Toelichting Bestemmingsplan Haarwijk- Oost
Tekst van het document
Hierbij worden 130 bestaande woningen vervangen en aangevuld met 24 woningen. De zo beschikbaar komende ruimte wordt benut voor het verhogen van de leefbaarheid door meer groen in de buurt. In de omgevingsvisie staat in hoofdstuk 6 ‘De Bestaande Stad’ dat de gemeente samen met Poort6 de ambitie heeft om een aantal (grote) herstructurerings- en ontwikkellocaties in de bestaande wijken in het westelijk deel van de stad uit te voeren. Deze wijken moeten een nieuwe, veilige, duurzamere leefomgeving krijgen. Dat is met onderhavig stedenbouwkundig plan voor Haarwijk-Oost gelukt (zie paragraaf 2.5). Conclusie Onderhavig initiatief is in lijn met de (ontwerp) Omgevingsvisie van de gemeente Gorinchem. 3.5.3
Woon- en transformatievisie Gorinchem
Toetsingskader De gemeente Gorinchem heeft op 26 oktober 2019 de ‘Woon- en transformatievisie Gorinchem: Een bruisende creatieve groene stad’ vastgesteld. In deze woon- en transformatievisie is de gewenste ontwikkeling van het wonen in Gorinchem richting 2032 geformuleerd. Daarmee biedt het een vergezicht dat samen met inwoners, maatschappelijke organisaties en ondernemers wordt uitgewerkt. De woon- en transformatievisie is geen
datum referentie
11 december 2023 221896_AdB_RAP_0001_v5.5
P 23/52
eindproduct maar een stap in een dynamisch proces gericht op gelukkig wonen in Gorinchem. De woon- en transformatievisie wordt uitgewerkt in een Actieprogramma. Deze visie vormt een bouwsteen voor de op te stellen Omgevingsvisie. De gewenste ontwikkeling van het wonen in Gorinchem wordt uitgewerkt in een algemene visie op wonen, voor de inwoners en voor de toekomst van de stad. Dit krijgt een nadere invulling via vier pijlers: 1. Open woonstad; 2. Een woning voor iedereen; 3. Veilig, leefbare, zorgzame omgeving; 4. Duurzame kwaliteit van wijken en woningen.. Beoordeling Het onderhavige plan voorziet in het herstructureren van een naoorlogs woongebied. De ruimte wordt benut voor het verhogen van de leefbaarheid door meer groen in de buurt. De huidige woningen zijn versleten en niet duurzaam. De nieuw te blijven woningen worden uiteraard gasloos gerealiseerd, bieden uitstekende mogelijkheden voor zonnepanelen door hun noord-zuid daken. Hiermee wordt ook bijgedragen aan de energietransitie. In de oude situatie stond de leefbaarheid onder druk. De verbetering van de ruimtelijke kwaliteit draagt bij aan het verbeteren van het woon- en leefklimaat Het voornemen draagt bij aan de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte door het behouden van 154 woningen. Conclusie Het planvoornemen is passend binnen de kaders van de Woon- en transitievisie Gorinchem. 3.5.4
Regionale Energiestransitie (RES)
Toetsingskader Op 2 november 2021 heeft het college van de gemeente Gorinchem ingestemd met het Uitvoeringsprogramma Regionale Energiestrategie 1.0. De gemeente Gorinchem werkt samen met gemeente Molenlanden aan de Regionale Energiestrategie (RES) Alblasserwaard. Doelstellingen zijn: • In 2030 wordt 20% energie bespaard. • In 2030 komt 35% van het energiegebruik via natuurlijke bronnen zoals zon, wind, water en bodem. • In 2050 is de regio energieneutraal. Belangrijk uitgangspunt is dat zorgvuldig wordt omgegaan met de waarden en het landschappelijke karakter van de regio Alblasserwaard, zoals de natuur en cultuurhistorie. De RES bestaat uit vijf belangrijke onderdelen. Het gaat allereerst over energiebesparing en daarnaast over hoe we elektriciteit kunnen opwekken door zon en wind. Ook gaat de RES over warmte en innovatieve technieken. Beoordeling en conclusie De mogelijkheden van een herstructureringsopgaven aan dit onderwerp is beperkt door de noodzaak de herstructurering in te passen in het bestaande stedelijk weefsel. De energietransitie wordt ondersteund door het aanbrengen van zonnepanelen op de woningen. De nieuwe woningen zullen gasloos uitgevoerd worden en voldoen aan de BENG-normen. Hiermee levert het onderhavige plan een bijdrage aan de RES.
datum referentie
11 december 2023 221896_AdB_RAP_0001_v5.5
P 24/52
3.5.5
Transitievisie warmte
Toetsingskader Een Transitievisie Warmte is een beleidsdocument. Hierin staat hoe de gemeente ervoor gaat zorgen dat woningen en andere gebouwen beter geïsoleerd worden en van het aardgas af gaan. De gemeenteraad heeft 23 september 2021 de Transitievisie Warmte 1.0 vastgesteld. De meeste woningen en gebouwen worden nog verwarmd door aardgas en de meeste mensen koken nog op gas. Dat gaat de komende 30 jaar veranderen. Niet in één keer, maar stap voor stap en gebiedsgericht. In het landelijke Klimaatakkoord staat dat gemeenten de regie hebben in deze gebiedsgerichte aanpak. Hoe we dit gaan doen, staat in de Transitievisie Warmte. Beoordeling en conclusie De huidige woningen in Haarwijk-Oost worden nog verwarmd door gas en ook het koken op gas is nog steeds een gegeven. De nieuwe woningen zullen gasloos uitgevoerd worden. Hiermee levert het onderhavige plan een bijdrage aan de Transitievisie warmte.
datum referentie
11 december 2023 221896_AdB_RAP_0001_v5.5
P 25/52
4
Planologisch relevante (milieu)aspecten
4.1
Inleiding
Toetsing juncto art. 3.1.6 Bro Met betrekking tot een (ontwerp-)bestemmingsplan staat in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeld: 'bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen'. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek. Daarnaast moet ook worden getoetst aan het Besluit m.e.r. Ten behoeve van het onderhavige plan heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal uitvoeringsaspecten. Deze uitvoeringsaspecten zijn ook relevant voor de toets aan de bestemmingsplanvoorwaarden, opgenomen in hoofdstuk 4 van onderhavige toelichting. Hieronder wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het gepleegde onderzoek. De onderzoeksrapporten zijn als bijlagen gevoegd bij dit bestemmingsplan. Achtereenvolgens worden behandeld: • luchtkwaliteit; • akoestiek; • bodem; • externe veiligheid; • bedrijven en milieuzonering; • waterhuishouding; • ecologie; • archeologie en cultuurhistorie; • kabels en leidingen; • milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling. 4.2
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m 3. Het 24-uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma
datum referentie
11 december 2023 221896_AdB_RAP_0001_v5.5
P 26/52
samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2.
In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: • 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; • 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; Beoordeling Onderhavige ontwikkeling betreft het herstructureren van het plangebied waarbij de bestaande 130 grondgebonden woningen vervangen worden en 24 woningen toegevoegd worden. Het aantal woningen neemt daarmee toe met 24 woningen. Gesteld kan worden dat dit plan in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek, gelegen op de bouw van 1500 woningen, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2021 (http://www.nslmonitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort.
De maatgevende wegen zijn de Marinus Spronklaan en de Abraham Kemplaan. Verder zijn er twee rekenpunten op de Van Zomerenlaan. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) langs deze wegen ruimschoots onder de grenswaarden lagen. Hierdoor is er ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Verder zullen de woningen energiezuinig en gasloos (BENG) worden uitgevoerd. Verder zullen de woningen niet geschikt gemaakt worden voor haardkachels om zo houtstook te voorkomen. Het stoken van hout heeft een groot effect op de luchtkwaliteit door de emissie van fijnstof, stikstof en CO2.
datum referentie
11 december 2023 221896_AdB_RAP_0001_v5.5
P 27/52
Uitsnede NO2, PM10, PM2,5 NSL monitoringskaart. Bron: NSL-monitoringstool.nl, 2022
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.
datum referentie
11 december 2023 221896_AdB_RAP_0001_v5.5
P 28/52
4.3
Akoestisch milieu
4.3.1
Wegverkeerslawaai
Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, bestemmingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van: Stedelijk
Buitenstedelijk
Aantal rijstroken
Aantal meter aan weerszijden van de weg
5 of meer
350 m
600 m
3 of 4
350 m
400 m
1 of 2
200 m
250 m
Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk; Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting. Beoordeling Ten behoeve van de beoordeling van het akoestisch milieu is door Aveco de Bondt een akoestisch onderzoek wegen railverkeerslawaai uitgevoerd. Het betreffende onderzoek is opgenomen als bijlage 3 behorende bij deze toelichting. Voor de volledige onderbouwing en motivering van het onderzoek wordt kortheidshalve verwezen naar de bijlage. Onderhavig plangebied is niet gelegen binnen de geluidszones van wegen. Alle omliggende wegen zijn nietgezoneerd.
Deze woningen worden in het kader van een goede ruimtelijke ordening meegenomen in het onderzoek.
datum referentie
11 december 2023 221896_AdB_RAP_0001_v5.5
P 29/52
De geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen als gevolg van elk van de nabijgelegen wegen bedraagt ten hoogste 46 dB, na aftrek van 5 dB conform artikel 110g Wgh. Hiermee is de geluidbelasting niet hoger dan de voorkeurswaarde van 48 dB uit de Wgh. Gesteld kan worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Uit het akoestisch onderzoek blijken geen belemmeringen voor het beoogde planvoornemen. Een ontheffing voor een hogere geluidswaarde is niet aan de orde. Onderzoek naar gevelwerende maatregelen in het kader van een omgevingsvergunning voor bouwen is niet benodigd. 4.3.2
Railverkeerslawaai
Toetsingskader De regels voor de projectie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen binnen de geluidzones van spoorwegen zijn opgenomen in artikel 106 en 107 van de Wet geluidhinder. Hierbij wordt doorverwezen naar het Besluit geluidhinder. Artikel 4.1 van dit besluit bepaalt dat, indien bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan, geluidsgevoelige gebouwen worden gerealiseerd, rekening moet worden gehouden met de in het Besluit geluidhinder opgenomen waarden ten aanzien van spoorweglawaai. Indien er sprake is van het realiseren van dergelijke objecten binnen de geluidszones van geluidsgezoneerde spoorwegen zal met een akoestisch onderzoek aangetoond moeten worden dat aan de normstelling kan worden voldaan, of dat hiervoor een ontheffing kan worden verleend. Beoordeling Ten behoeve van de beoordeling van het akoestisch milieu is door Aveco de Bondt een akoestisch onderzoek wegen railverkeerslawaai uitgevoerd. Het betreffende onderzoek is opgenomen als bijlage 3 behorende bij deze toelichting. Voor de volledige onderbouwing en motivering van het onderzoek wordt kortheidshalve verwezen naar de bijlage. Onderstaand worden de belangrijkste resultaten behandeld. De geluidbelasting vanwege de oostelijk gelegen spoorweg ten hoogste 59 dB is.
Hiermee wordt de wettelijke voorkeurswaarde van 55 dB overschreden, maar wordt voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 68 dB. Het treffen van geluidbeperkende maatregelen aan en bij de spoorwegen stuit op overwegende bezwaren van financiële aard. Los van het financiële argument bestaat er ook het ruimtelijke argument. Een geluidscherm van 2 meter hoog over een lengte van 225 meter is stedenbouwkundig niet wenselijk. Of het realiseren van een scherm een doelmatige investering is, is een afweging voor de gemeente. Bij voorkeur dient voor 17 woningen een hogere waarde te worden aangevraagd vanwege de spoorweg. Op voorhand kan gesteld worden dat de kwaliteit van de woon- en leefomgeving aanvaardbaar is omdat alle woningen een geluidluwe gevel hebben en de gecumuleerde geluidbelasting met 56 dB (omgerekend naar de hinderlijkheid van wegverkeer) niet hoger is dan 63 dB. Hiermee wordt ook voldaan aan de voorwaarden zoals opgenomen in het gemeentelijk geluidbeleid. Gelet op de huidige bouwstandaard die uitgaat van duurzaamheid en (thermische) isolatie, is voldoende aannemelijk dat de gerealiseerde geluidwering van gevels met een gebalanceerd ventilatiesysteem circa 26 dB tot 28 dB bedraagt. Indien worden gekozen voor ventilatieroosters, dan moeten suskast worden toegepaste met voldoende demping.
Hieruit volgt dat het binnenniveau van 33 dB in elk van de woning haalbaar is en kan worden geborgd. De geluidwering van de woningen wordt ten behoeve van de aanvraag omgevingsvergunning nog aangetoond. Conclusie Uit het akoestisch onderzoek railverkeerslawaai blijkt dat voor 17 woningen met een collegebesluit een hogere grenswaarde vastgesteld dient te worden. Dit besluit wordt gelijk met het ontwerpbestemmingsplan ter visie
datum referentie
11 december 2023 221896_AdB_RAP_0001_v5.5
P 30/52
gelegd. Bij een omgevingsvergunningaanvraag voor bouwen wordt gekeken met welke technieken een goed binnenklimaat wordt gerealiseerd. 4.4
Bodem
Toetsingskader Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd. Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o. 2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen.
Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. De Wet bodembescherming regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van het plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; c. het wegnemen van actuele risico's. Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet altijd nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. Beoordeling Door Van der Helm milieubeheer is in mei 2022 voor het gehele plangebied een verkennend (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd in de openbare ruimte. Rapportage daarvan is als bijlage 4 gevoegd bij deze toelichting.
Het plangebied is onderzocht conform NEN 5725, NEN 5740 en NEN 5707. Voor de volledige onderbouwing en motivering van het onderzoek wordt verwezen naar de bijlage. Uit het onderzoek blijkt dat de locatie geschikt is voor het voorgenomen gebruik en er, milieuhygiënisch gezien, geen belemmeringen aanwezig zijn voor de voorgenomen bouw. Ter onderbouwing van bovenstaande conclusie wordt aangevoerd dat: • de geanalyseerde grondmonsters (M01 t/m M09) ten hoogste licht verontreinigd zijn met zware metalen, PAK, PCB en minerale olie; • de geanalyseerde grondwatermonsters (01 t/m 05) ten hoogste licht verontreinigd zijn met barium en/of naftaleen;
datum referentie
11 december 2023 221896_AdB_RAP_0001_v5.5
P 31/52
• • •
op het maaiveld en in het opgegraven bodemmateriaal geen asbestverdacht plaatmateriaal aangetroffen is. Uit de analyses van asbestmonsters (ASB01 t/m ASB09) blijkt geen asbest te zijn aangetoond; bij toetsing aan de CROW 400 blijkt dat er geen aanvullende veiligheidsklasse noodzakelijk is; het uitvoeren van nader bodem- en/of asbestonderzoek niet noodzakelijk is.
Het verkennend milieukundig (asbest) bodemonderzoek van Van der Helm Milieubeheer (mei 2022) is beoordeeld door de bodemkundige experts van de gemeente Gorinchem. Zij oordelen dat er plaatselijk sprake is van een kwaliteit ‘Industrie’. In het regionaal bodembeleid van Zuid-Holland Zuid wordt voor nieuwbouw uitgegaan van een kwaliteit ‘Wonen’ (schoon) en daar voldoet de geconstateerde kwaliteit op een aantal plaatsen niet aan. Voorafgaand de bouwrijpfase zal aandacht moeten worden besteed aan de kwaliteit van de bodem. Deze dient overal ten minste ‘Wonen’ te zijn. Daarvoor zijn nader uit te werken sanerende maatregelen nodig. Tevens is men van oordeel dat het bodemonderzoek niet is uitgevoerd op de locaties van de tuinen. Aangezien de schuurtjes veelal zijn voorzien (geweest) van asbest daken en er hoogstwaarschijnlijk ook asbestelementen in de bouw en buisleidingen zijn toegepast zal voorafgaand aan de bouwrijpfase aanvullend onderzoek op asbest en de algehele bodemkwaliteit op de locaties van de tuinen en de te slopen woningen moeten worden uitgevoerd. Van der Helm heeft op advies van de bodemkundige experts een aanvullend asbestonderzoek uitgevoerd. De doelstelling van het onderzoek is het bepalen of sprake is van een verontreiniging met asbest in de bodem. Het onderzoek is toegevoegd als bijlage 5. Hieronder worden de belangrijkste bevindingen behandeld.
Resultaten grondopbouw Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is op het maaiveld visueel geen asbestverdacht (plaat)materiaal geconstateerd. In het opgegraven bodemmateriaal is tevens visueel geen asbestverdacht (plaat)materiaal geconstateerd. De bovengrond, direct onder de tegelverharding bestaat tot minimaal 20 cm-mv uit zintuiglijk schoon zand. Bij een deel van de boringen wordt deze zandige bovenlaag gevolgd door een kleilaag. Aangezien in de proefgaten geen bodemvreemde bijmengingen (zoals puin, koolas, asbest of iets dergelijks) zijn geconstateerd, is geen analyse op het standaardpakket grond uitgevoerd. Resultaten asbest in grond Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn op basis van zintuiglijke waarnemingen (overeenkomstige grondlagen) en ruimtelijke spreiding (ligging en nabijheid van de proefgaten) in het veld een zestal asbestmonsters samengesteld. Uit de analyses van deze asbestmonsters volgt dat geen asbest is aangetoond in de fractie <20 mm. Er is zowel visueel als analytisch geen asbest is aangetoond in de grond ter plaatse van de onderzoekslocatie. Aangezien de proefgaten zijn verricht ter plaatse van de meest verdachte locaties kan ons inziens hiermee de gehele locatie als onverdacht op het voorkomen van asbest in de grond worden beschouwd. Conclusie In het kader van de Wet bodembescherming zijn aanvullende procedures noodzakelijk.
Op basis van de bevindingen uit het bodemonderzoek zijn er, vanuit milieuhygiënisch oogpunt, derhalve belemmeringen c.q. beperkingen voor de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van onderhavige locatie. In de planregels wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de bodemsanering. Vanwege de huidige bodemkwaliteit is de functie wonen momenteel niet overal mogelijk. Een bodemsanering is daarom plaatselijk noodzakelijk. Na sanering wordt de bodem geschikt bevonden voor het beoogde gebruik. Eventuele saneringskosten zijn voor de projectontwikkelaar, deze zijn ingecalculeerd in de projectkosten. De
datum referentie
11 december 2023 221896_AdB_RAP_0001_v5.5
P 32/52
saneringskosten voor de zeer plaatselijke verontreiniging worden gedekt. De uitvoerbaarheid van het plan is daarmee aangetoond.
4.5
Externe veiligheid
4.5.1
Inrichtingen en externe veiligheid
Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. De dichtstbijzijnde inrichting met een potentieel veiligheidsrisico betreft Varo Energy, gevestigd aan de Handelskade, op ongeveer 57 meter ten oosten van het plangebied. Het betreft een groothandel in brandstoffen en andere minerale olieproducten. Het betreft géén BEVI-inrichting.
Voor de inrichting is een QRA uitgevoerd in 2008 en dat jaar is ook vergunning verleend voor de Wet milieubeheer. Op grond van informatie van de veiligheidsregio is gebleken dat alle risicovolle activiteiten ter plaatse beëindigd zijn en de omgevingsvergunning milieu is ingetrokken. Het plangebied ligt buiten de 10-6 risicocontour van de inrichting waarmee voldaan wordt aan het plaatsgebonden risico. Het groepsrisico neemt toe als gevolg van de 24 nieuwe koop rijwoningen daar het aantal mensen toeneemt. De aard van de woningen geeft aan dat uitgegaan kan worden van de zelfredzaamheid van de mensen. Verder kunnen mensen bij eventuele calamiteiten van de bron wegvluchten. Voor het overige zijn er geen relevante inrichtingen met een potentieel veiligheidsrisico in de buurt van het plangebied. Conclusie Het aspect Bevi-inrichtingen is geen belemmering voor onderhavig initiatief. 4.5.2
Transport en externe veiligheid
Toetsingskader Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar
datum referentie
11 december 2023 221896_AdB_RAP_0001_v5.5
P 33/52
waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand ‘0’ is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat het plangebied is gelegen op een afstand van circa 40 meter van het spoortraject Dordrecht - Leerdam het spoor en circa 620 meter van de Rijksweg A15. Over zowel het spoor als de weg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Op basis van de risicokaart is geen sprake is van een risicocontour. Gelet op de ruime afstand van de Rijksweg tot het plangebied vormt de ligging van deze wegen geen belemmering voor onderhavig voornemen. De Veiligheidsregio heeft ten opzichte van het bestemmingsplan geen relevante opmerkingen gemaakt en is akkoord met het plan. De veiligheidsregio geeft wel enkele adviezen ten aanzien van de bouwfase. Deze zullen bij de latere uitwerking in het kader van het omgevingsvergunningstraject verder uitgewerkt worden. Conclusie Het aspect transport en externe veiligheid vormt vooralsnog geen belemmering voor onderhavig plan. Het advies van de veiligheidsregio zal te zijner tijd verwerkt worden. 4.5.3
Buisleidingen en externe veiligheid
Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR) van relevante buisleidingen. Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10 -6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving buisleidingen zijn gelegen waarop de circulaire van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. Uit de risicokaart blijkt dat de dichtstbijzijnde hogedruk gasleiding (van de Gasunie) is gelegen op een afstand van circa 615 meter tot het plangebied. Gelet op deze ruime afstand vormt de ligging van deze buisleiding geen belemmering voor onderhavig voornemen. Conclusie Het aspect buisleidingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan. 4.6
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNGbrochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies
datum referentie
11 december 2023 221896_AdB_RAP_0001_v5.5
P 34/52
verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen: rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied. Het plangebied ligt in een gebied dat kan worden gekenmerkt als rustige woonwijk. Richtafstanden uit de VNGbrochure gelden derhalve onverkort. Onderhavig bestemmingsplan maakt de bouw van 154 woningen (waarvan 24 extra woningen) mogelijk, waardoor ter plaatse gevoelige functies worden toegevoegd. Bij de beoordeling van een project voor de realisatie van een gevoelige functie moet enerzijds beoordeeld worden of de ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid. Anderzijds moet getoetst worden of ten aanzien van de milieubelasting van deze bedrijvigheid een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. In de omgeving van het plangebied bevinden zich bestemmingen die andere functies dan wonen mogelijk maken.
Het gaat om de volgende locaties: • Ten noorden van het plangebied ligt de basisschool Anne Frank, richtlijnafstand 30 meter (milieucategorie 2); • Detailhandel en dienstverlening met beperkte omvang in de bestemming ‘Gemengd – 1’ zuidzijde van de Marinus Spronklaan, richtlijnafstand 10 meter (milieucategorie 1); • Bedrijventerrein Handelskade staat bedrijven in milieucategorie 3.1 (richtlijnafstand 50 meter) en een brandstofdepot met milieucategorie 4.1 (richtlijnafstand 200 meter) of 5.1 (richtlijnafstand 500 meter) toe, afhankelijk of meer of minder dan 100.000 m3 opgeslagen wordt. De te realiseren woningen liggen daarmee grotendeels buiten de richtlijnafstanden van deze functies. De uitzondering is het brandstofdepot. Echter op grond van informatie van de Veiligheidsregio zijn alle risicovolle activiteiten ter plaatse beëindigd en ligt het plangebied dus buiten de richtafstanden van het brandstofdepot. Omgekeerd hindert het planvoornemen bedrijven niet in hun bedrijfsvoering. Immers ook hier geldt dat de woningen niet dichterbij komen waardoor de eventuele uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf niet belemmerd wordt door het onderhavige initiatief. Conclusie Binnen het plangebied is met betrekking tot milieuzonering een goed woon- en leefklimaat verzekerd. Voorts belemmert onderhavig initiatief omliggende inrichtingen niet in hun bedrijfsvoering. 4.7
Waterhuishouding
Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Beleid provincie Zuid-Holland Vigerend is het Regionaal waterprogramma (RWP) 2022 – 2027 van 9 maart 2022. In dit programma beschrijft de provincie Zuid-Holland haar waterbeleid. Hierin staat hoe zij in samenwerking met haar partners werken aan een
datum referentie
11 december 2023 221896_AdB_RAP_0001_v5.5
P 35/52
regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar ZuidHolland. Er zijn diverse Europese richtlijnen rondom water, zoals de Kaderrichtlijn Water, de Grondwaterrichtlijn, Drinkwaterrichtlijn, de Richtlijn Overstromingsrisico's en de Zwemwaterrichtlijn. In de Waterwet is bepaald wat de provincie moet doen om uitvoering te geven aan deze richtlijnen. Dit staat dus in het regionaal waterprogramma van de provincie. De provincie Zuid-Holland gaat in het regionaal waterprogramma - naast deze verplichte onderwerpen - ook in op onderwerpen zoals zoetwatervoorziening, waterrecreatie, vaarwegen en wateroverlast. Beleid Rivierenland Een bestemmingsplan dient standaard gepaard te gaan met een waterparagraaf waarin gemotiveerd wordt waarom het initiatief geen negatieve invloed heeft op de waterhuishouding. Het plangebied ligt in het stroomgebied van waterschap Riviereland. De vigerende Keur is in werking getreden op 20 oktober 2015 en is geldig tot op heden (3 aug. 22). Het waterschap adviseert een drooglegging voor het maaiveld van 0,70 m, voor het straatpeil 1,00 m en voor het bouwpeil 1,30 m. Bij werkzaamheden in en rond waterlichamen dient voldaan te worden aan de regels uit de Keur. In de Keur is opgenomen dat bij de bouw geen uitlogende materialen (koper, lood en zink) en geen verduurzaamd hout mogen worden toegepast.
Tevens is in de Keur een verplichting opgenomen om nieuwe verharding en bebouwing hydrologisch neutraal te ontwikkelen. In beginsel is het verboden om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Indien bestaand verhard oppervlak wordt uitgebreid of bestaand verhard oppervlak wordt afgekoppeld van het riool, dan is toestemming nodig van het waterschap. Als voldaan wordt aan de criteria en voorwaarden van “algemene regel WT5” en de bijbehorende ”principetekening 8” of “principetekening 9” voor het uitbreiden van bestaand verhard oppervlak, is geen vergunningaanvraag benodigd en hoeft dit ook niet gemeld te worden. Als voldaan wordt aan de criteria en voorwaarden van “algemene regel WT19” voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak en de bijbehorende “principetekening 8” of “principetekening 9”, is geen vergunningaanvraag benodigd, maar moet dit wel gemeld worden (deze documenten zijn toegevoegd aan bijlage 5.4. Nieuwe lozingen van bestaand verhard oppervlak worden aan de “beslisboom afkoppelen” getoetst. Per geval wordt getoetst of de afvoer van hemelwater moet worden gecompenseerd. De beslisboom is weergegeven in bijlage 5.1.
Beleid gemeente Gorinchem De gemeente is verantwoordelijk voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater en voor de inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater (Wet milieubeheer en Waterwet). In de Waterwet is ook vastgelegd dat de gemeente de zorg heeft voor het treffen van maatregelen in openbaar gebied om nadelige gevolgen van de grondwaterstand (in samenhang met de bestemming) te voorkomen of te beperken. Het waterbeleid van de gemeente is vastgelegd in de “Eisen Openbare Ruimte, Gemeente Gorinchem, 22 sept. 2021” en het “Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020”. Het gemeentelijk beleid van de gemeente Gorinchem op het gebied van de waterhuishouding. Opgesteld in samenwerking met waterschap Rivierenland en de gemeenten Leerdam, Vianen en Zederik. De vier gemeenten maken onderdeel uit van het samenwerkingsverband Gemeenschappelijke Afvalwaterketen Alblasserwaard en Vijfheerenlanden (GAAV). Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Het rioleringsplan van de gemeente is vastgesteld op 22 september 2021 en hierin is vastgelegd hoe de gemeente de zorgplichten invult. De gemeente heeft drie zorgplichten t.a.v.
stedelijk waterbeheer: • Duurzame bescherming volksgezondheid: de aanleg en het beheer van voorzieningen voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater zorgt dat verontreinigd afvalwater uit de directe leefomgeving wordt verwijderd;
datum referentie
11 december 2023 221896_AdB_RAP_0001_v5.5
P 36/52
•
•
Handhaving goede leefomgeving: riolering en drainage zorgen waar nodig voor de ontwatering van de bebouwde omgeving. De gemeente voorkomt overlast, door ook regenwater van daken, pleinen, wegen en dergelijke en het teveel aan grondwater in te zamelen en af te voeren; Duurzame bescherming van natuur en milieu: de aanleg van riolering of individuele afvalwatersystemen voorkomt de directe ongezuiverde lozing van afvalwater in de bodem of op oppervlaktewater
Beoordeling huidige situatie Maaiveldhoogte Het maaiveld in het plangebied varieert tussen circa -0,40 m NAP en +0,75 m NAP met een gemiddelde hoogte van 0 m NAP (o.b.v. de AHN4). Het aanliggende straatpeil (wegas) van de Van Zomerenlaan ligt tussen circa -0,15 m NAP en -0,25 m NAP en van de Abraham Kemplaan tussen circa -0,10 m NAP en -0,15 m NAP. Bodemopbouw Middels een verkennend bodemonderzoek (uitgevoerd op 05-05-2022) is onderzoek verricht naar de bodemopbouw. Hieruit blijkt dat de ondergrond bestaat uit klei met daarop op veelal verharde locaties een aangebrachte zandlaag van een halve tot een hele meter dik. Onder het kleipakket begint een veenlaag. In Dinoloket zijn boring (B38G0029) en (B38G0683) beschikbaar en deze zijn circa 220 m van het plangebied gelegen. In deze profielen zijn is de diepere ondergrond zichtbaar met enkele dikkere veenlagen tussen de kleilagen in. Deze boorlocaties en boorprofielen zijn weergegeven in de figuren in bijlage 6.2. Oppervlaktewater en peilbeheer Het plangebied ligt in een bemaald gebied in het beheersgebied van waterschap Rivierenland met een vast peil van -1,05 m NAP. Aan de noordzijde van het plangebied bevindt zich een A-watergang met leggercode 041469 en aan de oostzijde ligt een A-watergang met leggercode: 126534. Deze watergangen zijn bij het waterschap in beheer en onderhoud.
Grondwater Er zijn geen grondwatermeetreeksen op de projectlocatie beschikbaar. Op basis van openbare data kan een inschatting gemaakt worden van de freatische grondwaterstand binnen de projectlocatie. Ook heeft de gemeente ten zuiden van het plangebied een actueel meetnet. De dichtstbijzijnde representatieve peilbuis afkomstig van het DINOloket is peilbuis B28G2413 en deze is 35 m ten zuiden van het plangebied gelegen. Deze omgeving verschilt dermate van het plangebied dat deze metingen niet gebruikt kunnen worden voor het plangebied. Hiervoor zijn aanvullende grondwaterstandsmetingen benodigd. Waterkeringen Het plangebied ligt op 70 m afstand van een vastgestelde beschermingszone van een regionale waterkering en is niet relevant voor de ontwikkeling. Riolering In de omgeving is grotendeels een gemengd rioolstelsel aanwezig, waarop de woningen van de H.P. de Biestraat, de Marinus Spronklaan en de Abraham Kemplaan zijn aangesloten. De overstort van het gemengde riool komt uit in de ten oosten gelegen A-watergang en ligt in het verlengde van de Marinus Spronklaan (zie bijlage 6.3). Hierop is aangegeven welk oppervlak afgekoppeld is en wat is aangesloten op het gemengde riool. Bij de woningen aan het Schrijverslaantje liggen hemelwateraansluitingen vanaf de woningen naar het hemelwaterriool.
Onder de brandpaden liggen hemelwaterafvoeren die het water vanuit de tuinen en de brandpaden afvoeren naar het oppervlaktewater en dit is ook het geval bij de openbare verharding aan de van Gochstraat. Overige waterbelangen
datum referentie
11 december 2023 221896_AdB_RAP_0001_v5.5
P 37/52
Het plangebied ligt niet in een beekdal of in een beschermd gebied (keur). Beoordeling Nieuwe situatie Oppervlaktewater en peilbeheer De ontwikkeling in het plangebied heeft geen consequenties voor het peilbeheer onder normale omstandigheden en in droge perioden. Verhardingsoppervlak In figuur 1 is de bestaande situatie (links) en de toekomstige situatie (rechts) weergegeven. Op de kaart van de toekomstige situatie is te zien dat veel ruimte is ingericht voor openbaar groen. Hierop staan tevens de extra parkeerplaatsen in het groen (bruin) weergegeven.
Figuur 1: Categorisering oppervlakken in de bestaande situatie (links) en toekomstige situatie (rechts). In tabel 1 zijn zowel voor de huidige als voor de toekomstige situatie de verdeling van verschillende typen oppervlak gegeven en onderverdeeld in verhard en onverhard oppervlak, gebaseerd op het stedenbouwkundig ontwerp. Het verhard oppervlak neemt af met minimaal 919 m². Hierin is uitgegaan van een worst-case benadering waarbij In de bestaande situatie is uitgegaan een verhardingspercentage van de tuinen van 70% (o.b.v. de luchtfoto bepaald en onderbouwd in bijlage 6.5) en in de toekomstige situatie van 90% (uitgangspunt van het waterschap, aangezien de tuinen kleiner worden). Tevens is uitgegaan dat gebruik wordt gemaakt van alle 56 extra parkeerplaatsen bestaande uit volledige verharding. Het streven is om deze parkeerplaatsen als halfverharding aan te brengen. Indien een deel van de verharding als half open (waterpasserende) verharding wordt uitgevoerd, kan dit als 50% verhard oppervlak worden gerekend. Ook wanneer groene daken worden toegepast, wordt gerekend met een reductie van dit verhard oppervlak.
datum referentie
11 december 2023 221896_AdB_RAP_0001_v5.5
P 38/52
datum referentie
11 december 2023 221896_AdB_RAP_0001_v5.5
P 39/52
Tabel 1: Onderverdeling van verharde oppervlakten per categorie in de huidige en toekomstige situatie. Huidig Toekomstig Verschil Omschrijving [m2] [m2] [m2] Straat, trottoir en parkeren
6.292
8.053
+1.762
Gebouwen
5.590
7.170
+1.580
Tuinen verhard aandeel (incl. schuur)*
11.569
6.922
-4.647
Wandelpad
0
367
+367
Trafohuis
0
20
+20
Totaal verhard
23.450
22.532
-919
* uitgaande van bestaande tuinen met 70% verharding en toekomstige tuinen met 90% verharding. Een deel van de woningen in de bestaande situatie is aangesloten op het gemengde rioolstelsel en wordt afgekoppeld en aangesloten op het ten oosten gelegen oppervlaktewatersysteem. Het betreffen de 35 woningen aan de H.P. de Biestraat (incl. openbare verharding), de 39 woningen aan de Marinus Spronklaan (incl. openbare verharding), de 30 woningen aan de van Gochstraat en de 10 woningen langs de Abraham Kemplaan. De overige woningen zijn aangesloten op het hemelwaterriool. In tabel 2 staat het afgekoppeld oppervlak in de bestaande en toekomstige situatie voor de verschillende type oppervlakken weergegeven. In de bestaande situatie is geen onderscheid gemaakt tussen verschillende typen openbare verharding. In de bestaande situatie is 14.372 m2 afgekoppeld (zie figuur 5.4 in bijlage 6.3) en in de nieuwe situatie wordt maximaal 22.532 m2 afgekoppeld (uitgaande van 90% tuinverharding en de extra parkeerplaatsen) en aangesloten op het oppervlaktewater. Op basis van de uitgangspunten wordt in totaal 8.160 m 2 afgekoppeld. Tabel 2 afgekoppeld verhard oppervlak van de bestaande en toekomstige situatie Omschrijving
Afgekoppelde bestaande Afgekoppelde toekomstige verharding (m2) verharding (m2)
Overige verharding
3.345
387
Parkeren
1.651
Extra parkeren (56x)*
700
Rijwoning
603
7.170
Schuur
1.191
770
Tuin**
9.233
6.152
Straat en stoep Eindtotaal
5.702 14.372
22.532
*100% verhard oppervlak gerekend **70% verhard oppervlak voor bestaande tuinen en 90% voor toekomstige tuinen. Wateropgave Voor het bepalen van de wateropgave dient het beleid van het waterschap gevolgd te worden, omdat deze leidend is. Dit betekent dat de beslisboom in bijlage 6.1 moet worden gevolgd. In een afstemmingsoverleg met het waterschap is de beslisboom op de volgende manier doorlopen: 1. Het gaat om een afkoppelplan waarbij geen nieuwe verharding wordt aangelegd, maar waarbij een afname van verhard oppervlak plaatsvindt zoals in de voorgaande paragraaf is berekend.
datum referentie
11 december 2023 221896_AdB_RAP_0001_v5.5
P 40/52
2.
3. 4. 5.
Na realisatie van het plan is minder dan 50% van het rioolbemalingsgebied “Haarwijk” waarin het plangebied zich bevindt afgekoppeld. Hierdoor wordt het oppervlaktewatersysteem niet significant zwaarder belast dan waarop deze is ontworpen. In het plangebied is meer dan 500 m2 verhard oppervlak aanwezig, zoals is berekend in de voorgaande paragraaf. In de toekomstige situatie dient de berging in het riool van het plangebied minimaal gelijk te blijven aan de bestaande situatie. Hiermee dient rekening te worden gehouden in het rioleringsplan. In de bestaande situatie bevindt zich in het verlengde van de Marinus Spronklaan een riooloverstort van het gemengde riool naar de aanliggende A-watergang (zie figuur 4 in bijlage 6.3). In het ontwerp dient het uitstroompunt van het nieuwe riool op dezelfde locatie aangelegd te worden. Dit moet met het waterschap worden afgestemd en bij het waterschap worden gemeld. Na de melding zal ter controle de beslisboom nogmaals worden doorlopen om te beoordelen of alles is uitgevoerd zoals is besproken.
Na het doorlopen van de beslisboom met bovenstaande uitgangspunten volgt dat geen watercompensatie en geen watersysteemtoetsing benodigd is. In het plangebied worden ook geen watergangen gedempt, waardoor hiervoor ook geen compensatie benodigd is. Bouwpeilen De bouwplannen mogen geen negatieve effecten hebben op het grondwater en de bouwpeilen dienen hoog genoeg te worden aangelegd om wateroverlast te voorkomen. Om (grond)wateroverlast te voorkomen is het belangrijk om inzicht te hebben in de volgende aspecten: • Meldingen wateroverlast In het plangebied zijn geen meldingen of situaties bekend met betrekking tot (grond)wateroverlast. De wijk ten zuiden van het plangebied is wel gevoelig voor grondwateroverlast, dat verergert wordt door de bodemdaling die daar plaatsvindt. • Maaiveldhoogten Om toekomstige aanlegpeilen te kunnen bepalen dient rekening gehouden te worden met de streefpeilen van het omliggende oppervlaktewater. Om voldoende drooglegging te behalen voor woningen dient de bouwhoogte daarom minimaal +0,25 m NAP te zijn en het straatniveau minimaal -0,05 m NAP o.b.v. een streefpeil van -1,05 m NAP. Het is tevens aan te raden om de vloerpeilen minimaal 20 cm boven de straat aan te leggen, zodat bij calamiteiten waterberging op maaiveld plaats kan vinden zonder dat schade aan woningen optreedt. • Freatische grondwaterstand De huidige ontwateringsdiepte is niet bekend.
Er zijn geen grondwaterproblemen in het plangebied door de hogere ligging. Door het verminderen van verhard oppervlak en het vernieuwen van de riolering neemt het risico op hogere grondwaterstanden in de toekomstige situatie toe. Hierom wordt geadviseerd om dit risico i.c.m. de grondwaterstand verder te onderzoeken. Mogelijke maatregelen zijn het ophogen van het gebied of het aanleggen van drainage. Afvoer afvalwater en hemelwater De gemeente geeft aan dat bij de herontwikkeling van deze locatie de vuilwaterafvoeren moeten worden aangesloten op het stelsel van de omgeving van de Abraham Kemplaan en de van Zomerenlaan. Dit dient bij nadere uitwerking van het plan te worden onderzocht en afgestemd met de gemeente. De voorkeur gaat uit naar een gescheiden riolering met minimaal dezelfde bergingscapaciteit en uitstroompunten op dezelfde locaties als in de bestaande situatie. Advies Waterschap De watertoets is een iteratief proces dat de waterhuishoudkundige effecten als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied in beeld brengt en aangeeft hoe omgegaan wordt met eventuele negatieve effecten.
datum referentie
11 december 2023 221896_AdB_RAP_0001_v5.5
P 41/52
In een afstemmingsoverleg is met het waterschap de beslisboom afkoppelen en compensatie doorlopen en de uitkomsten, uitgangspunten en opmerkingen zijn verwerkt in deze waterparagraaf. Conclusie Het plan is uit oogpunt van een goede waterhuishouding aanvaardbaar en uitvoerbaar. In de vervolgfase dienen de genoemde uitganspunten omtrent de beslisboom van het waterschap verwerkt te worden in het ontwerp en het rioleringsplan. Om te bepalen of een vergunningaanvraag of een meldingsplicht benodigd is t.b.v. het afkoppelen dient voldaan te worden aan “algemene regel WT5” of “algemene regel WT19” en de bijbehorende “principetekening 8” of “principetekening 9”. Als niet voldaan wordt aan de criteria of voorwaarden, dan is een watervergunning benodigd. Een dergelijke aanvraag wordt getoetst aan de Keur Waterschap Rivierenland 2014 en de bijbehorende “beleidsregel 5.16”. Voor deze werkzaamheden is volgens de beleidsregels een meldingsplicht voldoende als ook aan de uitgangspunten in de principetekeningen wordt voldaan. 4.8
Ecologie
4.8.1
Natuurgebieden
Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Beoordeling Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft Lingegebied & Diefdijk-Zuid, welke is gelegen op een afstand van circa 1,25 km. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Daar het plangebied niet grenst aan een Natura 2000-gebied, is van directe schade geen sprake.
Mogelijk kan depositie van stikstof vanwege het planvoornemen wel negatieve gevolgen hebben voor omliggende Natura 2000-gebieden. De exacte mate van stikstof dient voor een bouwplan zowel bepaald te worden voor de gebruiksfase als de aanlegfase. Voor beide fases is daarom door Heijmans Bouw een AERIUS-berekening uitgevoerd, bijgevoegd als bijlage 7 bij deze toelichting. Navolgend worden de resultaten hiervan besproken. De AERIUS-calculator wordt momenteel aangepast. De nu opgenomen berekening is daarmee voorlopig en zal aangepast worden naar de laatst beschikbare berekeningswijze. De uitkomsten van alle Aerius berekeningen voor zowel de bouwfase als gebruiksfase tonen aan dat er per saldo een afname is in stikstofdepositie door de bestaande woningen te slopen. Er is geen toename in stikstofdepositie. Het uitvoeren van een passende beoordeling is niet nodig omdat er geen toename is in stikstofdepositie. Zelfs als alle woningen in één jaar worden gebouwd en in hetzelfde jaar worden gebruikt is er per saldo een afname is in stikstofdepositie door de bestaande woningen te slopen.
datum referentie
11 december 2023 221896_AdB_RAP_0001_v5.5
P 42/52
Conclusie Vooralsnog is het voornemen niet in strijd met de Wet natuurbescherming. Omdat op basis van de Aerius berekening geen toename is in stikstofdepositie is het niet vereist om te kijken naar andere projecten of plannen in verband met cumulatie van stikstofemissies. Op basis van vaste jurisprudentie van de Raad van State is de conclusie dat het plan gerealiseerd kan worden zonder toestemming Wet Natuurbescherming of omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit 4.8.2
Flora en fauna
Toetsingskader Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Door de gemeente is een Quickscan naar de aanwezigheid van beschermende soorten op een tweetal locaties. De onderhavige ontwikkeling is één van de beoordeelde locaties. De gemeente heeft geoordeeld dat de aanwezigheid van vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen in het plangebied niet uitgesloten kan worden. Nader ecologisch onderzoek is nodig.
Gelet op de bovenstaande uitkomst is een aanvullend onderzoek naar vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen uitgevoerd door Ecoresult. De resultaten zijn gerapporteerd in september 2020. Dit rapport is opgenomen als bijlage 8 bij onderhavige toelichting. Bij het vervolgonderzoek is geconstateerd dat er diverse verblijfplaatsen zijn van vleermuis, huismus en gierzwaluw. Naar aanleiding van nader veldonderzoek is het noodzakelijk om ontheffing aan te vragen voor overtreding van de artikelen 3.1 en 3.5 Wet natuurbescherming. De ontheffing is nodig door het beschadigen en vernielen van de zomer-, paar- en mogelijk winterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger, en het vernielen van de nesten en essentieel groen van de huismus en gierzwaluw. Ecoresult heeft in december 2022 een activiteitenplan voor de huismus, gierzwaluw en vleermuizen opgesteld in het kader van een ontheffingsaanvraag voor de Wet natuurbescherming (zie bijlage 9). Als gevolg van de sloopwerkzaamheden worden permanent 34 vaste rust – en verblijfplaatsen van de huismus verwijderd en 10 vaste rust- en verblijfplaatsen van de gierzwaluw verwijderd. Er worden drie paarverblijven en twee zomerverblijven van de gewone dwergvleermuis verwijderd.
Het mitigatieplan bestaat uit het ophangen van 68 verblijfskasten voor de huismus, 50 verblijfskasten voor de gierzwaluw en 20 verblijfskasten voor de gewone dwergvleermuis. De benodigde gewenningstijden zijn in de figuur hierna weergegeven.
datum referentie
11 december 2023 221896_AdB_RAP_0001_v5.5
P 43/52
Benodigde gewenningstijden. Bron: Ecoresult, december 2022.
De procedure voor het verkrijgen van de ontheffing, als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, en artikel 3.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, bij de provincie Zuid-Holland loopt. Er is geen aanleiding om te verwachten dat de ontheffing niet verleend kan worden. Conclusie Door middel van nader onderzoek is vastgesteld dat binnen het plangebied sprake is van de verblijfplaatsen van beschermde huismussen, gierzwaluwen, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Het treffen van de mitigerende maatregelen is uitvoerbaar. Er zijn namelijk voldoende geschikte locaties aanwezig voor het tijdelijk ophangen van vleermuizenkasten en/of vogelhuisjes. Het ligt in de lijn der verwachting dat een ontheffing Wet natuurbescherming t.a.v. Huismus, Gierzwaluw en vleermuizen zal worden verleend door het bevoegd gezag. Dat komt, omdat in de directe omgeving van het plangebied ruimschoots alternatief leefgebied aanwezig is. De aanwezigheid van voornoemde soorten staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in het licht van de Wet natuurbescherming derhalve niet in de weg. 4.9
Archeologie en Cultuurhistorie
4.9.1
Cultuurhistorie
Toetsingskader In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beoordeling Het plangebied is in de jaren ’50 en ’60 volledig bebouwd. Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische waardevolle bebouwing of objecten aanwezig die een doorwerking in het plan moeten hebben. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling. 4.9.2