CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Toelichting en regels bestemmingsplan PWA Kazerne NL.IMRO.0513.PWA-DF01

Raadsvergadering 12 juni 2024, gemeente GoudaBij agendapunt: Bestemmingsplan Prins Willem-Alexander Kazerne26.526 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Gevarieerde en inclusieve wijken realiseren door het bieden van een gevarieerde woningvoorraad en aandacht voor contact tussen verschillende groepen, met speciale aandacht voor mensen die minder mobiel zijn. Verduurzamen 1. Uitvoering geven aan de Transitievisie Warmte samen met onder andere woningcorporaties, netbeheerders en bewoners. 2. Het verduurzamen van de woningen te stimuleren door voorlichting en campagnes (maak Gouda Duurzaam). 3. Kwaliteit van de woningen verbeteren (wooncomfort, veiligheid, voorkomen vocht en brand etc).

26

bestemmingsplan PWA Kazerne, Gouda Wonen voor iedereen 1. Vergroten van de mogelijkheden voor huisvesting voor jongeren, door nieuwbouw, continueren van startersleningen en onderzoek mogelijkheden in de bestaande bouw. 2. Doorstroming op de woningmarkt bevorderen. 3. De slaagkans van verschillende groepen onderzoeken en indien nodig bij te sturen in de woningtoewijzing. 4. Zorgen voor uitbreiden van standplaatsen voor woonwagenbewoners. 5. Stimuleren alternatieve woonvormen. Weer en langer thuis 1. Stimuleren van langer thuis wonen (bijvoorbeeld door levensloop bestendig bouwen en aanpassingen woningen). 2. Passende huisvesting bieden voor bijzondere doelgroepen (bijvoorbeeld Housing first en Gouwe Huse). 3. Voorkomen dakloosheid en huisuitzettingen. 4. Versterken samenwerking tussen gemeente, woningcorporaties, zorgkantoor en zorgaanbieders. 5. Realisatie van geclusterde woonvormen voor verschillende groepen. 3.3.2.1 Toetsing aan 'Woon(zorg)visie 2030' Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van een woningbouwontwikkeling in bestaand stedelijk gebied, bestaande uit 222 woningen. In het plan zijn verschillende woningtypologieën opgenomen in verschillende prijsklassen (sociale huur, middenhuur en koop) met verschillende woninggroottes. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de realisatie van voldoende woningen en woningdifferentiatie.

De verdeling van het woningbouwprogramma is conform het gemeentelijke woonbeleid ten tijde van de initiële planvormingsfase / het ondertekenen van de eerste overeenkomsten met de gemeente. Toen was de eis dat 10% middenhuur werd gerealiseerd, inmiddels is dat 20%. Het plan wijkt daarmee iets af van de verdeling in de woon(zorg)visie. Het plan voldoet aan de minimale eis van 10% middenhuur conform de Verordening Middenhuur Gouda. Een deel van de sociale huurwoningen kunnen bovendien uit woningen waar zorg ontvangen kan worden bestaan. In het ontwerp is rekening gehouden met de mogelijkheid van bewoning door mindervaliden en het verlenen van zorg. Hiermee kan een bijdrage worden geleverd aan het stimuleren van langer thuis wonen en om aan te sluiten op diverse doelgroepen. Gezien het bovengenoemde en de beschrijving van het planvoornemen in paragraaf 2.2 kan geconcludeerd worden dat voorliggend woningbouwinitiatief zowel vanuit kwantitatief als kwalitatief oogpunt past binnen het gemeentelijke woonbeleid zoals verwoord in de 'Woon(zorg)visie 2030'. 3.3.3

Structuurvisie Groen

Op 6 maart 2019 heeft de gemeenteraad van Gouda de Structuurvisie Groen vastgesteld, als uitwerking van de notitie ‘Groen, groener, Gouda’. Gouda vindt het belangrijk dat er in het algemeen voldoende groen in de stad beschikbaar is. Uitgangspunt is dat bouwende partijen het aanwezige groen behouden en ook nieuw groen aanleggen. Indien een projectontwikkelaar aanwezig groen niet behoudt of onvoldoende nieuw groen aanlegt, moet er financieel gecompenseerd worden door storting van een bijdrage in het Groenfonds. Met de financiën uit dit fonds kan op een andere plek alsnog openbaar groen worden aangelegd. Om het stellen van randvoorwaarden bij planontwikkelingen mogelijk te maken, is een basis nodig in de vorm van een structuurvisie, die hier tevens in beleidsregels is uitgewerkt. De structuurvisie richt zich in hoofdzaak op openbaar gebied en niet op particuliere tuinen. De Structuurvisie Groen bestaat uit vijf beleidsregels, welke van toepassing zijn op planontwikkelingen met de activiteit bouwen waarbij de bouwsom minimaal €100.000 bedraagt per plan. Het gaat om de volgende beleidsregels: 1. Beleidsregel 1: De oppervlakte bestaand openbaar groen en water, en het aantal bestaande bomen worden ten minste behouden; 2. Beleidsregel 2: Bij planontwikkelingen dient een oppervlakte ter grootte van ten minste 15% van het totale projectgebied openbaar groen te worden; 3.

Beleidsregel 3: Als het niet haalbaar blijkt om binnen het projectgebied de vereiste 15% openbaar groen te ontwikkelen, dan is het mogelijk:

27

bestemmingsplan PWA Kazerne, Gouda a. binnen het projectgebied compenserende maatregelen te treffen tot maximaal 50% van de opgave voor openbaar groen; b. de opgave voor openbaar groen te realiseren op andere locaties in dezelfde wijk als waarin het projectgebied ligt. Het te realiseren openbaar groen buiten het projectgebied dient binnen een jaar na oplevering van het projectgebied te zijn aangelegd. 4. Beleidsregel 4: Voor iedere niet gerealiseerde of gecompenseerde vierkante meter openbaar groen is een compensatiebijdrage aan de gemeente verschuldigd van € 250 per m 2 (prijspeil 2019). Het bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd volgens de Grond-, weg- en waterbouwindex uit het Meerjarenperspectief Grondexploitaties; 5. Beleidsregel 5: Het college heeft de bevoegdheid te besluiten tot ontheffing of afwijking van de beleidsregels 2, 3 en 4, indien toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. 3.3.3.1 Toetsing aan 'Structuurvisie Groen' Het plan benadrukt hergebruik als kernstrategie, waardoor fysieke grondverstoring tot een minimum wordt beperkt. Het ontwerp minimaliseert overkragende bouwstructuren, zoals parkeerdekken, en legt de nadruk op volle grondkwaliteit. Dit resulteert in de onderstaande overzichtstekening van het ruimtegebruik. Hieruit blijkt dat het groen een oppervlakte heeft van 3.686 m 2.

Geconcludeerd kan worden dat ruim meer dan 15% van het oppervlak openbaar groen wordt. Ten opzichte van de bestaande situatie ontstaat er bovendien meer groen. Daarmee wordt aan de beleidsregels voldaan.

Figuur 3.2: Ruimtegebruik landschap (bron: PWA Gouda BV, d.d. 01-10-2023) 3.3.4

Nota Hoogbouw

De gemeente Gouda geeft in deze nota haar visie op hoogbouw. De nota is vastgesteld in 2005. In de nota zijn randvoorwaarden geformuleerd die bestaande kwaliteiten waarborgen en een toetsingskader bieden voor nieuwe plannen. Vanuit verschillende perspectieven en schaalniveaus (regio, stad en wijk) geeft de nota Hoogbouw op basis van stedenbouwkundige argumenten en een eerste maatschappelijke notie, een samenhangend beeld van de mogelijkheden voor hoogbouw in Gouda. Op de zoneringskaarten geeft de nota aan waar hoogbouw binnen Gouda denkbaar is. In de zones waar dat van toepassing is, worden maximale bouwhoogtes gegeven. Omdat iedere plek zijn eigen specifieke kenmerken heeft, zijn de randvoorwaarden waaraan de hoogbouw dient te voldoen, omschreven in de vorm van algemene aandachtspunten.

28

bestemmingsplan PWA Kazerne, Gouda De functie van de nota Hoogbouw als toetsingsinstrument zal met name tot uitdrukking komen in die gevallen waar er voor de gemeente de mogelijkheid en ruimte is om te sturen in de ruimtelijke ontwikkeling van een plek of gebied. Hiervan is sprake als de gemeente eigenaar is van de grond of als medewerking aan een initiatief wordt verleend buiten de kaders van het geldende bestemmingsplan in de vorm van een vrijstelling of een herziening van het bestemmingsplan. In die gevallen geeft de gemeente via maatwerk randvoorwaarden aan waarbinnen een ontwikkeling tot stand mag komen. Als vanuit het programma en de stedenbouwkundige inpassing van dat programma in de wijk hoogbouw tot de mogelijkheden behoort, dan geeft de nota Hoogbouw daarvoor de bijzondere randvoorwaarden ten aanzien van de bouwhoogte en de bijbehorende condities voor de inpassing op het maaiveld.

Afbeelding 3.3: Uitsnede kaart Nota Hoogbouw 3.3.4.1 Toetsing aan 'Nota Hoogbouw' Het plangebied ligt in een zone waar de Nota Hoogbouw als maximale bouwhoogtes 25 meter tot 35 meter aangeeft. De volumes in het stedenbouwkundig plan hebben verschillende bouwhoogtes. De woongebouwen in het stedenbouwkundig plan zijn opzettelijk ontworpen met variërende bouwhoogtes om bij te dragen aan een gevarieerde en levendige sfeer in het gebied. Langs de bestaande straten, de Groen van Prinstererstraat en de Wibautstraat, zijn er 4 lagen, wat zorgt voor een harmonieuze integratie met de reeds bestaande volumes. De kantoorgebouwen krijgen, indien haalbaar, 2 extra bouwlagen, waardoor ze variëren in hoogte van 6 tot maximaal 7 bouwlagen. De bunker wordt met 4 lagen verhoogd, waardoor het totaal op 5 bouwlagen komt. Dit resulteert in een gevarieerd en levendig stadsbeeld met diverse verhoudingen en architectonische kenmerken. In figuur 2.5 zijn de bouwhoogtes weergegeven. Het hoogste gebouw staat in het noordelijk deel van het plangebied en past binnen de maximale bouwhoogte van 35 meter. Zo is er geen last van schaduw en profiteren bewoners op hoogte wel van een mooi uitzicht richting de plassen. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de 'Nota Hoogbouw' van de gemeente Gouda.

29

bestemmingsplan PWA Kazerne, Gouda

Hoofdstuk 4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten

Algemeen

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de relevante milieu- en omgevingsaspecten. Op grond van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient te worden bezien of het project vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening verenigbaar is met de eisen die aan de omgeving worden gesteld. Het project dient een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen en de belangen van omwonenden niet te schaden.

4.2

Cultuurhistorie

4.2.1

Archeologie

Het archeologisch bodemarchief is de grootste bron voor de geschiedenis van Nederland. Het verdrag van Malta regelt de bescherming en het behoud van deze archeologische waarden. Nederland heeft dit verdrag in 1992 ondertekend en in 1998 geratificeerd. Het Verdrag van Malta (ook wel Verdrag van Valletta genoemd) is geïmplementeerd in de Monumentenwet. De wet op de archeologische monumentenzorg is in april 2006 door de Tweede Kamer aan genomen in december van dat jaar door de Eerste Kamer bekrachtigd. Op 1 september 2007 is de wet als onderdeel van de monumentenwet in werking getreden. Het belangrijkste doel is de bescherming van de archeologische waarden in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Vooronderzoek moet duidelijk maken welke archeologische waarden verwacht kunnen worden. Wie de bodem in wil, bijvoorbeeld om te bouwen, kan verplicht worden om een archeologisch vooronderzoek te (laten) uitvoeren. De onderzoeksresultaten bepalen het verdere vervolg; een aanpassing van de bouwplannen of het opgraven van archeologische vondsten. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe dat de "verstoorder" betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.

Het is verplicht om bij nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologisch waarden. Dit was in de voorgaande periode ook al een gebruikelijke praktijk. De wet maakt het bestemmingsplan bij uitstek geschikt als instrument voor de archeologische monumentenzorg, bijvoorbeeld door aanwijzen van attentiegebieden en het opnemen van aanlegvergunningen. Situatie plangebied Gemeente Gouda beschikt over de Archeologische Beleidskaart. Op deze kaart zijn de archeologische waarden en verwachtingen te zien, die gekoppeld zijn aan een instandhoudingsplicht en verbodsbepalingen (art. 3.12 Verordening Fysieke Leefomgeving). Ook geldt een instandhoudingsplicht voor de archeologische waarden en verwachtingen. Op basis van deze kaart kent het plangebied een lage archeologische verwachting (zie afbeelding 4.1).

30

bestemmingsplan PWA Kazerne, Gouda

Afbeelding 4.1: Uitsnede Archeologische beleidskaart gemeente Gouda Op grond van het gemeentelijke archeologisch beleid geldt ter plaatse van gronden met een lage archeologische verwachting dat archeologisch onderzoek nodig is bij projecten. De verbodsbepaling voor deze ABK-waarde luidt dat een omgevingsvergunning activiteit archeologie nodig is voor projecten waarvan de bodemverstorende ingrepen of groter zijn dan 10.000m2 of dieper reiken dan 0,5 meter onder maaiveld. In 2012 is bureau- en booronderzoek uitgevoerd naar archeologische waarden. Uit het bureauonderzoek (Bijlage 3) blijkt dat het plangebied een lage trefkans heeft op archeologische resten uit de periode van de Bronstijd tot en met de Nieuwe Tijd. Het merendeel van de vondsten in de directe omgeving van het plangebied is afkomstig uit de periode Late Middeleeuwen tot Nieuwe tijd. Echter, door de grote omvang van de al gepleegde bodemverstoringen in het plangebied, wordt de trefkans op intacte vindplaatsen uit deze periode op voorhand laag ingeschat. Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase, Bijlage 4) blijkt dat de bodemopbouw binnen het merendeel van het plangebied bestaat uit een dikke laag recent opgebrachte grond, tot gemiddeld 100 en maximaal 170 cm -mv. Hieronder bevinden zich verhardingen, waarschijnlijk vast beton.

Alleen in de zuidwesthoek van het plangebied kon een boring dieper worden doorgezet. Hier bevindt zich onder een 60 cm dikke recente ophoging een cultuurdek dat doorloopt tot 160 cm -mv. In het cultuurdek zijn puinspikkels, houtskoolfragmenten en een fragment pijpaardewerk uit de 18e eeuw aangetroffen. Vanuit het tijdens het bureauonderzoek geraadpleegde historisch kaartmateriaal zijn er echter geen aanwijzingen dat het plangebied vanaf de tweede helft van de 17e eeuw tot aan 1960 deel heeft uitgemaakt van een erf of dat er bebouwing heeft gestaan. De resten bevinden zich dus niet in hun oorspronkelijke archeologische context. Vanaf 160 cm -mv bevindt zich de onverstoorde bodem, in de vorm van eerst een dunne laag broekveen, een dunne laag klei (afgezet tijdens de actieve fase van de Hollandsche IJssel en voordat bedijking plaatsvond) en vervolgens bosveen (Hollandveen Laagpakket). In het onverstoorde deel van de ter plaatse aangetroffen bodemopbouw zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Ook in de top van het veenpakket behorend tot het Hollandveen Laagpakket zijn geen indicatoren dan wel kenmerken waargenomen die kunnen duiden op een archeologische laag. De lage archeologische verwachting op archeologische resten uit de perioden vanaf de Bronstijd tot en met de Nieuwe Tijd wordt bevestigd. Er is geen sprake van een archeologische vindplaats.

31

bestemmingsplan PWA Kazerne, Gouda Gelet op de aangetoonde archeologische verwachting is er geen reden om een dubbelbestemming ter bescherming van archeologische waarden op te nemen. In alle gevallen geldt de wettelijke meldingsplicht: “Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij onze minister”. Deze aangifte dient te gebeuren bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort en de gemeentelijk archeoloog. Tevens is het hoofdstuk 3 "Activiteiten in de fysieke leefomgeving" (VFLO) algemeen van toepassing bij de toetsing op archeologisch erfgoed. Dus bij de toetsing bij activiteiten in de fysieke leefomgeving bij afdeling 3.2 in de VFLO (openbare ruimte), bij afdeling 3.3 (bouwactiviteiten), en bij afdeling 3.3 par. 3.3.2 (bodemverontreiniging), bij afdeling 3.5 (ondergrondse infrastructuur), bij afdeling 3.7 (houtopstanden) moet eveneens getoetst worden op de impact op het archeologisch erfgoed, het gestelde bij afdeling 3.1 in de VFLO.

Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed zijn samengevat:  Graafwerkzaamheden  Bouwen, bouwrijp maken  Slopen ondergronds  Bodemsanering  Niet Gesprongen Explosieven/Ontplofbare Oorlogsresten  Ondergrondse infrastructuur(kabels en leidingen)  Baggeren, het uitzeven van de bodems van waterwegen, werkzaamheden die op andere wijze de archeologische waarde van de bodems van waterwegen aantasten. Conclusie Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan. 4.2.2

Cultuurhistorie

Cultuurhistorische waarden kunnen betrekking hebben op bebouwde cultuurhistorie (monumenten), cultuurhistorische landschappen en archeologische waarden van een gebied. Op basis van de Cultuurhistorische kaart (CHW) van provincie Zuid-Holland is bepaald welke cultuurhistorische waarden of elementen binnen of in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn. Ook zijn historische topografische kaarten beschouwd. Situatie plangebied Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische atlas van de provincie Zuid-Holland, in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. Het is tevens niet gelegen binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht. Hoewel de PWA Kazerne op dit moment geen monumentale status heeft, wordt het complex wel erkend vanwege zijn positieve stedenbouwkundige waarde. Daarom heeft Viersen, Bureau voor Bouwhistorie en Advies in mei 2023 een cultuurhistorische verkenning met waardestelling opgeleverd. De volledige rapportage daarvan is opgenomen in Bijlage 5. De kantoorgebouwen en de dienstwoningen hebben een architectuurhistorische waarde van gemiddelde betekenis, terwijl de bunker een hoge architectuurhistorische waarde heeft. Het terrein heeft een bijzondere geschiedenis en heeft veel potentieel voor herontwikkeling tot een aantrekkelijke woonwijk.

Ondanks dat de kazerne geen monumentale status heeft, is de cultuurhistorische waarde gewaarborgd in het stedenbouwkundig plan als één van de kernwaarden (zie paragraaf 4.2.2). Navolgend worden de waardestellingen uit de cultuurhistorische verkenning beschreven. Externe waardestelling: Bunker De in 1967-1968 gebouwde bunker heeft dienst gedaan als het landelijke hoofdkwartier van de Nationaal Territoriaal Bevelhebber (NTB), vanaf 1975 het Nationaal Territoriaal Commando (NTC). Voor het begrip van het functioneren van de Nederlandse verdediging tijdens de Koude Oorlog is de bunker van essentieel belang.

32

bestemmingsplan PWA Kazerne, Gouda Als beschermd onderkomen van de NTB, later NTC, is het gebouw één van de belangrijkste militaire relicten uit de Koude Oorlog in Nederland en heeft het een hoge cultuurhistorische waarde en een hoge monumentwaarde. Deze waarden worden aanmerkelijk versterkt doordat de inrichtingselementen van de bunker bijzonder gaaf bewaard zijn gebleven. De nog aanwezige installaties en interieurelementen geven een zeer goed beeld hoe de bunker zou moeten functioneren in het geval van een oorlogssituatie. Kazernegebouw Het kazernegebouw dat in 1988-1991 naast de bunker is gebouwd heeft een architectuur die gebruikelijk is voor dit type gebouw in die periode. Het ontwerp en de uitvoering van het gebouw stammen uit de laatste fase van de Koude Oorlog. De indeling van het gebouw is op een aantal onderdelen na niet wezenlijk anders dan een gewoon kantoorgebouw. Ook de architectuur is niet specifiek militair. Derhalve heeft het kazernegebouw als onderdeel van het commandocentrum van het NTC een positieve cultuurhistorische waarde en als object een positieve monumentwaarde. Dienstwoning De dubbele dienstwoning als object heeft een indifferente monumentwaarde. Interne waardestelling De interne waardestelling van de bunker gaat vergezeld van een waardestellingsrepresentatieplattegrond. Deze plattegrond is weergegeven in Bijlage 5.

Voor de kazerne en de dienstwoningen is afgezien van het weergeven van een waarderingstekening omdat er geen bruikbare basistekening ter beschikbaar is. Voor beide gebouwen is daarom volstaan met uitsluitend een tekstuele waardestelling. Bunker De bunker ligt min of meer verscholen achter de kazerne en is alleen vanaf de zuidzijde herkenbaar. Het gebouw heeft een indifferente stedenbouwkundige waarde. De bakstenen bekleding is bedoeld om de functie van het gebouw aan het zicht te onttrekken. In dit opzicht sluit de sobere en gesloten architectuur goed aan op de functie van het gebouw als bunker. Het gebouw heeft een hoge architectuurhistorische waarde. De in gewapend beton uitgevoerde constructie is een goed en gaaf bewaard voorbeeld van bescherming tegen de gevolgen van een NBC-aanval (Nucleair, Biologisch of Chemisch) De gewapend-betonconstructie heeft een hoge bouwhistorische waarde. De (gas)deuren, (nood)luiken en bijbehorende voorzieningen getuigen van de beschermende maatregelen tegen de hiervoor genoemde dreigingen. Deze elementen zijn nog vrijwel volledig en gaaf aanwezig. Evenals het gehele casco hebben deze onderdelen een hoge bouwhistorische waarde. De structuur en opzet van het gebouw getuigen van het oorspronkelijke gebruik. Dit geldt vooral zowel het exterieur als het interieur.

De interieurelementen, zoals (klap)tafels, wandborden, voorzieningen voor kaarten, buizenpost, verlichting en dergelijke zijn vrijwel allemaal speciaal voor dit gebruik ontworpen dan wel aangepast. Het volledige interieur heeft derhalve een hoge gebruikshistorische waarde. Kazernegebouw Vanwege de situering en als onderdeel van het grotendeels intacte kazerne-ensemble (kazernegebouw met garage, bunker en dubbele dienstwoning) heeft het kazernegebouw een positieve stedenbouwkundige ensemblewaarde. De architectuur is echter niet bijzonder en tevens niet herkenbaar als een kazerne. Op grond hiervan heeft de kazerne een indifferente architectuurhistorische waarde. Er zijn nog zeer veel constructies van dit type gebouw aanwezig in Nederland. Het kazernegebouw heeft dus een indifferente bouwhistorische waarde. Aan het gebruik als kazerne herinneren onder andere de cellen, de beveiligde ruimten, de keuken en een garage voor de marechaussee. Derhalve heeft het gebouw een positieve gebruikshistorische waarde.

33

bestemmingsplan PWA Kazerne, Gouda Dienstwoning De dubbele dienstwoning is een algemeen voorkomende woning uit 1984 die geen rol speelt in de betekenis van het straatbeeld. De woningen hebben daarom een indifferente stedenbouwkundige, architectuurhistorische en bouwhistorische waarde. De woningen maken echter functioneel deel ut van het kazernecomplex. Dienstwoningen zijn gebruikelijk bij dit type kazerne. Op grond hiervan hebben de woningen een positieve gebruikshistorische waarde. Conclusie Hoewel de PWA Kazerne op dit moment geen monumentale status heeft, wordt het complex wel erkend vanwege zijn positieve stedenbouwkundige waarde. De unieke en rijke geschiedenis van de locatie wordt benut om een bijzondere culturele omgeving te ontwikkelen. De historische context wordt niet alleen behouden, maar ook geïntegreerd in de open leefomgeving. Het aspect 'cultuurhistorie' vormt daarmee geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

4.3

Bodemkwaliteit

Het beleid ten aanzien van de bodemkwaliteit is op nationaal niveau vastgelegd in de Wet bodembescherming (Wbb) en het Besluit bodemkwaliteit. Gestreefd wordt naar een duurzaam bodembeheer. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er gezondheidsrisico's of ecologische risico's daardoor zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Om deze vragen te beantwoorden is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig. Het uitgangspunt wat betreft de bodem in het plangebied is, dat de kwaliteit ervan zodanig dient te zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de beoogde functie(s). Situatie plangebied Door Ingenieursbureau Land is er een verkennend bodem- en asbestonderzoek (Bijlage 6). Uit de resultaten blijkt dat op de locatie licht tot matig verhoogde gehalten in grond en grondwater zijn aangetoond, dit beïnvloed de hergebruiksmogelijkheden van de grond. Tevens is op de locatie een ophooglaag met betonschuim aanwezig. De resultaten geven geen aanleiding om een geval van ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming te verwachten. Dit was ook niet de verwachting op basis van het vooronderzoek.

Geconcludeerd kan dus worden dat de bodemkwaliteit geschikt is (te maken) voor het beoogd gebruik (wonen). Ten behoeve van het verkrijgen van een omgevingsvergunning bouwen zal het bodemonderzoek op onderdelen nog uitgebreid moeten worden, omdat delen van het onderzoeksgebied niet onderzocht konden worden vanwege aanwezige bebouwing. Conclusie Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

34

bestemmingsplan PWA Kazerne, Gouda

4.4

Bedrijven en milieuzonering

Als uitgangspunt geldt dat het project niet leidt tot milieuoverlast bij milieugevoelige functies (bijvoorbeeld wonen) in de omgeving en dat de komst van milieugevoelige functies de activiteiten van milieubelastende activiteiten niet in de weg staat. Ten behoeve van de milieuzonering rond bedrijven is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) het systeem ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) ontwikkeld in de vorm van een bedrijvenlijst. Bedrijven zijn hierin ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per bedrijf is aangegeven wat de afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Er kan (enigszins) van afgeweken worden in situaties waarin geen sprake is van een rustige woonwijk of bij afwijkende bedrijven. In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden. Situatie plangebied De omgeving van het plangebied kan worden aangemerkt als gemengd gebied. Zo komen in de omgeving naast woonfuncties tevens sport-, bedrijfs- en maatschappelijke functies voor. De VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? interne werking) Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar gezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonende in ernstige mate wordt aangetast. De functie 'wonen' is in dit kader niet milieubelastend voor de omgeving. Van de aantasting van woon- en leefklimaat van omwonende is in beginsel dan ook geen sprake. Onderdeel van het voorliggende plan is de realisatie van enkele maatschappelijke functies, zoals een gezondheidscentrum en een buurtontmoetingsplek. Het gezondheidscentrum betreft een milieucategorie 1/A functie. Dergelijke functies zijn in een stedelijke/gemengde omgeving verenigbaar direct naast woningbouw. Een buurtontmoetingsplek wordt als functie niet benoemd in de VNG lijst bedrijven en milieuzonering, maar zou gelijk gesteld kunnen worden aan een buurthuis. Dit betreft een milieucategorie 2/B functie.

De verenigbaarheid met woningbouw kan geborgd worden door de functie bouwkundig afgescheiden van een woonfunctie te realiseren of door, wanneer de functie in hetzelfde gebouw wordt gerealiseerd, bouwkundige maatregelen te treffen die een vergelijkbaar effect hebben als bouwkundig afgescheiden realisatie. Gezien het bovengenoemde kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonende op basis van het aspecten 'Bedrijven en milieuzonering'. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe woningen hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. Ten oosten van het plangebied ligt een voetbalvereniging met velden met verlichting. Deze wordt tot milieucategorie 3.1 gerekend. In gemengd gebied betekent dit een richtafstand van 30 meter gebaseerd op het aspect 'geluid'. De voetbalvereniging ligt op een afstand van circa 100 meter. Ten westen van het plangebied bevindt zich op circa 20 meter afstand een enkelbestemming 'bedrijf'. Op basis van het vigerende bestemmingsplan zijn maximaal bedrijven tot milieucategorie 2 toegestaan met uitzondering van geluidszoneringsplichtige inrichtingen. Dergelijke bedrijven hebben een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied.

Daarmee voldoet het voorliggend plan aan de gestelde richtafstand.

35

bestemmingsplan PWA Kazerne, Gouda Ten noorden van het plangebied bevindt zich een sporthal. Sporthallen worden tot milieucategorie 3.1 gerekend. In gemengd gebied betekent dit een richtafstand van 30 meter gebaseerd op het aspect 'geluid'. De aspecten 'geur', 'stof' en 'gevaar' vormen geen belemmering. In de beoogde situatie bevinden zich woningen binnen de richtafstand van 30 meter. In de feitelijke situatie is echter sprake van een overdekte sporthal met een gesloten gevel. Vanwege de gesloten gevel kan ervan worden uitgegaan dat van geluiduitstraling naar het plangebied beperkt sprake is en van een aanvaardbaar niveau is. Gezien het bovengenoemde is vooral geluidsbelasting van de parkeerplaats bij de sporthal aan de orde, aangezien dit het meest relevant is qua optredend geluid en daardoor eventuele hinder. Hier is nader onderzoek naar gedaan, waarvan de resultaten zijn opgenomen in Bijlage 7. Geluid als gevolg van het parkeren van voertuigen wordt geacht omgevingseigen geluid te zijn, passend bij een stedelijke omgeving. Ter hoogte van de gebouwen B-N en B-Z is de parkeergelegenheid bij de tennishal op enige afstand van de woningen gesitueerd, door de ligging van een ontsluitingsweg binnen het plangebied.

Het is aannemelijk dat het zwaartepunt van de parkeerbewegingen plaatsvindt in de dag- en avondperiode en niet te onderscheiden is van parkeerbewegingen van bewoners van het plan (de ‘eigen’ parkeerbewegingen). Te verwachten is dat niet alleen bij de tennishal wordt geparkeerd, maar ook op het openbare parkeerterrein (onderdeel van het plan, zie figuur 3) bij de Groen van Prinsterersingel. Gelet op deze omstandigheden is niet te verwachten dat geluidhinder optreedt als gevolg van het parkeren bij de tennishal en is sprake van een aanvaardbare situatie. Achter de sporthal liggen tennisbanen met verlichting. Deze wordt tot milieucategorie 3.1 gerekend. In gemengd gebied betekent dit een richtafstand van 30 meter gebaseerd op het aspect 'geluid'. De tennisbanen liggen op een afstand van meer dan 50 meter. Het plangebied ligt op meer dan 50 meter afstand. Geluidhinder is dus niet te verwachten. Lichthinder is gelet op de onderlinge eveneens niet te verwachten, bovendien ligt er een sporthal tussen die zowel licht als geluid richting het plangebied blokkeert. Naast de tennisbanen liggen eveneens twee padelbanen. Op basis van de Handreiking Padel en Geluid blijkt dat bij twee padelbanen een richtafstand van 100 meter representatief is.

Aan deze afstand wordt niet voldaan, daarom is een modelberekening gemaakt, waarbij voor de geluidemissie gebruik is gemaakt van de Handreiking Padel en Geluid. Deze berekening is opgenomen in Bijlage 7. Hieruit blijkt dat sprake is van overschrijding van de grenswaarde voor de avondperiode. Omdat gebleken is dat de geluidbelasting als gevolg het gebruik van de padelbanen niet door middel van bron- en overdrachtsmaatregelen verminderd kan worden, komen maatregelen bij de ontvanger, dus in het woningbouwplan, in aanmerking. Daarom is in het bestemmingsplan door middel van een voorwaardelijke verplichting bepaald dat de woningen in gebouw B-N en B-Z dienen te worden voorzien in voldoende geluidwering van de gevels. Door het binnenniveau in de woningen te borgen, geldt dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gerealiseerd wordt. Gelet op de hoogte van de berekende geluidbelastingen is voor de activiteiten van de tennis- en padelvereniging, wat betreft het gebruik van de padelbanen, een maatwerkvoorschrift nodig op grond van artikel 2.20, artikel 1 Activiteitenbesluit milieubeheer. In de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarin het realiseren van voldoende geluidwering van gevels is vastgelegd. Door het opnemen van deze voorwaardelijke verplichting is publiekrechtelijk geborgd dat maatregelen getroffen worden.

Daarmee is voldoende aannamelijk dat dat maatwerkvoorschriften kunnen worden opgeleverd en stand houden. Ter voorbereiding op het maatwerkvoorschrift dient een volledig akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd, uitgaande van de representatieve bedrijfssituatie van de volledige inrichting. Conclusie Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

36

bestemmingsplan PWA Kazerne, Gouda

4.5

Geluid

Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Situatie plangebied Spoorweglawaai en industrielawaai vormen geen belemmering voor het beoogde plan, omdat bronnen daarvoor op te grote afstand van het plangebied zijn gesitueerd. Het plangebied bevindt zich binnen de wettelijke zone van wegen en nabij niet-gezoneerde 30 km/uur-wegen. Het plan maakt nieuwe geluidgevoelige functies, namelijk wonen, mogelijk. Als onderdeel van de bestemmingsplanwijziging is een akoestisch onderzoek benodigd, in het kader van de Wet geluidhinder en het door de gemeente Gouda gehanteerd geluidbeleid. Daarom heeft Aveco de Bondt een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai ten behoeve van de herontwikkeling van het terrein van de PWA-kazerne te Gouda. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 8. Navolgend worden de resultaten beschreven.

Resultaten Uit de rekenresultaten van dit akoestisch onderzoek blijkt dat rekening gehouden moet worden met hogere geluidbelastingen op de randen van het plangebied, als gevolg van wegen waar de maximum rijsnelheid 30 km/uur is (Wibautstraat, Groen van Prinsterersingel) of het gedeelte van de Bodegraafsestraatweg waar maximaal 30 km/uur gereden mag worden. Dergelijke wegen zijn niet van een zone voorzien conform artikel 74 Wgh. Hogere grenswaarden op grond van de Wet geluidhinder zijn daarom niet aan de orde en artikel 110f Wgh, waarin is gesteld dat hogere grenswaarden alleen kunnen worden afgegeven wanneer maatregelen niet mogelijk zijn of stuiten op overwegende bezwaren, is ook niet van toepassing. Ten slotte wordt opgemerkt dat de voorwaarden van een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte, uit het geluidbeleid, evenmin van toepassing zijn op het plan. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn wel geluidbeperkende maatregelen afgewogen omdat de geluidbelasting hoger is dan de voorkeurswaarde van 48 dB die in de Wet geluidhinder wordt gehanteerd. Algemeen geldt bij de afweging van geluidbeperkende maatregelen een voorkeursvolgorde. Dit houdt in dat bij voorkeur maatregelen worden getroffen aan de bron van het geluid. Mocht dit niet mogelijk zijn of onvoldoende doeltreffend zijn, dan worden maatregelen in de overdracht van het geluid afgewogen.

Als ook overdrachtsmaatregelen niet mogelijk zijn of onvoldoende doeltreffend zijn, worden maatregelen bij de ontvanger (gevelmaatregelen) getroffen. Uit de beschouwing van geluidbeperkende maatregelen blijkt dat bronmaatregelen niet reëel zijn of stuiten op een overwegend bezwaar van financiële of technische aard. Overdrachtsmaatregelen stuiten op overwegende bezwaren van financiële aard of zijn door onvoldoende ruimte niet mogelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het advies om voor het borgen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aan te sluiten op de eis voor de geluidwering van gevels zoals opgenomen in het Bouwbesluit. Uitgangspunt hierbij is de cumulatieve geluidbelasting (zonder toepassing van de aftrek conform artikel 110g Wgh), die op de randen van de bouwvelden in het plangebied ten hoogste 60 dB bedraagt. Geluidbelasting op gevels stedenbouwkundig ontwerp In het akoestisch onderzoek zijn de cumulatieve geluidbelastingen op de gevels van het stedenbouwkundig ontwerp gevisualiseerd. Uit de resultaten blijkt welke delen van het plan als geluidluw aan te merken zijn. Daarnaast is af te leiden (uit de cumulatieve geluidbelasting) voor welke gevels rekening gehouden dient te worden met overschrijding van de voorkeurswaarde.

Er is geen hogere grenswaarde voor het plan benodigd, want hogere geluidbelasting is alleen te verwachten als gevolg van 30 km/uur-wegen. De berekende cumulatieve geluidbelasting, waarbij de aftrek van artikel 110g Wgh niet is toegepast, bedraagt ten hoogste 59 dB. Uit de resultaten zijn de volgende conclusies getrokken: I. De hoogste geluidbelasting (tot en met 59 dB) treedt op aan de zuidzijde van het plangebied dat grenst aan de Wibautstraat; 37

bestemmingsplan PWA Kazerne, Gouda II. Cumulatieve geluidbelasting hoger dan 53 dB treedt op de gevels van de gebouwen in bouwveld A, B-noord, C en D, het gebouw in bouwveld B-zuid is geluidluw gesitueerd; III. Alle woningen waar sprake is van een hogere cumulatieve geluidbelasting dan 53 dB (zonder toepassing van artikel 110g Wgh) kunnen ook voorzien in een gevel waar ten hoogste 53 dB, oftewel waar de geluidbelasting niet hoger is dan de voorkeurswaarde (na aftrek conform artikel 110g Wgh). De berekende geluidbelastingen zijn ruimschoots lager dan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Conclusie Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

4.6

Luchtkwaliteit

Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. De wet is enerzijds bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid aan te pakken, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging. Anderzijds heeft de wet tot doel mogelijkheden te creëren voor ruimtelijke ontwikkeling, ondanks overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De wet voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL bevat enerzijds alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren en anderzijds alle ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekenende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een plan draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging (meer dan 3%) ten opzichte van de grenswaarde (een grenswaarde van 3% staat gelijk aan de bouw van circa 1.500 woningen of 100.000 m2 kantoorruimte met één ontsluitingsweg); d. een plan past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Bij ieder ruimtelijke ontwikkeling moet toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit plaatsvinden, met andere woorden het moet duidelijk zijn welke gevolgen het project heeft voor de luchtkwaliteit. Uitgangspunt is dat de luchtkwaliteit niet verslechtert c.q. dat het project 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. Situatie plangebied

38

bestemmingsplan PWA Kazerne, Gouda De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van 222 woningen en een gezondheidscentrum met functies zoals een huisarts, fysiotherapeut en een apotheek en andere functies. Gezien het bovengenoemde kan gesteld worden dat deze ontwikkeling niet wordt aangemerkt als gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Het aantal te realiseren woningen blijft ruim onder de aangegeven grens van 1.500 woningen zoals opgenomen in het Besluit NIBM. Hiermee kan in beginsel redelijkerwijs worden uitgesloten dat de grenswaarde van 3% voor verontreinigde stoffen wordt overschreden. Door middel van de NIBM tool is wel berekend of de extra bijdrage aan verkeer in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De totale extra verkeersgeneratie ten opzichte van de huidige situatie is 1.150 motorvoertuigbewegingen per dag extra. De onderbouwing en toelichting van de verkeersgeneratie is te vinden in het Bijlage 1.

Afbeelding 4.2: NIBM-tool Uit de bovenstaande berekening blijkt dat de bijdrage onder de NIBM-norm blijft. Daarom hoeft voor het plan geen nader onderzoek betreffende luchtkwaliteit te worden uitgevoerd. Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd at het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Conclusie Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

4.7

Externe veiligheid

Bij ruimtelijke plannen moet voor externe veiligheid worden gekeken naar:  bedrijven die gevaarlijke stoffen opslaan, gebruiken en/of produceren, zoals lpg tankstations;  vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor, de lucht of het water en door buisleidingen. In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een bedrijf (ook wel inrichting genoemd) of langs een vervoersas. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Toetsing vindt plaats op grond van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit

39

bestemmingsplan PWA Kazerne, Gouda externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Situatie plangebied De voorgenomen ontwikkeling is relevant in het kader van externe veiligheid. Het is een kwetsbaar object (conform artikel 1, lid 1 sub b en I van het Besluit externe veiligheid inrichtingen). Met behulp van de Signaleringskaart-EV is een inventarisatie verricht van de risicobronnen in en rond het plangebied. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied:  zich niet bevindt binnen de invloedsgebieden van inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen;  geen stationaire of mobiele risicobronnen bevat. In afbeelding 4.3 is een uitsnede van de Signaleringskaart EV met betrekking tot het plangebied en de omgeving weergegeven.

Afbeelding 4.3: Uitsnede Signaleringskaart EV (plangebied rood omlijnd) Het plangebied is op dermate grote afstand van risicobronnen gesitueerd dat het aspect 'externe veiligheid' geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Advies Veiligheidsregio Hollands Midden Veiligheidsregio Hollands Midden heeft advies uitgebracht over de voorliggende plannen. Om de kans op incidenten te verkleinen, de effecten te beperken en / of de zelfredzaamheid van de aanwezigen en het optreden van de hulpdiensten te verbeteren, is het volgende geadviseerd:  Om een effectieve inzet van de brandweer en andere hulpdiensten te borgen is het belangrijk om te voldoen aan de afmetingen zoals beschreven in het beleidsdocument Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid VRHM.  Vanwege de mogelijkheid dat er bij een calamiteit op de basisnetroute spoor toxische stoffen vrijkomen in de omgeving wordt geadviseerd om de bouwwerken te voorzien van de mogelijkheid de ventilatie met één druk op de knop af te kunnen schakelen.  De offensieve bluswatervoorziening (voor de bestrijding van kleine branden) is nog niet geprojecteerd in het plangebied. Graag ontvangen wij te zijner tijd een voorstel met de projecteringstekeningen van de brandkranen en eventuele andere bluswaterwinmogelijkheden, inclusief de gereserveerde opstelplaats van het brandweervoertuig.

 Geadviseerd wordt om te voorzien in een opstelplaats tot op een afstand van 10/40 meter gemeten van de (brandweer)ingang, zodat voldaan wordt aan artikel 6.37 van het Bouwbesluit en daarmee een snelle inzet voor het beperken van schade en eventueel redden van personen mogelijk wordt gemaakt. Het advies wordt betrokken in de verdere uitwerking van de plannen. 40

bestemmingsplan PWA Kazerne, Gouda Conclusie Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

4.8

Water

In artikel 3.1.6, lid 1 onder b van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat de toelichting van een bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing bij een omgevingsvergunning een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Het plangebied is gelegen binnen het werkingsgebied van het Hoogheemraadschap Rijnland. Onderdeel van dit bestemmingsplan is de waterparagraaf die tot stand komt door het doorlopen van het watertoetsproces. Op basis van deze watertoets wordt de waterparagraaf opgesteld. In de waterparagraaf is vastgelegd hoe binnen het project met de waterhuishoudkundige aspecten (waterveiligheid, oppervlaktewater, hemelwater, grondwater, waterkwaliteit en afvalwater) dient te worden omgegaan. Situatie plangebied In Bijlage 9 is het watertoetsdocument opgenomen. Daarin zijn de watergerelateerde beleidskaders in beeld gebracht en de plan specifieke uitgangspunten waarop het ontwerp wordt gebaseerd. Deze zijn tevens afgestemd met de gemeente Gouda en het Hoogheemraadschap van Rijnland. Uit de watertoets blijkt dat ontwikkeling enkele potentieel negatieve effecten voor het watersysteem heeft, waar maatregelen voor genomen moeten worden.

Hieronder volgt een opsomming van de belangrijkste conclusies en aandachtspunten:  Voor herontwikkeling van het verharde oppervlak dient een waterbergingsvoorziening t.b.v. een vertraagde afvoer richting het oppervlaktewater te worden gerealiseerd. De beleidsuitgangspunten van het Hoogheemraadschap van Rijnland zijn hiervoor maatgevend met 55 mm per m2 afgekoppeld verhard oppervlak. In het huidige ontwerp is sprake van een herontwikkeling van verhard oppervlak van 8.618 m2. De waterbergingsopgave bedraagt daardoor 474 m3.  In het huidige ontwerp zijn voorzieningen getroffen t.b.v. waterberging in de vorm van groenblauwe daken, halfverharding en vlonder.  In het plangebied dient jaarlijks 450 mm van de jaarlijkse neerslag te worden geïnfiltreerd. In huidige ontwerp komt de retentieopgave van 474 m³ uiteindelijk ten goede aan het grondwater, waarmee het geïnfiltreerd wordt. De wijze waarop is nog niet duidelijk en moet nog nader worden beschreven.  Om schade te voorkomen bij een extreme neerslag situatie moet 90mm/uur geborgen kunnen worden.  Het totale plangebied omhelst 17.449 m², er moet dus voor 1.570 m³ water bergingsruimte gevonden worden. Op het plangebied is 6.809 m² bebouwd. Op maaiveld (10.640m²) kan 100mm geborgen worden doordat het maaiveld minimaal 15cm lager ligt dan het entreepeil van de gebouwen. Dit komt neer op een bergingscapaciteit van 1.064 m³.

Daarnaast hebben de groenblauwe daken, halfverharding en vlonder een potentiële bergingscapaciteit van respectievelijk 374 m3, 132 m³ en 65 m3. Hiermee kan in totaal 1.635 m³ worden geborgen wat betekend dat er genoeg ruimte in het plangebied om de 90mm tijdens hevige regenval te bergen. Hierbij is ervan uitgegaan van een nieuwe maaiveldhoogte tussen de -1,4 tot -1,3 m NAP en dat geen grote hoogteverschillen worden aangebracht waardoor water zich in 1 deel van het plangebied verzameld.  Gebaseerd op de beschikbare gegevens is de verwachting dat de gebouwen op een voldoende hoog niveau gebouwd kunnen worden om de gewenste ontwateringsdiepte te behalen en (grond)wateroverlast te voorkomen. Dit heeft de voorkeur boven een drainagesysteem. Om de lokale grondwaterstanden in het plangebied beter inzichtelijk te maken is het aan te raden om aanvullende grondwaterstandmetingen en doorlatendheidsmetingen in het plangebied uit te voeren. Deze zijn benodigd voor de verdere onderbouwing en uitwerking van de ruimtelijke aanpassingen.  De vuilwaterafvoer moet worden aangesloten op het bestaande gemengde rioolstelsel onder de Groen van Prinsterersingel. Dit zal in een volgende fase verder moeten worden onderzocht en bepaald in overleg met de gemeente.

41

bestemmingsplan PWA Kazerne, Gouda Voor verschillende onderdelen is een watervergunning nodig. Het gaat hier om: 1. Het afvoeren van hemelwater vanaf nieuw verhard oppervlak op B-watergangen; 2. Voor tijdelijke of structurele grondwateronttrekking is op grond van de Waterwet een melding of vergunning van het hoogheemraadschap nodig. Bij het indienen van de omgevingsvergunning levert de initiatiefnemer een technisch uitgewerkt ontwerp aan waaruit is op te maken hoe de ontwikkeling haar totale bergings- en vertragingsopgave definitief invult, op welke wijze het water vanaf de verharde oppervlakken in de waterberging terecht komt en hoe deze in verband met de afvoer in verbinding komt te staan met het omringende watersysteem. Dit dient ter goedkeuring te worden voorgelegd aan het Hoogheemraadschap van Rijnland en de gemeente Gouda. In overleg zijn alternatieve oplossingen vanuit marktpartijen bespreekbaar. 

Conclusie Het aspect 'water' vormt in principe geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan. Wel dient rekening te worden gehouden met de uitkomsten van het watertoetsproces. Het hoogheemraadschap heeft in het kader van het wettelijk vooroverleg aangegeven akkoord te zijn me de plannen.

4.9

Ecologie

Op 1 januari 2017 is de 'Wet natuurbescherming' in werking getreden. De 'Boswet', de 'Flora en faunawet' en de 'Natuurbeschermingswet 1998' zijn per die datum ingetrokken. De Wet natuurbescherming (Wnb) vormt het voornaamste beleidsmatige toetsingskader op het gebied van de soortenbescherming en gebiedsbescherming. Milieu adviesbureau Adverbo heeft in het kader van de voorgenomen herontwikkeling een 'Quickscan flora en fauna (d.d. 29 juli 2022, Bijlage 11) uitgevoerd. Naar aanleiding van de Quickscan heeft Milieu adviesbureau Adverbo nader vleermuisonderzoek (d.d. 29 juli 2022, Bijlage 12) en een nader gierzwaluwonderzoek (d.d. 12 augustus 2022, Bijlage 13) uitgevoerd. Tevens is een onderzoek naar huismussen uitgevoerd (d.d. 24 april 2023, Bijlage 14). De resultaten en bevindingen uit deze rapporten zijn verwerkt in de onderstaande paragraaf. De volledige rapportages zijn te raadplegen in de bijlage. 4.9.1

Gebiedsbescherming

Ten aanzien van gebiedsbescherming zijn in het kader van de Europese richtlijnen in Nederland speciale beschermingszones aangewezen die een hoge wettelijke bescherming kennen. Hiervoor zijn Natura 2000 en gebieden onderdeel uitmakend van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) aangewezen. Natura 2000-gebied Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Gezien de aard van de geplande ingrepen en de afstand ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden worden significante negatieve effecten als gevolg van directe effecten (zoals geluidhinder, lichthinder en hinder trillingen) uitgesloten. Emissie van stikstof uit het plangebied kan over grotere afstand tot negatieve effecten leiden. Door middel van een AERIUS-berekening is onderzocht of hier sprake van is (Bijlage 10). Uit de AERIUS-berekening blijkt dat in de gebruiksfase en realisatiefase geen sprake is van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Natuurnetwerk Zuid-Holland Het plangebied is geen onderdeel van het natuurnetwerk Zuid-Holland. Onderdelen van het natuurnetwerk liggen op minimaal 1,6 km ten zuidoosten van het plangebied. Gezien de aard van de geplande ingrepen en de afstand ten opzichte van het natuurnetwerk Zuid-Holland worden significante negatieve effecten uitgesloten. In figuur 4.4 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het natuurnetwerk Zuid-Holland weergegeven.

42

bestemmingsplan PWA Kazerne, Gouda

Afbeelding 4.4: Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Zuid-Holland 4.9.2

Soortenbescherming

Soortenbescherming is onder de Wet natuurbescherming geregeld op basis van een drietal verschillende beschermingsregimes, namelijk voor vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijnsoorten en overige soorten. Voor al deze soorten geldt dat het verboden is ze opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eventuele eieren opzettelijk te vernielen, om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om beschermde plantensoorten opzettelijk te ontwortelen of te vernielen. Hiervan kan onder andere sprake zijn bij het kappen van bomen, het slopen van gebouwen of het storten en afgraven van gronden. Uit de onderzoeksresultaten van de Quickscan Flora en Fauna (Bijlage 11) is gebleken dat het plangebied in potentie geschikt is voor beschermde soorten, waaronder vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen. Op basis van deze resultaten is nader onderzoek uitgevoerd. Effecten door de geplande werkzaamheden op overige beschermde flora- en faunasoorten worden binnen het plangebied niet verwacht. Nader onderzoek gierzwaluw Uit het nader onderzoek (Bijlage 13) blijkt dat binnen het plangebied geen nestelende- dan wel gierende dieren zijn waargenomen. Gezien nestlocaties ontbreken zijn negatieve effecten veroorzaakt door de geplande ingrepen uitgesloten.

Nader onderzoek vleermuizen Middels het nader onderzoek (Bijlage 12) zijn in het plangebied de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis waargenomen. De laatvlieger en rosse vleermuis zijn enkel foeragerend en/of overvliegend waargenomen. Binnen het plangebied zijn zomer- en paarverblijfplaatsen van de gewone- en ruige dwergvleermuis aangetroffen. Tevens is een kraamverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aangetroffen. Bij de sloop van het kazernegebouw en de aanliggende woning gaan deze verblijfplaatsen verloren. Tevens kunnen tijdens de werkzaamheden dieren worden verstoord, verwond of gedood indien geen mitigerende maatregelen worden genomen.

43

bestemmingsplan PWA Kazerne, Gouda Het uitvoeren van de geplande ingrepen en daarmee de vernietiging van de beschermde verblijfplaatsen is een overtreding van de Wet natuurbescherming. Om overtreding van de Wnb bij uitvoering van de plannen te voorkomen is een ontheffingsaanvraag noodzakelijk. Adverbo heeft een activiteitenplan opgesteld waarbij mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven die de negatieve effecten op vleermuizen zo veel mogelijk beperken. Het activiteitenplan en de uitgevoerde onderzoeken vormen de onderbouwing voor de ontheffingsaanvraag. Nader onderzoek huismus Op de locatie is nader onderzoek gedaan naar de huismus. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 14. Uit het onderzoek blijkt het dat nestlocaties van de huismus ontbreken binnen het plangebied. Gezien nestlocaties van de huismus ontbreken binnen het plangebied en zodoende in de te slopen gebouwen, zijn negatieve effecten veroorzaakt door de geplande ingrepen op de huismus uitgesloten. Er worden geen verbodsbepalingen overtreden. Vervolgstappen zijn niet noodzakelijk. Conclusie Geconcludeerd wordt dat voor de beoogde ontwikkeling een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is vereist. Middels een ontheffingsaanvraag en activiteitenplan is een aanvraag voor ontheffing Wet natuurbescherming ingediend. Voor vleermuizen worden jaarlijks regelmatig ontheffingen verleend.

Het ligt dan ook voor de hand dat de ontheffing ook hier verleend zal worden. In het kader van gebiedsbescherming worden significante negatieve effecten uitgesloten. Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

4.10

Verkeer en parkeren

De ontwikkeling dient een goede verkeersafwikkeling te hebben en voldoende parkeerruimte te bevatten zodat een goede leefbaarheid in de omgeving gehandhaafd blijft. Ten behoeve van het voorliggend plan heeft Goudappel onderzoek verricht naar de te verwachten verkeerseffecten op de omgeving en de parkeerbehoefte. Hierna wordt beknopt ingegaan op de belangrijkste onderzoeksconclusies. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 1. 4.10.1 Verkeer De transformatie van een leegstaand gebouw naar een nieuw woonmilieu met voorzieningen zorgt voor extra mobiliteit in de omgeving ten opzichte van de huidige situatie. De ontwikkeling zorgt voor extra voetgangers, fietsers, busreizigers en autoverkeer. Met name het autoverkeer heeft impact op de omgeving, vanwege de uitstoot van geluid en luchtemissies en de hoeveelheid autoverkeer is ook relevant voor de verkeersveiligheid van meer kwetsbare verkeersdeelnemers zoals voetgangers en fietsers. Daarom is in het onderzoek inzicht gegeven in de verkeerseffecten van de planontwikkeling en zijn deze beoordeeld aan de hand van verkeerskundige richtlijnen. Ook de wijze van ontsluiting is behandeld. Er waren verschillende mogelijkheden om de parkeerplaatsen te ontsluiten. Middels een variantenstudie is de optimale ontsluiting bepaald.

Ten opzichte van de huidige situatie zal de ontwikkeling voor extra verkeersbewegingen zorgen op de omliggende wegen. Oorspronkelijk zorgde de PWA-kazerne ook voor verkeersbewegingen, maar de kazerne is al meerdere jaren niet meer in gebruik. De locatie doet nu tijdelijk dienst als schoolgebouw voor de Waarden, die normaal aan de overkant is gehuisvest, dat pand wordt momenteel gerenoveerd. De planlocatie wordt ontsloten op de Groen van Prinsterersingel. De huidige bussluis wordt naar het zuiden verplaatst, waardoor verkeer van/naar de planlocatie via het noordelijk deel van de Groen van Prinsterersingel gaat rijden in plaats van het zuidelijk deel. Daarmee wordt het zuidelijk deel ‘gespaard’ van extra verkeersbewegingen, en ontstaat een snellere aantakking op de stedelijke randweg (Burgemeester van Reenensingel) wat past bij de visie van het Verkeerscirculatieplan.

44

bestemmingsplan PWA Kazerne, Gouda De herontwikkeling zorgt voor ongeveer 1.150 motorvoertuigbewegingen per dag extra. Het verkeer verspreidt zich over verschillende wegen. Hoe verder weg van de planlocatie hoe kleiner de verkeerseffecten zijn. Het grootste verkeerseffect vindt plaats op het noordelijk deel van de Groen van Prinsterersingel. Dit is een erftoegangsweg 30 km/u met een gemengd profiel waar diverse scholen aan gelegen zijn. Op deze straat rijden meer fietsers dan auto’s. Het voornemen is de Groen van Prinsterersingel als fietsstraat aan te wijzen, maar daar heeft nog geen definitieve besluitvorming over plaatsgevonden. Voor een fietsstraat is het wenselijk zo min mogelijk autoverkeer te hebben, en zijn maximaal acceptabele intensiteiten opgesteld. De verkeersdruk op de Groen van Prinsterersingel voldoet hier ruimschoots aan. Enkel het meest noordelijke stukje richting de Burgemeester van Reenensingel waar al het wijkverkeer samenkomt is net te druk voor een fietsstraat. Gezien de beperkte lengte en de ligging nabij de verkeerslichten met daar invloed van, wordt deze overschrijding van de richtlijn niet onoverkomelijk geacht. Tot slot is ook de impact van het extra verkeer op de Burgemeester van Reenensingel beoordeeld. Deze weg is onderdeel van de stedelijke ringweg, en een belangrijke drager van het autonetwerk van Gouda.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=342f8a88-cef0-4971-807c-f9a0e29bd1f8