CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Onderbouwing ETFAL Goejanverwelledijk 85 en 87

Raadsvergadering 5 november 2025, gemeente GoudaBij agendapunt: Omgevingsvergunning Goejanverwelledijk 85-87 (Hamerpunt)24.848 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Onderbouwing ETFAL (evenwichtige toedeling van functies aan locaties) 29

omgevingsvergunning Goejanverwelledijk 85 en 87, Gouda

Bouwen voor een gevarieerd woon- en leefmilieu; Gemengde wijken; Verduurzaming voorraad tot een toekomstbestendige woningvoorraad; Toegang tot de woningmarkt voor iedereen; Wonen met zorg: langer zelfstandig thuis en een plek voor kwetsbare groepen. De behoefte aan voldoende woonruimte vereist sturing op het gebied van betaalbaarheid, toekomstbestendigheid, variatie in aanbod en inpassing in de stad. Belangrijk voor alle nieuwbouw en transformatieprojecten is dat er voldoende betaalbare woningen worden gebouwd. Het uitgangspunt is 1/3e sociale huur en 1/5e middenhuur en/of bereikbare koop. In de Woonvisie 2015-2020 was opgenomen dat dit aandeel voor sociale huur geldt voor projecten van 60 woningen of meer. Inmiddels is duidelijk dat ontwikkelende partijen steeds vaker projecten van 59 woningen bouwen om aan deze norm te ontkomen. Gouda wil dat er voldoende betaalbare woningen gebouwd worden en dat er een gelijk speelveld is voor ontwikkelende partijen. Daarom wil ze de grens niet meer hanteren voor nieuwe ontwikkelprojecten. Dit geldt niet voor projecten waarvoor al een overeenkomst is gesloten. Conclusie Het plan voorziet in het planologisch omzetten van de bestaande woonboerderij en zomerwoning naar wonen en het toevoegen van één nieuwe woning.

De spelregels voor woningbouwprogrammering van 33% sociale huur, 20% middensegment (waartoe behoren middenhuur en bereikbare koop) en 47% vrijesector huur of koop kunnen niet op deze locatie of elders in Gouda worden gerealiseerd. Voor dit bouwplan wordt afgeweken van de Woon(zorg)visie (woonprogramma). Reden is dat de planvorming al in 2021 is gestart en dat tijdens het planproces het beleid is veranderd, bovendien komen de planologische en feitelijke situatie niet overeen. Dit plan levert een bijdrage aan de geformuleerde ambitie voor doorstroming (het toevoegen van permanente koopwoningen voor de doelgroep doorstromers). 4.4.4 Nota cultuurhistorie Nota Cultuurhistorie gemeente Gouda De Nota Cultuurhistorie behandelt het cultuurhistorisch erfgoed zoveel mogelijk integraal (monumentenzorg, archeologie en landschapsbehoud). Centraal staat het streven het cultuurhistorisch erfgoed een bijdrage te laten leveren aan de eigen identiteit en herkenbaarheid van Gouda waarbij optimaal gebruik gemaakt wordt van haar bestaande kwaliteiten. Samen met de erfgoedvisie vormt de nota het cultuurhistorisch beleidskader voor de begeleiding van bouwinitiatieven. Voor het gemeentelijke monument is een bouwhistorisch onderzoek uitgevoerd, hoewel er in het kader van deze aanvraag omgevingsvergunning hieraan geen ingrepen plaatsvinden. In paragraaf 3.1.1 is hierop ingegaan.

Toetsing plan Bouwplannen voor beschermde monumenten zijn veelal niet vergunningvrij, ook niet welstandsvrij. Het bestaande gemeentelijke monument aan de Goejanverwelledijk 85 en 87 wijzigt alleen van functie. Beide gebouwen worden (volwaardige) burgerwoningen zonder dat er uitwendige ingrepen plaatsvinden. De monumentale waarden blijven gerespecteerd. De cultuurhistorische analyse is opgenomen in paragraaf 6.2.2. Conclusie De vervolgfunctie van het agrarisch bedrijfscomplex naar wonen tast de doelen van de Nota Cultuurhistorie niet aan, omdat geen bouwkundige aanpassingen plaatsvinden aan het gemeentelijke monument. 4.4.5 HistorischeLintenvisie De gemeente kent belangrijke historische linten die als een samenhangende draad door de stad lopen. Het gaat om wegen, dijken, maar ook rivieren en grachten. Een lint is nooit enkel 1 lijn. Het is altijd een samenhangend geheel van weg, bomen, bruggen, watergangen, etc. Verschillende linten kunnen met elkaar te maken hebben of elkaar kruisen. De omgeving van de linten is ook belangrijk, zoals de polder waar een weg doorheen loopt of de bebouwing die langs het lint staat. In de visie heet dit een lintzone en de invloedsfeer van een lint. Er zijn kaarten gemaakt waarop de linten, de lintzones en de invloedssferen zijn getekend en alle linten zijn gefotografeerd. De Historische Lintenvisie heeft 3 doelen:

30

Onderbouwing ETFAL (evenwichtige toedeling van functies aan locatie

omgevingsvergunning Goejanverwelledijk 85 en 87, Gouda

Vastleggen welke historische wegen en waterwegen van grote betekenis voor de stad van nu zijn; Benoemen welke kernkwaliteiten deze linten voor de stad hebben; De afspraak vastleggen dat deze kwaliteiten betrokken zullen worden bij het maken van het Omgevingsplan. Het is niet nieuw dat linten belangrijk gevonden worden. Er zijn al eerder visies gemaakt om de uitzonderlijke kwaliteiten van linten vast te leggen, bijvoorbeeld voor de Hollandsche IJssel en voor de Bloemendaalseweg. Ook is al in bestemmingsplannen en in de welstandsnota bepaalt dat de historische linten belangrijk zijn voor de stad. Toetsing planinitiatief In de Historische lintenvisie is de Goejanverwelledijk genoemd. Het plangebied ligt ten noorden hiervan (figuur 9). De visie draait om de cultuurhistorische waarde van een lint en lintzones, niet om het benoemen en beschermen van individuele gebouwen of gebouwensembles. De stedenbouwkundige en architectuurhistorische betekenis speelt een rol, maar alleen vanuit de kernkwaliteiten van het lint, niet vanuit de individuele, intrinsieke waarde van de architectuur. Verder heeft de visie alleen betrekking op linten, niet op kavels. De kernkwaliteiten en beschermende regels van het historische lint worden als gevolg van deze functiewijziging niet aangetast. De boerderij en het zomerhuis blijven behouden.

Alleen de hierachter gelegen paarden-/koeienstal en varkensschuur worden gesloopt om plaats te maken voor respectievelijk een kleiner bijgebouw en een schuurwoning. Bij deze herontwikkeling wordt rekening gehouden met de kernwaarden van de historische lintenzone. Conclusie De vervolgfunctie van het agrarisch bedrijfscomplex naar wonen tast de doelen van de Historische Lintenvisie niet aan.

Figuur 9: Overzicht historische linten. Plangebied met rode stip aangeduid.

Onderbouwing ETFAL (evenwichtige toedeling van functies aan locaties) 31

omgevingsvergunning Goejanverwelledijk 85 en 87, Gouda

4.4.6 Structuurvisie Groen Als vervolg op de eerder in december 2017 vastgestelde beleidsnotitie 'Groen, groener, Gouda' heeft de gemeenteraad van Gouda in zijn vergadering van 6 maart 2019 de Structuurvisie Groen vastgesteld. Daarin is opgenomen dat Gouda bij planontwikkelingen randvoorwaarden wil meegeven voor te realiseren groen. Het doel is vergroten van de leefbaarheid door een toename van openbaar groen; het doel vanuit klimaatadaptatie is het bevorderen van maatregelen om de capaciteit van waterberging te vergroten en wateroverlast en hittestress te verminderen. Gouda heeft binnenstedelijk relatief weinig openbaar groen; er is met de nabije Reeuwijkse plassen en Krimpenerwaard wel groene ruimte buiten de stad, maar deze kan de functie van binnenstedelijk openbaar groen in veel opzichten niet vervangen. Er worden veranderingen in het klimaat voorzien, waardoor er in de zomer zware regenbuien te verwachten zijn. Bij veel verharding en weinig open grond of groene daken leiden die tot grootschalige plasvorming en onderlopen van straten en pleinen. Eveneens worden door de klimaatverandering op andere momenten in de zomer warmere tot hete periodes verwacht dan nu. Een stedelijke omgeving warmt door de gebouwen hoe dan ook meer op dan groen buitengebied.

Om de hittestress in stedelijk gebied te dempen zijn groene plekken van enig formaat, grote bomen, waterpartijen, groene daken en gevels een geschikt middel. Een als groen ervaren woonomgeving blijkt positief te scoren in de waardering van bewoners voor hun woonomgeving. Groen blijkt gunstig voor de gezondheid van mensen, zowel psychisch (vermindering van stress) als fysiek (uitnodiging tot meer bewegen). Gouda vindt het daarom belangrijk dat er in het algemeen voldoende groen in de stad beschikbaar is. Uitgangspunt is dat bouwende partijen het aanwezige groen behouden en ook nieuw groen aanleggen. Indien een projectontwikkelaar aanwezig groen niet behoudt of onvoldoende nieuw groen aanlegt, moet er financieel gecompenseerd worden door storting van een bijdrage in het Groenfonds. Met de financiën uit dit fonds kan op een andere plek alsnog openbaar groen worden aangelegd. Om het stellen van randvoorwaarden bij planontwikkelingen mogelijk te maken, is een basis nodig in de vorm van een structuurvisie, die hier tevens in beleidsregels is uitgewerkt. De structuurvisie richt zich in hoofdzaak op openbaar gebied en niet op particuliere tuinen. Beleidsregels Eerste beleidsregel: De oppervlakte bestaand openbaar groen en water, en het aantal bestaande bomen worden ten minste behouden.

Deze beleidsregel vormt het uitgangspunt bij planontwikkelingen (ook bij de aanpassing of vernieuwing van een bestemmingsplan). Tweede beleidsregel: Bij planontwikkelingen dient een oppervlakte ter grootte van ten minste 15% van het totale projectgebied openbaar groen te worden. Deze regel dient om bij planontwikkelingen voldoende groen in de stad aan te leggen. Derde beleidsregel: Als het niet haalbaar blijkt om binnen het projectgebied de vereiste 15% openbaar groen te ontwikkelen dan is het mogelijk: 1. binnen het projectgebied compenserende maatregelen te treffen tot maximaal 50% van de opgave voor openbaar groen; 2. de opgave voor openbaar groen te realiseren op andere locaties in dezelfde wijk als waarin het projectgebied ligt. Het te realiseren openbaar groen buiten het projectgebied dient binnen een jaar na oplevering van het projectgebied te zijn aangelegd. Vierde beleidsregel: Voor iedere niet gerealiseerde of gecompenseerde vierkante meter openbaar groen is een compensatiebijdrage aan de gemeente verschuldigd van € 250 per m² (prijspeil 2019). Het bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd volgens de Grond-, weg- en waterbouwindex uit het Meerjarenperspectief Grondexploitaties. Vijfde beleidsregel: Het college heeft de bevoegdheid te besluiten tot ontheffing of afwijking van de beleidsregels 2, 3 en 4, indien toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Daarbij kunnen naast de doelstellingen van de Structuurvisie Groen onder andere overwegingen vanuit volkshuisvesting, verkeer, parkeren en cultuurhistorie een rol spelen. Beoordeling planinitiatief Het plangebied is groot 9.285 m². Op grond van beleidsregel 2 dient 15% groen te worden aangelegd,

32

Onderbouwing ETFAL (evenwichtige toedeling van functies aan locatie

omgevingsvergunning Goejanverwelledijk 85 en 87, Gouda

afgerond 1.392,75 m². Binnen het plangebied wordt voormalige agrarische bebouwing gesloopt en een schuurwoning toegevoegd. Binnen het plangebied blijft voldoende groen aanwezig zoals weergegeven in figuur 4. Bomen wordfen behouden dan wel vervangen zoals opgenomen in het Landschapsinpassingsplan (zie hiervoor Bijlage 3). De oppervlakte aan groen is ruim meer dan 15% van de planlocatie, zijnde ca. 4.925 m². Voldaan wordt aan de voorwaarden uit de Structuurvisie Groen. Conclusie In het plangebied is bestaand groen aanwezig. Het plan voorziet in het planologisch omzetten van de bestaande woonboerderij en zomerwoning naar wonen en het toevoegen van één nieuwe woning. De bomen in het plangebied worden behouden dan wel vervangen. Voldaan wordt aan de voorwaarden van de Structuurvisie Groen. 4.4.7 Herziening welstandsbeleid 2017 De gemeenteraad van Gouda heeft op 17 mei 2017 de 'Herziening welstandsbeleid 2017' vastgesteld. In deze nota staan beoordelingskaders en toetsingscriteria waaraan bouwplannen op architectonische kwaliteit worden getoetst aan het welstandsbeleid als gereedschap voor de ruimtelijke kwaliteit. De Welstandsnota in Gouda bestaat uit twee delen (A en B). Deel A heeft betrekking op het ruimtelijk kwaliteitsbeleid, de beleidsuitgangspunten voor het welstandsbeleid (de algemene toetsingscriteria).

Deel B is de praktische uitwerking van deel A met welstandscriteria voor regulier beleid, welstandsluw en bijzonder beleid. Hier staan naast gebiedsbeschrijvingen en de gebiedsgerichte welstandscriteria ook beschrijvingen van veel voorkomende stijlen/stijlperiodes en stijlgerichte welstandscriteria. Welstandsvrij Voor een aantal categorieën en gebieden heeft het gemeentebestuur ervoor gekozen om deze (grotendeels) welstandsvrij te maken. De achterliggende doelstellingen hierbij zijn zoals eerder aangegeven het stimuleren van ontwikkelingen en het verminderen van regel- en lastendruk voor burgers en ondernemers. Na een schouw van de actuele stand van zaken in de verschillende gebiedsdelen van Gouda en evaluatie van het tot nu toe gevoerde beleid is besloten ten aanzien van een aantal categorieën aanvragen tot een maximale bouwsom van € 100.000 (incl. BTW) het welstandstoezicht los te laten. Voor aanvragen met een hogere bouwsom dan € 100.000 (incl. BTW) en specifiek aangewezen gebieden wordt het toezicht wel gehandhaafd. In sommige gebieden worden nog wel voor enkele planvormen richtlijnen op hoofdlijnen/hoofdregels opgesteld waaraan voldaan moet worden. Deze richtlijnen hebben tot doel te voorkomen dat een te grote aantasting van de architectuur of stedenbouwkundige kwaliteit plaatsvindt.

Regulier welstandstoezicht Voor de overige, niet genoemde categorieën en gebieden, blijft het welstandstoezicht wel van toepassing, te weten voor onder andere aanvragen met bouwsommen boven € 100.000. Toetsing plan Op de Welstandskaart maakt het plangebied onderdeel uit van nummer D11, Goverwelle - alle buurten. In dit gebied is er een beperkt toezicht voor plannen vanaf € 100.000,-. Het bouwplan is om advies voorgelegd aan de adviescommissie Omgevingskwaliteit. Conclusie Het bouwplan is welstandsplichtig. Het advies van de adviescommissie ruimtelijk beleid is verwerkt in het definitieve bouwplan. Met inachtneming hiervan voldoet het plan aan redelijke eisen van welstand. 4.4.8 Duurzaamheid en klimaatadaptatie De rijksoverheid heeft de ambitie om in 2050 CO2-neutraal en klimaatbestendig te zijn. Gouda heeft als ambitie om dit in 2040 voor haar gemeente te bereiken. In Gouda zijn op gebied van duurzaamheid de volgende gemeentelijke beleidsstukken leidend: Uitvoeringsprogramma duurzame ontwikkeling Gouda 2020 Duurzaamheidsplan Gouda 2025 Convenant klimaatadaptief bouwen (en Leidraad klimaatadaptief bouwen - provincie)

Onderbouwing ETFAL (evenwichtige toedeling van functies aan locaties) 33

omgevingsvergunning Goejanverwelledijk 85 en 87, Gouda

4.4.8.1 Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid Gouda 2020 Het Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid van de gemeente Gouda heeft als doel om Gouda in 2040 CO2-neutraal en aardgasvrij te maken. Dit wordt onder andere gedaan door middel van het Gouds Isolatie Programma (GIP) en de Transitievisie Warmte. Het programma omvat maatregelen voor isolatie van woningen, de aanpak van energiearmoede, en het verduurzamen van gemeentelijk vastgoed. Doelstelling is: CO2-neutraal en aardgasvrij Gouda in 2040. De schuurwoning wordt duurzaam gebouwd volgens de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Zo wordt deze niet meer aangesloten op het aardgasnet en krijgt de woning zonnepanelen. overige nader te onderzoeken maatregelen zijn onder andere: warmteopslag in de grond of warmtepomp via de lucht; warmteterugwinning vanuit ventilatie en vanuit douchewater; opvang en recyclen van regenwater. Bij uitwerking van het bouwplan wordt gestreefd naar het bouwen van een bijna energie neutrale woning. De bebouwing wordt gebouwd overeenkomstig de eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving. 4.4.8.2 Duurzaamheidsplan Gouda 2025 Het klimaat verandert. De gemeente ziet de gevolgen hiervan wereldwijd steeds vaker. Ook in Nederland kennen we inmiddels langere periodes van hitte en droogte én zwaardere regenbuien.

Hier moet de gemeente zich niet alleen op voorbereiden, zij moet ook haar verantwoordelijkheid nemen en haar aandeel leveren om klimaatverandering tegen te gaan. Om bij te dragen aan het behalen van de klimaatdoelen, neemt de gemeente graag de sprong voorwaarts: zij wil in 2040 CO2-neutraal zijn. Een stevige ambitie, die vraagt om een integrale blik: "zo geven we Gouda door". In het Duurzaamheidsplan benoemt de gemeente haar huidige inzet op de thema’s wonen, vervoer, lokale ondernemingen en de gemeentelijke organisatie. Naast eerder vastgesteld beleid en acties die al zijn ingezet, benoemt zij ook mogelijke extra maatregelen: zowel de stappen die we op een later moment kunnen nemen als de mogelijkheden waar de gemeente verder onderzoek naar wil doen. 4.4.8.3 Convenant Klimaatadaptief Bouwen Nieuwbouwlocaties in Zuid-Holland worden zoveel mogelijk klimaatadaptief gebouwd, zodat ze bestand zijn tegen weersextremen als gevolg van klimaatverandering. Deze ambitie is vastgelegd in het Convenant Klimaatadaptief Bouwen van de provincie Zuid-Holland. Gouda heeft het convenant Klimaatadaptief Bouwen Zuid-Holland ook ondertekend en committeert zich zo aan het klimaatbestendig ontwikkelen. Het doel van het convenant is het verminderen van wateroverlast, hittestress, droogte en bodemdaling en het vergroten van de biodiversiteit.

De schuurwoning wordt gebouwd overeenkomstig de uitgangspunten van het convenant Klimaatadaptief bouwen (2018). Voor dit project is klimaatadaptief bouwen niet aan de orde gezien de beperkte schaal van de ontwikkeling. Bovendien neemt het bebouwd oppervlak af, is het geen risicogebied vanuit de stresstesten en er is voldoende groen aanwezig. 4.4.8.4 Klimaatadaptatie/ risico's van klimaatverandering Het klimaat in Nederland verandert. Het KNMI verwacht hogere temperaturen, nattere winters, hevigere regenbuien en kans op drogere zomers. Dit heeft gevolgen voor de stedelijke omgeving, bijvoorbeeld door meer wateroverlast, grondwaterproblemen en hittestress. Landelijk zijn deze problemen geadresseerd in de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie (DPRA). Overheden kunnen hierbij gebruik maken van het stappenplan "weten, willen en werken" om het proces naar een klimaatbestendige inrichting vorm te kunnen geven. De gevolgen van de risico's van klimaatverandering zijn beoordeeld voor zover het betreft de risico's ten aanzien van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte en e. bodemdaling. Hierbij is gebruik gemaakt van de klimaateffectatlas. Wateroverlast door overvloedige neerslag In onderstaande tabel zijn de relevante parameters van de klimaateffectatlas in beschouwing genomen. Onderdeel Oordeel en conclusie

34

Onderbouwing ETFAL (evenwichtige toedeling van functies aan locatie

omgevingsvergunning Goejanverwelledijk 85 en 87, Gouda

Waterdiepte bij hevige bui – 70 mm / 2 uur Lokaal maximaal tot 5 cm. Oplosbaar, dus geen (1:100 jaar) belemmering. Waterdiepte bij hevige bui – 140 mm / 2 uur Lokaal maximaal tot 5 cm. Oplosbaar, dus geen (1:100 jaar) belemmering. Uit de analyse blijkt dat er voor de bestaande situatie en scenario 2050 Hoog geen risico is voor de ontwikkeling ten aanzien van het aspect ‘wateroverlast’. Overstroming In onderstaande tabel zijn de relevante parameters van de klimaateffectatlas in beschouwing genomen. Onderdeel Oordeel en conclusie Plaatsgebonden overstromingskans norm 2050 – Geen kans (bestaande en nieuwe bebouwing) 20 cm tot kleine kans: 1/300 tot 1/3.000 per jaar (overig) Plaatsgebonden overstromingskans huidige Geen kans (bestaande en nieuwe bebouwing) situatie – 20 cm tot kleine kans: 1/300 tot 1/3.000 per jaar (overig) Maximale overstromingsdiepte kaart middelgrote Geen kans (bestaande en nieuwe bebouwing) kans tot < 0,5 meter Uit de analyse blijkt dat er voor de bestaande situatie geen risico is voor de ontwikkeling ten aanzien van het aspect ‘overstroming’. Bij een doorbraak van een waterkering kan in dit gebied een waterschijf komen te staan met een hoogte van < 0,5 m. Bij de nieuwbouw zijn geen maatregelen nodig. Om het overstromingsrisico in te perken wordt overigens een vloerhoogte aangehouden dat vergelijkbaar is met het maaiveldniveau van woningen in de omgeving.

Hitte Hittestress is een term die aangeeft dat een sterk verhoogde gevoelstemperatuur optreedt, die onaangenaam en zelfs schadelijk kan zijn voor mens en dier. De aanwezigheid van veel verhard oppervlak verhoogt de gevoelstemperatuur en daarmee de hittestress, terwijl de aanwezigheid van schaduw en groen deze verlaagt. Door aanplant van bomen kan schaduw worden geboden. In onderstaande tabel zijn de relevante parameters van de klimaateffectatlas in beschouwing genomen. Oordeel en conclusie Onderdeel Hittestress door warme nachten 2050 Speelt nu niet; toekomstige toestand afhankelijk van keuzes bij inrichting en beheer. Ligging in stedelijk hitte-eiland Ligging binnen de invloedssfeer van stedelijk gebied. In 2050 0,4-0,6 c C warmer. Dit kan oplopen afhankelijk van de herinrichting van de omgeving. Het plangebied ligt in stedelijk gebied. Uit de analyse blijkt dat er voor de bestaande situatie geen sprake is van hittestress bij aanhoudende hitte. Voor de ontwikkeling is er geen risico ten aanzien van het aspect ‘hitte’. Belangrijk is om het gebouw warmtewerend te verbouwen. Door aanleg van groene parkeerplaatsen en behoud c.q. het aanplanten van nieuwe bomen in de tuin wordt hittestress enigszins beperkt.

Er is nu geen of weinig effect op de bestaande omgeving te verwachten, want het project is dermate klein dat er geen significant verschil zal zijn op het bestaande stedelijk hitte-eiland. Droogte In onderstaande tabel zijn de relevante parameters van de klimaateffectatlas in beschouwing genomen. Oordeel en conclusie Onderdeel Risico droogtestress Laag (jaarlijkse opbrengstderving < 10% bij gras bij hoog scenario) tot Matig (jaarlijkse opbrengstderving 10%-20% bij gras bij hoog scenario) Risico verschilzetting 2050 Niet beschikbaar op kaart. De bestaande functie is weinig droogtegevoelig. In de nieuwe beoogde ontwikkeling vindt er geen ophoging plaats. Bij uitwerking van het plan is infiltratie van hemelwater in de bodem mogelijk, omdat het plangebied niet volledig wordt verhard.

Onderbouwing ETFAL (evenwichtige toedeling van functies aan locaties) 35

omgevingsvergunning Goejanverwelledijk 85 en 87, Gouda

Bodemdaling In onderstaande tabel zijn de relevante parameters van de klimaateffectatlas van de provincie Zuid-Holland in beschouwing genomen. Onderdeel Oordeel en conclusie Bodemdaling 2020-2050 Beperkt 3 - 10 cm Bodemdaling door ophoging bij opbrengen > 100 cm. pakket zand of grond van 1 m dikte Uit de analyse blijkt dat er een beperkt risico is voor de ontwikkeling ten aanzien van het aspect ‘bodemdaling’. Er is sprake van twee bestaande woningen, die niet zijn onderheid. De boerderijwoning wordt niet gewijzigd. De bestaande zomerwoning zal worden voorzien van een nieuwe begane grondvloer met een paalfundering. Er vindt bij planrealisatie geen ophoging plaats, zodat er geen zettingsverlies optreedt. De nieuwe woning, carport en berging onder de hooiberg worden voorzien van een paalfundering. Deze woning daalt niet, omdat de palen van beton zijn. Er zijn verder geen maatregelen nodig. Conclusie In dit plan wordt één nieuwe schuurwoning toegevoegd. De woning wordt zonder gasaansluiting gerealiseerd. Bij uitwerking van het plan wordt rekening gehouden met de door de gemeente gehanteerde beleidsuitgangspunten op het gebied van Duurzaam Bouwen. Het convenant klimaatadaptief bouwen wordt in principe niet bij kleine ontwikkelingen als voorliggend plan toegepast, temeer daar het bebouwd oppervlak in dit plan afneemt. Het betreft geen risicogebied.

Vanuit de stresstesten is er voldoende groen aanwezig.

36

Onderbouwing ETFAL (evenwichtige toedeling van functies aan locatie

omgevingsvergunning Goejanverwelledijk 85 en 87, Gouda

Hoofdstuk 5 5.1

Water

Inleiding

Water en de fysieke leefomgeving hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de fysieke leefomgeving en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een weging van het waterbelang geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van deze weging is de relatie tussen planvorming op het gebied van de fysieke leefomgeving en de waterhuishouding te versterken.

5.2

Beleidskader Rijk, provincie en gemeente

5.2.1 Rijk Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Er wordt gewerkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Op grond van Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plannen voor water nodig. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Zo wordt in de geest van de Omgevingswet gewerkt. 5.2.2 Provincie Regionaal waterprogramma Zuid Holland 2022-2027 Provinciale Staten hebben op 9 maart 2022 het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft de provincie Zuid-Holland haar waterbeleid. In dit programma staat wat de provincie doet om uitvoering te geven aan de Europese richtlijnen die betrekking hebben op water (verplichte onderdelen). Het gaat om de volgende richtlijnen: Kaderrichtlijn Water; Grondwaterrichtlijn; Drinkwaterrichtlijn; Richtlijn Overstromingsrisico’s; Zwemwaterrichtlijn.

Naast deze verplichte onderdelen bevat het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 ook niet-verplichte onderwerpen, zoals zoetwatervoorziening, wateroverlast, vaarwegbeheer en waterrecreatie. Hiermee laat provincie Zuid-Holland zien hoe ze samen met haar partners werkt aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland. Het regionaal waterprogramma is zelfbindend. Dat betekent dat alleen Gedeputeerde Staten eraan gebonden zijn. Toch heeft het regionaal waterprogramma ook gevolgen voor andere overheden. Die zijn wettelijk verplicht rekening te houden met de verplichte onderdelen van het regionaal waterprogramma. De binding van andere overheden aan de niet-verplichte onderdelen is waar nodig geregeld via de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. 5.2.3 Gemeente Water- en Rioleringsprogramma Gouda 2024-2028 Het Water- en Rioleringsprogramma Gouda 2024-2028 is gericht op een klimaatbestendige en duurzame waterhuishouding binnen de stad. Dit programma hanteert de voorkeursvolgorde “vasthouden, hergebruiken, infiltreren en vertraagd afvoeren” voor regenwaterbeheer en stelt eisen aan waterberging en afwatering bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen.

Binnen de herinrichting van het plangebied wordt rekening gehouden met deze principes door de toepassing van groene parkeerplaatsen met waterdoorlatende verharding.

Onderbouwing ETFAL (evenwichtige toedeling van functies aan locaties) 37

omgevingsvergunning Goejanverwelledijk 85 en 87, Gouda

5.3

Beleid hoogheemraadschap van Rijnland

Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Dit schap is in het gebied verantwoordelijk voor de waterhuishouding: het waterkwaliteitsbeheer, het waterkwantiteitsbeheer en de zorg voor de waterkeringen. Voor elk omgevingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de effecten van de bouwmogelijkheden op het waterbeheer. De waterbeheerder voert de weging van het waterbelang uit. Deze weging heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. De opmerkingen van de waterbeheerder worden verwerkt in deze waterparagraaf. Beleidsregels Hoogheemraadschap van Rijnland Het Hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil Rijnland dat watergangen en kunstwerken zoals gemalen op orde en toekomst vast worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering.

Rijnlands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Rijnland rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Aan de hand van het Waterbeheersplan werkt Rijnland aan zijn ambities. In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheersfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol. Waterbeheerprogramma 2022 -2026 Elke zes jaar leggen waterschappen het beleid en de aanpak die noodzakelijk zijn om de watertaken goed te kunnen uitvoeren, vast in een zogeheten waterbeheerplan. In het zesde waterbeheerplan (WBP6) geeft het hoogheemraadschap richting aan het waterbeheer voor de periode 2022 - 2026. In het waterbeheerplan zijn de doelstellingen voor de aankomende periode per watertaak uitgewerkt. Binnen het plangebied zijn geen factoren aanwezig die hinder kunnen geven aan het programma uit het waterbeheerplan. Waterschapsverordening Op 27 september 2023 heeft de verenigde vergadering van Rijnland de 'Waterschapsverordening de Rijnlandse keur' vastgesteld.

Deze waterschapsverordening is op 1 januari 2024 in werking getreden. Deze verordening vervangt de Keur. De waterschapsverordening bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die het waterschap stelt binnen haar beheergebied en vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In hoofdstuk 41 van de waterschapsverordening wordt ingegaan op de waterbergingseisen die gelden voor ontwikkelingen waarbij verhard oppervlak wordt toegevoegd. De waterbergingseis geldt voor alle ontwikkelingen waarbij het hard oppervlak 500 m² of groter is. Is de toename van hard oppervlak in het plangebied meer dan 5.000 m², dan moet de initiatiefnemer ervoor zorgen dat in 24 uur minimaal 90 millimeter neerslag kan worden opgevangen binnen dat plangebied. Hierbij ontstaat geen wateroverlast bij bouwwerken, infrastructuur, hoogwaardige teelt of akkerbouw. Hoe de neerslag kan worden opgevangen, hangt af van de inrichting van het plangebied. Plaats van waterberging (artikel 41.5 van de waterschapsverordening) Als de neerslag in oppervlaktewater van een polder komt, wordt de waterberging gemaakt binnen het peilvak waarin de neerslag in het oppervlaktewater komt. Als de neerslag in oppervlaktewater van de boezem komt, wordt de waterberging gemaakt binnen 5 kilometer van de plaats waar de neerslag in het oppervlaktewater komt.

Als de neerslag in oppervlaktewater met een verhoogd waterpeil komt, wordt de waterberging gemaakt binnen het peilvak van dit oppervlaktewater. De waterberging heeft een waterpeil zoals in

38

Onderbouwing ETFAL (evenwichtige toedeling van functies aan locatie

omgevingsvergunning Goejanverwelledijk 85 en 87, Gouda

het peilbesluit is vastgesteld. Het nieuwe water moet in open verbinding staan met de rest van het oppervlaktewater, waarbij de oppervlakte van het nieuwe oppervlaktewater minimaal even groot is als 15% van de toename in het hard oppervlak. Riolering en afkoppelen Het hoogheemraadschap streeft naar samenwerking in de afvalwaterketen en wil hierover graag adviseren. Rijnland geeft de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater. Naast een voorkeursvolgorde voor afvalwater geldt voor de behandeling van hemelwater de zorgplicht. Rijnland geeft daarbij de voorkeur aan brongerichte maatregelen boven 'end-of-pipe' maatregelen. Hemelwater kan de capaciteit van riolering en zuivering aanzienlijk belasten. Dat is niet wenselijk en vaak ook niet nodig. Zeker bij nieuwbouwontwikkelingen is het gescheiden aanbieden van hemelwater en afvalwater vaak een doelmatige maatregel. Rijnland volgt hierbij de voorkeursvolgorde (rijksbeleid), waarbij voorop staat het voorkomen van het ontstaan van afvalwater, als er afvalwater is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging en waar mogelijk afvalwaterstromen scheiden. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). De uiteindelijke afweging wordt lokaal gemaakt, waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.

Het te lozen hemelwater mag geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater veroorzaken. Maatregelen om dit te bereiken zijn duurzaam bouwen, infiltratie, het toepassen van berm- of bodempassage en straatkolken met extra voorzieningen. Als ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en hoogheemraadschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of - als laatste keus - aansluiten op het gemengde stelsel. Ook kan de gemeente in overleg met het hoogheemraadschap kiezen voor een generieke 'end-of-pipe' aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in het GRP.

5.4

Waterhuishouding

Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt niet in de kern- en beschermingszones van een bestaande waterkering. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied. Waterhuishoudkundige situatie De sloten aan de oost-, noord- en westzijde van het plangebied betreft een primaire watergang. Binnen vijf meter hiervan is geen bebouwing toegestaan. De overige watergangen in en aan de zuidzijde van het plangebied betreffen overig oppervlaktewater met een beschermingszone van 2 meter. In het plangebied vindt binnen de beschermingszones geen bebouwing plaats. Een uitsnede van de legger is opgenomen in figuur 10.

Onderbouwing ETFAL (evenwichtige toedeling van functies aan locaties) 39

omgevingsvergunning Goejanverwelledijk 85 en 87, Gouda

Figuur 10: Uitsnede Legger oppervlaktewatersysteem. Plangebied blauw gestippeld omlijnd. Beschrijving waterkwantiteit In de bestaande situatie is het perceel bestemd voor agrarische doeleinden. De functie wordt gewijzigd in Wonen. De bestaande varkensschuur en paarden-/koeienstal worden gesloopt om nieuwbouw mogelijk te maken van respectievelijk een schuurwoning en een bijgebouw. Verder wordt het verhard oppervlak verminderd. In totaal vindt een afname van het verhard oppervlak plaats van 48 m² (figuur 11). Op grond van de richtlijnen van het Hoogheemraadschap is het graven van watercompensatie niet nodig.

Figuur 11: Opgave verhard oppervlak nieuwe situatie.

40

Onderbouwing ETFAL (evenwichtige toedeling van functies aan locatie

omgevingsvergunning Goejanverwelledijk 85 en 87, Gouda

Watersysteemkwaliteit en ecologie Voor de nieuw te bouwen schuurwoning wordt gebruik gemaakt van niet-uitloogbare bouwmaterialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen) om diffuse verontreiniging van water en bodem te voorkomen. Indien desondanks gebruik wordt gemaakt van uitloogbare materialen, dienen deze te worden voorzien van een coating om uitloging tegen te gaan. Afvalwaterketen en riolering Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-)filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Het hemelwater van de bebouwing zal op het oppervlaktewater worden geloosd. Voor vergunningplichtige activiteiten zal tijdig een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit worden aangevraagd bij het hoogheemraadschap. Conclusie Het plan is voorgelegd aan het Hoogheemraadschap van Rijnland. Zij heeft het plan als volgt beoordeeld: De verharding neemt toe met ca. 5 m² en de bebouwing neemt af met ca. 77 m². Dit is minder dan 500 m². Er is geen watercompensatie nodig; het plan valt onder de zorgplicht. Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen bestaan er geen bezwaren tegen dit bouwplan.

Onderbouwing ETFAL (evenwichtige toedeling van functies aan locaties) 41

omgevingsvergunning Goejanverwelledijk 85 en 87, Gouda

42

Onderbouwing ETFAL (evenwichtige toedeling van functies aan locatie

omgevingsvergunning Goejanverwelledijk 85 en 87, Gouda

Hoofdstuk 6

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

De beleidsvelden milieu en de fysieke leefomgeving groeien de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en de fysieke leefomgeving. Milieubeleid kan beperkingen opleggen aan de gewenste ontwikkelingen maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de fysieke omgevingsaspecten en het milieu die een rol spelen bij de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Deze onderwerpen worden in dit hoofdstuk toegelicht.

6.1

Milieu

De te behandelen thema's die vanuit een oogpunt van milieu van belang zijn voor deze planontwikkeling zijn M.E.R., Milieuzonering, Geluid, Bodem, Luchtkwaliteit, Omgevingsveiligheid en Gezondheid. 6.1.1 M.E.R. Wettelijk kader De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er wordt niet meer getoetst aan de limitatieve lijst van MER-plichtige plannen en programma's uit de Bijlage bij het Besluit MER. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval moeten nagaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije MER-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MER-beoordelingsprocedure. Onderzoek/ beoordeling Het plan voorziet in het planologisch omzetten van de bestaande woonboerderij en zomerwoning naar wonen en het toevoegen van één nieuwe woning.

De ontwikkeling valt niet onder 'plannen en programma's' zoals genoemd in de richtlijn in artikel 2 van de SMB-richtlijn. De ontwikkeling op deze plaats is om de volgende redenen niet te beschouwen als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in artikel 16.34, lid 2 van de Omgevingswet: fysieke wijziging: deze is beperkt, omdat er alleen sprake is van een functiewijziging van een voormalig agrarisch perceel naar de functie wonen. lokale context: het bebouwingslint blijft in stand. De schuurwoning komt in de plaats van een te slopen varkensstal. planologische mogelijkheden: de gronden zijn in het geldende bestemmingsplan grotendeels bestemd voor 'Agrarische doeleinden'. Alleen het perceel op nummer 85 heeft de bestemming 'Bedrijfsdoeleinden'. De functie 'Wonen' sluit aan bij de woningen in de woonwijk Goverwelle. Er is geen milieueffectrapport nodig, omdat deze functie-aanpassing volgens de Omgevingswet niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling, zoals dat is aangetoond in de Aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling. Conclusie Op basis van de in Bijlage 2 opgenomen Aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling en bovenstaande korte toelichting kan worden geconcludeerd dat de beoogde planontwikkeling geen aanzienlijke milieueffecten zijn te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet noodzakelijk.

Onderbouwing ETFAL (evenwichtige toedeling van functies aan locaties) 43

omgevingsvergunning Goejanverwelledijk 85 en 87, Gouda

6.1.2 Milieuzonering Wettelijk kader Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan het Besluit activiteiten leefomgeving en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bedoeld tot de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan milieubelastende activiteiten. Een 'rustige woonwijk' is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. De richtafstanden zijn opgenomen in tabel 6.1. Tabel 6.1: Richtafstanden en omgevingstype.

Richtafstand tot omgevingstype Richtafstand tot omgevingstype Milieucategorie rustige woonwijk gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m Onderzoek/ beoordeling Het plangebied ligt in een overgangsgebied aan de Goejanverwelledijk tussen enerzijds de woonwijk Goverwelle en anderzijds de aan de overzijde van de Goejanverwelledijk gelegen agrarische gronden en sportvelden. Sprake is van een gemengd gebied. De in tabel 6.1 genoemde richtafstanden voor een gemengd gebied dienen te worden aangehouden. Met behulp van het inrichtingenbestand is geïnventariseerd welke milieubelastende activiteiten relevant kunnen zijn voor de geplande functiewijziging. Voor het bepalen van de milieuzones is uitgegaan van de afstandsnormen op basis van de VNG-richtlijn in gemengd gebied. Voor de vervolgfunctie naar burgerwoningen zijn de volgende milieubelastende activiteiten binnen 100 meter van het plangebied relevant. Sportvelden aan Goverwellepad Aan de overzijde van de Goejanverwelledijk (in zuidwestelijke richting hiervan) liggen sportvelden van rugbyvereniging 'Rugby Football Club Gouda' op een afstand van minimaal 120 meter ten opzichte van de bestaande boerderijwoning. De functiewijziging van zomerwoning naar wonen en het toevoegen van één nieuwe woning liggen op een grotere afstand hiervan.

De activiteit Sport valt onder milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 30 meter in gemengd gebied. Het rugbyveld beschikt over lichtmasten. Deze staan evenwel op minimaal 140 meter afstand, zodat er geen sprake is van lichthinder. Mitsdien zijn er vanuit milieuzonering geen beperkingen. Agrarische gronden aan de overzijde van de Goejanverwelledijk Deze gronden zijn in het bestemmingsplan 'Goverwelle' bestemd voor 'Agrarische doeleinden' ten behoeve van de grondgebonden veehouderij. De afstand tussen de bestaande woonboerderij en de agrarische bestemming is 22 meter. De afstand tussen de dichtstbijzijnde zomerwoning en de bestemming 'Agrarische doeleinden' is 47 meter. In de agrarisch bestemming staan geen schuren. Hier is alleen een kleine schuilschuur toegestaan op een afstand van 69 meter ten opzichte van de dichtstbijzijnde nieuwe woning, zodat er vanuit milieuzonering geen beperkingen zijn. Conclusie Uit de inventarisatie is gebleken dat er geen relevante milieubelastende activiteiten in de nabijheid van

44

Onderbouwing ETFAL (evenwichtige toedeling van functies aan locatie

omgevingsvergunning Goejanverwelledijk 85 en 87, Gouda

het plangebied aanwezig zijn. De woningen hebben een goed woon- en leefklimaat. Vanuit milieuzonering bestaan er geen bezwaren tegen dit bouwplan. 6.1.3 Geluid Wettelijk kader algemeen Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook zijn direct werkende regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegestaan op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 bruidsschat waar waarden gelden).

Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (paragraaf 22.3.4.2 bruidsschat); Geluid door windturbines en windparken (paragraaf 22.3.4.3 bruidsschat); Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (paragraaf 22.3.4.4 bruidsschat). De instructieregels uit Afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.21 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid.

Dat doet de gemeente vanuit het zorgen voor een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. 6.1.3.1 Wegverkeerslawaai Wettelijk kader wegverkeerslawaai Wegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. Het Bkl verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs wegen. Tevens stellen het Bkl regels aan de maximale geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen. In artikel 3.22 van het Bkl is geluidsgevoelige ruimte een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een: a. woonfunctie of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die woonfunctie; b. onderwijsfunctie; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die gezondheidszorgfunctie; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied. Onderzoek/ beoordeling Bij aanpassing/wijziging van een omgevingsplan moet er in principe worden getoetst aan het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw.

Deze waarden zijn van toepassing op het geluid van alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De waarden die bij toelaten van een weg gelden, staan in tabel 6.2.

Onderbouwing ETFAL (evenwichtige toedeling van functies aan locaties) 45

omgevingsvergunning Goejanverwelledijk 85 en 87, Gouda

Tabel 6.2: Standaardwaarde en grenswaarde geluidgevoelige gebouwen. Standaardwaarde (dB) Grenswaarde (dB) Geluidbronsoort (tabel 5.78t Bkl) (tabel 5.78u Bkl) Provinciale wegen en 50 Lden 60 Lden Rijkswegen Gemeentewegen en 53 Lden 70 Lden waterschapswegen De relevante wegen in het geluidaandachtsgebied van het plangebied zijn de Goejanverwelledijk, Voorwillenseweg, Binnenpolderweg, Ghandiweg en Bloklandpolderstraat. In deze situatie is sprake van bestaande wegen en de functiewijziging van zomerwoning naar wonen en het toevoegen van één nieuwe woning. Het aanvaardbare woon- en leefklimaat moet door middel van akoestisch onderzoek worden aangetoond. Indien de berekende belasting de genoemde waarde overschrijdt, dient in eerste instantie onderzocht te worden of maatregelen mogelijk zijn die de geluidsbelasting verlagen tot de nieuwe standaardwaarde of minder. In verband hiermede is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Cauberg Huygen te Rotterdam (rapport van 19 maart 2024, projectnr. 2240206, Bijlage 4). Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat ten gevolge van wegverkeerslawaai de standaardwaarde van 53 (dB) Lden voor de zomerwoning en schuurwoning ten gevolge van de Goejanverwelledijk niet wordt overschreden. De maximale waarde bedraagt 47 dB.

Er hoeft niet te worden beoordeeld of het gecumuleerde geluid aanvaardbaar is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (zie artikel 5.78ac Bkl). Het gezamenlijke geluid is op geen enkele gevel van het bouwplan hoger dan 53 dB. Dit houdt in dat niet aangetoond hoeft te worden met welke aanvullende voorzieningen (glas, suskasten, kierdichting, dakisolatie, enz.) er aan de eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving voldaan wordt. Conclusie Gezien het bovenstaande gelden vanuit het Bkl, onderdeel verkeerslawaai, geen beperkingen voor onderhavige planontwikkeling. 6.1.3.2 Spoorweglawaai Wettelijk kader spoorweglawaai Op het bepalen van het geluid zijn op grond van artikel 3.24, lid 5 van het Bkl de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. De zonebreedte van spoorwegen zijn vastgesteld op basis van de GPP's (Geluid Productie Plafonds). Bij aanpassing/wijziging van een omgevingsplan moet er in principe worden getoetst aan het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid van alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De waarden die bij toelaten van een spoorweg gelden, staan in tabel 6.3. Tabel 6.3: Standaardwaarde en grenswaarde geluidgevoelige gebouwen.

Geluidbronsoort Standaardwaarde (dB) Grenswaarde (dB) (tabel 5.78t Bkl) (tabel 5.78u Bkl) Lokale spoorwegen en 55 Lden 70 Lden Hoofdspoorwegen Onderzoek/ beoordeling Het geluidproductieplafond van de noordelijk gelegen spoorlijn Rotterdam/Den Haag - Utrecht (traject 590) bedraagt 600 meter. Het plangebied ligt hierbuiten op afgerond 1 km afstand. Het plangebied ligt niet binnen de zone van een spoorwegtraject. Er is geen beperking voor het plangebied. Conclusie Gezien het bovenstaande gelden vanuit het Bkl, onderdeel spoorweglawaai, geen beperkingen voor onderhavige planontwikkeling.

46

Onderbouwing ETFAL (evenwichtige toedeling van functies aan locatie

omgevingsvergunning Goejanverwelledijk 85 en 87, Gouda

6.1.3.3 Industrielawaai Wettelijk kader Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. In artikel 3.25 van het Bkl zijn regels opgenomen voor het bepalen van geluid door industrieterreinen. Op het bepalen van het geluid zijn op grond van lid 4 de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. Bij aanpassing/wijziging van een omgevingsplan moet er in principe worden getoetst aan het Bkl. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid van alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De waarden die bij toelaten van een industrieterrein gelden, staan in tabel 6.4. Tabel 6.4: Standaardwaarde en grenswaarde geluidgevoelige gebouwen. Standaardwaarde (dB) Grenswaarde (dB) Geluidbronsoort (tabel 5.78t Bkl) (tabel 5.78u Bkl) Industrieterreinen 50 Lden 55 Lden 40 Lnight 45 Lnight Onderzoek/ beoordeling Bedrijven(terreinen) kunnen beperkingen opleggen aan nieuwe gevoelige functies, waaronder wonen, in verband met een geluidzone. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de richtafstanden uit de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (zie hiervoor paragraaf 6.1.2).

Voor industrieterreinen geldt dat er binnen de geluidreferentiepunt in beginsel geen woningbouw is toegestaan op grond van het bepaalde in het Bkl. In de nabijheid van het plangebied als bedoeld in artikel 3.33 (geluidreferentiepunten voor industrieterreinen) liggen geen (gezoneerde) industrieterreinen. Dit betekent dat er voor de woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Gezien het bovenstaande gelden vanuit het Bkl, onderdeel industrielawaai, geen beperkingen voor onderhavige planontwikkeling. 6.1.4 Bodem Wettelijk kader Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moeten worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).

Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Bal, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bal); Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4); Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Onderzoek/ beoordeling De Omgevingsdienst Midden-Holland heeft het lokaal beleid voor het uitvoeren van bodemonderzoeken in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geactualiseerd. Het beleid

Onderbouwing ETFAL (evenwichtige toedeling van functies aan locaties) 47

omgevingsvergunning Goejanverwelledijk 85 en 87, Gouda

is vastgelegd in de 'Bodemkwaliteitskaart Midden-Holland 2022' en de 'Nota bodembeheer Midden-Holland 2023'. De gemeenteraad van Gouda heeft op 13 december 2023 de beleidsregels vastgesteld. Ten behoeve van de geplande herinrichting heeft Waders Milieu B.V. te Waddinxveen een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (rapport van 14 februari 2024, kenmerk 24401001A Bijlage 5). Uit de resultaten van het onderzoek kan het volgende worden afgeleid (overgenomen uit rapport). Conclusies Geconcludeerd wordt dat de hypothese ‘verdachte locatie’ stand houdt. In mengmonsters MM01, MM02 en MM03 zijn matig verhoogde gehalten lood, zink en PAK aangetoond. Tevens zijn zowel in de bovenals ondergrond licht verhoogde gehalten zware metalen aangetoond. Het matig verhoogd gehalte lood in MM03 blijft onder de lokale achtergrondwaarde. De matig verhoogde gehalten zink en PAK in MM01 en MM02 overschrijden de lokale achtergrondwaarde. Na uitsplitsing zijn alleen ter plaatse van boring 5 sterk verhoogde gehalten zink en/of PAK aangetoond, welke de lokale achtergrondwaarden overschrijden. In het grondwater is een licht verhoogd gehalte barium aangetoond. Het verhoogde gehalte barium heeft zeer waarschijnlijk een natuurlijke oorsprong (niet veroorzaakt door menselijk handelen). Aanbevelingen De onderzoeksresultaten geven vooralsnog geen aanleiding om aanvullend of nader bodemonderzoek te adviseren.

Graafwerkzaamheden boven de 25 m³ dienen gemeld te worden. Voor graven in sterk verontreinigde grond geldt dat een melding ‘graven in bodem met kwaliteit boven interventiewaarde bodemkwaliteit’ of ‘saneren van de bodem’ moet worden gedaan. De verontreiniging bevindt zich niet in het bouwvlak. In overleg met het bevoegd gezag dient bepaald te worden of een sanering noodzakelijk is in het kader van het toekomstige gebruik. Grondverzet Vrijkomende grond moet worden hergebruikt conform de regels van de Aanvullingswet bodem en de Nota Bodembeheer. Voor het toepassen van grond van buiten het plangebied moet worden aangesloten bij de functie die het gebied heeft. Deze functie, in dit geval alleen wonen, is aangegeven op de kaart met toepassingswaarden, zoals opgenomen in de Atlas Midden-Holland. Nagenoeg al het grondverzet dient te worden gemeld bij het Meldpunt Bodemkwaliteit (www.meldpuntbodemkwaliteit.nl). Conclusie Het plangebied is voldoende onderzocht. De bodem ter plaatse van de zomerwoning en schuurwoning is geschikt voor de toekomstige activiteit (wonen), nadat bodemsanerende maatregelen zijn genomen. 6.1.4.1 Ontplofbare oorlogsresten Uit ervaring blijkt dat circa 10 tot 15% van de munitie uit de Tweede Wereldoorlog niet tot de gewenste uitwerking kwam en als blindganger in de bodem is achtergebleven.

Op grond van Arbowetgeving moet in alle gevallen waarin gevaar voor de veiligheid of gezondheid van de werknemers kan bestaan door de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten een oriënterend onderzoek worden gedaan voordat werkzaamheden kunnen starten. Op basis hiervan kan vervolgens weer meer onderzoek nodig zijn. Uit eerder uitgevoerd grootschalig vooronderzoek (2012) blijkt dat de locatie niet specifiek als verdachte locatie is aangemerkt voor stellingen en afwerpmunitie. Bij de verbouwing vinden geen graafwerkzaamheden plaats, zodat verder onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten niet noodzakelijk is. Als men bij toekomstig graafwerk stuit op een verdacht object, zijn passende maatregelen nodig.

48

Onderbouwing ETFAL (evenwichtige toedeling van functies aan locatie

omgevingsvergunning Goejanverwelledijk 85 en 87, Gouda

6.1.5 Luchtkwaliteit Wettelijk kader De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit betekent dat een gemeente een initiatief soms moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=74e673ec-33d1-45a2-ac2a-d41e13fd0181