CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 21 Ruimtelijke onderbouwing Stavorenweg 6 te Gouda

Raadsvergadering 7 juni 2023, gemeente GoudaBij agendapunt: Het realiseren van twee bedrijfsgebouwen met opslagboxen aan Stavorenweg 4-632.585 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Het project is als volgt gedefinieerd: het totale oppervlakte waar een planontwikkeling plaatsvindt en waar bouwwerken, wegen (openbaar en privaat), groen (openbaar en privaat) en water (openbaar en privaat) onderdeel van uitmaken. 3. Als het niet haalbaar lijkt om binnen het projectgebied de vereiste 15% openbaar groen te ontwikkelen. dan is het mogelijk om binnen het projectgebied compenserende maatregelen te treffen tot maximaal 50% van de opgave voor openbaar groen, zie ook onderstaande figuur.

Mees Ruimte & Milieu | 21191.RO

Pagina | 27

4. Voor iedere niet gerealiseerde of gecompenseerde vierkante meter openbaar groen is een compensatiebijdrage aan de gemeente verschuldigd van €250,- per m2 (prijspeil 2019). Het bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd volgens de Grond-, weg- en waterbouwindex uit het Meerjarenperspectief Grondexploitaties. 5. Het college heeft de bevoegdheid te besluiten tot ontheffing of afwijking van de beleidsregels 2, 3 en 4, indien toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is grotendeels verhard. Bij de beoogde inrichting van het projectgebied is aandacht besteed aan een groene inpassing van de locatie en wordt aangesloten bij de regels die in de Structuurvisie Groen zijn opgenomen. Hierna wordt dit nader toegelicht. In de huidige situatie is geen sprake van oppervlaktewater. Ter plaatse zijn wel een aantal bomen aanwezig. Voor een aantal van deze bomen is een kapvergunning verleend. Aangezien een herplant verplichting geldt blijft het reeds aanwezige groen behouden. Hiermee wordt aan de eerste regel voldaan. De projectlocatie een totaal oppervlakte van circa 8.487 m2. Dit betekent dat in ieder geval 1.273 m2 aan openbaar groen moet worden gerealiseerd. Binnen de projectlocatie wordt in 1.507 m2 groen voorzien. Dit is 18% van de projectlocatie.

Aangezien het groen aan de rand van de projectlocatie wordt gerealiseerd is dit oppervlakte openbaar toegankelijk. Daarnaast is aandacht voor vergroening van de rest van de projectlocatie. Zo worden bijvoorbeeld 500 m2 waterdoorlatende verharding (ter plaatse van de parkeerplaatsen) gerealiseerd. Ook wordt voorzien in oppervlaktewater (680 m2) en wordt voorzien in berging onder de verharding (te weten 35 cm aquaflow). Het oppervlakte van de verharding dat wordt voorzien van aquaflow is nog niet zeker. Met voorgaande maatregelen wordt voldoende invulling gegeven aan de regels van de Structuurvisie Groen. Compensatie is niet nodig en op de overige regels wordt derhalve niet nader ingegaan. Figuur 17. Indicatieve impressie groene invulling projectlocatie (Bron: Lindeloof, d.d. 28 september 2022).

Mees Ruimte & Milieu | 21191.RO

Pagina | 28

3.4.7. Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent welstand De gemeente Gouda kiest in de formulering van het Welstandsbeleid door middel van toetsingscriteria voor een meervoudige aanpak. Gouda is verdeeld in verschillende gebieden met verschillende toetsingsregimes. Deze variëren van welkstandsvrij via (zeer) beperkt toezicht naar regulier toezicht. Per gebied zijn gedetailleerde toetsingscriteria beschreven waaraan bouwaanvragen en principeplannen getoetst kunnen worden. Daarnaast zijn er meer algemene uitgangspunten en algemene criteria beschreven waarop bouwplannen worden beoordeeld. Langs deze weg wordt stapsgewijs van breed naar gedetailleerd de toetsing afgelopen. Voor een aantal gebieden vindt toetsing uitsluitend plaats aan de algemene criteria en voor andere gebieden is dit vanwege de aard van de bebouwing veel specifieker. Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen in gebied 8 (Goudse Poort-Entree vanaf A12), conform het ‘Overzicht welstandsbeleid Gouda 2020 (zie ook figuur 18). Gebied 8 betreft een gebied met regulier toezicht en gebieden met bijzondere aandacht. Hier gelden, afhankelijk van het gebied, aanvullende voorschriften. In onderstaande figuur is een uitsnede opgenomen van deze kaart. Figuur 18.

Overzicht welstandsbeleid Gouda 2020 (kaart), bron: Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent welstand

Gebied 8 moet door zijn samenhang, goede architectuur en eensluidend en verantwoord kleuren materiaalgebruik een fraaie aanblik geven. De ontwerpen moeten van een hoog niveau zijn. Een beperkt scala aan kleur en materiaal kan de samenhang bevorderen. De opslag en goederen moeten aan het zicht

Mees Ruimte & Milieu | 21191.RO

Pagina | 29

worden onttrokken. Ontwerpen die daaraan niet voldoen, moeten niet op de zichtlocatie worden gesitueerd: de adviescommissie geeft over die plaatsing een advies. Voor hallen (gevels en daken), dock shelters, kantoorgebouwen (gevels, kozijnen, onderzijde gevel, banden), combinatiegebouwen, kleine bouwwerken (hekken, nutsvoorzieningen en nutsgebouwtjes zonnepanelen, zonwering, installaties, antennes, bijgebouwen, aanbouwen, latere wijziging, opbouwen, boomsingels en houtwallen) en kleurgebruik gelden aanvullende criteria. In onderstaande uitsneden zijn de criteria weergegeven.

Mees Ruimte & Milieu | 21191.RO

Pagina | 30

Mees Ruimte & Milieu | 21191.RO

Pagina | 31

Conclusie In het verdere ontwerp dienen deze criteria meegenomen te worden.

3.4.8. Uitvoeringsprogramma duurzame ontwikkeling Gouda 2020 De lange termijn doelen uit het uitvoeringsprogramma luiden als volgt:  In 2050 is Gouda zo goed mogelijk klimaatbestendig en waterrobuust ingericht  In 2020 is klimaatbestendig en waterrobuust inrichten onderdeel van beleid en handelen Specifiek voor de ontwikkelingen vallend onder de noemer ‘Economie’ is het volgende benoemd om deze lange termijn doelen te behalen:

Relatie tot ontwikkeling In de paragraaf 3.2.3 is reeds ingegaan op het Convenant Klimaatadaptief Bouwen en in de volgende paragraaf wordt ingegaan op de economische agenda. Daaruit volgt dat zoveel mogelijk bij de uitgangspunten van beide beleidsnota’s wordt aangesloten. Conclusie De ontwikkeling sluit aan bij de uitgangspunten van het uitvoeringsprogramma duurzaamheid.

3.4.9. Economische agenda Gouda 2021 In de Economische agenda Gouda 2021 is een actieprogramma opgenomen. Een van de hoofdopgaven uit het actieprogramma is ‘innovatieve oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken’. Hieronder valt onder meer het thema ‘energietransitie en klimaatadaptatie’. Enkele actiepunten die in het beleid zijn opgenomen zijn: 35% benutting van het beschikbare oppervlak van bedrijfsdaken voor zon PV. Activeren MKB/bedrijfsleven om energie te besparen in het kader van WMB-doel 80% per 2025. Relatie tot ontwikkeling Met de beoogde ontwikkeling wordt een bijdrage geleverd aan de doelstellingen van de economische agenda door het dak voor te bereiden op het plaatsen van zonnepanelen. Voor de overige klimaatadaptieve maatregelen wordt verwezen naar paragraaf 3.2.3 van voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Conclusie De boogde ontwikkeling sluit aan bij de opgaven uit de economische agenda.

Mees Ruimte & Milieu | 21191.RO

Pagina | 32

4

OMGEVINGSASPECTEN 4.1 STEDENBOUWKUNDIGE MOTIVERING / LANDSCHAPPELIJKE INPASSING Het voornemen sluit aan bij de ontwikkelingsstrategie voor de Goudse Poort door te voorzien in een transformatie van leegstaande kantoorruimten naar bedrijfs- en productiehallen, opslagruimte, werkplaatsen en bedrijfsruimten. Met de beoogde ontwikkeling wordt hierop ingespeeld. Met de transformatie wordt afgestapt van het (relatief slanke) kantoorstramien van 16,2 meter. Bedrijfsprocessen vragen doorgaans om bredere gebouwen. Dit is van invloed op het beeld dat geleidelijk zal ontstaan in de Goudse Poortgebied. In onderliggend plan wordt dit zichtbaar. Het plan bestaat uit twee gebouwen die onderling gekoppeld zijn. Vanaf de eerste verdieping zijn de gebouwen met elkaar verbonden middels een glazen oversteek. De hoogte van de beide gebouwen (plint + 4 verdiepingen) sluit soepel aan op de overige gebouwen die in de eerst lijn liggen van de Goudse Poort. De ligging van de kavel direct aan deze ruime toegangsweg van Gouda rechtvaardigt de gekozen omvang en hoogte. Hier is ruimte om volume toe te voegen wil de Goudse Poort zijn poortwerking waar kunnen maken. Beide gebouwen kenmerken zich door een eenvoudig hoofdvolume met een transparante plint. Om het ensemble niet massaal te maken zijn de krijgen de gebouwen beide een eigen uitwerking qua architectuur.

Zo lijken het twee gebouwen in plaats van één complex. Vanuit de Goudse Poort bezien vallen de glazige plint en de uitkragende boxen van gebouw 1 het meeste op; zij etaleren wat er in het gebouw gebeurt. De uitkragende volumes breken de schaal van het hoofdvolume en brengen zo de menselijke maat in het gebouw. In de zijgevel worden de hellingbaan naar de opslagboxen zichtbaar. De glazen en houten accenten in combinatie met de open plint geven karakter aan het gebouw. Ook gebouw 2 vertelt wat over de achterliggende functie; op subtiele wijze worden de opslagboxen zichtbaar in de gevel. Gebouw 2 heeft een overwegeng houten gevel gescheiden door horizontale banden om het gebouw schaal te gevel. De accenten van glas en staalplaat verwijzen naar de opslagboxen die zich achter de gevel bevinden. De ontsluitingsweg Goudse Poort grenst aan de noordoostzijde van de projectlocatie. Deze weg fungeert een groene loper die de snelweg met de binnenstad verbindt. Ten opzichte van de huidige situatie worden op het kavel groen en water toegevoegd aan deze ‘groene longen’. Tussen de bomen door is een glimp van de beoogde bebouwing te zien achter het reeds aanwezige en beoogde groen. Daarnaast wordt het projectgebied omlijst door een groene invulling. Het parkeren wordt opgelost aan de kant van de Groningenweg, zodat de kant van de Goudse Poort maximaal groen kan worden ingericht.

De bestaande sloot wordt hier het projectgebied ingetrokken. Als gevolg ontstaat een royale waterpartij.

4.2 ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE 4.2.1. Algemeen Erfgoedwet De Erfgoedwet bevat de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en

Mees Ruimte & Milieu | 21191.RO

Pagina | 33

maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet, welke naar verwachting in 2022 in werking treedt. Nota Belvedère (1999) Vanuit een ontwikkelingsgerichte visie op de omgang met cultuurhistorie worden in de Nota Belvedère beleidsmaatregelen voorgesteld die tot een kwaliteitsimpuls bij de toekomstige inrichting van Nederland zouden moeten leiden. Doelstelling van de nota is om de alom aanwezige cultuurhistorische waarden sterker richtinggevend te laten zijn bij de inrichting van Nederland. Dit met als doel het aanzien van Nederland aan kwaliteit te laten winnen en tegelijkertijd de onderlinge samenhang van cultuurhistorische waarden op het terrein van de archeologie, gebouwde monumenten en historische cultuurlandschap te versterken.

4.2.2. Relatie tot ontwikkeling Archeologie Conform het bestemmingsplan “Goudse Poort” geldt ter plaatse van de projectlocatie geen dubbelbestemming ter bescherming van archeologische waarden. De gemeente Gouda beschikt over een Archeologische beleidskaart. Op deze kaart is te zien dat de projectlocatie is gelegen in een gebied met een lage archeologische verwachting (zie ook figuur 19). Figuur 19. Archeologische beleidskaart gemeente Gouda

Wanneer bodemverstorende ingrepen zijn beoogd die dieper reiken dan 2,0 meter onder het maaiveld en het gaat om een oppervlakte groter dan 10.000 m2, is archeologisch onderzoek vereist. Deze drempelwaarden worden echter niet overschreden ten gevolge van het voorgenomen project, waardoor het aspect archeologie niet om verdere aandacht vraagt voor de beoogde ontwikkeling.

Mees Ruimte & Milieu | 21191.RO

Pagina | 34

Cultuurhistorie De projectlocatie is niet gelegen in een rijks- of gemeentelijk beschermd stadsgezicht. Ook betreft de projectlocatie zelf of de bebouwing aanwezig op de projectlocatie geen rijks- of gemeentelijk beschermd monument. Het aspect cultuurhistorie vraagt derhalve niet om extra aandacht en vormt geen belemmering voor de realisatie van het initiatief.

4.2.3. Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

4.3 BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING 4.3.1. Algemeen Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken. Figuur 20. Richtafstanden bedrijven en milieuzonering.

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In een gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor.

4.3.2. Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie kent de bestemming ‘Kantoor’. Omliggende bestemmingen betreffen overwegend ‘Kantoor’, ’Bedrijf’ en ‘Gemengd’. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat sprake is van gemengd gebied.

Mees Ruimte & Milieu | 21191.RO

Pagina | 35

De projectlocatie is gelegen op het bedrijventerrein “Goudse Poort”. Het voorgenomen initiatief betreft de realisatie van twee bedrijfsgebouwen. Hiermee worden geen hindergevoelige functies toegevoegd, waardoor de omliggende bedrijvigheid niet wordt beperkt in de milieugebruiksruimte. De beoogde bedrijfsbebouwing wordt daarnaast niet gerealiseerd in de nabijheid van hindergevoelige functies (zoals woningen), waardoor dergelijke functies geen hinder en gevaar kunnen ondervinden van de beoogde ontwikkeling.

4.3.3. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

4.4. BODEM 4.4.1. Algemeen Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden.

4.4.2. Relatie tot ontwikkeling Op 18 december 2020 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Arnicon in opdracht van White House Development. Het onderzoek is bijgevoegd als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. Uit het onderzoek volgt dat sterke verhoogde gehalten aan PAK in de bovengrond en minerale olie in de ondergrond zijn aangetoond en dat dit op basis van de Wet bodembescherming (Wbb) in principe aanleiding geeft tot het uitvoeren van een vervolgonderzoek en/of het treffen van saneringsmaatregelen. Omdat er in de huidige situatie (kantoren en parkeren) geen risico’s zijn te verwachten kan de sanering worden uitgevoerd in samenhang met herinrichting. Er is geen mobiele verontreiniging aangetoond. Het grondwater is slechts licht verontreinigd met minerale olie. Dit betekent bij het saneren gekozen mag worden voor een isolatievariant. Of en hoeveel grond daarbij vrijkomt is in de eerste plaats afhankelijk van de wijze van herinrichten. Voorafgaand aan de voorgenomen werkzaamheden kan er met behulp van een BUSmelding (gestandaardiseerd saneringsplan) het voornemen tot saneren worden ingediend bij het bevoegd gezag (ODMH). De saneringsmaatregel en/of het grondwerk zal uitgevoerd dienen te worden door een voor de BRL 7000 erkende aannemer en begeleid dienen te worden door een voor de BRL 6000 erkende milieukundig begeleider.

Na beëindiging van de saneringswerkzaamheden dient er een BUS-evaluatie van de sanering te worden opgesteld. Dit verslag dient ter beoordeling aan het bevoegd gezag te worden overlegd, waarna de locatie geschikt is voor het beoogde gebruik. Het is niet toegestaan om werkzaamheden in de verontreinigde grond te verrichten zonder BUS melding of saneringsplan.

4.4.3. Conclusie Een BUS melding of saneringplan dient te worden overlegd bij de Omgevingsdienst Midden-Holland (het bevoegde gezag). Het aspect bodem vormt een randvoorwaarde voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie, maar het vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Mees Ruimte & Milieu | 21191.RO

Pagina | 36

4.5 EXTERNE VEILIGHEID 4.5.1. Algemeen Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang:  Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen.

 Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast kan ook het risicoregister worden geraadpleegd.

4.5.2. Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is op grond van het bestemmingsplan “Goudse Poort” gelegen binnen de gebiedsaanduiding ‘veiligheidszone – lpg’. Ter plaatse van deze aanduiding is, conform artikel 18.1 van het bestemmingsplan “Goudse Poort”, de vestiging van functies of objecten voor zeer kwetsbare groepen niet toegestaan. Aangezien de beoogde ontwikkeling de realisatie van twee bedrijfsgebouwen betreft, wordt niet voorzien in objecten voor zeer kwetsbare groepen. Via de risicokaart is te zien dat:    

Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting; Het projectgebied wel ligt binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen; Het projectgebied wel ligt binnen het invloedsgebied van een nabij gelegen transportroute; Het projectgebied wel ligt binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen.

Mees Ruimte & Milieu | 21191.RO

Pagina | 37

Figuur 21. Uitsnede risicokaart, projectlocatie weergegeven ter plaatse van blauw stippellijn (bron: www.nederland.risicokaart.nl)

In bovenstaande figuur zijn cijfers weergegeven. Nummer 1 geeft de buisleiding van Leiding Gasunie weer. Ter plaatse van nummer 2 is een LPG-vulpunt aanwezig met bijbehorende veiligheidscontouren. Nummer 3 betreft een LPG-reservoir met bijbehorende veiligheidscontour. Als laatste is ter plaatse van nummer 4 een LPG afleveringsinstallatie aanwezig. Hieronder wordt de invloed van de verschillende risicovolle activiteiten op de projectlocatie besproken. Nummer 1: buisleiding Leiding Gasunie Op een afstand van circa 30 meter is een buisleiding van Leiding Gasudie (deel W-501-01) gelegen. Deze buisleiding heeft een uitwendige diameter van 316 mm en een maximale werkdruk van 4000 kPa. Conform het ‘Handboek buisleiding in bestemmingsplannen’ ligt de 1%-letaliteitgrens bij dergelijke buisleidingen op 140 meter. De 100%-letaliteitsgrens is gelegen op 70 meter. De projectlocatie is hiermee in het invloedgebied van deze buisleiding gelegen. Het groepsrisico dient te worden verantwoord. Uit het onderzoek van AVIV (zie bijlage 4) volgt dat het groepsrisico kleiner is dan 10% van de oriëntatiewaarde en neemt niet toe door de voorgenomen ontwikkeling. Volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Nummer 2: vulpunt met bijbehorende veiligheidscontour Op een afstand van circa 30 meter is een vulpunt gelegen van Hatem B.V.

Deze installatie kent een (groeps)risicocontour van 40 meter, waardoor de locatie in het invloedgebied is gelegen. Het groepsrisico dient te worden verantwoord. De projectlocatie is niet binnen de plaatsgebonden risicocontour gelegen. Nummer 3: LPG-reservoir met bijbehorende veiligheidcontour Op een afstand van circa 70 meter is een LPG-reservoir gelegen van Hatem B.V. Dit reservoir kent een (groeps)risicocontour van 25 meter, waardoor de locatie buiten het invloedgebied is gelegen. De projectlocatie is ook niet binnen de plaatsgebonden risicocontour gelegen van het LPG-reservoir. Uit het onderzoek van AVIV (zie bijlage 4) volgt dat in het groepsrisico in de huidige situatie kleiner is dan de oriëntatiewaarde Door de voorgenomen ontwikkeling neemt het groepsrisico af. Gezien voorgaande kan een nadere motivering achterwege blijven.

Mees Ruimte & Milieu | 21191.RO

Pagina | 38

Nummer 4: LPG afleveringsinstallatie Op een afstand van circa 170 meter is een LPG afleveringsinstallatie gelegen. De afleveringsinstallatie kent een (groeps)risicocontour van 15 meter, waardoor de locatie buiten het invloedgebied is gelegen. De projectlocatie is tevens niet binnen de plaatsgevonden risicocontour van de LPG afleveringsinstallatie gelegen. Nummer 5: bevoorradingsroute Goudse Poort De bevoorradingsroute Goudse Poort behoort niet tot het Basisnet en is niet opgenomen in het overzicht van wegtellingen van RWS. Voor de transportintensiteit wordt uitgegaan van de vergunde jaardoorzet van de LPG-tankstations. Uit het onderzoek van AVIV (zie bijlage 4) volgt dat het groepsrisico kleiner is dan 10% van de oriëntatiewaarde en afneemt als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Een verdere verantwoording van het groepsrisico kan achterwege blijven. Conform art. 7 van het Bevt kan volstaan worden met het ingaan op de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. De ontwikkeling is voorgelegd aan de Veiligheidsregio. Zij hebben geconcludeerd dat op basis van de beoogde ontwikkeling er geen aandachtspunten zijn voor de fysieke veiligheid. Verantwoording groepsrisico. Voor de buisleiding kan worden volstaan met een beperkte verantwoording voor de bevoorradingsroute de verdere verantwoording van het groepsrisico achterwege kan blijven.

Voor het LPG-tankstation dient het groepsrisico echter wel te worden verantwoord. Door AVIV is een document opgesteld waarin het groepsrisico wordt verantwoord (zie bijlage 4). Bij het opstellen van de verantwoording is het advies van de Veiligheidsregio betrokken. In de verantwoording wordt ingegaan op de onderwerpen personendichtheid, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Daaruit volgt dat deze aspecten niet in negatieve zin worden beïnvloed door de voorgenomen ontwikkeling. Gezien het lage groepsrisico, de afname ervan door de ontwikkeling en het feit dat er geen zeer kwetsbare personen in het plangebied komen, Verwacht Aviv dat het voldoende is om het groepsrisico te verantwoorden.

4.5.3. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

4.6 GELUID 4.6.1. Algemeen In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit:  woningen;  onderwijsgebouwen;  ziekenhuizen;  verpleeghuizen;  verzorgingstehuizen;  psychiatrische inrichtingen;  kinderdagverblijven.

Mees Ruimte & Milieu | 21191.RO

Pagina | 39

Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen.

4.6.2. Relatie tot ontwikkeling Een akoestisch onderzoek is noodzakelijk op het moment dat geluidsgevoelige objecten (zie bovenstaande lijst) worden gerealiseerd. Met het beoogde initiatief worden geen geluidsgevoelige objecten gerealiseerd, waardoor een akoestisch onderzoek niet is vereist. Wel dient sprake te zijn van een goed leefklimaat ter plaatse van de bedrijfsruimtes. Om een indicatie te geven van de geluidbelasting ter plaatse van de projectlocatie, kunnen de geluidskaarten van de Omgevingsdienst Midden-Holland worden geraadpleegd. Een uitsnede van deze kaart is opgenomen in onderstaande figuur. Figuur 22. Geluidskaarten Omgevingsdienst Midden-Holland (bron: Omgevingsdienst Midden-Holland)

Ter plaatse van de projectlocatie zelf is echter niet in kaart gebracht wat de geluidsbelasting is. Aangezien geen sprake is van het realiseren van geluidgevoelige functies, de reeds in de omgeving aanwezige bebouwing zal dit voor de projectlocatie niet verder om aandacht vragen. Daarnaast is de dichtstbijzijnde woning gelegen op een afstand van ruim 450 meter. Het aspect geluid zal gezien voorgaande in alle gevallen niet leiden tot een belemmering. Een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

4.6.3. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de realisatie van het initiatief.

4.7 KABELS EN LEIDINGEN 4.7.1 Algemeen Voor sommige kabels en leidingen is het belangrijk deze op te nemen in het bestemmingsplan. Het gaat dan niet om de algemene nutsleidingen, maar om de leidingen waarbij bijvoorbeeld een veiligheidszone geldt of leidingen die een risico zijn als ze bij werkzaamheden geraakt worden. Bepaalde leidingen moeten vanuit regelgeving of rijksbeleid in een bestemmingsplan worden opgenomen. Dit is het geval bij bovengrondse hoogspanningslijnen en buisleidingen. Bij andere leidingen bepaald bevoegd gezag of dit wenselijk is, dit is bijvoorbeeld steeds vaker het geval bij ondergrondse hoogspanningsverbindingen. Dergelijke leidingen kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik van de omgeving. De (planologische relevante) leidingen dienen als zodanig te worden bestemd en daarbij dient de afstand die moet worden vrijgehouden van

Mees Ruimte & Milieu | 21191.RO

Pagina | 40

bebouwing ter bescherming van de leiding, te worden aangeduid. Dit betreft de zogeheten beschermingszone. Naast planologisch relevante leidingen kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die planologisch niet relevant zijn, maar waar met de beheerder van de kabels en leidingen afstemming dient plaats te vinden over het beschermen dan wel verleggen van in en nabij een ontwikkellocatie gelegen kabels en leidingen. Buisleidingen Voor buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van belang. Binnen het toepassingsbereik van het Bevb vallen:  buisleidingen voor aardgas met een uitwendige diameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer.  buisleidingen voor brandbare stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer.  buisleidingen voor vergiftige stoffen.  buisleidingen voor specifieke stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer. Voor de realisatie van een buisleiding of een kwetsbaar object dient voldaan te worden aan de grenswaarde voor het PR, terwijl het GR verantwoord moet worden. Bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoogspanningsverbindingen Bij transport van stroom door een hoogspanningsverbinding ontstaat een magneetveld.

De sterkte ervan hangt vooral af van de hoeveelheid stroom die wordt vervoerd en van de afstand tot de verbinding. Over de mogelijk nadelige gevolgen van deze velden voor de gezondheid bestaat onduidelijkheid. Onduidelijk zijn vooral de langetermijneffecten van blootstelling aan de veldsterkte die optreedt in woningen die zich in de buurt van het hoogspanningsnet bevinden. Sinds 2005 adviseert de Nederlandse rijksoverheid een voorzorgsprincipe voor bovengrondse hoogspanningslijnen. Bij de planning van nieuwe woningen, scholen en kinderopvangplaatsen is het advies zoveel mogelijk te voorkomen dat kinderen langdurig blootgesteld worden aan magneetvelden die gemiddeld over een jaar sterker zijn dan 0,4 microtesla. De aanleiding hiervoor is dat epidemiologisch onderzoek laat zien dat kinderen in de leeftijd tot 15 jaar, die bij bovengrondse hoogspanningslijnen wonen, mogelijk een verhoogde kans hebben leukemie. Deze mogelijk verhoogde kans zou zich voordoen bij langdurige blootstelling aan een veldsterkte van meer dan 0,4 microtesla. Of de velden leukemie veroorzaken en hoe dan, is onbekend. Voor leukemie bij kinderen tot 15 jaar geldt dat er wel een statistisch verband op wordt gevonden met de afstand tot een hoogspanningslijn en, daarvan afgeleid, met de hoogte van het magneetveld. Er is echter geen verklaring voor die samenhang.

De oorzaak kan het magneetveld zijn, iets anders dat met afstand tot een hoogspanningslijn samenhangt of toeval.1 De GGD heeft het Rijksadvies verbreed naar alle situaties waar het veld de jaargemiddelde waarde van 0,4 microtesla overschrijdt. Verder oordeelde de bestuursrechter in 2017 dat de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan het beleidsadvies over bovengrondse hoogspanningslijnen, in beginsel ook voor ondergrondse hoogspanningskabels van toepassing zijn.2 Zowel de Commissie mer als de Gezondheidsraad hebben dit advies overgenomen, waardoor het voorzorgsprincipe voor bovengrondse hoogspanningslijnen

1

Meer en gedetailleerde informatie over de uitgevoerde onderzoeken en over de conclusies die daaraan worden verbonden, vindt u op de website van het

Kennisplatform Elektromagnetisch Velden (www.kennisplatform.nl ) onder ‘Onderwerpen’>’Hoogspanningslijnen en elektriciteitsvoorziening’. Het Kennisplatform helpt burgers en werknemers wetenschappelijk onderzoek over de relatie tussen magneetvelden en gezondheid te begrijpen en op waarde te schatten en verenigt de kennis van organisaties zoals TNO, DNV GL (voormalig KEMA), GGD en RIVM 222

AbvRS, 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:238

Mees Ruimte & Milieu | 21191.RO

Pagina | 41

ook van toepassen is op ondergrondse kabels, transformatorhuisjes, wijkverdeelstations en andere bronnen van langdurige blootstelling aan magneetvelden uit het elektriciteitsnetwerk.

4.7.2 Relatie tot ontwikkeling en conclusie Op grond van het bestemmingsplan “Goudse Poort” is zowel ter plaatse van de projectlocatie als in de nabije omgeving daarvan geen sprake van een dubbelbestemming ter bescherming van een (hoogspannings)leiding anders dan de buisleiding die reeds in paragraaf 4.6 is beschouwd. Tevens is de projectlocatie niet in de nabijheid van een hoogspanningsleiding gelegen, zoals aangegeven op de Netkaart van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.

4.8 LUCHTKWALITEIT 4.8.1. Algemeen In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van ‘niet in betekenende mate’ is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit.

De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder:  woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen;  kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen.

4.8.2. Relatie tot ontwikkeling In onderhavig geval is sprake van de realisatie van twee bedrijfspanden. De verkeersaantrekkende werking neemt maximaal toe met 726,87 motorvoertuigbewegingen, zie ook paragraaf 4.10. Op daarvan is de NIBMtool ingevuld, zie ook onderstaande uitsnede. Figuur 22. Uitsnede NIBM-tool Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie

2024

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

727

Aandeel vrachtverkeer

14,8%

NO2 in μg/m

3

1,51

3

0,18

Maximale bijdrage extra verkeer

PM10 in μg/m 3

Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m Conclusie

1,2

De bijdrage van het extra verkeer is mogelijk in betekenende mate; nader onderzoek noodzakelijk

Mees Ruimte & Milieu | 21191.RO

Pagina | 42

Door middel van de NIBM-tool is een worst-case berekening gemaakt voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de realisatie van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit. In de worst-case berekening blijft de bijdrage aan NO2 niet onder de grens voor “niet in betekenende mate” van 1,2 µg/m3. Er moet derhalve getoetst worden aan de grenswaarden. De maximale bijdrage van het extra verkeer zoals aangegeven in figuur 22 (voor NO2: 1,51 µg/m3 en voor PM10 0,18 µg/m3) wordt derhalve opgeteld bij de achtergrondconcentraties ter plaatse van het de projectlocatie (zie hiervoor tabel 1). De grenswaarden voor de achtergrondconcentraties worden, bij het optellen van de maximale bijdrage van verkeer, niet bereikt dan wel worden overschreden. Hierdoor kan er zonder meer worden aangenomen dat ook na realisatie van de ontwikkeling de achtergrondconcentraties nog steeds laag zijn en in ieder geval nog steeds ver onder de wettelijke grenswaarden liggen. In aanvulling op het voorgaande wordt opgemerkt dat binnen de ontwikkeling geen gevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) mogelijk worden gemaakt. Ook om deze reden is een aanvullend luchtkwaliteitsonderzoek niet nodig. Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd.

Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de totale concentratie is ter plaatse van een specifiek rekenpunt. De totale concentratie bestaat uit de achtergrondconcentratie (op basis van de GCN-kaart) en de lokale bijdrage (van lokale bronnen, op basis van data over o.a. verkeersgegevens). Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5. Onderstaande tabel toont de totale concentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij de projectlocatie (geraadpleegd via NSL Monitoringstool op 22 oktober 2021) met bijbehorende grenswaarden. Tabel 1. Totale concentraties van stikstofdioxide en fijnstof in nabijheid van de projectlocatie Jaar Totale concentratie rekenpunt 15474607 NO2 (µg/m3) PM10 (µg/m3)

PM2,5 (µg/m3)

2020

27,6

19,3

11,2

2030

18,6

17,1

9,1

Grenswaarden

40

40

25

Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van de projectlocatie, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden.

4.8.3. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

4.9 NATUUR 4.9.1. Algemeen Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998.

Mees Ruimte & Milieu | 21191.RO

Pagina | 43

Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000gebieden. Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn.

Voorheen gold hier de regeling Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) voor, maar naar aanleiding een tweetal belangrijke uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar, kan al sprake zijn van een significant negatief effect. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een ‘nee-tenzij-toets’. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN.

4.9.2. Relatie tot ontwikkeling Ten behoeve van de ontwikkeling is door Van der Goes & Groot een quickscan uitgevoerd naar de effecten van de ontwikkeling op beschermde soorten en gebieden. De rapportage van 12 mei 2021 is bijgevoegd in de bijlagen bij voorliggende onderbouwing. De resultaten worden in deze paragraaf per onderdeel beschreven. Soortenbescherming Beschermde soorten Wet natuurbescherming  Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen.  Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen ‘vrijgestelde’ soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan.  In het projectgebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli.

 Teneinde de vestiging van overwinterende Rugstreeppadden in het projectgebied te voorkomen, dienen opgeslagen zandhopen te worden verwijderd voorafgaand aan het overwinteringsseizoen van de Rugstreeppad of te worden afgeschermd met folie of een zogenaamd ‘amfibieënscherm’.  Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het projectgebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel

Mees Ruimte & Milieu | 21191.RO

Pagina | 44

groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. In de bebouwing/bomen rondom het projectgebied kunnen mogelijk vleermuizen verblijven. Tijdens de werkzaamheden moet worden voorkomen dat ’s nachts felle verlichting aan blijft staan, zodat eventueel aanwezige verblijfplaatsen van vleermuizen in de omgeving van het projectgebied niet worden verstoord.

In het onderzoek is expliciet ingegaan op pionierssoorten, daaruit volgt dat:  Rugstreeppad: Teneinde de vestiging van overwinterende Rugstreeppadden in het plangebied te voorkomen, dienen opgeslagen zandhopen te worden verwijderd voorafgaand aan het overwinteringsseizoen van de Rugstreeppad of te worden afgeschermd met folie of een zogenaamd ‘amfibieënscherm’.  In de voortplantingsperiode van de Rugstreeppad (april t/m augustus) moet worden voorkomen dat kleine watertjes ontstaan op het bouwterrein. Rugstreeppadden gebruiken voor de voortplanting kleine watertjes in pionierssituaties zoals bijvoorbeeld water dat blijft staan in rijsporen op een bouwterrein.  Oeverzwaluw: Oeverzwaluwen graven nestholtes in zandhopen, en komen daardoor regelmatig op bouwplaatsen voor. Adviezen om de vestiging van Oeverzwaluwen tegen te gaan zijn: o Voorkom de aanwezigheid van steile wanden (hoek > 45 graden) door er voor te zorgen dat zandhopen in de vestigingsperiode van Oeverzwaluwen (april-juni) geëgaliseerd zijn. o Voorkom dat gegraven sleuven of bouwputten met steil talud aanwezig zijn in de vestigingsperiode van Oeverzwaluwen. Als in deze periode wel sleuven of bouwputten nodig zijn om de werkzaamheden uit te voeren zorg er dan voor dat de sleuf op het moment dat geen werkzaamheden plaatsvinden. Einde van werkdag, of weekend, afgedekt is doormiddel van bijvoorbeeld houten platen.

De wanden van een bouwput kan worden afgedekt met bijvoorbeeld gronddoek.  Kleine plevier: Voorkom dat in het broedseizoen van de Kleine plevier (eind maart t/m augustus) geschikt broedbiotoop aanwezig is voor de soort. Voorkom open, kaal, zanderig terrein met voldoende rust. Zet bouwmaterialen op het terrein en zorg voor voldoende menselijke activiteit  Voorkom plassen water op het terrein. Door de aanwezigheid van waterplassen op het terrein is een bouwplaats extra interessant als broedplek voor deze soort. Zorgplicht Voor alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving geldt de zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1). Teneinde de zorgplicht na te leven kan men voorafgaand aan de werkzaamheden de volgende praktische richtlijnen hanteren:  Alle aanwezige bebouwing, vegetatie of bodemmateriaal kan gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft bodembewonende dieren de kans om in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten;  Ontzie groen en groenvoorzieningen zoveel als mogelijk tijdens de werkzaamheden en bij het (tijdelijk) opslaan van machines en materialen. Gebruik zo klein mogelijke werkbreedtes en gebruik eventuele bouwwegen zowel voor aanvoer als afvoer.  Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zodanig worden gewerkt dat richting te behouden leefgebied van aanwezig fauna wordt gewerkt en dieren niet ingesloten raken en (meer) kans hebben te vluchten.

 Het verwijderen van groen kan zoveel mogelijk beperkt worden of na de werkzaamheden kan nieuw groen aangeplant worden op dezelfde locaties als waar groen verwijderd wordt. Houdt bij werkzaamheden rondom groenvoorzieningen een zo smal mogelijke werkbreedte aan.  Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zoveel mogelijk van bestaande paden gebruik gemaakt worden, of kunnen nieuw gecreëerde paden herhaaldelijk worden gebruikt om insporing en potentiële verstoring te beperken.

Mees Ruimte & Milieu | 21191.RO

Pagina | 45

 

Om schade aan vissen en amfibieën te beperken moeten de werkzaamheden aan wateren en oevers zoveel mogelijk worden uitgevoerd in de periode augustus tot en met oktober in verband met de perioden van voortplanting en overwintering. Uit de te dempen wateren kunnen amfibieën (alle stadia) of vissen verdreven worden door van ‘dicht’ naar ‘open’ te werken en geen dieren in te sluiten. Als dit niet mogelijk is kunnen de dieren weggevangen worden door de wateren af te dammen en het waterniveau te verlagen. Deze dieren kunnen vervolgens worden overgebracht naar een geschikt water in de nabije omgeving. Bij de sloop- en bouwwerkzaamheden moet voorkomen worden dat ’s nachts met sterke bouwverlichting wordt gewerkt.

Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het projectgebied ten opzichte van beschermde gebieden is buiten indirecte gevolgen door toegenomen stikstofemissie, op voorhand uit te sluiten dat andere natuurwetgeving dan die beschreven in hoofdstuk 3 en 4 aan de orde is bij uitvoering van de plannen. Ten behoeve van het aspect stikstof dient rekening gehouden te worden met de Natura 2000-gebieden rondom de projectlocatie. Nabij de projectlocatie zijn de navolgende Natura 2000-gebieden gesitueerd:   

Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein op circa 4,6 km afstand Nieuwkoopse Plassen & De Haeck op circa 10,1 km afstand De Wilck op circa 13,0 km afstand

In het kader van de beoogde ontwikkeling is derhalve een onderzoek naar stikstofdepositie in de gebruiksfase uitgevoerd, met kenmerk RoVuvKMaWsfP. Het onderzoek is toegevoegd aan de ruimtelijke onderbouwing (zie bijlage 3). Op basis van paragraaf 4.10. blijkt in de toekomstige situatie sprake te zijn van een verkeersgeneratie van 958 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De toename bedraagt echter 727 bewegingen. In de berekening is worst case uitgegaan van 958 bewegingen. In de berekening is uitgegaan van tien motorvoertuigbewegingen ten behoeve van de kantoorfunctie. Ten aanzien van de functie ‘Bedrijfsarbeidsextensief / bezoekersextensief’ geldt dat sprake is van een onderverdeling in licht verkeer (80%), middelzwaar verkeer (5%) en zwaar verkeer (15%). De afgerond 950 motorvoertuigbewegingen per etmaal voor deze functie zijn in de berekening als volgt onderverdeeld: - licht verkeer: 760 motorvoertuigbewegingen per etmaal; - middelzwaar verkeer: 48 motorvoertuigbewegingen per etmaal; - zwaar verkeer: 143 motorvoertuigbewegingen per etmaal; In totaal zal de ontwikkeling een verkeersgeneratie van 958 verkeersbewegingen per etmaal. In de stikstofdepositieberekening is op basis van CROW-kengetallen uitgegaan van de volgende verdeling: 770 verkeersbewegingen licht verkeer, 48 verkeersbewegingen middelzwaar vrachtverkeer en 143 zwaar vrachtverkeer.

In de berekening wordt uitgegaan van een gelijkwaardige verkeersstroom richting de A12 als Gouda in. Om te bepalen in hoeverre deze voertuigen in de file staan is op basis van de NSL-monitoringstool de stagnatiefactor bepaald. Rondom de projectlocatie is de stagnatiefactor op de wegen maximaal 25%. In de AERIUS-calculator is derhalve een filepercentage van 25% opgenomen Uit de berekening welke is uitgevoerd door Mees Ruimte & Milieu op 24 februari 2023 volgt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar zijn. Het aspect stikstof vormt geen belemmering bij de realisatie van het voorgenomen initiatief en het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is dan ook niet noodzakelijk. Het is dan ook niet nodig gebruik te maken van eventueel vrijgekomen ruimte in het stikstof registratiesysteem.

Mees Ruimte & Milieu | 21191.RO

Pagina | 46

Daarnaast is ook voor de aanlegfase een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Voor de aanlegfase worden ook geen rekenresultaten berekend hoger dan 0,00 mol/ha/jaar, zie ook bijlage 5 bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Aanbevelingen ter bevordering van natuur Met behulp van enkele eenvoudige maatregelen kan de natuur ter plaatse van de projectlocatie versterkt worden en krijgen en planten en dieren ook in nieuwe ontwikkelingslocaties de ruimte. Hiervoor worden voor dit plan de volgende aanbevelingen gedaan:  Het verbreden van wateren rondom planpercelen en de aanleg van natuurvriendelijke oevers;  Het plaatsen van vleermuiskasten of geschikt maken of open houden van spouwmuren van nieuwbouw voor vleermuizen;  Plaatsen van voorzieningen voor Huismussen, Spreeuwen en Gierzwaluwen d.m.v. speciale dakpannen, vogelvides of inmetselstenen;  Het plaatsen van zogenaamde ‘insectenhotels’ aan de muren van de bebouwing, in tuinen of in bestaande of aan te planten groenstructuren;  Beplanten en aanleggen van groenstructuren met inheemse soorten zoals meidoorn, Wilde liguster, Klimop en Sleedoorn die insecten, vogels en vlinders kunnen aantrekken.

Beplanting kan het beste aaneengesloten worden aangelegd omdat daarmee routes ontstaan voor soorten als Egel, muizen en vleermuizen;  Indien bij de inrichting van het projectgebied ook gemetselde muren gerealiseerd worden kunnen hierbij speciale materialen toegepast worden die veel sneller dan gebruikelijk een groeiplaats bieden voor muurplanten.

4.9.3. Conclusie Het aspect natuur vormt een randvoorwaarde voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie, maar leidt niet tot belemmeringen. Aangezien de ontwikkeling niet leidt tot een toename van stikstofdepositie levert ook dit aspect geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling.

4.10 VERKEER EN PARKEREN 4.10.1. Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld. Gemeentelijk beleid De gemeente Gouda heeft op 21 november 2018 het bestemmingsplan “Parapluherziening Parkeren Gouda” vastgesteld. Met het verdwijnen van de grondslag voor het toetsen aan stedenbouwkundige aspecten in de gemeentelijke bouwverordeningen, is het wenselijk op een andere wijze te voorzien in een toetsingskader voor parkeren. Met het parapluplan wordt voor het gehele gemeentelijke grondgebied voorzien in een kader waaraan ontwikkelingen kunnen worden getoetst op parkeeraspecten. In de parapluherziening is opgenomen dat ontwikkelingen aan het van toepassing zijnde parkeerbeleid en de daarbij behorende normen moeten voldoen. Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van de parkeernormen indien op andere wijze in de nodige parkeerruimte wordt voorzien of in situaties waar het algemeen belang is gediend. De gemeente kan in voorkomende gevallen maatwerk bieden.

In het parkeerbeleid wordt onderscheid gemaakt tussen drie verschillende zones:  Zone A: dit betreft het centrum van Gouda. Deze zone wordt begrensd door de Hollandsche IJssel en de volgende singels: Kattensingel, Blekerssingel, Fluwelensingel en Tufsingel;

Mees Ruimte & Milieu | 21191.RO

Pagina | 47

 

Zone B: dit betreft een zone rondom het centraal station en wordt begrensd door: Burgemeester Jamessingel, Spoorstraat, Kattensingel, Crabethstraat en Stationsplein; Zone C: dit betreft het overige deel van het gemeentelijk grondgebied.

4.10.2. Relatie tot ontwikkeling Auto (parkeren) De projectlocatie ligt, conform de Parapluherziening, in zone C. Aldaar gelden volgens bijlage 1 van de “Parapluherziening Parkeren” de parkeernormen voor de beoogde functies: Voor een kantoor zonder baliefunctie geldt een norm van 1,2 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. Voor een opslaglocatie geldt een norm van 0,7 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. Voor de beoogde bedrijfsruimte op de begane grond is in het Parapluplan niet een specifieke parkeernorm opgenomen. Aangezien daar goederen worden opgeslagen die vervolgens bij mensen thuis worden bezorgd, sluit het beoogde gebruik het beste aan bij de functie “opslaglocatie” of “transportbedrijf”. Voor zowel een loods, opslaglocatie, groothandel als een transportbedrijf geldt een norm van 0,7 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. Voor de bedrijfsruimte op de begane grond wordt aangesloten bij deze norm. Parkeerbalans conform de parkeernormen Omschrijving Bedrijfsruimte tbv opslag (1.100 m2 bvo) Kantoorruimte gebouw 1 (200 m2 bvo) Bedrijfsruimte begane grond gebouw 1 en 2 (2.250 m2 bvo) Opslagboxen begane grond en verdiepingen gebouw 1 en 2 (200 + circa 3.900 m2 bvo op vier verdieping: in totaal maximaal 16.000 m2) Totaal aantal parkeerplaatsen

Zone C Norm per 100 m 2 bvo 0,7 1,2 0,7

Som

Totaal Norm totaal

0,7 x 11 1,2 x 2 0,7 x 22,5

7,7 2,4 15,75

0,7

0,7 x 160

112 137,85

De parkeerbehoefte voor de opslag van goederen op de begane grond bedraagt conform de parkeernormen (11 x 0,7) + (2 x 1,2) = 10,1 parkeerplaatsen. De initiatiefnemer heeft echter de wens om te beschikken over 20 parkeerplaatsen. Hier wordt dan ook rekening mee gehouden. Deze parkeerplaatsen hebben een dubbele functie. Op deze parkeerplaatsen worden in beginsel de EPV’s van PicNic geparkeerd (dit zijn de voertuigen waarmee PicNic de bestellingen bezorgd). Wanneer een werknemer aan zijn werkdag begint, zal hij zijn auto parkeren op de plaats van een PicNic EPV. Wanneer de werknemer klaar is met werken, worden de voertuigen weer omgewisseld (werknemer gaat in zijn eigen auto naar huis en parkeert de EPV weer op de parkeerplek). Om die reden worden de parkeerplaatsen voor de werknemers / de EPV’s van PicNic dan ook gerealiseerd conform de NEN-normering voor een personenauto en niet op de smallere PicNIc EPV. De verdiepingen van zowel gebouw 1 als gebouw 2 zullen worden gebruikt door XLBox. Voor de invulling als gevolg van XLBox geldt dat op andere wijze in de parkeerbehoefte wordt voorzien. De opslagboxen op de verdiepingen van de bebouwing (dit geldt voor zowel gebouw 1 als 2) zijn via een hellingbaan met de auto bereikbaar. Voor de opslagboxen is ruimte om te parkeren. Bezoekers en gebruikers van de boxen kunnen op die manier inpandig voor de box parkeren.

Aangezien inpandig voldoende ruimte is om te parkeren wordt ten behoeve van deze opslagboxen geen extra parkeerbehoefte verwacht die op het terrein moet worden opgelost. Zekerheidshalve worden maximaal 10 parkeerplaatsen gerealiseerd voor werknemers. Gezien het specifieke beoogde gebruik ter plaatse van de verdiepingen zijn daarvoor geen parkeerplaatsen op het terrein nodig. De bezoekers kunnen hun auto namelijk inpandig parkeren. Voor de overige functies wordt op het terrein voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd. Ter plaatse van het terrein is namelijk ruimte voor ten minste 46 parkeerplaatsen. Hiermee kan worden voorzien in de parkeerbehoefte van de functies op de begane grond (20 + 16) en wordt tevens rekening gehouden met het parkeren van werknemers (10 parkeerplaatsen) op het terrein. Mees Ruimte & Milieu | 21191.RO

Pagina | 48

Fiets (parkeren) Naast het voorzien in voldoende parkeerplaatsen voor de auto dient ook te worden voorzien in genoeg stallingsruimte voor de fiets. Voor fietsparkeren is het Parkeerplan Gouda 2020 vastgesteld door de raad van de gemeente Gouda. Om te kunnen bepalen wat de fietsparkeerbehoefte is en hoeveel parkeerplaatsen aangelegd moeten worden, heeft het CROW fietsparkeerkencijfers ontwikkeld welke regelmatig geactualiseerd worden. Voor niet-woonfuncties wordt verwezen naar de fietsparkeerkencijfers 2019 van het CROW uit bijlage 1 bij het Parkeerplan Gouda 2020. Er word in bijlage 1 geen onderscheid gemaakt in verschillende bedrijvigheid, enkel kantoren. Voor de beoogde bedrijfsgebouwen worden derhalve de fietsparkeerkencijfers van kantoren aangehouden (zie onderstaande tabel). In het kader van de omgevingsvergunning voor het aspect bouwen zal worden aangetoond dat wordt voorzien in voldoende fietsparkeerplaatsen. Figuur 23. Fietsparkeerkencijfers niet-woonfuncties, bijlage 1 Parkeerplan Gouda 2020

Verkeersgeneratie Voor de verkeersgeneratie naar aanleiding van de voorgenomen ontwikkeling worden de kengetallen van het CROW (publicatie 381) gebruikt. De gemeente Gouda, waar de projectlocatie ligt wordt, met een omgevingsadressendichtheid van 2.503, aangemerkt als zeer sterk stedelijk. Binnen Gouda ligt de projectlocatie in de rest bebouwde kom (overeenkomstig met zone C uit de Parapluherziening Parkeren). Voor deze gebiedsbepaling geldt een range van een minimale en maximale verkeersgeneratie. Voor het bepalen van de verkeersaantrekkende werking ten behoeve van de stikstofdepositieberekening wordt uitgegaan van de maximale kengetallen. Op basis van deze gegevens wordt de maximale verkeersgeneratie van de woningen en voorzieningen bepaald (zie onderstaande tabel). De verkeersgeneratie wordt daarmee worst-case ingezet. Figuur 24. Verkeersgeneratie per etmaal gebruiksfase

Soort voorziening

Gehanteerde functie

Kantoorruimte gebouw 1 (200 m2 bvo) Bedrijfsruimte begane grond gebouw 1 (1.100 m2 bvo)

Kantoor (zonder baliefunctie) Bedrijf arbeidsextensief/ bezoekersextensief Bedrijf arbeidsextensief/ bezoekersextensief

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=2e016233-fdc4-4606-b84b-cf293f833994