ETFAL Heuvellaan 1, Gouda
Tekst van het document
Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 5. Onderstaand een samenvatting ten aanzien van de conclusies een aanbevelingen. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in onderstaande tabel. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.
33/462
Tabel 5.5.1 Beschermde soorten Heuvellaan 1
Naderonderzoek soorten De bovenstaande quickscan geeft aanleiding tot naderonderzoek voor de o.a. de vleermuis. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 6. Onderstaand betreft een samenvatting van de conclusies. Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen op de onderzoekslocatie. Een ontheffing is hierdoor niet aan de orde. De omgeving van de onderzoekslocatie wordt gebruikt door vleermuizen als foerageergebied. De bomenrij en watergang naast de onderzoekslocatie wordt door vleermuizen gebruikt als vliegroute. Daarnaast zijn twee paarterritoria in de omgeving van de onderzoekslocatie aangetroffen. Ten aanzien van in de omgeving verblijvende vleermuizen wordt geadviseerd om tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie vleermuisvriendelijke verlichting toe te passen. Vleermuisvriendelijke verlichting is amberkleurig (1700 – 2200 K) en heeft naar beneden gerichte verlichtingsarmaturen waardoor strooisellicht voorkomen wordt. Als aan deze voorwaarde voldaan wordt, kan redelijkerwijs worden gesteld dat door de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie geen verblijfplaatsen van vleermuizen worden verstoord. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door niet tijdens het broedseizoen werkzaamheden uit te voeren. Aanwezige vogels kunnen namelijk in de te kappen populieren broeden en kunnen daarmee verstoord worden.
Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot eind augustus worden aangehouden.
34/462
Tot slot dient te allen tijde rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht ten aanzien van in het wild levende dieren en planten. Aanbevelingen Buiten het vogelbroedseizoen te werken (het broedseizoen duurt grofweg van half maart tot half juli), of na inspectie van de locatie op broedende vogels tijdens het broedseizoen door een ecoloog. De werkzaamheden uit te voeren bij daglicht, om lichtverstoring door werkverlichting op vleermuizen te voorkomen. Acties te ondernemen om te voorkomen dat tijdens de werkzaamheden rugstreeppadden de locatie gaan koloniseren. Dit kan door in de periode april-september te voorkomen dat ondiepe plassen ontstaan, waarin deze soort eieren kan afzetten, en te voorkomen dat vergraafbare grond aanwezig is. Het beperken van opslag van bouwmaterialen als grond, zand, etc. in hopen tijdens de bouwperiode. Als tijdelijk in depot plaatsen van zand- en/of grond noodzakelijk is moet vestiging van fauna worden voorkomen door: 1. Het afschermen van opgeslagen grond en zand in depot met een amfibieënraster in de periode september-maart; 2. het afwerken in een talud < 45° in de broedtijd van oeverzwaluwen (maart-juli). De zorgplicht in acht te nemen, door de op het terrein voorkomende algemene soorten de gelegenheid te geven om weg te vluchten, of deze te verplaatsen naar naastgelegen geschikt gebied waar geen werkzaamheden worden uitgevoerd.
Gebiedsbescherming Het projectgebied is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein op een afstand van circa 3,4 km. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitats betreft Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. De afstand van dit Natura 2000-gebied tot het projectgebied bedraagt circa 10 km. Het projectgebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde onderdeel van NNN bevindt zich op ca. 1,1 km afstand. Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op NNN en Natura 2000-gebied op voorhand uitgesloten. Voor het onderzoeken van de mogelijke effecten op het nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied voor de realisatie- en gebruiksfase zijn AERIUS-berekeningen met bijbehorende memo uitgevoerd (zie Bijlage 11, Bijlage 12en Bijlage 13). Uit de berekening blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr voor de realisatie- en gebruiksfase van de ontwikkeling. Provinciale verordening De volgende instructieregel vanuit de provinciale verordening is relevant.
Bescherming van stiltegebieden (Omgevingsverordening artikel 3.14) De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats in (de buurt van) een stiltegebied. Conclusie en aanbevelingen De beoogde ontwikkeling vormt geen belemmering voor het aspect soortenbescherming. Er zal bij de uitvoering
35/462
van het initiatief rekening worden gehouden met de algemene zorgplicht waarmee het planvoornemen voldoet aan de geldende instructieregels en in stemt op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De ontwikkeling is niet in een natuur- of groengebied met een beschermde status gelegen. Uit de stikstofberekeningen blijkt dat de ontwikkeling de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden niet aantast. Er wordt voldaan geldende instructieregels omtrent ecologie, daarbij is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zolang wordt voldaan aan de algemene zorgplicht ten aanzien van in het wild levende dieren en planten. Voorschriften zijn nodig om te voldoen aan etfal en instructieregels.
5.6
Luchtkwaliteit
Toetsingskader Als een omgevingsvergunning-betrekking heeft op een activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, kan deze alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen (artikel 5.51, lid 4 Bkl). Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In deze gebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2 Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteiten die zorgen voor een toename van de verkeersintensiteit op wegen, vaarwegen of spoorwegen en milieubelastende activiteiten daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden. Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 µg/m³ of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen.
Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering. De instructieregel beperkt zich gelet op het toepassingsbereik tot specifieke activiteiten (het aanleggen of wijzigen van een autoweg of rijksweg, de aanleg of wijziging van een tunnel voor het wegverkeer) en specifieke activiteiten binnen aangewezen gebieden. Als met het omgevingsplan (m.m. de omgevingsvergunning voor een BOPA) dergelijke activiteiten mogelijk gemaakt worden, dan kan ofwel worden betoogd dat sprake is van een activiteit die niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit, ófwel worden betoogd dat deze activiteit(en) niet maken dat niet aan de omgevingswaarden voor de luchtkwaliteit wordt voldaan. Toetsing Het projectgebied bevindt zich niet in een van de in artikel 5.51 (van het Bkl) vermeldde aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof. Op basis van de NIBM-tool is berekend dat de activiteit niet in betekenende mate
36/462
bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, zie tabel 5.6.1. Nader onderzoek is niet benodigd. Met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit is de beoogde ontwikkeling in overeenstemming met de instructieregels van het Bkl. Tabel 5.6.1 NIBM-tool
Naast een beoordeling van de bijdrage aan de luchtkwaliteit door de activiteit zelf is het ook nodig om te beoordelen of de nieuwe functie aan de betreffende locatie kan worden toegewezen gelet op de achtergrondconcentratie van luchtverontreinigende stoffen. Dit kan worden beoordeeld met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Uit de kaart blijkt dat in 2023 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof op de rekenpunten nabij het projectgebied (zie figuur 5.6.1) ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2023; 18,8 ìg/m³ voor NO2, 16,2 ìg/m³ voor PM10 en 8,6 ìg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. De luchtkwaliteit ter plaatse is aanvaardbaar.
37/462
Figuur 5.6.1 Uitsnede CIMLK-kaart Conclusie De omgevingswaarden voor de luchtkwaliteit die op grond van de Omgevingswet gelden, zijn niet op de aangevraagde activiteiten van toepassing. Daarbij blijkt dat de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof in het projectgebied ruimschoots onder de omgevingswaarden liggen. Gelet op de luchtkwaliteit op de beoogde locatie zijn de aangevraagde activiteiten niet in strijd met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor zover het deze luchtkwaliteit betreft.
5.7
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
Toetsingskader Wanneer een geluidgevoelig object mogelijk wordt gemaakt zal bij vergunningverlening rekening gehouden moeten worden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en overige milieubelastende activiteiten op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied. Dit betekent dat bij het toelaten van een geluidgevoelig object in een geluidaandachtsgebied een belangenafweging zal moeten worden gemaakt en deze goed zal moeten worden gemotiveerd. Daarnaast zal de omgevingsvergunning voor de BOPA erin moeten voorzien dat het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein op geluidgevoelige gebouwen binnen een aandachtsgebied aanvaardbaar is (artikel 5.78s, tweede lid, Bkl). Het geluid op de gevel van een geluidgevoelig object door een weg, spoorweg of industrieterrein is in ieder geval aanvaardbaar als dit niet hoger is dan de standaardwaarde uit tabel 5.78t uit het Bkl. Ook moet de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op een geluidgevoelig gebouw moeten worden beoordeeld (artikel 5.78s, derde lid jo. 5.78ac Bkl). Als de geluidbelasting door één of meer bronnen hoger is dan de standaardwaarde, maar lager is dan de grenswaarde, moet de waarde van het gezamenlijke geluid (de som van geluidbelastingen door verschillende bronnen die hoger is dan de standaardwaarde) worden vastgelegd.
Hiervoor zal een vergunningvoorschrift aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden. Bij het nemen van het besluit tot het verlenen van de aangevraagde omgevingsvergunning zal ook het belang van een geluidluwe gevel moeten worden betrokken.
38/462
Gecumuleerd geluid In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl, art. 3.38) is aangegeven dat bij het overschrijden van de standaardwaarde, ook het gecumuleerde niveau dat door alle bronnen in de omgeving optreedt moet worden beoordeeld. Hierbij moet het geluid van wegen, spoorwegen, industrieterreinen en overige geluidbronnen worden gecumuleerd. Het is aan het bevoegd gezag om de aanvaardbaarheid te beoordelen. Dat kan bijvoorbeeld aan de hand van de in jurisprudentie bekende classificering van de kwaliteit van de akoestisch omgeving in een milieukwaliteitsmaat volgens de ‘methode Miedema’. Om de akoestische kwaliteit te kunnen duiden, bestaat de zogenoemde "methode Miedema". Miedema (TNO) heeft in het verleden onderzoek gedaan en een milieukwaliteitsmaat (MKM) ontwikkeld om de te verwachten (gecumuleerde) hinder te kunnen kwantificeren en daarmee de akoestische kwaliteit van een woonomgeving te kunnen beoordelen. Deze methode geeft een kwaliteitsoordeel aan de gecumuleerde geluidsbelasting waarbij intervallen van 5 dB worden gehanteerd. De navolgende tabel geeft de classificering van de milieukwaliteit volgens de methode Miedema. Tabel 5.7.1: Methode Miedema
Hogere waarden Regio Midden-Holland 2018 De beleidsregels ‘Hogere waarden Regio Midden-Holland 2018’ (versie 3 d.d. 8 oktober 2018) gelden ook vanaf het in werking treden van de Omgevingswet. Wel wordt aangesloten bij de standaardwaarden en grenswaarden uit het Bkl. De voorwaarden voor een geluidluwe gevel en geluidluwe buitenruime geldt voor de standaardwaarde + 5 dB, oftewel: 58 Lden voor wegverkeerslawaai of; 60 Lden railverkeerslawaai. Toetsing De locatie in kwestie ligt binnen het geluidaandachtsgebied rond de snelweg A12, het geluidaandachtsgebied rond de spoorlijn tussen Utrecht - Rotterdam/Den Haag en het geluidaandachtsgebied rond de gemeentewegen. De snelweg A12 wordt vanuit de Goudse Poort via de provinciale weg N451 ontsloten. Gezien de afstand tussen de projectlocatie en deze provinciale weg (ongeveer 650 meter) wordt er van uitgegaan dat de projectlocatie niet in het geluidaandachtsgebied rond deze provinciale weg ligt. In de volgende figuur is de ligging van de projectlocatie ten opzichte van het geluidaandachtsgebied rond de snelweg en de spoorbaan weergegeven.
39/462
Figuur 5.7.1. Projectlocatie en geluidsaandachtsgebieden Econsultancy heeft voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) een onderzoek weg- en railverkeerslawaai uitgevoerd. Bij de projectie van nieuwe geluidgevoelige gebouwen binnen het geluidaandachtsgebied van een (spoor)weg is een onderzoek verkeerslawaai noodzakelijk. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 7. Uit dit akoestisch onderzoek volgt dat de geluidsbelasting op het appartementencomplex als gevolg van de gemeentewegen ten hoogste 63 Lden bedraagt en de geluidbelasting door het spoor ten hoogste 57 Lden bedraagt. Dit houdt in dat zowel het wegverkeerslawaai als het spoorweglawaai ter hoogte van de mogelijk te maken nieuwbouw de standaardwaarde, maar lager is dan de grenswaarde. De waarde van het gecumuleerde geluid zou beoordeeld volgens de Miedema-methode variëren van 'zeer goed' tot 'tamelijk slecht'. Op grond van de instructieregel moet bij overschrijding van de standaardwaarde worden overwogen of deze overschrijding door het treffen van maatregelen kan worden weggenomen of beperkt. Overschrijding standaardwaarde Als gevolg van gemeentewegen moeten voor 82 woningen hogere geluidswaarden worden verleend. Als gevolg van hoofdspoorwegen moeten voor 11 woningen hogere geluidswaarden worden verleend. De betreffende overschrijdingen zijn per relevante verdieping afgebeeld in bijlage 8 en 9.
De resultaten van de hoofdspoorwegen zijn beperkt tot de zuidgevel, omdat alleen hier overschrijdingen zijn berekend. Gemeentewegen 2e verdieping: 11 woningen 3e verdieping: 13 woningen 4e verdieping: 13 woningen 5e verdieping: 6 woningen 6e verdieping: 6 woningen 7e verdieping: 6 woningen
40/462
8e verdieping: 6 woningen 9e verdieping: 6 woningen 10e verdieping: 6 woningen 11e verdieping: 6 woningen 12e verdieping: 6 woningen Railverkeer 5e verdieping: 6e verdieping: 7e verdieping: 1 woning 8e verdieping: 2 woningen 9e verdieping: 2 woningen 10e verdieping: 2 woningen 11e verdieping: 2 woningen 12e verdieping: 2 woningen Maatregelen In het geluidsonderzoek zijn de bron-, overdrachtsmaatregelen overwogen, hieruit blijkt dat deze maatregelen niet mogelijk of gewenst zijn. Het onderzoek toont aan dat er maatregelen mogelijk zijn aan de gevels van de beoogde ontwikkeling. Deze zijn onderstaand beschreven: 2e, 3e en 4e bouwlaag: In overleg met de Omgevingsdienst is gekomen tot de geluidwerende voorzieningen ter plaatse van de gele lijn zoals in onderstaande figuren weergegeven. De verschillende voorzieningen zijn met nummers aangeduid. Met de voorgeschreven gevelmaatregelen wordt aan de voorwaarde van een geluidluwe gevel en geluidluwe buitenruimte voldaan.
41/462
Figuur 5.7.2 Benodigde geluidwerende voorzieningen 2e, 3e en 4e verdieping 5e en 6e verdieping: Op beide verdiepingen is het realiseren van geluidluwe gevels en geluidluwe buitenruimten niet nodig, omdat het geluid als gevolg van gemeentewegen niet hoger is dan 58 Lden. De voorwaarden van een geluidluwe gevel en geluidluwe buitenruimte gelden dan niet. 7e tot en met de 12e verdieping: Voor de appartementen op de 7e tot en met de 12e verdieping moeten er verhoogde balkonschermen worden toegepast zodat het geluid op de achterliggende gevel ten hoogste 58 Lden is. In figuur 5.7.3 zijn de voorzieningen opgenomen. Ook hier geldt dat de toepassing van 'vast glas geluidwering' ter plaatse van nummer 3 aan de zuidgevel niet nodig is.
42/462
Figuur 5.7.3 benodigde balkonschermen 7e tm 12e verdieping Met het realiseren van de in het akoestisch onderzoek genoemde maatregelen wordt zoveel mogelijk gestreefd naar het voldoen aan de Beleidsregel hogere waarden. Het is echter niet mogelijk om de gehele zuidgevel geluidluw te maken. Daarom is op aangeven van de gemeente voor dit specifieke plan afgeweken van de Beleidsregels hogere waarden. Naast de genoemde maatregelen geldt voor het plan een 5 dB betere/strengere geluidwering dan de minimaal vereiste waarde volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Deze compensatie zorgt ervoor dat er sprake is van een goed akoestisch binnenklimaat, ondanks dat het ontwerp niet volledig voldoet aan de Beleidsregels hogere waarden. Conclusie De berekende geluidbelastingen vanwege gemeentewegen en spoorwegen voldoen niet aan de standaardwaarde van de betreffende geluidbronsoorten. Voor het plan kan de hogere geluidsbelasting dan de standaardwaarde in acht worden genomen. De gemeente kan hierbij de volgende kenmerken van het plan in overweging nemen: 1. bron- en overdrachtsmaatregelen voor gemeentewegen en spoorwegen zijn niet doelmatig of stuiten op overwegende bezwaren; 2. de berekende geluidsbelastingen zijn lager dan de grenswaarde; 3. de milieukwaliteitsmaat volgens Miedema ter plaatse van de woningen varieert van 'zeer goed' tot 'tamelijk slecht'; 4.
de gevelmaatregelen worden toegepast; 5. een nader onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de gevels is op grond van het Bbl noodzakelijk. Hierbij geldt wel een 5 dB betere/strengere geluidwering dan de minimaal vereiste waarde volgens het Bbl. Bij het toepassen van bovenstaande maatregelen er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
43/462
5.8
Geluid door activiteiten
Toetsingskader In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang dat in de BOPA voorwaarden worden vastgelegd om te zorgen dat bedrijfsmatige activiteiten en milieugevoelige activiteiten (zoals wonen) op een goede manier op elkaar worden afgestemd. Afhankelijk van de aard en omvang van de activiteiten die het omgevingsplan toestaat zal het daarbij in ieder geval gaan om regels op het vlak van geluid. Verder is bij het toestaan van nieuwe gevoelige activiteiten ook een afweging van de gevolgen voor de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende bedrijven noodzakelijk. Onder de Omgevingswet is een nieuwe werkwijze in ontwikkeling, waarbij het werken met milieucategorieën voor bedrijven komt te vervallen en de regeling daarvoor wordt vervangen door direct milieuregels in het omgevingsplan op te nemen: 'Activiteiten en milieuzonering’. Ook onder deze nieuwe regeling blijven de doelen van milieuzonering, zoals deze onder de Wro golden, gelden. Deze doelen betreffen de volgende: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen en het bieden van voldoende ruimte en zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen. Er dient te worden onderbouwd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan worden bereikt wanneer er voldoende afstand wordt gehouden tussen de milieubelastende activiteiten en de woonactiviteiten. Wat voldoende is, hangt af van de aard en omvang van de milieubelastende activiteiten. De VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' biedt hierbij een basis zover voor een indicatie voor de inpasbaarheid van de activiteit. De VNG-brochure bevat maat een onderscheid tussen “gemengde gebieden” en “rustige woonwijk”. Bij gemengde gebieden wordt een hogere milieubelasting aanvaardbaar geacht. De beoogde ontwikkeling ligt in een gemengd gebied.
44/462
Toetsing Milieuhinder door planvoornemen Met het planvoornemen wordt een bowlingcentrum met ondergeschikte horeca voorzien. Gezien het feit dat deze functie in de huidige situatie reeds aanwezig is, zorgt het niet voor een hogere milieubelasting op de omgeving. Desalniettemin is hier in het kader van ETFAL alsnog op ingegaan. Een bowlingcentrum is een inrichting met de milieucategorie 2. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter (gemengd gebied). Dichtstbijzijnde woningen zijn gesitueerd op een afstand van 30 meter. Aan de richtafstand kan worden voldaan. In het bowlingcentrum wordt ook een restaurant gerealiseerd. Voor dit type horeca geldt de milieucategorie 1 met een richtafstand van 0 meter. Aan deze richtafstand kan worden voldaan. Functiemenging Boven het bowlingcentrum met ondergeschikte horeca zijn woningen voorzien. Nagegaan moet worden of deze twee functies van horeca en woningen in de directe nabijheid van elkaar kunnen worden gerealiseerd. Hiervoor is een adviesdocument opgesteld door M3E B.V. over de bouwkundige uitvoering van de constructie tussen de bowlingbaan met horecagelegenheid & parkeer laag en de parkeer laag & woningen. Zie hiervoor bijlage 10. Onderstaand betreffen de conclusies en aanbevelingen van dit advies. In de basis is het essentieel dat er wordt uitgegaan van een doos-in-doos principe.
Door de bowlingbaan en horecagelegenheid in een eigen "doos" te plaatsen wordt de geluidoverdracht naar de inpandige ruimte beperkt tot de wettelijk toegestane norm. Voor de geluidproductie in de bowlingbaan en horecagelegenheid dient men zich wel te houden aan de voorschriften uit de Omgevingswet qua maximale geluidsproductie. Om geluidsoverlast vanuit de parkeerlaag te voorkomen is het van belang een goed akoestisch paneel te plaatsen aan de bovenzijde van de parkeer laag. Daarnaast dient de constructie voldoende massa te hebben om het geluid te kunnen absorberen. Bedrijfsmatige activiteiten buiten het projectgebied Het kantoorgebouw aan Heuvellaan 2 is gesitueerd op een afstand van 8 meter van het projectgebied. Gezien de aard en omvang van dit kantoorgebouw is milieuhinder aan de beoogde woningen zeer onwaarschijnlijk en kunnen deze functies naast elkaar plaats vinden. De VNG-brochure geldt de milieucategorie 1 met een richtafstand van 0 meter voor 'gemengd gebied'. Hieraan kan worden voldaan. De bedrijven aan de overzijde van de Burgemeester van Reenensingel betreffen eveneens kantoorgebouwen. De afstand tot deze kantoren bedraagt meer dan 50 meter, waardoor milieuhinder is uitgesloten en aan de richtafstand (0 meter) kan worden voldaan. Het zwembad aan Tobbebad 4 is gesitueerd op een afstand van 100 meter van het projectgebied.
In het kader van de VNG-brochure geldt voor zwembaden met buitenbaden de milieucategorie 4.1 met een richtafstand van 100 meter (in 'gemengd gebied'). Hieraan kan worden voldaan, de afstand bedraagt 100 meter tussen de bestemming 'Gemengd' en 'Cultuur en ontspanning'. Voor zwembaden zonder buitenbaden geldt overigens de milieucategorie 3.1 (richtafstand 30 meter). De buitenbaden van het zwembad zijn gesitueerd aan de westzijde van het zwembadcomplex. Gemeten van buitenzwembad tot projectgebied bedraagt de afstand 120 meter. Omdat het zwembad recentelijk is verbouwd en omdat er geen uitbreiding van buitenzwembaden naar het
45/462
oosten mogelijk is, kan gemotiveerd worden beoordeeld dat sprake is van voldoende ruimtelijke scheiding. De sporthal aan Tobbebad 2 is gesitueerd op een afstand van 135 meter van het projectgebied (van bestemming tot bestemming). In het kader van de VNG-brochure geldt de milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 30 meter (in 'gemengd gebied'). Hieraan kan worden voldaan. Industrielawaai Het projectgebied is nabij een geluidsaandachtsgebied van een bedrijventerrein gelegen, dit betreft de geluidszone van het industrieterrein Kromme Gouwe. In onderstaand figuur is te herleiden dat het projectgebied niet binnen het aandachtsgebied is gelegen. In het tijdelijke deel van het omgevingsplan 'Bestemmingsplan Bloemendaal' is per abuis deze zone opgenomen in het onderhavige projectgebied.
Figuur 5.8.1. Uitsnede geluidzone Kromme Gouwe (projectgebied bovenin met paarse stip aangegeven) (Bestemmingplan Nieuwe Park Bedrijven, 2014) Overige bedrijfsmatige functies liggen op (nog) grotere afstand en vormen geen belemmering voor het planvoornemen. Conclusie Voor de aspecten geluid van activiteiten en industrielawaai is sprake van een evenwichtige toedeling van functies van locaties; Er is voldoende aandacht gehouden aan de geluidemissies van de bowlingbaan en boven liggende woningen. Er is geen sprake van geluidshinder van activiteiten uit de omgeving op de beoogde ontwikkeling. De bedrijven worden niet beperkt in haar bedrijfsruimte en geluidshinder aan geluidgevoelige gebouwen wordt niet verwacht.
46/462
Projectlocatie is niet gelegen in een geluidsaandachtsgebied van nabij gelegen industrie. Het planvoornemen voldoet aan de geldende instructieregels voor geluid (activiteiten en industrielawaai). Er zijn geen voorschriften nodig om te voldoen instructieregels en bij te dragen aan etfal.
5.9
Externe Veiligheid
Toetsingskader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl, deze zijn van toepassing als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (artikel 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (artikel 5.11 Bkl). Voor het PR gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico In artikel 5.12 in het Bkl zijn er brand- explosie en gifwolkaandachtsgebieden voor het groepsrisico, deze zijn niet van toepassing als het gaat om een activiteit als bedoeld in bijlage VII, onder C, waarvoor een locatie bij ministeriële regeling als brandvoorschriftengebied is aangewezen. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (artikel 5.14 Bkl).
Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikel 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (artikel 5.14 Bkl).
47/462
Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het GR is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het GR te berekenen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. De provincie Zuid-Holland benoemt in haar Omgevingsverordening een aantal provinciale milieubelangen. Binnen deze verordening is de volgende instructieregel relevant: Artikel 7.18 (groepsrisicobenadering aandachtsgebieden met verhoogd groepsrisico) In aanvulling op artikel 5.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden voor een aandachtsgebied met verhoogd groepsrisico de volgende overwegingen betrokken in het omgevingsplan. Artikel 7.22 (aandachtsgebieden langs niet-Basisnet transportroutes in verband met groepsrisico) 1. Langs de niet-Basisnet transportroutes, bedoeld in artikel 7.21, strekt het effectgebied voor incidenten met brand bij het vervoer van gevaarlijke stoffen zich uit tot een afstand van 30 meter, gemeten vanaf de kant van de weg en strekt het effectgebied voor incidenten met explosies zich uit tot een afstand van 200 meter gemeten vanaf de kant van de weg. 2.
In een omgevingsplan wordt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen de effectgebieden, bedoeld in het eerste lid, rekening gehouden met de effecten van mogelijke incidenten met het vervoer van gevaarlijk stoffen. Toetsing De beoogde ontwikkeling maakt kwetsbare gebouwen mogelijk. Het voornemen voorziet niet in het mogelijk maken van milieubelastende activiteiten met een extern veiligheidsrisico. Het voornemen dient te worden getoetst op nabij gelegen externe veiligheidsrisico's. In de omgeving van het projectgebied zijn verschillende externe veiligheidsrisco's aanwezig. Het betreft zowel transportroutes, als op ruimere afstand gelegen leidingen en milieubelastende activiteiten met een extern veiligheidsrisico. Het projectgebied bevindt zich niet in een aandachtsgebied of PR-contour van de bovengenoemde bronnen, zie onderstaand figuur.
48/462
Figuur 5.9.1: Uitsnede EV signaleringskaart Instructieregels vanuit de Provinciale verordening Beschermen van grote groepen mensen (Omgevingsverordening artikel 7.18). De voorgenomen ontwikkeling ligt niet in een aandachtsgebied van een EV-relevante risicobron. (aanvullende) aandachtsgebieden langs niet-basisnet wegen De voorgenomen ontwikkeling ligt niet in een aandachtsgebied van de aangewezen wegen. De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met dit provinciale milieubelang. Risico's anders dan gevaarlijke stoffen Bij het mogelijk maken van een BOPA-activiteit spelen vaak veiligheidsrisico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Maar in het Bkl is het risicobegrip breder: in de aanvraag om een vergunningsaanvraag voor een BOPA zal ook moeten worden gemotiveerd hoe voor risico's van branden, rampen en crises rekening gehouden met het belang van: 3. het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan; 4. de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en 5. de geneeskundige hulpverlening. Deze instructieregel 5.2. is 'vertaald' in de artikelen 22.13 tot en met 22.15 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rechtswege (de bruidsschat).
Deze artikelen bevatten regels met het oog op het waarborgen van de veiligheid die een toereikende bluswatervoorziening, de bereikbaarheid van bouwwerken voor hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen voor brandweervoertuigen waarborgen. Daarnaast blijkt aan de hand van de kaarten en data van het Interprovinciaal Overleg (IPO) 2023, dat er in de directe omgeving van de projectlocatie geen kwetsbare (natuur)gebieden voor natuurbrand aanwezig zijn. Nader onderzoek naar dit aspect is niet benodigd. Uit kaarten van het Landelijk informatiesysteem water en overstromingen (LIWO) blijkt dat er ter plaatse van het projectgebied sprake is van een extreem kleine kans tot overstroming: 1 op de 1.000.000 jaar. Gezien deze kleine kans is nader onderzoek niet benodigd is dit risico aanvaardbaar geacht. Risico's ten aanzien van inklinking zijn behandeld in paragraaf 5.13 Water. Overige risico's van branden, rampen en crisis zijn niet relevant voor deze ontwikkeling.
49/462
Conclusie Uit de EV signaleringskaart blijkt dat er geen aanleiding ontstaat tot nader onderzoek. De omgeving brengt geen beperking mee tot het mogelijk maken van kwetsbare gebouwen (en locaties). Omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling en er wordt voldaan aan de geldende instructieregels. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is sprake van een aanvaardbare situatie.
5.10 Trillingen Toetsingskader In § 5.1.4.4 van het Bkl zijn de instructieregels met betrekking tot trillingen opgenomen. Daarbij gaat het om trillingen door specifieke milieubelastende activiteiten op zogenoemde trillingsgevoelige gebouwen. Volgens artikel 5.80, eerste lid, Bkl is een trillinggevoelig gebouw een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. De instructieregels gelden niet voor trillingen door doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Gemeenten kunnen in die gevallen zelf bepalen of en zo ja, welke regels zij voor trillingen van activiteiten in het omgevingsplan opnemen in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Toetsing Vanuit de handreiking Nieuwbouw en spoortrillingen wordt een vuistregel van 100 meter tussen het spoor en trillingsgevoelige gebouwen gehanteerd. Het dichtstbijzijnde spoortraject ligt op een afstand van circa 400 meter. Aanleiding tot specifiek onderzoek kan daardoor worden uitgesloten. Trillingen vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling en er wordt voldaan aan de geldende instructieregels.
5.11 Cultureel erfgoed Toetsingskader Onder cultureel erfgoed valt: archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap etc. Voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen opgenomen (artikel 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voor beschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is opgenomen op de archeologische beleidskaart en
50/462
de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal door vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Toetsing Archeologie Op de gemeentelijke archeologische basiskaart (ABK) is aangegeven in welke gebieden binnen de gemeente archeologische waarden aangetroffen kunnen worden. In die gebieden is een omgevingsvergunning voor de activiteit archeologie vereist bij bodemverstorende werkzaamheden. In het beleid is opgenomen in welke situaties vrijstelling geldt van deze verplichting.
Figuur 5.3 Uitsnede Archeologische basiskaart gemeente Gouda (projectgebied blauw omcirkeld) Uit de Archeologische basiskaart van de gemeente Gouda blijkt dat het projectgebied een lage archeologische verwachtingswaarde heeft. Dit betekent dat bij ontwikkelingen die groter zijn dan 10.000 m² en met werkzaamheden dieper dan 0,5 meter onder maaiveld een archeologisch onderzoek benodigd is. In het tijdelijke deel van het vigerende omgevingsplan 'Bloemendaal' is het projectgebied niet voorzien van een archeologische dubbelbestemming. Voor de realisatie van het bouwplan is op basis hiervan geen archeologisch onderzoek benodigd. Het aspect archeologie staat daarmee de uitvoerbaarheid van deze BOPA niet in de weg.
51/462
Culturele historie
Figuur 5.4. Uitsnede digitale cultuurhistorische basiskaart Gouda (projectgebied rood omkaderd) Uit de Digitale cultuurhistorische basiskaart Gouda blijkt het projectgebied geen cultuurhistorische waarden te bevatten. De donkergrijze vlek ten noordoosten van het projectgebied duidt op de ontginningslocatie 'Bloemendaal' (periode 1100-1140). De percelen hadden een vaste breedtemaat (100 -150 meter), een bepaald oppervlakte (een cope) en een vrije opstrek (onbepaalde lengtemaat). Later werd de vaste lengtemaat van 1.250 meter ingevoerd en volgde de achterkade de loop van de ontginningsbasis. Deze percellering is verloren gegaan bij de ontwikkelingen na de jaren '80. De rode lijn ten zuidwesten van de projectlocatie duidt op de vroegere aanwezigheid van Winterdijk. Deze dijkweg liep van de binnenstad richting Waddinxveen. Er is geen sprake van cultuurhistorische elementen of objecten binnen het projectgebied. Met de realisatie van het planvoornemen vindt er dan ook geen aantasting van cultuurhistorie plaats. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het bouwplan geen onevenredige afbreuk doet aan cultuurhistorische waarden. Conclusie Er wordt voldaan aan de geldende instructieregels omtrent cultureel erfgoed.
Ten aanzien van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt het planvoornemen geen aantasting aan cultuurhistorische elementen en brengt geen aanleiding tot archeologisch onderzoek.
5.12 Bodem Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het nieuwe deel van het omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten
52/462
zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Bal, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2 Aanvullingsbesluit Bodem); Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bal); Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4 Aanvullingsbesluit Bodem); Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Toetsing De beoogde ontwikkeling voorziet in het mogelijk maken van bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie. Op grond van artikel 5.89i Bkl dient te worden aangetoond of bodem van voldoende kwaliteit is. De bouw van een bodemgevoelig gebouw is alleen toegestaan als de kwaliteit van de bodem voldoet aan de interventiewaarden. Onderstaand wordt ten eerste ingegaan op de bodemmorfologie, vervolgens de bodemkwaliteit. Huidige situatie Het projectgebied ligt, zoals een groot deel van Gouda in het laagveen. In de Basiskaart Natuurlijk Systeem heeft het projectgebied dan ook hoofdtype laagveen met subtype laagveenvlakte. In figuur 5.12.1 is dit weergegeven.
Door de ligging in het laagveen bestaat de bodem voornamelijk uit een dik veenpakket, met ophooglagen. Het veenpakket is meer dan vier meter dik. Hierdoor is de draagkracht van de bodem slecht en treedt ook bodemdaling op. Dit aspect wordt nader besproken in paragraaf 5.13 water.
Figuur 5.12.1 plan op Basiskaart Natuurlijk Systeem (ODMH)
53/462
Bodemkwaliteit De ontwikkeling voorziet in het mogelijk maken van bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locaties. Er is een verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd binnen het projectgebied. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 14. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is inzicht te verkrijgen of en in hoeverre het voormalige, dan wel het huidige gebruik van de locatie geleid kan hebben tot verontreiniging van de bodem. Hierna volgen de belangrijkste resultaten en conclusies. Op basis van de historie van het terrein worden sterke verontreinigingen verwacht. Er is echter alleen sprake van gemeten matig verhoogde gehalten nikkel en zink, alsmede de licht verhoogde gehalten PAK, PCB, minerale olie en overige zware metalen. Asbest is niet in de bovengrond aangetoond. Op basis van de onderzoeksresultaten van het bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat de licht tot matig verhoogde gehalten aan onderzochte parameters geen belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van deze BOPA. Aanbevolen wordt om voorafgaand aan de herontwikkeling een bodemonderzoek onder de huidige bebouwing alsmede een bodemonderzoek naar asbest in de bodem te laten verrichten. Deze onderzoeken worden na de sloop van de bebouwing verricht, omdat dat in de huidige bebouwde situatie niet mogelijk is.
Aanvullend bodemonderzoek Door Burgland Real Estate te Stolwijk is aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 15. Onderstaand betreft een samenvatting van de conclusies en aanbevelingen. Uit het veldwerk blijkt dat in de bodem bijmengingen zijn waargenomen die mogelijk duiden op de aanwezigheid van stortmateriaal. De bijmengingen zijn waarschijnlijk de oorzaak voor de verhoogd aangetoonde gehalten metalen in de grond. De aanwezigheid van verhoogde gehalten metalen in vermoedelijk stortmateriaal heeft doorgaans een heterogeen karakter. Om die reden is de metalenverontreiniging niet uitgekarteerd. Er is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetoond. Met betrekking tot de aangetoonde lichte tot sterke verontreiniging met zware metalen in de grond is geen veiligheidsklasse van toepassing. Dit houdt in dat alleen de regels voor Basishygiëne in acht dienen te worden genomen. Het omgevingsplan bepaalt dat het verboden is een bodemgevoelig gebouw te bouwen op een bodemgevoelige locatie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden (artikel 5.89l, eerste lid, Bkl). Deze melding gaat gepaard met de in artikel 5.89l, tweede lid, Bkl verplichte gegevens, waaronder de bodemonderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Bal.
Het voorgaande geldt niet als voor de bouwactiviteit op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning is vereist (artikel 5.89l, vierde lid, Bkl). Advies ODMH Het ODMH adviseert om een plan van aanpak op te stellen en de geplande (vervolg)werkzaamheden in de bodem te beschrijven en uit te werken. Na goedkeuring van het plan door de ODMH kunnen de (vervolg)werkzaamheden worden uitgevoerd. Deze procedure dient te worden geborgd middels een voorschrift.
54/462
Conclusie Gezien het aantreffen van vermoedelijk stortmateriaal wordt aangeraden aanvullend historisch onderzoek te verrichtten in relatie tot de voormalige stort Groenhovenpark. Onder andere dient uitgezocht te worden welke afspraken er omtrent graafwerkzaamheden binnen/rondom de beschikte stort Groenhovenpark zijn. Tevens wordt aangeraden na verwijdering van de bebouwing ter plaatse de bodem te onderzoeken. Mogelijk dient de bodem (deels) te worden gesaneerd. Indien deze maatregelen in acht worden genomen is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en wordt er voldaan aan de geldende instructieregels voor het aspect bodem.
5.13 Water Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met de weging van het waterbelang. Dit komt erop neer dat in een vroeg stadium de opvattingen van de waterbeheerder moeten worden betrokken. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. Deze instructieregel is van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning voor een BOPA via artikel 8.0b Bkl. Een BOPA moet ook worden getoetst aan de instructieregels uit de waterschapsverordening en de provinciale omgevingsverordening. De waterbeheerder voor deze locatie is Hoogheemraadschap van Rijnland. De gemeente of initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van de uitwerking, mogelijke effecten en de te nemen maatregelen om aan te tonen dat wordt voldaan aan de normen. De gemeente kan strengere normen opnemen in het omgevingsplan. Dit is altijd maatwerk en gebiedsafhankelijk. Voor deze BOPA geldt: Bebouwing in werkingsgebieden van keringen en andere waterstaatswerken; Waterketen, relatie met de afvoer van afvalwater. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hieraan zelf invulling te geven. Aanvullende instructieregels Voor een aantal specifieke rijksbelangen stelt het Bkl aanvullende instructieregels.
Deze zijn: Bescherming van primaire waterkeringen, artikel 5.38 Bkl; Behoud waterveiligheid grote rivieren, artikel 5.46 van het Bkl; Waterbeheerprogramma van Hoogheemraadschap Rijnland Voor de planperiode 2022-2028 zal het Waterbeheerprogramma (WBP6) van Rijnland van toepassing zijn. In dit plan geeft Rijnland aan wat haar visie is voor de komende planperiode en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. De visie van het hoogheemraadschap kan samengevat worden in: water wijst de weg. Het beheergebied van Rijnland en het watersysteem moeten veerkrachtiger en flexibeler worden, er is een noodzaak om water meer leidend te maken in de ruimtelijke inrichting. Belangrijk is om te blijven investeren in waterbeheer. Het werken aan oplossingen om de leefomgeving toekomstbestendig te maken doet het hoogheemraadschap niet alleen, maar in samenwerking met andere partijen zoals het Rijk, provincies en gemeenten. Er zijn vijf maatschappelijke opgaves geformuleerd:
55/462
bijdragen aan klimaatbestendige woningbouw tegengaan van bodemdaling versterking van de biodiversiteit energieneutraal werken Nederland circulair in 2050. De thema's voor de strategische doelen bestaan uit waterveiligheid, voldoende water, schoon water, waterketen, Rijnland duurzaam en Rijnland klimaatadaptief. In het waterbeheerprogramma is beschreven hoe het hoogheemraadschap de gestelde taken wil bereiken en hoe ze denken dat te gaan doen. Het Waterbeheerprogramma (WBP6) 2022-2028 van Rijnland is te vinden op de website: www.bp6rijnland.nl. Uit de provinciale verordening van Zuid-Holland is artikel 7.41aa toekomstbestendig bouwen van woningen relevant voor de beoogde ontwikkeling. Deze instructieregel stelt dat een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met 12 woningen of meer mogelijk maakt, mogelijkheden en kansen voor toekomstbestendig bouwen moet betrekken. Toetsing Huidige situatie Het perceel heeft een oppervlakte van circa 1.726 m². Het projectgebied is momenteel bebouwd met bowlingcentrum met restaurant à circa 1.100 m². Voor het overige is het projectgebied in zijn geheel verhard met parkeerterrein en andere erfverhardingen. In het noordoosten bevindt zich een groenstrook à 700 m². In het projectgebied is geen sprake van oppervlaktewater.
Direct ten zuiden van het projectgebied waterloop (type 'overig') aanwezig met stedelijk water, zoals weergegeven op de legger van het waterschap.
Figuur 5.14 Uitsnede legger hoogheemraadschap Rijnland Inklinking Het projectgebied kent weinig of geen kwel. Wel is er kans op wegzijging (0,5 tot 2 mm per dag). Dit betekent dat bij een lage waterstand in de Gouwe het grondwater wegstroomt naar de rivier. Hierdoor zal de grondwaterstand
56/462
in en rondom het projectgebied zakken. Het veen kan daardoor droog komen te liggen, waardoor het inklinkt met bodemdaling als gevolg. Het plan voorziet in de bouw van 90 appartementen boven het bowlingcentrum. Door de ontwikkeling zal de druk op de bodem toenemen. Hierdoor kan het onderliggende veenpakket verder en sneller inklinken met extra en snellere bodemdaling tot gevolg, zeker in de eerste jaren na bouw. In 2024 is het ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptatieve gebouwde omgeving vastgesteld. Uit dit afwegingskader blijkt dat het projectgebied ligt in risicoklasse “nee, tenzij”. De risicoklasse ‘nee, tenzij’ betekent dat het niet mogelijk is om op een standaard manier te ontwikkelen, omdat de risico’s groot zijn. Het risico is groot dat er wordt afgewenteld op toekomstige generaties of naar andere gebieden. Bouwen is mogelijk mits de maatregelen omtrent deze zorgen en risico’s zijn weggenomen. De technische details voor deze ontwikkeling zijn momenteel nog niet uitgewerkt. Bij nadere uitwerking dient er aandachtig rekening te worden gehouden met dit aspect en zal het water- en bodemsysteem in beeld gebracht moeten worden. Het uitvoeren van een nader onderzoek naar de draagkracht van de bodemopbouw door het uitvoeren van een grondmechanisch onderzoek en het plaatsen van sonderingen is daarbij noodzakelijk. De toepassing van een paalfundatie is een gegeven.
Met het uitvoeren van een gedegen grondmechanisch onderzoek wordt een eventuele bodemdaling zoveel mogelijk gemitigeerd en beperkt, zodat bodemdaling nu en in de toekomst beheersbaar en betaalbaar blijven. Bij de uiteindelijk procedure voor de omgevingsvergunning bouwen zal er nader worden ingegaan op de getroffen maatregelen en technische specificaties. De locatie is niet in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied gelegen. Het projectgebied is gelegen in de beschermingszone en kernzone van een watergang. Binnen deze beschermingszone gelden regels en voorwaarden zoals bepaald in de waterschapsverordening de Rijnlandse Keur. Deze regels en voorwaarden gaan in op: Het beschermen de waterhuishoudkundige functies van de kernzone (aanvoer en afvoer). Het mogelijk maken om het onderhoud efficiënt en tegen relatief lage kosten vanaf de kant uit te voeren en om snel en efficiënt de oppervlaktewateren te kunnen inspecteren. Het hebben van een functie in het ontvangen van bij bagger- of onderhoudswerkzaamheden vrijkomende plantenresten en baggerspecie. Toekomstige situatie Met het planvoornemen wordt een meerlaags gebouw beoogd te realiseren met 90 appartementen en een bowlingcentrum in de plint. De groenstrook in het noordoosten blijft gehandhaafd, al wordt er een groen talud aan toegevoegd.
Daarnaast worden nieuwe bomen geplant en wordt onderzocht of het dak voor een gedeelte kan worden voorzien van sedum (eventueel in combinatie met PV-panelen). Per saldo neemt het aandeel oppervlakte verhardingen niet met meer dan 500 m² toe. Er zijn conform het
57/462
waterschapbeleid daarom geen compenserende maatregelen benodigd. Er zullen retentiedaken worden geplaatst voor opslag en een vertraagde afvoer van het water naar oppervlaktewater. Daarnaast is 15% van het perceel voorzien van groen voor een natuurlijke waterafvoer. De peilmaat van de watergang aan de voorzijde is -2100 mm NAP. De peilmaat van de bestrating is circa -1800 mm NAP. De toekomstige peilmaat in het gebouw is gelijk aan de huidige peilmaat van de bowling (-380 mm NAP) zijn waarmee de peilmaat 170 cm boven de peilmaat van de voorliggende watergang uitkomt. Dit zou ruim voldoende buffer moeten geven voor het activeren van de poldergemalen. Verder zal in overleg met de gemeente een selectieve keuze worden gemaakt voor de plaatsen van bomen in de groenstroken op maaiveldniveau. Het perceel is ruim 1.700 m2, daarvan zal 260 m2 bestaan uit groen. Het voorkomen van verzakking van het groen en het looppad zal een jaarlijkse opgave zijn voor de Vereniging van Eigenaren van het gebouw. Er dient rekening te worden gehouden met de beschermingszone van het zuidelijke 'overig oppervlaktewater'. De beoogde ontwikkeling brengt geen permanente aanpassingen aan binnen de beschermingszone van het oppervlaktewater. De functionaliteit van de watergang en de toegang tot het oppervlaktewater blijft on geschaad. Een vergunningsaanvraag voor de beoogde activiteit is niet benodigd.
Het afvalwater van de nieuwe woningen wordt aangesloten op het bestaand rioolstelsel. Het hemelwater wordt via groene daken vertraagd af naar het bestaand rioolstelsel. Dit stelsel loopt vanaf de put bij de inrit op eigen terrein, richting de Heuvellaan. Bij nieuwbouw wordt geadviseerd gebruik te maken van niet-uitloogbare bouwmaterialen in verband met de waterkwaliteit. Dit houdt in dat toepassing van materialen voor daken, dakgoten en hemelafvoeren zoals zink, koper, lood etc. wordt afgeraden, tenzij de materialen zijn voorzien van een coating. Conclusie In het kader van inklinking dient er bij nadere uitwerking aandachtig rekening te worden gehouden met dit aspect en zal het water- en bodemsysteem in beeld gebracht moeten worden. Het uitvoeren van een nader onderzoek naar de draagkracht van de bodemopbouw door het uitvoeren van een grondmechanisch onderzoek en het plaatsen van sonderingen is daarbij noodzakelijk. De toepassing van een paalfundatie is een gegeven. Met het uitvoeren van een gedegen grondmechanisch onderzoek wordt een eventuele bodemdaling zoveel mogelijk gemitigeerd en beperkt, zodat bodemdaling nu en in de toekomst beheersbaar en betaalbaar blijven. De ontwikkeling is in overeenstemming met de geldende instructieregels voor water. Er is geen aanleiding tot het aanwijzen van voorschriftengebieden.
Er worden vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmeringen verwacht ten aanzien van uitvoering van de beoogde ontwikkeling.
5.14 Gezondheid Toetsingskader Doel van de Ow is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval
58/462
rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Het aspect gezondheid heeft onder andere betrekking op gezondheid beschermende aspecten. Het beschermen gaat over het ervoor zorgen dat de schade aan de gezondheid zo laag mogelijk is middels normeringen en zoneringen. Dit zijn de milieu- en veiligheidsaspecten zoals Geluid, Luchtkwaliteit, Bodem, Veiligheid, et cetera. Gezondheid is breder dan gezondheid beschermende factoren en kent ook gezondheid bevorderende factoren. Gezondheid bevorderende aspecten hebben betrekking op het stimuleren van gezond gedrag bijvoorbeeld door uitnodigen tot bewegen, ontmoeten en toegang tot voorzieningen. Denk hierbij aan beweegvriendelijkheid, de aanwezigheid van aantrekkelijk en beleefbaar groen en ontmoetingsplaatsen. Toetsing Een groot deel van de omgevingsaspecten in dit hoofdstuk heeft een gezondheidscomponent. Uit de voorgaande paragrafen wordt ook duidelijk dat binnen het projectgebied sprake is van een middelmatige milieubelasting. Om te komen tot een situatie die vanuit gezondheidsoogpunt aanvaardbaar is zijn enkele maatregelen noodzakelijk. Mede op basis van advies van de GGD is aangegeven welke duurzaamheidsmaatregelen bij deze ontwikkeling worden genomen. Een volledig overzicht is opgenomen in bijlage 16.
Binnenmilieu en Luchtkwaliteit Op een meer milieubelaste locaties als deze in de stad Gouda is het van belang om aandacht te hebben voor een gezond binnenmilieu. Zo is het gebouw voorzien van een warmte-koude-opslag systeem (WKO) in combinatie met een warmte terugwin installatie. Dit is een type ventilatiesysteem waarbij met zgn. WTW-units zowel de aan- als afvoer van lucht wordt geregeld. De toevoer van deze WTW-units zijn voorzien van filters waarmee een schone toevoer is gegarandeerd voor iedere verblijfsruimte. De wanden waar de installaties in de appartementen op zijn geplaatst, hebben voldoende massa voor de benodigde weerstand tegen geluidsbelasting van onderliggende verblijfsruimten. Voor de spuiventilatie zijn alle verblijfsruimten voorzien van te openen ramen. Geluid Door de geluidsbelasting van het wegverkeer op de Burgemeester van Reenensingel, dienen delen van de Zuid-, Oost- en Westgevel te worden voorzien van geluidswerende voorzieningen om te kunnen voldoen aan het maximale binnenniveau van 33 dB(A). Zo worden er voor een aantal geluidsbelaste woningen geluidsluwe loggia's toegepast in combinatie met geluidswerend glas. Ook zijn een aantal appartementen voorzien van een verhoogd glazen balkonscherm waardoor de achterliggende gevel minder wordt belast door het geluid.
Om ervoor te zorgen dat alle appartementen te openen delen hebben om te kunnen spuien, zijn enkele appartementen voorzien van een dubbel Frans balkon, waarmee wordt voldaan aan de invulling voor een geluidsluwe gevel voor het gewenste binnenniveau. Elektromagnetische velden Het plan kant in de buurt van de locatie geen hoogspanningslijnen aanwezig. Op de begane grond, aan de rechterzijde van de bowling, zijn een tweetal traforuimten voorzien. Met de ruime afstand tussen deze traforuimten op de begane grond en de woningen op de tweede verdieping wordt een verhoogde blootstelling aan elektromagnetische straling te voorkomen.
59/462
Hittestress bij hoogbouw De nieuwbouw is voorzien van een licht gekleurde gevel, uitgevoerd in baksteen. Hiermee wordt veel minder zonlicht en warmte opgenomen dan een donkere gevel. Groene daken Bij dit project is er aandacht voor groen en water. De bestaande opstallen en het perceel zijn volledig verhard. In het nieuwe plan is voorzien van (minimaal) 15% groen op het maaiveld met aanvullende groene daken. Voor dit project is gekozen voor groene daken op de 2e en op de 5e verdieping. Het dak op de 2e verdieping voorziet in circa 345 vierkante meter groendak, voorzien van waterretentie om het water vast te houden en geleidelijk af te voeren. Bij een piekbelasting van regen wordt het water eerst vastgehouden, vervolgens geleidelijk afgevoerd en op maaiveld geïnfiltreerd middels een wadi. De groene daken zijn niet alleen voorzien van fraaie beplanting maar dragen ook bij aan een gezonde en verkoelende bij hoge temperaturen. Het vastgehouden regenwater kan op vele manieren worden hergebruikt tijdens droge periodes. Ventilatie Om de appartementen goed te kunnen luchten zijn alle verblijfsruimten voorzien van te openen ramen. De Zuid-, Oost- en Westgevel zijn gedeeltelijk belast met geluid door het verkeer op de Burgemeester van Reenensingel.
Daar waar nodig worden deze ramen uitgevoerd als een dubbel Frans balkon om toch te kunnen spuien, waardoor een sterkere luchtdoorstroming tot stand komt. Verder wordt rekening gehouden met zonwerend glas waarbij wordt gekozen voor glas met een beperkte G-waarde (zonnefactor). Deze geeft aan hoeveel zonnewarmte wordt buiten gehouden. Met een combinatie van een beperkte G-waarde en een WKO installatie, wordt voldaan aan de eisen van oververhitting vanuit BENG. Gezondheidsbevordering De omgeving kan een positieve invloed hebben op gezondheid wanneer de omgeving als prettig wordt ervaren en uitnodigt tot gezond gedrag. Daarbij zijn verschillende thema's van belang zoals gezonde mobiliteit, openbare ruimte, groen, water, sport en spel. Een gezonde mobiliteit is hieronder omschreven bij 'Actief vervoer'. Een gezonde leefomgeving wordt bevorderd met het naastliggende park dat uitnodigt voor een wandeling met daarin gelegen een natuurspeelplaats voor de kinderen. Hier zijn avontuurlijke speeltoestellen neergezet zoals een kabelbaan, boomhutten en een klimwand. Voor alle doelgroepen bevindt zich aan de overzijde van de achterliggende parkeerplaats het Groenhoven zwembad met daarnaast gelegen sporthal 'Dick van Dijk'. Verder zijn er voetbalvelden en hockeyvelden op loopafstand.