd naar onder andere de vergaderingen van de Heren Zeventien. Als (gewone) bewindhebbers kwamen zij ook in aanmerking voor het roulerend voorzitterschap van de kamer Amsterdam.12 Dat betekende meer invloed en aanzien. Daarbij gooide Gouda in de strijd dat de VOC haar bestaan eigenlijk aan Gouda te danken had, want ‘dat in haren schoot gebooren zijn, de twee gebroeders Cornelis en Fredrik Houtman, aen welken deezen zelfden compagnie de ontdekking der Oost Indien, en dus den grondlegging van haaren wyd uytgebreyden Handel, en tegenwoordigen bloeystant nog op heeden te danken heeft’.13 Ook dit argument mocht echter niet baten, net zomin als het argument dat Gouda tot de zes grote steden van Holland behoorde. De verschillende pogingen om een gewone bewindhebberspost voor Gouda te verwerven, bleven uiteindelijk zonder succes. De vroedschap wees in dit stadhouderloze tijdperk de gewilde bewindhebbersposten toe, later zouden ook de stadhouders een rol spelen bij de benoeming.

Leden van de vroedschap moesten poorter van de stad zijn en behoren tot de gereformeerde kerk. Een poorter was een burger die het recht had verworven om binnen de poorten van een plaats met stadsrechten te wonen en die bijzondere politieke en economische rechten genoot. Een poorter was dus niet hetzelfde als een inwoner van de stad. Uit de namen van de personen die de bewindhebberspost verwierven, zoals De Vrije, Van der Dussen, Van der Does en Van Eijck, blijkt wel dat het hier om de Goudse elite gaat. Vaak werden zij tegen het einde van hun politieke loopbaan bewindhebber van de VOC, omdat dit als een belangrijke post werd beschouwd. Zestien Gouwenaars hebben deze post bekleed, van wie de helft tot hun overlijden. Diegenen die eerder afstand deden van de bewindhebberspost, werden vervolgens vaak verkozen op de belangrijke post van burgemeester, waarvan Gouda er in die periode vier tegelijkertijd telde.14 Hoe vaak de Goudse buitengewone bewindhebbers de vergaderingen van de bewindhebbers bijwoonden, wat hun inhoudelijke bijdragen op die vergaderingen waren en of zij daarbij Goudse belangen inbrachten of aandacht hadden voor de uitwassen van het VOC-bedrijf, de slavenhandel en de slavernij, zijn interessante vragen voor verder onderzoek.

Financiële belangen in de VOC Naast het bestuurlijk belang dat Gouda in de bewindhebberspost stelde, zou de stad mogelijk directe financiële belangen in de VOC gehad kunnen hebben. Het lijkt er echter niet op dat de stad Gouda rechtstreeks belegde in de VOC. In de stadsrekeningen is daarvan niets teruggevonden. Overigens is dat niet vreemd. Ook van de steden Delft en Utrecht is bekend dat het stadsbestuur zelf niet investeerde in de VOC.15 Een beperkt financieel voordeel uit de bewindhebberspost behaalde Gouda halverwege de 18e eeuw toen de stadsfinanciën in zwaar weer

26

verkeerden. Om de financiële zorgen te verminderen voerde de stad een belasting op ambten in. Voor de bewindhebber van de VOC betekende dit dat er jaarlijks een bedrag van 100 of 120 gulden moest worden afgedragen.16 Het zal de stadsfinanciën iets geholpen hebben, maar niet veel.

Gedicht voor Dirk de Lange, raad en schepen van Gouda ter gelegenheid van zijn verkiezing tot bewindhebber van de VOC, 1729.

27

Goudse bewindhebbers van de VOC en de periode van hun ambten van schepen, burgemeester en lid van de vroedschap17 1665-1676 Dr. Johan de Vrije (1627 Gouda - 1676 Gouda) Vroedschap: 1649-1676 Schepen: 1650, 1651, 1652, 1654 Burgemeester: 1673, 1674 1677-1701 Jacob van der Dussen (1631 Schiedam - 1701 Gouda; 1657 poorter Gouda) Vroedschap: 1664-1701 Schepen: 1665, 1669, 1670 Burgemeester: 1677, 1687, 1688, 1690, 1691, 1695, 1696, 1698, 1699, 1701 1702-1707 mr. Hugo van Strijen (1646 Den Haag - 1710 Gouda; 1671 poorter Gouda) Vroedschap: 1678-1710 Schepen: 1678, 1679, 1681, 1682, 1685, 1686, 1688, 1689 Burgemeester: 1690, 1691, 1699, 1700 1708-1714 Mr Roelof van Heuven (1663 Gouda - 1727 Gouda) Vroedschap: 1703-1727 Schepen: 1703, 1704, 1715, 1716, 1718, 1719 Burgemeester: 1714-1720 Mr. Willem Pieter de Witte (1684 Den Haag - 1721 Gouda; 1705 poorter Gouda) Vroedschap: 1713-1721 Schepen: 1713-1714 Burgemeester: 1720-1729 Mr. Adriaan Moeringh (? – Gouda 1729) Vroedschap: 1713-1729 Schepen: 1714, 1715, 1718, 1719 Burgemeester: 1729 1730-1742 Mr. Dirk de Lange (1700 Gouda - 1762 Gouda) Vroedschap: 1726-1762 Schepen: 1729 Burgemeester: 1741, 1742, 1745, 1746, 1749, 1750, 1753, 1754, 1757, 1758 1742-1748 Mr.

Willem Sebastiaan Boers, Heer van Zuid-Waddinxveen (1705 Katwijk - 1754 Gouda; 1726 poorter Gouda) Vroedschap: 1735-1754 Schepen: 1735, 1736, 1738, 1739, 1741, 1750 Burgemeester: 1751, 1752 1748-1752 Mr. Willem Decker, heer van Ursem (1709 Malakka - 1780 Haarlem; poorter Gouda 1729) Vroedschap: 1742-1752 en 1763-1779 Schepen: 1742, 1744, 1745, 1747, 1763 Burgemeester: 1768, 1769, 1771, 1772, 1775, 1776 1753-1758 Mr. Aelbrecht van der Burgh (1718 Gouda - 1783 Gouda) Vroedschap: 1745-1783 Schepen: 1747, 1748, 1750, 1752 Burgemeester: 1759, 1760, 1764, 1765, 1772, 1773, 1775, 1777, 1780, 1781 1759-1762 Mr. Bruno van der Does (1715 Gouda - 1791 Gouda) Vroedschap: 1744-1781 Schepen: 1744, 1745, 1747, 1748 Burgemeester: 1763, 1766, 1767, 1774, 1775

28

1763-1775 Mr Vincent van Eijck (1708 Gouda - 1788 Gouda) Vroedschap: 1755-1784 Schepen: 1755, 1756, 1758, 1759, 1762 Burgemeester: 1776, 1777, 1780, 1781, 1784 1775-1781 mr. Bruno van der Does (1715 Gouda - 1791 Gouda) Schepen: 1744, 1745, 1747, 1748 Burgemeester: 1763, 1766, 1767, 1774, 1775 1781-1787 Jacob Boon (van Ostade) (1730 Gouda - 1787 Gouda) Vroedschap: 1762-1787 Schepen: 1762, 1763, 1766, 1767, 1769, 1770, 1773, 1774, 1780 Burgemeester: 1786, 1787 1787

Mr. Cornelis Nicolaas Plemper van Bree (1730 Leiden - 1805 Gouda; poorter Gouda 1752) Vroedschap: 1766-1787 Schepen: 1766, 1767, 1770, 1771, 1774, 1778, 1779 Burgemeester: -

1788-1795 Mr. Adriaan Jacob van der Does (1756 Gouda - 1830 Gouda) Vroedschap: 1782-1795 Schepen: 1785-1786 Maire: 1810-1813

De WIC18 De WIC werd in 1621 tijdens de Tachtigjarige Oorlog met Spanje opgericht. De WIC was aanvankelijk vooral een militair instrument van de Republiek in de strijd tegen de Spanjaarden en Portugezen. Met name de kaapvaart, waarbij schepen van de vijand met hun lading werden gekaapt, speelde hierbij een belangrijke en voor de WIC winstgevende rol. Na het beëindigen van de Tachtigjarige Oorlog in 1648 ging het financieel bergafwaarts met de WIC. De oorlog met Spanje was voorbij en daarmee vervielen de belangrijke taken van kaapvaart en oorlogsvoering. Enkele jaren later in 1654 verloren de Nederlanders Brazilië aan de Portugezen. Dit verlies droeg in belangrijke mate bij aan het faillissement van de WIC In 1674. Maar omdat aanzienlijke handelsbelangen bleven bestaan en de koloniën in de West beheerd moesten worden, werd ook direct een nieuwe organisatie opgericht: de Tweede WIC. Er bleven weliswaar, net als onder de oorspronkelijke WIC, vijf kamers bestaan in Amsterdam, Zeeland (Middelburg), Maze (Rotterdam), het Noorderkwartier (Hoorn) en Stad en Lande (Groningen), maar het belangrijkste bestuursorgaan de Heren Negentien kromp in tot de Heren Tien. Deze Heren bepaalden het beleid dat door de verschillende kamers onder leiding van hun bewindhebbers werd uitgevoerd. In plaats van oorlogsvoering en kaapvaart werd handel de belangrijkste taak van de Tweede WIC.

Weer later zou die taak verschuiven van handel naar beheer van de Nederlandse koloniën in Afrika en Amerika en het bewaken van de continuïteit van de handel en scheepvaart in het Atlantisch gebied.

29

Globaal organogram van de WIC in West-Afrika Directeur-generaal van de kust van Guinea (West-Afrika)

Raad van de kust van Guinea (West-Afrika)

Opperkoopman (handel)

Fiscaal (rechtspraak)

Oppercommies en commies (aan het hoofd van de forten en handelsposten)

Vaandrig (verdediging)

Equipagemeester (beheer)

Boekhoudergeneraal (financiën)

De koloniën Bij de Vrede van Breda die in 1667 een einde maakte aan de Tweede NederlandsEngelse Oorlog kwam Suriname in Nederlandse handen. Suriname stond lange tijd onder beheer van de Sociëteit van Suriname, waarin de WIC en de stad Amsterdam deelnamen en een tijdlang ook de familie Van Sommelsdijck. Berbice (nu een deel van Guyana, ten westen van Suriname) was aanvankelijk een particuliere kolonie en werd vanaf 1720 bestuurd door de Sociëteit van Berbice. In Essequibo en Demerary, ten westen van Suriname, lag de situatie weer anders. Deze koloniën die, net als Berbice, genoemd waren naar de rivieren waaraan deze koloniën lagen, stonden onder rechtstreeks gezag van de WIC, maar kwamen begin 19e eeuw samen met Berbice in Britse handen en vormen nu Guyana. Op de benedenwindse eilanden van het Caribisch deel van ons Koninkrijk arriveerde de WIC in de jaren dertig van de 17e eeuw. In 1634 eerst op Curaçao, waar de Spaanse en inheemse bewoners werden verdreven en een fort aan de Sint Annabaai werd gebouwd. Curaçao was enige tijd het centrum van de slavenhandel voor de Spaanse koloniën in Amerika. Curaçao was veel meer dan bijvoorbeeld Suriname gericht op handel. Twee jaar later veroverde de WIC ook Aruba en Bonaire. Sint-Maarten kwam in 1631 in handen van de WIC en werd later gedeeld met Frankrijk. Sint-Eustatius, ook wel Statia genoemd, volgde in 1636.

Sint-Eustatius was tussen 1719 en 1729 belangrijk voor de handel in slaafgemaakten. In die periode voerden 25 schepen van de WIC hier 10.200 slaafgemaakten aan voor met name Franse en Engelse planters van omringende eilanden. Na 1730 verhandelde de WIC nauwelijks meer slaafgemaakten via Curaçao en Sint-Eustatius. Dat wil niet zeggen dat er geen handel in slaafgemaakten meer plaatsvond, alleen niet meer door de WIC. Het kleinste eiland Saba tot slot werd in 1640 veroverd. Handel in slaafgemaakten In de loop van de 17e eeuw veroverde de WIC een groot aantal forten en handels-

30

posten op de West-Afrikaanse kust. Van hieruit handelde de WIC onder andere in goud en tot slaaf gemaakte mensen. Al vrij snel, vanaf 1630, stond de WIC particuliere handel onder voorwaarden toe. De WIC behield echter het monopolie op de handel in slaafgemaakte Afrikanen en hout waarvan verfstoffen werden gemaakt. In de eerste decennia van de 17e eeuw waren Nederlanders nog weinig betrokken geweest bij de handel in slaafgemaakten. Maar dat veranderde met de verovering van Noordoost-Brazilië in 1636. De Portugezen, die het gebied daarvoor in handen hadden, lieten het werk op de suikerplantages aldaar doen door slaafgemaakte Afrikanen. Voor de handel in slaafgemaakte mensen was een stevige positie van de WIC in West-Afrika daarom noodzakelijk. De verovering in 1637 van Fort Elmina op de Goudkust in het huidige Ghana, was daarvoor van groot belang. Fort Elmina zou een belangrijke handelspost worden voor de slavenaanvoer naar Zuid-Amerika en het Caribisch gebied. Uiteindelijk zouden de Nederlanders tussen 1596 en 1830 meer dan 600.000 Afrikanen onder dwang naar Amerika voeren, ruim 5% van de totale trans-Atlantische slavenhandel.

De WIC was verantwoordelijk voor een deel hiervan, particuliere slavenhandelaren voor het overige deel.19 De slaafgemaakten werden, vaak na een lange tocht door het binnenland van Afrika, aan de kusten van West-Afrika aangekocht van Afrikaanse handelaren in ruil voor geschenken en handelswaar. De grote vraag naar slaafgemaakten stimuleerde het aanbod. Voor de aankoop werden zij gekeurd en na aankoop gebrandmerkt. De omstandigheden aan boord waren voor de slaafgemaakten met recht onmenselijk te noemen: maandenlang geketend in donkere, zeer kleine ruimtes, zonder te weten wat de eindbestemming van de reis was en gescheiden van familie en bekenden. Velen overleefden de gedwongen reis niet. Voor de WIC waren het de verschillende kamers van de WIC die de handel in slaafgemaakten organiseerden en daarvoor vaak speciale commissies hadden ingesteld. Zo had de kamer van Amsterdam een commissie ‘tot de saaken van de slavehandel’. Dit was ook de grootste commissie van de kamer. De schepen voeren eerst naar West-Afrika met lading als textiel, buskruit, geweren en ballast, bijvoorbeeld ijsselsteentjes (zie hoofdstuk 12 ‘Goudse ijsselsteentjes in de koloniale geschiedenis’). Deze reis duurde zo’n drie maanden. Het tweede deel van de reis, naar Amerika, duurde gemiddeld twee maanden. De handelswaar bestond toen, cynisch genoeg, uit slaafgemaakten uit West-Afrika.

Het laatste deel van deze transAtlantische driehoekshandel, naar Europa, besloeg wederom twee tot drie maanden. De schepen waren dan gevuld met producten als suikerriet, koffie- en cacaobonen, katoen en zout. Particuliere kooplieden, gesteund door verschillende steden, wilden ook zelf profiteren van de handel op West-Afrika. Uiteindelijk werd daardoor de handel op WestAfrika in 1730 gedeeltelijk en in 1734 geheel voor particuliere kooplieden uit de Republiek opengesteld. De WIC behield nog wel enige jaren het monopolie op de slavenhandel in Suriname en de kust van Guyana. In 1738 werd het monopolie van de WIC op de slavenhandel ontbonden als gevolg van de prijsdaling van zowel sui-

31

Ritueel van slaafgemaakten op een suikerplantage in Suriname, toegeschreven aan Dirk Valkenburg, 1706-1707.

ker als slaafgemaakten. In datzelfde jaar vertrokken de laatste twee slavenschepen van de WIC van de Goudkust. Vanaf dat moment was de WIC vooral beheerder van het Nederlandse koloniale bezit in West-Afrika en Zuid-Amerika en de eilanden in het Caribisch gebied. Indirect bleef de WIC wel betrokken bij de handel in slaafgemaakten. Vanaf 1740 gaven de Heren Tien de hoofden van forten en handelsposten toestemming om slaafgemaakten aan particuliere handelaren uit de Republiek te verkopen. Het personeel mocht dit in bepaalde perioden voor eigen rekening en risico doen maar moest hiervoor wel twintig gulden per verkochte slaafgemaakte aan de WIC betalen. De Middelburgse Commercie Compagnie (MCC) werd toen de belangrijkste onderneming die slaafgemaakten vervoerde van Afrika naar de Nederlandse koloniën in Amerika. Financieel ging het met de WIC nog redelijk goed tot aan de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog (1780-1784), maar door de grote verliezen tijdens deze oorlog, werd de Compagnie in 1791 wederom failliet verklaard en opgeheven. De koloniën kwa-

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=82dfaebe-0a8b-4928-9cba-82b32f80d2a0