CConstaterende datGorinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Raadsvergadering 20 maart 2025, gemeente Gorinchem35.567 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Als de deuren worden gesloten besluit de sessie of de raad of er naast de raadsleden en fractieassistenten zelf, de (sessie)griffier, de betrokken leden van het college en de direct betrokken ambtenaren nog andere personen aanwezig mogen zijn. 3. Als de deuren worden gesloten zorgt de griffie ervoor dat de livestream via internet wordt stopgezet en dat de vergadering niet langer in nevenruimtes is te volgen. Artikel 3:3 Vergaderen achter gesloten deuren 1. Nadat de deuren zijn gesloten geeft de voorzitter eerst het voorstel om met gesloten deuren te vergaderen in bespreking. Alleen als de raad of de sessie in meerderheid hiertoe besluit zal daadwerkelijk met gesloten deuren worden vergaderd. 2. Bij aanvang van de besloten vergadering worden, ten behoeve van het vastleggen van de aanwezigen in het verslag, de namen van alle aanwezige raadsleden, fractieassistenten en collegeleden, alsook eventuele overige aanwezigen genoemd. 3. Bij aanvang van de besloten vergadering licht de voorzitter de consequenties van vergaderen in beslotenheid nog een keer kort toe. 4. Besluiten de raad of sessiedeelnemers tot een besloten vergadering, dan geldt vanaf dat moment van rechtswege geheimhouding op alle woorden die gesproken worden, totdat de raad de geheimhouding opheft.

Protocol Geheimhouding gemeenteraad Gorinchem 2025

3

5. De raad of sessiedeelnemers leggen bij aanvang van een besloten vergadering, onder vermelding van de grondslag uit de Wet open overheid, geheimhouding op op eventuele documenten die als stuk aan de besloten vergadering zijn toegevoegd en waarop door het college of de burgemeester nog geen geheimhouding is gelegd (zoals presentaties en beantwoording van technische vragen). 6. Raadsleden en fractieassistenten die na aanvang van een besloten vergadering aankomen, hebben zonder enige belemmering toegang. Ook kunnen zij tussentijds de vergaderzaal verlaten. Voor het verslag maakt de voorzitter melding van raadsleden en fractieassistenten die tijdens de besloten vergadering aankomen of vertrekken en attendeert hen op de beslotenheid van de vergadering. 7. Als de raad de geheimhouding op hetgeen is besproken heeft opgeheven wordt het verslag ook openbaar gemaakt. Artikel 3:4 Verslaglegging 1. In de openbare besluitenlijst wordt opgenomen wie wel en niet hebben ingestemd met het voorstel om met gesloten deuren te vergaderen. 2. Van de besloten raads- of sessievergadering wordt altijd een verslag gemaakt. Deze verslagen worden niet openbaar gemaakt tenzij de raad anders beslist. 3. Concepten van verslagen van besloten raads- en sessievergaderingen worden zo spoedig mogelijk ter vaststelling aangeboden in een volgende raadsvergadering.

Dit geschiedt in de openbare vergadering zolang vaststelling kan geschieden zonder het verslag te bespreken of in een besloten vergadering, als om bespreking van het verslag is verzocht. Tijdens deze vergadering neemt de raad ook een besluit over het al dan niet opheffen van de geheimhouding op het vastgestelde verslag. 4. Het vastgestelde geheime verslag wordt door de voorzitter van de raad en de griffier ondertekend. 5. Verslagen van besloten vergaderingen worden bewaard en zijn te raadplegen op de griffie door alle raadsleden en fractieassistenten en andere aanwezigen bij de desbetreffende besloten vergadering. Hoofdstuk 4 Opheffen en schending geheimhouding Artikel 4:1 Opheffen geheimhouding 1. Het orgaan dat geheimhouding oplegt (college, burgemeester of raad) is bevoegd de geheimhouding op te heffen. 2. Zodra het college of de burgemeester informatie met de raad heeft gedeeld, is de raad exclusief bevoegd tot opheffing van de geheimhouding. 3. Op basis van een initiatiefvoorstel2 van één of meer raadsleden kan de raad besluiten om de geheimhouding die op grond van artikel 87 of artikel 89 lid 4 Gemeentewet is opgelegd of die krachtens artikel 23, lid 4 Gemeentewet van rechtswege geldt (gedeeltelijk) op te heffen. Een dergelijk besluit wordt bij voorkeur in een openbare

2 Zie Bijlage Ic

ARTIKEL 48 RvO

Protocol Geheimhouding gemeenteraad Gorinchem 2025

4

raadsvergadering genomen. Het voorstel tot opheffing van geheimhouding is openbaar. 4. Voordat wordt overgegaan tot opheffing van geheimhouding zoals genoemd in lid 3, overlegt de griffier met het college of de burgemeester over het voornemen. Mocht na het overleg blijken dat er behoefte is aan overleg hierover, dan overlegt de griffier over de te volgende route. 5. De griffie en het college zorgen ervoor dat de registers, zoals bedoeld in artikel 6.1, minimaal eenmaal per jaar ter kennisname aan de raad worden aangeboden, eventueel met een voorstel voor opheffing van de geheimhouding op de documenten en verslagen waarvan de geheimhouding kan worden opgeheven. Artikel 4:2 Schending geheimhouding 1. Schending van de geheimhouding is strafbaar op grond van artikel 272 Wetboek van Strafrecht. 2. Bij schending van de geheimhouding besluit de burgemeester of hij namens de gemeente aangifte doet. 3. Bij schending van de geheimhouding kan de raad besluiten het betreffende raadslid of fractieassistent voor ten hoogste drie maanden uit te sluiten van het ontvangen van informatie waarop de verplichting tot geheimhouding rust.

Artikel 4:3 Opheffing op initiatief van college of burgemeester In aanvulling op artikel 4:1, tweede lid, kan het college of de burgemeester ook op eigen initiatief de raad een voorstel doen tot opheffing van opgelegde geheimhouding over overgelegde of toegezonden informatie. Het is aan de raad om hier over te besluiten. Artikel 4:4 Publicatie openbaar geworden informatie Nadat de geheimhouding is opgeheven wordt de desbetreffende informatie door de griffie op het openbare deel van het raadsinformatiesysteem geplaatst. Hoofdstuk 5 Openbaar en besloten in andere gevallen Artikel 5:1 Andere bijeenkomsten en vergaderingen De agendacommissie besluit over de beslotenheid van bijeenkomsten en vergaderingen wanneer dit niet per wet, verordening of raadsbesluit is geregeld. Artikel 5.2 Overige commissies De openbaarheid of beslotenheid van overige commissies wordt geregeld via zelfstandige verordeningen en raadsbesluiten. Datzelfde geldt voor de verslagen en besluitenlijsten van bijeenkomsten van genoemde gremia.

Protocol Geheimhouding gemeenteraad Gorinchem 2025

5

Hoofdstuk 6 Registratie geheime informatie Artikel 6:1 Register 1. De griffie houdt in samenwerking met het college een register bij van alle geheime documenten die door het college en de burgemeester aan de raad zijn aangeboden en van alle documenten waar de sessie of raad zelf geheimhouding op heeft gelegd. 2. De griffie houdt in samenwerking met het college een register bij van alle raadsvergaderingen en sessies of delen van raadsvergaderingen en sessies die in beslotenheid zijn gehouden waardoor op het verhandelde van rechtswege geheimhouding rust. 3. De registers bevatten de datum van de vergadering, de datum van oplegging van geheimhouding, de grondslag voor de geheimhouding en de horizonbepaling dan wel de datum waarop of voorwaarde waaronder de geheimhouding kan worden opgeheven. Hoofdstuk 7 Slotbepalingen Artikel 7:1 Slotbepalingen 1. Dit protocol treedt in werking nadat deze door de gemeenteraad is vastgesteld. 2. Dit protocol kan worden aangehaald als ‘Protocol Geheimhouding gemeenteraad Gorinchem 2025’. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 20 maart ’25. De griffier,

De voorzitter,

Protocol Geheimhouding gemeenteraad Gorinchem 2025

6

Bijlage Ia • •

• • • • •

•

De Wet open overheid (Woo) geeft in artikel 5.1, eerste en tweede lid, de gevallen aan waarin geheimhouding kan worden opgelegd. De Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt in artikel 2:5 in algemene zin dat een geheimhoudingsplicht geldt voor alle gegevens waarvan iemand het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden. Deze bepaling geldt als een algemene regel in verhouding tot de in lid 4 en 5 genoemde bepalingen inzake geheimhouding uit de Gemeentewet. Het Wetboek van Strafrecht bepaalt in artikel 272 de strafbaarheid van het schenden van geheimhouding en vertrouwelijkheid. De Gemeentewet bepaalt in artikelen 23 en 24 de regels voor besloten raadsvergaderingen. De Gemeentewet bepaalt in artikel 60 de regels voor kennisgeving van beslissingen van het college aan de raad. De Gemeentewet bepaalt in artikel 81 de regels voor kennisgevingen van beslissingen van de burgemeester aan de raad. De Gemeentewet bepaalt in artikel 87 dat een orgaan van de gemeente bevoegd is om een verplichting tot geheimhouding op te leggen ten aanzien van informatie die bij dat orgaan berust, in artikel 88 dat dit orgaan deze informatie kan verstrekken aan een ander orgaan en in artikel 89 dat op de informatie vermeld wordt dat er geheimhouding op rust.

De raad kan op grond van artikel 88 lid 6 Gemeentewet nadere regels stellen rondom het verstrekken van informatie waarop geheimhouding rust.

Bijlage Ib • • • • • •

Wettelijke kaders voor geheimhouding

In dit protocol wordt verstaan onder:

Awb: Algemene wet bestuursrecht Commissie: een commissie als bedoeld in artikel 82, 83 of 84 van de Gemeentewet Gemw: Gemeentewet Niet openbaar: niet geheim maar wordt niet actief openbaar gemaakt RvO: Reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad Gorinchem 2023 Woo: Wet open overheid

Protocol Geheimhouding gemeenteraad Gorinchem 2025

7

Bijlage Ic

ARTIKEL 48 RvO

INITIATIEFVOORSTEL 1. Raadsleden dienen initiatiefvoorstellen in bij de voorzitter. Deze brengt een ingediend voorstel zo spoedig mogelijk ter kennis van het college. 2. Het college kan binnen 30 dagen nadat het ter kennis is gesteld van een voorstel schriftelijk wensen en bedenkingen met betrekking tot het voorstel ter kennis van de raad brengen. 3. Indien het college schriftelijk wensen of bedenkingen ter kennis van de raad heeft gebracht of kenbaar heeft gemaakt hiertoe niet te zullen overgaan, dan wel nadat de in het tweede lid gestelde termijn is verlopen, wordt het voorstel op de agenda van de eerstvolgende raadsvergadering geplaatst. Als de schriftelijke oproep hiervoor reeds verzonden is, wordt het voorstel op de agenda van de daaropvolgende raadsvergadering geplaatst 4. Indien meerdere raadsleden gezamenlijk het initiatiefvoorstel hebben ingediend, wordt uitsluitend het lid dat als eerste indiener moet worden beschouwd, de gelegenheid gegeven als eerste het woord te voeren. De indieners geven aan de voorzitter aan wie als eerste indiener moet worden beschouwd.

Protocol Geheimhouding gemeenteraad Gorinchem 2025

8

Bijlage II

Inhoud

Hoofdstuk 1 Algemeen...........................................................................................................1 Artikel 1:1 Geheimhouding als uitzondering ......................................................................1 Hoofdstuk 2 Geheimhouding van informatie ........................................................................1 Artikel 2:1 Geheim hanteren ..............................................................................................1 Artikel 2:2 Opleggen geheimhouding door college, burgemeester, sessie of raad...........2 Artikel 2:3 Publicatie geheime informatie..........................................................................2 Artikel 2:4 Delen geheime informatie met anderen ..........................................................2 Hoofdstuk 3 Vergaderen in beslotenheid..............................................................................3 Artikel 3:1 Openbare aankondiging en opening ................................................................3 Artikel 3:2 Het sluiten van de deuren .................................................................................3 Artikel 3:3 Vergaderen achter gesloten deuren .................................................................3 Artikel 3:4 Verslaglegging ...................................................................................................4 Hoofdstuk

4 Opheffen en schending geheimhouding...........................................................4 Artikel 4:1 Opheffen geheimhouding .................................................................................4 Artikel 4:2 Schending geheimhouding ................................................................................5 Artikel 4:3 Opheffing op initiatief van college of burgemeester .......................................5 Artikel 4:4 Publicatie openbaar geworden informatie ......................................................5 Hoofdstuk 5 Openbaar en besloten in andere gevallen .......................................................5 Artikel 5:1 Andere bijeenkomsten en vergaderingen ........................................................5 Artikel 5.2 Overige commissies...........................................................................................5 Hoofdstuk 6 Registratie geheime informatie ........................................................................6 Artikel 6:1 Register ..............................................................................................................6 Hoofdstuk 7 Slotbepalingen...................................................................................................6 Artikel 7:1 Slotbepalingen...................................................................................................6 Bijlage

Ia Wettelijke kaders voor geheimhouding ...............................................................7 Bijlage Ib In dit protocol wordt verstaan onder: ..................................................................7 Bijlage Ic ARTIKEL 48 RvO .....................................................................................................8 Bijlage II Inhoud ....................................................................................................................9 Bijlage III Toelichting op het protocol, bedoeld als achtergrondinformatie .....................10

Protocol Geheimhouding gemeenteraad Gorinchem 2025

9

Bijlage III

Toelichting op het protocol, bedoeld als achtergrondinformatie

Hoofdstuk 1: Algemeen deel en bijlage I Hierin leggen we vast dat het uitgangspunt openbaarheid is en geheimhouding de uitzondering. Verder staat opgenomen welke wettelijke kaders er zijn voor geheimhouding. Ook leggen we vast op welke manieren informatie die niet openbaar is, tussen het college, commissies en raad gedeeld kan worden. Hoofdstuk 2: Opleggen van verplichting tot geheimhouding In dit hoofdstuk leggen we uit wie geheimhouding kunnen opleggen, maar regelen we bijvoorbeeld ook dat inzichtelijk wordt op grond waarvan geheimhouding wordt opgelegd (welke belangen zijn in het geding), waarom geheimhouding noodzakelijk is en voor hoe lang de geheimhouding duurt. Dit doen we om dat de bekrachtiging door de gemeenteraad met de nieuwe Wetgeving is komen te vervallen. Hierdoor is bijvoorbeeld niet meer inzichtelijk op grond waarvan geheimhouding is opgelegd en voor welke periode. Voorheen stond dit in het besluit tot bekrachtiging opgenomen, maar dat is vervallen. Door het ontbreken van deze informatie is het voor raadsleden lastiger om het waarom (nut en noodzaak) van de geheimhouding te doorgronden. Ook maken we in dit hoofdstuk afspraken met elkaar op welke wijze en voor wie geheime informatie wordt gepubliceerd. In dit hoofdstuk beschrijven tevens wie geheime informatie mag delen.

In Gorinchem zijn we gewend dat geheime schriftelijke informatie gedeeld wordt met de raads- en fractieassistenten. Dit ligt vast in de verordening op de fractieassistenten en Reglement van Orde van de gemeenteraad (RvO). In het protocol wordt dit bevestigd. Ook leggen we vast dat geheime ondelinge informatie gedeeld mag worden met raads- en fractieassistenten die niet bij een besloten vergadering aanwezig waren. Maar met wie mag geheime informatie nog meer worden gedeeld? Zodra het college of de burgemeester geheime informatie met de raad heeft gedeeld, mag zij deze niet meer delen met derden, tenzij de raad daarover nadere regels heeft gesteld. Op dit moment heeft de raad geen nadere regels vastgesteld waardoor het college de informatie, ook al is dat noodzakelijk- niet meer mag delen. Om dit mogelijk te maken moet de raad hier expliciet een besluit over nemen, hetgeen u gaat doen met het vaststellen van dit geheimhoudingsprotocoll. In het protocol nemen we daarom ook op dat het college diegene wel verteld dat de informatie geheim is en dat het college de raad informeert met wie zij de geheime informatie heeft gedeeld. Ook is in het protocol opgenomen met wie de raad informatie kan delen en ook welke voorwaarden.

Protocol Geheimhouding gemeenteraad Gorinchem 2025

10

Hoofdstuk 3: Besloten vergaderen Dit hoofdstuk ziet op besloten vergaderen door de raad. Dit zijn geen nieuwe regels, deze staan ook opgenomen in het RvO. Het leek goed om dit ook hier op te nemen zodat alles rondom geheimhouding in één document vastligt. Hoofdstuk 4: Opheffen van geheimhouding In dit hoofdstuk regelen op welke wijze de geheimhouding kan worden opgeheven. Wie kan dat doen en op welke manier? Hoofdstuk 5: Openbaar en besloten in andere gevallen Hier leggen we de rol van de agendacommissie vast voor bijeenkomsten die besloten zijn maar waarbij die beslotenheid niet voortkomt uit wettelijke bepalingen. U kunt hierbij denken aan een beeldvormende sessie achter gesloten deuren. Hoofdstuk 6: Register geheimhouding Op dit moment houdt de griffie een overzicht bij van geheime informatie die met de raad wordt gedeeld en van de besloten vergaderingen die zijn geweest. Deze wordt elke raadsvergadering vastgesteld.

Protocol Geheimhouding gemeenteraad Gorinchem 2025

11

Raadsvoorstel: Z/24/782036/D-948071 Onderwerp: Vaststellen bestemmingsplan "Haarweg/Hoogbloklandseweg" in Gorinchem

Datum: 8 november 2024 Portefeuillehouder: Mark de Boer I&O: 13 februari 2025 B&A / Raadsvergadering: 13 februari 2025 En besluit raad 20 maart 2025 Opsteller: Siesling, Annette Geeft voorstel begrotingswijziging: Ja/Nee

Onderwerp: Vaststellen bestemmingsplan “Haarweg/Hoogbloklandseweg” in Gorinchem. Voorstel: Wij stellen u voor: 1. Het bestemmingsplan “Haarweg/Hoogbloklandseweg” in Gorinchem, NL.IMRO.0512.BP2016170-4001, met de nota van zienswijzen, ongewijzigd in elektronische vorm vast te stellen; 2. Voor het bestemmingsplan “Haarweg/Hoogbloklandseweg” in Gorinchem, NL.IMRO.0512.BP20161704001, geen exploitatieplan vast te stellen. Aanleiding: Voorontwerpbestemmingsplan “Haarweg/Hoogbloklandseweg” Het bestemmingsplan "Gorinchem-Noord" is op 15 augustus 2012 door de Raad van State gedeeltelijk vernietigd. De vernietiging had betrekking op het bedrijventerrein "Groote Haar" en de regeling voor de zes naastgelegen woonpercelen op de kruising van de Haarweg en de Hoogbloklandseweg. Het vermoeden bestaat dat deze vernietiging een vergissing is geweest, aangezien het wooncluster geen onderdeel uitmaakte van het beoogde bedrijventerrein. U heeft op 15 oktober 2015 raadskaders vastgesteld voor het bedrijventerrein Groote Haar en het naastgelegen wooncluster. Er is toen besloten voor het bedrijventerrein en het wooncluster aparte bestemmingsplannen op te stellen en in procedure te brengen. Dit was een bewuste keuze. Het plan voor het wooncluster kent immers een consoliderend karakter.

Voor wat betreft de al aanwezige bedrijvigheid is besloten om voor de bewoners een aan huis gevestigd bedrijf toe te staan tot maximaal milieucategorie 2. Wij hebben in 2017 het proces opgestart, maar deze procedure is stil komen te liggen in verband met personele omstandigheden. Dit heeft geen gevolgen gehad. Het gaat hier om een nieuw en actueel bestemmingsplan, zonder uitbreidingsmogelijkheden. Ontwerpbestemmingsplan 2023 In 2022 en 2023 is het proces weer opgestart; te weten het bestuurlijk vooroverleg en de opdracht voor het leveren van het ontwerpbestemmingsplan. Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 20 december 2023 tot en met 30 januari 2024 ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn kon iedereen een schriftelijke of mondelinge zienswijze bij u indienen. Er zijn twee zienswijzen ontvangen binnen de hiervoor gestelde termijn ontvangen. Vast te stellen bestemmingsplan "Haarwijk/Hoogbloklandseweg" We zijn nu aan de laatste fase van het bestemmingsplan proces gekomen, te weten besluitvorming van uw raad over de ingediende zienswijzen en het vaststellen van het bestemmingsplan. Beoogd effect: Het verkrijgen van een onherroepelijk actueel planologisch regime. Argumenten:

Stadhuisplein 1 Postbus 108 4200AC Gorinchem

T 140183 F 0183-630540

E gemeente@gorinchem.nl I www.gorinchem.nl

1.1 De binnengekomen zienswijzen leiden niet tot planaanpassing Er zijn twee zienswijzen ingediend tegen het ontwerpbestemmingsplan, waarvan één positief van aard is. Deze zienswijzen zijn samenvattend opgenomen in de bijgevoegde nota van zienswijzen. Er is een verslag van de gehouden hoorzitting gemaakt (voor die zienswijze die niet positief van aard was). Tijdens deze hoorzitting heeft de indiener zijn zienswijze nader toegelicht. De zienswijzen zijn per onderdeel voorzien van een gemeentelijke reactie en wordt aangegeven of het bestemmingsplan is aangepast. Er is een ondergeschikte wijziging in de toelichting op het vast te stellen bestemmingsplan. Deze heeft geen juridische gevolgen. Hierdoor is er geen sprake van een gewijzigd vast te stellen bestemmingsplan. 1.2 Het bestemmingsplan toont nog steeds een goede ruimtelijke ordening aan De zienswijzen hebben geen wijziging van het bestemmingsplan tot gevolg gehad. Het vast te stellen bestemmingsplan toont daarom nog steeds een goede ruimtelijke ordening aan. 1.3 Het overgangsrecht Omgevingswet op het ontwerpbestemmingsplan van toepassing is Het ontwerpbestemmingsplan is voor 1 januari 2024 ter inzage gelegd. Dit is voor de inwerkingtreding van de Omgevingsplan (1 januari 2024). Op grond van het overgangsrecht kan het bestemmingsplan in 2025 op basis van de (oude) Wet ruimtelijke ordening door u worden vastgesteld.

2.1 Een exploitatieplan niet nodig is Het bestemmingsplan heeft een consoliderend karakter. Het bevat geen plan welke bij wet is aangewezen waarvoor de gemeente Gorinchem verplicht kosten moet verhalen. Kostenverhaal is niet aan de orde. Hieruit volgt dat een exploitatieplan niet nodig is.

Risico’s: Beroep Tegen de vaststelling van het bestemmingsplan kan beroep worden ingediend door belanghebbende(n). Financiën: De kosten voor het bestemmingsplan komen voor rekening van de gemeente. Het gaat immers om een planreparatie naar aanleiding van een uitspraak van de Raad van State. Participatie: Niet van toepassing. Communicatie: -De indieners van de zienswijzen worden per brief geïnformeerd over de raadsbehandeling en besluitvorming door uw raad; -De besluiten worden op de gebruikelijke wijze gepubliceerd in De Stad Gorinchem” en het Gemeenteblad. Via de landelijke voorziening wordt het bestemmingsplan beschikbaar gesteld (www.ruimtelijkeplannen.nl). De papieren versie van het bestemmingsplan ligt ook ter inzage in de informatiehoek van het stadhuis. Duurzaamheid: Niet van toepassing. Vervolgproces: Het vaststellingsbesluit wordt bekendgemaakt. Bijlagen: -

2

Het bestemmingsplan: de verbeelding, regels en toelichting en de nota van beantwoording zienswijzen.

Burgemeester en wethouders van Gorinchem, de secretaris, de burgemeester,

3

Raadsbesluit De gemeenteraad van Gorinchem, Gelet op het raadsvoorstel van het college d.d. 21 januari 2025 Gelet op de wettelijke bepalingen uit de Wet ruimtelijke ordening,

Besluit: 1. Het bestemmingsplan “Haarweg/Hoogbloklandseweg” in Gorinchem, NL.IMRO.0512.BP20161704001, met de nota van zienswijzen, ongewijzigd in elektronische vorm vast te stellen; 2. Voor het bestemmingsplan “Haarweg/Hoogbloklandseweg” in NL.IMRO.0512.BP2016170-4001, geen exploitatieplan vast te stellen.

Aldus besloten in de raadsvergadering van 20 maart 2025

Griffier,

4

Voorzitter,

Gorinchem,

Archeologisch onderzoek Bedrijventerrein Gorinchem-Noord Bureauonderzoek GRONTMIJ ARCHEOLOGISCHE RAPPORTEN 60

Concept

ISSN 1573-5710

Opdrachtgever: gemeente Gorinchem

Grontmij Nederland bv Houten, 11 januari 2007

13/GAR60/vdR, revisie C2

Verantwoording

Titel

:

Archeologisch onderzoek Bedrijventerrein Gorinchem-Noord Bureauonderzoek Grontmij Archeologische Rapporten 60

Projectnummer

:

184684

Referentienummer

:

13/GAR60/vdR

Revisie

:

C2

Datum

:

11 januari 2007

Auteur

:

de heer drs. J. van der Roest

E-mail adres

:

juan.vanderroest@grontmij.nl

Gecontroleerd door

:

de heer drs. J. van der Roest

Paraaf gecontroleerd

:

Goedgekeurd door

:

Paraaf goedgekeurd

:

Contact

:

de heer ir. P.B.J.M. Oude Boerrigter

De Molen 48 3994 DB Houten

Postbus 119 3990 DC Houten

T 030 - 634 47 00 F 030 - 637 94 15 E archeologie@grontmij.nl

13/GAR60/vdR, revisie C2 Pagina 2 van 27

Administratieve gegevens

Datum opdracht ” uitvoering ” concept C1 ” concept C2

: : : :

30 januari 2003 maart 2003; revisie december 2006 4 augustus 2003 11 januari 2007

Reden onderzoek

:

bestemmingsplanwijziging (ex artikel 19, lid 2 WRO)

Opdrachtgever

:

gemeente Gorinchem

Uitvoerder

:

Grontmij Nederland bv drs. J. van der Roest

Bevoegd gezag

:

gemeente Gorinchem contactpersoon mevr. E. van Rooijen

Bevoegd gezag

:

Provincie Zuid-Holland (overkoepelend t.a.v. art 19 WRO) drs. R.H.P. Proos - provinciaal-archeoloog

Locatie

provincie

: Zuid-Holland

(bijlage 1)

gemeente

: Gorinchem

plaats

: Gorinchem

toponiem

: bedrijventerrein Gorinchem-Noord

RD-coördinaten

: NW

X: 125.289 /

Y: 429.858

NO

X: 127.021 /

Y: 429.380

ZO

X: 126.887 /

Y: 428.794

ZW

X: 125.092 /

Y: 428.982

Archis2

kaartblad

: 38 G Gorinchem

afm. plangebied

: circa 50 ha

CIS-code

: 20513

13/GAR60/vdR, revisie C2 Pagina 3 van 27

Inhoudsopgave

1 1.1 1.2 1.3 1.4

Inleiding........................................................................................................................ 5 Algemeen...................................................................................................................... 5 Aanleiding en doelstelling ............................................................................................ 5 Beleidskader ................................................................................................................. 5 Werkwijze..................................................................................................................... 6

2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9

Bureauonderzoek .......................................................................................................... 7 Inleiding........................................................................................................................ 7 Geologie........................................................................................................................ 7 Bodem......................................................................................................................... 11 Landschap, grondgebruik en infrastructuur en bebouwing......................................... 12 Bewoningsgeschiedenis .............................................................................................. 13 Archeologie................................................................................................................. 16 Bekende waarden, onderzoeken en verwachtingskaarten........................................... 19 Archeologische verwachting....................................................................................... 22 Conclusie bureauonderzoek en aanbevelingen ........................................................... 23

3 3.1 3.2

Evaluatie ..................................................................................................................... 24 Samenvatting en conclusie.......................................................................................... 24 Aanbeveling................................................................................................................ 24

Literatuur en bronnen .................................................................................................................. 25 Verklarende woordenlijst & gebruikte afkortingen..................................................................... 27

Bijlage 1: Ligging plangebied op topografische ondergrond Bijlage 2: Ligging plangebied op paleogeografische kaart Bijlage 3: Bodemkaart Bijlage 4: Archeologische basiskaart (ABK)

13/GAR60/vdR, revisie C2 Pagina 4 van 27

1

Inleiding

1.1

Algemeen

In het streekplan Zuid-Holland Oost (maart 1995 met herzieningen) is de locatie GorinchemNoord aangegeven als te ontwikkelen bedrijventerrein met een regionale functie. De gemeente Gorinchem heeft aan Grontmij Nederland bv opdracht verstrekt tot het uitvoeren van een archeologisch bureauonderzoek ten behoeve van het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein GorinchemNoord’. Grontmij stelt in samenwerking met de gemeente en andere belanghebbende partijen het bestemmingsplan op voor het gebied waarin het toekomstige bedrijventerrein gesitueerd is.1 Het plangebied ‘Gorinchem-Noord’ ligt ten noorden van Gorinchem en wordt aan de westzijde begrensd door de Rijksweg A27, aan de zuidzijde door het tracé van de Betuwelijn en de Rijksweg A15 en aan de oostzijde door de spoorlijn en het Merwedekanaal. Het plangebied maakt deel uit van twee polders: de Polder Arkel in het oosten en de Polder Lang-Scheiwijk in het westen. Het gebied wordt in het westelijk deel doorsneden door de Hoogbloklandse Weg, die tevens beide voornoemde polders van elkaar scheidt. De Haarweg doorsnijdt in het zuidelijk deel het plangebied in oost-westelijke richting. In het oosten heeft de Hoogbloklandse Weg een parallelle tegenhanger in de Vlietskade. De grootte van het plangebied bedraagt circa 50 ha. De exacte ligging van het plangebied is weergegeven in bijlage 1. 1.2

Aanleiding en doelstelling

De aanleiding van het onderzoek is de voorgenomen aanleg en inrichting van een bedrijventerrein. Bij de werkzaamheden ten behoeve hiervan zullen diverse vormen van bodemverstoring plaatsvinden. Omdat het geheel nog in de ontwerpfase verkeert, is nu nog niet duidelijk waar precies welke diepergaandere verstoringen zullen gaan plaatsvinden. Eventueel aanwezige vindplaatsen zullen daarbij kunnen worden aangetast of zelfs vernietigd. Het doel van dit bureauonderzoek is de archeologische waarden en globale verwachtingen binnen het plangebied en de omgeving aan te geven. Vervolgens wordt geadviseerd hoe in het plangebied kan worden omgegaan met het archeologische aspect. 1.3

Beleidskader

In aanvulling op het nationale beleid zoals het voor een groot deel is vastgesteld door de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM) heeft de Provincie haar eigen beleid. Het provinciaal beleid ten aanzien van de archeologische monumentenzorg (AMK) is vastgelegd in het Cultuurplan 2005-2008. Hierin wordt uitgegaan van het verdrag van Malta hetgeen onder andere betekent dat de ruimtelijke aspecten van de archeologische monumentenzorg zijn ingebed in de WRO. De archeologisch waardevolle gebieden moeten worden beschermd. Bestemmingsplannen dienen ter bescherming en beheer van archeologische waarden volgens de Archeologische Monumentenkaart en/of de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) van Zuid-Holland, een juridische regeling te bevatten die in voldoende mate bescherming biedt tegen werkzaamheden die zouden kunnen leiden tot verstoring van het bodemarchief. In gebieden die in de CHS zijn aangemerkt als gebieden met een zeer grote tot redelijke kans op archeologische sporen dient bij het voorbereiden van verstorende plannen verplicht verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. 1

N.B. het bestemmingsplangebied omvat naast de delen die tot het bedrijventerrein zullen gaan behoren, dus ook delen die andere functies hebben of zullen krijgen.

13/GAR60/vdR, revisie C2 Pagina 5 van 27

Inleiding

1.4

Werkwijze

Voor het bureauonderzoek zijn bekende archeologische vindplaatsen en terreinen in de omgeving van het plangebied geïnventariseerd. Dit is gebeurd door middel van het raadplegen van het archeologisch informatiesysteem van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM) te Amersfoort 2 Om potentiële vindplaatsen in beeld te brengen, zijn voor het onderzoek relevante kaarten zoals bodemkaarten en geomorfologische en historische kaarten geraadpleegd. Andere bronnen zijn de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) en vergelijkbare kaarten waaronder de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHSZ-H). Tevens heeft verder literatuuronderzoek plaatsgevonden en heeft er contact plaats gevonden met de toenmalige gemeentelijk archeoloog van Gorinchem en met medewerkers van archeologisch adviesbureau RAAP. Aangezien de eerste conceptversie van het bureauonderzoek dat er lag, reeds meer dan drie jaar oud was, is opnieuw gekeken naar gegevens uit het archeologisch informatiesysteem Archis2, en naar de Archeologische Monumentenkaart (AMK), de IKAW en de CHS-ZH. Het doel van het onderzoek is inzicht te verkrijgen in de geologische opbouw van het terrein en het in beeld brengen van eventueel aanwezige archeologische waarden en resten.

Tot slot zal een advies worden gegeven met betrekking tot de noodzaak van eventueel vervolgonderzoek in het kader van de archeologische monumentenzorg (AMZ) en indien dit het geval is, uit welke stappen dit zou moeten bestaan. De betreffende werkzaamheden zijn conform de richtlijnen van het handboek Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA v. 3.1, oktober 2006) uitgevoerd. Grontmij is door het College voor de Archeologische Kwaliteit (CvAK, thans CCvD | Archeologie) toegelaten voor het uitvoeren van alle soorten archeologisch onderzoek volgens de KNA.

2

Voorheen de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB), tot september 2006.

13/GAR60/vdR, revisie C2 Pagina 6 van 27

2

Bureauonderzoek

2.1

Inleiding

In de navolgende paragrafen worden eerst de geologie en de bodemopbouw van het plangebied beschreven. Daarbij wordt het bijbehorende landschap beschreven en wat dit betekent voor de archeologie. Daarnaast zullen in dit hoofdstuk de al bekende archeologische waarden van het plangebied en de directe omgeving ervan worden besproken. Op basis van de gegevens van zowel de geologische en bodemkundige opbouw als van de bekende archeologische waarden zal het hoofdstuk afgesloten worden met een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. 2.2

Geologie

Het plangebied ligt in het oostelijk deel van Alblasserwaard en maakt als zodanig deel uit van het Midden-nederlandse rivierengebied. De vorming van het rivierengebied en het veengebied gaat terug tot de Laatste IJstijd, die zo’n 10.000 jaar geleden eindigde. Toen rond 18.000 BP de gletsjers in het noorden begonnen te smelten, steeg de zeespiegel. Door de relatief hoge ligging van het zuidelijke deel van de huidige Noordzee, had deze stijging echter pas relatief laat invloed op ons gebied en wel pas rond 8.000 BP. De ondiepe ondergrond van dit deel van de Alblasserwaard bestaat uit fluviatiele en eolische sedimenten van pleistocene en vroeg-holocene ouderdom, die tot de Formatie van Kreftenheye worden gerekend. Tot deze formatie behoren de zandige en grindige rivierafzettingen van de rivieren Rijn en Maas, die zijn afgezet na de maximale ijsuitbreiding in het Saalien tot en met het Vroeg-Holoceen. Het studiegebied bevindt zich in het westelijke deel van het rivierengebied het zogenaamde perimariene gebied. De holocene afzettingen zijn hier weliswaar fluviatiel maar hun ontstaanswijze is sterk beïnvloed door de stijgende zeespiegel, maar mariene sedimenten zelf, ontbreken. Tabel 2.1

indeling van het Kwartair

chronostratigrafie Kwartair

Holoceen

Pleistoceen

jaren geleden Subatlanticum

3.000

-

heden

Subboreaal

5.000

-

3.000

Atlanticum

8.000

-

5.000

Boreaal

9.000

-

8.000

Preboreaal

10.000

-

9.000

Laat

130.000

-

10.000

Weichselien (ijstijd)

120.000

-

10.000

Eemien

130.000

- 120.000

800.000

- 130.000

Midden

Vroeg

Saalien

(ijstijd)

200.000

- 130.000

Elsterien

(ijstijd)

400.000

- 315.000

2.400.000

- 800.000

13/GAR60/vdR, revisie C2 Pagina 7 van 27

Bureauonderzoek

Het gebied wordt gekenmerkt door grote komgebieden en dikke veenpakketten. In het voornamelijk vlakke landschap zijn slechts enkele hogere geomorfologische elementen waarneembaar, de zogenaamde donken, dit zijn rivierduinen die gevormd zijn aan het einde van de Laatste IJstijd (circa 10.000 BP) sommige van deze donken zijn nog aan het oppervlakte waarneembaar de meeste zijn echter niet meer in het landschap terug te vinden omdat ze volledig bedekt zijn met enkle meters dikke, jongere afzettingen. Tevens zijn plaatselijk langgerekte ruggen van enkele decimeters hoog waarneembaar. Dit zijn stroomruggen, voormalige rivierlopen, die bestaan uit zand en zavel. Doordat het veen en de klei in het omringende komgebied inklinkt, liggen deze stroomruggen nu iets hoger in het landschap. De invloed van de zee vindt plaats in verschillende fasen, de transgressie en regressie fase. Tijdens een transgressiefase is er sprake van een verhoogde zeeactiviteit en vindt er dichtsedimentatie van de rivieren plaats in het perimariene gebied.3 Het riviergeulenpatroon vertoont daarbij een sterke neiging om zich te verleggen. Tijdens een regressiefase is er meer rust in het rivierengebied en bestaat er meer kans op veengroei. Perimariene afzettingen worden gekarakteriseerd door de afwisseling van klei- en veenlagen.

Rivierduinen zijn in het Laat-Weichselien ontstaan in het gebied tussen Waal en Lek uit opgestoven sediment uit verlaten rivierbeddingen. Rivierduinen zijn derhalve eolische afzettingen en zijn van de fluviatiele zanden gescheiden door een lichtgrijze kleiige laag. Rivierduinen kunnen lokaal ook bekend staan als donk en vormden de hoge elementen in het vlakke landschap en als zodanig boden ze mogelijkheid tot bewoning. Aan het begin van het Holoceen bestaat er tussen de Linge en Lek een vlak, enigszins naar het westen hellend landschap waar, buiten het directe bereik van de actieve rivieren, kalkhoudende kleien worden afgezet. Het toenmalige oppervlak ligt op 7 tot 10 m -NAP.4 In het Preboreaal en Boreaal ontstaan onder invloed van de Kreftenheye-rivieren, waartoe de Linge en Waal behoren, kalkrijke venige kleien en zogenaamde gyttja’s.5 Deze laatste zijn gelaagde meerafzettingen die bestaan uit fijne organische sedimenten. De vlechtende rivieren gingen over in meanderende rivieren, die regelmatig hun hoofdstroom verleggen. Deze rivieren zetten fijner materiaal af, zodat het grove rivierzand afgedekt werd met leem en klei. Vanaf het begin van het Atlanticum maakt het gebied deel uit van het perimariene gebied, tijdens het Subatlanticum neemt de zeespiegelrijzing af en ontstaat er een meer natuurlijk evenwicht.

Dunne lagen van klei (komklei), kunnen daardoor direct achter de oeverwallen worden afgezet. De Formatie van Echteld omvat de Betuwe Formatie, uitgebreid met de Afzettingen van Gorkum en de Afzettingen van Tiel uit de Westland Formatie en een klein deel van de Afzettingen van Duinkerke uit de Westland Formatie. De Formatie van Echteld komt overeen met de Betuwe Formatie zoals gedefinieerd door Berendsen.6 Berendsen toonde aan dat de veronderstelde synchroniteit van mariene sedimentatie en fluviatiele sedimentatie in het “perimariene gebied” niet bestaat.7 Mede op grond hiervan worden de fluviatiele afzettingen in het perimariene gebied (Afzettingen van Gorkum en Afzettingen van Tiel) nu tot de Formatie van Echteld gerekend. Rivierduinen

In de tijd dat de Rijn en de Maas nog vlechtende rivieren waren, splitsten zij zich regelmatig en vloeiden zij weer samen in een opeenvolging van geulen. In de tientallen km’s brede laagte verlegde de geulen zich telkens weer, hier tussenin ontstonden eilanden van zand en grind. In het 3

Verbraeck 1970, 55. Verbraeck 1970, 52. 5 Verbraeck 1970, 49 en Berendsen 2004, 224. 6 Berendsen 1982. 7 Berendsen 1984. 4

13/GAR60/vdR, revisie C2 Pagina 8 van 27

Bureauonderzoek

relatief warme Bølling-Allerød interstadiaal (13.000 - 11.000 BP) transformeerden de pleniglaciale vlechtende rivieren in meanderende rivieren, en weer terug tot een kort durende vlechtende fase tijdens de Jonge Dryas (11.000 - 10.000 BP). De Jonge Dryas maakt deel uit van een overgangsfase van de Laatste IJstijd (het Weichselien) naar het huidige, veel warmere tijdvak, het Holoceen. Met name de tweede helft van de Jonge Dryas was een erg droge periode met sterk eolische activiteit. In de uitgestrekte, onbegroeide riviervlakte hadden de, overwegend zuidwestelijke winden vrij spel en uit verlaten beddingen stoven rivierduinen op. Het matig-grove zand, de relatief fijne component, werd afgezet op het aangrenzende terras in uitgestrekte, overwegend oost-west gerichte, ruggen. Deze eolisch duinen kunnen tot 20 m hoog zijn, en zijn vaak nog heden ten dage nog waarneembaar als zogenaamde donken. Deze afzettingen worden op grond van het materiaal tot de Formatie van Kreftenheye gerekend. In dit hoogdynamisch landschap, waar sedimentatie en erosie elkaar in een jaarlijkse cyclus aflossen, waren deze ruggen echter geen lang leven beschoren. De meeste werden in het volgend voorjaar al weer opgeruimd door de watermassa’s die dan hun weg naar zee zochten. Pas tegen het eind van de Laatste IJstijd, circa 8.000 v.Chr., kwam dit landschap in rustiger vaarwater.

Het Noordzeebekken vulde zich met water; door de stijging van de zeespiegel werd het verval van de rivieren minder, waardoor de invloed van de rivieren afnam en de rivierduinen de kans kregen om zich te handhaven. Onder invloed van de stijging van de zeespiegel werden de rivierduinen geleidelijk ingekapseld door kleiafzettingen en veenvorming. Alleen de hoogste toppen bleven als zandopduikingen (donken) boven het veen uitsteken; de rest werd afgedekt. Vanwege hun relatieve hoge ligging boden de rivierduinen gelegenheid voor vroege vesting van mensen in het gebied. Op vele van deze donken is menselijke bewoning uit het Mesolithicum en het Neolithicum aangetoond, o.a. op donken bij Hardinxveld-Giessendam en recentelijk op de donk van Laag-Dalem.8 Stroomgordels

Vanaf het Midden-Atlanticum traden de rivieren geregeld buiten hun oevers en zetten ze grote gebieden onder water. Onder invloed van de zeespiegel rijzing werd de afstroming van het bovenwater geremd. Het atlantische rivierensysteem is tot het midden van het Subboreaal in enkele fasen actief geweest. De sedimenten uit die perioden werden Afzettingen van Gorkum genoemd. In deze periode traden bij hoog water de meanderende rivieren regelmatig buiten hun oevers. Ze zetten dan eerst langs hun bedding zandig materiaal af en vervolgens op grotere afstand van de rivierloop klei in de verder afgelegen laagten. Zo werden in de loop van de tijd langs de rivier de zandige oeverwallen opgebouwd, terwijl tussen de rivierlopen, aan klink onderhevige, vlakten van komklei ontstonden. De stroomgordels ontwikkelden zich in het veengebied waarbij de sedimentatie vrijwel gelijke tred hield met de veenvorming. Later werden ze door het zich uitbreidende veen overdekt. Hierdoor ontstond een sterk gedifferentieerde ondergrond. Ook kwam het herhaaldelijk voor dat de rivierloop zich in zijn geheel verplaatste, waardoor er een fossiele stroomgordel, als een zandige rug achterbleef, al dan niet met een restgeul. Voor het plangebied zijn de twee hieronder behandelde stroomgordels van belang (bijlage 2). 9 De basis van het plangebied wordt gevormd door een Jonger-Dryas terras in de ondergrond.

Legenda-eenheid F3k van de Geologische kaart - een afwisselende gelaagdheid van Hollandveen met Afzettingen van Tiel en Afzettingen van Gorkum; aan de oppervlakte Afzettingen van Tiel als komklei.10

8

Hardinxveld-Giessendam, Louwe Kooymans 2001a en 2001b. Berendsen & Stouthamer 2001. 10 Geologische Kaart van Nederland, Gorinchem Oost (38O),1970. 9

13/GAR60/vdR, revisie C2 Pagina 9 van 27

Bureauonderzoek

Tabel 2.2

ouderdom van de stroomgordels in jaren BP (Before Present) 11

stroomgordel (nr) Spijk

C14 ouderdom

gecal. ouderdom

begin

begin

eind

bestaan

eind

bestaan

riviersysteem

(158)

2510 2200 310

2563

2222

341

Graaf

Gorkum-Arkel (52)

6515 5590 925

7387

6359

1028

Benschop

In het zuidelijke deel van het plangebied zijn elementen van de Stroomgordel van Spijk (nr 158 van Berendsen) aanwezig. Dit stelsel was actief tussen 2.510-2.200 BP; het eind van 2.200 BP valt samen met het begin van het Linge-stelsel. Aan dit stelsel zijn archeologische gegevens uit de vroeg- en de midden-Romeinse tijd gekoppeld. Het stelsel van Spijk is ouder dan dat van Linge en is mogelijk een crevasse van het Gameren-systeem. Legenda-eenheid Bd2k van de Geologische kaart noemt: Afzettingen van Tiel, ontwikkeld als geulafzetting bedekt door komklei, rustend op een afwisselende gelaagdheid van Hollandveen en Afzettingen van Gorkum, of alleen op Afzettingen van Gorkum.12 In het oostelijk deel van het plangebied zijn onderdelen van Stroomgordel van Gorkum-Arkel (nr 52 van Berendsen). Dit stelsel was actief tussen 6.515-5.590 BP. Aan dit stelsel zijn geen archeologische gegevens gekoppeld. Legenda eenheid A3k van de Geologische kaart noemt: een afwisselende gelaagdheid van Hollandveen met Afzettingen van Tiel en Afzettingen van Gorkum; aan de oppervlakte Afzettingen van Tiel ontwikkeld als komklei; de vertande Afzettingen van Gorkum rusten op geulafzettingen van de Afzettingen van Gorkum.13 In het noordwestelijk deel van het plangebied zijn deels nog resten invloed van een crevasse (nr 422 van Berendsen). Een crevasse-afzetting ontstaat bij de doorbraak van een geul.

Bij de doorbraak vormt zich een geul in de omringende kleiafzettingen, welke wordt opgevuld met zand. Na enige tijd vormen deze oude crevassegeulen hoge en droge plekken in het natte komgebied. Door inklinking van de klei ontstaat namelijk reliëfinversie, waarbij de met zand opgevulde crevassegeul nu boven de komklei uit steekt. Na inklinking zullen deze hoger gelegen delen geschikt zijn voor bewoning . Veenvorming

Circa 2.000 v.Chr. was de kustlijn gesloten. Ongeveer op de plaats van de huidige kust ontwikkelde zich een gesloten duinenrij. Hierdoor stagneerde de afvoer van de grote rivieren. Het westelijk deel van Nederland, veranderde in een uitgestrekt moerasgebied waarin op grote schaal veenvorming plaatsvond. Het veen wordt gerekend tot het Hollandveen als onderdeel van de Formatie van Naaldwijk.14 Onder invloed van de rivieren ontstonden in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden moerasbossen waarin bosveen werd gevormd. De rivieren overspoelden regelmatig het veenpakket, waardoor het bosveen afgedekt werd met rivierafzettingen (dunne lagen rivierklei). Hierdoor bevat het bosveen wisselende hoeveelheden rivierklei. Op de overgang van het Atlanticum naar het Subboreaal breidde de veenvorming zich nogmaals over grote oppervlakten uit. Aanvankelijk werd weer rietveen en zeggeveen gevormd, maar in het Subboreaal nam het bosveen steeds meer in betekenis toe. In het Subatlanticum is vrijwel het gehele gebied met moerasbos bedekt. Omstreeks het begin van het Subatlanticum, na circa 600 v.Chr., nam de activiteit van de rivieren sterk toe en werd de veengroei plaatselijk door hernieuwde rivierwerking onderbroken. De sedimenten uit deze periode worden Afzettingen van Tiel genoemd. Ze bedekken nagenoeg overal de Afzettingen van Gorkum en het Hollandveen.

Alleen enkele Pleistocene rivierduinen steken er als donken soms doorheen. 11

Naar Berendsen en Stouthamer 2001, appendix 4. Geologische Kaart van Nederland, Gorinchem Oost (38O),1970. 13 Geologische Kaart van Nederland, Gorinchem Oost (38O),1970. 14 Weerts 2003. 12

13/GAR60/vdR, revisie C2 Pagina 10 van 27

Bureauonderzoek

Ook tijdens de vorming van de Afzettingen van Tiel heeft enkele malen een stilstand in de sedimentatie plaats gevonden. Deze perioden weerspiegelen zich door de aanwezigheid van bewoningniveaus en vegetatiehorizonten (laklagen). In de tweede helft van de 3e eeuw n.Chr. veranderde het karakter van de sedimentatie in het westelijk rivierengebied. Aan de afzettingen van de veenstromen kwam definitief een einde. Het gehele moerasgebied met groeiende venen en veenstroompjes werd bedekt met komklei. In de 12e eeuw wordt de Linge afgedamd. Door de bedijking vanaf de 12e eeuw komt aan het natuurlijke sedimentatiemechanisme een einde. Maar tot in de 19e eeuw zouden de rivieren nog regelmatig door de dijken heen breken. Wanneer de mens het gebied gaat ontginnen, graaft hij greppels en weteringen om de afwatering te versnellen. Hierdoor klinkt het veen in. De voormalige, met zand en grind opgevulde riviergeulen klinken minder in en komen nu als langgerekte ruggen temidden van het omringende veencomplex te liggen. Deze ruggen worden stroomruggen genoemd. De meest markante hiervan is de Schoonrewoerdse stroomrug, die als een flauwe, circa 100 m brede rug, centraal door de Alblasserwaard loopt. 2.3

Bodem

De Bodemkaart geeft voor het plangebied aan dat de bodem in het gebied bestaat uit een toplaag van klei met daaronder afwisselend veen- en kleilagen.15 Het maaiveld heeft een hoogteligging van circa 1,0 m -NAP. De Bodemkaart laat zien dat in het plangebied de volgende gronden voorkomen (zie bijlage 3): Tabel 2.3 voorkomen van gronden in het plangebied ligging noord midden en zuidoost zuiden oost en zuidwest

type kalkloze drechtvaaggrond kalkloze poldervaaggrond kalkhoudende poldervaaggrond kalkloze poldervaaggrond

code Rv01C Rn44Cv Rn95A Rn47C

profielverloop 1 4 5 3 of 3 en 4

Gwt III III VI III

de toevoeging v wijst op moerig materiaal beginnend dieper dan 0,80 m en doorgaand tot dieper dan 1,20 m.

Drechtvaaggronden zijn kleigronden met veen, dat tussen 0,40 en 0,80 m diepte begint. Het zijn zeer uniform opgebouwde kom-op-veengronden. Poldervaaggronden, die een zeer groot deel van de rivierkleigronden in dit gebied vormen, zijn gerijpte gronden met een zwak ontwikkelde (vage), humushoudende bovengrond en met hydromorfe kenmerken, namelijk roest en grijze vlekken die ondieper dan 0,50 m beginnen. Uit boringen komen vier typen van profielverlopen naar voren: - profielverloop 1 - zavel of klei op veen, dit zijn zavel- en kleigronden met meer dan 0,40 m moerig materiaal, beginnend tussen 0,40 en 0,80 m. - profielverloop 3 - zavel of klei op een tussenlaag van niet-kalkrijke zware klei, dit zijn zavel- en kleigronden met een niet kalkrijke, zware kleilaag (> 35% lutum) die of begint binnen 0,25 m en doorloopt tot ten minste 0,40 m, of begint tussen 0,25 en 0,80 m en tenminste 0,15 m dik is, rustend op een lichtere en/of kalkrijke ondergrond die of binnen 0,80 m begint en ten minste 0,40 m dik is, of dieper dan 0,80 m begint en doorloopt tot dieper dan 1,20 m. - profielverloop 4 - zavel of klei op een ondergrond van niet kalkrijke, zware klei, dit zijn zavel- en kleigronden met een niet kalkrijke, zware kleilaag (> 35% lutum) die binnen 0,80 m begint en die of doorloopt tot ten minste 1,20 m, 15

Bodemkaart van Nederland blad 38 Oost - Gorinchem.

13/GAR60/vdR, revisie C2 Pagina 11 van 27

Bureauonderzoek

of ten minste 0,15 m dik is en tussen 0,80 m en 1,20 m overgaat in moerig materiaal dat doorloopt tot ten minste 1,20 m, of ten hoogste is onderbroken door lichtere en/of moerige lagen die tezamen dunner zijn dan 0,40 m en die binnen 1,20 m weer overgaan in niet kalkrijke zware klei. - profielverloop 5 - homogene, aflopende en oplopende profielen, dit zijn zavel- en kleigronden met profielverlopen die niet vallen onder de definitie van de profielverlopen 1 en 4.

Bij het bepalen van de vochtigheid van de bodem wordt gewerkt met grondwatertrappen (Gwt’s). Deze trappen geven een klassenindeling weer van ten eerste de verschillende grondwaterstanden naar diepte en ten tweede de seizoensvariatie in de grondwaterstanden. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII, van respectievelijk extreem nat tot extreem droog, zie tabel 2.4. Tabel 2.4

grondwatertrappenindeling

grondwatertrap

I

II

III

IV

V

VI

VII

GHG in cm -mv GLG in cm -mv

(<20) <50

(<40) 50 - 80

<40 80 - 120

>40 80 - 120

<40 >120

40 - 80 >120

>80 (>160)

GHG gemiddeld hoogste grondwaterstand / GLG gemiddeld laagste grondwaterstand

Het gebied waarbinnen het plangebied ligt, kent de watertrappen Gwt III en Gwt III*, voor beide geldt een gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) < 40 cm en een gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) tussen 80 - 120 cm. Gwt III wordt aangetroffen bij de drechtvaaggronden en de poldervaaggronden. Voor bouwland zijn de gronden zonder * weinig geschikt. Als grasland hebben ze een late voorjaarsontwikkeling en ze zijn moeilijk berijdbaar en beweidbaar in voorjaar, herfst en winter. In natte perioden tijdens de zomer kan bij een grote veebezetting gemakkelijk vertrapping optreden. Bij Gwt III* (langs de Haarweg) zijn de omstandigheden voor weidebouw gunstiger, onder andere door een langere gebruiksperiode. Het gebied op de Stroomgordel van Spijk, waarop globaal gezien de Haarweg en directe omgeving liggen, kent een Gwt VI, dit zijn de drogere delen in het gebied. De huidige drooglegging (dit is de afstand tussen maaiveld en freatische grondwaterspiegel) van de gronden bedraagt in de huidige situatie ongeveer 50 - 70 cm. 2.4

Landschap, grondgebruik en infrastructuur en bebouwing

Landschap

De Alblasserwaard oogt ‘typisch Hollands’ met groene weiden met zwartbont vee, hoge dijken met molens en verder historische vestingstadjes en karakteristieke, vaak eeuwenoude boerderijen in een landschap van kronkelende riviertjes en rechtlijnige sloten, en rietlanden en grienden langs de rivieren en rijen kromme knotwilgen. Het vlakke landschap kent echter ook geaccidenteerde elementen zoals de stroomruggen en donken die herinneren aan de oudste (bewonings)geschiedenis van het gebied. Het is een landschap dat zijn oorspronkelijke vorming door de natuur volop toont: overspoeld is door rivieren en uiteindelijk door de mens gecultiveerd werd tot een vruchtbaar polderland. De Alblasserwaard is tevens een goed voorbeeld van een veenweidegebied. De gehele landschappelijke opbouw is rechtstreeks te herleiden naar de periode van de middeleeuwse veenontginning. Het gebied wordt gekenmerkt door de regelmatige slagenverkaveling die typerend is voor het veengebied. Vanuit de oost-west verlopende ontginningsassen is het gebied stelselmatig in cultuur gebracht. De Alblasserwaard/Vijfheerenlanden is door zijn landschappelijke opbouw een cultuurhistorisch en aardkundig waardevol gebied. Het gebied is archeologisch waardevol, omdat met name op de stroomruggen en donken tal van vindplaatsen voorkomen.

13/GAR60/vdR, revisie C2 Pagina 12 van 27

Bureauonderzoek

Grondgebruik

De Alblasserwaard is daarbij ook een ‘klassiek’ veengebied. Het veen in de Alblasserwaard bestaat voornamelijk uit bosveen. Omdat bosveen, door de aanwezigheid van kleideeltjes, ongeschikt is als brandstof, heeft er in het gebied geen grootschalige vervening plaatsgevonden. Aanvankelijk is het veengebied ontgonnen ten behoeve van de akkerbouw. De akkerbouw heeft echter niet lang standgehouden. Door de ontwatering klonk het veen steeds verder in en het gebied werd te nat voor akkerbouw. Noodgedwongen schakelde men over op veeteelt en hennepteelt. De veeteelt is tot op de dag van vandaag een belangrijk middel van bestaan gebeleven. De hennepteelt liep in de 19e eeuw naar zijn eind als de zeilvaart op zijn retour is en ook de komst van stalen kabels de behoefte aan touw, en daarmee de vraag naar hennep, snel doet afnemen. De hennepakkers werden omgezet in weiland. Op tal van plaatsen is het kenmerkende smalle kavelpatroon van de hennepteelt echter nog herkenbaar. Het voorste deel van het land, dat het dichtst bij de boerderijen ligt, wordt het meest intensief gebruikt. Om de bodemvruchtbaarheid van dit voorste deel op peil te houden, brengen de boeren regelmatig met bagger vermengde mest, de zogenaamde ‘toemaak’, op het land. Het achterste deel van de kavel wordt gebruikt als hooiland. Infrastructuur en bebouwing

De lange kavels zijn aan de achterzijde ontsloten door tiendwegen; bescheiden landwegen. Aan deze tiendwegen liggen de achteringangen tot de percelen. De lengte van de percelen maakte dat deze achteringangen, met name in de hooitijd, vrij veel werden gebruikt. Om de venige bodem meer draagkracht te geven, zijn aan de toegangen tot de kavels bomen geplant. De wortels van deze bomen versterkten de bodem. De poldereenheden worden begrensd door kaden. Enkele van deze kaden kennen een meer doorgaande beplanting met struweel. Anders dan de tiendwegen, die een pluksgewijze beplanting met bomen kennen, vormen zij meer continue ‘groene linten’ in het landschap. De vele waterlopen, rivieren en weteringen zijn eeuwenlang de belangrijkste verbindingswegen in de waarden. Vervoer van personen en producten ging over het water. De oude lintdorpen zijn gebouwd op de oeverwallen van de grote rivieren Merwede en Lek, langs kronkelige veenstromen als de Giessen of langs een gegraven wetering zoals de Graafstroom. Daar waar de boerderijen met de voorkant aan de wetering of veenstroom staan, duidt dit erop dat de weg over het land van minder belang wordt geacht dan die over het water. Als gevolg van de bedijking ontstond langs de dijken ontstond de karakteristieke lintbebouwing. Verder zijn voor de ontwikkeling van het gebied de plaatsen Gorinchem en Arkel van groot belang geweest.

De oude vestingstad Gorinchem is gelegen aan de monding van de Linge, op het punt waar de provincies (Zuid-)Holland, Gelderland en Noord-Brabant elkaar raken. De omstreeks het jaar 1000 ontstane nederzetting aan een monding van de Linge in de Merwede, is vanwege haar strategische ligging versterkt met wallen en muren. In 1382 ontving Gorinchem stadsrechten. Ook het nabijgelegen Arkel is een zeer oud dorp. Het dorp Schelluinen heeft altijd een meer agrarisch karakter behouden. Verder werden in het gebied op strategische plaatsen kastelen en vestingwerken gebouwd. 2.5

Bewoningsgeschiedenis

Prehistorie-Romeinse Tijd Lange tijd waren grote delen van het rivierengebied onbewoond gebleven. Het moerassige karakter en de frequente overstromingen door de rivieren maakten het gebied minder geschikt voor bewoning. Aan de andere kant kende het rivierengebied condities die het juist tot een aantrekkelijk woongebied maakten. Door de overstromingen was er volop vruchtbare grond aanwezig en het vele water bood mogelijkheden voor visserij en transport.

De eerste bewoners vestigden zich op de hogere donken, die als geïsoleerde droge plekken boven het moerasgebied uitstaken en op de zandige oeverwallen langs de rivieren. De Hazendonk, ten zuiden van Molenaarsgraaf, werd al tussen 5.500 en 2.200 v.Chr. regelmatig bewoond. Deze

13/GAR60/vdR, revisie C2 Pagina 13 van 27

Bureauonderzoek

pioniers leefden van de jacht, de visvangst en het verzamelen van planten en kleine dieren. Ook hielden zij op bescheiden schaal dieren en verbouwen zij kleine akkers/moestuinen. Omstreeks 2.200 v.Chr. week men uit naar een groter aaneengesloten droog gebied dat in de omgeving is ontstaan; de Schoonrewoerdse stroomrug. Deze opvulling van een verzande rivier loopt als een tientallen kilometers lang, circa 100 m breed lint door de moerassen. Zijn breedte maakte deze rug geschikt voor permanente akkerbouw en de bouw van boerderijen. Omstreeks 1.800 v.Chr. is men gedwongen het westelijk deel van de Alblasserwaard voor lange tijd te verlaten. Door het sluiten van de kustlijn stagneert de afwatering van de rivieren. De lage gronden tussen de kustlijn en het oostelijke zandplateau lopen vol met water. In het oostelijk deel van de Alblasserwaard, zoals bij Goudriaan en Noordeloos, zijn wel vindplaatsen uit de Midden-Bronstijd (circa 1.500 v.Chr.) bekend. De Zijderveldse rug kende in die periode juist een intensieve bewoning. Aangenomen wordt dat vanuit die rug de bewoning uitwaaierde naar het gebied rond Hei- en Boeicop. Maar ook in het oostelijk deel maakte het stijgende water het steeds moeilijker om in het gebied te verblijven. Vondsten uit de IJzertijd zijn wel aanwezig, maar minder talrijk.

In de Romeinse Tijd was de oeverwal van de Linge bewoond en langs de grote rivieren liggen Romeinse nederzettingen. Ook op de Papendrechtse en Alblasserdamse stroomrug zijn bewoningsresten uit die periode aangetroffen.16 In de tweede helft van de 3e eeuw n.Chr. veranderde het karakter van de sedimentatie in het westelijk rivierengebied. Aan de afzettingen van de veenstromen kwam definitief een einde. Het gehele moerasgebied met groeiende venen en veenstroompjes werd bedekt met komklei. Rond 450 n.Chr. werden de Lek en de Merwede de hoofdstromen van de Rijn. Zij zorgden voor zulke veelvuldige en hevige overstromingen dat ook de oeverwallen worden verlaten. De bewoning brak af en nam pas in Karolingische tijd weer wat toe. Middeleeuwen en later Ontginning van het veencomplex

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gorinchem&id=88f0ffcf-0343-47b2-ab64-aca350c31b83