2020-11-20 Toelichting en regels - Vast te stellen bestemmingsplan Graaf Florisweg 28.pdf
Tekst van het document
"Graaf Florisweg 28" (vastgesteld)
30 Gouda wil actief aan de slag met het thema duurzaamheid. Op 22 maart 2016 is het Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid Gouda 2016 ‐ 2019 vastgesteld. Hiermee geeft de gemeente invulling aan haar duurzaamheidsdoelstellingen. De belangrijkste langetermijnambitie uit het uitvoeringsprogramma is Gouda CO2‐neutraal in 2040. De hoofddoelen van het uitvoeringsprogramma zijn: 1. Tenminste 1,5% energiebesparing per jaar (tussendoel: 6 % energiebesparing in 2020). 2. 10% toename van productie van duurzame energie in 2020 ten opzichte van 2015. 3. Afvalscheidingspercentage van 75% in 2020. 4. Naar 100% duurzaam inkopen. 5. Naar minder vervoersbewegingen in de stad. Duurzame energie Jaarlijks is het streven 1,5% energie te besparen en in 2020 zal er een 10% toename van de productie van duurzame energie ten opzichte van 2015 zijn gerealiseerd. Dit kan de gemeente Gouda niet alleen. Het is daarom belangrijk dat er duurzaam gebouwd gaat worden (zie onder Duurzaam bouwen). De toepassing van hernieuwbare energie, zoals zonnepanelen of een warmtewisselaar, is daarbij essentieel. Andere technieken moeten daarbij zeker niet vergeten worden. De energietransitie en mogelijkheden op dit vlak nemen als maar toe. Ook maatregelen aan het huis, door strenger te bouwen dan het Bouwbesluit voorschrijft, dragen bij aan deze ambitie. Bodemenergie (WKO-systemen) Bodemenergie is een duurzame vorm van energie.
De bodem en het grondwater hebben van nature een constante temperatuur. Die warmte kan met een bodemenergiesysteem uit de bodem gehaald worden. Op grond van beschikbare informatie bij de ODMH ligt het plangebied in een omgeving waar de 'potentie WKO voor het eerste watervoerendepakket voor woningen' hoog is. Duurzaam bouwen Bij nieuwbouw vindt de gemeente Gouda het belangrijk, dat wanneer dit mogelijk is, er duurzamer gebouwd wordt dan wat er in het Bouwbesluit minimaal is voorgeschreven. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de "nul op de meter" woning. Het meetinstrument GPR-gebouw wordt in de gemeente Gouda gebruikt als instrument om duurzaamheid te meten. Het streven hierbij is dat nieuwe woningen minimaal een 7,5 scoren (onderscheidend duurzaam). Als extra ambitie wordt de score van 8 gehanteerd ("hoog niveau van duurzaamheid"). Vanaf 1 januari 2021 moet alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De energieprestatie bij BENG wordt bepaald aan de hand van 3 individueel te behalen eisen: • de maximale energiebehoefte in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2.jr); • het maximale primair fossiel energiegebruik, eveneens in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2.jr); • het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten (%).
BENG stelt eisen aan gebouwisolatie en de verwarmings- en airconditioningsinstallaties. Energetische optimalisatie en toepassen van duurzame energie zijn daarbij essentiële onderdelen. Bij nieuwbouw liggen er kansen om gebouwen duurzamer, CO2-neutraal en aardgas-loos te maken. Ruimtelijke adaptatie Gouda streeft voor de lange termijn naar een robuust perspectief voor een leefbare stad. Hiervoor is het nodig een integrale benadering te hanteren bijvoorbeeld op het gebied van funderingsherstel, ecoinnovation, waterbeheer, infrastructuur en governance. Bij nieuwbouw wordt daarom ingezet op voldoende ruimte voor kwalitatief groen. Wateroverlast moet worden beperkt en stedelijk groen aangemoedigd. Afvalscheiding De doelstelling is om in 2020 de hoeveelheid restafval terug te brengen naar 10 kg per inwoner. Dit komt overeen met 75% afvalscheiding. Om dit te bereiken wordt onder andere ingezet op hergebruik van ingezamelde afvalproducten. Daarnaast moet afval scheiden makkelijker gemaakt worden. In 2016 zal de gemeente Gouda starten met gedifferentieerde tarieven voor afvalscheiding. Planbeschrijving en conclusie
"Graaf Florisweg 28" (vastgesteld)
31 Het plan maakt de realisatie van drie woningen in plaats van een bestaande verouderde woning mogelijk. Er is sprake van een duurzame verstedelijking, in die zin dat het bouwplan in het bestaande stedelijke gebied wordt gebouwd en er daardoor gebruik kan worden gemaakt van bestaande stedelijke voorzieningen. Inbreiden gaat voor uitbreiden. Tevens zullen de woningen geen aansluiting op het gasnetwerk meer mogen hebben en gelden de wettelijke regels ten aanzien van duurzaam bouwen, zoals de EPC-norm in het Bouwbesluit. Een hoger niveau van duurzaamheid (hogere score) is niet afdwingbaar. Eventueel is het mogelijk om gebruik te maken van milieuvriendelijke materialen (denk aan (P)FSC hout) en het toepassen van groene daken en zonnepanelen op de daken. In de tuinen is de verharding beperkt, waarmee het plan bijdraagt aan de doestellingen ten aanzien van klimaatadaptatie. Daarnaast wordt geadviseerd om te onderzoeken of materialen hergebruikt kunnen worden. In aanvulling daarop kan bekeken worden of bij de bouw gebruik gemaakt kan worden van duurzame of (elders) gerecyclede materialen. Tot slot wordt geadviseerd om flexibel (aanpasbaar) te bouwen en rekening te houden met de toekomstige sloopfase (door demontabel bouwen komen herbruikbare materialen vrij).
"Graaf Florisweg 28" (vastgesteld)
32
Hoofdstuk 5 5.1
Randvoorwaarden
Milieu
De beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening groeien het laatste decennium steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en ruimtelijke ordening. Milieubeleid kan soms beperkingen opleggen aan de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen, maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. Dit hoofdstuk geeft de milieukundige randvoorwaarden en richt zich daarbij op de volgende milieuaspecten: • Bodem • Luchtkwaliteit • Geluid • Bedrijven en Milieuzonering • Flora en fauna • Externe veiligheid 5.1.1 Bodem Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen.
Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft (Wbb): • Niet saneren Indien de verontreiniging voor het beoogde doel niet hoeft te worden gesaneerd kan het ruimtelijke plan voor wat betreft deze verontreiniging zonder meer doorgang vinden. • Saneren Indien de verontreiniging moet worden gesaneerd dient een saneringsplan te worden opgesteld en ingediend bij de Omgevingsdienst Midden-Holland. In sommige gevallen kan worden volstaan met het indienen van een BUS-melding (Besluit Uniforme Saneringen). Na goedkeuring door het bevoegd gezag kan de sanering doorgang vinden. Na afloop dient de sanering te worden geëvalueerd en ook dit verslag dient ter goedkeuring te worden voorgelegd. Tijdens de saneringsprocedure kan de ruimtelijke procedure worden voortgezet. Echter, een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen kan pas inwerking treden nadat is vastgesteld dat er geen sprake is van een ernstige en spoedeisende sanering (art. 6.2. c. Wabo). Een onderzoeks- en saneringstraject heeft soms grote financiële consequenties voor de beoogde plannen. Enerzijds omdat de kosten van sanering hoog kunnen zijn, anderzijds omdat deze trajecten van grote invloed kunnen zijn op de planning.
In het kader van de Grondexploitatiewet dienen deze kosten tijdig in kaart te worden gebracht. Het is daarom aan te bevelen reeds in een vroeg stadium van planvorming (historisch-) bodemonderzoek voor het hele plangebied uit te voeren. Deze bodemonderzoeken zijn ook noodzakelijk bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen. Bij de realisatie van ruimtelijke plannen is vaak grondverzet noodzakelijk. Dit grondverzet is middels het Besluit bodemkwaliteit aan regels gebonden. De gemeente Gouda beschikt over een vastgestelde bodemkwaliteitskaart en bijbehorende Nota Bodembeheer. Uitgangspunt is dat bij hergebruik van grond de kwaliteit moet aansluiten bij de functie ter plaatse. Nagenoeg alle grondverzet dient te worden gemeld bij het Meldpunt Bodemkwaliteit (www.meldpuntbodemkwaliteit.nl).
"Graaf Florisweg 28" (vastgesteld)
33 Onderzoek Omdat dit bestemmingsplan nieuwe woningen mogelijk maakt is een historisch vooronderzoek uitgevoerd. Het doel van dit onderzoek is een risico-inschatting te maken over de eventuele aanwezigheid van bodemverontreiniging op de locatie. Indien blijkt dat de locatie onverdacht is met betrekking tot bodemverontreiniging is vervolgonderzoek in een wettelijk kader niet noodzakelijk en bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen herinrichting. Indien de locatie wel verdacht is met betrekking tot bodemverontreiniging dient bij herinrichting een verkennend bodemonderzoek conform de NEN-5740 te worden uitgevoerd om te bepalen of de locatie geschikt is voor het beoogde gebruik. Uit informatie verkregen via de gemeente Gouda, omgevingsdienst Midden-Holland blijkt dat op de onderzoekslocatie geen bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden, behalve een gesaneerde tank. Volgens de bodemkwaliteitskaart voldoet de kwaliteit van de boven- en ondergrond gemiddeld aan de klasse “wonen”. Ten zuiden van het perceel is een diffuse sterke verontreiniging bekend in de puinhoudende bovengrond. Tijdens de locatie-inspectie is gesproken met de eigenaren van het perceel. In het verleden heeft aan de voorzijde van de woning een inpandige tank gelegen. Hier zijn geen sporen van gezien. Op het maaiveld zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen.
Uit enkele proefboringen blijkt dat de grond voornamelijk bestaat uit visueel schoon zand, de puinhoudende grond welke op het terrein ten zuiden van de onderzoekslocatie is aangetroffen, lijkt niet aanwezig op de Graaf Florisweg 28. Op basis van de beschikbare informatie kan niet uitgesloten worden dat de bodem niet verontreinigd is met minerale olie. Er wordt geadviseerd een verkennend bodemonderzoek uit te voeren naar olieproducten ter plaatse van de voormalige tank. Conclusie Uit het onderzoek blijkt voor deze ruimtelijke procedure de bodem voldoende is onderzocht en geschikt lijkt te zijn voor de beoogde situatie. Wel dient voor de aanvraag voor een Omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen verkennend bodemonderzoek plaats te vinden ter plaatse van de voormalige tank. 5.1.2 Luchtkwaliteit Wettelijk kader Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen.
De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide en fijn stof. De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in tabel I. Tabel
Grenswaarden Wet luchtkwaliteit
stof
jaargemiddelde
uurgemiddelde
24-uursgemiddelde
Opmerkingen
Stikstofdioxide 40 µg/m3 (NO2)
200 µg/m3
n.v.t.
Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden
Fijn stof (PM10)
40 µg/m3
n.v.t.
50 µg/m3
24-uursgemiddelde mag 35x per jaar worden overschreden
Fijn stof (PM2,5)
25 µg/m3
n.v.t.
n.v.t.
De Wet luchtkwaliteit en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien: 1. de luchtkwaliteit ten gevolge van de plannen per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft; 2. de plannen niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie van NO2 en PM10 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% verstaan; 3. de plannen niet leiden tot het overschrijden van een grenswaarde; "Graaf Florisweg 28" (vastgesteld)
34 4. gevoelige bestemmingen (waaronder scholen en zorginstellingen) niet binnen 300 meter van een rijksweg en 50 meter van een provinciale weg worden gerealiseerd (of indien binnen deze zones geen sprake is van een (dreigende) overschrijding). Het Besluit NIBM heeft een aantal NIBM-grenzen vastgesteld, waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden, te weten: • •
Woningbouw: ≤ 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en ≤ 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Kantoorlocaties: ≤ 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en ≤ 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
Het plan maakt realisatie van drie woningen mogelijk en draagt derhalve niet in betekende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit.
Afbeelding
Concentraties stikstofdioxide en fijn stof (Bron: NSL-monitoringstool)
Woon- en leefklimaat Voor het bestemmingsplan is het tevens relevant om te weten of ter plaatse van de nieuwe woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarom is inzicht gewenst in de huidige luchtkwaliteit. De grenswaarden voor luchtkwaliteit zijn opgenomen in de Wet milieubeheer (titel 5.2 en bijlage 2). Voor zowel stikstofdioxide (NO2) als fijn stof (PM10)) bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde 40 microgram per m3. In de NSL-monitoringstool wordt jaarlijks de concentraties stikstofdioxide en fijn stof inzichtelijk gemaakt. In de afbeeldingen zijn de concentraties stikstofdioxide en fijn stof uit 2018 (Monitoring NSL 2019) ter plaatse van het plangebied weergegeven. Hieruit blijkt dat de concentratie stikstofdioxide in het plangebied kleiner is dan 35 microgram per m³. Dit betekent dat de jaargemiddelde grenswaarde van 40 microgram per m3 niet wordt overschreden. Tevens wordt aan de uurgemiddelde grenswaarde voor stikstofdioxide voldaan, aangezien deze pas vanaf concentraties boven de 60 microgram per m3 wordt overschreden. Uit de afbeelding blijkt ook dat de concentratie fijn stof in het plangebied kleiner is dan 35 microgram per m³. Dit betekent dat de jaargemiddelde grenswaarde van 40 microgram per m³ niet wordt overschreden. Uit de NSL-monitoringstool blijkt tevens dat het maximum aantal overschrijdingen van 35 dagen niet wordt overschreden.
Het vorenstaande geldt ook voor de jaren 2020 en 2030. Conclusie Op basis van het onderzoek naar de luchtkwaliteit kan worden gesteld dat de ontwikkeling van het perceel Graaf Florisweg 28 niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plan.
"Graaf Florisweg 28" (vastgesteld)
35 5.1.3 Geluid Onderzoekplicht Wanneer dient vanuit de Wet geluidhinder een akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden? • Voor industrielawaai via artikel 40. • Voor spoorweg- en wegverkeerslawaai via artikel 77. Industrielawaai Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidszone van een gezoneerd industrieterrein. Daarom is geen nader onderzoek nodig naar industrielawaai. Wegverkeerslawaai Een weg heeft in de zin van de Wet geluidhinder een zone wanneer de maximaal toegestane rijsnelheid hoger is dan 30 km/u. Zogenaamde 30 km/u wegen vallen buiten het regime van de Wet geluidhinder. Een weg heeft aan beide zijden een zone die zich uitstrekt vanaf de uiterste rand van de weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg in buitenstedelijk of binnenstedelijk gebied, zie artikel 74 van de Wgh. Op grond van artikel 82 lid 1 Wgh bedraagt de voorkeursgrenswaarde op de gevels van geluidsgevoelige bestemmingen 48 dB. Als de berekende geluidsbelasting van de weg(en) op de nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen hoger is dan de voorkeursgrenswaarde, dan moet onderzocht worden of maatregelen getroffen kunnen worden om de geluidsbelasting te reduceren.
Als maatregelen niet mogelijk zijn of stuiten op zwaarwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard, dan is het college van burgemeester en wethouders bevoegd tot het vaststellen van een hogere grenswaarde conform artikel 83 van de Wgh. De ten hoogste vast te stellen hogere waarde bedraagt voor deze ontwikkeling 63 dB. In artikel 110g Wgh jo artikel 3.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 staat dat het berekende geluidsniveau ten gevolge van het wegverkeerslawaai moet worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. De correctie is afhankelijk van de rijsnelheid en bedraagt: •
Voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen 70 km/uur of meer bedraagt; o 4 dB voor situaties waarin de geluidsbelasting zonder aftrek 110g Wgh 57 dB is; o 3 dB voor situaties waarin de geluidsbelasting zonder aftrek 110g Wgh 56 dB is; o 2 dB voor alle overige geluidsbelastingen. • Voor alle overige wegen 5 dB. Het plangebied ligt aan de Graaf Florisweg waar een maximum rijsnelheid van 50 km/h geldt. Daarom is nader onderzoek nodig naar wegverkeerslawaai. Spoorweglawaai Het plangebied is gelegen binnen de zone van de spoorweg Utrecht – Gouda. Daarom is nader onderzoek nodig naar spoorweglawaai. Cumulatie Bij wijziging of vaststelling van een bestemmingsplan binnen zones van meerdere geluidsbronnen dient, op grond van het gestelde in artikel 110f van de Wet geluidhinder, onderzoek te worden gedaan naar de cumulatieve geluidsbelasting vanwege de verschillende geluidsbronnen. De berekening van de cumulatieve geluidsbelasting staat in hoofdstuk 2 van bijlage I van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. De gecumuleerde geluidsbelasting moet worden bepaald wanneer er sprake is van blootstelling aan meerdere gezoneerde geluidsbronnen en/of lawaaisoorten waarvan de afzonderlijke geluidsbelasting de voor de betreffende bron geldende voorkeursgrenswaarde overschrijdt.
Hogere waarde en gemeentelijk hogere waardenbeleid De gemeente Gouda heeft de Beleidsregel Hogere waarden Regio Midden-Holland van 8 oktober 2018 vastgesteld. In deze Beleidsregel staan voorwaarden weergegeven waaronder burgemeester en wethouders een hogere waarde mogen verlenen. In onderstaande tabel is het toetsingskader van het gemeentelijk hogere waarden beleid opgenomen (voor weg- en railverkeer en industrie).
"Graaf Florisweg 28" (vastgesteld)
36 Tabel Toetsingskader gemeentelijk Hogere waarden beleid (t.g.v. wegverkeer en industrie) Geluidsbelasting Voorwaarden Hogere Waarde beleid Wegverkeer ≤ 48 dB Voldoet aan voorkeursgrenswaarde geen hogere waarde nodig en geen aanvullende voorwaarden vereist. 48-53 dB Hogere grenswaarde nodig, geen aanvullende voorwaarden vereist. 53-63 dB Hogere grenswaarden nodig én aanvullende voorwaarden zoals geluidsluwe gevel en geluidsluwe buitenruimte vereist.
Beoordeling goede ruimtelijke ordening (cumulatie) In het kader van een goede ruimtelijke ordening is inzicht vereist in de geluidsbelasting ter plaatse van het plangebied. De cumulatieve geluidsbelasting geeft een indicatie voor de te verwachten geluidshinder. Conclusie Omdat het plangebied binnen de zone van de spoorlijn ligt en grenst aan een rijbaan waar een maximum rijsnelheid van 50 km/h geldt is nader onderzoek gedaan naar spoorweg- en wegverkeerslawaai. • Wegverkeerslawaai De berekende geluidbelasting vanwege de Graaf Florisweg bedraagt ten hoogste 59 dB op de voorgevel van de vrijstaande woning en ten hoogste 60 dB op de voorgevel van de twee-onder-éénkap woningen. Het verkeer op de overige wegen rondom het plangebied leidt niet tot overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Er is onderzocht of er maatregelen kunnen worden genomen om de geluidsbelasting te reduceren. Uit de afweging voor maatregelen blijkt dat deze om stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige of financiële redenen niet gewenst of realiseerbaar zijn. Voor de woningen dienen hogere waarden te worden vastgesteld. • Spoorweglawaai De hoogst berekende geluidbelasting vanwege het railverkeer bedraagt 65 dB op de achtergevel van de vrijstaande woning. Voor de twee-onder-één-kap woningen is de hoogst berekende geluidbelasting 64 dB.
De voorkeursgrenswaarde wordt met 10 of 9 dB overschreden. Ook voor spoorweglawaai is onderzocht of er maatregelen kunnen worden genomen om de geluidsbelasting te reduceren. Maatregelen zijn echter niet doeltreffend genoeg en kennen technische, verkeers- en vervoerskundige, financiële en stedenbouwkundige bezwaren. Het bevoegd gezag kan in dit geval een hogere waarde voor de geluidbelasting vaststellen. • Hogere waarde en gemeentelijk beleid Uit het onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting voor wegverkeer en railverkeer hoger is dan de voorkeursgrenswaarden en de volgende hogere waarden moeten worden vastgesteld: o twee woningen met 60 dB voor wegverkeer en 64 dB voor railverkeer; o één woning met 59 dB voor wegverkeer en 65 voor railverkeer. Op grond van het gemeentelijke beleid dienen de woningen dan wel te voorzien in één geluidsluwe gevel en een geluidsluwe buitenruimte. Dit blijkt in het plan mogelijk door toepassing van een opvouwbare glazen schuifwand en een Metaglas SilentAir gevelscherm. Ook kan een balkon met akoestisch gesloten borstweringen worden gerealiseerd, zodat de geluidbelasting op achterliggende gevel wordt teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde. Geadviseerd wordt om de geluidwering van de gevels van de woningen af te stemmen op de gezamenlijke geluidbelasting per type geluidbron.
Op deze manier worden de bewoners optimaal beschermd tegen de geluidbelasting in de omgeving. 5.1.4 Bedrijven en milieuzonering Wettelijk kader Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, het Activiteitenbesluit en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). Bedrijven en Milieuzonering geeft richtafstanden per categorie en per type bedrijvigheid aan. Binnen deze richtafstanden is bij een gemiddelde bedrijfsvoering hinder van het bedrijf te verwachten.
"Graaf Florisweg 28" (vastgesteld)
37 De te beoordelen situaties zijn in te delen in drie groepen met bijbehorende aanpak, te weten: • Nieuwe milieugevoelige functies nabij bestaande bedrijven In deze situatie dient primair te worden beoordeeld of hinder te verwachten is van de specifieke bestaande bedrijven. Deze beoordeling is met name gebaseerd op de Wet Milieubeheer en het Activiteitenbesluit. Daarnaast zal moeten worden meegewogen of ter plaatse van de nieuwe milieugevoelige functies bij eventuele vestiging van een nieuw bedrijf op het bestaande bedrijfsperceel een probleemsituatie ontstaat. Deze afweging vindt met name plaats op basis van Bedrijven en Milieuzonering. • Nieuwe bedrijfsbestemmingen nabij bestaande milieugevoelige functies In deze situatie is de bedrijfscategorie zoals deze wordt opgenomen in het bestemmingsplan leidend. Afhankelijk van deze categorie zal tenminste een afstand van bv. 10 meter (cat. 1), 30 meter (cat. 2), 50 meter (cat. 3.1) tussen de gevoelige functies en belastende activiteiten moeten worden gerespecteerd. In het geval de bestemmingswijziging wordt gerealiseerd ten bate van de vestiging van een specifiek bedrijf, kunnen de omstandigheden van dit bedrijf worden meegewogen. In elk geval dient te worden beoordeeld of aan de Wet milieubeheer zal kunnen worden voldaan.
• Nieuwe milieugevoelige functies nabij nieuwe bedrijfsbestemmingen In dit geval is de bedrijfscategorie zoals deze wordt opgenomen in het bestemmingsplan leidend. Afhankelijk van deze categorie zal tenminste een afstand van bv. 10 meter (cat. 1), 30 meter (cat. 2), 50 meter (cat. 3.1) tussen de gevoelige en belastende bestemmingen moeten worden gerespecteerd. De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bijvoorbeeld bedoeld met de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. Dit omgevingstype en bijbehorende systematiek zullen dan wel in het bestemmingsplan moeten worden vastgelegd. Onderzoek en resultaten Het plangebied ligt ten noorden van het centrum van Gouda en de spoorlijn. In de omgeving van het plangebied zijn overwegend woningen aanwezig, maar ook meerdere kantoren en maatschappelijke functies. Van oudsher zijn ook nog enkele bedrijfsbestemmingen en een tankstation (zonder LPG) aanwezig. De omgeving van het plangebied kan dan ook als gemengd gebied worden aangemerkt, waarbij de richtafstand één stap in mindering mag worden gebracht.
Rondom het plangebied zijn woningen, bergingen/garages, een kantoor en een parkeerterrein aanwezig. Op enige afstand zijn enkele kantoren aanwezig, maar deze leveren over het algemeen geen hinder voor wonen op. Ten westen van het plangebied is horeca in de vorm van een snackbar aanwezig. Een snackbar behoort tot categorie 1, waarbij de richtafstand in een rustige woonwijk 10 meter bedraagt. Aangezien de onderlinge afstand groter is levert de snackbar geen hinder op. Bovendien zijn er tussen de snackbar en het plangebied al woningen aanwezig, waarmee de snackbar reeds rekening dient te houden. De ten noorden van het plangebied gelegen benzinestation behoort tot categorie 2 en heeft in een rustige woonwijk een richtafstand van 30 meter. De onderlinge afstand bedraagt ca. 80 meter, zodat aan de richtafstand wordt voldaan. Er zijn binnen een afstand van 100 meter geen andere bedrijfsbestemmingen aanwezig. Op een iets grotere afstand zijn wel bedrijfsbestemmingen aanwezig, maar dit zijn percelen waar bedrijven tot en met categorie 2 zijn toegestaan of transformatorruimtes. Er is dus geen sprake van belemmeringen voor of als gevolg van aanwezige bedrijven en milieuzonering. 5.1.5 Flora en fauna Wettelijk kader Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna te noemen “Wnb”) in werking.
De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het “nee, tenzij-principe“. Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling. Onderzoek en resultaten "Graaf Florisweg 28" (vastgesteld)
38 Voor het realiseren van de woningen zal de bestaande woningen moeten worden gesloopt en zal wat bestaand groen moeten worden verwijderd. Daarom is een ecologische quickscan uitgevoerd (bijlage 3). Uit de quickscan blijkt dat de afstand van het plangebied tot het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (ca. 10 km) te groot is om invloed te kunnen hebben op de aanwezige stikstofgevoelige habitattypen. Het Natura2000-gebied Broekvelden-Vettenbroek & Polder Stein heeft momenteel nog geen stikstofgevoelige habitattypen, maar is in mei 2019 door de minister wel aangedragen. Daarom is zekerheidshalve ook een stikstofberekening uitgevoerd, zie bijlage 4. Uit deze berekening blijkt dat er geen sprake is van significante nadelige effecten in zowel de aanleg- als gebruiksfase voor de Natura 2000-gebieden Nieuwkoopse Plassen & De Haeck en BroekveldenVettenbroek & Polder Stein. Verder is het plangebied door het cultuurdruk en de afwezigheid van geschikt biotopen, niet geschikt als foerageergebied voor de doelsoorten van de nabij gelegen Natura2000-gebieden. Schade aan Natura2000-doelsoorten is derhalve niet aan de orde.
Voor een deel van de beschermde soorten, te weten Bruine kikker, Gewone pad, Kleine watersalamander, Meerkikker, Bastaardkikker Bosmuis, Bunzing, Dwergmuis, Egel, Haas, Hermelijn, Huisspitsmuis, Konijn, Rosse woelmuis, Veldmuis, Wezel, Vos en Woelrat, geldt een algemene vrijstelling in het kader van de Wet Natuurbescherming door de provincie Zuid-Holland. Er hoeft voor deze soorten geen ontheffing aangevraagd te worden. Wel dient voor deze soorten de algemene zorgplicht in acht genomen te worden. Er zijn geen (oude) nesten van vogels aangetroffen. De aanwezige bomen en struiken zijn wel geschikt als broedlocatie voor algemeen voorkomende vogels. Indien bomen en struiken verwijderd worden, dient dit bij voorkeur buiten het broedseizoen van vogels te gebeuren, zodat overtreding van de Wet natuurbescherming wordt voorkomen. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart tot 15 juli. De Wnb hanteert echter geen standaard periode voor het broedseizoen; van belang is of een nest bewoond is. Indien een bewoond nest wordt aangetroffen, mogen er geen werkzaamheden uitgevoerd worden die het nest verstoren. Voor aanvang van werkzaamheden tijdens het broedseizoen dient een terzake kundige een inspectie uit te voeren ten aanzien van eventuele broedende vogels. Het dak van de woning is niet geschikt als broedlocatie voor de Gierzwaluw en Huismus.
Het plangebied is door de hoge cultuurdruk niet geschikt als leefgebied voor uilen en/of roofvogels. Er zijn geen geschikte nesten aangetroffen die gebruikt kunnen worden door deze vogelsoorten. Tevens zijn er geen sporen aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een uil. Vogelnesten die jaarrond beschermd worden door de Wnb, kunnen binnen het plangebied worden uitgesloten. Het plangebied kan mogelijk geschikt zijn als functioneel leefgebied voor de Huismus. Er blijven echter voldoende bomen en struiken behouden. Hierdoor zal er geen schade ontstaan aan het functioneel leefgebied van de Huismus. Uit de bureaustudie blijkt dat de beschermde vissoort Grote modderkruiper voorkomt in de omgeving van het plangebied (1-5km). Binnen het plangebied is geen water aanwezig. Hierdoor is het plangebied ongeschikt als leefgebied voor de Grote modderkruiper. De aanwezigheid van deze soort binnen het plangebied kan worden uitgesloten. Uit de bureaustudie blijkt dat de beschermde Rugstreeppad (wnb-hrl / Rode lijst status ‘gevoelig’) voorkomt in de directe omgeving van het plangebied (0-1km). De beschermde Heikikker (wnb-hrl / Rode lijst status ‘thans niet bedreigd’) komt voor in de omgeving van het plangebied (1-5km). Door de afwezigheid van onder meer water met ruige oevervegetatie is het plangebied niet geschikt als leefgebied voor de Heikikker.
De aanwezigheid van de Heikikker binnen het plangebied kan worden uitgesloten. Het huidige plangebied is niet geschikt als voortplantings- en overwinteringsgebied voor de Rugstreeppad. Op het moment dat er werkzaamheden gaan plaatsvinden kan het plangebied mogelijk wel geschikt worden als voortplantings- en overwinteringsgebied. Geadviseerd wordt te voorkomen dat er gedurende de voortplantingsperiode (globaal half april – augustus) water stagneert en er plassen en poelen ontstaan waar de Rugstreeppad haar eieren in af kan zetten. Tevens dient voorkomen te worden dat er lang zand/grond braak ligt gedurende de overwinteringsperiode (globaal van november – maart). Dit om ingraven voor overwintering te voorkomen. Uit de geraadpleegde verspreidingskaarten blijkt dat de beschermde Ringslang (wnb-andere soorten / Rode lijst status ‘kwetsbaar’) voorkomt in de directe omgeving van het plangebied (0-1km). Binnen het plangebied is onvoldoende water en rijke oevervegetatie aanwezig. Er zijn geen voortplantingslocaties aanwezig. Hierdoor is het plangebied ongeschikt als leefgebied voor de Ringslang. De aanwezigheid van deze soort binnen het plangebied kan worden uitgesloten. "Graaf Florisweg 28" (vastgesteld)
39
Uit de bureaustudie blijkt dat de beschermde Bever (wnb-hrl, Rode lijst status ‘gevoelig) en Otter (wnbhrl / Rode lijst status ‘verdwenen uit NL’) voorkomen in de directe omgeving van het plangebied (01km). De Boommarter (wnb-andere soorten / Rode lijst status ‘kwetsbaar’), Steenmarter (wnb-andere soorten / Rode lijst status ‘thans niet bedreigd’) en Waterspitsmuis (wnb-andere soorten / Rode lijst status ‘kwetsbaar’) komen voor in de omgeving van het plangebied (1-5km). De bever, Otter en Waterspitsmuis leven in gebieden met veel water en rijke oevervegetaties. Deze zijn binnen het plangebied niet aanwezig. Hierdoor kan de aanwezigheid van deze soorten binnen het plangebied worden uitgesloten. De Boommarter leeft met name in bossen en bosrijke gebieden. Deze zijn binnen het plangebied niet aanwezig. Hiermee kan de aanwezigheid van de Boommarter binnen het plangebied worden uitgesloten. De Steenmarter leeft in steenachtige omgevingen met geriefhoutbosjes en parkachtige landschappen. Deze zijn binnen het plangebied niet aanwezig. Tevens zijn er geen sporen aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van de Steenmarter. De aanwezigheid van deze soort binnen het plangebied kan worden uitgesloten.
Uit de bureaustudie blijkt dat verschillende beschermde vleermuissoorten voorkomen in de omgeving van het plangebied, zoals Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger, Rosse vleermuis, Ruige dwergvleermuis (0-1km) en Meervleermuis en Watervleermuis (1-5km). De woning in intern en extern onderzocht op mogelijke invliegopeningen voor gebouwbewonende vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen. Tevens zijn er geen sporen aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van vleermuizen. De stammen van de bomen zijn onderzocht op geschikte gaten en kieren voor een verblijfplaats van boombewonende vleermuissoorten. Deze zijn niet aangetroffen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouw- en boombewonende vleermuissoorten kan worden uitgesloten. De aanwezige bomen en struiken zijn geschikt als foerageergebied voor verschillende soorten vleermuizen. Foerageergebied is alleen beschermd indien het van groot belang is voor de functionaliteit van de verblijfplaatsen van de soorten, doordat er onvoldoende alternatieven aanwezig zijn. Dat is op deze locatie niet aan de orde. Er blijft in de tuin voldoende opgaand groen aanwezig. Tevens is in de directe omgeving voldoende alternatief foerageergebied aanwezig. De geplande werkzaamheden zullen geen schade veroorzaken aan de gunstige staat van instandhouding van de aanwezige populaties vleermuizen.
Uit de bureaustudie blijkt dat de beschermde libelsoort Groene glazenmaker (wnb-hrl / Rode lijst status ‘bedreigd’) voorkomt in de directe omgeving van het plangebied (0-1km). De beschermde waterslak Platte schijfhoren (wnb-hrl / Rode lijst status ‘kwetsbaar’) komt voor in de omgeving van het plangebied (1-5km). Binnen het plangebied is voor beide soorten geen geschikt leefgebied aanwezig. De aanwezigheid van de Groene glazenmaker en Platte schijfhoren kan worden uitgesloten. 5.1.6 Externe veiligheid Wet- en regelgeving Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico’s op voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vormen het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico’s. Door het stellen van eisen aan afstanden tussen de activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen, enz.) worden de eventuele gevolgen van deze risico’s zoveel mogelijk beperkt. • Plaatsgebonden risico (PR) Als “harde” afstandseis voor externe veiligheid geldt een contour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6), die wordt aangegeven als een afstand ten opzichte van de activiteit met gevaarlijke stoffen (risicobron). Binnen deze PR 10-6 contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden geprojecteerd.
• Groepsrisico (GR) Afhankelijk van de aard van de risicobron is er sprake van een bepaald invloedgebied. Binnen dit invloedgebied moet worden onderzocht hoe groot de kans per jaar is dat een groep van ten minste 10 (zich binnen dit invloedgebied bevindende) personen overlijdt ten gevolge van een ramp of zwaar ongeval met de betreffende risicobron. De uitkomst van dit onderzoek geeft de hoogte van het GR weer en wordt uitgedrukt in een curve, waarbij als norm voor het GR een oriënterende waarde is vastgesteld.
"Graaf Florisweg 28" (vastgesteld)
40 De hoogte van het GR moet door middel van een bestuurlijke afweging worden verantwoord. Als binnen het invloedgebied (beperkt) kwetsbare bestemmingen worden geprojecteerd, geldt ook voor de hiermee samenhangende toename van het GR een bestuurlijke verantwoordingsplicht.
Afbeelding
uitsnede risicokaart
Onderzoek en resultaten In het kader van de realisatie van drie woningen op het perceel Graaf Florisweg 28 is aan de hand van de Risicokaart onderzocht of er relevante risicobronnen in de omgeving van het plangebied zijn. De resultaten zijn hieronder beschreven. • Inrichtingen Binnen en nabij het plangebied zijn geen EV relevante inrichtingen gelegen. • Transport over de weg In de nabijheid van het plangebied zijn geen wegen gelegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. • Transport over het water In de nabijheid van het plangebied zijn geen vaarwegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. • Transport per buisleiding In de nabijheid van het plangebied zijn geen buisleidingen die relevant zijn voor externe veiligheid. • Transport over het spoor Op ca. 50 tot 75 meter afstand is het spoor Rotterdam – Utrecht gelegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Dit traject valt onder het landelijke Basisnet spoor (landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen). Gezien de afstand tot het spoor moet rekening gehouden worden met het scenario van een giftige gaswolk en een explosie. Visie Externe Veiligheid gemeente Gouda De Visie Externe Veiligheid geeft mede invulling aan de duurzame ontwikkeling van de stad.
Enerzijds moeten ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk blijven, terwijl tegelijkertijd de gemeente zorg draagt voor een veilige woon-, werk- en leefomgeving. In deze visie staat de samenhang tussen ruimtelijke ordening, beheersbaarheid en verantwoording van risico's centraal. In het kader van deze visie is de hele stad beschouwd en voor alle soorten risico's op alle soorten locaties is een uniforme en consequente benadering geformuleerd. Op deze manier geeft Gouda concreet richting en uitwerking aan een veilige, integrale invulling van haar ruimtelijke ontwikkeling. Voor concrete bouwplannen of bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen geeft de visie planologische kaders voor de procedures. Waar nodig worden aan deze kaders voorwaarden gekoppeld die het risiconiveau beheersbaar houden of risico's uitsluiten. Deze planologische kaders bieden vooraf duidelijkheid in de omgang met externe veiligheid in ruimtelijke procedures.
"Graaf Florisweg 28" (vastgesteld)
41
Afbeelding
planologisch kader voor plannen langs het spoor in Gouda tussen 30-200 meter
Omgevingswet Onder de Omgevingswet, vanaf 2021, is er voor gemeenten een andere manier van omgaan met het groepsrisico. Gemeenten gaan werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheid. Een andere belangrijke verandering is de toevoeging van een nieuwe categorie ‘zeer kwetsbaar gebouw’. Uitgangspunt van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid. Zo kunnen zij een brand, ramp of crisis voorkomen of de gevolgen er van beperken. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan 3 categorieën voor de bescherming voor verschillende soorten gebouwen en locaties: • zeer kwetsbaar, zoals (basis)scholen voor minderjarigen of met een lichamelijk of geesterlijke beperking, ziekenhuizen, verpleeghuizen en kinderopvang met slaapgelegenheid; • kwetsbaar, zoals functies voor wonen, bijeenkomsten, kantoren, sportfunctie, gezondheidszorg zonder begebied; • beperkt kwetsbaar, dit zijn de overige gebouwen en locatie conform het Bevi. Het heeft de voorkeur om zeer kwetsbare gebouwen buiten aandachtsgebieden te realiseren, maar deze gebouwen kunnen nu ook daarbinnen worden toegelaten. Daarbij geldt als eis dat de extra bouwmaatregelen of gelijkwaardige omgevingsmaatregelen getroffen moeten worden. Onder de Omgevingswet blijft bij binnenstedelijke (her)ontwikkeling ook mogelijk als er externe veiligheidsrisico’s aanwezig zijn.
Dit is ook nu het geval. Het doel van aandachtsgebieden is om te weten wanneer personen binnen beschermd zijn tegen een ongeval. De belangrijkste verbetering is dat de aandachtsgebieden direct duidelijk maken dat externe veiligheid bij die (her)ontwikkeling moet worden betrokken. Regels voor aandachtsgebieden waar brand- en explosievoorschriften gelden staan in paragraaf 4.2.14 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
"Graaf Florisweg 28" (vastgesteld)
42 Conclusie en verantwoording groepsrisico Uit de risicokaart blijkt dat er binnen of in de directe nabijheid van het plangebied geen inrichtingen, wegen, buisleidingen en vaarwegen zijn gelegen, die in het kader van externe veiligheid een beperking vormen voor het plangebied. De enige relevante risicobron in de nabijheid van het plangebied is het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor. Zoals ook in de Visie EV van Gouda is opgenomen moet vanwege de ligging van het plangebied tussen de 30 en 200 meter uit de spoorlijn rekening worden gehouden met het scenario van een giftige gaswolk en een explosie. Binnen deze zone is binnenstedelijke ontwikkeling van zwetsbare gebouwen en locaties mogelijk, mits bovenstaand planologisch kader en andere relevante punten in acht worden genomen. •
afstand houden tot de risicobron De nieuwe woningen staan centraal op het perceel of iets meer richting de Graaf Florisweg. Op deze wijze blijft er tussen de woningen en het spoor nog een riante achtertuin aanwezig van ca. 18 tot 25 meter diep. Tussen deze tuinen en de spoorlijn ligt nog een parkeerterrein met groen, bomen en een fietspad langs het spoor met een totale breedte van ca. 40 meter. Het is vanwege stedenbouwkundige redenen en het geluid van het wegverkeer op de Graaf Florisweg niet mogelijk om de afstand tussen de woningen en het spoor verder te vergroten.
•
risicocommunicatie Risicocommunicatie wordt opgepakt op diverse schaalniveaus: van gemeentebreed tot bij grote ruimtelijke ontwikkelingen wordt aandacht besteed aan voldoende informatie over relevante risico's. Gouda heeft risicocommunicatie hoog op de agenda staan. De ambitie is daarbij de participatie van zowel de bedrijven als de burgers, georganiseerd in wijkteams, bevorderen, omdat een actieve rol voor alle partijen eerder tot bewustwording van de risico's leidt en de burgers een beter handelingsperspectief biedt. Omdat hier gaat om drie woningen is het opstellen van een risicocommunicatieplan niet zinvol. Toekomstige bewoners kunnen worden geattendeerd op de risico’s, zodat zij hiermee bekend zijn. Tevens kan daarbij worden geadviseerd vooraf op objectniveau na te denken over vluchtroutes.
•
beperken personendichtheden in de omgeving van de risicobron Het plan voorziet in het realiseren van drie woningen, waarvan één bestaande woning, waarin één huishouden is toegestaan. In elk huishouden is in ieder geval één of meer volwassenen die een hoge mate van zelfredzaamheid hebben en kinderen en andere personen met verminderde zelfredzaamheid kunnen helpen. Bovendien wordt er geen complex met meerdere appartementen gerealiseerd, zodat de personendichtheid redelijk beperkt blijft. Overigens biedt het perceel ook geen resterende ruimte om nog wooneenheden toe te voegen.
•
vlucht- en schuilmogelijkheden Zoals hiervoor aangegeven wordt er vanuit gegaan dat er in ieder geval één of meer zelfredzame personen aanwezig zijn die kunnen (helpen met) schuilen en/of vluchten uit het bedreigde gebied. De woningen zijn (half) vrijstaand, zodat er ook langs de woningen in noordelijke richting eenvoudig en snel van de ramp af kan worden gevlucht.
•
omgevingsmaatregelen In het externe veiligheidsbeleid van Gouda zijn de grote transportassen de prominentste risicoveroorzakers. Op risicobeheersende maatregelen bij deze transportassen heeft de gemeente weinig tot geen invloed. Het is dus belangrijk in gesprek te zijn en te blijven met de Provincie en het Rijk om hier actief invloed op uit te oefenen. De ambitie is om in de zone langs het spoor de risico's en het ontwikkelen in balans te laten zijn, waarbij ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk moeten blijven, maar waar meer veiligheidsmaatregelen nodig zijn dan elders. Bij het formuleren van veiligheidsmaatregelen moet echter wel afgewogen worden welke maatregel het meest kosteneffectief is. In dit geval is het kunnen uitschakelen met één druk op de knop (of door de stekker eruit te halen) van de mechanische ventilatie in de woningen de meest geschikte maatregel. Om deze maatregel juridisch te borgen is deze als voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen.
"Graaf Florisweg 28" (vastgesteld)
43 •
aanvullende bouwmaatregelen Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet, hetgeen wordt voorzien per 1 januari 2021, gelden ook de regels van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving. In het Bbl zijn in paragraaf 4.2.14 voorschriften voor gebouwen, zoals woningen, in brand- en explosieaandachtsgebieden opgenomen. Hier worden regels gesteld ten aanzien van brandwerendheid, brandklasse gevel, vloer en dak, vluchtroute, sterkte bij brand en scherfwerking. Onder andere moet bij de bouw van de woningen na 1 januari 2021 rekening worden gehouden met de toepassing van beglazing die bij een explosie letsel door scherfwerking voorkomt. Geadviseerd wordt om deze bouwmaatregelen ook toe te passen wanneer de woningen voor 1 januari 2021 worden gebouwd.
De ontwikkeling voldoet aan hetgeen is gesteld in de geldende wet- en regelgeving en het gemeentelijk beleid en het groepsrisico is met bovenstaande voldoende verantwoord.
5.2
Milieueffectrapportage
Wet- en regelgeving De wet- en regelgeving voor milieueffectrapportage (m.e.r.) is vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in de AMvB Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de Wet milieubeheer zijn vooral de procedurele verplichtingen opgenomen. In Besluit m.e.r. is opgenomen wanneer een m.e.r. verplicht is. Globaal zijn er 3 soorten m.e.r.. 1. Een plan m.e.r. is wettelijk verplicht wanneer: a. Het plan kaders stelt voor activiteiten in het plangebied waarvoor een (project-)m.e.r. noodzakelijk is, dan wel waarvoor beoordeeld moet worden of een (project-)m.e.r. noodzakelijk is. Dit zijn de activiteiten die genoemd zijn in kolom 1 van Bijlage C en D van het Besluit m.e.r. Voor activiteiten uit Bijlage D geldt de plan-m.e.r. plicht direct als ze groter is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2. Als ze kleiner is dan die drempelwaarden, wordt de plan m.e.r. plicht bepaald door de vormvrije m.e.r.-beoordeling. b. De activiteiten in het bestemmingsplan leiden tot mogelijk significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden (passende beoordeling noodzakelijk). Bij een plan m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 3 van Bijlage C en D van het Besluit m.e.r. 2. Een project- of besluit-m.e.r. is wettelijk verplicht wanneer: a. De activiteit genoemd is in Bijlage C van het Besluit m.e.r. b.
De initiatiefnemer of het bevoegd gezag besloten hebben dat voor een activiteit uit Bijlage D van het Besluit m.e.r. een milieueffectrapport opgesteld wordt, cq. moet worden. Bij een project- of besluit-m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 4 van Bijlage C of D va het Besluit m.e.r. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een bestemmingsplan dat in directe zin woningbouw mogelijk maakt waarvoor een m.e.r.-plicht geldt, of om een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een bedrijf (met aanzienlijke milieugevolgen). 3. Een m.e.r.-beoordeling is wettelijk verplicht voor de activiteiten in kolom 1 van Bijlage D van het Besluit m.e.r.. Indien de activiteit kleiner is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2 van Bijlage D is er sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hiervoor hoeft geen raadpleging plaats te vinden en het besluit hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatcourant. Bij een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling gaat het om besluiten uit kolom 4 van Bijlage 4 van het Besluit m.e.r.. Onderzoek en resultaten Het bestemmingsplan maakt het realiseren van drie woningen mogelijk in plaats van één bestaande woning. Gelet op de aard (wonen), de beperkte toename van de omvang van de bebouwing (herontwikkeling), de locatie (stedelijk gebied) en ruimtelijke inpasbaarheid (woonfuncties reeds aanwezig) valt het bouwplan niet onder de reikwijdte van het Besluit-mer.
In dit geval is er géén sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit-mer, zodat een vormvrije m.e.r. niet aan de orde is.
"Graaf Florisweg 28" (vastgesteld)
44
5.3
Waterhuishouding
Rijkswaterstaat en de waterschappen (Hoogheemraadschappen zijn de waterbeheerders in Nederland. Zij zorgen onder meer voor voldoende grond- en oppervlaktewater en een goede waterkwaliteit. Maar ook beschermen zijn het land tegen overstromingen. Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Een achttal wetten is toen samengevoegd tot één wet. In de Waterwet staan de verantwoordelijkheden van de verschillende overheden die betrokken zijn bij het waterbeheer (rijksoverheid, provincie, waterschappen en gemeenten). De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een belangrijke bijdrage aan kabinetsdoelstelling zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Totdat de Omgevingswet in werking treedt, blijft de Waterwet van kracht. De hoogheemraadschappen zijn het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheren de hoogheemraadschappen rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. In het proces van ruimtelijke planvorming hebben de hoogheemraadschappen een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheersfase van ruimtelijke plannen een regelgevende rol. De gemeente Gouda heeft te maken met twee hoogheemraadschappen.
Het hoogheemraadschap van Rijnland is verantwoordelijk voor het waterbeheer ten oosten van de Gouwe en ten noorden van de Hollandse IJssel. Ten westen van de Gouwe en ten zuiden van de Hollandse IJssel ligt het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK Waterbeheerplannen van de Hoogheemraadschappen Voor de planperiode 2016-2021 zijn de Waterbeheerplannen (WBP) van de hoogheemraadschappen van toepassing. In deze plannen geven de waterbeheerders aan wat hun ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. De nieuwe WBP's leggen meer dan voorheen accent op uitvoering. De drie hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij willen de waterbeheerders dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. De waterbeheerplannen sorteren voor op deze ontwikkelingen.
Keur en uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is het hoogheemraadschap als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij: • waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), • watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken), • andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen) • de bodem van kwelgevoelige gebieden Maar ook aan: • onttrekken en lozen van grondwater; • het aanbrengen van verhard oppervlak. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Wie bijvoorbeeld op een waterkering wil bouwen, moet een watervergunning aanvragen bij Rijnland (én een omgevingsvergunning bij de gemeente). In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. De regels van Rijnland zijn te vinden op www.rijnland.net/regels.
"Graaf Florisweg 28" (vastgesteld)
45 Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto's wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. Deze voorkeursvolgorde wordt onderschreven door de gemeente in het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Zorgplicht en preventieve maatregelen voor hemelwater Voor de verwerking van hemelwater wijzen de waterbeheerders op de zorgplicht en op het nemen van preventieve maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de bron. Preventie heeft de voorkeur boven 'end-of-pipe' maatregelen.
Uitgangspunt is dat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen. Daar waar ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen van het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect optreedt op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of - als laatste keus - aansluiten op het gemengde stelsel. Ook kan de gemeente in overleg met het waterschap kiezen voor een generieke 'end-of-pipe' aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in het GRP. Gemeentelijk Rioleringsplan Het gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) geeft invulling aan het stedelijk waterbeheer van de gemeente Gouda. Hierin staat Gouda's visie beschreven over het rioolbeheer. En het GRP geeft op transparante wijze invulling aan de gemeentelijke zorgplicht met betrekking tot water: Deze zorgplichten zijn: • Zorgplicht voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater (Wet Milieubeheer); • Zorgplicht voor afvloeiend hemelwater (Wet op de Waterhuishouding); • Zorgplicht voor het voorkomen van structureel nadelige gevolgen van grondwaterstanden (Wet op de Waterhuishouding).
De rioleringszorg heeft één hoofddoel. Dit is het duurzaam beschermen van de volksgezondheid. Het aanleggen en het onderhouden van adequate rioolsystemen is een wettelijke verplichting die voorvloeit uit de gemeentelijke zorgplicht voor afvalwater (artikel 10.33 uit de Wet milieubeheer). Waterplan Gouda Op 25 mei 2011 is het geactualiseerde Waterplan door de gemeenteraad van Gouda vastgesteld. In Gouda bestaat een kwetsbaar evenwicht tussen te natte en te droge omstandigheden. Enerzijds mag bij een regenbui geen wateroverlast ontstaan en anderzijds moet het waterpeil juist hoog genoeg zijn om houten funderingen te conserveren en om extra daling van de bodem te voorkomen. Dit uit zich in een relatief geringe drooglegging en weinig mogelijkheden voor peilfluctuaties. Voor de kans op overstroming gelden sinds 2009 provinciale normen. Deze normen vormden geen uitgangspunt in het Goudse Waterplan van 2003. Uitgangspunt voor Gouda is dat woningen droog moeten blijven. Om aan een norm van maximaal 1 keer per 100 jaar wateroverlast te voldoen, moeten veel wegen uit de hoofdinfrastructuur van Gouda eerder worden opgehoogd dan nu geraamd. Vanwege de grote financiële gevolgen wil Gouda met instemming van Rijnland afwijken van de provinciale normen. Uitgangspunt is wel dat we accepteren dat wegen soms onder water staan.
Gemeente en Rijnland gaan hierover in gesprek met de provincie Zuid Holland. Het onderhoud van het watersysteem binnen Gouda is verdeeld onder twee instanties. De waterschappen onderhouden de primaire wateren. De gemeente is verantwoordelijk voor het onderhoud van de overige wateren
"Graaf Florisweg 28" (vastgesteld)
46 Planbeschrijving en conclusie Bij een toename aan verharding van meer dan 500 m² dient, volgens de regels van het hoogheemraadschap van Rijnland, 15% te worden gecompenseerd. Een toename aan verharding zorgt er namelijk voor dat het regenwater sneller op het oppervlaktewater zal afstromen. Het uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat er geen verslechtering van de huidige situatie mag optreden. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van drie woningen in plaats van een bestaande woning. Het bebouwingsoppervlak neemt echter slechts met ca. 52 m² toe, zoals in hoofdstuk 3 is beschreven. Bij de woningen zal tevens erfverharding wenselijk zijn. In de regels van dit bestemmingsplan is geborgd dat in de voortuinen maximaal 75 m² aan verharding per woning mag worden aangebracht en in de zij- en achtertuin maximaal 50%. Het thans nog geldende bestemmingsplan bevat geen beperking op het aanbrengen van oppervlakte verharding. Voorts wordt er geen bestaand oppervlakte water gedempt. Derhalve wordt geen toename van bebouwd en verhard oppervlak van meer dan 500 m² verwacht, zodat realisatie van watercompensatie niet noodzakelijk is. Gezien de omvang van het bouwplan wordt ook geen negatief effect op de waterhuishouding verwacht.
5.4
Trillingen
Vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening is het voor het bestemmingsplan van belang om aandacht te hebben voor eventuele trillingshinder, gelet op de nabijheid van het spoor. In juli 2019 is door het Rijk de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen gepubliceerd. Indien er onvoldoende rekening wordt gehouden met trillingen van het spoorverkeer kan dat in de toekomst gevolgen hebben voor de gezondheid van bewoners en gebruikers van bedrijfsruimten. In de handreiking wordt voor verschillende situaties aangegeven hoe er kan worden omgegaan met de trillingshinder, bijvoorbeeld door gebouwen zodanig te ontwikkelen dat de eindgebruiker er zo min mogelijk last van heeft. Voor het beoordelen van trillingen op het risico van gebouwschade, hinder voor personen in gebouwen of verstoring van apparatuur/processen, heeft de Stichting Bouwresearch de SBR-richtlijn 'Trillingen' uitgegeven. De richtlijn heeft geen wettelijke status, maar heeft mede door jurisprudentie een ruim draagvlak opgebouwd en wordt geïnterpreteerd als de meest recente stand der inzichten. Deze richtlijn bestaat uit de volgende drie delen: • SBR-A: Schade aan gebouwen, uitgave 2017. • SBR-B: Hinder voor personen in gebouwen, uitgave 2002. • SBR-C: Storing aan apparatuur, uitgave 2002.