CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

Burgemeesterkwartier Gouda_Toelichting.pdf

Raadsvergadering 3 november 2021, gemeente GoudaBij agendapunt: Bestemmingsplan Burgemeesterkwartier Gouda31.189 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

"Burgemeesterkwartier Gouda" (vastgesteld)

44

4.5.10 Beeldkwaliteitskader Spoorzone Op 9 december 2020 heeft de gemeenteraad het Beeldkwaliteitskader Spoorzone vastgesteld (zie hiervoor ook Bijlage 4). Voor de Antwerpseweg en Blokker (Burgemeesterkwartier) is daarbij het volgende opgenomen: "De omgeving van de Antwerpseweg en de Blokkerlocatie vormen een samenhangende ontwikkeling van stadse blokken. Er zijn soms iets verspringende rooilijnen en hier en daar hoogtesprongen in de bebouwing. Ieder blok is een eigen architectonisch ensemble waarin zowel grondgebonden wonen voorkomen als appartementen. De blokken hebben een omzoming op eigen terrein met een groen karakter. Privé buitenruimte aan de buitenzijde van de blokken is zorgvuldig mee ontworpen met de bebouwing en verdraagt geen schuttingen. Bewonersparkeren is opgelost binnen de contouren van de blokken. De structuur van het gebied is robuust genoeg om een grote variatie in vorm en stijl tussen blokken te verdragen. Soms is variatie ook binnen een blok wenselijk, wanneer een blok(zijde) te groot wordt. Bijzondere accenten geven een verrijking. Een gebouw dat met de voeten in het water staat, een gebouw dat wat verder terugspringt uit de rooilijn of een toren die zich losmaakt van een bouwblok.

Vanuit de vorm van een kavel, of vanuit de ontwikkelstrategie (bijvoorbeeld transformatie in plaats van nieuwbouw) kunnen compactere gebouwvormen ontstaan die daardoor ook ruimer door semiopenbare ruimte omzoomd worden. Hoe ruimer de omzomende ruimte, hoe meer aandacht nodig is voor een zorgvuldige inrichting van deze ruimte. Het invloedsgebied reikt tot en met de overzijde van omliggende infrastructuur zodat kansen voor aanknopingspunten met die overzijde benut kunnen worden. Hoogbouw op markante punten is zeer bepalend voor de uitstraling van het gebied en wordt goed vanuit de omgeving onderzocht."

Afbeelding Visie op de Antwerpseweg en Blokker (Burgemeesterkwartier) (bron: Beeldkwaliteitsplan Spoorzone)

"Burgemeesterkwartier Gouda" (vastgesteld)

45

Hoofdstuk 5

Randvoorwaarden

5.1

Archeologisch beleidskader

5.1.1

Kader

Erfgoedwet (2017) De Erfgoedwet verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan rekening te houden met in de bodem aanwezige of te verwachten archeologische waarden. De feitelijke bescherming daarvan krijgt gestalte door het opnemen van regels in het plan ten aanzien van de afgifte van bouw- en omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden in die gebieden die als archeologisch waardevol zijn aangemerkt. Deze regels kunnen betrekking hebben op archeologisch vooronderzoek dat de aanvrager van de vergunning moet laten uitvoeren. Aan de vergunning zelf kunnen aanvullende voorwaarden worden verbonden, met als uiterste de verplichting tot planaanpassing of het laten verrichten van een opgraving. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (2017) De provincie Zuid-Holland beschikt over de cultuurhistorische kaart - ook aangeduid als Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS). Deze kaart kent drie verschillende thema's: archeologie, historische stedenbouw en historisch landschap. Plannen ter plaatse van de gebieden met cultuurhistorische waarden vereisen een nadere analyse en afweging. De terreinen waarvan de archeologische waarde bekend is, staan aangegeven op de Archeologische Monumenten Kaart (AMK). Op de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) staat de zogenaamde verwachtingswaarde aangegeven.

De provincie Zuid-Holland gebruikt beide kaarten en de CHS bij advisering en beoordeling van (wijziging van) bestemmingsplannen, bij het verlenen van ontgrondingvergunningen en bij advisering over omgevingsvergunningen, bodemsaneringen en peilbesluiten. Gouda heeft echter zelf een beleidskaart ontwikkeld, waarin de gegevens van de AMK, IKAW, en CHS zijn verwerkt en verfijnd. De Goudse beleidskaart dient daarom als basis voor het archeologisch beleid in Gouda. Gemeentelijke Erfgoedvisie Net als voor haar cultuurhistorische waarden zet de gemeente Gouda met haar Erfgoedvisie in op het behoud van de archeologische waarden. Naast fysieke bouwwerken zijn deze archeologische waarden ook in de ondergrond te vinden. Ergo het bovengrondse behoud van gebouwd erfgoed en landschappelijk erfgoed is een bescherming voor het archeologische erfgoed. Met de Erfgoedvisie streeft Gouda naar een gezonde toekomst voor dit Goudse erfgoed. Verordening Fysieke leefomgeving / Erfgoedverordening De gemeente Gouda heeft op 28 oktober 2020 de Verordening Fysieke Leefomgeving vastgesteld. In deze verordening is de omgang met de archeologische waarden vastgelegd (zie artikel 3.12). In bijlage III van de verordening is de Archeologische basiskaart opgenomen. Op de Archeologische basiskaart is te vinden welke beleidscategorie een bepaald gebied valt en wat dan de te nemen maatregelen zijn.

De regels uit de Verordening Fysieke Leefomgeving zijn gebaseerd op de Erfgoedverordening uit 2017. Gemeentelijke Archeologische basiskaart Op de gemeentelijke archeologische basiskaart (ABK) is aangegeven in welke gebieden binnen de gemeente archeologische waarden aangetroffen kunnen worden. In die gebieden is een omgevingsvergunning voor de activiteit archeologie vereist bij bodemverstorende werkzaamheden. In het beleid is opgenomen in welke situaties vrijstelling geldt van deze verplichting. Hoogwaardige locatie met bijzondere waarde: Behoud in situ door het voorkomen van bodemverstorende ingrepen is hier uitgangspunt. Alleen als het écht niet anders kan, mag hier worden gegraven. Bij alle bodemverstorende ingrepen is een omgevingsvergunning activiteit archeologie nodig. De aanvraag daarvan dient beoordeeld te worden door de Commissie Cultuurhistorie. Er is geen vrijstelling in diepte of omvang. "Burgemeesterkwartier Gouda" (vastgesteld)

46 Hoogwaardige locatie: Behoud in situ door het voorkomen van bovenverstorende ingrepen is hier het uitgangspunt. Bij alle bodemverstorende ingrepen groter dan 50 m2 die bovendien dieper gaan dan 0,5 m –mv is een omgevingsvergunning activiteit archeologie nodig. Hoogwaardige locatie, - verstoord tot 1,5 m –mv.: Streven naar behoud in situ van het bodemarchief vanaf 1,5 m -mv en dieper. Bij alle bodemverstorende ingrepen groter dan 50 m2 die bovendien dieper gaan dan 1,5 m –mv is een omgevingsvergunning archeologie nodig. Hoge verwachting: In gebieden met een hoge verwachting is niet afgeweken van de wettelijk bepaalde vrijstellingsgrens van 100 m2. Tevens is sprake van een vrijstellingsdiepte van 0,50 m onder maaiveld. Zo ontstaat voldoende ruimte voor kleinschalige ontwikkelingen door bijvoorbeeld particulieren, maar wordt ook het veiligstellen of onderzoeken/documenteren van archeologische waarden gewaarborgd als er grotere oppervlakten aan de orde zijn. Hoge verwachting vanaf 2 m: Voor deze gebieden geldt dezelfde oppervlakte vrijstellingsgrens van 100 m2 als voor de gebieden met een hoge verwachting, maar is sprake van een vrijstellingsdiepte tot 2m onder maaiveld. Lage verwachting: In de zones met lage verwachting zijn er weinig aanwijzingen voor archeologische vindplaatsen.

Op basis van de huidige theorieën zijn het gebieden die niet specifiek geschikt waren voor bewoning en er zijn niet eerder archeologische vondsten gedaan. Dat er echter nog geen vondsten zijn gedaan, wil niet zeggen dat er ook helemaal geen archeologisch waardevolle zaken aanwezig zijn. In deze gebieden is bij relatief grootschalige ontwikkelingen (groter dan 10.000 m2 en dieper dan 0,5m onder maaiveld) een vergunning nodig en daarmee archeologisch onderzoek nodig.

Afbeelding uitsnede Archeologische Basiskaart

In het hele plangebied komt volgens de ABK 2011 een lage archeologische verwachting (waarde 6) voor. In de Verordening Fysieke Leefomgeving gelden bij deze verwachtingen de volgende regels Lage verwachting (art. 3.12 lid 6): Het is verboden werkzaamheden te verrichten die het bodemarchief kunnen verstoren op een locatie die in de archeologische basiskaart van bijlage III en IV is aangewezen als locatie met een lage verwachting "Burgemeesterkwartier Gouda" (vastgesteld)

47 l zonder een omgevingsvergunning, tenzij deze werkzaamheden een oppervlakte van minder dan 10.000 m2 betreffen en dieper dan 0,5 meter.

Archeologievriendelijk bouwen Gouda stimuleert behoud in situ actief. Daarom is het archeologievriendelijk bouwen geïntroduceerd: wanneer een bouwplan voldoet aan een aantal richtlijnen, wordt het bodemarchief nog maar zo weinig verstoord dat archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. De richtlijnen voor archeologievriendelijk bouwen zijn opgenomen in Bijlage V van de Verordening Fysieke Leefomgeving. 5.1.2

Betekenis voor het plan

Voor het hele plangebied is een dubbelbestemming Waarde - Archeologie opgenomen. Er is in de regels een koppeling gelegd met de verplichtingen die zijn opgenomen in artikel 3.12 van de Verordening Fysieke Leefomgeving. Indien uit de regels van de verordening volgt dat een 'omgevingsvergunning archeologische waarden en verwachtingen' noodzakelijk is, mag het bouwen op deze gronden ten dienste van de andere daar voorkomende bestemmingen uitsluitend geschieden nadat burgemeester en wethouders de betreffende omgevingsvergunning archeologische waarden en verwachtingen hebben verleend.

5.2

Cultuurhistorie

5.2.1

Kader

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moeten aanwezige cultuurhistorische waarden meegewogen worden in de besluitvorming. Vanaf 1 januari 2012 is in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vastgelegd bij het maken van een bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met cultuurhistorische waarden. Als gevolg hiervan is het van belang dat voorafgaand aan het maken hiervan de aanwezige cultuurhistorische waarden bekend zijn. Gemeentelijke Erfgoedvisie Omdat dit bestemmingsplan niet beoogd om cultuurhistorisch belangrijke objecten of structuren te wijzigen, is de relevantie van de Erfgoedvisie beperkt. Het bepaalde in de visie staat niet in de weg aan vaststelling van dit plan. Verordening Fysieke leefomgeving / Erfgoedverordening In de Erfgoedverordening wordt geregeld wat de gemeente kan beschermen en hoe ze dat doet, hoe ze veranderingen aan het beschermd erfgoed beoordeeld, wat de rechten en plichten zijn van eigenaren en gebruikers en wat de bevoegdheid van B&W is om over de vergunningen voor rijksmonumenten te besluiten. Inmiddels is de Erfgoedverordening opgegaan in de Verordening Fysieke Leefomgeving (2020). De inhoudelijke regels zijn ongewijzigd gebleven.

Cultuurhistorische Analyses In de Nota Cultuurhistorie is het beleid vastgelegd dat voor locaties waar zich nieuwe ontwikkelingen voordoen en een ontwikkelaar zich voorbereidt op een nieuw plan, een cultuurhistorische analyse (CHA) wordt opgesteld. De gebieden waar dit van toepassing is, zijn vastgelegd op de kaart 'Cultuurhistorische Analyse' (de zogenaamde "gele vlekkenkaart"). Het plangebied is daar niet op aangeduid.

"Burgemeesterkwartier Gouda" (vastgesteld)

48

Afbeelding kaart cultuurhistorische analyse (gele vlekkenkaart)

Met de Cultuurhistorische Analyses worden alle belangrijke waarden in kaart gebracht. Ze wordt gebruikt om ontwikkelaars te attenderen op de aanwezige waarden en als objectieve basis voor de ruimtelijke onderbouwing van de plannen. De plannen dienen minimaal rekening te houden met de waarden die voor het betreffende gebied in kaart zijn gebracht. 5.2.2

Betekenis voor het plan

De provinciale CHS kaart geeft geen waarden aan in het plangebied. Er zijn in het plangebied geen rijksof gemeentelijke monumenten of cultuurhistorische elementen of gebieden aanwezig die bescherming behoeven. Ook maakt het plangebied geen onderdeel uit van het beschermd stadsgezicht. Er zijn zodoende geen regelingen in het bestemmingsplan opgenomen ter bescherming van cultuurhistorie.

5.3

Milieu

De beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening groeien het laatste decennium steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en ruimtelijke ordening. Milieubeleid kan soms beperkingen opleggen aan de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen, maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. Dit milieukundige randvoorwaarden richten zich op de volgende milieuaspecten: 5.3.1 Bodem 5.3.2 Luchtkwaliteit 5.3.3 Geluid 5.3.4 Bedrijven en milieuzonering 5.3.5 Flora en fauna 5.3.6 Externe veiligheid Hieronder is per aspect de betekenis voor het bestemmingsplan beschreven. Er zijn voor verschillende aspecten onderzoeken uitgevoerd, welke als bijlage bij de toelichting zijn opgenomen.

"Burgemeesterkwartier Gouda" (vastgesteld)

49

5.3.1

Bodem

5.3.1.1 Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft (Wbb) Niet saneren Indien de verontreiniging voor het beoogde doel niet hoeft te worden gesaneerd kan het ruimtelijke plan voor wat betreft deze verontreiniging zonder meer doorgang vinden. Saneren Indien de verontreiniging moet worden gesaneerd dient een saneringsplan te worden opgesteld en ingediend bij de Omgevingsdienst Midden-Holland. In sommige gevallen kan worden volstaan met het indienen van een BUS-melding (Besluit Uniforme Saneringen). Na goedkeuring door het bevoegd gezag kan de sanering doorgang vinden. Na afloop dient de sanering te worden geëvalueerd en ook dit verslag dient ter goedkeuring te worden voorgelegd. Tijdens de saneringsprocedure kan de ruimtelijke procedure worden voortgezet.

Echter, een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen kan pas inwerking treden nadat is vastgesteld dat er geen sprake is van een ernstige en spoedeisende sanering (art. 6.2. c. Wabo). Een onderzoeks- en saneringstraject heeft soms grote financiële consequenties voor de beoogde plannen. Enerzijds omdat de kosten van sanering hoog kunnen zijn, anderzijds omdat deze trajecten van grote invloed kunnen zijn op de planning. In het kader van de Grondexploitatiewet dienen deze kosten tijdig in kaart te worden gebracht. Het is daarom aan te bevelen reeds in een vroeg stadium van planvorming een (historisch) bodemonderzoek voor het hele plangebied uit te voeren. Deze bodemonderzoeken zijn ook noodzakelijk bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen. Bij de realisatie van ruimtelijke plannen is vaak grondverzet noodzakelijk. Dit grondverzet is middels het Besluit bodemkwaliteit aan regels gebonden. De gemeente Gouda beschikt over een vastgestelde bodemkwaliteitskaart en bijbehorende Nota Bodembeheer. Uitgangspunt is dat bij hergebruik van grond de kwaliteit moet aansluiten bij de functie ter plaatse. Nagenoeg alle grondverzet dient te worden gemeld bij het Meldpunt Bodemkwaliteit (meldpuntbodemkwaliteit.nl). 5.3.1.2 Onderzoek en resultaten Econsultancy heeft ter plaatste van het plangebied milieuhygiënisch vooronderzoek bodem uitgevoerd.

Het rapport is als Bijlage 5 bijgesloten. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, de terreininspectie kan gesteld worden dat er milieuhygiënisch wel belemmeringen bestaan voor de voorgenomen bestemmingplanwijziging. Dit in verband met de eerste aangetroffen verontreinigingen en de bijmengingen met puin in de bodem. Uit het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem blijkt, dat er sprake is van voormalige en/of huidige bodembelasting op de locatie, waardoor het vermoeden van bodemverontreiniging aanwezig is. Dit in verband met de bijmenging van verhardingsmateriaal (puin). Verwacht wordt, dat er verspreid over de locatie wisselende gehalten aan verontreinigende stoffen voorkomen. De verwachte verontreinigende stoffen voor deze situatie zijn metalen, PAK, minerale olie en asbest Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd, dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie voor een "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is verder geconcludeerd dat de "Burgemeesterkwartier Gouda" (vastgesteld)

50 onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie voor “afgedekte funderingslagen”. De doelstelling van het onderzoek is om na te gaan of de verdenking van verontreiniging met asbest terecht is. Op basis van het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecies” blijkt dat vooralsnog heel Nederland (voornamelijk de bovengrond) als “verdacht” wordt aangemerkt met betrekking tot de parametergroep PFAS. Dit betekent echter niet dat alle locaties per definitie verdacht zijn op PFAS bóven de toetsnorm. Verwacht wordt, dat er verspreid over de onderzoekslocatie gelijke gehalten aan PFAS voorkomen. Uit de reeds bekende gegevens concludeert Econsultancy dat atmosferische depositie naar verwachting de enige (beperkte) bron van PFAS-verontreiniging op de locatie is. Van atmosferische depositie is bekend dat dit tot beperkt verhoogde PFAS-gehalten in bodem en water kan leiden. 5.3.1.3 Grondverzet Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecie of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing. 5.3.1.4 Conclusie Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is de conclusie dat belemmeringen bestaan voor de voorgenomen bestemmingplanwijziging.

Er is een verkennend onderzoek nodig om te bepalen of bodemverontreiniging aanwezig is, alsmede dient onderzoek het worden gedaan naar asbest en PFAS. Het benodigde bodemonderzoek wordt uitgevoerd in het kader van de omgevingsvergunning. 5.3.2

Luchtkwaliteit

5.3.2.1 Wettelijk kader Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide en fijn stof. De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in tabel I. Tabel: Grenswaarden Wet luchtkwaliteit stof

jaargemiddelde uurgemiddelde 24-uursgemiddelde

Opmerkingen

Stikstofdioxide (NO2)

40 µg/m3

200 µg/m3

n.v.t.

Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden

Fijn stof (PM10)

40 µg/m3

n.v.t.

50 µg/m3

24-uursgemiddelde mag 35x per jaar worden overschreden

Fijn stof (PM2,5)

25 µg/m3

n.v.t.

n.v.t.

De Wet luchtkwaliteit en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien: 1. de luchtkwaliteit ten gevolge van de plannen per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft; 2. de plannen niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie van NO2 en PM10 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% verstaan; 3. de plannen niet leiden tot het overschrijden van een grenswaarde; 4. gevoelige bestemmingen (waaronder scholen en zorginstellingen) niet binnen 300 meter van een "Burgemeesterkwartier Gouda" (vastgesteld)

51 rijksweg en 50 meter van een provinciale weg worden gerealiseerd (of indien binnen deze zones geen sprake is van een (dreigende) overschrijding). Het Besluit NIBM heeft een aantal NIBM-grenzen vastgesteld, waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden, te weten: Woningbouw: 1500 woningen of meer (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en 3000 woningen of meer bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte of meer bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte of meer bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. In alle overige gevallen of combinaties van bovenstaande grenzen zal middels een berekening moeten worden aangetoond of de bijdrage niet in betekenende mate is of dat de grenswaarden niet worden overschreden. Tevens is in het Besluit NIBM een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit.

5.3.2.2 Onderzoek en resultaten Niet in betekende mate In de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In elk geval er twee ontsluitingswegen aanwezig zijn is een ontwikkeling als NIBM aan te merken als er niet meer dan 3000 woningen worden gerealiseerd. Het plangebied wordt ontsloten via een ontsluiting op de Antwerpseweg en de Burgemeester Mijssingel. Er worden maximaal 650 woningen gerealiseerd. Gelet op het aantal woningen is deze ontwikkeling aan te merken als een project dat NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, waardoor toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig is. Door middel van de NIMB tool is wel berekend of de extra bijdrage aan verkeer in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hiervoor is het aantal voertuigbewegingen, zoals bepaald in de verkeersnotitie, ingevoerd in de NIMB tool.

Afbeelding berekening NIMB tool Uit bovenstaande berekening volgt dat nader onderzoek noodzakelijk is. Dit onderzoek is uitgevoerd en als Bijlage 6 bijgesloten. Uit de resultaten blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden. In de nabije toekomst zal ook worden voldaan aan de advieswaarden van de WHO "Burgemeesterkwartier Gouda" (vastgesteld)

52 zoals opgenomen in het SLA. Het plan voorziet al in maatregelen om de luchtkwaliteit verder te verbeteren. Zo wordt de nieuwbouw niet aangesloten op het gasnet en worden de verkeersbewegingen beperkt aan de hand van het opgestelde mobiliteitsconcept. Geconcludeerd wordt dat er voor het plan geen belemmeringen zijn voor het aspect luchtkwaliteit.

Concentraties stoffen Om inzicht te geven in de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van het plan zijn de concentraties uit de digitale monitoringstool, die behoort bij het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) bekeken. Uit de monitoringstool (2020) blijkt dat de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) ter plaatste van de dichtstbij gelegen doorgaande wegen, Burgemeester Jamessingel, Burgemeester Mijssingel, Burgemeester van Reenensingel, nergens meer bedragen dan grenswaarden 40 ug/m3. De concentratie NO2 bedraagt maximaal 28,6 ug/m3 en concentratie PM10 bedraagt maximaal 20,3 ug/m3. De fijnstof (PM2,5) concentraties zijn nergens hoger dan 11,8 ug/m3 (grenswaarde 25 ug/m3). Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie is maximaal 7,2 waardoor het maximum van 35 dagen eveneens niet wordt overschreden. 5.3.2.3 Conclusie De ontwikkeling is “niet in betekenende mate” (minder dan 1500 woningen). Dit wordt bevestigd door het uitgevoerde nadere onderzoek luchtkwaliteit. Dit houdt in dat de luchtkwaliteit geen belemmering vormt. Gezien het feit dat Gouda het Schone Lucht Akkoord heeft ondertekend, wordt bij de planuitwerking onderzocht welke aanvullende maatregelen mogelijk zijn om aan dit Akkoord te voldoen. 5.3.3

Geluid

5.3.3.1 Wettelijk kader Wegverkeers- en spoorweglawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeers- en/of spoorweglawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (wgh) stelt specifieke eisen aan bestemmingsplannen. Op grond van de wet zijn verschillende vormen van geluidhinder te onderscheiden die directe raakvlakken hebben met de ruimtelijke ordening. Voor dit bestemmingsplan is de regelgeving ten aanzien van industrielawaai (art. 40), wegverkeerlawaai (art. 77 Wgh) en railverkeerslawaai (art. 105 Wgh) van belang. Het plangebied ligt niet in een geluidzone van een gezoneerd industrieterrein. Geluidzones en geluidsgevoelige bestemmingen De Wet geluidhinder werkt met het systeem van zones (aandachtgebieden) rond geluidsbronnen (industrielawaai, wegverkeer en railverkeer). Als een geluidgevoelige bestemming binnen een geluidzone ligt, moet de geluidbelasting op dat object worden onderzocht. In het kader van de Wet geluidhinder is er geen onderzoeksplicht naar 30 km/uur-wegen. In het kader van een beoordeling van een goede ruimtelijke ordening kan het echter wel noodzakelijk zijn de akoestische gevolgen van 30 km/uur wegen in kaart te brengen om te onderzoeken of er nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Onder geluidsgevoelige bestemmingen wordt verstaan (Art. 1 Wgh): Woningen; Onderwijsgebouwen; Ziekenhuizen en verpleeghuizen; Geluidsgevoelige terreinen (bij onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en woonwagenstandplaatsen). Grenswaarden Wet geluidhinder Het systeem van de Wet geluidhinder gaat uit van voorkeursgrenswaarden en maximale grenswaarden. Een geluidsbelasting onder de voorkeursgrenswaarde is toelaatbaar. De effecten van geluid worden dan "Burgemeesterkwartier Gouda" (vastgesteld)

53 goed geacht. Een geluidsbelasting in het gebied tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximale grenswaarde is alleen mogelijk na een afwegingsproces, het zogenaamde hogere waarden besluit. Een zeer belangrijk onderdeel van dit afwegingsproces is een maatregelenonderzoek. De grenswaarden voor woningen in het plangebied zijn (in Lden) Industrielawaai, voorkeursgrenswaarde 50 dB(A) en maximale grenswaarden 55 dB(A). Wegverkeerslawaai, voorkeursgrenswaarde 48 dB en maximale grenswaarde van 63 dB. Spoorweglawaai, voorkeursgrenswaarde 55 dB en maximale grenswaarde van 68 dB. 5.3.3.2 Hogere waarde en gemeentelijk beleid Op 21 mei 2019 2012 heeft de gemeente Gouda de Beleidsregel Hogere waarden, 2018 regio Midden-Holland van 8 oktober 2018 vastgesteld. In deze beleidsregel staan voorwaarden weergegeven waaronder het college van B&W een hogere waarde mogen verlenen. In tabel 5.2 is het toetsingskader van het gemeentelijk hogere waarden beleid opgenomen (voor weg- en railverkeer). Tabel 5.2: Toetsingskader gemeentelijk Hogere waarden beleid (t.g.v. industrie-, wegverkeer- en railverkeerslawaai) Geluidsbelasting

Voorwaarden Hogere Waarde beleid

Wegverkeer

Spoorweg

Industrie

= 48 dB

= 55 dB

= 50 dB(A)

Voldoet aan voorkeursgrenswaarde geen hogere waarde nodig en geen aanvullende voorwaarden vereist.

48-53 dB

55-60 dB

50-55 dB(A)

Hogere grenswaarde nodig, geen aanvullende voorwaarden vereist.

53-63 dB

60-68 dB

> 55 dB(A)

Hogere grenswaarden nodig én aanvullende voorwaarden zoals geluidsluwe gevel en geluidsluwe buitenruimte vereist.

5.3.3.3 Weg- en railverkeerslawaai Econsultancy heeft ter plaatste van het plangebied akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 7 bijgesloten. Bij de projectie van een nieuwe geluidgevoelige bestemming binnen de zone van een (spoor)weg is een akoestisch onderzoek verkeerslawaai noodzakelijk. De geluidgevoelige bestemmingen liggen in de geluidszone van de spoorlijn Utrecht-Gouda en de volgende wegen: Gentseweg, Antwerpseweg, Rijsselseweg, Burgemeester Jamessingel, Burgemeester van Reenensingel, Burgemeester Mijssingel en de Groenhovenweg. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt tevens de nabijgelegen niet-gezoneerde weg (Heuvellaan) in het onderzoek betrokken. De geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woningen bedraagt ten hoogste 59 dB als gevolg van het wegverkeer. Er vindt een overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB plaats. De maximaal te ontheffen waarde van 63 dB wordt niet overschreden. Voor de Burgemeester Jamessingel, Burgemeester Mijssingel, Burgemeester van Reenensingel en de Gentseweg is een afweging van geluidsreducerende maatregelen noodzakelijk. De geluidsbelasting als gevolg van de spoorweg bedraagt ten hoogste 63 dB. De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 55 dB wordt overschreden. De maximaal te ontheffen waarde van 68 dB wordt niet overschreden.

Voor de spoorweg is een afweging van geluidsreducerende maatregelen noodzakelijk. Uit deze afweging volgt het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen niet doelmatig zijn. Gezien de bovenstaande overwegingen wordt geadviseerd om voor de spoorweg een hogere waarde aan te vragen. Voor de toekomstige woningen waarvoor een hogere waarde wordt vastgesteld, dient het akoestisch klimaat in de woning (het binnenniveau) van maximaal 33 dB te worden gegarandeerd. Gezien de standaard karakteristieke geluidwering van minimaal 20 dB uit het Bouwbesluit voor nieuwbouw is een "Burgemeesterkwartier Gouda" (vastgesteld)

54 nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels noodzakelijk. Afhankelijk van de geluidsbelasting per woning kunnen er voorwaarden gesteld worden met betrekking tot de geluidluwe gevel en (eventueel) geluidluwe buitenruimte. Conclusie weg- en railverkeerslawaai Ten gevolge van weg- en railverkeerslawaai dienen hogere waarden te worden vastgesteld. Voor het vaststellen van deze hogere waarden is een onderzoek naar de geluidwering van de gevels benodigd. 5.3.3.4 Industrielawaai Econsultancy heeft ter plaatste van het plangebied akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 8 bijgesloten. Het hoogst berekende langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als gevolg van industrieterrein Kromme Gouwe is lager dan 50 dB(A). Voor nieuwe woningen binnen de geluidszone van het gezoneerd industrieterrein Kromme Gouwe wordt op basis van het beleid van de Omgevingsdienst Midden-Holland een hogere waarde vastgesteld van 55 dB(A). Hierdoor worden de bedrijven op het industrieterrein niet belemmerd in hun activiteiten als gevolg van de komst van de woningen binnen het plangebied. Voor de woningen in het plangebied wordt een hogere waarde van 55 dB(A) vastgesteld. De vast te stellen hogere waarde komt niet uit boven de 55 dB(A) waardoor er geen aanvullende eisen volgen vanuit het gemeentelijk hogere waarden beleid.

Conclusie industrielawaai Ten gevolge van industrielawaai dienen hogere waarden te worden vastgesteld. Voor het vaststellen van deze hogere waarden is een onderzoek naar de geluidwering van de gevels benodigd. 5.3.3.5 Vast te stellen hogere waarden Voor woningen met een overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de industrielawaai (Kromme Gouwe), spoorweg, Burgemeester Jamessingel, Burgemeester Mijssingel, Burgemeester van Reenensingel, Gentseweg moet een hogere waarde bij het college van B&W worden aangevraagd. De volgende hogere waarden dienen te worden vastgesteld: Geluidbron

Hogere waarde*

Industrie

55 dB(A)

Wegverkeer

59 dB

Railverkeer

63 dB

*In bijlage 7 van het rapport (zie hiervoor Bijlage 7 bij de toelichting van voorliggend bestemmingsplan) zijn de kaarten behorende bij de vraag hogere waarde bijgesloten. Op deze kaarten is toegelicht welke hogere waarde voor verschillende woningen verleend dient te worden. De gemeente kan bij de aanvraag hogere waarde de volgende kenmerken van het plan in overweging nemen: de berekende geluidsbelastingen zijn lager dan de maximaal te ontheffen waarde van 63 dB voor wegverkeer en 68 dB voor railverkeer; bron- en overdrachtsmaatregelen zijn niet doelmatig of stuiten op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige aard; in de definitieve indeling van het plan moet per woning tenminste een geluidluwe gevel gerealiseerd worden (bij een geluidsbelasting van meer dan 53 dB voor wegverkeer en/of meer dan 60 dB voor railverkeer); indien een woning beschikt over een buitenruimte dan moet deze aan een geluidluwe gevel gesitueerd te worden (bij een geluidsbelasting van meer dan 53 dB voor wegverkeer en/of meer dan 60 dB voor railverkeer); middels een nader onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de gevels wordt het binnenniveau (conform Bouwbesluit 2012) gewaarborgd. In paragraaf 6.1 is toegelicht hoe deze planinhoudelijke aspecten zijn meegenomen in de planregels. "Burgemeesterkwartier Gouda" (vastgesteld)

55

5.3.3.6 Conclusie geluid Industrielawaai Voor de woningen binnen de geluidszone van het industrieterrein Kromme Gouwe worden, overeenkomstig het beleid van de Omgevingsdienst Midden-Holland, hogere waarden vastgesteld van 55 dB(A). Wegverk eers- en railverkeerslawaai Maatregelen ter reductie van wegverkeerslawaai geven onvoldoende effect om aan de voorkeursgrenswaarde te kunnen voldoen. Maatregelen ter reductie van spoorweglawaai zijn niet doelmatig. Overdrachtsmaatregelen in de vorm van geluidsschermen zijn in deze situatie niet mogelijk. Daarom is er voor gekozen om voorwaarden op te nemen in het hogere waarde besluit en de regels van het bestemmingsplan ten einde het woon- en leefklimaat te optimaliseren. Er wordt een hogere waarde procedure gevolgd om de bouw van deze woningen mogelijk te maken. De vast te stellen hogere waarden met de daarbij geldende voorwaarden staan beschreven in paragraaf 5.3.3.5 Vast te stellen hogere waarden. 5.3.4

Bedrijven en milieuzonering

5.3.4.1 Wettelijk kader Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, het Activiteitenbesluit en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). Bedrijven en Milieuzonering geeft richtafstanden per categorie en per type bedrijvigheid aan. Binnen deze richtafstanden is bij een gemiddelde bedrijfsvoering hinder van het bedrijf te verwachten. De te beoordelen situaties zijn in te delen in drie groepen met bijbehorende aanpak, te weten: Nieuwe milieugevoelige functies nabij bestaande bedrijven In deze situatie dient primair te worden beoordeeld of hinder te verwachten is van de specifieke bestaande bedrijven. Deze beoordeling is met name gebaseerd op de Wet Milieubeheer en het Activiteitenbesluit. Daarnaast zal moeten worden meegewogen of ter plaatse van de nieuwe milieugevoelige functies bij eventuele vestiging van een nieuw bedrijf op het bestaande bedrijfsperceel een probleemsituatie ontstaat. Deze afweging vindt met name plaats op basis van Bedrijven en Milieuzonering.

Nieuwe bedrijfsbestemmingen nabij bestaande milieugevoelige functies In deze situatie is de bedrijfscategorie zoals deze wordt opgenomen in het bestemmingsplan leidend. Afhankelijk van deze categorie zal tenminste een afstand van bv. 10 meter (cat. 1), 30 meter (cat. 2), 50 meter (cat. 3.1) tussen de gevoelige functies en belastende activiteiten moeten worden gerespecteerd. In het geval de bestemmingswijziging wordt gerealiseerd ten bate van de vestiging van een specifiek bedrijf, kunnen de omstandigheden van dit bedrijf worden meegewogen. In elk geval dient te worden beoordeeld of aan de Wet milieubeheer zal kunnen worden voldaan. Nieuwe milieugevoelige functies nabij nieuwe bedrijfsbestemmingen In dit geval is de bedrijfscategorie zoals deze wordt opgenomen in het bestemmingsplan leidend. Afhankelijk van deze categorie zal tenminste een afstand van bv. 10 meter (cat. 1), 30 meter (cat. 2), 50 meter (cat. 3.1) tussen de gevoelige en belastende bestemmingen moeten worden gerespecteerd. De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bijvoorbeeld bedoeld met de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven.

Dit omgevingstype en bijbehorende systematiek zullen dan wel in het bestemmingsplan moeten worden vastgelegd.

"Burgemeesterkwartier Gouda" (vastgesteld)

56

5.3.4.2 Onderzoek en resultaten Econsultancy heeft ter plaatste van het plangebied de Quickscan bedrijven- en milieuzonering uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 9 bijgesloten. Het voorgenomen plan valt voor een aantal inrichtingen en activiteiten binnen de bijbehorende richtafstanden. Voor de desbetreffende inrichtingen en activiteiten heeft Econsultancy reeds aanvullend onderzoek uitgevoerd voor onder andere de aspecten geluid en gevaar. Uit deze onderzoeken zal blijken of er belemmeringen worden voorzien voor de doorgang van het plan en/of er maatregelen genomen moeten worden. Voor de overige aspecten en inrichtingen worden geen belemmeringen voorzien voor de doorgang van het plan en is aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. 5.3.4.3 Conclusie In subpragraaf 5.3.3.4 Industrielawaai en subparagraaf 5.3.6 Externe veiligheid worden de nadere onderzoeken toegelicht. 5.3.5

Flora en fauna

5.3.5.1 Wettelijk kader Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet (soortenbescherming), de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming, Natura-2000 Natuurnetwerk Nederland) en de Boswet. Met inwerkingtreding van de Wnb is de bescherming van soorten, gebieden en houtopstanden in één wet geregeld. De bevoegdheden zijn daarmee van het Rijk overgedragen naar de provincie. Gedeputeerde Staten van de provincies zijn vanaf 1 januari het bevoegde gezag voor de Wnb. In het verordeningsbesluit van de uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland 2016 is opgenomen dat een aantal beschermde soorten vrijgesteld zijn van de ontheffingsplicht. 5.3.5.2 Onderzoek en resultaten 5.3.5.2.1

Quickscan Flora en fauna

Bureau Stadsnatuur heeft de Quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 10 bijgesloten. De onderzoeksresultaten zijn als volgt: Flora: Tongvaren en Mannetjesvaren gevonden, maar hebben geen specifieke bescherming vanuit de Wnb; Insecten: geen beschermde soorten aanwezig; Amfibieën en reptielen: geen beschermde soorten aanwezig; Vissen: geen beschermde soorten aanwezig; Grondgebonden zoogdieren: geen beschermde soorten aanwezig; Vleermuizen: mogelijk aanwezig, er is daarom nader onderzoek nodig voor de boomgroep aan de Burgemeester Mijssingel (zie ook onderstaande afbeelding); Vogels: mogelijk aanwezig, er is daarom nader onderzoek nodig voor de boomgroep aan de Burgemeester Mijssingel en de naaldboom bij de fietsenstalling (zie ook onderstaande afbeelding); Voor al het groen geldt daarnaast: tijdens het broedseizoen kan dit niet worden verwijderd en in die periode kan ook niet vlak langs beplanting worden gewerkt wegens verstoring; Gebiedsbescherming: een negatief effect op N2000-gebieden wordt uitgesloten. Ook maakt het geen onderdeel uit van het NNN. Er is geen vervolg nodig vanuit de Wnb. Wel is een stikstofberekening uitgevoerd, zie hiervoor 5.3.5.2.3 Stikstof; Houtopstanden: overtreding is uitgesloten, omdat het plangebied binnen de bebouwde kom ligt. Er is geen vervolg nodig vanuit de Wnb.

Conclusie Er wordt vanuit de Wnb niet verwacht dat er belemmeringen zijn voor de uiteindelijke herbestemming van "Burgemeesterkwartier Gouda" (vastgesteld)

57 het gebied. Ook wanneer bij nader onderzoek beschermde soorten worden vastgesteld, kan met een ontheffing uiteindelijk een alternatief worden aangeboden. Het uitgevoerde aanvullend onderzoek wordt toegelicht in 5.3.5.2.2 Aanvullend onderzoek flora en fauna.

Afbeelding onderzochte locatie (rode lijn) met twee vierkanten met gele stippellijn: in die vierkanten bevinden zich bomen die nader onderzoek nodig hebben. Niet aangegeven: al het overige groen in de buitenruimte zoals bosschages, bomen en riet kan alleen buiten broedseizoen worden verwijderd indien nodig. 5.3.5.2.2

Aanvullend onderzoek flora en fauna

Het door Bureau Stadsnatuur uitgevoerde aanvullend onderzoek is als Bijlage 11 bijgesloten. Er is nader onderzoek gedaan naar vleermuizen en vogels. Er is voldoende onderzoek gedaan naar vleermuizen en vogels in de boomgroep aan de Burgemeester Mijssingel. Er is geen sprake van een jaarrond beschermde situatie. Met de inspectie zijn geen geschikte holtes gevonden, met metingen met batdetectors is ook bevestigd dat er geen sprake is van een vaste rust- of verblijfplaats van vleermuizen. Wel kunnen vogelsoorten zonder jaarrond beschermd nest dat boomvak en de ondergroei gebruiken om te broeden. Voor al het groen geldt: tijdens het broedseizoen kan dit niet worden verwijderd en in die periode kan ook niet vlak langs beplanting worden gewerkt wegens verstoring. Hierop is geen ontheffing mogelijk, omdat er mitigerend gewerkt kan worden. In het uiterste geval kan de beplanting worden verwijderd buiten het broedseizoen, waarmee er geen verstoring meer kan plaatsvinden gedurende het hele jaar. Er is met het nader onderzoek voldoende duidelijkheid gekomen rondom het nest bij de fietsenstalling. Hier is geen sprake van een bezet nest door welke vogelsoort dan ook. Dit oude nest kan worden verwijderd indien nodig.

Ook op deze plek geldt voor al het groen: tijdens het broedseizoen kan dit niet worden verwijderd en in die periode kan ook niet vlak langs beplanting worden gewerkt wegens verstoring. Hierop is geen ontheffing mogelijk, omdat er mitigerend gewerkt kan worden. In het uiterste geval kan de beplanting worden verwijderd buiten het broedseizoen, waarmee er geen verstoring meer kan plaatsvinden. "Burgemeesterkwartier Gouda" (vastgesteld)

58

5.3.5.2.3

Stikstof

Econsultancy heeft ter plaatste van het plangebied het onderzoek stikstof uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 12 bijgesloten. Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijke projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Voor de realisatie van het bestemmingsplan worden met betrekking tot stikstofdepositie geen belemmeringen voorzien.

5.3.5.3 Conclusie In alle gevallen zijn er vanuit ecologie en de Wet natuurbescherming geen belemmeringen gevonden die bestemmingsplanwijziging in de weg kunnen zitten. 5.3.6

Externe veiligheid

5.3.6.1 Wettelijk kader en beleidskader Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico's op voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vormen het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico's. Door het stellen van eisen aan afstanden tussen de activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen, enz.) worden de eventuele gevolgen van deze risico's zoveel mogelijk beperkt. Plaatsgebonden risico (PR) Als "harde" afstandseis voor externe veiligheid geldt een contour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6), die wordt aangegeven als een afstand ten opzichte van de activiteit met gevaarlijke stoffen (risicobron). Binnen deze PR 10-6 contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden geprojecteerd. Groepsrisico (GR) Afhankelijk van de aard van de risicobron is er sprake van een bepaald invloedgebied. Binnen dit invloedgebied moet worden onderzocht hoe groot de kans per jaar is dat een groep van ten minste 10 (zich binnen dit invloedgebied bevindende) personen overlijdt ten gevolge van een ramp of zwaar ongeval met de betreffende risicobron.

De uitkomst van dit onderzoek geeft de hoogte van het GR weer en wordt uitgedrukt in een curve, waarbij als norm voor het GR een oriënterende waarde is vastgesteld. De hoogte van het GR moet door middel van een bestuurlijke afweging worden verantwoord. Als binnen het invloedgebied (beperkt) kwetsbare bestemmingen worden geprojecteerd, geldt ook voor de hiermee samenhangende toename van het GR een bestuurlijke verantwoordingsplicht. Provinciaal groepsrisicobeleid De provincie Zuid-Holland heeft een 'Beleidsregel groepsrisico en ruimtelijke ordening' (Provinciaal Blad, nr. 168, 14 januari 2015) vastgesteld. De hoogte van het groepsrisico speelt in deze beleidsregel een belangrijke rol. Het beleid is met name erop gericht om te voorkomen dat door ruimtelijke ontwikkelingen het groepsrisico toeneemt en in de eindsituatie boven de oriëntatiewaarde ligt (of als er aanleiding is om dat te verwachten). Daarnaast heeft de provincie Zuid-Holland in haar beleidsregel aangegeven dat 'bereikbaarheid' en 'bluswatervoorzieningen' (voor de hulpdiensten) en de mogelijkheden tot zelfredzaamheid minimaal op orde moeten zijn om het groepsrisico bij ruimtelijk plannen te kunnen verantwoorden. Lokaal beleid De gemeente Gouda beschikt over de gemeentelijke 'Visie EV 2009-2013'.

In deze beleidsvisie zijn concrete kaders opgenomen hoe om te gaan met externe veiligheid bij nieuwe ruimtelijke "Burgemeesterkwartier Gouda" (vastgesteld)

59 ontwikkelingen binnen bepaalde zones van risicobronnen. 5.3.6.2 Onderzoek en resultaten Econsultancy heeft ter plaatste van het plangebied het onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 13 bijgesloten. Met behulp van de risicokaart kan een eerste indruk van de risicobronnen in de omgeving van het plangebied worden gemaakt.

Afbeelding uitsnede risicok aart met aanduiding locatie Het plangebied is in de afbeelding met blauw aangegeven.

Transport over de weg en spoorlijn Het plangebied is gelegen binnen meerdere invloedsgebieden, waarvoor een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is. Omdat het plan binnen 200 meter tot de spoorlijn is gelegen, is een berekening van het groepsrisico noodzakelijk. Voor de berekening van het groepsrisico wordt verwezen naar de berekening uit 2019 (bron: Actualisatie berekeningen spoorzone Gouda. Project: 193915, d.d. 13 juni 2019) waarbij voor het gehele spoortraject rekening is gehouden met alle bouwplannen langs het spoor, waaronder Burgemeesterkwartier. In 5.3.6.3 Conclusie en verantwoording groepsrisico wordt een verantwoording van het groepsrisico gegeven.

Transport per buisleiding Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van twee gasleidingen in beheer van Gasunie. Omdat een deel van de woningen binnen de inventarisatieafstand van deze buisleiding is gelegen, is een kwantitatieve risicoanalyse noodzakelijk. Het plangebied is op voldoende afstand van de andere buisleiding gelegen. Deze wordt verder niet onderzocht. De berekening van het groepsrisico wordt nader toegelicht in Bijlage 13. In 5.3.6.3 Conclusie en verantwoording groepsrisico wordt een verantwoording van het groepsrisico gegeven.

Inrichtingen "Burgemeesterkwartier Gouda" (vastgesteld)

60

In de omgeving van het plangebied zijn meerdere inrichtingen aanwezig. Er is in verantwoording nodig wegens de nabije ligging van een gasdrukmeet- en regelstation. Andere inrichtingen liggen op voldoende afstand van het plangebied. Volgens artikel 3.12 van het Activiteitenbesluit heeft het station een veiligheidsafstand van 25 meter. Binnen deze zone mogen geen nieuwe functies of objecten voor kwetsbare groepen worden gerealiseerd. Op de verbeelding van voorliggend bestemmingsplan is deze veiligheidszone opgenomen. Op basis van de verbeelding wordt geconcludeerd dat de nieuwe objecten voor kwetsbare op een grotere afstand dan de veiligheidsafstand van 25 meter zich bevinden. Alleen een deel van de parkeergarage ligt binnen de veiligheidsafstand van 25 meter. Een parkeergarage die niet als oogmerk het verblijf over langere duur van mensen heeft, is geen (beperkt) kwetsbaar object. Op basis van de verbeelding is geen sprake van onaanvaardbare externe veiligheidsrisico’s. 5.3.6.3 Conclusie en verantwoording groepsrisico Uit de kwantitatieve risicoanalyse van de buisleiding volgt dat het gesommeerd groepsrisico in zowel de bestaande als de toekomstige situatie lager is dan 0,1 x oriëntatiewaarde. Er is geen sprake van een relevante toename van het groepsrisico.

Het plaatsgebonden risico als gevolg van de buisleiding ter hoogte van het plangebied is lager dan 10-6/jaar en voldoet daarmee aan de grenswaarde. Een deel van het plangebied is echter gelegen binnen de 100%-letaliteitsgrens. Aanbevolen wordt om aan de zijde van de buisleiding bouwkundige maatregelen te treffen, zoals brand- en hittewerende geveldelen toe te passen. De veiligheidszone voor het gas ontvangststation met bijbehorende regeling is opgenomen in het bestemmingsplan in verband met de wenselijke koppeling met de nieuwe omgevingswet. In het bestemmingsplan is deze zone vastgelegd door middel van een 'Veiligheidszone - Gasontvangtstation'. Dit is nader toegelicht in paragraaf 7.3.1 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro. Het maatgevende scenario als gevolg van een calamiteit op het spoor is een koude en/of warme BLEVE. Door het toepassen van (bouwkundige) maatregelen kunnen de risico’s worden beperkt en kan de kans op slachtoffers worden gereduceerd. Deze maatregelen zullen verder worden uitgewerkt in het kader van de aanvraag van de omgevingsvergunning. Met het advies van Veiligheidsregio Hollands midden en de te nemen maatregelen zullen de risico’s zoveel mogelijk worden beperkt en wordt de ontwikkeling van het plan uit oogpunt van externe veiligheid verantwoord geacht.

5.4

Milieu Effect Rapportage

5.4.1

Wet- en regelgeving

De wet- en regelgeving voor milieueffectrapportage (m.e.r.) is vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in de AMvB Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de Wet milieubeheer zijn vooral de procedurele verplichtingen opgenomen. In Besluit m.e.r. is opgenomen wanneer een m.e.r. verplicht is. Globaal zijn er 3 soorten m.e.r.. 1. Een plan m.e.r. is wettelijk verplicht wanneer: a. Het plan kaders stelt voor activiteiten in het plangebied waarvoor een (project-)m.e.r. noodzakelijk is, dan wel waarvoor beoordeeld moet worden of een (project-)m.e.r. noodzakelijk is. Dit zijn de activiteiten die genoemd zijn in kolom 1 van Bijlage C en D van het Besluit m.e.r. Voor activiteiten uit Bijlage D geldt de plan-m.e.r. plicht direct als ze groter is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2. Als ze kleiner is dan die drempelwaarden, wordt de plan m.e.r. plicht bepaald door de vormvrije m.e.r.-beoordeling. b. De activiteiten in het bestemmingsplan leiden tot mogelijk significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden (passende beoordeling noodzakelijk). Bij een plan m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 3 van Bijlage C en D van het Besluit m.e.r. 2. Een project- of besluit-m.e.r. is wettelijk verplicht wanneer: a. De activiteit genoemd is in Bijlage C van het Besluit m.e.r. b.

De initiatiefnemer of het bevoegd gezag besloten hebben dat voor een activiteit uit Bijlage D van het Besluit m.e.r. een milieueffectrapport opgesteld wordt, cq. moet worden. Bij een project- of besluit-m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 4 van Bijlage C of D va het Besluit m.e.r. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een bestemmingsplan dat in directe zin woningbouw mogelijk "Burgemeesterkwartier Gouda" (vastgesteld)

61 maakt waarvoor een m.e.r.-plicht geldt, of om een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een bedrijf (met aanzienlijke milieugevolgen). 3. Een m.e.r.-beoordeling is wettelijk verplicht voor de activiteiten in kolom 1 van Bijlage D van het Besluit m.e.r.. Indien de activiteit kleiner is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2 van Bijlage D is er sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hiervoor hoeft geen raadpleging plaats te vinden en het besluit hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatcourant. Bij een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling gaat het om besluiten uit kolom 4 van Bijlage 4 van het Besluit m.e.r.. 5.4.2

Onderzoek en resultaten

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) heeft als doel om negatieve milieueffecten van activiteiten bij plannen en besluiten af te wegen. De verplichting voor het opstellen van een m.e.r. is vastgelegd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In onderdeel C en D van het Besluit m.e.r. zijn respectievelijk activiteiten vastgelegd welke direct m.e.r-plichtig zijn en voor welke een m.e.r-beoordeling verricht dient te worden. Hierbij zijn in kolom 2 (gevallen) indicatieve drempelwaarden opgenomen. Met het plan wordt de bouw van 5 appartementencomplexen mogelijk gemaakt. In totaal worden er 650 woningen en circa 2.000 m2 aan commerciële en maatschappelijke voorzieningen gerealiseerd. Tevens worden 2 parkeergarages binnen het plan gerealiseerd. De ontwikkeling is onder te brengen onder onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: D11.2. de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De drempelwaarde voor dergelijke activiteiten wordt gegeven in kolom 2: In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat; een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen activiteit beneden de drempelwaarde blijft.

Activiteiten die de drempelwaarden van onderdeel D niet overschrijden, dienen eveneens te worden onderworpen aan een m.e.r.-beoordeling. Voor activiteiten die de drempelwaarden niet overschrijden, zijn desalniettemin geen vormvereisten van toepassing en is derhalve sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Op basis van de vormvrije m.e.r. wordt beoordeeld of het noodzakelijk is een milieueffectrapportage op te stellen. Er dient aandacht te worden besteed aan de criteria die zijn opgenomen in bijlage III bij de Europese richtlijn ‘betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten’. Deze vormvrije m.e.r. dient aan het bevoegd gezag te worden aangeboden in de vorm van een aanmeldingsnotitie.

In de aanmeldingsnotitie m.e.r. is informatie opgenomen op basis waarvan bepaald kan worden of al dan niet de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Daarbij is aangesloten bij de beoordelingscriteria van bijlage III bij de Europese richtlijn. De aanmeldingsnotitie voor voorliggend plan is als Bijlage 14 bijgesloten. Uit de aanmeldingsnotitie m.e.r. blijkt dat er met de realisatie van het plan geen negatieve milieueffecten worden voorzien op de omgeving. Gelet op de schaal van de ontwikkeling, alsmede de huidige invulling van de locatie worden er geen nadelige milieueffecten verwacht. 5.4.3

Conclusie

Het doorlopen van een m.e.r. procedure en/of formele m.e.r. beoordelingsprocedure is niet nodig. Het bevoegd gezag wordt geadviseerd een m.e.r. beoordelingsbesluit te nemen waarin wordt afgezien van het opstellen van een milieueffectrapportage, ofwel het doorlopen van een formele m.e.r.-beoordelingsprocedure.

"Burgemeesterkwartier Gouda" (vastgesteld)

62

5.5

Provinciaal milieubelang

5.5.1

Wet- en regelgeving

Provincie Zuid-Holland heeft in de Provinciale Structuurvisie en in de Provinciale Milieuverordening het provinciaal milieubelang beschreven. Ruimtelijke plannen worden doorgaans na publicatie van het ontwerpbesluit aan de Provincie toegestuurd. De Provincie toetst dan of het provinciaal belang in het geding is en of er mogelijk in strijd met het provinciaal belang wordt gehandeld. In dit hoofdstuk wordt reeds een voortoets voor het provinciaal milieubelang uitgevoerd. Daarmee wordt tijdig zicht gekregen op strijdigheden en waar mogelijk worden oplossingsrichtingen benoemd. Het provinciaal milieubelang heeft betrekking op vier thema's: bescherming van stiltegebieden; windenergie stimuleren; beschermen bedrijventerreinen voor HMC-bedrijven; beschermen van grote groepen mensen. 5.5.2

Onderzoek en resultaten

Provincie Zuid-Holland benoemt in haar Omgevingsbeleid vier provinciale milieubelangen. Bescherming van stiltegebieden De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats in (de nabijheid van) een stiltegebied. Windenergie stimuleren De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats in (de nabijheid van) een plaatsingsgebied voor windmolens. Beschermen bedrijventerreinen voor Hogere Milieu Categorie-bedrijven De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats in (de nabijheid van) een HMC-bedrijventerrein. Afname van HMC-locaties is derhalve niet aan de orde. Beschermen van grote groepen mensen De voorgenomen ontwikkeling is wel gelegen in een invloedsgebied Groepsrisico van een EV relevante risicobron maar er is geen significante toename van het Groepsrisico. 5.5.3

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is derhalve niet in strijd met de provinciale milieubelangen.

5.6

Waterhuishouding

5.6.1

Algemeen

Voor alle ruimtelijke plannen is de uitvoering van een watertoets wettelijk verplicht. Het doel van de watertoets is om waterbelangen vroegtijdig en evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Met het oog op de watertoets is een waterparagraaf opgesteld, waarin de voor dit plan relevante waterhuishoudkundige aspecten zijn beschreven. Deze waterparagraaf is hieronder opgenomen.

"Burgemeesterkwartier Gouda" (vastgesteld)

63

5.6.2

Relevant beleid

De afweging van de diverse waterbelangen is geborgd in diverse plannen, wetten en beleidsdocumenten. De belangrijkste plannen en wetten op Rijksniveau en Europees niveau zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet, het Nationaal Waterplan en de Wet gemeentelijke watertaken. Op provinciaal niveau zijn dit het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland, de Verordening Ruimte en het Actieprogramma Water. Voorts is relevant het beleid en de Keur van het hoogheemraadschap. Op gemeentelijk niveau staan relevante regels in gemeentelijk Riolerings plan (GRP) en het geactualiseerde Waterplan Gouda. Gelet op de aard van het bestemmingsplan (functieverbreding met behoud van bestaande bouwmogelijkheden) is niet nader ingegaan op al deze beleidsdocumenten. 5.6.3

Watertoets

De hoogheemraadschappen zijn het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheren de hoogheemraadschappen rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. In het proces van ruimtelijke planvorming hebben de hoogheemraadschappen een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheersfase van ruimtelijke plannen een regelgevende rol. De gemeente Gouda heeft te maken met twee hoogheemraadschappen. Het hoogheemraadschap van Rijnland is verantwoordelijk voor het waterbeheer ten oosten van de Gouwe en ten noorden van de Hollandse IJssel. Ten westen van de Gouwe en ten zuiden van de Hollandse IJssel ligt het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK). 5.6.4

Planbeschrijving en conclusie

Econsultancy heeft de watertoets opgesteld. Het rapport is als Bijlage 15 bijgesloten.

Oppervlaktewater Op de leggerkaart van Hoogheemraadschap van Rijnland zijn de in de directe omgeving van de planlocatie gelegen oppervlaktewateren weergegeven. Op de Legger oppervlaktewater is de watergang langs de Burgemeester Mijssingel aangemerkt als ‘primair oppervlaktewater’ met een beschermingszone van 5 meter. De overige watergangen aan de noordzijde van de planlocatie betreffen ‘overig oppervlaktewater’ met een beschermingszone van 2 meter. Het is in beginsel niet toegestaan bebouwing te realiseren binnen de beschermingszone. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de leggerkaart weergegeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=3d9ba7ab-1bbb-4d22-a592-93bf69ecc3a3