Bijlage 8: Nota sociaal domein Iedereen kan meedoen juli 2020
Tekst van het document
Grenzen aan de draagkracht van de samenleving: balans tussen tolerantie en overlast Inclusie vraagt ook het respecteren van je mede-inwoners. Maar hoeveel mogen we verlangen van de inwoners van onze wijken? De draagkracht van de samenleving is immers niet oneindig, en de gemeente heeft daarom ook een handhavende rol bij aanhoudende en ernstige overlast. Deze spanning wordt steeds beter zichtbaar, nu niet alleen de gemeente bezig is met de beweging om meer mensen met een kwetsbaarheid inclusief te laten wonen. Ook het Rijk stuurt hier in de Wet langdurige zorg stevig op. Ouderen minder snel in een verpleegtehuis, mensen met dementie langer thuis laten wonen, en mensen sneller ontslaan uit het ziekenhuis. Minder verblijfzorg betekent een hogere druk op de wijk. Zo zien we al een aantal jaren een sterke stijging van het aantal meldingen van mensen met verward gedrag die overlast veroorzaken. Om inclusief samenleven in de wijk mogelijk te maken, betekent dit van twee kanten aanpassen: niet alleen de kwetsbare persoon moet zijn plek vinden en zich wellicht aanpassen, ook van de inwoners uit de wijk wordt gevraagd dat zij zich open stellen en een handje meehelpen en op deze manier invulling geven aan hun burgerschap. Een grotere diversiteit aan bewoners, betekent ook het gezamenlijk zoeken naar een nieuwe balans tussen tolerantie en het voorkomen of beperken van overlast.
Het is daarbij goed te realiseren dat slechts een klein deel van de mensen met een beperking of kwetsbaarheid zorgt voor overlast. Er zijn veel ervaringen van buurten die eerst tegen waren, maar later erkennen dat er geen of bijna geen overlast is en juist meerwaarde ervaren in onderlinge ontmoetingen. Wel is het voor direct omwonenden van kwetsbare personen belangrijk dat er een begeleider vanuit een zorg- of welzijnsorganisatie aanspreekbaar is. Op die manier kan er wederzijds begrip groeien en weten omwonenden wat een verstandige wijze van
Inclusief meedoen Aanpak laaggeletterdheid Om je te kunnen ontwikkelen en mee te kunnen doen in onze samenleving is het beschikken over voldoende basisvaardigheden op het gebied van taal, lezen en rekenen een cruciale voorwaarde. Helaas is dit voor een deel van onze inwoners niet vanzelfsprekend. Het lezen van een bijsluiter, het schrijven van een sollicitatiebrief, het begrijpen van ontvangen brieven van instanties en het reizen met het openbaar vervoer kunnen door hun laaggeletterdheid erg lastig worden. Dit maakt hen onnodig kwetsbaar en zorgt voor schaamte, slechtere gezondheid en minder kansen op de arbeidsmarkt. In een samenleving die steeds meer digitaliseert, wordt het voor hen nog moeilijker om mee te doen. Want taal is bij het ontwikkelen van digitale vaardigheden vaak een vereiste. 5 6
19
Het gaat hier om een inspanningsverplichting en geen resultaatverplichting. De raad heeft een wettelijke plicht om periodiek invulling te geven aan de wijze waarop het college uitvoering zal geven aan het VN-verdrag inzake rechten van personen met een handicap. Deze plicht is in verschillende wetten eenduidig vastgelegd, onder meer in de Participatiewet artikel 8d.
Zij worden daardoor ook financieel kwetsbaar: aanvragen om toeslagen, belastingaangiften en internetbankieren zijn allemaal moeilijk of haast onmogelijk zonder taalvaardigheid en digitale vaardigheden. Taal is bovendien belangrijk bij het opvoeden van je kinderen, waarmee laaggeletterdheid potentieel overdraagbaar is naar nieuwe generaties.
gebieden. Juist door de persoonlijke geschiedenissen die zij met zich meedragen is het van belang om alert te zijn op problemen veroorzaakt door trauma’s. Een goede, warme overdracht vanuit het AZC en een goede doorlopende lijn in de begeleiding is van belang. De afgelopen jaren is duidelijk geworden dat dit niet eenvoudig is, maar wel de sleutel is om het integratieproceste versnellen. Vooruitlopend op de nieuwe inburgeringswet zet de gemeente zich in voor statushouders door een warme overdracht vanuit het AZC naar Gouda als nieuwe woongemeente te organiseren.
De afgelopen jaren heeft Gouda met veel verschillende partijen een taalakkoord gesloten en is het taalhuis tot stand gekomen in de Chocoladefabriek. Daar kunnen inwoners makkelijk en laagdrempelig terecht voor advies en ondersteuning. Hiermee zijn de eerste stappen gezet voor de ondersteuning van laaggeletterden. Echter, daarmee is het probleem nog niet verholpen. Het Rijk stelt vanaf 2020 via het programma Tel mee met Taal 2020-2024 extra geld beschikbaar om in regionaal verband laaggeletterdheid te verminderen. Daarmee wil Gouda (ook in haar rol als centrumgemeente) voortbouwend op de successen van het Taalakkoord een stevigere aanpak ontwikkelen om laag geletterdheid tegen te gaan. Ook als gemeente zelf gaan we richting onze inwoners nog te vaak uit van geletterdheid als norm. We willen het goede voorbeeld geven en zoeken aansluiting bij ‘Direct Duidelijk’ en gaan zelf aan de slag om in de communicatie met inwoners meer begrijpelijke en leesbare taal te gaan gebruiken.
Bij de ondersteuning van statushouders wordt als uitgangspunt een brede blik op alle leefgebieden van de statushouder gehanteerd met als doel om zo snel mogelijk te integreren in de Goudse samenleving door hen te activeren, het stimuleren van het sociaal netwerk met als beoogd resultaat betaald werk.
Inclusief werk & participeren Werk is belangrijk voor een zelfstandig bestaan, werk draagt bij aan het hebben van een sociaal netwerk, zinvolle daginvulling, een betere gezondheid en zelfvertrouwen. Voor veel mensen is werk de manier om uit de schulden te komen. Het niet hebben van werk leidt juist vaak tot een groter beroep op ondersteuning. Niet iedereen kan fulltime werken. Het is goed dat er dan gewerkt wordt aan het versterken van de participatie. Het college heeft een wettelijke opdracht om bepaalde mensen te ondersteunen bij het vinden van werk en indien het college dat noodzakelijk acht daarbij een voorziening aan te bieden. De mogelijkheden om mensen succesvol te begeleiden naar werk zijn sterk afhankelijk van de conjunctuur, die maar tot op zekere hoogte te voorspellen is. Het is daarom van belang te kunnen blijven inspelen op de mogelijkheden die ontstaan op de arbeidsmarkt en niet voor vier jaar vast te zetten welke specifieke doelgroepen we gaan begeleiden en welke niet. De afgelopen jaren is ook gekozen voor experimenteren met ondernemen vanuit de bijstand. Enerzijds door parttime ondernemen te stimuleren en anderzijds om het mogelijk te maken te ondernemen in een sociale coöperatie vanuit met name de participatie opgave. Deze experimenten worden doorgezet en zullen worden geëvalueerd op effectiviteit.
Het aan het werk helpen van bijstandsgerechtigden heeft topprioriteit.
De gemeente Gouda gebruikt heldere en eenvoudige taal naar haar inwoners en benut daarvoor de aanpak ‘Direct Duidelijk’. Duidelijke taal wordt een basisprincipe in de gemeentelijke dienstverleningsvisie.
Beter en sneller inburgeren van statushouders Naar verwachting wordt de nieuwe inburgeringswet per 1 juli 2021 van kracht. Doel van deze wet is dat statushouders beter en sneller integreren dan onder het huidige regime. In deze wet komt de regie van de inburgering bij gemeenten te liggen en wordt regionale samenwerking gestimuleerd. Gouda, Krimpenerwaard en Waddinxveen trekken op dit vlak samen op onder de noemer: regionaal wat moet, lokaal wat kan. Gouda kiest er expliciet voor om bij inburgering naar de brede leefgebieden te kijken, waarbij de toeleiding naar werk extra aandacht krijgt. Want juist bij deze groep is het noodzakelijk de inburgering vanuit een brede blik te bekijken met oog voor de verschillende leef
20
De prioritering van de inzet van de begeleiding naar werk is afhankelijk van de conjunctuur. We hebben nadrukkelijk oog voor de mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt en statushouders.
werkgever kijkt naar het individu en heeft oog voor het potentieel, de specifieke mogelijkheden en de vaak grote motivatie van deze werkzoekenden en past het werk daarop aan. Een inclusieve werkgever zet ook zelf een stap om de afstand van de werkzoekende tot de arbeidsmarkt te verkleinen. Naast dat dit goed is voor de kwetsbare werknemers is er ook een grote noodzaak omdat het steeds moeilijk wordt om vacature te vervullen door krapte in de arbeidsmarkt, zoals in de zorgsector.
We zien ook het ondersteunen bij participeren nadrukkelijk als opdracht aan de gemeente: inwoners die niet (volledig) kunnen re-integreren begeleiden we om stappen naar participatie te zetten. Juist bij deze mensen komen doelstellingen vanuit de Wmo en de Participatiewet samen.
Het bij elkaar brengen van vraag en aanbod vraagt ook wat van onze gemeentelijke benadering van bedrijven en instellingen. Gebleken is dat er nog veel onbekendheid is bij bedrijven over mogelijkheden en ondersteuning van het aannemen van werkzoekenden uit de gemeentelijke doelgroep, terwijl ze bereid zijn om niet alleen de ideale kandidaten aan te nemen, maar bijvoorbeeld ook iemand met een arbeidsbeperking. Het complexe web van regelingen, een systeem met indicaties, subsidieregelingen die afhankelijk zijn van wat voor soort uitkering een inwoner heeft, maakt het allemaal niet eenduidiger. Het Rijk gaat gelukkig aan de slag met een vereenvoudigingsslag. Desalniettemin blijft er beleidsruimte in gemeenten om regelingen en re-integratie-instrumenten vorm te geven. Samen optrekken met regiogemeenten en het UWV blijft nodig, om te zorgen voor een zo eenduidig mogelijk instrumentarium, waardoor bedrijven en instellingen snappen wat de mogelijkheden zijn en waar het in dienst nemen van iemand met een arbeidsbeperking geen ingewikkelde procedure meer is, maar een redelijk of zelfs aantrekkelijk alternatief. In lijn met de intentie van het Rijk om tot meer stroomlijning te komen van werkgeversinstrumentarium streven we naar een regionaal gelijkluidende Re-integratieverordening, die vervolgens in de gemeenteraden van de regiogemeenten zal worden vastgesteld.
De Participatiewet legt de verplichting op om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, te aanvaarden en te behouden, zodat zij (meer) in hun eigen inkomen kunnen voorzien. Op de arbeidsmarkt is flexibel werken aan de orde van de dag. Ook kortere contracten dragen eraan bij dat inwoners met een grote afstand tot de arbeidsmarkt steeds meer kansen krijgen. Diploma’s, certificaten of praktijkverklaringen zijn van belang om mensen langduriger uit de bijstand te houden. Daardoor stellen we hen in staat om ook op lange termijn een zelfstandig(er) bestaan op te bouwen. Daarbij wordt wel getoetst of dit redelijkerwijs in verhouding staat tot een vergroting van de kans op werk en het re-integratieproces zelf niet belemmert. Voor wie werken op dit moment niet haalbaar is, draagt het stimuleren van het blijven deelnemen en bijdragen aan de samenleving ook bij aan de duurzame inzetbaarheid.
De gemeente stimuleert duurzame inzetbaarheid bij de begeleiding van uitkeringsgerechtigden.
Gouda zet in op regionale samenwerking met gemeenten uit de arbeidsmarktregio, om te komen tot een eenduidige werkgeversbenadering. Gouda streeft daarbij naar een regionaal gelijkluidend instrumentarium voor werkgevers, dat vastgelegd wordt in de Re-integratieverordening.
Inclusief werk kan niet zonder bedrijven en instellingen Een inclusieve werkgever biedt werkgelegenheid aan werknemers met een fysieke, psychische of mentale beperking en werkzoekenden met een afstand tot de arbeidsmarkt. Hij kan omgaan met verschillen tussen mensen en benut de meerwaarde van diversiteit in zijn organisatie. Een inclusieve werkgever kijkt anders naar het werk dat moet worden gedaan en de mensen die het werk laat uitvoeren. Een inclusieve werkgever staat open voor mensen met een arbeidsbeperking die dat werk kunnen uitvoeren. Een inclusief
21
Ondersteunen van inwoners bij overgang naar werk Al enige jaren zien we dat inwoners die afhankelijk waren van een uitkering vaak eerst in flexibele arbeidsrelaties aan de slag gaan voordat ze volledig onafhankelijk worden van een uitkering: tijdelijke contracten, parttime werk, oproepcontracten. In die periode is het niet altijd mogelijk om volledig zonder (aanvullende) uitkering te leven. Dit levert voor mensen vaak een lastige periode op. Niet alleen omdat de stap naar werk sowieso grote impact heeft op het dagelijks leven, maar ook omdat financieel en administratief gezien, niet alle betaalmomenten synchroon lopen en dit een risico op terugvorderingen of tekort aan inkomen kan geven. De gemeente gaat zich er voor inspannen dat deze overgangen soepeler worden en daarmee de financiële onzekerheid inwoners niet tegenhoudt om aan het werk te gaan. Bijvoorbeeld door helderheid over het verrekenen van inkomsten, waarbij de manier van verrekenen niet leidt tot een grotere kans op terugvorderen of verrekeningen met toekomstige inkomsten. Ook op het gebied van toeslagen, en inkomensmaatregelen ligt er een opgave om de informatievoorziening aan onze cliënten te verbeteren en zal bezien worden of procedures te vereenvoudigen zijn.
enkele gevallen is gebleken dat het wenselijk is om tot een duurzame aanstelling over te gaan bij Promen, ondanks dat er geen indicatie voor beschut werken is. Daarmee bieden we de inwoner dagelijkse structuur, een vaste werkplek en ondersteunen we het zelfvertrouwen, waardoor de persoon zelfstandiger blijft. Indien in dit soort casussen er zou worden overgegaan tot beëindiging van het tijdelijk dienstverband zonder perspectief op een andere werkplek, bestaat de kans dat dit leidt tot een terugval. De inwoner komt dan bijvoorbeeld na enige tijd weer terug met een ondersteuningsvraag, zoals behoefte aan schuldhulpverlening, Wmo begeleiding, verslavingszorg of dagbesteding. In sommige casussen blijkt beschut werk te veel te vergen van onze inwoner en blijkt een dagbestedingsplek zonder de prestatiedruk die gepaard gaat met een betaalde werkplek beter passend. Dit soort afwegingen speelt ook voor de steeds ouder wordende populatie van de Goudse medewerkers van Promen met een Wsw-dienstverband, waarbij de vraag voorligt hoe we omgaan met mensen die door verslechterende gezondheid niet meer in staat zijn te functioneren in de Wsw-baan. Het blijft vragen om maatwerk om mensen met een arbeidsbeperking zo inclusief mogelijk te laten werken, waarbij gezocht wordt naar mogelijkheden om hen zoveel mogelijk naar een reguliere werkplek te bemiddelen.
In aansluiting op de beweging die het Rijk voorstelt zal worden bezien hoe het gemakkelijker wordt om te switchen in de ‘keten van werk’, waarbij werk waar mogelijk het doel blijft. Ook hier hebben we te maken met landelijke, soms tegenstrijdige, ontwikkelingen. Indien een cao voor beschut werk landelijk verbindend wordt verklaard, zal dit een gunstige invloed hebben voor de financiële positie van mensen in een beschutte werkplek. Dit draagt bij aan de gelijkwaardige behandeling van mensen met een arbeidsbeperking ten opzichte van mensen zonder arbeidsbeperking én ten opzichte van de grote groep Gouwenaars die een dienstverband hebben op grond van de oude Wsw-regeling. Bovendien wordt werken daarmee een aantrekkelijker alternatief dan dagbesteding. Dit vraagt andersom wel van de gemeente om goede begeleiding van mensen met een arbeidsbeperking die door allerlei omstandigheden niet meer in staat zijn om betaald werk te verrichten. Zij zijn extra kwetsbaar doordat hun inkomenspositie in dat geval meer zal verslechteren dan nu het geval is.
De gemeente spant zich in om overgangen bij (gedeeltelijk) in- en uitstromen uit de uitkering op financieel-administratief gebied te versoepelen.
Inclusief werk voor mensen met een arbeidsbeperking De Participatiewet ging bij de introductie uit van de belofte dat twee derde van de mensen die voorheen in de sociale werkplaats werk vonden bij een reguliere werkgever aan de slag konden, mits ze daar voldoende ondersteuning voor kregen. De werkelijkheid blijkt weerbarstiger, zoals ook is gebleken uit de evaluatie van de Participatiewet die het SCP heeft uitgevoerd eind 2019. Het resultaat is dat voor een deel van onze inwoners die niet in aanmerking komen voor een beschutte werkplek7, het niet mogelijk is gebleken om de duurzame overstap te maken naar een reguliere werkgever. In
7
22
Met een beschutte werkplek wordt bedoeld een werkplek op grond van een indicatie beschut werk.
De gemeente werkt aan het vergemakkelijken van het switchen tussen de ondersteuning voor mensen met een arbeidsbeperking op basis van de Wmo en Participatiewet en onderzoekt de mogelijkheden om mensen met een arbeidsbeperking met en zonder indicatie baanafspraak succesvoller te bemiddelen naar werk.
Deze cirkel doorbreken vraagt om een extra inspanning op het gebied van wonen. De gemeente wil daarom kijken hoe een deel van de reserve voor beschermd wonen/ maatschappelijke opvang/ vrouwenopvang kan worden ingezet om op relatief korte termijn het tekort aan passende betaalbare huisvesting voor kwetsbare groepen in Gouda en de regio te verkleinen, waardoor de druk op de (dure) verblijfsvoorzieningen kan worden teruggebracht. In het kader van de grote druk op de woningmarkt in het algemeen en specifiek op het betaalbare en goedkope woningsegment is dan ook in het coalitieakkoord al een opgave 200 extra sociale huurwoningen opgenomen. Het realiseren van meer betaalbare en goedkope woningen zal structureel worden verankerd in de woonvisie. Daarnaast is er, ook ten behoeve van een ondersteunende sociale leefomgeving, blijvende aandacht vereist voor de invulling van de permanente opdracht van de gemeente om voldoende betaalbare woonruimte te hebben met een goede spreiding over de stad.
Inclusief wonen Passend wonen voor kwetsbare inwoners en ouderen Bij het streven naar een inclusieve samenleving hoort ook dat er voor kwetsbare inwoners een passende plek is om zo zelfstandig mogelijk te wonen. Met de beweging Gewoon Thuis Volwassenen hebben we de afgelopen jaren ervaring opgedaan met het afschalen van beschermde woonvormen naar zelfstandig wonen met ambulante hulp in de wijk. Daarvoor zijn betaalbare en goedkope woningen nodig, want het betreft veelal mensen met een beperkt inkomen. Ook voor de groeiende groep ouderen die steeds langer thuis blijven wonen zijn geschikte woningen nodig. Door het verdwijnen van de verzorgingshuizen een aantal jaar geleden lijkt er nu een toenemende behoefte aan een ‘verzorgingshuis 2.0’ te ontstaan.
Bij ondersteuning vanuit de Jeugdwet of Wmo waar ook een wooncomponent in het budget verdisconteerd is (bijvoorbeeld budget beschermd wonen), is bij ambulantisering van de zorg met zelfstandig wonen een proportionele inzet van zorgbudget voor de bouwinitiatieven mogelijk. De gemeente verkent of de reserve voor beschermd wonen/ maatschappelijke opvang/ vrouwenopvang kan worden ingezet om een incidentele inspanning te leveren zodat het tekort aan passende betaalbare huisvesting voor kwetsbare groepen kan worden teruggedrongen.
Door de grote druk op woonruimte in het algemeen en sociale huurwoningen in het bijzonder is het lastig om betaalbare passende woonruimte te vinden. Daardoor maken inwoners, ook jongeren met jeugdhulp, soms noodgedwongen onnodig lang gebruik van dure verblijfszorg of ontstaan juist problemen doordat men niet over geschikte woonruimte beschikt. Zo is er een toename van het gebruik van de nachtopvang door mensen die niet (snel) beschikken over betaalbare woonruimte, bijvoorbeeld na een scheiding of een faillissement. De doorstroming in dure zorgvoorzieningen, zoals de maatschappelijke opvang en beschermd wonen, stagneert hierdoor. Inwoners die deze zorg nodig hebben, moeten lang wachten op een vrijkomende plek. Bewoners die lang op uitstroom moeten wachten worden in het herstel beperkt. Ook financieel is dat lastig: een woonprobleem wordt dan opgelost met zorggeld, waar we zien dat de budgetten toch al krap zijn. Deze cirkel is moeilijk te doorbreken: een woonprobleem is niet op korte termijn opgelost, maar inwoners blijven daardoor aangewezen op dure niet- passende zorg.
Langer thuis wonen voor ouderen Een andere belangrijke verbinding tussen wonen en het sociaal domein is de ontwikkeling dat steeds meer ouderen langer thuis wonen. Met langer thuis wonen wordt bedoeld: langer zelfstandig wonen op basis van scheiden van wonen en zorg. Dit kan ook in een andere woning zijn dan waar de oudere tot dan toe woonde. Bijvoorbeeld een woning die beter toegankelijk is of dichter bij voorzieningen. Om mogelijk te maken dat ouderen op een prettige manier langer zelfstandig kunnen wonen, zal ook in de periode 2020-2023 worden gewerkt aan:
23
• Voldoende passende en geschikte huisvesting voor (kwetsbare) ouderen: Het actuele woningtekort raakt iedereen die een (andere) woning nodig heeft. Met het stijgen van de jaren komt voor ouderen de vraag aan de orde of de woning nog de juiste woning is. Is de woonomgeving passend? Kan er adequate zorg en ondersteuning aan huis geleverd worden? Om het mogelijk te maken dat ouderen op een prettige manier langer thuis kunnen wonen is voldoende passende en geschikte huisvesting (ook financieel) voor (kwetsbare) ouderen nodig. In de woonvisie komt deze opgave terug. Hierbij speelt ook bewustwording een grote rol; hoe kan je stimuleren dat mensen tijdig gaan nadenken over een volgende stap in hun wooncarrière. Dit om te voorkomen dat op een gegeven moment een ‘noodverhuizing’ nodig is, omdat de huidige woning echt niet meer geschikt is; • Een passende woonomgeving: De verbinding tussen de sociale en fysieke omgeving is een forse, integrale opgave. Het gaat om zaken als geschikte looproutes en vervoersmogelijkheden, maar ook om voldoende ontmoetingsmogelijkheden. Deze uitwerking vindt onder andere plaats in het project ‘inclusieve wijk Westergouwe’ en in de ‘Lokale Inclusie Agenda’; • Adequate ondersteuning thuis: Het gaat om het opvangen van het gat tussen het verpleeghuis en zelfstandig wonen en om de afstemming met andere zorgwetten (zie paragraaf 4.5).
Hierbij is ondersteuning voor mantelzorgers en respijtzorg een aandachtspunt.
wordt gedaan binnen het fysieke domein. Zo wordt er in beginsel geen zorggeld gestopt in aangepast bouwen of drempelvrije straten.
Een goede inrichting van de fysieke leefomgeving draagt bij aan de ambitie om inclusief wonen mogelijk te maken. Deze opgave is onderdeel van de omgevings visie, hierin wordt het ambitieniveau vastgesteld, mede in relatie tot andere opgaven die er in het fysieke domein liggen.
De gemeente spant zich in om de fysieke leefomgeving voor mensen met een beperking toegankelijk te maken. Naast de ambities uit de ‘Lokale Inclusie Agenda’ die samen met partijen uit de stad zal worden opgesteld, zal de gemeente onderzoeken in hoeverre instrumenten uit de Omgevingswet benut kunnen worden om toegankelijkheid te bevorderen in Gouda.
De gemeente heeft de ambitie om bij de invulling van het VN-verdrag ‘mensen met een handicap’ ook te onderzoeken in hoeverre instrumenten uit de Omgevingswet actief benut kunnen worden en zal dit vastleggen in de kaders ten behoeve van de Omgevingswet.
Fysieke leefomgeving die meedoen mogelijk maakt De dagelijkse leefomgeving van mensen behelst ook de fysieke leefomgeving. De manier van wonen en de woonruimte; de mate van mobiliteit; toegankelijkheid van de openbare ruimte en gebouwen maken een omgeving inclusief (of niet). Voor sommigen, denk aan ouderen, mensen met dementie en/of mensen met een beperking, is een passende fysieke leefomgeving welhaast een voorwaarde om mee te kunnen doen. De verbinding tussen de sociale en fysieke omgeving is daarbij een flinke, integrale opgave, die niet per se meer geld kost, maar soms wel tot andere oplossingen leidt. Deze krijgt bijvoorbeeld zijn beslag in het project inclusieve wijk Westergouwe.
4.2 INVESTEREN IN PREVENTIE 4.2.1 Wat verstaan we onder preventie Preventie is een term die veel vragen op kan roepen. Vanuit de gedachte dat feitelijk de riolering de beste preventieve maatregel is geweest ter bevordering van de volks gezondheid en je dus heel veel onder preventie kunt scharen, is het in deze nota vooral zaak dat er focus wordt aangebracht. Deze focus vertaalt zich in een aantal opgaves voor de komende jaren. Daarbij is het goed voorafgaand wat houvast te bieden in richtinggevende uitgangspunten.
Naast de sociale kant aan de leefomgeving is er daarbij ook een ruimtelijk-fysieke kant. Om inclusief wonen mogelijk te maken is ook een goede inrichting van de fysieke leefomgeving een belangrijke voorwaarde. De investering voor de fysieke leefomgeving
24
Kwaliteit van leven als uitgangspunt De eerste lijn is het loslaten van de gedachte dat preventie altijd een direct aantoonbare kostenbesparing oplevert. De afgelopen jaren is gebleken dat dit een te enkelvoudige benadering is. Enerzijds omdat het effect van preventieve maatregelen vaak lastig te vertalen is naar aantoonbaar minder kosten op cliëntniveau en het ook om effecten op langere termijn gaat. Daarbij speelt ook het zogenaamde boeggolfeffect, wat inhoudt dat er vroeg bij zijn er in eerste instantie juist toe lijkt te leiden dat de hulpvraag toeneemt. Anderzijds is dat omdat verlaging van de uitgaven een doel op zich lijkt terwijl preventie een intrinsiek doel heeft om problemen op een specifiek levensterrein te voorkomen en te verminderen en kwaliteit van leven te verbeteren. Uitgangspunt voor de inzet op preventie is de ambitie om kwaliteit van leven te verbeteren, in het vertrouwen dat dat uiteindelijk ook tot minder maatschappelijke kosten zal leiden.
bereid door het college binnen de wettelijke eis van twee jaar na openbaarmaking. Binnen deze nota sociaal domein wordt er invulling gegeven aan deze nota. Preventieakkoord In 2018 is op landelijk niveau door meer dan 70 organisaties het Nationaal Preventieakkoord getekend. De VNG is één van de initiatiefnemers van het akkoord. Verschillende betrokken partijen stellen dat een goede gezondheid van belang is voor het participeren in de samenleving en op de arbeidsmarkt. Door uitvoering te geven aan het Preventieakkoord leidt dit uiteindelijk tot een betere gezondheid van inwoners, minder verschillen in gezondheid, een hogere levensverwachting, minder zware zorg, lagere kosten voor burgers, werknemers en werkgevers, een duurzame inzetbaarheid van werknemers en een betere start voor kinderen (zie hieronder over een sluitende preventieve aanpak). Om deze slag in preventie te kunnen maken is onder andere het Preventieakkoord opgesteld. Diverse belangen zijn in dit nationale akkoord gebundeld en een integrale aanpak ligt voor de hand. Er is binnen het akkoord gekozen voor drie thema’s: roken, alcohol en overgewicht. De VNG pleit voor een integrale en samenhangende aanpak van gezondheidsproblemen vanuit de brede en complexe achterliggende problematiek (armoede, schulden etc.). De VNG stimuleert daarom gemeenten om regionaal/lokaal een preventieakkoord te ontwikkelen.
Dit omdat de aanpak vooral plaatsvindt in de lokale situatie, dichtbij de inwoners. In deze nota ligt de basis voor deze samenhangende aanpak in Gouda.
Verbinding met Goudse problematiek Een tweede lijn is dat preventie een containerbegrip is. Het is niet dienend om in abstractie over preventie te praten; de kunst is om het te verbinden met concrete problematiek die in Gouda speelt en die je wilt voorkomen of verminderen. Zoals minder kinderen die in onveiligheid opgroeien, of minder mensen die zich eenzaam voelen. Bij de uitvoering van het beleid wordt gebruik gemaakt van gegevens uit de stadspeiling en GGD-onderzoeken. In de zomer van 2020 komen de resultaten van de ‘Gezondheidsmonitor Jeugd 2019’ beschikbaar en een jaar later die uit de ‘Gezondheidsmonitor Volwassenen’.
Daarnaast biedt de nieuwe Omgevingswet kansen. Hierin is opgenomen dat gemeenten in hun omgevingsvisie en omgevingsplannen moeten bepalen hoe zij invulling geven aan bescherming en bevordering van gezondheid. Het gaat hierbij om de verbinding maken tussen het sociale en fysieke domein (zie opgave Gezonde Wijk).
Wettelijk kader Een derde lijn betreft de wettelijke taken die de lokale overheid heeft en de aanjagende rol die uitgaat van landelijke programma’s. Met name de Wet publieke gezondheid (Wpg) en het Nationaal Preventieakkoord zijn hierin bepalend. Vanuit de Wet publieke gezondheid heeft de gemeente de taak om gezondheidsbeschermende en gezondheidsbevorderde maatregelen te treffen. De Wpg verplicht de raad om een nota gemeentelijk gezondheidsbeleid op te stellen8, binnen twee jaar na openbaarmaking van de landelijke nota gezondheidsbeleid. De voorstellen in voorliggende nota zijn gebaseerd op de eerste concepten van deze rijksnota, die in het tweede kwartaal 2020 gepubliceerd wordt. Indien deze publicatie leidt tot de noodzaak aanvullende besluiten te laten nemen wordt daartoe een voorstel voor-
Algemene en specifieke preventie In de preventieve aanpak binnen het sociaal domein onderscheiden we twee vormen van inzet: enerzijds een preventieve sociale en fysieke leefomgeving voor alle inwoners met basisvoorzieningen zoals buurtontmoetingscentra, sociaal teams en een fysieke omgeving die gezondheid bevordert; en anderzijds gerichte interventies met bewezen effectiviteit met maatschappelijk meetbaar resultaat. 8
25
Zie artikel 13, tweede lid, Wpg.
Preventie in het sociaal domein is in eerste instantie gericht op het bevorderen van de kwaliteit van leven met als mogelijk neveneffect kostenbesparing op de langere termijn voor de gehele samenleving.
een ambitie. Het proberen gebruik te maken van de mogelijkheden die organisatoren van sport- en beweegactiviteiten aanbieden, biedt daarom kansen om ook de kwetsbaren in de samenleving te laten profiteren van de positieve effecten van sport en bewegen. In paragraaf 4.3 is beschreven wat dit voor het sociaal team betekent. In hoofdstuk 5 gaan we in op vernieuwing in de sturingsinstrumenten (o.a. subsidie).
Bij het bepalen van de ambitie en de opgaven in Gouda is het kader voor de invulling van investeringen in preventie: • Preventie heeft als eerste doel: verbeteren van kwaliteit van leven; • De inzet op preventie is verbonden met Goudse problematiek; • We geven invulling aan onze wettelijke taken vanuit de Wpg en de Omgevingswet en bevorderen een integrale aanpak; • We onderscheiden een algemene preventieve inzet en gerichte preventieve interventies.
Gelet op dat waar we in Gouda op voort kunnen bouwen; de wettelijke taken en specifiek de impuls van het Preventieakkoord en de nieuwe Omgevingsvisie en de Goudse problematiek focussen we op drie nieuwe opgaven: • Sluitende preventieve aanpak voor kinderen en jongeren; • Een integrale aanpak Gezonde Wijk; • Inzet op gerichte preventieve interventies. Sluitende preventieve aanpak gericht op kinderen en jongeren Levenservaringen zijn ingrijpend en kunnen veel impact hebben op het latere (volwassen) leven. Voor kinderen is het extra van belang hier oog voor te hebben en op te investeren. Bij kinderen en jongeren gaat het erom waar mogelijk de randvoorwaarden te creëren voor een leven waarin zij zich veilig weten, gezond opgroeien en de kans krijgen zich te ontwikkelen. Onderzoek toont aan dat voor kinderen met een goede start in het leven de kans op problemen later kleiner is, of dat deze problemen gemakkelijker het hoofd te bieden zijn. Door kinderen een goede start te geven kan de cirkel van armoede worden doorbroken en intergenerationele overdracht beperkt. Behalve dat we de Goudse kinderen een kans bieden op betere kwaliteit van leven is het daarmee op de langere termijn ook een kostenbesparing.
Zo is uit onderzoek bekend dat ingrijpende levenservaringen als mishandeling, scheiding en verslaving van ouders, afgekort: ACE’s9 (Adversed Childhood Experiences), een enorme impact hebben op de ontwikkeling van kinderen en hun latere leven als volwassenen. Problemen als obesitas, verslaving, gedragsproblemen, gewelddadig gedrag en hartziekten zijn het gevolg, met het risico op overdracht van generatie op generatie. Preventie op ACE’s is dus preventie op het gebied van gezondheid en sociaal-emotioneel welbevinden van inwoners op de lange termijn.
4.2.2 Ambitie: wat willen we bereiken Voor inwoners van Gouda is er een preventieve omgeving die hun gezondheid beschermt en bevordert en bijdraagt aan hun vermogen om te participeren en regie op hun leven te hebben. Kinderen zijn extra beschermd, zodat zij gezond en veilig kunnen opgroeien en zich kunnen ontplooien.
4.2.3 Opgaven: wat gaan we daarvoor doen Op onderdelen is de preventieve omgeving in Gouda al aanwezig. We hebben een stelsel van buurtontmoetingscentra, huiskamers en huizen van de buurt en de sociaal teams zijn in Gouda inmiddels een vaste waarde. Deze gemeentelijke gesubsidieerde voorzieningen werken preventief en dragen bij aan vroegsignalering van problematiek. Zij staan dichtbij de inwoner. Wat hier nodig is, is doorontwikkeling door nog meer dan nu verbinding te maken met de behoeften van inwoners in de wijk en samenwerking met de bestaande lokale partners en vrijwilligers(organisaties). Daarbij erkennen we de relatie met de fysieke leefomgeving. Ook de preventieve werking van sport is onderkend. In het in 2019 door gemeente en tientallen lokale organisaties opgestelde Gouds Sportakkoord is een van de pijlers ‘Meedoen in Gouda’. De versterking van de verbinding sport, zorg, onderwijs en welzijn is daarin
9
26
Bron: Vincent Felitti, The ACE Study.
Een integrale aanpak Gezonde Wijk Zoals benoemd is het goed om de verbinding te maken tussen het sociaal en fysiek domein. Met de komst van de omgevingswet worden deze verbindingen versterkt. Een belangrijke waarde in de fysieke leefomgeving van inwoners is hun mentale en fysieke gezondheid. Op tal van manieren kan de omgeving waarin mensen wonen hun gezondheid faciliteren, bevorderen of beschermen. Bekend is bijvoorbeeld dat een groene omgeving de psychische gezondheid bevordert, dat speelgelegenheden de mobiliteit en lichamelijke ontwikkeling van kinderen bevordert, dat meer fietsen en minder autorijden bijdraagt aan een gezonde leefwijze en dat nabijheid en bereikbaarheid van voorzieningen ouderen uitnodigt de deur uit te gaan. Kortom er liggen volop kansen om gezondheid in de fysieke leefomgeving te verbinden met de sociale factoren. In samenhang met de omgevingsvisie zullen we werken aan een gezonde en leefbare wijk. We ontwikkelen een ‘integrale aanpak gezonde wijk’ waarbij het doel is om concrete gezondheidswinst te boeken. Op basis van gezondheidsgegevens zullen we hiervoor om te beginnen één specifieke wijk aanwijzen, om capaciteit en middelen gericht in te zetten op daar waar we het meeste effect verwachten.
Bij het aanwijzen van een wijk wordt onder andere rekening gehouden met de volgende factoren: lage sociale economische status, overgewicht, groen in de wijk en sport/bewegingsmogelijkheden. Primaire inzet is daarbij om de huidige middelen beter te richten en op basis daarvan de doelen te bepalen. Indien er een afweging op zijn plaats is tussen doelstellingen en beschikbare middelen zal dit worden voorgelegd. Bij de uitwerking zal de doelstelling ‘concrete gezondheidswinst’ meetbaar worden gemaakt.
Een specifiek onderzoek door het NJI over kinderen die opgroeien in armoede laat zien dat de focus op voorkomen van schooluitval een preventief effect heeft en kinderen de kans geeft om uit de armoede te komen. Bij jongeren vinden we het van belang dat er aandacht is voor het voorkomen van schulden. Door bestaande inspanningen te toetsen op effect en doelgroep kunnen we die beter op elkaar laten aansluiten. Zo creëren we ruimte voor bestaande of nieuwe initiatieven waar (meer) behoefte aan is die samen tot een uitbreiding aan ontwikkelmogelijkheden leiden voor de jeugd. Een sluitende aanpak betekent meer samenhang, betere samenwerking en gerichte inzet in de activiteiten gericht op ontwikkeling van kinderen en jongeren, met een heldere koers en steviger sturing. Activiteiten en middelen die in de sluitende aanpak worden opgenomen zijn o.a.: • (Landelijk) programma Kansrijke Start (eerste duizend dagen); • Kinderen in armoede, waaronder het kindpakket en huiswerkbegeleiding voor kinderen; • Schuldpreventie; • Preventieve ondersteuningsstructuur op school en in de wijk (inzet van Brede School, en de Jeugdgezondheidszorg 0-19 jaar); • Gelijke Kansen alliantie; • Programma Gouda Goed Bezig (kinderen op gezond gewicht); • Geweld hoort nergens thuis; • Goede aansluiting van jeugdhulp op school.
Daarbij wordt de aansluiting gelegd met het beleid rond voor- en vroegschoolse educatie. Dit beleid richt zich op het voorkomen van onderwijsachterstanden bij kinderen. De middelen hiervoor vallen onder programma 1.
Een integrale aanpak gezonde wijk te ontwikkelen in samenhang met de Omgevingsvisie, waarbij het doel is om concrete gezondheidswinst te behalen.
Gouda ontwikkelt een sluitende preventieve aanpak met een heldere koers en stevige sturing. De aanpak richt zich op kinderen en jongeren met als aandachtspunten een kansrijke start, veilig en gezond opgroeien en kunnen meedoen.
Inzet op gerichte preventieve interventies Naast de focus op een sluitende preventieve inzet op kinderen en jongeren en de gezonde wijk, is er de komende jaren handelingsruimte nodig om specifiek in te k unnen zetten op in Gouda ervaren problemen, waar een gerichte aanpak voor nodig wordt geacht. Op basis van de gezondheidsgegevens van de GGD, de lokale cijfers van gebruik van hulp en ondersteuning en landelijke programma’s en gesprekken in de stad
27
4.3 INTEGRALE BENADERING
zullen hier keuzes gemaakt worden. Gezien de schaarste aan middelen (preventiebudget en capaciteit) zal de keuze van de onderwerpen bepaald worden door (een combinatie van) de factor maatschappelijke relevantie en de beschikbaarheid van effectieve interventies. Voornemen is om in ieder geval tot voorstellen te komen op de thema’s eenzaamheid en schadelijk middelengebruik. Het college zal bij de besluitvorming gebruik maken van actuele onderzoeksgegevens van de GGD. Deze komen in de zomer van 2020 beschikbaar voor jeugd en in 2021 voor volwassenen.
4.3.1 Wat verstaan we onder integrale benadering In de eerste jaren na de decentralisaties heeft de gemeente gewerkt aan het organiseren van de nieuwe taken en het op orde krijgen van de uitvoering. De afgelopen jaren is veel geleerd over wat er wel en niet werkt bij de uitvoering van deze taken. Zo zijn de sociaal teams voor Wmo en Jeugd samengevoegd tot een sociaal team 0-100+. Ook is er - na een pilot periode - een integraal team bij de gemeente opgezet voor multi problematiek en is er een inhoudelijke toets bij de gemeente op de jeugdhulpaanvragen ingevoerd.
Wat doen we al: voorbeeld Gouda Goed Bezig In Gouda loopt al enkele jaren het programma Gouda Goed Bezig dat zich richt op een toename van kinderen met een gezond gewicht. Sportpunt Gouda is hier de spin in het web die met een brede aanpak probeert kinderen aan te zetten tot meer bewegen en gezond eten. De ervaringen in de samenwerking met het ziekenhuis, de GGD, de (brede) school, de sociaal teams e.a. zijn een inspiratie voor de sluitende aanpak die we voorstaan.
Op basis van de opgedane ervaringen blijkt dat de gemeente nog meer dan al gedaan wordt samenhang kan brengen in de aanpak en het aanbod van de verschillende gemeentelijke diensten en kan werken vanuit het perspectief van de cliënt. De belangrijkste inzichten van afgelopen jaren zijn: • De gemeentelijke toegang is zeer versnipperd georganiseerd vanuit de verschillende afdelingen. Er zijn verschillen in openingstijden, in afspraken over bereikbaarheid en in werkwijzen; • Investeren in opleiding en ontwikkeling is essentieel om de dienstverlening te verbeteren; • Een integrale, levensbrede benadering levert winst op voor de cliënt (betere maatwerkoplossing) en is kostenbesparend; • De dubbelle positie van het sociaal team (onderdeel jeugd) als hulpverlener en toegangsverlener is ingewikkeld voor de medewerker en de cliënt en is niet efficiënt; • De huidige situatie in de Wmo, waar de toegang tot maatwerk al vanaf de start in 2015 is belegd bij de gemeente en het sociaal team de basishulp verleent, werkt goed; • De onafhankelijke cliëntondersteuning is gebaat bij sociaal teams die onafhankelijk zijn en geen toegang tot maatwerk verlenen; • De rechtspositie van de cliënt en de werking van de verordening Jeugdhulp en Wmo is gebaat bij afhandeling door de gemeente.
Wat doen we al: voorbeeld Scheiden Zonder Schade Ook in onze gemeente zien we een toename van complexe scheidingen waarbij de scheiding ontaardt in een soms jarenlange juridische strijd, waarbij steeds vaker jeugdbescherming betrokken is. De regio Midden-Holland is aangesloten bij het regiolab Haaglanden vanuit het landelijk programma Scheiden zonder Schade. Doelstelling van het programma is om de schade voor kinderen die betrokken zijn bij een echtscheiding zoveel mogelijk te beperken. Onder andere door ouders die gaan scheiden en hun kinderen tijdig te voorzien van goede informatie en, daar waar nodig, ondersteuning. Daarnaast wordt in samenwerking met de rechtbank bekeken hoe zorg en recht beter op elkaar afgestemd kunnen worden en worden de juridische procedures bij de rechtbank verkort. Hierdoor proberen we te voorkomen dat problemen escaleren.
Onder een integrale benadering verstaan we een benadering waarbij er samenhang is in de aanpak en het aanbod van de ondersteuning aan een cliënt. Dat we denken vanuit
28
het perspectief van de cliënt en aandacht hebben voor alle aandachtspunten die voor de cliënt van belang zijn. Aanscherping is nodig om deze integrale benadering te realiseren. Dat gaat om: • Het realiseren van een eenduidige en integrale toegang in de taken die nu lokaal worden uitgevoerd door de gemeentelijke uitvoeringsorganisatie en het sociaal team; • Toewerken naar een integraal afgestemd aanbod van ondersteuning (wat bieden we); • Meer eenduidigheid in hoe we onze inwoners/cliënten willen benaderen.
Het doel is dat inwoners de ondersteuning krijgen die past bij de soms complexe problemen op diverse levensterreinen en daarbij streven we ernaar dat de dienstverlening naast efficiënt ook snel en toegankelijk is, zodat mensen niet het gevoel hebben dat zij in een woud aan (soms tegenstrijdige) regels zijn beland, waardoor zij door de bomen het bos niet meer zien.
4.3.2 Ambitie: wat willen we bereiken
Naast het belang van de inwoners ziet de gemeente met de toegenomen verantwoordelijkheid en financiële schaarste de noodzaak om breder te kijken naar de meest effectieve ondersteuningsinterventies, zodat we bijvoorbeeld niet binnen één wet een voorziening afwijzen, die later binnen een ander wettelijk kader tot extra kosten leidt.
De gemeentelijke toegang en dienstverlening in het sociaal domein sluit – binnen de gegeven kaders - optimaal aan bij de persoonlijke situatie en mogelijkheden van de Goudse inwoner met een ondersteuningsvraag. In de gemeentelijke toegang staat de ondersteuningsvraag van de inwoners centraal en wordt eerst gekeken wat er nodig is en pas daarna hoe dat onder welke wet gerealiseerd kan worden. Rechtvaardig, creatief en met een positieve bejegening.
De toegang tot maatwerkvoorzieningen is het instrument om inwoners meer perspectief te bieden, en ook één van de mechanismes om binnen de onder druk staande budgetten te blijven. Scherpte op de afbakening naar andere wetten is hierbij van belang, waarbij de juiste ondersteuning bij de juiste persoon terecht komt. Bij deze ambities passende huidige versnipperde toegang en organisatorische inrichting van uitvoerende afdelingen rondom wettelijke taken niet meer.
De mogelijkheden die de gemeente biedt in de vorm van ondersteuning is zoveel mogelijk afgestemd over de verschillende wetten heen, waarbij er aandacht is om hiaten, dubbelingen of tegenstrijdigheden in de criteria te voorkomen. Er is een eenduidige visie op cliëntbenadering die toepasbaar is in de uitvoeringspraktijk, waarbij de gemeente actief leert van de inbreng van cliënten, rolmodellen en ervaringsdeskundigen.
Hoe gaan we dat realiseren Eén toegang betekent eenduidigheid in de te gebruiken kanalen voor de inwoner om de gemeente te benaderen en een eenduidige dienstverlening. Het staat de inwoner vrij te kiezen op welke manier hij de gemeente benadert. Daarbij wordt gestuurd op het voorkomen van het dubbel uitvragen van informatie. De toegang sluit aan bij de gemeentebrede dienstverlening in de frontoffice rekening houdend met de dynamiek en complexiteit van het sociaal domein. De uitvoerende afdelingen in het sociaal domein worden vanaf 2021 op grond van een combinatie van levensfasen en leeftijd van de inwoners vormgegeven. Hierbij staat de wet niet centraal, maar de levensfase en situatie waarin de inwoner zich bevindt. Het gaat niet alleen om het herinrichten van de organisatie. De benodigde aanpak is breder en gaat over eenduidige dienstverlening, inrichting van werkprocessen en ICT zodat deze faciliterend zijn, samenwerking over afdelingen heen plus ontwikkeling en opleiding van medewerkers. Goed opgeleide en gemotiveerde medewerkers in de uitvoering maken het verschil.
4.3.3 Opgaven: wat gaan we daarvoor doen Herinrichten gemeentelijke toegang en uitvoering Met ingang van 2021 komt er voor de inwoners van Gouda één toegang voor alle gemeentelijke ondersteuning op grond van de Wmo, Jeugdwet, Participatiewet en Wet gemeentelijke Schuldhulpverlening. De toegang tot voorzieningen vanuit de Jeugdwet door directe verwijzers zoals vastgelegd in de wet blijft uiteraard ook bestaan.
29
De integrale benadering is hierbij de basis. We maken enkelvoudige vragen echter niet complex. We zoeken naar een juiste balans tussen een integrale (meer generalistische blik) en de vakinhoudelijke expertise die binnen de gemeentelijke uitvoering worden geborgd. Deze wijze van organiseren sluit het beste aan bij het perspectief van de inwoner. Dit stimuleert integraal denken en werken en stimuleert de samenwerking over de wetten in het sociaal domein heen. Waar nodig pakt de gemeente de regie om in afstemming met andere organisaties tot de beste oplossing te komen voor Goudse inwoners. Inwoners hebben immers niet alleen te maken met gemeentelijke wet- en regelgeving in het sociaal domein. Met name bij meervoudige problematiek zijn ook andere instanties betrokken en wettelijke kaders van toepassing. Dit kan voor inwoners complex zijn. Er zal dan ook aandacht zijn voor de overgangen tussen wettelijke kaders en de samenwerking met de andere instanties (zorgkantoor, zorgverzekeraar, UWV).
De gemeentelijke toegang tot maatwerkvoorzieningen voor het sociaal domein wordt zoveel mogelijk in de gemeentelijke organisatie belegd waardoor snelheid en integraliteit wordt bevorderd.
Focus op basishulp bij het sociaal team Met het wegvallen van de toegangsfunctie en de zorgcoördinatie kan het sociaal team zich richten op het verlenen van basishulp: laagdrempelige hulp en ondersteuning aan inwoners, juist ook voor inwoners met een beperkte zelfredzaamheid. Doel is de zelfredzaamheid en participatie van inwoners te vergroten en jeugdigen te ondersteunen bij het gezond en veilig opgroeien. Vanaf 2021 behouden we de gebiedsgerichte aanpak van het sociaal team in de drie gebieden, evenals het werken met goed geschoolde T-shaped sociaal werkers11. De benaderingswijze om bij elke hulpvraag ook op zoek te gaan naar de kracht en kwaliteiten van inwoners en oplossingen te zoeken in het sociaal netwerk, de wijk en andere laagdrempelige voorzieningen wordt nog meer gemeengoed. De verbinding met het vrijwillig kader en de wijk biedt namelijk nog veel onbenutte mogelijkheden. De sociaal makelaars in het team zijn hier een belangrijke kracht gebleken die de gemeente graag behoudt om kansen verder te benutten.
De gemeente ziet dat het sociaal team nog effectiever kan opereren als zij focust op: het ontwikkelen van een collectief aanbod op basis van individuele hulpvragen, het verstevigen en profileren van de basishulp voor jeugdigen en gezinnen en het verstevigen van de samenwerking in de wijk met andere laagdrempelige voorzieningen; vrijwilligersorganisaties, scholen en huisartsen.
De huidige werkwijze waarbij een deel van het budget gebruikt wordt voor ‘ontschotte’ oplossingen op maat wordt gecontinueerd. In de praktijk wordt dit budget ingezet voor eenvoudige oplossingen, waarbij een doorbraak of snel resultaat gewenst is.
Bij de gemeentelijke toegang tot ondersteuning in het sociaal domein is een integrale benadering de basis. We maken enkelvoudige aanvragen niet complex.
Positionering sociaal team en toegang tot maatwerkvoorzieningen Met de ambitie om voor de inwoners van Gouda één toegang tot maatwerkvoorzieningen10 te organiseren, verandert de positionering van het sociaal team. Het huidige hybride model met een combinatie van enerzijds het bieden van (kortdurende) laagdrempelige hulpverlening en anderzijds een gemandateerde toegangsfunctie voor de jeugdhulp is tegenstrijdig met de wens om tot een echt integrale toegang bij de gemeente te komen. De toegang tot maatwerkvoorzieningen verloopt vanaf 2021 via de integrale gemeentelijke uitvoeringsorganisatie. Daarmee vergroten we de mogelijkheden voor een passende maatwerkoplossing bij meervoudige (complexe) problematiek en is voor de inwoner een eenduidige toegang geregeld.
Voor de leesbaarheid wordt hier de term ‘maatwerkvoorzieningen’ gebruikt. In de verschillende wetten worden hiervoor echter verschillende termen gebruikt. Gedoeld wordt op de voorzieningen waarvoor een beschikking van de gemeente nodig is en dus een individuele toets plaats vindt. 11 Een T-shaped professional werkt als generalist met algemene competenties van de sociaal werker richting de inwoner (horizontale balk van de T) en heeft binnen het team specialistische kennis (bijvoorbeeld psychische kwetsbaarheid of inkomensvraagstukken) waar teamleden een beroep op kunnen doen (verticale balk van de T). 10
30
Vanaf 2021 zien we het bieden van laagdrempelige hulp en ondersteuning aan inwoners als kerntaak van het sociaal team.
zorgaanbieders en vanaf 1 januari 2021 het zorg- en veiligheidshuis. Er zal dan ook worden gewerkt aan samenwerkingsafspraken tussen de gemeentelijke uitvoeringsorganisatie, de sociaal teams, en de intensieve zorg die veelal (boven)regionaal georganiseerd is.
Vormgeving onafhankelijke cliëntondersteuning Vormgeving onafhankelijke cliëntondersteuning De onafhankelijke cliëntondersteuning (OCO) in het sociaal team is de afgelopen jaren onderwerp van gesprek geweest. Net als elders in het land is er de worsteling met het al dan niet onafhankelijk zijn. In Gouda is daarom het initiatief genomen om via de zgn. “koploperaanpak” met ondersteuning van Movisie tot een passende invulling van de cliëntondersteuning te komen. De resultaten van deze koploperaanpak zijn betrokken bij de keuzes. Gezien ook de ervaringen van de afgelopen jaren en ervan uitgaande dat de integrale toegang tot maatwerk volledig bij de gemeente is belegd, kiezen we voor een koers langs vier lijnen: • De wettelijke taak onafhankelijke cliëntondersteuning is een herkenbaar te onderscheiden onderdeel van de sociaal teams; • Vanuit deze taak zorgt het sociaal team voor afstemming en samenwerking met de brede samenstelling van cliëntondersteuners (formele en informeel) in de Goudse samenleving.
De cliëntondersteuners maken gebruik van elkaars expertise en zijn samen verantwoordelijk voor het uitvoeren van een kwalitatief goede cliëntondersteuning; • Voor inwoners is zichtbaar waar zij hun onafhankelijke cliëntondersteuning kunnen vinden en wat zij daarvan mogen verwachten; • Er is een platform van cliëntondersteuners waar op basis van praktijkervaringen uit het veld algemene signalen en knelpunten worden teruggekoppeld met suggesties ter verbetering om zo de ondersteuning van individuele cliënten te verbeteren.
Oog voor de mantelzorger Gemeenten hebben de wettelijke taak om mantelzorgers te ondersteunen en een jaarlijkse blijk van waardering te geven. In de periode 2020-2023 willen we de positie van mantelzorgers verder verbeteren. Daarom zetten we in op wat goed werkt: • Informatie en advies voor mantelzorgers; • Individuele ondersteuning voor mantelzorgers via de sociaal teams; • Praktische ondersteuning bestaande uit in ieder geval hulp bij het huishouden; • Waardering van mantelzorgers via een jaarlijkse blijk van waardering en met bijeenkomsten; • Erkenning, waardering en ondersteuning van jeugdige mantelzorgers; • Beschikbaarheid van respijtzorg (zoals logeerzorg); • Inloop in de buurt (niet alleen voor mantelzorgers); • Informele ondersteuning (via het netwerk of vrijwilligers). Om de positie van mantelzorgers verder te verbeteren, krijgt de mantelzorgondersteuning op verschillende plekken de aandacht. Het is daarbij goed om te benoemen dat uit de ervaringen van de afgelopen jaren blijkt dat er veel verschillende mantelzorgers zijn met verschillende wensen en behoeften. Sommigen ervaren voldoende steun vanuit hun eigen netwerk en doen geen beroep op de overheid. Voor wie wel ondersteuning nodig heeft zijn er verschillende aanpakken en ondersteuningsmogelijkheden nodig.
In 20202023 gaan we de positie van mantelzorgers verbeteren in de sociaal teams, door alertheid in de eigen gemeentelijke uitvoeringsorganisatie, en in onze rol als opdrachtgever bij de inkoop van Wmo/jeugd. En tot slot blijft het verbeteren van de mogelijkheden van respijtzorg voor de groep mantelzorgers die daar buiten het eigen informele netwerk behoefte aan heeft, op de agenda staan. Hierbij is tevens de afstemming tussen de zorgwetten (Wlz, Zvw, Wmo en Jeugdwet) van belang.
Oog houden voor inwoners die de toegang niet zelf vinden Sommige inwoners die hulp nodig hebben, vinden niet vanzelf de toegang. Zij mijden zorg actief, of hebben geen idee dat ze ergens ondersteuning kunnen krijgen, of komen via een andere route binnen. Voor kwetsbare inwoners zoals zorgmijders, dak- en thuislozen, statushouders, gedetineerden of inwoners die te maken hebben met forensische zorg is het cruciaal dat er goede samenwerking is tussen gemeente met zowel het sociaal team als de zorg en ondersteuning voor complexere problematiek zoals bijvoorbeeld ondergebracht bij
Integraal gemeentelijk ondersteuningsaanbod Een integrale toegang is een begin. Zoals hiervoor aangegeven zetten we in op het creëren van een gemeentelijke toegang voor alle maatwerkvoorzieningen. Daarnaast is
31
Cliëntbenadering
ook de inhoudelijke afstemming van het ondersteuningsaanbod over de wetten heen van belang. Daarbij is de opgave om het goede te behouden, maar te bezien in hoeverre er sprake is van hiaten, dubbelingen of tegenstrijdigheden. Dat kan gaan over de ondersteuning zelf, of over de voorwaarden die gehanteerd worden. Deze voorwaarden zijn vaak vastgelegd in wetten, verordeningen en regelingen. Voor de Wmo en Jeugdwet zijn die op een ander detailniveau vastgelegd in de wet dan op het gebied van werk, inkomen en schuldhulpverlening. Dat maakt dat afstemming niet een eenvoudige klus zal zijn. Overigens is in de proeftuin integrale toegang geconcludeerd dat de huidige wet- en regelgeving meestal geen belemmering vormt om tot oplossingen te komen.
Hoe benaderen we cliënten Naast de wijze van organisatie is het – zeker in het sociaal domein – van belang hoe de inwoner met een vraag wordt benaderd door de organisatie en hoe verschillende inhoudelijke afwegingen worden gemaakt bij de invulling van de ondersteuning. De integrale benadering is de basis; ofwel: we gaan naast de inwoner staan, houden het perspectief van de inwoner als uitgangspunt en zoeken (samen met de inwoner en zijn netwerk) naar een samenhangende oplossing op alle vraagstukken waar de inwoner mee te maken heeft.
Tegelijk blijkt wel dat de juridische kaders en met name de toepassing ervan niet altijd optimaal op elkaar aansluiten en soms tegenstrijdigheden bevatten. Zo worden bijvoorbeeld voor verhuiskosten in de verschillende regelingen verschillende vergoedingen gehanteerd. Als daar een inhoudelijke argumentatie voor is, dan is dat uitlegbaar. Op deze manier is echter nog niet naar de regelingen gekeken. Om de integrale toegang beter te ondersteunen, en het voor inwoners, hulpverleners én medewerkers uit de toegang eenvoudiger te maken om ook integraal onze inwoners te benaderen is het van belang dat er een goed afgestemd, eenduidig aanbod aan ondersteuning beschikbaar is: los van op grond van welke wet, verordening of beleidsregel. Daar waar het nodig is om juridische kaders aan te passen, zal het college hier actie op ondernemen. Van groot belang is om hier ook juist de ervaringen vanuit de uitvoering bij te betrekken. Ook zal hier de overweging zijn: gaan we zaken in een regeling of verordening vastleggen of valt dit onder de invulling van maatwerk.
En hoe interpreteren we onze ruimte in landelijke of lokale uitzonderingsbepalingen en hoe passen we dat toe in de uitvoering? Met het oog op de impact van de omvorming van de gemeentelijke uitvoeringsorganisatie en het belang van het betrekken van de uitvoering zal de totstandkoming van een integraal ondersteuningsaanbod gefaseerd opgepakt worden gedurende de looptijd van deze nota.
Naast de inwoner staan We kiezen er voor om onze cliënten te benaderen op basis van gelijkwaardigheid, passend bij wat de inwoner nodig heeft. We staan daardoor niet met de blik vanuit de wet en regelgeving tegenover de inwoner, maar naast de inwoner en bekijken samen hoe we tot een oplossing kunnen komen, waarbij we actief gebruik maken van de krachten en het netwerk van de inwoner. Bij het inschatten van de zelfredzaamheid van de inwoner maken we gebruik van recente inzichten uit de gedragspsychologie zoals uitgewerkt in het WRR rapport12: ‘weten is nog geen doen’. We hebben zowel aandacht voor informatie en kennis (‘denkvermogen’) als ook vermogen om de kennis toe te passen en tot actie over te gaan (‘doenvermogen’). We zijn alert op het onderscheiden van niet weten, niet kunnen en niet willen en houden hier rekening mee bij de te kiezen oplossingsrichting. Daarbij hebben we oog voor de vraag in hoeverre inwoners en hun netwerk in staat zijn om zelf regie te voeren en hun mogelijkheden te benutten.
De gemeente streeft naar een integraal ondersteuningsaanbod in het sociaal domein.
WRR ‘Weten is nog geen doen. Een realistisch perspectief op redzaamheid’ (2017).
12
32
VERMOG
een plan maken
Ten behoeve van de ondersteuning van de beweging naar een integrale uitvoeringsorganisatie zullen inhoudelijke uitgangspunten worden vertaald in een handelingsperspectief.
met tegenslag omgaan volhouden
N
NK DE
in actie komen
VERMOG EN E
informatie verzamelen en wegen
Inhoudelijke afwegingen Een meer integrale blik op de invulling van de ondersteuning vergt ook een weging van verschillende elementen. Deze vragen om inhoudelijke uitgangspunten, waarbij gedacht kan worden aan: • Bestaanszekerheid is een voorwaarde om te kunnen ontwikkelen (aandacht voor o.a. voorkomen huisuitzettingen, voldoende geld om de maand door te komen, terugbrengen van de druk die schulden met zich meebrengt, veiligheid). • Werk en actief participeren in de samenleving draagt stevig bij aan het welzijn en de gezondheid van inwoners. We schrijven mensen niet af, maar kijken naar de mogelijkheden die er nu zijn. Daarom biedt de gemeente een passend ondersteuningsaanbod en blijft gericht op de toekomst. • We hebben oog voor rechtmatige uitvoering van de wettelijke taken.
DO
EN
WRR: weten is nog geen doen De hedendaagse samenleving stelt hoge eisen aan de redzaamheid van burgers. Op cruciale onderdelen van het leven wordt van burgers veel alertheid gevraagd. Kennis en intelligentie (denkvermogen) alleen zijn niet genoeg voor redzaamheid. Ook mensen met een goede opleiding en een goed inkomen kunnen in moeilijkheden komen. Dat is niet omdat hun intelligentie of kennis tekortschiet, maar omdat er een beroep wordt gedaan op allerlei andere vermogens, zoals het vermogen om in actie te komen, om het hoofd voldoende koel te houden, en om vast te houden aan goede voornemens (doenvermogen). Dat geldt zeker op momenten dat het leven tegenzit, zoals bij een echtscheiding, faillissement of ontslag.