CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

05 De Blaauwe Haan Toelichting.pdf

Raadsvergadering 6 oktober 2021, gemeente GoudaBij agendapunt: Bestemmingsplan “De Blaauwe Haan”19.767 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het thema kaas blijft in het nieuwbouwplan voortbestaan, door invulling te geven aan de navolgende punten: - De naamgeving De Blaauwe Haan; - Naast de onderdoorgang van het appartementengebouw, aan de gevel van de Kattensingel, komt een beeld van een blauwe haan, zoals deze vroeger ook aan de gevel hing; - In de onderdoorgang van het appartementengebouw komt een tableau waarop de geschiedenis van het terrein en het melkcontrolestation wordt verteld; - In het park komen twee beelden (kunstwerken) die refereren naar de geschiedenis van het terrein. - Bovendien zal een boek worden opgesteld over de geschiedenis van het terrein. De precieze vormgeving en uitwerking van bovengenoemde punten wordt in overleg met het bevoegd gezag besproken en vastgesteld. De verbinding met het Van Bergen IJzendoornpark en de verbinding met de stad, vormen belangrijke uitgangspunten van het plan. Bij sloop van de panden wordt de bouwhistorie in acht genomen en er zal een bouwhistorisch onderzoek uitgevoerd worden naar panden die voor 1940 zijn gebouwd. 5.1.2

Conclusie

In het bestemmingsplan is een dubbelbestemming voor archeologie opgenomen. In het kader van cultuurhistorie worden maatregelen getroffen, welke reeds met de gemeente Gouda zijn afgestemd. Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormen daardoor geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

5.2

Bedrijven en milieuzonering

Wettelijk kader Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). Bedrijven en Milieuzonering geeft richtafstanden per categorie en per type bedrijvigheid aan. Binnen deze richtafstanden is bij een gemiddelde bedrijfsvoering hinder van het bedrijf te verwachten. De richtafstanden in de brochure Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bijvoorbeeld bedoeld met de omgevingstypen 'rustige woonwijk' of 'rustig buitengebied'. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype 'gemengd gebied' kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. 5.2.1

Relatie tot het plangebied

Het plangebied ligt in een overwegend woongebied, zodat sprake is van een 'rustige woonwijk'. Ten oosten van onderhavig plangebied bevinden zich enkele gemengde bestemmingen, waarbinnen bedrijvigheid tot milieucategorie 1 wordt toegestaan. Hiervoor geldt in een rustige woonwijk in principe een richtafstand van 10 meter. Direct grenzend aan deze gemengde bestemming worden echter reeds

28

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan De Blaauwe Haan woningen mogelijk gemaakt, derhalve zijn belemmeringen niet te verwachten. Ten noordoosten van het plangebied geldt een kantoorbestemming met functieaanduiding voor detailhandel, waarbinnen detailhandel en dienstverlening en horeca tot milieucategorie 2 mogelijk wordt gemaakt. Hiervoor geldt in een rustige woonwijk in principe een richtafstand van 30 meter. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Ten noordwesten van het plangebied wordt een bedrijfsbestemming tot milieucategorie 4.2 toegestaan. Deze categorie is opgenomen in het kader van de overslag van personeel en goederen op spoorwagons ten behoeve van onderhoud aan het spoor (het betreft de locaties ter hoogte van het Stationsplein). In het vigerend bestemmingsplan "Nieuwe Park Wonen" is de nabijheid van woningen tot deze functie reeds verantwoord. Ten aanzien van geluid wordt gesteld dat door het goed naleven van de vergunning, overlast sterk gereduceerd is. Ten aanzien van gevaar geldt dat in dit concrete geval het Bevi niet van toepassing is, omdat er geen gevaarlijke stoffen in opslag zijn. Dit bedrijf wordt, met de realisatie van woningen in onderhavig plangebied, niet verder in de bedrijfsvoering belemmerd dan reeds het geval is. Bovendien is daarmee voor de beoogde woningen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

In de omgeving van het plangebied zijn verder geen bedrijfsactiviteiten en andere activiteiten aanwezig die het beoogd initiatief belemmeren en vice versa. 5.2.2

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.3

Bodem

Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft (Wbb): Niet saneren Indien de verontreiniging voor het beoogde doel niet hoeft te worden gesaneerd kan het ruimtelijke plan voor wat betreft deze verontreiniging zonder meer doorgang vinden. Saneren Indien de verontreiniging moet worden gesaneerd dient een saneringsplan te worden opgesteld en ingediend bij de Omgevingsdienst Midden-Holland. In sommige gevallen kan worden volstaan met het indienen van een BUS-melding. Na goedkeuring kan de sanering doorgang vinden. Na afloop dient de sanering te worden geëvalueerd en ook dit verslag dient ter goedkeuring te worden voorgelegd. Tijdens de saneringsprocedure kan de ruimtelijke procedure worden voortgezet.

Echter, een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen kan pas in werking treden, totdat is vastgesteld dat er geen sprake is van een ernstige en spoedeisende sanering (art. 6.2. c. Wabo). Een onderzoeks- en saneringstraject heeft soms grote financiële consequenties voor de beoogde plannen. Enerzijds omdat de kosten van sanering hoog kunnen zijn, anderzijds omdat deze trajecten van grote invloed kunnen zijn op de planning. In het kader van de Grondexploitatiewet dienen deze kosten tijdig in kaart te worden gebracht. Het is daarom aan te bevelen reeds in een vroeg stadium van planvorming (historisch-) bodemonderzoek voor het hele plangebied uit te voeren. Bij de realisatie van ruimtelijke plannen is vaak grondverzet noodzakelijk. Dit grondverzet is middels het Besluit bodemkwaliteit aan regels gebonden. De gemeente Gouda beschikt over een vastgestelde bodemkwaliteitskaart en de bijbehorende Nota Bodembeheer. Uitgangspunt is dat de kwaliteit van her te gebruiken grond aansluit bij de functie ter plaatse. Alle grondverzet dient te worden gemeld bij het Meldpunt Bodemkwaliteit (www.meldgrond.nl).

Toelichting (vastgesteld)

29

bestemmingsplan De Blaauwe Haan

5.3.1

Relatie tot het plangebied

Bodemonderzoek plangebied Ten behoeve van de geplande herinrichting is een bodemonderzoek uitgevoerd door Koala Milieu Advies. De rapportage "Actualiserend NEN-bodemonderzoek, asbest in bodem-/puinonderzoek en verhardingsonderzoek ter plaatse van Kattensingel 47, 61 en 62-69 te Gouda" (d.d. 29 november 2018) is bijgevoegd als Bijlage 2 Bodemonderzoek. Het onderzoek betreft een actualiserend NEN-onderzoek (conform NEN 5740), asbest in bodem/puinonderzoek (conform NEN 5707/5897) en een verhardingsonderzoek (conform CROW 201) ter plaatse van Kattensingel 47, 61 en 62-69 in Gouda. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat op een aantal plaatsen sanering nodig is, om de bodem geschikt te maken voor het beoogde gebruik. De verwachting is dat een deel van het asfalt niet in aanmerking komt voor hergebruik. Van de stabilisatielaag onder het asfalt wordt aangenomen dat deze ook buiten de locatie toepasbaar is als IBC-bouwstof (met uitzondering van het zuidwestelijke deel). Voor het overige puingranulaat geldt dat hergebruik alleen op locatie mogelijk is. Het grootste deel van de grond wordt indicatief ‘altijd toepasbaar’ geacht of toepasbaar als klasse ‘wonen’. Ter plaatse van een gedempte watergang in het gebied is verontreiniging geconstateerd, deze locatie dient geschikt te worden gemaakt voor de beoogde woonfunctie.

Ter plaatse van een deel van de aangetroffen ondergrondse tanks is sprake van verontreiniging in grondmonsters/grondwater. Aanvullend onderzoek na de sloop, dient hier uitsluitsel over te geven. De tanks en de omliggende matig tot sterk verontreinigde grond en het grondwater dienen in het kader van de herinrichting te worden gesaneerd teneinde deze ook geschikt te maken voor het beoogde gebruik. Voor tanklocatie P01 wordt vervolgonderzoek niet noodzakelijk geacht. Verder is minerale olie in de grond aangetroffen waarvan de bron onbekend is. Hiertoe dient na de sloop tevens onderzoek plaats te vinden en is sanering aan de orde i.v.m. de bodemverontreiniging. Tot slot is asbest onderzocht en aangetroffen in grond/puin onder het asfalt op een aantal locaties. Asbest in de vorm van respirabele vezels in concentraties boven de 10 mg/kgds in puin en grond wordt verwacht. Daarom is een nader onderzoek asbest conform NEN 5897 en NEN 5707 door middel van sleuvenonderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek kan het best worden uitgevoerd na verwijdering van de asfaltverharding met daarvoor geschikte apparatuur onder vigerende veiligheidseisen. Dit deel van de locatie is niet geschikt en dient te worden gesaneerd tot een diepte van minimaal 1,0 m-mv. Een deel van de vrijkomende grond dient te worden afgevoerd naar een erkend verwerker.

Gezien de aangetroffen verontreiniging, dient nader onderzoek alsmede sanering op delen van het plangebied plaats te vinden. Het geschikt maken van de locatie voor de functie wonen wordt mogelijk geacht. Inpandig bodemonderzoek Kattensingel 62 Aanvullend op het genoemde onderzoek door Koala Milieu Advies, is door RPS een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, specifiek naar de milieu hygiënische kwaliteit van de bodem onder het bedrijfspand ter plaatse van Kattensingel 62. De rapportage "Verkennend bodemonderzoek Kattensingel 62 in Gouda (inpandig)" (d.d. 6 juni 2019) is bijgevoegd als Bijlage 3 Bodemonderzoek (inpandig). Op basis van het vonderzoek kan worden geconcludeerd dat in de bodem onder het kaaspakhuis aan de Kattensingel 62 in Gouda geen mobiele verontreiniging bevindt. In de grond zijn geen overschrijdingen gemeten aan minerale olie en in het grondwater plaatselijk slecht licht verhoogde concentraties aan minerale olie, benzeen en xylenen. In de bodem onder het kaaspakhuis is wel een immobiele verontreiniging aangetoond, grotendeels te relateren aan de aanwezigheid van puin. Zowel grond als grondwater bevatten lokaal sterk verhoogde gehalten (boven interventiewaarde) voor lood. Niet geheel kan worden uitgesloten dat een groter deel van de locatie sterk is verontreinigd.

Vermoedelijk is in kader van de Wet bodembescherming sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging (meer dan 25 m3 de interventiewaarde). Het criterium voor een ernstige grondwaterverontreiniging (meer dan 100 m3 bodemvolume boven de interventiewaarde) wordt niet gehaald. Uit het indicatief asbestonderzoek blijkt dat de puinhoudende grond geen asbestvezels bevatten. Met betrekking tot de voorgenomen herontwikkeling kan worden gesteld dat middels dit onderzoek de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem onder het kaaspakhuis op locatie in voldoende mate in beeld

30

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan De Blaauwe Haan is gebracht. De mobiele verontreinigingen op het buitenterrein zijn inpandig afgeperkt. Voor de aanpak van de geconstateerde verontreinigingen op het buitenterrein wordt geadviseerd een saneringsplan op te (laten) stellen, met voorafgaand een asbestverontreiniging op het buitenterrein. 5.3.2

Conclusie

Het aspect bodem vormt een randvoorwaarde voor de beoogde ontwikkeling. Nader onderzoek zal (na de sloopwerkzaamheden) worden uitgevoerd en op deellocaties zal sanering plaatsvinden om de locatie geschikt te maken voor de beoogde woonfunctie. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

5.4

Externe veiligheid

Wettelijk kader Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico's op voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vormen het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico's. Door het stellen van eisen aan afstanden tussen de activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen, enz.) worden de eventuele gevolgen van deze risico's zoveel mogelijk beperkt. Plaatsgebonden risico (PR) Als “harde” afstandseis voor externe veiligheid geldt een contour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6), die wordt aangegeven als een afstand ten opzichte van de activiteit met gevaarlijke stoffen (risicobron). Binnen deze PR 10-6 contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden geprojecteerd. Groepsrisico (GR) Afhankelijk van de aard van de risicobron is er sprake van een bepaald invloedsgebied. Binnen dit invloedsgebied moet worden onderzocht hoe groot de kans per jaar is dat een groep van ten minste 10 (zich binnen dit invloedsgebied bevindende) personen overlijdt ten gevolge van een ramp of zwaar ongeval met de betreffende risicobron.

De uitkomst van dit onderzoek geeft de hoogte van het GR weer en wordt uitgedrukt in een curve, waarbij als norm voor het GR een oriënterende waarde is vastgesteld. De hoogte van het GR moet door middel van een bestuurlijke afweging worden verantwoord. Als binnen het invloedsgebied (beperkt) kwetsbare bestemmingen worden geprojecteerd, geldt ook voor de hiermee samenhangende toename van het GR een bestuurlijke verantwoordingsplicht. Visie Externe Veiligheid gemeente Gouda De Visie Externe Veiligheid geeft mede invulling aan de duurzame ontwikkeling van de stad. Enerzijds moeten ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk blijven, terwijl tegelijkertijd de gemeente zorg draagt voor een veilige woon-, werk- en leefomgeving. In deze visie staat de samenhang tussen ruimtelijke ordening, beheersbaarheid en verantwoording van risico's centraal. In het kader van deze visie is de hele stad beschouwd en voor alle soorten risico's op alle soorten locaties is een uniforme en consequente benadering geformuleerd. Op deze manier geeft Gouda concreet richting en uitwerking aan een veilige, integrale invulling van haar ruimtelijke ontwikkeling. Bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen geeft de visie planologische kaders voor de procedures. Waar nodig worden aan deze kaders voorwaarden gekoppeld die het risiconiveau beheersbaar houden of risico's uitsluiten.

Deze planologische kaders bieden vooraf duidelijkheid in de omgang met externe veiligheid in ruimtelijke procedures. 5.4.1

Relatie tot het plangebied

Voor de beoordeling van de risico's is de risicokaart geraadpleegd (zie onderstaande figuur). De conclusies ten aanzien van het plaatsgebonden risico en groepsrisico worden hierna toegelicht.

Toelichting (vastgesteld)

31

bestemmingsplan De Blaauwe Haan

Figuur 5.3: Uitsnede risicokaart, ligging plangebied bij benadering met rode lijn omcirkeld (bron: nederland.risicokaart.nl)

Plaatsgebonden risico Het beoogd initiatief zelf is geen risicovolle activiteit. Er zijn enkele risicobronnen in de omgeving van het projectgebied aanwezig, maar het invloedsgebied van deze bronnen reikt niet tot aan het projectgebied. Hiermee vormen dergelijke contouren van plaatsgebonden risico geen belemmering voor de realisatie van woningen binnen het plangebied. Groepsrisico Binnen of in de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen wegen, buisleidingen of vaarwegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het plangebied ligt bovendien op meer dan 200 m afstand van het spoor, gemeten vanaf het hart van de spoorlijn. Conform het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' moet bij ruimtelijke plannen binnen 200 meter van transportroutes waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd het groepsrisico worden beschouwd. Het plangebied ligt hierbuiten, zodat een verantwoording van het groepsrisico achterwege kan worden gelaten. Conform de Visie Externe Veiligheid van de gemeente Gouda moeten de woningen worden uitgevoerd met de mogelijkheid om de mechanische ventilatie met één druk op de knop uit te schakelen in geval van calamiteiten. Hiermee wordt voorkomen dat giftige (rook)gassen naar binnen worden gezogen. Dit zal in de omgevingsvergunning onderdeel bouwen als voorschrift worden opgenomen. 5.4.2

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.5

Flora en fauna

Wettelijk kader Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan de provincie ervoor kiezen om een gebied aan te wijzen als bijzonder nationaal natuurgebied- of landschap of als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van

32

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan De Blaauwe Haan de beschermde soort. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in of in de nabijheid van het NNN gelegen is, verlangt de provincie een 'nee-tenzij-toets'. De Nederlandse natuurbescherming kent twee subaspecten waaraan nieuwe ontwikkelingen in het kader van ecologie (flora en fauna) getoetst dienen te worden, te weten gebieds- en soortbescherming. 5.5.1

Relatie tot het plangebied

Soortenbescherming In het kader van flora en fauna is ecologisch onderzoek uitgevoerd door Van der Goes en Groot. De onderzoeksrapportage "Kattensingel 62 te Gouda: Toetsing in het kader van de natuurwetgeving" (d.d. 27 maart 2020) is bijgevoegd als Bijlage 4 Quickscan flora en fauna. De onderzoeksrapportage "Kattensingel 62 te Gouda: Inventarisatie Huismus, Gierzwaluw en vleermuizen in het kader van de natuurwetgeving" (d.d. 19 oktober 2020) is bijgevoegd als Bijlage 5 Nader ecologisch onderzoek. Uit de onderzoeksresultaten van de quickscan is gebleken dat het onderzoeksgebied in potentie geschikt is voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Van amfibieën en grondgebonden zoogdieren kunnen echter enkel vrijgestelde soorten aanwezig zijn, waardoor een ontheffing niet nodig is. In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen, waarvoor geldt dat een ontheffing niet nodig is wanneer werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd. In het plangebied kunnen echter tevens jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voorkomen, namelijk die van Huismus en Gierzwaluw. Ook kunnen verblijvende vleermuizen in het plangebied voorkomen. Tot slot geldt de algemene zorgplicht en worden enkele aanbevelingen ter bevordering van stadsnatuur gedaan.

Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden op basis van de quickscan niet uit te sluiten waren, is nader onderzoek naar Huismus, Gierzwaluw en vleermuizen uitgevoerd. Het nader onderzoek omvat (op basis van geldende protocollen en richtlijnen): twee bezoeken voor de Huismus, drie bezoeken voor Gierzwaluw en vijf bezoekrondes voor vleermuizen. Tijdens dit nader ecologisch onderzoek werden geen waarnemingen binnen het plangebied gedaan die wijzen op verblijf in de bebouwing van Huismus, Gierzwaluw of vleermuizen. Ook zijn geen aanwijzingen verkregen van andere essentiële gebruiksfuncties van deze soorten op de planlocatie. Op grond van de bevindingen, wordt derhalve geconstateerd dat geen ontheffing Wnb nodig is voor de voorgenomen werkzaamheden. Voorwaarde hierbij is dat sloopwerkzaamheden moeten zijn afgerond voor aanvang van het broedseizoen (omstreeks 1 maart), of dat de bebouwing ongeschikt is gemaakt voordat broedvogels anders dan Huismus of Gierzwaluw zich daar kunnen vestigen. Gebiedsbescherming Uit de quickscan flora en fauna blijkt dat het plangebied niet is gelegen in een Natura-2000 gebied, NNN, weidevogelleefgebied of gebied dat is beschermd als bijzondere houtopstand. Direct negatieve effecten op beschermde natuurgebieden kunnen hiermee worden uitgesloten.

Indirecte negatieve effecten, door een toename in stikstofdepositie, zijn echter niet op voorhand uit te sluiten. Derhalve is een stikstofdepositieberekening (AERIUS-berekening) uitgevoerd. De AERIUS-berekening is bijgevoegd als Bijlage 6 AERIUS-berekening. Uit deze rapportage blijkt dat het aspect stikstof geen belemmering vormt bij de realisatie van het voorgenomen initiatief. Er is geen sprake van significant negatieve effecten door een toename stikstofdepositie.

Toelichting (vastgesteld)

33

bestemmingsplan De Blaauwe Haan

5.5.2

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Middels ecologisch onderzoek, zijn negatieve effecten voor beschermde soorten (waaronder Huismus, Gierzwaluw en vleermuis) uit te sluiten. Wel geldt de algemene zorgplicht. In het kader van gebiedsbescherming worden bovendien geen belemmeringen geconstateerd. Op basis van de uitgevoerde AERIUS-berekening, kunnen significant negatieve (indirecte) effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling, worden uitgesloten.

5.6

Geluid

Wettelijk kader Geluidhinder kan ontstaan door verschillende activiteiten. In de Wet geluidhinder zijn geluidsnormen opgenomen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Deze normen geven de hoogst acceptabele geluidsbelasting bij geluidsgevoelige functies zoals woningen. Bij het bepalen van de maximaal toegestane geluidsbelasting maakt de Wet onderscheid tussen bestaande situaties en nieuwe situaties. Nieuwe situaties zijn nieuw te bouwen geluidsgevoelige functies of nieuwe geluidhinder veroorzakende functies. 5.6.1

Relatie tot het plangebied

Voorliggend bestemmingsplan maakt geluidsgevoelige functies, namelijk woningen, mogelijk. In onderhalvig geval is de wettelijke geluidbron wegverkeer en spoorweglawaai relevant. De aspecten industrielawaai, scheepvaartlawaai en luchtvaartlawaai zijn voor dit bestemmingsplan niet van belang, omdat de beoogde ontwikkellocatie niet binnen de geluidzone ligt van een industrieterrein, scheepvaartverkeer of een luchtvaartterrein. De woningen zijn gelegen binnen de zone van het spoortraject Utrecht - Rotterdam/Den Haaf en een aantal wegen met een snelheidsregime van 50 km/uur. Derhalve is een akoestisch onderzoek naar wegverkeer en spoorweglawaai uitgevoerd door MoBius Consult. De onderzoeksrapportage "Nieuwbouw woningen Kattensingel te Gouda: Geluidsbelasting weg- en spoorwegverkeer" (d.d. juni 2020) is bijgevoegd als Bijlage 7 Akoestisch onderzoek weg- en spoorwegverkeer. Spoorwegverkeer Uit het onderzoek blijkt dat in het project sprake is van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde ten gevolge van spoorwegverkeer. De hoogste geluidsbelasting t.g.v. het spoorwegverkeer bedraagt 57 dB, 2 dB hoger dan de voorkeursgrenswaarde, maar aanzienlijk lager dan de maximale grenswaarde. Wegverkeer De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeer op gezoneerde wegen is in alle gevallen lager dan de voorkeursgrenswaarde.

Bron- en overdrachtsmaatregelen Om de realisatie van nieuwbouw mogelijk te maken, moeten hogere grenswaarden worden verleend. In dit kader is onderzocht of de geluidsbelasting verlaagd kan worden met bron- en overdrachtsmaatregelen en of voldaan wordt aan de eisen die aan het verlenen van hogere grenswaarden worden gesteld. De relatief hoge kosten voor bron- en overdrachtsmaatregelen aan en rond het spoor worden als ondoelmatig beoordeeld. Niet-gezoneerde wegen In het kader van een goede ruimtelijke ordening, is de geluidsbelasting als gevolg van niet-gezoneerde (30 km/u) wegen eveneens berekend en beoordeeld. De geluidsbelasting ten gevolge van de 30 km/u wegen is over het algemeen erg laag. Een uitzondering hierop is de geluidsbelasting op de voorgevel van het appartementengebouw, ten gevolge van wegverkeer op de Kattensingel. Deze geluidsbelasting bedraagt ten hoogste 60 dB. In relatie tot de normen uit de Wet geluidhinder voor stedelijke wegen, waar een plafondwaarde voor geldt van 63 dB, wordt deze geluidsbelasting echter nog wel als acceptabel beoordeeld. Er wordt nadrukkelijk geadviseerd om bij de bepaling van de geluidwerende voorzieningen in de gevels uit te gaan van de gecumuleerde geluidsbelasting, zodat rekening gehouden wordt met het geluid van het wegverkeer over de Kattensingel.

34

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan De Blaauwe Haan

Geluidsuitstraling gebouwinstallaties Sinds 1 april 2021 worden nieuwe geluidseisen gesteld aan (nieuw te plaatsen) buiten opgestelde installaties voor warmte- of koude opwekking. Deze installaties mogen niet meer dan 40 dB geluid veroorzaken bij de buren. De bepalingsmethode voor de nieuwe geluidseisen is vastgelegd in de Regeling Bouwbesluit 2012. De eisen gelden niet voor vergunningsaanvragen die gedaan zijn vóór 1 april 2021, zoals de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het project De Blaauwe Haan. Het ontwerpbestemmingsplan lag samen met ontwerpbesluit omgevingsvergunning vanaf donderdag 25 maart, dus voor de inwerkingtreding van de nieuwe eisen voor warmtepompen ter inzage. Desalniettemin heeft initiatiefnemer ruim daarvoor al aangegeven rekening te willen houden met deze eisen. Er is een geluidsrapport opgesteld door ABT. Het rapport (d.d. 10 juni 2021) is, naar aanleiding van ingekomen zienswijzen, opgenomen als Bijlage 11 Akoestisch onderzoek gebouwsinstallaties. Uit het rapport blijkt dat het geluid onder de norm blijft, die geldt vanaf 1 april 2021. Overigens is het niet verplicht om voor een bestemmingsplan akoestisch onderzoek te verrichten voor warmtepompen. 5.6.2

Conclusie

Er zullen gevelmaatregelen getroffen worden om negatieve effecten van de gecumuleerde geluidsbelasting (voornamelijk als gevolg van wegverkeer over de Kattensingel) ter plaatse van het beoogde appartementencomplex te minimaliseren. Volledigheidshalve wordt vermeldt, dat het aan de Kattensingel wenselijk is om bebouwing in de voorgevelrooilijn te plaatsen, vanuit cultuurhistorisch oogpunt (beschermd stadsgezicht). Tevens zullen hogere grenswaarden aangevraagd worden, in verband met de (beperkte) overschrijding van de voorkeursgrenswaarde met betrekking tot spoorwegverkeer. Het aspect geluid vormt hiermee een randvoorwaarde voor de beoogde ontwikkeling. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

5.7

Luchtkwaliteit

Wettelijk kader In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). AMvB 'niet in betekenende mate' In het Besluit NIBM en de bijbehorende ministeriële Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van 'niet in betekende mate' is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit.

De 3%-norm is in de Regeling niet in betekenende waarde uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Sinds 2009 beperkt het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) de vestiging van 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit richt zich op bescherming van mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijnstof en stikstofdioxide, zoals kinderen, ouderen en zieken. Om deze reden stelt het Besluit onderzoekszones in. Onder gevoelige

Toelichting (vastgesteld)

35

bestemmingsplan De Blaauwe Haan bestemmingen in het kader van luchtkwaliteit zijn categorieën zoals kinderopvang, basisonderwijs en verzorgingstehuizen aangewezen. 5.7.1

Relatie tot het plangebied

AMvB NIBM In onderhavig geval worden niet meer dan 1.500 woningen gerealiseerd. Geconcludeerd kan worden dat de grenswaarde van 3% niet wordt overschreden en daarmee niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Besluit gevoelige bestemmingen Binnen de beoogde ontwikkeling worden woningen gerealiseerd, er worden geen gevoelige bestemmingen als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Ook om deze reden is een aanvullend luchtkwaliteitsonderzoek niet nodig (met uitzondering van stikstofdepositie, zie § 5.5 Flora en fauna). Wel is hier in het kader van een goede ruimtelijke ordening aandacht voor nodig. Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening, is het wenselijk om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen, wanneer gevoelige bestemmingen in het kader van luchtkwaliteit (zoals woningen) worden gerealiseerd. Op de NSL monitoringsviewer kunnen de jaargemiddelde grootschalige achtergrondconcentraties worden ingezien, om inzicht te krijgen in de luchtkwaliteit ter plaatse. Op de NSL monitoringsviewer (geraadpleegd op 11 juni 2020) zijn de totale concentraties van stikstofdioxide NO2, fijnstof PM10 en fijnstof PM2,5 geraadpleegd.

In onderstaande tabel zijn de totale concentraties (nabij het dichtsbijzijnde rekenpunt met ID 15475900), alsmede de bijbehorende grenswaarden voor toetsing weergegeven. NO2 (µg/m3)

PM10 (µg/m3)

PM2,5 (µg/m3)

2020

23.4

19.5

11.6

2030

14.4

16.5

9.1

Grenswaarden

40

40

25

Uit de tabel blijkt dat de totale concentraties nabij het plangebied ruimschoots onder de grenswaarden blijven. Wanneer de maximale bijdrage van het verkeer hierbij wordt opgeteld, zal de concentratie van zowel fijn stof als stikstofdioxide de grenswaarden niet overschrijden. De ontwikkeling zal vanwege de omvang in niet betekenende mate bijdragen aan de heersende achtergrondconcentraties. 5.7.2

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.8

Niet-gesprongen explosieven

Wettelijk kader Voor bepaalde gebieden geldt een hoge verwachtingswaarde voor het aantreffen van niet-gesprongen explosieven (NGE's). Bij het ontwikkelen van een plan moet hier rekening worden gehouden. Wanneer in een vroeg stadium onderzoek wordt verricht naar het al dan niet voorkomen van NGE's kunnen passende maatregelen worden getroffen. 5.8.1

Relatie tot het plangebied

Het plangebied is aangeduid als 'verdacht gebied op afwerpmunitie' (rode arcering in onderstaande afbeelding).

36

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan De Blaauwe Haan

Figuur 5.4: Uitsnede kaart risico op niet-gesprongen explosieven (bron: https://gis.gouda.nl/viewer/app/BOR_open)

Als gevolg hiervan zal, voorafgaand aan de werkzaamheden, door een daartoe gecertificeerd bureau nader onderzocht worden of er aanleiding is om extra veiligheidsmaatregelen te nemen. 5.8.2

Conclusie

Het aspect niet-gesprongen explosieven vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.9

Verkeer en parkeren

Wettelijk kader Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld. 5.9.1

Relatie tot het plangebied

Ontsluiting en bereikbaarheid Het plangebied wordt voor het autoverkeer hoofdzakelijk ontsloten via inrit aan de oostzijde, welke aansluit op de Kattensingel (zie ook onderstaande figuur).

Toelichting (vastgesteld)

37

bestemmingsplan De Blaauwe Haan

Figuur 5.5: Schets van de beoogde inrichting van het plangebied, hoofdontsluitingsroute ter plaatse van rode pijlen (kaart is niet noordgericht)

Via deze inrit kan men de parkeerplaatsen langs de (noord)oostzijde, de parkeerplaatsen bij de woningen en de parkeerhaven in het noordwesten van het plangebied bereiken. Deze ontsluitingsroute is toegankelijk voor hulpdiensten in geval van een calamiteit. Een tweede (reeds bestaande) inrit vanaf de Kattensingel wordt gevonden aan de zuidwestzijde van het plangebied. Hier is een beperkt aantal parkeerplaatsen voorzien. Autoverkeer kan vanaf hier niet verder het plangebied inrijden. Aan de noordzijde van het plangebied is een ontsluiting voor wandelaars en fietsers voorzien, die aansluiting vindt op de Van Beverninghlaan met daarachter het Van Bergen IJzendoornpark. Deze ontsluiting is niet toegankelijk voor autoverkeer, met uitzondering van hulpdiensten: het betreft eveneens een calamiteitenroute. De infrastructuur wordt van voldoende kwaliteit geacht om de bestaande verkeersstromen af te wikkelen. Het treinstation Gouda ligt op loopafstand van het plangebied. Langs de Kattensingel en ook bij Station Gouda zijn diverse busverbindingen. Gezien de gunstige ligging vanwege de nabijheid tot deze OV-voorzieningen, is de verwachting dat toekomstige bewoners van het plangebied hier relatief meer

38

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan De Blaauwe Haan gebruik van openbaar vervoer zullen maken. Verkeersgeneratie Voor het berekenen van de verkeersgeneratie is de CROW publicatie 381 geraadpleegd. In deze publicatie zijn kencijfers voor het aantal motorvoertuigbewegingen (mvt) per etmaal (etm) opgenomen voor diverse functies, afhankelijk van stedelijkheidsgraad en ligging. Voor gemeente Gouda is de stedelijkheidsgraad 'zeer sterk stedelijk' als uitgangspunt genomen (op basis van omgevingsadressendichtheid CBS 2019) en voor de ligging van het plangebied wordt uitgegaan van 'schil centrum'. Verkeersaantrekkende werking huidige situatie In de huidige situatie is sprake van naar schatting 7.500 m2 bvo oppervlakte voor het kaaspakhuis en circa 880 m2 bvo oppervlakte voor kantoor, waarbij een kantoor/showroom tot een oppervlakte van maximaal 180 m2 is toegestaan. Op basis van de uitgangspunten geldt hiervoor een verkeersgeneratie van: gemiddeld 266 mvt/etm voor het kaaspakhuis (bedrijf arbeidsextensief / bezoekersextensief) en gemiddeld 55 mvt/etm voor kantoor (zonder baliefunctie) en gemiddeld 11 mvt/etm voor showroom (met baliefunctie). In totaal is in de huidige planologisch toegestane situatie derhalve sprake van een verkeersaantrekkende werking van circa 332 mvt/etm. Verkeersaantrekkende werking toekomstige situatie In de toekomstige situatie zijn maximaal 59 woningen gerealiseerd.

Voor de berekening van de verkeersaantrekkende werking is uitgegaan van de volgende 'worst-case' situatie: 24 huurappartementen (categorie midden), 21 tussen/hoek koopwoningen, 10 twee-onder-een-kap koopwoningen, 4 vrijstaande koopwoningen. In totaal is in de toekomstig beoogde situatie derhalve sprake van een verkeersaantrekkende werking van circa 98 + 122 + 63 + 20 = 303 mvt/etm. Conclusie verkeersgeneratie Netto blijft de verkeersgenaratie derhalve nagenoeg gelijk. Er is sprake van een lichte afname in verkeersaantrekkende werking van 332 - 303 = 29 mvt/etm (uitgaande van een 'worst-case' scenario). De ontsluiting en infrastructuur wordt van voldoende capaciteit geacht om deze verkeersstromen af te wikkelen. Parkeren Ter plaatse van het plangebied geldt de Parapluherziening parkeren, vastgesteld op 21 november 2018. De gemeenteraad heeft op 29 januari 2020 bovendien een geamendeerd "Parkeerplan Gouda 2020" vastgesteld. Daarmee is de voorgestelde verlaagde parkeernorm in het "Parkeerplan Gouda 2020" uitsluitend vastgesteld voor de binnenstad en een deel van de spoorzone, waar onderhavig plangebied geen onderdeel van uitmaakt. Voor onderhavig plangebied blijven daarom in feite de normen (inclusief de ontheffingsbevoegdheid van het college) gelden zoals opgenomen in de Parapluherziening parkeren (2018).

Voor het parkeren wordt uitgegaan van het vigerende gemeentelijke parkeerbeleid. Uit de regels behorende bij dit bestemmingsplan vloeit voort dat bij indiening van de omgevingsvergunning voor bouwen getoetst moet worden aan dit parkeerbeleid (voorwaardelijke verplichting). In het beleid is voorgeschreven hoe de parkeervraag van een ontwikkeling berekend moet worden en op welke manier deze moet worden geaccommodeerd dan wel in hoeverre daarvan kan worden afgeweken. In de regels is hiernaar verwezen. Dit betekent dat bij elk concreet plan dat wordt ingediend, de indiener moet aantonen dat in de parkeerbehoefte kan worden voorzien. De beleidsregels worden regelmatig bijgesteld. Om die reden is in de regels ook vastgelegd dat indien de beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met de wijziging. Dat biedt de nodige flexibiliteit in het parkeerbeleid zonder dat het bestemmingsplan gewijzigd moet worden. Naast deze dynamische verwijzing moet het wel mogelijk zijn om, afhankelijk van het in te dienen plan, de benodigde parkeerplaatsen te kunnen realiseren. Met andere woorden: de gekozen bestemming en bouwmogelijkheden die in de regels en op de verbeelding van dit bestemmingsplan aangegeven zijn, moet het wel mogelijk maken om de parkeerplaatsen te realiseren.

In voorliggend bestemmingsplan zijn hiertoe de bestemmingen 'Wonen', 'Tuin' en 'Verkeer' opgenomen. Binnen deze bestemming worden parkeerplaatsen mogelijk gemaakt. Parkeren staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan dan

Toelichting (vastgesteld)

39

bestemmingsplan De Blaauwe Haan ook niet in de weg. Concreet bouwplan Volledigheidshalve wordt toegelicht hoe het parkeren is voorzien in relatie met de bouwactiviteiten. Initiatiefnemer heeft het concrete voornemen om 59 woningen te realiseren. In afstemming met het bevoegd gezag, is ervoor gekozen om gemotiveerd af te wijken van van de parkeernormen. Conform het parkeerbeleid, kan van de parkeernorm worden afgeweken, in situaties waar het algemeen belang is gediend. De gemeente kan in voorkomende gevallen maatwerk bieden. De onderbouwing voor afwijking van de parkeernorm en toepassen van maatwerk is voor de Blaauwe Haan onderzocht. Hiertoe is een mobiliteitsrapportage opgesteld door Over Morgen. De rapportage "Mobiliteitsrapport" (d.d. 5 februari 2021) is bijgevoegd als Bijlage 9 Onderbouwing parkeerbalans bouwplan. Voor het berekenen van de parkeereis is gebruik gemaakt van een alternatieve berekening. Uit het mobiliteitsrapport blijkt dat met de onderbouwde afwijking van de parkeernorm en de inzet van deelmobiliteit, een parkeerbehoefte van in totaal 69 parkeerplaatsen voor het plangebied ontstaat. In het inrichtingsplan zijn in totaal 71 parkeerplaatsen voor bewoners en bezoekers opgenomen, inclusief twee deelauto's. Geconcludeerd wordt dat het inrichtingsplan, met het voorgestelde maatwerk, voorziet in voldoende parkeergelegenheid.

Conclusie parkeren Met het opnemen van de dynamische parkeerverwijzing en daarmee de waarborg dat elk concreet bouwplan moet voorzien in voldoende parkeerplaatsen op basis van het geldende parkeerbeleid, wordt voldaan aan het uitvoerbaarheidsaspect parkeren. Dit is terug te vinden in artikel 17 van de regels behorende bij dit bestemmingsplan. De gekozen bestemming en bouwmogelijkheden bieden daarnaast voldoende mogelijkheden om de benodigde parkeerplaatsen ook daadwerkelijk te kunnen realiseren. Bovendien is het concrete bouwvoornemen reeds getoetst en is geconcludeerd dat dit plan in voldoende parkeerplaatsen voorziet. 5.9.2

Conclusie

De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.10

Water

Wettelijk kader Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Dit hoogheemraadschap is in het gebied verantwoordelijk voor de waterhuishouding: het waterkwaliteitsbeheer, het waterkwantiteitsbeheer en de zorg voor de waterkeringen. Voor elk bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de effecten van de bouwmogelijkheden op het waterbeheer. De waterbeheerder voert de Watertoets uit. De Watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. De opmerkingen van de waterbeheerder zijn verwerkt in deze waterparagraaf. Taken en bevoegdheden van Rijnland als waterbeheerder Het Hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft de veiligheid is het cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Voor voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren.

Daarbij wil Rijnland dat watergangen en kunstwerken, zoals gemalen, duikers en stuwen, op orde zijn en toekomstbestendig worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Rijnlands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Rijnland rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties.

40

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan De Blaauwe Haan

In het Waterbeheersplan (WBP5) geeft Rijnland richting aan het waterbeheer in de periode 2016 – 2021. In maart 2016 is het WBP5 vastgesteld (zie http://www.rijnland.net/plannen/waterbeheerplan). In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheersfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol. Keur en beleidsregels Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken), andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen), de bodem van kwelgevoelige gebieden, maar ook aan: onttrekken en lozen van grondwater, het aanbrengen van verhard oppervlak. Per 13 mei 2020 is een nieuwe Keur vastgesteld (in werking getreden 1 juni 2020) met daarbij horende uitvoeringsregels. Het uitgangspunt van deze keur is "ja, tenzij": in beginsel zijn handelingen en/of werken in het watersysteem toegestaan, tenzij expliciet in deze keur anders is bepaald. Indien dat het geval is, zijn er nadere regels voor die handelingen vastgesteld.

Nadere regels zijn voorschriften van een algemene regel of voorwaarde waaronder een vergunningplichtig(e) werk of handeling wordt toegestaan. Hemelwater Indien een toename van het verhard oppervlak plaats vindt, dient de initiatiefnemer in principe een oppervlak ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor watercompensatie. Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Soms kunnen alternatieve waterbergingen, die ervoor zorgen dat de neerslag niet versneld in het oppervlaktewater terecht komt (zoals wadi's, polderdaken en bergingskelders), worden gebruikt ter compensatie van de aanleg van verharding. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. Wanneer het gaat om een toevoeging van minder dan 500m2 verharding, kan in de meeste gevallen worden volstaan met de zorgplicht. Riolering en afkoppelen Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijv. door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding.

Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. Inzameling van afvalwater gebeurt in een gemeentelijke riolering. Dit ingezamelde afvalwater wordt via deze riolering getransporteerd naar een zuiveringsinstallatie. Bij grote hoeveelheden neerslag kan de capaciteit van de riolering ontoereikend zijn. Op dat moment wordt het teveel aan afvalwater via een riooloverstort ongezuiverd in het oppervlaktewater gebracht. Het rioolstelsel ter plaatse van het plangebied is in de afgelopen jaren omgebouwd naar een gescheiden stelsel. Het hemelwaterriool voert via een lamellenafscheider het hemelwater af naar omliggende sloten. Waterkering Nabij het plangebied komt een waterkering voor: de Kattensingel. Deze waterkering beschermt het achterland van de polder Bloemendaal tegen het hoge water van de boezem. De waterkering is in beheer bij het Hoogheemraadschap van Rijnland en het dagelijks onderhoud is een taak van de gemeente. Voor de waterkering is in het bestemmingsplan een juridisch-planologische bescherming opgenomen.

Op deze gronden kunnen uitsluitend bouwwerken, waaronder onderkeldering, worden opgericht indien de belangen van de waterkering dit gedogen en de beheerder van de waterkeringswerken is gehoord. Hierbij wordt verwezen naar het beleid van Rijnland.

Toelichting (vastgesteld)

41

bestemmingsplan De Blaauwe Haan

5.10.1 Relatie tot het plangebied Voor onderhavig project is de Digitale Watertoets doorlopen. Op basis van de gegeven antwoorden concludeert het Hoogheemraadschap van Rijnland een waterbelang bij onderhavige plannen, waardoor de normale procedure van toepassing is. Beschermde gebieden Het waterschapsbelang heeft betrekking op de beschermingszone van de regionale kering waar het plangebied gedeeltelijk in gelegen is. Het gaat om de beschermingszone van de watersingel (Kattensingel) ten zuiden van het plangebied. De betreffende zone is weergegeven op de verbeelding (dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'), behorende bij onderhavig bestemmingsplan. Uit nadere afstemming met het Hoogheemraadschap over de beoogde plannen, blijkt dat de positionering van een bouwwerk binnen dan wel buiten het Profiel van Vrije Ruimte (PVR) het belangrijkste toetsingkader is voor een eventuele watervergunningplicht (zie Rijnlands beleid Uitvoeringsregel nr. 19; Bouwen). Het PVR is "de ruimte ter weerszijden van en boven een waterkering die naar het oordeel van het bestuur nodig is voor toekomstige verbeteringen aan de waterkering en in de legger Waterwet is vastgesteld”. Wanneer een bouwwerk buiten het PVR wordt gepositioneerd, kan in de regel bijna altijd vergunning worden verleend. Wanneer deze binnen het PVR wordt gepositioneerd niet.

Uit een beoordeling door het hoogheemraadschap naar aanleiding van het toezenden van aanvullende informatie, blijkt dat het voorgenomen bouwwerk met de funderingen buiten het PVR van de waterkering blijft. Voor de werkzaamheden binnen de zonering van de waterkering zal een watervergunning aangevraagd worden. Omdat het bouwwerk buiten het PVR gepositioneerd wordt, kan een watervergunning worden afgegeven. Riolering De nieuwbouw wordt aangesloten op de bestaande riolering ter plaatse. In de huidige situatie is reeds sprake van afkoppeling, waarbij het hemelwater naar het naastgelegen oppervlaktewater afstroomt. Dit komt overeen met de basisdoelstelling van het Hoogheemraadschap om het hemelwater van nieuwe oppervlakken zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Waterkwaliteit Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Waterkwantiteit Binnen het plangebied is momenteel geen oppervlaktewater aanwezig. Met de beoogde ontwikkeling naar wonen, neemt de totale hoeveelheid verharding in het plangebied bovendien iets af. In de huidige situatie is het plangebied voor circa 70% verhard. In de toekomstige situatie komt dit neer op circa 67% van het totale plangebied.

Er is derhalve sprake van een afname in verhard oppervlak en daarmee een verbetering van de waterhuishoudkundige situatie wat dit aspect betreft. Watercompensatie is daardoor niet nodig. In het beoogde plan zijn diverse onverharde oppervlaktes voorzien, zoals het door de woningen omsloten groene park en de tuinen bij de woningen. In het middenterrein van het plangebied zullen wadi's worden aangelegd. In geval van (extreme) regenval zullen deze fungeren als een buffer- en infiltratievoorziening, en vollopen met hemelwater. Dit draagt bij aan het tegengaan van wateroverlast. 5.10.2 Conclusie Voor onderhavig plan is de watertoets doorlopen en wordt de normale procedure gevolgd. De totale omvang van verhard oppervlak in het plangebied neemt af als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Met betrekking tot waterkwaliteit en riolering worden geen belemmeringen voorzien. Overleg met Hoogheemraadschap van Rijnland heeft plaatsgevonden. Hieruit blijkt dat de waterhuishoudkundige belangen nauwelijks in het geding zijn. Voor de werkzaamheden binnen de zonering van de waterkering is wel een watervergunning nodig. Het aspect water vormt daarmee een randvoorwaarde voor de beoogde ontwikkeling, maar geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

42

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan De Blaauwe Haan

5.11

Milieueffectrapportage

Wettelijk kader Het instrument milieueffectrapportage wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Daarbij geldt een bandbreedte. 5.11.1 Relatie tot het plangebied Voorliggend bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van maximaal 59 woningen mogelijk. Deze mogelijkheden moeten worden gezien als een stedelijke ontwikkeling (categorie D11.2) die voorkomt op de D-lijst van het Besluit m.e.r. De ontwikkelmogelijkheden blijven echter ruim onder de drempelwaarde van deze activiteit. Daarom kan (met een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling) worden gemotiveerd dat het bestemmingsplan niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Het bevoegd gezag dient daartoe een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen, teneinde vast te stellen of voor een ruimtelijke ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

Om deze besluitvorming te vergemakkelijken, is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. opgesteld ten behoeve van de beoogde ontwikkeling. Deze is opgenomen als Bijlage 8 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. bij voorliggende toelichting. Het college B&W van de gemeente Gouda heeft op 16 maart 2021 deze aanmeldnotitie vastgesteld en op basis hiervan besloten om geen milieueffectrapport of plan-m.e.r. op te stellen. Geconcludeerd wordt dat, gelet op de aard en omvang van het project en de daarmee gepaard gaande milieugevolgen, een nadere m.e.r.-beoordeling niet nodig is. 5.11.2 Conclusie Het aspect milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Toelichting (vastgesteld)

43

bestemmingsplan De Blaauwe Haan

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische planbeschrijving

Juridische planbeschrijving

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de ruimtelijke en functionele ontwikkelingen een vertaling hebben gekregen in de juridisch bindende onderdelen van het bestemmingsplan, de plankaart (de verbeelding van de geometrische plaatsbepaling) en de regels. Methodiek Het bestemmingsplan beoogt de bouw van 59 woningen in de vorm van grondgebonden (park)woningen en een appartementencomplex mogelijk te maken. Voor de opzet van het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van het model Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) en de binnen de gemeente Gouda gehanteerde standaard. In het bestemmingsplan hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming toegewezen gekregen. Daarnaast komen op sommige gronden aanduidingen voor. Met een bestemming wordt tot uitdrukking gebracht welke gebruiksdoelen of functies, met het oog op een goede ruimtelijke ordening, aan de in het plangebied gelegen gronden zijn toegekend. Een bestemming heeft altijd betrekking op een geometrisch bepaald vlak; lijn- en puntbestemmingen komen niet voor. Aanduidingen bevatten specificaties van bestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Aanduidingen hebben altijd juridische betekenis, die in de regels wordt gegeven. Het bouwprogramma is als uitgangspunt aangehouden. In het plan is enige flexibiliteit ingebouwd.

Het gaat dan om flexibiliteit in de verbeelding (de bouwvlakken zijn iets ruimer ingetekend, zodat enige verschuiving mogelijk blijft), maar ook in de regels zelf (bijvoorbeeld voor uitbreiding van woningen en bijgebouwen en bijvoorbeeld door binnen 'Wonen' ook tuinen en erven, groen en water, parkeervoorzieningen toe te staan).

6.2

Regels

De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De regels zijn, overeenkomstig de SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Hier wordt ingegaan op de algemene begripsbepalingen en is aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingsregels. In dit hoofdstuk zijn per bestemming regels opgenomen voor het toegestane gebruik en de toegestane bebouwing van de gronden. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Het betreft regels die voor het hele plangebied of voor verschillende bestemmingen van toepassing zijn. In dit hoofdstuk zijn onder andere de anti-dubbeltelregel, algemene bouw- en gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en overige regels (voor parkeren) opgenomen. Hoofdstuk 4 bevat overgangs- en slotregels. Hier is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het laatste artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald. 6.2.1

Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen In het artikel 'Begrippen' wordt een aantal in de planregels voorkomende begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt de interpretatie van deze begrippen beperkt, waarmee de duidelijkheid van het plan en daarmee de rechtszekerheid wordt vergroot. Artikel 2 Wijze van meten In het artikel 'Wijze van meten' wordt aangegeven hoe de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald.

44

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan De Blaauwe Haan

6.2.2

Bestemmingsregels

Dit hoofdstuk bevat de regels waarin de materiële inhoud van de op de verbeelding gegeven bestemmingen zijn opgenomen. Bij de opzet van de artikelen is, zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) bepaalt, een vaste indeling aangehouden. Voor de volgorde van de bestemmingen leidt dit ertoe dat eerst de bestemmingsomschrijvingen worden benoemd en hierna de bouwregels en in voorkomende geval nadere eisen, afwijken van de bouwregels, specifieke gebruiksregels, afwijken van de gebruiksregels en omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Bij de indeling van de artikelen in hoofdstuk 2 is een vaste volgorde aangehouden. Artikel 3 Groen Een deel van het plangebied bestaat uit groen. De bestemming 'Groen' aan het binnengebied waar het park beoogd is. Omdat het park een belangrijk uitgangspunt van het bouwplan vormt, is het vanuit stedenbouwkundig perspectief gewenst dat dit deel van het plangebied ook in de toekomst groen blijft. Binnen de groenbestemming worden naast groenvoorzieningen, onder meer de realisatie van straatmeubilair zoals speelvoorzieningen en artistieke kunstwerken, voet- en fietspaden en water mogelijk gemaakt.

Bovendien geldt ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - wetering' een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden, die van invloed kunnen zijn op (de toegankelijkheid tot) het daar gesitueerde gemeentelijk riool. Artikel 4 Tuin-1 De voortuinen bij grondgebonden woningen zijn bestemd als 'Tuin-1'. De bouw van bijbehorende bouwwerken wordt binnen deze bestemming zoveel mogelijk uitgesloten. In de voortuinen wordt de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wel mogelijk gemaakt. Derhalve zijn terrassen en pergola's daar toegestaan, mits deze niet met wanden omsloten zijn. Gebouwen zijn binnen deze tuinbestemming niet toegestaan. Dit betekent dat overdekte bouwwerken die geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten zijn (zoals tuinhuisjes, uitbouwen of erkers), niet in de voortuinen gerealiseerd kunnen worden. Artikel 5 Tuin-2 Ter plaatse van achtertuinen waar de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - wetering' geldt (langs de noordrand van het plangebied), is de bestemming 'Tuin-2' opgenomen. Hier wordt de bouw van bijbehorende bouwwerken zoveel mogelijk beperkt, omdat behoud van openheid hier gewenst is. Behoud van openheid is hier gewenst vanwege de instandhouding van de gedempte wetering. Deze gronden mogen (in tegenstelling tot de voortuinen) daarom niet volledig worden bebouwd met bouwwerken.

In deze achtertuinen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - wetering', is enkel één bijbehorend bouwwerk met een oppervlakte van 5 m2 per woning toegestaan, bedoeld voor een schuur of berging. Overige bouwwerken of grotere bergingen kunnen derhalve enkel vergunningvrij gerealiseerd worden. Bovendien geldt een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden, die van invloed kunnen zijn op (de toegankelijkheid tot) het daar gesitueerde gemeentelijk riool. Artikel 6 Tuin-3 Voor de bestaande moestuin (in het noordwestelijk deel van het plangebied) geldt dat deze in het vigerend bestemmingsplan reeds was voorzien van de bestemming 'Tuin', waar gebruik voor tuinen en parkeervoorzieningen werd toegestaan. In onderhavig bestemmingsplan is hier een bestemming 'Tuin-3' toegekend. In het zuidwestelijk deel van het plangebied, is eveneens deze bestemming opgenomen, aangezien hier tevens een moestuin beoogd is. Binnen de bestemming 'Tuin-3' wordt gebruik ten behoeve van tuinen, moestuinen, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen toegestaan. Daar waar de voormalige wetering heeft gelopen, is instandhouding van de gedempte wetering door middel van behoud van openheid, gewenst. Deze gronden mogen daarom niet worden bebouwd met gebouwen zoals bijbehorende bouwwerken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=4805875c-6744-46c5-ab2f-8f3d272bfa47