Toelichting Bestemmingsplan Haarwijk- Oost
Tekst van het document
Archeologie
Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop
datum referentie
11 december 2023 221896_AdB_RAP_0001_v5.5
P 44/52
de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld. De gemeente Gorinchem beschikt over een archeologische verwachtings- en beleidskaart uit 2009. Beoordeling Op basis van de gemeentelijke verwachtings- en beleidskaart is het gebied voorzien van een hoge verwachtingswaarde. Door Bureau voor Archeologie is in juni 2022 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd. Rapportage daarvan is als bijlage 10 gevoegd bij deze toelichting.
Voor de volledige onderbouwing en motivering wordt naar deze bijlage verwezen. Op basis van het inventariserend veldonderzoek zijn geen vindplaatsen aangetroffen. De aard van de bodem en de mate van verstoring maakt het onwaarschijnlijk dat er archeologische waarden aanwezig zijn. Het onderzoeksbureau adviseert de gronden vrij te geven voor het beoogde gebruik. Het bevoegd gezag heeft het advies overgenomen, met als kanttekening dat er rekening gehouden moet worden met het palenplan. Deze mag geen onevenredige afbreuk doen aan het dieper gelegen bodemarchief. Er wordt in het rapport verwezen naar de handreiking archeologievriendelijk bouwen van de Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed. Conclusie Op basis van het archeologisch onderzoek wordt geconcludeerd dat archeologische belangen geen belemmeringen opleveren voor de beoogde ontwikkeling. De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting hoog PM2’ wordt voorlopig gehandhaafd, zodat bij toekomstige ontwikkelingen de waarden beschermd blijven. 4.10 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer1. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c.
buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken 2. 1 'Leidingen die deel uitmaken van een inrichting' zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én
leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (Laatgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer). 2 Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.
datum referentie
11 december 2023 221896_AdB_RAP_0001_v5.5
P 45/52
Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Indien nodig zal in een later stadium van onderhavig project een KLIC-melding worden uitgevoerd. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen. 4.11 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v.
een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a.
de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Beoordeling In onderhavige situatie is er sprake van een renovatie van een bestaande woonbuurt en een beperkte verdichting met 24 koop rijwoningen. Dit betreft geen activiteit die voorkomt op de C-lijst. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. De activiteit komt wel voor op de D-lijst, namelijk onder categorie D 11.2, de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De grenswaarde betreft hier gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen; of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
datum referentie
11 december 2023 221896_AdB_RAP_0001_v5.5
P 46/52
Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling ver beneden de drempelwaarde uit de D-lijst ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Er geldt derhalve geen verplichting tot het uitvoeren van een formele m.e.r.-beoordeling. Wel dient de ontwikkeling door de toename van het aantal woningen aangemerkt te worden als een stedelijke ontwikkeling en dient daarom een vormvrije m.e.r-beoordeling opgesteld te worden. Deze is toegevoegd als bijlage 11 van de toelichting. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen nadelige effecten voor het milieu te verwachten zijn. Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de Provinciale milieuverordening van Zuid-Holland. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Wel heeft er een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden, waarbij alle relevante planologische en milieuhygiënische aspecten zijn getoetst en akkoord bevonden. Er is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig project geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r. of de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland.
Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling volgt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.
datum referentie
11 december 2023 221896_AdB_RAP_0001_v5.5
P 47/52
5
Juridische plantoelichting
5.1
Inleiding
Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt. 5.2
Planopzet
Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan. 5.3
Artikelsgewijze toelichting
5.3.1 Hoofdstuk 1 ‘Inleidende regels’ Artikel 1 ‘Begrippen’ In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Artikel 2 ‘Wijze van meten’ In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. 5.3.2 Hoofdstuk 2 ‘Bestemmingsregels’ Het stramien voor de regels is vastgelegd in de SVBP 2012. De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: • bestemmingsomschrijving; • bouwregels; • nadere eisen; • afwijken van de bouwregels; • specifieke gebruiksregels; • afwijken van de gebruiksregels; • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; • omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;
datum referentie
11 december 2023 221896_AdB_RAP_0001_v5.5
P 48/52
•
wijzigingsbevoegdheid.
Duidelijk zal zijn dat een regel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. Artikel 3 ‘Groen’ Deze bestemming is toegekend aan de twee groene hoven te midden van de twee bebouwingsclusters. Deze kan onder andere worden benut voor het treffen van waterbergende voorzieningen, speelvoorzieningen, paden, wegen en parkeervoorzieningen. Binnen de bestemming mag in beperkte mate worden gebouwd. Verder zijn ‘bij recht’ uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Er gelden meerdere maximale bouwhoogten, afhankelijk van de categorie bouwwerken. Artikel 4 ‘Tuin’ Deze bestemming is toegekend aan de tuinen en erven behorende bij de aanliggende woningen. Het bouwen van gebouwen in de vorm van erkers ten behoeve van de aangrenzende woningen is mogelijk. Verder zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan tot 1 meter. Middels een afwijkingsmogelijkheid mogen andere bouwwerken zoals aan- en uitbouwen, bijgebouwen en/of overkappingen onder voorwaarden gerealiseerd worden. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen onder voorwaarden verhoogd worden naar 2 meter. Artikel 5 ‘Verkeer’ Voor de verblijfsgebieden en de afwikkeling van het verkeer is een bestemming ‘Verkeer’ opgenomen. Binnen deze bestemming zijn ook diverse bijbehorende voorzieningen toegestaan, waaronder parkeren. Bouwwerken, geen gebouwen zijn toegestaan tot een bouwhoogte van 3 meter.
Artikel 6 ‘Wonen’ Binnen de bestemming ‘Wonen’ kunnen de beoogde woningen mogelijk worden gemaakt. Op de verbeelding zijn hiervoor bouwvlakken opgenomen. De woningtypologie is op de verbeelding aangeduid. De bouwvlakken mogen volledig worden bebouwd. In de regels zijn hiervoor maatvoeringseisen opgenomen. De maximum goot- en bouwhoogte van een woning is vast gelegd op de verbeelding en bedraagt 8 respectievelijk 11 meter. Aan-, uitbouwen, bijgebouwen en carports mogen voor de woningen allemaal binnen en buiten het bouwvlak, maar uitsluitend op het achtererfgebied, worden gebouwd. Het bijgebouw in de achtertuin aan de Abraham Kemplaan 30 valt deels binnen de kadastrale eigenommen van Poort 6. Deze gronden is aldus de bestemming ‘Wonen’ toebedeeld conform de bestaande planologische en feitelijke situatie. Artikel 7 ‘Leiding – Water’ Deze dubbelbestemming is toegekend aan de in het plangebied voorkomende waterleidingen. Artikel 8 ‘Waarde – Archeologische verwachting hoog PM2’ De binnen het plangebied voorkomende waardevolle archeologische gebieden worden beschermd met deze dubbelbestemming. In de dubbelbestemming is aangegeven bij welke omvang en diepte van een ingreep bij een omgevingsvergunningaanvraag een archeologisch rapport moet worden overgelegd, waaruit blijkt dat archeologische resten niet worden geschaad. 5.3.3
Hoofdstuk 3 ‘Algemene regels’
Voorwaardelijke verplichting parkeren Bij de ontwikkeling en uitbreiding van woningen moet er rekening gehouden worden met de parkeer- en verkeersdruk. Ter plaatse van de bestemming 'Wonen' is het gebruiken van de gronden en de daarop aanwezige
datum referentie
11 december 2023 221896_AdB_RAP_0001_v5.5
P 49/52
bebouwing ten behoeve van de woonfunctie slechts toegestaan indien is voorzien in de realisatie van ten minste 272 parkeerplaatsen binnen het plangebied en deze in stand worden gehouden. Anti-dubbeltelregel In dit artikel wordt geregeld dat voor gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijven. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels is een regeling opgenomen ten aanzien van het realiseren van ondergrondse bouwwerken. Tevens is een regeling opgenomen voor van het bestemmingsplan overschrijden van bouwgrenzen. Algemene gebruiksregels Het verbod om gronden en opstallen te gebruiken in strijd met het bestemmingsplan is opgenomen in artikel 2.1, lid 1, onder c, van de Wabo. In deze bepaling is dan ook enkel aangegeven welk gebruik in ieder geval als strijdig met dit bestemmingsplan moet worden aangemerkt. Algemene aanduidingsregels In dit artikel is opgenomen dat het binnen deze aanduiding niet toegestaan is nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen te bouwen tenzij aangetoond wordt dat voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde of een verkregen hogere grenswaarde.
Algemene afwijkingsregels In dit artikel is de mogelijkheid opgenomen om in geringe mate af te wijken van de maatvoeringen en bestemmings- en/of bouwgrenzen. Overige regels Gelet op de “Reparatiewet BZK 2014” is in het onderhavige bestemmingsplan een parkeerregeling opgenomen. 5.3.4 Hoofdstuk 4 ‘Overgangs- en slotregels’ Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen. Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot. Daarvan mag eenmalig bij een omgevingsvergunning worden afgeweken tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk. Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan.
Slotregel De regels kunnen worden aangehaald onder de naam: Regels van het bestemmingsplan “Haarwijk-Oost”.
datum referentie
11 december 2023 221896_AdB_RAP_0001_v5.5
P 50/52
6
Uitvoerbaarheid en handhaving
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
In zijn algemeenheid geldt dat er in de bestemmingsplanprocedure aandacht is voor de maatschappelijke uitvoerbaarheid. Door het voorontwerp van het bestemmingsplan ter inzage te leggen, biedt de gemeente Gorinchem aan een ieder de mogelijkheid om hun inspraakreactie te geven en het plan te verbeteren. Ten aanzien van de inspraak wordt verwezen naar hoofdstuk 7 van onderhavige toelichting. 6.2
Economische uitvoerbaarheid
De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van een of meer woningen en de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld. Het voorliggende initiatief betreft de realisatie van 154 grondgebonden woningen, derhalve is het plan exploitatieplanplichting. In het onderhavige geval wordt het kostenverhaal anderszins verzekerd. De gemeente Gorinchem sluit met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst af, waarin de verantwoordelijkheid voor gemaakte kosten wordt vastgelegd.
Hierbij dient vermeld te worden, dat de gemeente alleen medewerking verleend aan het initiatief, als de exploitatiekosten van het initiatief voor de gemeente niet negatief zijn. De exploitatie is op deze manier anderszins verzekerd. De uitvoering van een bodemsanering is noodzakelijk. De saneringskosten vanwege zeer lokale verontreinigingen (klasse ‘Industrie’) zijn ingecalculeerd in de projectkosten. De uitvoerbaarheid van het plan is daarmee aangetoond.
datum referentie
11 december 2023 221896_AdB_RAP_0001_v5.5
P 51/52
7
Procedure
7.1
Vooroverleg en inspraak
Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgmeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. De Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid heeft gereageerd met diverse aandachtspunten die van toepassing zijn bij de uitwerking van de omgevingsvergunning voor bouwen. Deze vooroverlegreactie heeft niet geleid tot aanpassingen van het plan. OASEN heeft geen opmerkingen op het voorontwerpbestemmingsplan. Waterschap Rivierenland heeft meerdere aandachtspunten doorgegeven voor de waterparagraaf en ook een enkele opmerking op de regels en verbeelding gemaakt. De reactie heeft geleid tot het opstellen van een paragraaf over klimaatadaptatie bij de beschrijving van het stedenbouwkundig plan. De verbeelding is gewijzigd. De tuinbestemmingen zijn bij de woonbestemming getrokken. Inspraak In het kader van de inspraakverordening zal het voorontwerpbestemmingsplan ‘Haarwijk-Oost’ inclusief de bijbehorende stukken ter visie worden gelegd.
Parrallel aan de ter inzagelegging van het voorontwerp bestemmingsplan is een inloopavond georganiseerd voor de leden van de klankbordgroep, belangstellenden en omwonenden. Deze heeft 8 maart 2023 plaatsgevonden bij het ‘Centraal Punt’ te Gorinchem. Het doel van deze avond was om men (nogmaals) de mogelijkheid te bieden om mee te denken, suggesties en/of opmerkingen te maken op het inrichtingsplan. Voor de onderwerpen die (veel) aan bod kwamen tijdens de inloopavond verwijzen we u naar het verslag van de inloopavond van 8 maart 2023, opgenomen als bijlage 12. De klankbordgroep is van oordeel dat het een geslaagde avond is geweest, waarbij er enkel positieve reacties ontvangen zijn over de ruimtelijke opzet van de buitenruimte. Er is algemeen heel positief gereageerd op de invulling van het stedenbouwkundig plan en de inrichting van het openbaar gebied. De vooroverlegreacties en inspraakreactie zijn samengevat en beantwoord in de ‘Nota bestuurlijk vooroverleg’, zie daarvoor bijlage 13. 7.2
Zienswijzen
De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. Er zijn geen zienwijzen binnengekomen op het bestemmingsplan, noch op het besluit hogere waarde. Ambtshalve is de parkeerregeling in artikel 10 van de algemene regels aangepast. Er is in de woonbestemming een voorwaardelijke verplichting voor het te realiseren aantal parkeerplaatsen toegevoegd in de gebruiksregels. Ook de toelichting is aangepast op het onderdeel ‘parkeren’ in paragraaf 2.6.1.
datum referentie
11 december 2023 221896_AdB_RAP_0001_v5.5
P 52/52
Bijlage 1 Parkeeronderzoek Goudappel
Bijlage 2 Woningmarktanalyse Gorinchem 2020
Bijlage 3 Akoestisch onderzoek weg- en railverkeer
Bijlage 4 Verkennend (asbest) bodemonderzoek
Bijlage 5 Asbestonderzoek
Bijlage 6 Bijlagen bij paragraaf 4.7 Waterhuishouding
Bijlage 7 Stikstofdepositieberekening
Bijlage 8 Nader onderzoek vleermuizen, huismus en gierzwaluw
Bijlage 9 Mitigatieplan Wet natuurbescherming
Bijlage 10 Archeologisch onderzoek
Bijlage 11 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
Bijlage 12 Verslag informatiebijeenkomst
Bijlage 13 Nota bestuurlijk vooroverleg