Bijlage 1 Data-analyse Jeugdzorg 2019-2022 Gemeente Gouda
Tekst van het document
De flinke kostentoename van JEUGDHULP VERBLIJF : INSPANNINGSGERICHT komt door zowel een grote toename in cliënten van wel 2,5 keer zoveel, en in mindere mate, door een toename in kosten per cliënt. Ook de kostentoename van ASPECIFIEK (zorg die op een aspecifieke productcode is gedeclareerd) wordt vooral verklaard door een toename in cliënten, en in mindere mate door een toename in de kosten per cliënt. Oorzaak van de kostenstijging komt door zowel een toename van het aantal cliënten als een toename van de reële kosten per cliënt
-
G EZINSHUIZEN
Producten met een kostenafname - De reële kostenafname in JEUGD- GGZ BEHANDELING SPECIALISTISCH komt zowel door een afname in cliënten als een afname in reële kosten per cliënt. - De reële kostenafname van BEGELEIDING SPECIALISTISCH -JEUGD wordt alleen verklaard door een afname in de kosten per cliënt, want het aantal cliënten nam juist toe. - Tot slot namen de kosten van DAGBEHANDELING /N ASCHOOLSE LEERGROEP ZWAAR voornamelijk af door een afname in cliënten. De kosten per cliënt namen maar licht af.
22
Tabel 17: nominaal en reëel verschil tussen 2019 en 2022 per duurste 70% producten in kosten, aantal cliënten en kosten per cliënt
Nominaal verschil 2019-2022
Reëel verschil 2019-2022
Product
Gedeclareerd in 2022
Percentage van totale kosten 2022
Kosten
Aantal cliënten
Kosten/client
Kosten
Aantal cliënten
Kosten/client
Individuele behandeling - zwaar
€ 2.622.988
10,1%
33,2%
7,3%
24,2%
+23,3%
7,3%
14,9%
Jeugd-ggz behandeling specialistisch
€ 2.049.911
7,9%
-22,6%
-15,5%
-8,4%
-28,4%
-15,5%
-15,3%
Begeleiding specialistisch - Jeugd
€ 2.033.695
7,8%
2,9%
12,4%
-8,4%
-4,8%
12,4%
-15,3%
Begeleiding - Jeugd
€ 1.714.974
6,6%
54,6%
-0,6%
55,5%
+43,1%
-0,6%
43,9%
Pleegzorg
€ 1.433.481
5,5%
15,0%
21,3%
-5,2%
+6,4%
21,3%
-12,3%
Individuele behandeling
€ 1.166.380
4,5%
50,1%
75,5%
-14,5%
+38,8%
75,5%
-20,9%
Jeugd ggz behandeling hoog-specialistisch
€ 1.127.826
4,4%
24,4%
-17,5%
50,7%
+15,1%
-17,5%
39,4%
Gezinshuizen
€ 1.836.337
7,1%
88,7%
36,7%
38,1%
+74,6%
36,7%
27,7%
Ondertoezichtstelling jaar 2 en verder: inspanningsgericht
€ 975.386
3,8%
17,6%
0,0%
17,6%
+8,8%
0,0%
8,8%
Groepsbehandeling Kinderdagcentrum (KDC)
€ 905.684
3,5%
76,5%
68,4%
4,8%
+63,3%
68,4%
-3,1%
Jeugdhulp verblijf: inspanningsgericht
€ 888.468
3,4%
384,8%
250,0%
38,5%
+348,5%
250,0%
28,2%
Aspecifiek
€ 731.684
2,8%
35,8%
23,3%
10,1%
+25,6%
23,3%
1,9%
Dagbehandeling/Naschoolse Leergroep zwaar € 562.938
2,2%
-2,5%
-8,5%
6,5%
-9,8%
-8,5%
-1,4%
23
5.1.10. Zorgduur 5.1.10.1. T OEGEWEZEN ZORGDUUR PER TRAJECT EN TOEWIJZING
Een zorgtraject bestaat uit alle toewijzingen die elkaar opvolgen of gelijktijdig actief zijn voor een cliënt. De startdatum van het zorgtraject is gelijk aan de startdatum van de eerste toewijzing. De einddatum is gelijk aan de einddatum van de laatste toewijzing. De gemiddelde zorgduur per traject is tussen 2019 en 2022 gemiddeld 740 dagen, ruim twee jaar. De gemiddelde zorgduur per traject is in 2022 0,7% langer dan in 2019, maar neemt wel af sinds 2021 (tabel 18a). In tabel 18b wordt de toegewezen zorgduur per toewijzing/toegewezen zorgproduct weergegeven. In 2022 werd er 5,21% langere zorgduur per toewijzing toegewezen dan in 2019. Tot en met 2021 nam de toegewezen zorgduur nog af, maar deze nam in 2022 toe met 9,99%. Tabel 18a: gemiddelde zorgduur van een traject in dagen, per jaar 2019 2020
2021
2022
Verschil 2019-2022
774,1
750,3
721,2
+0,69%
+8,08%
-3,08%
-3,88%
Tabel 18b: gemiddelde zorgduur van een toewijzing in dagen, per jaar 2019 2020
2021
2022
Verschil 2019-2022
274,3
267,2
293,9
+ 5,21
-1,81%
-2,59%
+9,99%
Gemiddelde zorgduur traject (dagen)
716,2
Verschil met voorgaand jaar
Gemiddelde zorgduur per toewijzing (dagen) Verschil met voorgaand jaar
279,3
5.1.10.3. T OEGEWEZEN ZORGDUUR PER TOEWIJZING IN EEN TYPE JEUGDZORG
De gemiddelde toegewezen zorgduur per toewijzing van een type jeugdzorg wordt in grafiek 13 in dagen weergegeven. Dit is de gemiddelde zorgduur per toegewezen toewijzing, zonder eventuele verlengingen. Ook kan de toegewezen zorgduur anders zijn dan de daadwerkelijke zorgduur. In 2022 is de toegewezen zorgduur het langst voor Gezinsgericht verblijf (gemiddeld 815 dagen), Jeugdbescherming/jeugdreclassering (gemiddeld 468 dagen), en jeugdreclassering (gemiddeld 413 dagen). Stijgingen in zorgduur in de periode 2019 t/m 2022: - Een plotselinge stijging van de duur van JEUGDBESCHERMING /JEUGDRECLASSERING in 2022 met 63% t.o.v. 2021. (gemiddeld 659 dagen in 2022 en gemiddeld 404 dagen in 2021) - JEUGDRECLASSERING laat een stijging zien van 63% in zorgduur sinds 2020, De toegewezen zorgduur steeg van gemiddeld 333 dagen in 2020 naar gemiddeld 542 dagen in 2022. - De toegewezen zorgduur voor LANDELIJKE VOORZIENINGEN nam tussen 2019 en 2021 toe met 47% van 188 dagen naar 277 dagen. In 2022 nam de zorgduur af naar gemiddeld 256 dagen. - RESIDENTIEEL VERBLIJF laat, ondanks een dip in 2021, een stijging van de zorgduur zien van 16%, in 2019 werd er gemiddeld 202 dagen zorg toegewezen en in 2022 gemiddeld 234 dagen. - De toegewezen zorgduur van NIET LANGER VRIJBLIJVENDE HULPVERLENING nam in 2020 toe met 24%, bleef daarna stabiel tot in 2022 waar toe nam met 9%.
In totaal nam de zorgduur toe van gemiddeld 105 dagen in 2019 naar gemiddeld 141 dagen in 2022 (34%). Dalingen in zorgduur in de periode 2019 t/m 2022: - De zorgduur van JEUGDZORGPLUS nam elk jaar af tussen 2019 en 2022 met in totaal 66%, van 142 dagen in 2019 naar 48 dagen in 2022. - BASIS GGZ nam af met 47 % in toegewezen zorgduur tussen 2019 (393 dagen) naar 2022 ( 209 dagen). - De zorgduur van JEUGDHULP CRISIS /LTA/GGZ VERBLIJF nam vooral af tussen 2019 en 2020 (van gemiddeld 85 dagen naar gemiddeld 65 dagen) en bleef daarna stabiel, met een totale afname van 25%.
24
-
De zorgduur van JEUGDHULP MET VERBLIJF OVERIG nam af tussen 2019 en 2021met 40%, maar nam in 2022 weer toe met 30%. In 2019 werd er gemiddeld 272 dagen toegewezen en in 2022 gemiddeld 212 dagen.
Grafiek 13: gemiddelde zorgduur in dagen per toewijzing, weergegeven per type jeugdzorg en jaar 0
100
200
300
400
500
2019
2020
2021
2022
600
700
800
900
Gezinsgericht verblijf Jeugdbescherming/Jeugdreclassering
Jeugdreclassering Jeugdhulp gezinsgericht verblijf Dagbesteding/begeleiding groep GGZ Ambulant Individuele begeleiding Landelijke voorzieningen Dagbehandeling groep Gezinsgericht Onbekend Individuele behandeling Residentieel verblijf Jeugdhulp met verblijf overig Basis GGZ Niet langer vrijblijvende hulpverlening Jeugdhulp crisis/LTA/GGZ-verblijf Jeugdzorgplus
5.1.11. VERWIJSGEDRAG
Het verwijsgedrag van verwijzers is weergegeven in tabel 19 en grafiek 14. In de tabel wordt het aantal toewijzingen per verwijzer naar type jeugdzorg weergegeven. Meeste verwijzingen: Het type jeugdzorg individuele behandeling ontvangt de meeste verwijzingen. Deze zijn vooral afkomstig van de jeugdartsen, huisartsen en GI’s. Favoriete verwijzingen per verwijzer: - Huisartsen verwijzen het meest (ongeveer een derde) naar GGZ ambulant, gevolgd door individuele behandeling en Basis GGZ. - De medisch specialist verwijst het meest naar GGZ ambulant en individuele behandeling. - De jeugdarts verwijst het meest (bijna de helft) naar individuele behandeling. - De GI verwijst het meest (ruim een kwart) naar individuele behandeling, gevolgd door individuele begeleiding en gezinsgericht verblijf. - De gemeente verwijst het meest naar individuele begeleiding (bijna een derde) en individuele behandeling (een kwart), gevolgd door dagbesteding/begeleiding groep (15%). - De Rechter, Officier van justitie of functionaris van een JJI verwijzen het meest naar jeugdbescherming/jeugdreclassering. - Zelfverwijzing of geen verwijzer verwijst het meest (97%) naar GGZ ambulant
25
1000
Tabel 19: aantal gestarte toewijzingen per verwijzer naar type jeugdzorg in 2022 GI Gemeente Huisarts Jeugdarts Individuele behandeling
199
271
348
50
63
Rechter, OvJ, functionaris JJI 24
GGZ Ambulant
56
87
456
10
92
9
Individuele begeleiding
132
339
108
13
14
Basis GGZ
5
17
320
16
8
Jeugdbescherming/Jeugdreclassering
2
1
Dagbesteding/begeleiding groep
23
163
13
4
2
Dagbehandeling groep
19
60
30
13
12
Gezinsgericht verblijf
102
29
Jeugdhulp crisis/LTA/GGZ-verblijf
28
33
Niet langer vrijblijvende hulpverlening
69
4
Gezinsgericht
42
28
Landelijke voorzieningen
9
6
Residentieel verblijf
31
10
Jeugdhulp gezinsgericht verblijf
6
25
Jeugdreclassering
Medisch specialist
15
0
Jeugdhulp met verblijf overig
1
3
Type jeugdzorg onbekend
124
266
1 41
3
1
10
3 5
24
21
1
0
Jeugdzorgplus
Zelfverwijzer/ geen verwijzer
18
9
20
Grafiek 14: Percentage verwezen toewijzingen per verwijzer naar type jeugdzorg in 2022 0%
10%
20%
GCI
27%
Gemeente
25%
Huisarts
26%
Jeugdarts
40%
8%
50%
8%
70%
80%
14%
34%
8% 9% 41%
12%
90%
6%
24% 15% 6%
12%
4%
9%
82%
3%
Zelfverwijzer/geen verwijzer
100%
9%
15%
31%
28% 7%
60%
18%
46%
Medisch specialist Rechter, OvJ, functionaris JJI
30%
6%
97%
Individuele behandeling
GGZ Ambulant
Individuele begeleiding
Basis GGZ
Jeugdbescherming/Jeugdreclassering
Dagbesteding/begeleiding groep
Dagbehandeling groep
Gezinsgericht verblijf
Jeugdhulp crisis/LTA/GGZ-verblijf
Niet langer vrijblijvende hulpverlening
Gezinsgericht
Landelijke voorzieningen
Residentieel verblijf
Jeugdhulp gezinsgericht verblijf
Jeugdreclassering
Jeugdzorgplus
Jeugdhulp met verblijf overig
Type jeugdhulp onbekend
5.1.12. Zorgstapeling Cliënten kunnen meerdere toewijzingen hebben. Grafiek 15 toont per jaar het percentage cliënten per aantal toewijzingen. Zo is te zien dat het deel cliënten met één toewijzing over de jaren heen is afgenomen met 3% en het deel cliënten met twee toewijzingen is toegenomen met 2%. Gemiddeld heeft 40% van de cliënten tussen 2019 en 2022 één toewijzing, 25% heeft gemiddeld twee
26
toewijzingen, 11% drie toewijzingen, 8% vier toewijzingen en 16% heeft vijf of meer toewijzingen. Het patroon is tussen 2019 en 2022 vrijwel gelijk gebleven. Grafiek 15: percentage cliënten per aantal toewijzingen per jaar 42%
39%
38%
25%
17%
16%
11%
9%
7%
2019
2020 2 toewijzingen
17%
16%
12%
1 toewijzing
27%
26%
25%
10%
39%
10%
8%
2021 3 toewijzingen
4 toewijzingen
8%
2022 5 toewijzingen of meer
Zorgstapeling per type jeugdzorg In de volgende grafiek is het aantal keer weergegeven waarbij er sprake was van stapeling per type jeugdzorg. Zo wordt er het meest gestapeld met een product in de type jeugdhulp individuele behandeling, individuele begeleiding en GGZ ambulant. De stapeling met een product in deze typen jeugdzorg kwam het meest voor in 2020 en 2021, in 2022 was de stapeling aanzienlijk minder. Grafiek 16: aantal keer stapeling per jaar, weergegeven per type jeugdzorg per jaar
0
500
1000
1500
2000
2500
3000
Individuele behandeling Individuele begeleiding GGZ Ambulant Dagbesteding/begeleiding groep Jeugdbescherming/Jeugdreclassering Dagbehandeling groep Gezinsgericht verblijf Jeugdhulp crisis/LTA/GGZ-verblijf Basis GGZ Gezinsgericht Jeugdhulp gezinsgericht verblijf Landelijke voorzieningen Niet langer vrijblijvende hulpverlening Residentieel verblijf Jeugdreclassering Jeugdzorgplus Jeugdhulp met verblijf overig Onbekend 2019
2020
2021
2022
Mogelijk ongewenste stapeling per type jeugdzorg Er is een aantal typen jeugdzorg waarin minder snel stapeling verwacht wordt. Wanneer er sprake is van dagbehandeling of een soort jeugdhulp verblijf met behandeling, is het vaak niet logisch als er dan nog een andere behandelvorm wordt geboden, omdat er in dagbehandeling en jeugdhulp verblijf incl. behandeling al behandeling geboden wordt. Men spreekt dan van ongewenste stapeling, wat een reden kan zijn om deze casussen verder te onderzoeken of alle ingezette hulp nog nodig en passend is.
27
In tabel 20 staat hoe vaak een product dagbehandeling is gestapeld met een ander product. De typen jeugdzorg die Gouda als indeling gebruikt zijn niet beschikbaar voor deze analyse, in deze analyse wordt er gebruik gemaakt van de landelijk indeling van productcategorieën. In de tabel is te zien dat een product dagbehandeling het meest gestapeld wordt met een product jeugdhulp ambulant. Dat kan onwenselijk zijn, omdat beide een vorm van ambulante hulpverlening zijn en er dan overlap of overbodige zorg geboden wordt. Ook wordt, in mindere mate, soms een product dagbehandeling gestapeld met een ander of eenzelfde product in de categorie dagbehandeling. Dat kan een administratieve fout zijn, waarin de periodes elkaar overlappen, maar vraagt dus om onderzoek naar de mogelijke oorzaken. In tabel 21 wordt weergegeven hoe vaak er een product jeugdhulp incl. verblijf is gestapeld uit een product uit een van de productcategorieën. Jeugdhulp verblijf incl. behandeling wordt het meest gestapeld met jeugdhulp ambulant, gevolgd door jeugdbescherming en Jeugd-ggz. De combinatie jeugdhulp verblijf incl. behandeling met een vorm van jeugdhulp ambulant is opvallend, want het betreffen beide vormen van behandeling. Het is goed om dit soort casussen te onderzoeken, ook in geval van stapeling met Jeugd GGZ, is het te vraag of de zorgsoorten elkaar wel aanvullen i.p.v. overlappen.
Tabel 20: aantal keer gestapeld met dagbehandeling per jaar Type jeugdzorg 2019 2020
2021
2022
Dagbehandeling
76
110
98
60
Generalistische Basis ggz
5
10
11
8
Jeugdbescherming
38
43
49
34
Jeugd-ggz
201
243
228
181
Jeugdhulp ambulant
470
577
575
462
Jeugdhulp crisis
5
8
8
5
Jeugdhulp verblijf (excl. beh)
101
108
97
46
Jeugdhulp verblijf (incl. beh.)
3
2
9
2
Jeugdreclassering
2
1
5
3
Kindergeneeskunde
8
3
2
5
Landelijk ingekochte zorg
19
11
7
11
Maatwerkarrangementen Jeugdwet
7
10
18
5
Vervoerdiensten
125
121
150
146
*in het rood de mogelijk ongewenste stapeling Tabel 21: aantal keer gestapeld met jeugdhulp verblijf incl. behandeling per jaar Type jeugdzorg 2019 2020 2021 2022 Dagbehandeling
3
2
9
2
Generalistische Basis ggz
2
Jeugdbescherming Jeugd-ggz
83
56
64
47
70
37
42
32
Jeugdhulp ambulant
97
74
97
66
Jeugdhulp crisis
3
1
2
Jeugdhulp verblijf (excl. beh)
8
7
4
3
Jeugdhulp verblijf (incl. beh.)
4
4
4
2
Jeugdreclassering
4
3
9
11
Kindergeneeskunde
2
Landelijk ingekochte zorg
5
2
1
5
Maatwerkarrangementen Jeugdwet
6
4
3
6
Vervoerdiensten
3
4
7
3
*in het rood de mogelijk ongewenste stapeling
28
5.1.13. Recidive We hanteren in dit onderzoek twee vormen van recidive: 1. Het aantal jeugdigen dat RECIDIVEERT BINNEN 180 DAGEN: een jeugdige recidiveert wanneer ze langer dan 31 dagen en binnen 180 dagen na afloop van de laatste toewijzing opnieuw een voorziening krijgt toegewezen. 2. Het aantal jeugdigen dat RECIDIVEERT NA 180 DAGEN : een jeugdige recidiveert wanneer ze na 180 dagen na afloop van de laatste toewijzing, maar binnen twee jaar, opnieuw een voorziening krijgt toegewezen. Omdat voor dit onderzoek de data uit 2018 niet is meegenomen, kan het zijn dat recidive in 2019 in werkelijkheid hoger ligt, omdat nu niet bekend is of nieuwe cliënten in 2019 al eerder in 2018 in zorg waren en dus eigenlijk als gerecidiveerde cliënt moeten worden zien. In de volgende sectie wordt de vergelijking daarom niet gemaakt tussen 2022 en 2019, maar tussen 2022 en 2020. Het aantal cliënten dat recidiveert binnen 180 dagen is tussen 2020 en 2022 toegenomen met 48% van 40 jeugdigen naar 59 jeugdigen. Het aantal cliënten dat recidiveert na 180 dagen van beëindigen zorg steeg met 152% ten opzichte van 2020, van 27 cliënten naar 68 cliënten. Grafiek 17: aantal cliënten gerecidiveerd per jaar
68 59 49
42
40
27
2020
2021 Aantal clienten recidive < 180 dagen
2022 Aantal clienten recidive > 180 dagen
Recidive per type jeugdzorg In grafiek 18 is het aantal BINNEN 180 DAGEN gerecidiveerde cliënten per type jeugdzorg weergegeven. Daarin is te zien dat het grootste deel recidiveert binnen individuele behandeling (52 cliënten in 2020 t/m 2022), gevolgd door GGZ ambulant (50 cliënten in 2020 t/m 2022), en individuele begeleiding (30 cliënten in 2020 t/m 2022).
29
Grafiek 18: aantal cliënten gerecidiveerd binnen 180 dagen per type jeugdzorg en per jaar Individuele behandeling
10 9 1
2 3
Dagbesteding/begeleiding groep
1
Gezinsgericht verblijf
1
Jeugdhulp crisis/LTA/GGZ-verblijf
Landelijke voorzieningen
2
2 2
Residentieel verblijf
Niet langer vrijblijvende hulpverlening
11
4
Gezinsgericht
Jeugdhulp gezinsgericht verblijf
22
18
Individuele begeleiding
Dagbehandeling groep
21
10
GGZ Ambulant
Basis GGZ
18
13
2 1 1 1 1
Jeugdbescherming/Jeugdreclassering
1
Onbekend
1
4
2020
2021
2022
In grafiek 19 is het aantal NA 180 DAGEN gerecidiveerde cliënten per type jeugdzorg weergegeven. Daarin is te zien dat het grootste deel recidiveert met een product individuele behandeling (54 cliënten in 2020 t/m 2022), gevolgd door GGZ ambulant (42 cliënten in 2020 t/m 2022), Basis GGZ (13 cliënten in 2020 t/m 2022) en Gezinsgericht verblijf (12 cliënten in 2020 t/m 2022). Grafiek 19: aantal cliënten gerecidiveerd na 180 dagen en binnen 2 jaar per type jeugdzorg en per jaar 10
Individuele behandeling GGZ Ambulant Basis GGZ
1
Gezinsgericht verblijf
1
Individuele begeleiding
1
4 4
Jeugdbescherming/Jeugdreclassering
1
4
Gezinsgericht
3
14
27 21
9 5 6
3
Dagbesteding/begeleiding groep
1 1 1 1
Residentieel verblijf
1
Onbekend
1
Landelijke voorzieningen
1
Jeugdreclassering
1
Niet langer vrijblijvende hulpverlening
17
7
5
2020
2021
2022
30
5.1.14. Herindicaties Aantal jeugdigen met een herindicatie: wanneer een jeugdige na afloop van een toewijzing binnen 180 dagen aansluitend dezelfde voorziening (of equivalent) toegewezen krijgt. Omdat voor dit onderzoek de data uit 2018 niet is meegenomen, kan het zijn dat het aantal herindicaties in 2019 in werkelijkheid hoger. Dat komt doordat nu niet bekend is of deze cliënten in 2018 dezelfde zorgproducten hadden als in 2019 en dus eigenlijk als herindicatie moeten worden gezien. In de volgende sectie wordt dan ook geen vergelijking gemaakt tussen 2022 en 2019, maar tussen 2022 en 2020. Het aantal cliënten met een herindicatie nam tussen 2020 en 2022 af met 8%. Grafiek 20: aantal cliënten met een herindicatie per jaar 880
2020
834
814
- 5%
- 2%
2021
2022
*De gegeven percentages betreffen het verschil t.o.v. het voorgaande jaar
Herindicatie per type jeugdzorg In tabel 22 is het aantal cliënten met een herindicatie per type jeugdzorg weergegeven. De meeste herindicaties worden afgegeven voor GGZ ambulant, individuele behandeling en individuele begeleiding. De herindicaties voor GGZ ambulant namen wel af met 29% tussen 2020 en 2022. Het aantal herindicaties in de basis GGZ nam toe van 2 herindicaties naar 53 herindicaties. En de herindicaties van gezinsgericht verblijf namen toe met 70%. Tabel 22: aantal cliënten met herindicaties per jaar per type jeugdzorg Herindicaties 2020 2021 2022
Verschil 2022-2020
GGZ Ambulant
403
362
286
-29,0%
Individuele behandeling
260
259
253
-2,7%
Individuele begeleiding
230
218
231
0,4%
Jeugdbescherming/Jeugdreclassering
102
108
91
-10,8%
Dagbesteding/begeleiding groep
70
92
70
0,0%
Basis GGZ
2
11
53
2550,0%
Gezinsgericht verblijf
30
42
51
70,0%
Dagbehandeling groep
46
39
41
-10,9%
Gezinsgericht
19
19
26
36,8%
Niet langer vrijblijvende hulpverlening
50
40
26
-48,0%
Jeugdhulp gezinsgericht verblijf
18
26
20
11,1%
Jeugdhulp crisis/LTA/GGZ-verblijf
16
12
17
6,3%
Landelijke voorzieningen
16
15
16
0,0%
Residentieel verblijf
13
21
11
-15,4%
Jeugdreclassering
10
9
6
-40,0%
Jeugdhulp met verblijf overig
3
7
1
-66,7%
Jeugdzorgplus
4
3
1
-75,0%
Onbekend
9
Totaal
880
834
814
-100,0% -7,5%
31
5.2 Regionale ontwikkelingen Dit hoofdstuk betreft een analyse van de jeugddata van het CBS. In deze analyse wordt een vergelijking gemaakt met vergelijkbare gemeenten op basis van de cijfers van het CBS.
5.2.1 Vergelijking Gouda en vergelijkbare gemeenten 5.2.1.1. VERGELIJKBARE GEMEENTEN
Gemeente Gouda had op 1 januari 2022 een inwonersaantal van 74.095. Er is een selectie gemaakt van 16 vergelijkbare gemeenten, op basis van inwonersaantal, geografische ligging en verstedelijkingsgraad. De vergelijking met andere gemeenten is echter altijd lastig, omdat de jeugdzorg elders verschillend georganiseerd kan zijn wat invloed heeft op de vergelijking onderling. Onderstaande vergelijkingen moeten dan ook met deze kanttekening worden geïnterpreteerd. De vergelijking met gemeente Hoorn, Katwijk, Lansingerland, Leidschendam-Voorburg, Lelystad, Nieuwegein, Stichtse Vecht, Velsen, Vlaardingen en Zeist is gebaseerd op inwonersaantal en geografische ligging. Deze gemeenten hebben allen een inwonersaantal tussen de 64.000 en 84.000 en liggen in de Randstad. De vergelijking met gemeente Amsterdam, Capelle aan den IJssel, Delft, Schiedam, Maassluis en Rijswijk (Zuid-Holland) is gebaseerd op verstedelijkingsgraad. Deze gemeenten hebben allen tussen de 4.000 en 5.000 inwoners per km2 land in 2023. Zie tabel 20.
Tabel 23: Totaal aantal inwoners en verstedelijkingsgraad van vergelijkbare gemeenten Gemeente Aantal inwoners op 1-1-2022 Inwoners per km2 land in 2023 Gouda 74.095 4.565 Amsterdam 882.633 4.880 Capelle aan den IJssel 67.188 4.777 Delft 104.572 4.681 Hoorn 74.298 3.692 Katwijk 66.032 2.685 Lansingerland 64.110 1.216 Leidschendam-Voorburg 76.659 2.384 Lelystad 81.214 363 Maassluis 34.148 4.180 Nieuwegein 64.554 2.794 Rijswijk (ZH.) 56.941 4.150 Schiedam 79.644 4.528 Stichtse Vecht 65.240 685 Velsen 68.482 1.528 Vlaardingen 74.143 3.214 Zeist 65.987 1.374 Bronnen: CBS Statline, opgehaald tussen 5 en 9 juni 2023 & CBS.nl geraadpleegd op 20 juni 2023
32
5.2.1.2. J EUGDIGE INWONERS PER VERGELIJKBARE GEMEENTE
In onderstaande tabel staat het percentage jeugdige inwoners per gemeente weergegeven over de jaren 2019 tot en met 2022. In deze tabel is te zien dat gemeente Gouda over de jaren 2019 tot en met 2022 een gemiddeld aandeel jeugdigen had van 26,8%. Dit komt nagenoeg overeen met het gemiddelde van de vergeleken gemeenten (26,9%). De gemeente met het grootste aandeel jeugdigen tot 23 jaar is gemeente Lansingerland met 31,9%. Tabel 24: Percentage jeugdige inwoners van 0-23 jaar in 2019 t/m 2022 Gemeente 2019 2020
2021
2022
Lansingerland
32,2%
32,1%
31,8%
31,7%
Gemiddelde per gemeente 31,9%
Katwijk
29,9%
29,5%
29,3%
29,3%
29,5%
Delft
29,2%
29,0%
29,1%
29,3%
29,1%
Lelystad
28,8%
28,7%
28,6%
28,5%
28,7%
Zeist
28,4%
28,5%
28,1%
28,2%
28,3%
Hoorn
27,2%
27,1%
26,9%
26,7%
27,0%
Gouda
27,3%
27,0%
26,5%
26,4%
26,8%
Stichtse Vecht
26,9%
26,8%
26,5%
26,3%
26,7%
Capelle aan den IJssel
26,4%
26,2%
26,1%
26,0%
26,2%
Schiedam
26,4%
26,2%
26,0%
25,9%
26,1%
Velsen
26,3%
26,0%
25,7%
25,4%
25,9%
Maassluis
25,6%
25,6%
25,8%
26,0%
25,7%
Vlaardingen
25,7%
25,7%
25,7%
25,7%
25,7%
Nieuwegein
25,1%
25,3%
25,3%
25,1%
25,2%
Rijswijk (ZH.)
24,3%
24,8%
25,1%
25,6%
24,9%
Amsterdam
25,2%
24,9%
24,7%
24,9%
24,9%
Leidschendam-Voorburg
24,7%
24,8%
25,0%
24,9%
24,9%
Gemiddelde per jaar
27%
27%
26,8%
26,8%
26,9%
Bron: CBS Statline, opgehaald tussen 12 en 22 juni 2023
5.2.1.3. J EUGDIGEN MET JEUGDZORG
In tabel 25 is het percentage jeugdigen tot 23 jaar met jeugdzorg te zien over de jaren 2019 t/m 2022. Hoog gemiddelde Gemiddeld ontving 12,8% van de jeugdigen in Gouda jeugdzorg. Dit is het hoogste gemiddelde in vergelijking met de andere gemeenten. Gemiddeld ontving 10,1% van de jeugdigen in deze gemeenten zorg. Positieve trend Daar waar Gouda een hoger gemiddelde heeft dan de vergelijkingsgemeenten is het aandeel jeugdigen in zorg sinds 2019 niet toegenomen. Daarmee laat Gouda een positievere trend zien dan 11 van de gemeenten in de vergelijking.
33
Tabel 25: Percentage jeugdigen tot 23 jaar die jeugdzorg (hebben) ontvangen in de jaren 2019 t/m 2022. 2019 2020 2021 2022 Gemiddelde
Verschil 2022-2019
Gouda
12,8%
12,4%
13,1%
12,8%
12,8%
0,00%
Zeist
10,5%
10,0%
13,2%
13,3%
11,8%
2,80%
Capelle aan den IJssel
10,1%
11,1%
11,9%
11,9%
11,3%
1,80%
Hoorn
11,5%
11,0%
11,4%
11,1%
11,3%
-0,40%
Velsen
10,7%
11,1%
11,5%
11,7%
11,2%
1,05%
Katwijk
10,8%
10,8%
11,2%
11,4%
11,1%
0,60%
Rijswijk (ZH.)
10,60%
10,20%
10,80%
11,30%
10,73%
0,70%
Nieuwegein
9,7%
10,2%
11,1%
11,6%
10,7%
1,90%
Leidschendam-Voorburg
9,9%
9,4%
11,1%
11,6%
10,5%
1,70%
Lelystad
10,3%
11,0%
10,4%
9,9%
10,4%
-0,40%
Amsterdam
10,30%
10,20%
10,50%
10,60%
10,40%
0,30%
Delft
9,20%
9,50%
9,70%
9,90%
9,58%
0,70%
Stichtse Vecht
8,6%
7,9%
9,4%
10,1%
9,0%
1,50%
Lansingerland
8,8%
8,8%
8,8%
9,4%
9,0%
0,60%
Vlaardingen
8,1%
7,4%
7,6%
7,3%
7,6%
-0,80%
Maassluis
7,80%
7,30%
6,70%
6,00%
6,95%
-1,80%
Schiedam
6,9%
6,2%
6,4%
6,6%
6,5%
-0,30%
Gemiddelde
9,8%
9,7%
10,3%
10,4%
10,1%
0,6%
Bron: CBS Statline, opgehaald tussen 12 en 22 juni 2023
5.2.1.4. J EUGDIGEN MET JEUGDHULP
In tabel 26 staat het percentage jeugdigen tot 23 jaar die gebruik maken of hebben gemaakt van jeugdhulp in 2019 t/m 2022. Voor een vergelijking van de soorten jeugdhulp met/zonder verblijf, jeugdbescherming en jeugdreclassering, zie bijlage 2. Hoog gemiddelde Ook hier heeft Gouda het hoogste gemiddelde (12,5%). Het totale gemiddelde van deze gemeenten is 9,7%. Positieve trend Ook op het gebied van jeugdhulp is het aandeel jeugdigen met jeugdhulp in Gouda sinds 2019 niet toegenomen. Daarmee zit Gouda ook hier in de top 6 van de gemeenten die een positieve of neutrale trend laten zien. Tabel 26: Percentage jeugdigen 0- 23 jaar die jeugdhulp (hebben) ontvangen in de jaren 2019 t/m 2022.
2019 2020 2021 2022 Gemiddelde Gouda 12,5% 12,0% 12,8% 12,5% 12,5% Zeist 10,2% 9,7% 12,9% 13,0% 11,5% Velsen 10,3% 10,8% 11,3% 11,4% 11,0% Capelle aan den IJssel 9,7% 10,8% 11,6% 11,6% 10,9% Hoorn 11,1% 10,6% 11,0% 10,9% 10,9% Katwijk 10,6% 10,6% 11,0% 11,2% 10,9% Rijswijk (ZH.) 10,4% 10,1% 10,7% 11,2% 10,6% Nieuwegein 9,3% 9,8% 10,9% 11,3% 10,3% Leidschendam-Voorburg 9,6% 9,2% 10,9% 11,4% 10,3% Amsterdam 10,0% 10,0% 10,2% 10,4% 10,2% Lelystad 9,7% 10,4% 9,8% 9,4% 9,8% Delft 9,0% 9,3% 9,5% 9,7% 9,4% Stichtse Vecht 8,5% 7,7% 9,2% 10,0% 8,9% Lansingerland 8,6% 8,6% 8,7% 9,3% 8,8% Vlaardingen 7,5% 6,8% 6,9% 6,7% 7,0% Maassluis 7,3% 6,7% 6,3% 5,5% 6,5% Schiedam 6,2% 5,7% 6,0% 6,1% 6,0% Gemiddelde 9,4% 9,3% 10,0% 10,1% 9,7%
Verschil 2022-2019 0,0% 2,8% 1,1% 1,9% -0,2% 0,6% 0,8% 2,0% 1,8% 0,4% -0,3% 0,7% 1,5% 0,7% -0,8% -1,8% -0,1% 0,7%
Bron: CBS Statline, opgehaald tussen 12 en 22 juni 2023
34
5.2.2 Factoren vergelijkbare gemeenten Gemeente Gouda heeft gemiddeld een hoger aantal jeugdigen met jeugdzorg en jeugdhulp dan vergelijkbare gemeenten. Echter doen ze het relatief goed qua toe- of afnames, met op een uitzondering na alleen maar positieve of neutrale trends. In onderstaande tabel zijn een aantal kenmerken weergegeven van gemeente Gouda, welke mogelijk een invloed kunnen hebben op het hoge aandeel jeugdigen die in aanraking zijn met jeugdzorg, jeugdhulp en jeugdbescherming1. In tabel 27 is te zien dat de aantallen van gemeente Gouda met betrekking tot onderwijsniveau, eenouderhuishoudens, kinderen in uitkeringsgezinnen, problematische schulden en migratieachtergrond in lijn liggen met de vergelijkbare gemeenten. Het relatief hoge aandeel jeugdigen van gemeente Gouda in jeugdzorg, jeugdhulp en jeugdbescherming kan dus niet verklaard worden door onderstaande factoren. Ook bij de factor stedelijkheid is er geen direct effect te zien, de verstedelijkingsgraad heeft dus geen direct effect op het aandeel jeugdigen in jeugdzorg. Tabel 27: Factoren van de vergelijkbare gemeenten. Laag Eenouder onderwijsniveau huishoudens Gouda 134,75 7,3%
Kinderen in uitkeringsgezin 7%
Problematische schulden 8,3%
Migratieachtergrond
Amsterdam
107,5
8,2%
13%
10,5%
57,2%
Capelle aan den IJssel
153
10,8%
10%
12%
38,2%
Delft
110
5,9%
10%
6,9%
38,4%
Hoorn
161
9,4%
5%
8,7%
25,3%
Katwijk
195,25
6,2%
4%
5,5%
12,3%
Lansingerland
153,75
8,4%
3%
5,3%
20,2%
Leidschendam-Voorburg
112,25
8,2%
6%
7,4%
33,9%
Lelystad
157
10,6%
7%
13%
35,2%
Maassluis
171,75
8,2%
9%
8,9%
29,5%
Nieuwegein
142,5
8%
6%
8,3%
29,4%
Rijswijk
130,75
9,4%
8%
9,3%
29,1%
Schiedam
164,75
9,8%
8%
13,7%
45,4%
Stichtse Vecht
139,25
7,2%
3%
5,8%
19,9%
Velsen
154
8,5%
6%
8,1%
20,4%
Vlaardingen
160,75
10,1%
10%
11,5%
34%
Zeist
132,25
7,1%
5%
6,7%
24,2%
145,9
8,4%
7,1%
8,8%
30,6%
Gemiddelde
27,3%
Bron: CBS Statline, waarstaatjegemeente.nl & allecijfers.nl, opgehaald tussen 12 en 22 juni 2023. Noten: • Laag onderwijsniveau: Gemiddelde aantal inwoners van de beroepsbevolking met een laag onderwijsniveau per 1000 inwoners van 15-74 jaar over de jaren 2019 t/m 2022. • Eenouder huishoudens: Percentage eenouder huishoudens in 2022. • Kinderen in uitkeringsgezin: Percentage kinderen in een uitkeringsgezin in 2021. • Problematische schulden: Percentage huishoudens met problematische schulden in 2020. • Verstedelijkingsgraad: Aantal inwoners per km² land in 2022. • Migratieachtergrond: Percentage inwoners met een migratieachtergrond in 2022.
1 Deze factoren zijn gedeeltelijk bepaald met behulp van het rapport “KOSTENVERSCHILLEN IN DE
JEUGDZORG: een verklaring van verschillen in kosten tussen gemeenten” van het Sociaal en Cultureel Planbureau (2014).
35
5.3 Kwalitatieve analyse Naast de kwantitatieve analyse heeft Van Dam Datapartners een kwalitatieve analyse uitgevoerd om aanvullende inzichten te krijgen in de geboden zorg en interventies om daarmee de volgende onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden. 1. Welke succesvolle interventies kunnen overgenomen worden? 2. Zijn er interventies die niet effectief zijn en waarmee gestopt kan worden? Er heeft een focusgroep plaatsgevonden, met als aanwezigen een jeugdconsulent, een teamcoördinator consulenten jeugd en Wmo, een beleidsadviseur jeugd, een strategisch adviseur, en een adviseur proces en control sociaal domein. Omdat het hier gaat om kwalitatief onderzoek lag de focus op inhoud en diepgang en bestond de focusgroep uit een relatief klein aantal deelnemers. Daarbij is in de groep gezorgd voor een representatieve afvaardiging uit de organisatie. In de focusgroep zijn er vragen gesteld over de kwaliteit van de zorg in het algemeen, de samenwerking (intern en extern), welke versterkende- en belemmerende factoren er spelen en welke interventies als (niet) succesvol worden beschouwd. Een samenvatting van de besproken punten en aanbevelingen worden hier weergegeven.
5.3.1. Succesvolle interventies Stroomlijnen, inperken en afschalen •
• •
•
•
Er zijn werkinstructies aanwezig voor de toegang die dienen als een leidraad welke zorg/ondersteuning wel of niet ingezet kan worden en wat de doorlooptijden bij deze producten zijn. Een pilot rondom maatwerk-indiceren van een product begeleiding is gestart. Er wordt gewerkt aan een betere samenwerking met betrokken partijen. Dit zijn onder andere huisartsen waar de jeugdconsulenten nu een deel van hun tijd zitten. Daarnaast geven deelnemers aan dat er wordt geïnvesteerd om de samenwerking met de scholen in de gemeente te verbeteren. Er is een leidraad jeugdhulp-onderwijs opgesteld. Er is een succesvolle WLZ pilot afgerond. Om dit proces te ondersteunen is er een externe partij ingeschakeld die kan helpen met de aanvragen voor de Wlz. Door deze toetsing zijn er al meer cliënten overgegaan naar de Wlz, wat kostenbesparend is voor de jeugdzorg. Momenteel wordt er binnen gemeente Gouda onderzocht of een waakvlamfunctie passend is. Onder waakvlamfunctie verstaan we het inzetten van een ondersteuner die niet per se hulpverlener is om de wacht op passende zorg te overbruggen. Echter is er aangegeven dat als de hulp urgent is een waakvlamfunctie minder nuttig is. Er is dan geen ruimte voor jeugdigen om nog langer te wachten op de hulp die zij nodig hebben.
5.3.2. Jeugdzorg algemeen, signalen en knelpunten 5.3.1.1. T OEGANG EN TOEGANKELIJKHEID JEUGDZORG
Toegang en toegankelijkheid van jeugdzorg •
De afgelopen jaren heeft de gemeente Gouda getracht de drempel voor gezinnen met opvoedvragen te verlagen. Gezinnen konden met allerlei vragen terecht bij de gemeente. Dit heeft volgens de medewerkers o.a. als gevolg dat veel gebruikelijke zorg nu ook onder de jeugdzorg geschaald wordt t.o.v. een aantal jaar geleden. Een voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld als een kind veel gebroken nachten heeft.
36
•
De gemeente heeft niet de controle over alle verwijzingen naar jeugdzorg. Ongeveer 25% van alle verwijzingen binnen de gemeente worden gedaan door gemeente Gouda zelf. De overige 75% is vanuit andere verwijzers.
Maatwerk •
•
•
•
Professionals krijgen de ruimte om maatwerk te leveren en zo de cliënt centraal te stellen en passende hulp in te zetten. Het systeem rondom de jeugdige, dat onder meer bestaat uit ouders, school en familie maakt daar deel van uit. De professionals ervaren dit als een werkzaam element in de jeugdzorg, al vraagt het flexibiliteit van de verschillende betrokkenen. In de praktijk vertaalt zich deze ruimte door bijvoorbeeld de tijd, die genomen kan worden voor een casus, out of the box kunnen denken, je gesteund voelen door de kaders/beleid/werkgever, luisteren naar wat de cliënt te zeggen heeft, doorvragen, en hierbij zo min mogelijk een oordeel hebben. Kritisch en duidelijk durven zijn, maar blijven meedenken met het gezin. Het wordt als positief ervaren dat gemeente Gouda indiceert op minuten in plaats van uren. Hierdoor kunnen zij sturen op maatwerk en indiceren wat er echt nodig is. Er kan flexibel met een indicatie om worden gegaan, deze kan worden afgeschaald waar nodig. Voor aanbieders is dit lastiger te organiseren omdat het ook bij hen een mate van flexibiliteit vraagt. De indruk bestaat dat er voldoende voorzieningen in het voorliggend veld zijn en het sociaal team veel hulpvragen zelf kan oppakken.
5.3.1.2. M INDER WERKZAME INGREDIËNTEN , SIGNALEN EN KNELPUNTEN
Verwachtingen van ouders •
•
Verwachtingen van ouders liggen hoger in vergelijking met een aantal jaren geleden. Ouders willen het zo goed mogelijk hebben voor hun kind, en vinden ook dat zij hierdoor recht hebben op bepaalde zorg. In sommige gevallen is dit meer ‘gebruikelijke’ problematiek welke ook opgelost kan worden met voorliggende hulp, maar waarbij ouders toch aangeven recht te hebben op geïndiceerde zorg. Deze verwachtingen van ouders dienen volgens de medewerkers goed gemanaged te worden, dat is niet altijd even makkelijk (ondanks de training die ze hierop krijgen). Binnen de jeugdzorg heeft men te maken met meerdere partijen die van invloed zijn, zoals de school, huisartsen en zorgaanbieders. De ervaring is dat deze partijen sneller naar geïndiceerde hulp verwijzen, waardoor ouders volgens de medewerkers al met een bepaalde verwachting naar de gemeente komen. Hierdoor is het lastiger om het gesprek hierover aan te gaan met de ouders. Het is wenselijk als alle betrokken partijen dezelfde visie hebben op de jeugdzorg, en zich bewust zijn van de verwachtingen die er bij gezinnen geschapen worden.
Capaciteit •
•
•
De wachttijden binnen de jeugdzorg en de lage doorstroom van jeugdigen, worden benoemd als knelpunt. Gevolgen hiervan zijn dat er soms overbruggende, minder passende zorg ingezet dient te worden, en dat er langer gebruik gemaakt wordt van verlengde jeugdzorg. Er zijn signalen afgegeven dat de werkdruk soms als hoog wordt ervaren, waardoor er weinig tijd gevoeld wordt om aan de samenwerking op te zoeken, zowel intern als extern met aanbieders of organisaties. Men ervaart een gebrek aan continuïteit bij de hulpverleners. Deze ontbreekt soms in een zorgtraject, zoals continuïteit van een hulpverlener waarbij de hulp dus door dezelfde
37
hulpverlener wordt gegeven zonder wisselingen. De wisselingen tussen hulpverleners zijn deels een gevolg van de krappe arbeidsmarkt.
5.3.2. Interne en externe samenwerking Aanbod • •
•
Gemeente Gouda heeft een breed aanbod, met relatief veel gecontracteerde aanbieders. Over het algemeen loopt de samenwerking met de zorgaanbieders goed, en veel organisaties die gecontracteerd zijn bij gemeente Gouda zijn ook erg betrokken bij de gemeente en de hulp die zij bieden. Echter is aangegeven dat het door het brede aanbod soms lastig is om een keuze te maken voor een bepaalde aanbieder. Een deel van de jeugdconsulenten besteedt nu ook een deel van hun tijd bij de huisartsen. Dit is in 2020 gestart als de pilot ‘jeugdconsulent bij de huisarts’. In de pilotperiode is gezien dat de aanwezigheid van een jeugdconsulent in de huisartsenpraktijk invloed heeft op het aantal verwijzingen. Jeugdconsulenten sturen vaker door naar het voorliggend veld in plaats van geïndiceerde zorg. Deze samenwerking met huisartsen is begonnen met twee huisartsen, maar is per 1 mei 2023 uitgebreid.
Afstemming en afhankelijkheden •
•
•
•
Benoemd is dat bij de GI’s de druk ook erg hoog ligt. Mede hierdoor is er bij de GI’s weinig tijd voor monitoring en is de ervaring dat door de GI’s veel geïndiceerde zorg wordt ingezet. Dit ook om een veilige situatie in het gezin te garanderen. Het is wenselijk dat zij eerst kijken of er ook voorliggende hulp mogelijk is en/of het netwerk van de jeugdige betrekken. o Bij een deel van de verwijzingen vanuit de GI’s is de jeugdige eigenlijk al geplaatst, zonder dat er een contract opgesteld is. In deze gevallen is er weinig tot geen ruimte meer voor de medewerkers van de gemeente om het gesprek aan te gaan over de ingezette zorg. Het uitgangspunt van de jeugdzorgaanbieders is volgens de medewerkers ook anders. Gemeenten hebben de opdracht gekregen vanuit de jeugdwet om te sturen op eigen regie en kracht van de client. De zorgaanbieder ziet vaak vanuit een hulpverlenersperspectief mogelijkheden om aan extra doelen te werken en dus om extra zorg in te zetten. o Een van de gevolgen hiervan is een langere wachtlijst en een lagere doorstroom van cliënten. Soms zijn er ook knelpunten in praktische zaken volgens de medewerkers, zoals dat de verslaglegging niet compleet is, of dat zorgaanbieders met andere systemen werken. De jeugdconsulent stelt een ondersteuningsplan op met de te behalen doelen. De zorgaanbieder pakt dit plan er niet altijd bij.
o Gevolg is dat de zorgaanbieders in sommige gevallen ook zelf aan andere doelen gaat werken, die niet in het ondersteuningsplan staan. Dit leidt ertoe dat consulenten van de gemeente hierdoor meer in overleg moeten over de doelstellingen uit het ondersteuningsplan. Er is ook aangegeven dat afspraken met zorgaanbieders soms op een hoger niveau worden gemaakt, in plaats van met de uitvoerende medewerkers. Hierdoor komen de gestelde doelen en afspraken soms niet op de juiste manier bij de hulpverleners terecht. o Als het een losstaande vraag is dan proberen de consulenten dit direct met de hulpverlener van de aanbieder op te lossen. Wanneer zij een probleem hebben over meerdere jeugdigen of die vaker voorkomt dan kunnen zij een melding maken bij het regionale contractbeheer, en schalen zij dus op.
Regievoering •
De aanbieders van jeugdzorg zijn verantwoordelijk voor regievoering ondersteuningsplannen, maar in de praktijk wordt deze regie niet altijd gevoerd.
op
de
38
•
Er is op dit moment geen sprake van casemanagement door de jeugdconsulenten. In veel gevallen start je als consulent de zorg voor een jeugdige en schakel je pas weer in bij een evaluatie of als er een herindicatie nodig is. o Er zijn wel evaluatiemomenten met de zorgaanbieder ingepland om de gegeven hulp te beoordelen en om te toetsen hoe het staat met het behalen van de doelen. Maar er wordt aangegeven dat zo’n evaluatie soms een soort verkoopgesprek wordt. Het beeld van het gezin is soms ook dat een ‘goed’ verslag nodig is om de indicatie door te laten lopen.
5.3.4. Aanbevelingen door deelnemers aan het kwalitatieve onderzoek Aanbevelingen visie en toegang •
•
•
Het is wenselijk dat de gemeente goede voorlichting geeft en informatie beschikbaar stelt aan de inwoners over de jeugdwet. Welke zorg kan wanneer ingezet worden, en welke voorliggende voorzieningen zijn er in de gemeente. Hierdoor zouden de verwachtingen van gezinnen over hun recht op geïndiceerde hulp wellicht verlaagd kunnen worden. De gemeente is maar verantwoordelijk voor ongeveer 25% van de verwijzingen binnen de gemeente. Dit gegeven dient meegenomen te worden bij het opstellen van doelstellingen, en de toetsing voor de haalbaarheid van de doelstellingen. Het is wenselijk dat bij de opstelling van toekomstig beleid rekening gehouden blijft worden dat een groot deel van de verwijzingen niet beïnvloedbaar is. Het is wenselijk om de richtlijnen aan te scherpen over welke zorg precies onder de jeugdwet valt en welke niet, specifiek op het snijvlak van onderwijs en jeugd.
Aanbevelingen registratie, monitoring en evaluatie •
•
•
Het is wenselijk om, voor zover dit nog niet gebeurt, wachttijden bij aanbieders in kaart te brengen om diegenen die het goed doen te stimuleren en minder samenwerking aan te gaan met diegenen die lange wachtlijsten hebben. Het is wenselijk om (slechte) ervaringen met zorgaanbieders te registreren. Er is namelijk aangegeven dat jeugdconsulenten deels hun keuze voor een zorgaanbieder baseren op hun ervaringen met zorgaanbieders. Het registreren van de ervaringen zorgt ervoor dat deze keuze voor een zorgaanbieder minder subjectief is, en verschilt tussen de consulenten. Het is wenselijk om bij evaluatiemomenten met de zorgaanbieder de data over de zorgaanbieder te evalueren. Hierbij kan er gedacht worden aan de doorstroomcijfers, de duur van de ingezette zorg en de zorgstapeling.
Aanbevelingen samenwerking aanbieders •
•
•
Het is wenselijk om in gesprek te gaan met de GI’s die zorg al inzetten, terwijl er nog geen contract is opgesteld. In deze gevallen is er geen ruimte meer om het gesprek aan te gaan over de zorg, en heeft de gemeente hier geen controle meer over. Een randvoorwaarde hiervoor is om voldoende tijd ervoor te hebben. Het is wenselijk om een prikkel bij de zorgaanbieder te krijgen om te sturen op kostenbesparing en zelfredzaamheid. Voorbeelden van acties die ingezet moeten blijven worden zijn het inzetten van kortere indicaties en het inzetten van evaluatiemomenten. Zorgaanbieders moeten beter verantwoorden waarom bepaalde hulp wordt ingezet, of wanneer een verlenging nodig is. Het is wenselijk dat er aan de voorkant afspraken tussen het Sociaal Team en de aanbieders worden gemaakt over taakverdeling en over de evaluaties.
Aanbevelingen interne interventies •
Het is wenselijk om de interventies die binnen de gemeente Gouda ingezet worden nog meer onder de aandacht te brengen van de jeugdconsulenten. Tijdens deze kwalitatieve
39
•
•
analyse is opgemerkt dat de medewerkers niet volledig op de hoogte zijn van de interventies die ingezet zijn en worden binnen de gemeente. Het is van belang om de bestaande interventies structureel te evalueren. Helpend daarin is het aan de voorkant bepaalde KPI’s voor succes te bepalen, zodat verschillende interventies vergeleken kunnen worden. Bij het inzetten van interventies is het goed om bewust te zijn dat niet alle zorg tegen een bepaalde lat gelegd kan worden. Elk gezin is anders, heeft een andere draagkracht, en een verschillende grootte netwerk.
6. Antwoord op de onderzoeksvragen In dit hoofdstuk wordt per onderzoeksvraag een antwoord geformuleerd gebaseerd op de resultaten van de analyse.
6.1.
Wat valt er op ten aanzien van het jeugdzorggebruik in de periode 20192022 t.a.v. de eerder beschreven ambities.
In het programma Sturen op zorg voor nu en straks (voorheen programma Sturen op Kosten), is het hoofddoel om de groei in uitgaven voor maatwerkvoorzieningen Jeugd te stabiliseren om zo de zorg en ondersteuning en beschikbaarheid te houden voor wie dat echt nodig heeft. Daarvoor zijn er twee ambities opgesteld, zoals omschreven in de inleiding: 1. Het aantal jeugdigen in jeugdzorg verminderen van 1 op 7 in 2020 naar 1 op 8 in 2024 2. Het stabiliseren van de gemiddelde kosten per jeugdige op het niveau van 2020 (exclusief indexering) 6.1.1.
Het aantal jeugdigen in jeugdzorg verminderen van 1 op 7 in 2020 naar 1 op 8 in 2024
Als we de definitie van Gouda hanteren en het aantal jeugdigen tot 18 jaar in zorg (waarvoor gedeclareerd is) afzetten tegen dat van jeugdige inwoners tot 18 jaar, dan is 1 op de 6,7 (14,9%) jeugdigen in 2022 in zorg. Dit getal is hoger dan het aantal in 2020, toen deed 1 op de 7,4 (13,6%) jeugdigen een beroep op de jeugdzorg. Het aantal jeugdigen in jeugdzorg is dus niet verminderd maar toegenomen. In disclaimer 6 is beargumenteerd welke definitie het beste kan worden gebruikt om beleidsdoelstellingen vast te stellen: kijk naar de jeugdigen 0-23 jaar waarvoor zorg daadwerkelijk is gedeclareerd en zet dat af tegen het aantal jeugdige inwoners van 0-23 jaar. Dan blijkt dat in 2020 1 op de 9,5 jeugdige inwoners van Gouda een beroep deed op de jeugdzorg, en in 2022 deed 1 op de 8,8 jeugdige inwoners een beroep op de jeugdzorg. Ook hier is er dus sprake van een toename van het aantal jeugdige inwoners in jeugdzorg. Bij beide definities geldt dat er sprake is van een toename van jeugdige inwoners in zorg en bij voortzetten van deze trend wordt de ambitie in 2024 niet behaald. De cijfers van het CBS zelf laten verder een ander beeld zien, wat komt doordat zij in de cijfers ook zorg meenemen die niet geïndiceerd is en via het berichtenverkeer is ingeregeld, namelijk zorg uitgevoerd door het Sociaal Team.
De cijfers van het CBS liggen dan ook hoger; 1 op de 8,1 (12,4%) jeugdigen deed een beroep op de jeugdzorg in 2020, en in 2022 was dat 1 op de 7,8. Mogelijke andere verklaringen voor de discrepantie tussen de interne en CBS cijfers worden in de disclaimer 6 in de inleiding omschreven. Ook hier is er sprake van een toename van jeugdige inwoners in zorg, al is de toename hier wel veel minder groot dan uit de cijfers via het berichtenverkeer blijkt. Het aantal cliënten waarvoor gedeclareerd werd (0-23 jaar) nam volgens de interne data tussen 2020 en 2022 vooral toe in de typen jeugdzorg gezinsgericht, basis GGZ, dagbehandeling groep, residentieel verblijf, gezinsgericht verblijf en individuele behandeling.
40
Ondanks de toename van jeugdige inwoners in zorg, is er ook sprake van een hogere uitstroom dan in de jaren daarvoor, terwijl de instroom nagenoeg gelijk bleef. Als deze trend zich doorzet, zal ook het aantal jeugdigen in zorg kunnen afnemen. Conclusie Zowel in de CBS data als in de interne data is te zien dat het aantal jeugdigen in jeugdzorg is toegenomen tussen 2019 en 2022. Jeugdigen van 8 tot 16 jaar maken het meest gebruik van jeugdzorg. Ondanks de toename van jeugdige inwoners in zorg is de toenemende uitstroom tussen 2019 en 2021 bij een gelijk blijvende instroom een positief signaal. Mogelijk ontwikkelt deze lijn zodanig verder dat de cijfers in de toekomst beter bij de beoogde doelstelling passen.
6.1.2.
Het stabiliseren van de gemiddelde kosten per jeugdige op het niveau van 2020 (exclusief indexering)
De gemiddelde reële kosten per cliënt zijn tussen 2022 t.o.v. 2020. Afgenomen met 3,3%. Daarmee blijken de kosten per cliënt niet alleen te stabiliseren, zoals de ambitie is, maar dus ook af te nemen. In 2021 was er weliswaar sprake van een toename t.o.v. 2020 en 2019, maar in 2022 stabiliseerde dat weer richting het bedrag van 2019. De gemiddelde kosten per jeugdige zijn gestegen in de typen jeugdzorg: jeugdzorgplus, dagbesteding/begeleiding groep, basis GGZ, jeugdhulp gezinsgericht verblijf, jeugdhulp crisis/LTA/GGZ-verblijf, jeugdreclassering, GGZ ambulant en jeugdbescherming/jeugdreclassering. In deze typen jeugdzorg wordt er zwaardere zorg per cliënt ingezet, dat kan bijvoorbeeld zijn een langere toegewezen zorgduur of hogere frequentie van zorg. Aan de andere kant dalen de gemiddelde kosten per jeugdige in de typen jeugdzorg: jeugdhulp met verblijf, dagbehandeling groep, individuele begeleiding, individuele behandeling, gezinsgericht en gezinsgericht verblijf. Aanbevolen wordt om te onderzoeken waar de kostenstijging van deze typen jeugdzorg vandaan komt. Wat maakt dat de kosten per jeugdige voor dit soort zorg duurder zijn geworden, hoe komt het dat er zwaardere zorg wordt ingezet? Conclusie De ambitie om de kosten per jeugdige op het niveau van 2020 te behouden is haalbaar op basis van de data over de periode 2019 t/m 2022.
Deze kosten zijn bij correctie voor indexering in 2022 3,3% lager dan in 2019. Om deze waarden vast te houden is het van belang de kosten per cliënt van typen jeugdzorg die sinds 2020 sterk stegen en hoog bleven in 2022 goed te monitoren en hierop zo mogelijk interventies in te zetten.
6.2.
Hoe verhoudt het beroep op jeugdzorg in Gouda zich tot dat van vergelijkbare gemeenten?
De kosten van de jeugdzorg in Nederland nemen steeds meer toe. Dat komt door zowel een stijging in aantal cliënten in zorg als een stijging in kosten per cliënt. (Hervormingsagenda Jeugd, 2023). In de CBS-data is te zien dat ondanks dat Gouda in vergelijking met vergelijkbare gemeenten in verhouding de meeste jeugdige inwoners in jeugdzorg heeft, er maar een minimale toename te zien is tussen 2019 en 2022. Het aandeel jeugdige inwoners met jeugdhulp zonder verblijf of jeugdreclassering is zelfs iets afgenomen (bijlage 2). In dat opzicht doet Gouda het beter dan de meeste vergelijkbare gemeenten, die juist een toename laten zien op die vormen van zorg. In de verdere analyse aan de hand van CBS-data zijn geen demografische of sociaaleconomische verklaringen te vinden voor het hoge aantal jeugdige inwoners in jeugdzorg in vergelijking met de
41
vergelijkbare gemeenten. De aantallen van gemeente Gouda met betrekking tot onderwijsniveau, eenouderhuishoudens, kinderen in uitkeringsgezinnen, problematische schulden en migratieachtergrond liggen in lijn met de gemiddelden in de vergelijkbare gemeenten. Een mogelijke verklaring voor de hoge aantallen die Gouda ziet is de inzet die de gemeente pleegde op een laagdrempeliger toegankelijke jeugdzorg. Doordat inwoners beter de hulp weten te vinden, doen ze er ook meer en sneller een beroep op.
6.3.
Waarin onderscheidt Gouda zich van andere gemeenten?
In 7.2 is benoemd dat Gouda zich wat betreft de gelijkblijvende aantallen jeugdige inwoners in zorg onderscheidt van andere gemeenten. Bij veel gemeenten is er tussen 2019 en 2022 sprake van een toename, terwijl het aantal voor Gouda maar minimaal stijgt, 11 van de 17 gemeenten in de vergelijking laten een stijging zien voor jeugdzorg, en 10 van de 17 een stijging op jeugdhulp. In tegenstelling tot 11 gemeenten laat Gouda een daling zijn voor jeugdhulp zonder verblijf (bijlage 2). Op de overige variabelen zijn geen onderscheidende verschillen te zien met de vergelijkingsgemeenten. Landelijk wordt de volumegroei aan cliënten in de jeugdzorg verklaard door een achterblijvende uitstroom (AEF, 2021), jeugdigen blijven vooral langer in zorg. In Gouda is dat niet terug te zien, het aantal jeugdige inwoners in zorg blijft nagenoeg gelijk volgens het CBS, terwijl de uitstroom juist is toegenomen. Ook is er geen sprake van een toegenomen zorgzwaarte, want de kosten per cliënt zijn reëel gezien afgenomen.
6.4.
Als er vergelijkbare gemeenten zijn die beter presteren, aan welke factoren ligt dat dan?
Op basis van de CBS-data is een duidelijke oorzaak in de prestaties van de verschillende gemeente niet goed te bepalen. Maar gebaseerd op onze ervaring bij andere gemeenten zijn wel bepaalde factoren te benoemen waarin we verschillen hebben opgemerkt en die voorzichtig in de richting van een oorzaak kunnen wijzen. •
We zien dat veel gemeenten stoeien met medische verwijzers, met name met verwijzingen door de huisarts. De gemeente heeft hier namelijk geen grip op de duur en zwaarte van de zorg die huisartsen toewijzen. Een aantal gemeenten waar Van Dam Datapartners mee samenwerkt heeft daarin stappen kunnen zetten, waardoor niet meer de huisarts, maar juist de gemeente de grootste verwijzer werd. De huisarts is in de gemeente Gouda nog wel de grootste verwijzer. In het aandeel verwijzingen door de huisarts is er, ondanks de inzet van de jeugdconsulent, een lichte toename te zien. Ook verwijst de huisarts het meeste van zijn jeugdigen naar GGZ ambulant. De gemeente verwijst juist vooral naar individuele begeleiding. Een eerste stap die andere gemeenten hebben gemaakt is het verkrijgen van inzicht in het soort verwijzing van huisartsen. Met deze informatie kan beter gestuurd worden; door in gesprek te gaan met huisartsen die bijvoorbeeld meer of zwaardere zorg verwijzen dan gemiddeld, door meer regie te beleggen bij de jeugdconsulenten m.n. in de verlengingen van de toewijzingen, door het invoeren van een normenkader en door het versterken van de toegang bij de gemeente.
•
Verder valt het gemiddeld aantal toewijzingen per cliënt op. Dit ligt hoger dan wij bij andere gemeenten hebben gezien. Met name dat 17% van de cliënten 5 of meer toewijzingen heeft is opvallend. Ook viel op dat het aantal toewijzingen per actieve cliënt hoger ligt dan bij gestarte cliënten, wat betekent dat er later nieuwe toewijzingen worden toegevoegd. Dit kan een indicatie zijn dat de passendheid van de zorg bij de start van de zorg niet altijd goed wordt ingeschat of geboden kan worden i.v.m. met bijvoorbeeld de hoge wachtlijsten. In de focusgroep werden de effecten van wachttijden genoemd. Zo gaven de hulpverleners aan dat er soms niet passende zorg wordt geboden om de wachttijd te overbruggen, een ontwikkeling die we ook bij andere gemeenten terugzien. Dit kan een van de redenen zijn voor
42
het grote aantal toewijzingen per jeugdige. Deze ontwikkeling is onwenselijk, omdat het te laat inzetten van passende zorg ervoor zorgt dat de jeugdige uiteindelijk langer in zorg zal zijn, wat zorgt voor meer kosten, maar ook voor het minder snel verminderen van de problemen van de jeugdige. De gevolgen van het niet kunnen inzetten van passende zorg zijn ook terug te zien in de toename in recidive. Bij andere gemeenten hebben we het effect van een normenkader gezien. Het normenkader houdt in dat per zorgproduct wordt bekeken wanneer dit passend is en wat de gemiddelde normen zijn qua duur en frequentie. Het is een dwingende richtlijn voor zorgaanbieders. Het geeft meer duidelijkheid naar zowel zorgaanbieders als naar de cliënt en het gezin. Er kan van afgeweken worden wanneer nodig, maar altijd in overleg met het jeugdteam/wijkteam. De jeugdteams/wijkteams kunnen aan de hand van het normenkader gerichter en met meer autoriteit evalueren met zorgaanbieders over de geboden zorg. Er wordt daardoor tijdig en snel doorgepakt wanneer de zorg niet passend blijkt, terwijl deze zorg zonder deze kaders zou zijn voortgezet en eventueel kon resulteren in doorstroom of recidive. •
Gemeenten hebben daarnaast ook weinig grip op indicaties en afgegeven verlengingen vanuit de GI’s. in hoofdstuk 5.1.10 was te lezen dat de zorgduur van afgegeven indicaties voor jeugdbescherming en reclassering flink was toegenomen tussen 2020 en 2022. Dat is een ontwikkeling om alert op te zijn en als gemeente meer grip op te krijgen. In sommige gemeenten wordt er gewerkt met een GI-regisseur. De ervaring is namelijk dat GI’s niet altijd tijd hebben om nog kritisch naar de door hen afgegeven lopende toewijzingen te kijken. Daardoor lopen er soms trajecten langer door dan nodig of blijft er zwaardere zorg inzet worden terwijl afschalen mogelijk is. Een GI-regisseur, in dienst van de gemeente, kan steekproefsgewijs dossiers nagaan op passendheid van zorg. In andere gemeenten heeft dit tot flinke besparingen geleid, en belangrijker nog: sneller normaliseren en meer inzet van passende zorg.
6.5.
Welke succesvolle interventies kunnen overgenomen worden? Zijn er interventies die niet effectief zijn en waarmee gestopt kan worden?
De huisartsenpilot wordt als succesvol ervaren. Deze effecten zien we nog niet terug in de kwantitatieve analyse. Het is mogelijk dat deze interventie nog te kleinschalig is om een meetbaar effect te hebben. De inmiddels gestarte uitbreiding van deze interventie zou dan ook een positief effect kunnen hebben op het aantal jeugdigen in zorg en op de zwaarte van de ingezette zorg. Een succesvolle interventie was ook de pilot Wlz. Deze is inmiddels afgerond. Er is een externe partij ingeschakeld die heeft geholpen met de aanvragen voor de Wlz. Door deze toetsing zijn er al meer cliënten overgegaan naar de Wlz, wat een kostenbesparing heeft opgeleverd. Daarnaast zorgen de werkinstructies voor de toegang voor duidelijkheid welke zorg/ondersteuning wel of niet ingezet kan worden en wat de doorlooptijden bij deze producten zijn. Momenteel wordt er binnen gemeente Gouda nog onderzocht of een waakvlamfunctie passend is. Onder waakvlamfunctie wordt verstaan het inzetten van een ondersteuner die niet per se hulpverlener is om de wachttijd tot passende zorg te overbruggen. Aanvullend hierop kan het zinvol zijn om te sturen op andere interventies die gericht zijn op samenwerking, bijvoorbeeld met scholen. Als scholen te weinig voorliggende voorzieningen hebben, of te weinig zicht op beschikbare voorzieningen zullen zij mogelijk sneller beroep doen op jeugdzorg.
Dat is een van de mogelijke interne verklaringen voor het relatief hoog aantal jeugdigen in zorg. Een nauwere samenwerking met scholen kan hier een positief effect op sorteren. Hulpverleners hebben, volgens de geïnterviewden, te maken met ouders die steeds vaker inzet van jeugdzorg verwachten. Onze ervaring is dat het hanteren van een normenkader interventies rondom het normaliseren van problematiek kan helpen. Door terug te kunnen vallen op een normenkader kunnen hulpverleners makkelijker en duidelijker aan ouders uitleggen wanneer inzet van jeugdzorg
43
wel of niet noodzakelijk is, in welke vorm en in welke hoeveelheid. Op die manier kan bepaalde problematiek bij ouders meer als normaal worden gezien.
6.6.
Wat is een realistisch ontwikkelscenario voor het beroep op jeugdzorg?
Het is niet eenvoudig om te voorspellen wat het beroep op jeugdzorg zal zijn de komende jaren. Landelijk is er een andere trend zichtbaar dan we in Gouda terugzien. Landelijk gezien nemen de jeugdzorgkosten en het aantal cliënten flink toe, vooral veroorzaakt door een langere zorgduur en minder uitstroom. In Gouda is er, volgens de interne data, ook sprake van een toename in cliënten en in de totale jeugdzorgkosten, maar in Gouda is er daarnaast sprake van een toename in uitstroom. De uitstroom nam in deze dataset alleen toe tussen 2020 en 2021 (over 2022 is de uitstroom nog onbekend), het zal moeten blijken of dit verder doorzet. Voor een betrouwbare prognose over het beroep op jeugdzorg raden wij ons VDD prognosemodel aan als aanvullend onderzoek. Dit is gebaseerd op complexe statistische analyses op basis van de data van het jeugdzorggebruik uit het verleden. Op basis van de ontwikkelingen in de jeugdzorg tussen 2019 en 2022 kunnen er wel observaties worden gedaan, maar zonder prognosemodel is het niet zeker hoe realistisch deze zijn. Wel is te zien dat er steeds meer jeugdigen recidiveren, wat kan betekenen dat de ingezette zorg niet effectief genoeg is.
Zoals hiervoor beschreven zijn er meer signalen dat er niet altijd passende zorg ingezet wordt, zoals het hoge gemiddeld aantal toewijzingen per cliënt, ongewenste zorgstapeling en de toename van aantal toewijzingen tussen gestarte en actieve cliënten. Wanneer dit niet wordt aangepakt zal deze trend van hoog aantal recidives zich naar verwachting voortzetten.
7. Conclusie en aanbevelingen 7.1.
Conclusie
De uitgaven voor de jeugdzorg in Nederland zijn flink gestegen. Dat komt door zowel een flinke toename in het aantal cliënten (tussen 2015 en 2022 met 23%) als in een toename in kosten per cliënt. De toename in cliënten werd voorheen vooral verklaard vanuit een toename in nieuwe instroom. Uit een analyse van de instroom en uitstroom door Andersson Elffers Felix (AEF) blijkt echter dat de grootste oorzaak van de volumegroei in jeugdzorg komt omdat de uitstroom ieder jaar achterblijft; jeugdigen blijven dus langer in zorg. Zo nam in Nederland de trajectduur per jeugdzorgcliënt tussen 2015 en 2021 toe met 35%. Daarnaast is er met name een stijging in vraag naar individuele ambulante hulpverlening. De wachtlijsten groeien ondanks dat het aantal jeugdzorgorganisaties is geëxplodeerd (Hervormgingsagenda Jeugd, 2023). Aandeel jeugdige inwoners in zorg toegenomen In Gouda ontvangt 1 op de 8,8 jeugdigen in 2022 jeugdzorg (volgens het CBS 1 op de 7,8, zie disclaimer 7). Dat aantal ligt hoger dan dat in 2019, toen deed 1 op de 9,8 jeugdigen een beroep op de jeugdzorg. Ook is het een lager aandeel dan het landelijke aantal, waarbij 1 op de 7,5 jeugdige inwoners van 0 t/m 23 jaar jeugdzorg ontving in 2022. Kostenontwikkeling Wel zien we, net als landelijk het beeld is, een toename in de totale kosten en een toename in aantal cliënten waarvoor gedeclareerd is in de jeugdzorg.
De gemiddelde kosten per jeugdige namen echter juist licht af, wat betekent dat de zorg per cliënt niet duurder is geworden, maar goedkoper. In dat opzicht doet Gouda het beter dan de landelijke trend waarin de zorg per cliënt steeds duurder wordt. Daarnaast zien we in Gouda dat de uitstroom van cliënten in de afgelopen jaren toeneemt en verlengingen van een toegewezen product (herindicaties) afnemen. Ondanks een algemene stijging van kosten is er toch een positieve verschuiving te zien. Groei aantal cliënten
44
Naast de positieve ontwikkelingen is er ook sprake van een toename in aantal cliënten. Deze toename kan deels worden verklaard door de toename van recidive: cliënten die na uitstroom weer terugkeren in de jeugdzorg. Recidive is een indicator voor de passendheid en effectiviteit van zorg. Wanneer de zorg niet passend of effectief (genoeg) is geweest, is de kans groter dat een jeugdige later weer problematiek zal ervaren en opnieuw een beroep zal doen op zorg. De lange wachtlijsten voor bepaalde vormen van zorg spelen hierbij een rol. Deze zorgen ervoor dat passende zorg bieden in het gedrang komt. De professionals willen een jeugdige die zorg nodig heeft niet lang laten wachten, omdat de problemen van de jeugdige daardoor kunnen verergeren, en zetten daarom minder passende zorg in. Al dan niet gebruik maken van deze tussenoplossing om wachttijden te overbruggen is een dilemma waar veel gemeenten mee kampen. Vaak wordt er gekozen voor een tussentijdse oplossing, zoals dagbehandeling. Dat kan de toename van cliënten in dagbehandeling in Gouda verklaren. Verder zijn er externe factoren waardoor de vraag naar (lichte) jeugdzorg toeneemt. Jongeren ervaren steeds meer prestatiedruk, druk vanuit social media en zorgen over de toekomst. Deze veroorzaken onzekere, angstige en soms zelfs depressieve gevoelens (Hervormingsagenda Jeugd, 2023).