CConstaterende datGorinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Raadsvergadering 20 maart 2025, gemeente Gorinchem35.567 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Omstreeks 1000 keerden de mensen terug naar het gebied. De Linge werd in de 12e eeuw afgedamd. Vanaf 1200 wordt het gebied omdijkt. In een betrekkelijke korte tijd, tussen 1000 en 1300, werd het gehele veengebied stelselmatig in cultuur gebracht. De ‘landsheerlijke wildernis’ was in bezit van de koning. De graven van Holland en de bisschoppen van Utrecht bezaten het recht om deze gronden uit te geven aan groepen ontginners, waarmee een cope-overeenkomst werd gesloten. Deze gaf hun tegen wederdiensten het recht om een stuk moerasland in cultuur te brengen. Landmeters van de landsheer maten stukken land uit. Deze cope-ontginningen hadden in de regel een diepte van circa 1250 m. Als ontginningsbasis nam men aanvankelijk een stuk vaste grond aan de rand van het veen, meestal een oeverwal langs de rivier. Aan deze basis werden de boerderijen gesticht. Zo ontstond de kenmerkende, langgerekte bebouwingslinten. Vanaf deze basis groef men, min of meer haaks op de basis, sloten in het moeras. Hierbij ontstond het kenmerkende patroon van de smalle slagenverkaveling. Om de toestroming van water vanuit de nog niet ontgonnen delen tegen te gaan, werden aan weerszijden van het te ontginnen blok kaden, de zgn. zijdewindes aangelegd. De afwatering verliep via weteringen aan de voor- en achterzijde van het blok. Soms werden de blokken niet door een wetering, maar door een achterkade begrensd.

De Langerakse kade bij Goudriaan is hiervan nog een voorbeeld. Wanneer men verder naar het midden kwam, werd de ontginningsbasis niet meer gevormd door natuurlijke hoogten maar door gegraven watergangen. Na de cope-ontginningen zijn ook de overgebleven komgronden (op veen) ontgonnen en geperceleerd, geslagen zoals dat in de Middeleeuwen werd genoemd. Ook daar is het verkavelingpatroon overwegend strookvormig. De benamingen Lange Slagen en Korte Slagen komen voor in het gebied direct ten zuidoosten van het feitelijke plangebied.

16

Papendrechtse Stoomrug: Dijkstra, Brinkkemper en Koot 1999.

13/GAR60/vdR, revisie C2 Pagina 14 van 27

Bureauonderzoek

In de Alblasserwaard is de diepte van de ontginningsblokken in belangrijke mate bepaald door de natuurlijke uitgangssituatie, denk hierbij aan de aanwezigheid van de natuurlijke veenstromen. In eerste instantie werd het land vanaf de oeverwallen van de Lek en Linge verkaveld. Vervolgens werden dorpen gesticht langs de stroompjes in het veengebied. Om de frequent optredende overstromingen het hoofd te kunnen bieden, werden vele boerderijen op woonheuvels gebouwd. Hardinxveld en Giessendam behoren tot de oudste ontginningscentra van de Alblasserwaard. Hier was de oeverwal aan de benedenloop van het veenriviertje de Giessen de basis. Van daaruit werden in noordwestelijke richting de afwateringssloten gegraven. Aangenomen wordt dat omstreeks 1270 heel Hardinxveld en Giessendam reeds waren ontgonnen. Vondsten van aardewerkscherven in de buurt van de oever van de Giessen wijzen op intensieve bewoning al in de 11e en 12e eeuw. De strijd tegen het water

Om het ontgonnen gebied tegen overstromingen van de rivier te beschermen werden dijken opgeworpen. Circa 1200 werd een begin gemaakt met de bedijking van de rivieren. Naast geregelde overstromingen door Lek en Merwede kampten de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden met tijd en wijle met wateroverlast uit de hogergelegen Tielerwaard. Om in de Alblasserwaard de toevloed van water uit het oosten tegen te gaan, besloot Floris V in 1277 tot de aanleg van de Zouwendijk. Daarmee werd in ieder geval het water uit de Vijfheerenlanden buiten de deur gehouden. De Zouwendijk vormt ook nu nog de grens tussen de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden. Het charter van 1277 regelde de instelling van een centraal dijksgezag en dijksbeheer. Bij een aanvullend handvest van 10 april 1281 schaarden ook Giessen-Nieuwkerk en Hardinxveld zich onder dit centrale gezag. Van het westelijke deel van de Alblasserwaard, dat aan de oostzijde werd begrensd door de Matenase-, Peil- en Zijdekade, is bekend dat het voor 1320 toetrad tot de dijkgemeenschap. Alblas vaardigde toen een waardsman af voor de te voeren dijkschouw. Nadien omvatte de ringdijk, behoudens enkele plaatselijke veranderingen, het gehele gebied. Dit gebied werd aangeduid als het ‘Land tussen Lek en Merwede’. Het gebied van Arkel met Gorinchem, Schelluinen, Hoornaar en Hoogblokland had een aparte bedijking.

Dit gebied stond later bekend als het Land van Arkel beneden de Zouwe. De heren van Arkel waren leenman van de graaf van Holland, van de bisschop van Utrecht en van de hertogen van Gelre en Brabant. Jan van Arkel vormde zijn eigen dijkscollege zonder inmenging van de graaf van Holland. Omdat de macht van de leenheren in dit gebied niet duidelijk was, konden de Van Arkels eeuwenlang een machtige positie innemen. Deze onafhankelijkheid leidde ertoe, dat de Arkelse gebieden tot 1857 aparte dijkscolleges hadden. Het afdammen van de Linge begin 14e eeuw

Om de instroming van water uit Gelderland tegen te gaan, werd circa 1300 op de grens van Holland en Gelderland de Diefdijk aangelegd. Aanvankelijk waterde het gebied, via een complex stelsel van weteringen en vlieten, af op de rivieren. De Alblasserwaard op de Merwede en de Noord, de Vijfheerenlanden op Lek en Linge. Het overtollige water werd op natuurlijke wijze geloosd. Bij lage waterstanden van de rivieren werden de spuisluizen geopend. Naarmate het veen echter verder inklinkte, kwam het maaiveld steeds lager te liggen en werd natuurlijke lozing onmogelijk. Men moest daarom op zoek naar andere mogelijkheden. In de Alblasserwaard vond men de oplossing aanvankelijk in een radicale omlegging van de waterafvoer. Omdat de Lek een lager peil had, besloot men de afwatering van de Alblasserwaard om te gooien en het water voortaan via de Lek af te voeren. In 1366 werd daartoe het Groote of Achterwaterschap geschikt gemaakt. Ook dit bleek echter slechts een tijdelijke oplossing; de uiteindelijke oplossing om de polders droog te houden werd gevonden bij kunstmatige bemaling. In de 15e eeuw werden windmolens ontwikkeld, waarbij een scheprad het water naar een hoger niveau opbracht. Bemaling van de polders vereiste de aanleg van bedijkte boezemwateren waarin het

13/GAR60/vdR, revisie C2 Pagina 15 van 27

Bureauonderzoek

water tijdelijk wordt opgeslagen. Bij hoge rivierstanden werd het naar de rivier opgemalen, bij een lage waterstand van de rivier vond lozing langs natuurlijke weg plaats. Tot in de 19e eeuw liep de afwatering van de Vijfheerenlanden via de Oude Zederik. Het water werd uitgeslagen op de Lek. Ook hier belemmerde de hoger geworden rivierstand de natuurlijke lozing op de Lek. In de 17e eeuw werden daarom bij Ameide zes voormolens gebouwd die het water opmaalden naar de hoge boezem bij de sluis buitendijks. Na de voltooiing van het Merwedekanaal wordt het water via dit kanaal op de Linge uitgeslagen, waarna het via het Kanaal van Steenenhoek (aanleg begin 19e eeuw), te Hardinxveld wordt geloosd op de Merwede. Met name het centrale deel van de veengebieden leverde een voortdurende strijd tegen de wateroverlast. Vrijwel alle boerderijen staan op door de mens opgeworpen hoogten (woonheuvels), meestal op de plaats waar al een houten ontginningsboerderij heeft gestaan. Veel boerderijen in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden kennen ‘vloeddeuren’; deuren van een boven de kelder gelegen opkamer die, met een hardstenen stoep er voor, ook dienen als statiedeur. Veel boerderijen hebben bovendien een waterzolder boven de stal, waar het vee bij overstromingen op stal wordt gezet. 2.6

Archeologie

De Laatste IJstijd (het Weichselien) eindigde circa 10.000 jaar geleden en het warmere Holoceen begon. Tijdens het Mesolithicum voltrok zich een belangrijke klimaatsverandering. In het Mesolithicum wordt de activiteit van mens in dit gebied bepaald door de jacht op bosdieren, onder andere voor pelzen en door visserij en het verzamelen van veldvruchten. Het Neolithicum wordt gekenmerkt door belangrijke technologische en sociale vernieuwingen, door de eerste landbouw, de verbouw van voedselgewassen als granen en vlas, erwten en door de domesticatie van hond, schaap, geit, rund en varken. Verder zijn kenmerkend de meer permanente vestigingen, het kappen van het bos werd verder mede mogelijk gemaakt door verbeterde vuurstenen werktuigen. Tabel 2.5

overzicht van archeologische perioden

periode Nieuwe Tijd Late Middeleeuwen Vroege Middeleeuwen Romeinse Tijd IJzertijd Bronstijd Neolithicum (Nieuwe Steentijd) Mesolithicum (Midden Steentijd) Laat Paleolithicum (Late Oude Steentijd)

17

datering 1500 1050 450 12 v.Chr. 800 v.Chr. 1.900 v.Chr. 5.325 v.Chr. 9.000 v.Chr.

- heden 1500 n.Chr. 1050 n.Chr. 450 n.Chr. 12 v.Chr. 800 v.Chr. 1.900 v.Chr. 4.900 v.Chr. tot 9.000 v.Chr.

De Swifterbantcultuur, onder andere bekend van de vindplaats op de Hazendonk, was een half agrarische samenleving waarin de jacht en de visserij en het verzamelen van vruchten nog belangrijke elementen in de voedselvoorziening vormden. In de gemeente Hardinxveld-Giessendam liggen in het tracé van de Betuweroute twee kleine donken met bewoningsresten van meer dan 7.000 jaar oud: Polderweg en De Bruin. Deze donken werden door jagers en verzamelaars gebruikt voor tijdelijke bewoning. Terwijl de eerste boerengemeenschappen van Nederland graan verbouwden op de vruchtbare Zuid-Limburgse löss, bleven in de rest van ons land jager-verzamelaars op hun eigen manier leven. De resultaten van de onderzoeken van de vindplaatsen Polderweg en De Bruin geven een goed beeld van het leven van de donkbewoners in de periode tussen 7.500 en 6.000 jaar geleden.

17

Bij de dateringen worden Lanting & Van der Plicht (1996, 2000 en 2002) gevolgd.

13/GAR60/vdR, revisie C2 Pagina 16 van 27

Bureauonderzoek

De opgraving van vindplaats Polderweg was een moeilijke klus. De bewoningsresten lagen tot zo’n 8,5 m onder het huidige oppervlak. De onderzoekers werkten in een grote, stalen kuip van 18 x 30 m, waaruit constant grondwater werd gepompt. Boven deze kuip was een grote kraan geïnstalleerd om de uitgegraven grond af te voeren, en over het geheel stond een reusachtige tent om de regen en de kou tegen te houden. De donk Polderweg is van tussen 5.500 en 5.000 v.Chr. regelmatig bezocht door jager-verzamelaars, mogelijk dezelfde groep die ook De Bruin gebruikte als uitvalbasis. Ten tijde van de bewoning in het Laat-Mesolithicum was de donk een droge plek in het omliggende moeraslandschap, in de millennia erna werd het duin bedekt met veen en klei. Het hoogste punt van de donk bevindt zich nu op circa 4,5 m onder het maaiveld. Ondanks deze diepte kon de vindplaats Polderweg niet behouden blijven, en moest derhalve opgegraven worden. De vroegste sporen van menselijke aanwezigheid waren ingegraven in het zandlichaam van de donk zelf. Deze fase, dateert van vóór 5.500 v.Chr.; de laatste bewoningsfase is te dateren omstreeks 5.000 v.Chr. De bewoning is een voorbeeld van de exploitatie van het rivierenlandschap die al plaats vond sinds het Vroeg-Mesolithicum. Groepen mensen trokken, waarschijnlijk op seizoensbasis, door het gebied en gebruikten de droge donken als woonplaatsen.

Het gebied was aantrekkelijk vanwege de aanwezige fauna, die vooral bestond uit watervogels zoals eenden en zwanen, en wild zoals zwijnen en herten. Dat op deze dieren werd gejaagd, is duidelijk uit het aangetroffen botmateriaal. De bewoners deden ook aan visvangst, waarbij zij zich vooral richtten op de snoek. Ook de moerasschildpad werd gegeten. Aanwijzingen voor gedomesticeerde dieren ontbreken; hetzelfde geldt voor gecultiveerde gewassen. Gereedschap voor de jacht en visvangst is er ook gevonden: een houten boog, vuurstenen pijlspitsen, een houten spies. Bijlen, gemaakt van hertengewei en runderbotten, werden gebruikt om bomen te kappen en hout te bewerken. Bij de jacht speelde de hond een belangrijke rol. Dit blijkt uit de drie hondenbegravingen. Deze honden zijn zorgvuldig in een grafkuil gelegd als een teken van grote waardering. Dat de jagers of verzamelaars van Polderweg en De Bruin contact hadden met de boeren elders in het land, zien we door de aanwezigheid van vuursteen uit Zuid-Limburg en aardewerk uit het Belgische gebied. Zelf maakte men vanaf 5.000 v.Chr. ook aardewerk, al zijn er geen aanwijzingen dat op de donken gebeurde. Simpele kommen en potten met een ruw oppervlak werden gebruikt bij het koken en voor de opslag van etenswaren. De grondsporen laten zien dat er op de donk grote kuilen werden gegraven, waarvan sommige misschien als hut hebben gediend.

Daarnaast zijn diverse paalsporen aangetroffen, maar een structuur is daaruit niet te reconstrueren. In een graf uit de vroegste bewoningsfase is het skelet aangetroffen van een vrouw die 40-60 jaar moet zijn geweest toen zij stierf. Van een tweede begraving op Polderweg is minder bekend, daar dit graf was verstoord door latere activiteiten. Niet iedereen werd blijkbaar netjes begraven; er zijn tussen het afval verschillende menselijke skeletdelen gevonden die misschien weggeworpen of weggespoeld waren. Waarom er verschil was, is niet duidelijk. Misschien zijn de losse skeletdelen de rest van oudere graven die niet meer herkend zijn, waarna de botten gewoon weggegooid zijn. In totaal zijn resten van zo’n twaalf personen gevonden, mannen, vrouwen en kinderen. Dit bevestigde het beeld van Polderweg als basiskamp, waar men met de hele familie naar toe trok en enkele maanden verbleef. De aanwezigheid van de drie hondenbegravingen maakt het aannemelijk dat het hier niet om een kortstondig gebruikt jachtkamp gaat, maar om een basiskamp, dat seizoensmatig enkele maanden per jaar werd bewoond. De diersoorten die in het aangetroffen botmateriaal zijn vertegenwoordigd, laten zien dat bewoning waarschijnlijk plaatsvond in de winterperiode van oktober tot maart. Ook de verscheidenheid aan aangetroffen archeologische mobilia wijst eerder op een basiskamp dan op een klein jachtkamp.

Bijzonder is met name het omvangrijke complex aan bewerkt bot en gewei, waaronder vele bijlen. Het grote aantal houten voorwerpen met duidelijke kapsporen is mogelijk bewerkt met dergelijke bijlen; het betreft peddels, een boog en een spies. Het belang van bot en gewei als werktuig weerspiegelt zich in het vuursteenmateriaal, dat wordt gedomineerd door een eenvoudige afslagtechniek op kleine, onregelmatige kernen. Er zijn drie pijlspitsen gevonden van een Bandkeramisch type

13/GAR60/vdR, revisie C2 Pagina 17 van 27

Bureauonderzoek

en verder ook knollen van Rijckholt-vuursteen; dit kan wijzen op connecties met contemporaine bevolkingsgroepen in Zuid-Nederland. In de laatste bewoningsfase van Polderweg wordt voor het eerst aardewerk gebruikt, dat wat betreft magering, potvorm en versiering in de Swifterbanttraditie kan worden geplaatst. Het onderzoek bij de Polderweg geeft een goed inzicht in de ontwikkeling van bewoning in het rivierengebied in het Laat-Mesolithicum. Externe contacten zullen hebben plaatsgevonden tijdens het rondtrekken in de rivierendelta en op de pleistocene zandgronden. Eveneens kan gedacht worden aan speciale expedities, bijvoorbeeld om vuursteen te verwerven. Door uitwisselingen met andere nomadische groepen zijn er stilistische overeenkomsten met voorwerpen in gebieden ver weg, in het bijzonder Denemarken. De archeologische resten zijn derhalve goed te plaatsen in een breder cultureel kader, dat heel noordwest Europa omvat. Vlak bij Polderweg lag een kleinere donk. Net als bij Polderweg was de opgraving van vindplaats De Bruin een moeilijke klus. De Bruin leverde gegevens uit de periode van 5.400-4.100 v.Chr. Hierdoor moet De Bruin iets later in de tijd dan Polderweg geplaatst worden.

Het was een zeer goed vergelijkbare tijdelijke woonplaats van zo’n groep mensen die hier verbleef van september tot maart om te vissen, noten en vruchten te verzamelen, en te jagen op groot en klein wild. Het andere deel van het jaar woonden ze waarschijnlijk op de zandgronden ten zuiden en ten oosten van het riviergebied. De groep, die uit niet meer dan twintig personen zal hebben bestaan, bezocht de donk vele malen tussen circa 5.500 en 4.500 v.Chr. Er is sprake van drie bewoningsfasen. De eerste fase, circa 5.500-5.100 v.Chr., overlapt met vindplaats Polderweg. Tot deze fase behoren de graven met twee skeletten van mannen van rond de 40 jaar oud. Uit dezelfde fase stammen de resten van twee kano’s. Aan de voet van de donk is in de klei een vrijwel complete boomstamkano gevonden. Deze had een lengte van circa 5,5 m bij een breedte van nog geen halve meter. Een stevige lindeboom was omgehakt en uitgehold met een stenen bijl. In deze kano, die ideaal was om in het moerassige gebied toch uit de voeten te kunnen, was plaats voor drie of vier mensen en wat bagage. In de buurt van de kano zijn enkele houten pedels gevonden. De kano is zo goed bewaard gebleven omdat hij onder water lag, waardoor bacteriën en micro-organismen geen vat hadden op het hout. De kano is gedateerd op 5.100 v.Chr., aan het einde van de bewoning uit het Mesolithicum.

Hiermee is de kano het op één na oudste vaartuig ter wereld. In de buurt van de kano zijn ook peddels aangetroffen en een deel van een visfuik. Deze oudste visfuik van Nederland is gemaakt van gevochten twijgen van rode kornoelje en heeft vrij grote mazen en is waarschijnlijk gebruikt voor het vangen van grote vissen. Van een tweede, vergelijkbare kano is een stuk van 2 m aangetroffen. Behalve deze bijzondere vondsten zijn er verder aardewerkscherven aangetroffen en flinke aantallen vuursteen en werktuigen (gemaakt van bot en gewei). Op het hoogste deel van de donk van De Bruin zijn paalkuilen aangetroffen, die mogelijk wijzen op een deel van een huisconstructie. In één van de paalkuilen is een complete grote aardewerken pot gevonden uit de Swifterbantcultuur. Men leefde in kuilen waarover waarschijnlijk een tent van huiden gespannen was. Jagen en vissen waren de belangrijkste bezigheden. Edelhert en everzwijn waren een gewilde prooi voor de jacht, terwijl otters en bevers werden gevangen vanwege hun mooie pels. Ook vogels werden niet versmaad, zoals blijkt uit de botten van wilde eend, gans en zeearend. Eikels, hazelnoten en waternoten werden verzameld en men zal ook paddestoelen, bessen en vruchten hebben gezocht, maar die vindt men meestal niet terug in het opgraven materiaal. Ze vingen vooral snoek, met daarnaast baars, paling, zalm en steur.

Ook op deze vindplaats zijn begravingen aangetroffen; het gaat twee mannelijke skeletten. Het ene skelet was van een man van 30-50 jaar, het andere was van een man van 25-35 jaar. De ene is in liggende houding begraven, de andere gehurkt in een kuil. Uit de laatste fase van bewoning, rond 4.500 v.Chr., stamt een cirkelvormige ring van kleine kuilen. In een kuil zat een complete kookpot, in een ander een stuk gewei en een dierenbot, in weer een ander een blok hout. Vlakbij was een zeer jong biggetje begraven, bestrooit met rode

13/GAR60/vdR, revisie C2 Pagina 18 van 27

Bureauonderzoek

oker. De functie van deze kuilenring is niet duidelijk. Het is mogelijk dat het offers waren, en dat we hier te maken met een klein ‘heiligdom’. Onderzoek door archeologisch adviesbureau RAAP bij Laag Dalem, net ten oosten van Gorinchem, heeft de aanwezigheid van een donk aangetoond.18 Op deze donk zijn vondsten aangetroffen uit het Mesolithicum en Laat-Neolithicum. Er is sprake van afvallagen in de periferie die uitwiggen in het veen. Verdere vondsten omvatten verbrand bot, en ook menselijk bot, vuursteen in allerlei vormen van bewerking, en scherven aardewerk. Ook dit rivierduin is omringd door klei en veen, maar in tegenstelling tot de vindplaatsen uit de Betuweroute zelfs dagzoomend.19 De onderzoeken van de laatste jaren en met name die van de vindplaatsen Polderweg en De Bruin hebben er voor gezorgd dat meer inzicht kon worden verworven in de geleidelijke overgang van het economische systeem van jagers en verzamelaars naar dat van landbouwers en veetelers (neolithisering) in de Nederlandse delta en zijn hierdoor van meer dan nationaal belang. 2.7

Bekende waarden, onderzoeken en verwachtingskaarten

Archis en AMK

De archeologische basiskaart (ABK) voor het plangebied uit 2003 is geactualiseerd (bijlage 4). Het archeologisch informatiesysteem Archis2 van de RACM, heeft 5 waarnemingen en 1 monument opgeleverd. Waarnemingen

In het centrale systeem Archis staan onder andere alle reeds bekende archeologische waarden aangegeven. Bij de Archis-gegevens is ook naar de (wijdere) omgeving van het plangebied gekeken. Binnen het plangebied zijn 2 vermeldingen in Archis opgenomen. Uit de directe omgeving konden nog drie relevante waarnemingen worden geselecteerd, zie tabel 2.6. Tabel 2.6 waarn.nr

waarnemingen (Archis2) type vondst

complex

datering

ten noordwesten van het plangebied (polder Kort-Scheiwijk)

24772

“bewoningssporen uit de Romeinse Tijd”

XXX

ROM - ROM

26067

KERAMIEK 3 scherven Terra Sigilatta

XXX

ROMM - ROMM

in het plangebied

36693

KERAMIEK 1 scherf

huisterp Groote Haar

LME - NT

36694

KERAMIEK 1 scherf

huisterp Groote Haar

LME - NT

ten oosten van het plangebied (direct ten oosten van het Merwwedekanaal)

29741

KERAMIEK 10 scherven amfoor

XXX

ROMV-ROMLA

Datering: ROM=Romeinse Tijd, ME=Middeleeuwen, NT=Nieuwe Tijd. De toevoegingen V, M en L staan voor respectievelijk vroeg, midden en laat; bovendien ROMLB staat voor Romeinse Tijd Laat-A. XXX = onbekend

Slechts 2 waarnemingen valt binnen het plangebied, in beide gevallen betreft het fragmenten aardewerk afkomstig van huisterpen.

18 19

RAAP-campagnes in de periode 1999-2002. onderzoek in opdracht van de gemeente Gorinchem. Mondelinge mededelingen I. Schute en B. Smit.

13/GAR60/vdR, revisie C2 Pagina 19 van 27

Bureauonderzoek

Monumenten

De AMK is een digitaal bestand van alle bekende behoudenswaardige archeologische terreinen in Nederland, dat door de RACM in samenwerking met de desbetreffende provincie is opgesteld. Op de kaart staan terreinen met archeologische status aangegeven. De kaart baseert zich op gegevens uit Archis. Statustoekenning vindt plaats nadat het terrein is getoetst aan een aantal door de RACM gehanteerde criteria (kwaliteit, zeldzaamheid en contextwaarde). Terreinen waarvan de archeologische waarde bekend is, staan aangegeven op de AMK. De terreinen op de AMK zijn ingedeeld in vier categorieën: terreinen met archeologische betekenis, archeologische waarde, hoge archeologische waarde en zeer hoge archeologische waarde. Onder deze laatste categorie vallen ook de terreinen die op grond van de Monumentenwet zijn beschermd. Volgens de AMK bevindt er in het plangebied één zogenaamd terrein van archeologische betekenis, een huisterp. Er bevinden zich meerdere huisterpen in het gebied, maar deze hebben geen relevante status. Tabel 2.7

monumenten (AMK)

mon.nr

CMA-nr

type

datering

status

13254

38G-A08

huisterp

LME - NT

terrein van archeologische betekenis

Datering: ME=Middeleeuwen, NT=Nieuwe Tijd. De toevoeging L staat voor laat.

Eerder onderzoek

In het kader van het project Betuweroute is direct grenzend aan het zuidelijke deel van het plangebied eerder onderzoek gedaan door RAAP. Verder zijn er ten behoeve van enkele kleine(re) ontwikkelingen onderzoeken verricht door Bilan en Archeomedia, zie tabel 2.8. Tabel 2.8

onderzoeksmeldingen (Archis2)

CIS-code

type

uitvoerder

locatie

jaar

complex/resultaten/datering

4024

booronderzoek

Archeomedia

Grote Haarsekade

2001

geen arch. indicatoren aangetroffen

5230

booronderzoek

Bilan

Grote Haarsekade

2003

niet bekend

9701

booronderzoek

Bilan

Schotdeuren

2005

(nog) niet bekend

10309

booronderzoek

RAAP

diverse

1992

Betuwe route RAAP-rapport 76 20

17922

booronderzoek

Bilan

Haarweg 23

2006

geen arch. indicatoren aangetroffen 21

Deze onderzoeken hebben geen extra informatie opgeleverd ten aanziek van het onderzoeksgebied.

Verwachtingskaarten en cultuurhistorische kaarten

De archeologische verwachtingskaart IKAW geeft een gebiedsindeling in vier categorieën weer op basis van de verwachting van archeologische vondsten (gebieden met een zeer lage, lage, middelhoge, dan wel hoge archeologische verwachting). Deze kaart is onder andere gebaseerd op de relatie die er bestaat tussen de bodemsoort en de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen. Een punt van aandacht daarbij is dat de IKAW grotendeels is gebaseerd op kaarten met een schaal van 1 : 50.000. Op lokaal schaalniveau is de kaart daarom minder betrouwbaar. Daarbij komt dat de IKAW voornamelijk is gebaseerd op de aanwezigheid van nederzettingen en niet op bijvoorbeeld grafvelden of offerplaatsen. Een lage verwachting op het aantreffen van

20

Asmussen en Exaltus 1993.

21

De Vos 2006.

13/GAR60/vdR, revisie C2 Pagina 20 van 27

Bureauonderzoek

archeologische waarden en resten wil echter niet zeggen dat er geen archeologische waarden of resten aanwezig kúnnen zijn. De kans daarop is echter wel kleiner. De IKAW geeft voor het grote noordwestelijk deel van het plangebied een lage verwachting aan, dit is het gebied met de drechtvaaggronden en de kalkloze poldervaagronden, de van oorsprong lagergelegen delen van het gebied. Voor de oostkant waar de Stroomgordel van Gorkum-Arkel in de ondergrond zit, geldt een middelhoge verwachting; In het zuidelijk deel geldt een hoge archeologische verwachting, dit vanwege de aanwezigheid daar van de Stroomgordel van Spijk. In aanvulling op de landelijke archeologische kaarten hebben veel provincies eigen cultuurhistorische kaarten vervaardigd, waarin veel lokale gebiedskennis is opgenomen. Het betreffen kaarten waarbij niet alleen de archeologie in beeld is gebracht (vaak is deze informatie voor een groot deel overgenomen uit Archis), maar waarop ook de historische geografische waarden van het landschap en het monumentale gebouwde erfgoed staan weergegeven. De CHS van ZuidHolland is ook digitaal beschikbaar. 22 De waardering voor het plangebied op de CHS komt overeen met die op de IKAW. Aan alle drie de disciplines zijn in de CHS steeds twee kaarten gewijd, één kenmerken- en één waardenkaart.

Een zevende kaart is een samenstelde kaart die een totaaloverzicht van de onderkende waarden geeft. - 1. Archeologie

Kaart 1a: Archeologie, kenmerken, toont in de noordoostelijk deel van het plangebied een stroomgordelrug onder het huidige oppervlak met (mogelijke) occupatie in de late prehistorie. Kaart 1b: Archeologie, waarden, hetzelfde systeem wordt genoemd bij de Verwachtingen als een Structuur met een zeer grote kans op archeologische sporen. - 2. Landschap

Kaart 2a: Landschap, kenmerken, Ruimtelijke systemen: aanwezigheid van een poldergrens langs de Hoogbloklandse Weg. Kaart 2b: Landschap, waarden, plangebied is als historisch-landschappelijk vlak van Redelijk Hoge Waarde. De historisch-landschappelijke lijn ter hoogte van de Haarweg wordt gezien als van Hoge waarde. - 3. Nederzettingen

Kaart 3a: Nederzettingen, kenmerken; de lijn ter hoogte van de Haarweg als een polderlint (periode tot 1850); het gaat van oorsprong om op enige afstand van elkaar gelegen boerderijen op de kop van de strookvormige kavels. In de loop van de tijd zijn er daar nogal wat woonhuizen tussen gebouwd, maar de karakteristiek is er nog steeds. Kaart 3b: Nederzettingen, waarden; niet specifiek gewaardeerd. - 4. Overzicht waarden

Kaart 4: Overzicht waarden; de Hoogbloklandse Weg wordt als een Historisch-landschappelijke lijn de Waarde redelijk hoog gegeven. De lijn ter hoogte van de Haarweg als een polderlint Historisch-landschappelijke lijn de Waarde hoog gegeven. Als landschappelijk vlak heeft het hele plangebied een redelijk hoge waarde.

De regio Alblasserwaard/Vijfheerenlanden is vrijwel geheel als Topgebied cultureel erfgoed en tevens als Belvederegebied aangemerkt. Van bijzondere waarde zijn de verkavelingspatronen, de wegprofielen, de bebouwingsstroken, de beschermde gezichten van enkele plaatsen als Kinderdijk, Gorinchem et cetera, en waardevolle kernen als Groot-Ammers, Meerkerk en Lexmond. 22

Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS), regio Alblasserwaard en Vijfheerenlanden.

13/GAR60/vdR, revisie C2 Pagina 21 van 27

Bureauonderzoek

Het molengezicht van Kinderdijk is op de Werelderfgoedlijst van de Unesco geplaatst. Bovendien staan de oostelijke Alblasserwaard en het gebied van de Nieuwe Hollandse Waterlinie op de tentatieve lijst van de Unesco. Deze waardevolle cultuurhistorische elementen dienen planologische bescherming te genieten. 2.8

Archeologische verwachting

Hoewel dus binnen het plangebied tot nu toe geen aanwijzingen en sporen van de beschreven cultuurcomplexen zoals bij Polderwijk en bij De Bruin zijn aangetoond, kan zeker niet worden uitgesloten dat deze niet aanwezig kunnen zijn. De huidige gegevens voor het plangebied met name de bodemkundige gegevens, berusten op grofmazige en oppervlakkige waarnemingen en op relatief lage hoeveelheden boringen. Bij ieder onderzoek naar archeologische en cultuurhistorisch waarden in het gebied van de Alblasserwaard blijkt de hoofdvraagstelling steeds neer te komen op de volgende drie punten: a. Zijn er donken in de ondergrond aanwezig? En zo ja, heeft er dan bewoning uit Mesolithicum en Neolithicum en de overgang naar de Vroege-Bronstijd op plaatsgevonden? b. Zijn er delen van fossiele stroomgordels in de ondergrond aanwezig? Dit kunnen immers plaatsen zijn waar vroege bewoning in het gebied kan voorkomen. c. Zijn er elementen aanwezig die samenhangen met de periode van de middeleeuwse ontginningen? We kunnen hierbij denken aan ontginningssystemen en de aanwezigheid van huisterpjes. Deze drie punten dienen dus ook in dit geval minimaal als leidraad te worden gebruikt bij verdere aanvullende archeologische inventarisaties.

Paleolithicum en Mesolithicum Vanwege de holocene ouderdom van het gebied zijn waarden die uit de alleroudste perioden van de menselijke geschiedenis stammen, niet te verwachten. Op donken die zich mogelijk in de ondergrond kunnen bevinden, kunnen sporen voorkomen vanaf de periode van het (Laat-)Mesolithicum. In deze periode was het gebied voldoende droog voor vestiging en bewoning. De resten kunnen bestaan uit haardkuilen, houtskool, bewerkt natuursteen (vuurstenen werktuigen) en afval van de vervaardiging daarvan, (fragmenten) vroeg aardewerk en archeobotanisch en archeozoöloogisch materiaal, fosfaat en andere nederzettingsresten et cetera. Dat er dergelijke donken in de ondergrond voor kunnen komen, is zeker niet uit te sluiten en de kans op het aantreffen van archeologische waarden en resten uit deze periode is middelhoog. Dergelijke resten kunnen juist voor komen in die delen van het plangebied die volgens de verwachtingskaarten een lage verwachting hebben. Neolithicum tot Romeinse Tijd Tijdens het Neolithicum trad op grote schaal veenvorming op in het gebied als gevolg van de verdergaande vernatting. Hierdoor werd het gebied minder geschikt voor bewoning. Toch zijn in de omgeving van het plangebied vondsten uit het begin van de periode van veenvorming bekend (Neolithicum en Bronstijd), zoals vuurstenen werktuigen en nederzettingssporen.

De kans op het aantreffen van archeologische resten uit deze periode is middelhoog, ondanks de vernatting die het gebied minder geschikt maakte voor bewoning. Het opkruipende veen heeft echter wel de neiging oudere vindplaatsen af te dekken, zodat deze feitelijk geconserveerd worden zodat sporen nog duidelijk aanwezig kunnen zijn. Dergelijke waarden en resten kunnen op de Stroomgordel van Gorkum-Arkel, in het oostelijk deel van het plangebied, aanwezig zijn. Op de Stroomgordel van Spijk zijn vondsten te verwachten daterend vanaf de periode van de Late IJzertijd en de Romeinse Tijd. Middeleeuwen tot Nieuwe Tijd De ligging aan de rand van het veengebied maakte het gebied vanaf de Middeleeuwen weer geschikt voor bewoning. Men ging over tot de ontginning en ontwatering van het veen. De kans

13/GAR60/vdR, revisie C2 Pagina 22 van 27

Bureauonderzoek

op het aantreffen van archeologische resten uit deze perioden, zoals ontginningsresten (verkavelingspatronen) en nederzettingsresten (aardewerk, glas, puin) uit deze periode in de top van het veen en het dek is middelhoog. De aanwezige huisterpen zijn hier al een indicatie voor. Zie verder punt c hierboven genoemd. 2.9

Conclusie bureauonderzoek en aanbevelingen

Het onderzoeksgebied heeft volgens de verwachtingskaarten over het algemeen een lage archeologische verwachting gekregen, dit echter waarschijnlijk alleen op grond van de daar aanwezige bodemtypen. Alleen ter hoogte van de stroomgordels in de ondergrond is er sprake van een (middel)hoge trefkans. Verder is het mogelijk dat er ook nog donken in het gebied aanwezig zijn waarop bewoning uit de periode van het Laat-Mesolithicum tot het Vroeg-Neolithicum mogelijk is geweest. Dergelijke donken zouden met behulp van geofysische methoden goed op te sporen zijn. Afhankelijk van de diepteligging van de top van deze donken zouden deze daarna met behulp van boringen nader onderzocht kunnen worden. Gezien het bovenstaande is het noodzakelijk om voor aanvang van de grondwerkzaamheden in ieder geval een archeologisch inventariserend veldonderzoek (IVO) uit te voeren in de vorm van een verkennend booronderzoek. Hiermee kan duidelijkheid worden verkregen in de specifieke bodemopbouw van het plangebied. Daarnaast kunnen eventuele reeds aanwezige verstoringen van de bodem in kaart worden gebracht.

Het IVO wordt uitgevoerd om de verwachting die hiervoor is opgebouwd, in het veld te toetsen en om antwoord te kunnen geven op de volgende onderzoeksvragen: • is er binnen het plangebied sprake van een onverstoorde bodemopbouw? • is er binnen het plangebied sprake van het voorkomen van archeologische vindplaatsen? Daarnaast moeten de vragen zoals aan het begin van § 2.8 geformuleerd, en geldend voor de Alblasserwaard in zijn algemeenheid, beantwoord kunnen worden. Indien er aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van archeologische waarden zijn de volgende vragen van toepassing: • op welke diepte bevinden zich de aangetroffen waarden? • wat is de verspreiding van de vindplaats(en)? • wat is de ouderdom van de aangetroffen archeologische waarden? • wat is de mate van conservering van de vindplaats? Het (verkennend) booronderzoek zou zich daarbij kunnen beperken tot de zones rond de stroomgordels als gelijktijdig bijvoorbeeld een grootschaliger geofysisch onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van donken of andere in de ondergrond gelegen zandlichamen wordt uitgevoerd. Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek kan daarna door het bevoegd gezag worden bepaald of er in het kader van de AMZ nog verder onderzoek moet plaatsvinden.

Conform de Wijziging Beleidsregels opgravingsbevoegdheid zal eerst een Programma van Eisen moeten worden opgesteld waarin onder andere de hier voorgenoemde onderzoeksvragen worden betrokken en verder uitgewerkt.

13/GAR60/vdR, revisie C2 Pagina 23 van 27

3

Evaluatie

3.1

Samenvatting en conclusie

De gemeente Gorinchem heeft aan Grontmij opdracht verstrekt tot het uitvoeren van een archeologisch bureauonderzoek ten behoeve van de ontwikkeling van het ‘Bedrijventerrein Gorinchem-Noord’ en de wijziging van het bijbehorende bestemmingsplan in breder kader. In de ondergrond van het plangebied bevinden zich twee fossiele stroomgordels die mogelijk archeologische waarden kunnen herbergen. Deze hebben dan ook een (middel)hoge trefkans gekregen op de verwachtingskaarten. Voor de overige delen van het plangebied geldt op het eerste gezicht een lage verwachting voor het aantreffen van archeologische waarden en resten. Het plangebied ligt geologisch gezien echter in de zone waar eolische afzettingen van de Formatie van Kreftenheye in de ondergrond veelvuldig voorkomen. Mogelijk heeft op donken vroege menselijke bewoning plaatsgevonden, vergelijk hiertoe de behandelde vindplaatsen Polderweg en De Bruin (zie § 2.6). Binnen het plangebied is één terrein van archeologisch betekenis aanwezig, een huisterp uit de periode van de Late-Middeleeuwen tot de Nieuwe Tijd. Op twee vergelijkbare huisterpen zijn eerder waarnemingen gedaan van vondsten aardewerk uit de periode van de Late Middeleeuwen tot de Nieuwe Tijd. Het is dus goed mogelijk dat in het plangebied sporen van menselijke activiteiten vanaf het Mesolithicum in de bodem aanwezig kunnen zijn.

Aanwijzingen hiervoor zijn de bekende archeologische vindplaatsen in de nabijheid van het plangebied, alsmede de bodemopbouw in het plangebied zelf. Voor deze gebieden is nader onderzoek nodig voordat verdere aanbevelingen met betrekking tot het geheel van de AMZ gegeven kunnen worden. 3.2

Aanbeveling

Gezien het voorgaande wordt geadviseerd vervolgonderzoek te laten uitvoeren met als doel het controleren van de conclusies uit het bureauonderzoek. Naast het opsporen en het in kaart brengen van eventuele archeologische waarden binnen het plangebied, moet worden gelet op eventuele verstoringen van het bodemprofiel. Indien er sprake is van diepgaande verstoringen kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden reeds vernietigd zijn. In de delen met een (middel)hoge archeologische verwachting wordt daarom geadviseerd een verkennend en/of karterend booronderzoek uit te laten voeren. Voor het opsporen en in kaart brengen van mogelijke donken wordt geofysisch onderzoek geadviseerd. Beide vormen van oudheidkundig bodemonderzoek zouden voor een groot deel te combineren zijn met elkaar en met andere vormen van terreinonderzoek, bijvoorbeeld het milieutechnisch onderzoek. De delen die buiten het feitelijke bedrijventerrein vallen, maar ten behoeve van de bestemmingsplanwijziging in dit onderzoek zijn meegenomen, hoeven pas nader onderzocht te worden indien de noodzaak zich daartoe voordoet. Met betrekking tot de resultaten van dit onderzoek en de gegeven aanbevelingen, wordt verder geadviseerd ook contact op te nemen met het overkoepelend bevoegd gezag, de provinciaalarcheoloog van Zuid-Holland.

13/GAR60/vdR, revisie C2 Pagina 24 van 27

Literatuur en bronnen

Literatuur Asmussen, P.S.G. en R.P. Exaltus, 1993, Archeologische begeleiding Betuweroute. Deel B: inventarisatie en Deel C (gedeeltelijk): Waardering. RAAP-rapport 76. Berendsen, H.J.A., 1982. De genese van het landschap in het zuiden van de provincie Utrecht, een fysisch-geografische studie. Utrechtse Geografische Studies 10. Berendsen, H.J.A., 1984. Problems of lithostratigraphic classification of Holocene deposits in the perimarine area of the Netherlands, in: Geologie en Mijnbouw 63, p. 351-354. Berendsen, H.J.A. & E. Stouthamer, 2001. Palaeogeographic development of the Rhine-Meuse delta, The Netherlands, Van Gorcum Assen, 2001. Dijkstra, Y., O. Brinkkemper en C.W. Koot, 1999. Archeologie in de Betuweroute: Papendrechtse Stroomrug . Rapportage Archeologische Monumentenzorg 80 (RAM 80). Amersfoort/Utrecht 1999. Harbers, P., 1981. Bodemkaart van Nederland schaal 1:50.00 Toelichting bij kaartblad 38 Oost Gorinchem. Stiboka Wageningen, 1981. Lanting, J.N. & J. van der Plicht, 1996. De C14-chronologie van de Nederlandse Pre- en Protohistorie, I: Laat-Paleolithicum. In: Palaeohistoria 37/38 (1995-1996), 71-125. Lanting, J.N. & J. van der Plicht, 2000. De C14-chronologie van de Nederlandse Pre- en Protohistorie, II: Mesolithicum. In: Palaeohistoria 39/40 (1997-1998), 99-162. Lanting, J.N. & J. van der Plicht, 2002.

De C14-chronologie van de Nederlandse Pre- en Protohistorie, III: Neolithicum. In: Palaeohistoria 41/42 (1999-2000), 1 -110. Louwe Kooijmans, L.P. (ed.), 2001a. Archeologie in de Betuweroute. Hardinxveld-Giessendam Polderweg. Een mesolithisch jachtkamp in het rivierengebied (5500-5000 v.Chr.). Rapportage Archeologische Monumentenzorg 83 (RAM 83). Amersfoort/Utrecht 2001. Louwe Kooijmans, L.P. (ed.), 2001b. Archeologie in de Betuweroute. Hardinxveld-Giessendam De Bruin. Een kampplaats uit het Laat-Mesolithicum en het begin van de Swifterbantcultuur (5500-4450 v.Chr.). RAM 88. Amersfoort/Utrecht 2001. Verbraeck, A. 1970. Toelichting bij de geologische kaart van Nederland. Blad Gorinchem (Gorkum) Oost (38O). Rijks Geologische Dienst, Haarlem. De Vos, S. Gorinchem (ZH), Haarweg 23 - Archeologisch vooronderzoek. Rapportnr. 2006/97. Bilan Tilburg, 2006. Weerts, H.J.T. 2003. Beschrijving lithostratigrafische eenheid. Naaldwijk. NITG/TNO, Utrecht.

13/GAR60/vdR, revisie C2 Pagina 25 van 27

Literatuur en bronnen

Bronnen Archeologisch informatiesysteem Archis2, Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM), Amersfoort. Archeologische Monumentenkaart (AMK), Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM), Amersfoort. Bodemkaart van Nederland, Blad 38 Oost Gorinchem. Schaal 1:50.000, Stiboka, Wageningen 1981. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland, regio Alblasserwaard en Vijfheerenlanden. Provincie Zuid-Holland Den Haag, 1999. http://chs.zuid-holland.nl - december 2006. Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) via Archis2. Geologische Kaart van Nederland, Gorinchem Oost (38O). Schaal 1:50.000, Rijks Geologische Dienst, Haarlem 1970. Topografische kaart van Nederland - blad 38 G Gorinchem. Schaal 1:25.000. Topografische Dienst Kadaster - Dienst voor het Kadaster en openbare registers, Apeldoorn 2004.

Voor de Alblasserwaard in het algemeen: internetsite van de vereniging Den Hâneker http://www.denhaneker.nl - mrt. 2003 / dec. 2006.

13/GAR60/vdR, revisie C2 Pagina 26 van 27

Verklarende woordenlijst & gebruikte afkortingen

Verklarende woordenlijst Voor bodemkundige begrippen wordt verwezen naar: H. de Bakker en J. Schelling: Systeem van bodemclassificatie voor Nederland – De hogere niveaus. Stiboka/Pudoc, Wageningen 1966. afzettingen

onderverdeling van een formatie, ook wel laagpakket genoemd

eolisch

afzettingsmilieu waarbij sediment wordt afgezet onder invloed van de wind

fluviatiel

proces waarbij de vorming van een landschap wordt bepaald door de werking van rivieren

Formatie

fundamentele eenheid in de lithostratigrafische classificatie gebaseerd op gesteentekenmerken

Holoceen

jongste geologische tijdvak (10.000 BP - heden)

hydromorf

nat tot zeer nat, met betrekking tot bodems

Pleistoceen

geologisch tijdperk met sterke klimaatswisselingen van gematigd warm tot zeer koud (ca. 2,3 miljoen jaar BP - 10.000 BP)

Saalien

voorlaatste grote ijstijd (200.000 BP - 130.000 BP)

Weichselien

de laatste fase van het Laat-Pleistoceen, de laatste grote ijstijd (110.000 BP 10.000 BP)

Gebruikte afkortingen BP

before present (voor heden); C14 jaren; het nulpunt ‘heden’ is hierbij volgens internationale afspraak gesteld op 1950 (n.Chr.); de werkelijke kalender- of zonnejaren (gecalibreerde C14-jaren) zijn weergeven in jaren v.Chr. en n.Chr.

C14

koolstof 14, isotoop van het normale koolstof 12; radioactief element dat voor dateringsmethoden gebruikt wordt

v.Chr. n.Chr.

(jaren) voor Christus (jaren) na Christus

KNA

Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (v. 3.1 oktober 2006)

RACM

Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten, fusie van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) en de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ), september 2006

RGD

Rijks Geologische Dienst (tegenwoordig onderdeel van TNO-NITG Bodem)

Stiboka

Stichting Bodemkartering (tegenwoordig onderdeel van Alterra Wageningen)

13/GAR60/vdR, revisie C2 Pagina 27 van 27

Bijlage 1

Ligging plangebied op topografische ondergrond

13/GAR60/vdR, revisie C2

Bijlage 2

Ligging plangebied op paleogeografische kaart

13/GAR60/vdR, revisie C2

Bijlage 2

Ligging plangebied op paleogeografische kaart

Plangebied in rood aangegeven, met de Stroomgordel van Spijk (nr 158, oranje) en de Stroomgordel van Gorkum-Arkel (nr. 52, donkergroen). In het uiterste noordwesten van het plangebied komen nog uitlopers van een crevasse voor. Ondergrond: uitsnede Addendum 1 bij Berendsen & Stouthamer 2001. Zonder schaal.

13/GAR60/vdR, revisie C2

Bijlage 3

Bodemkaart

13/GAR60/vdR, revisie C2

Bedrijventerrein Gorinchem-Noord

03-01-2007

Bodemkaart (gegevens Alterra) - overzicht

128633 10440/ 431478

J. v/d Roest - Grontmij Nederland bv

|f10436 TERP

|h BEBOUW 10441 Rn44C

Legenda WAARNEMINGEN HUIZEN

kVb

6917 |h BEBOUW

6162

TOP10 ((c)TDN)

MONUMENTEN archeologische betekenis

Rv01C

archeologische waarde hoge archeologische waarde

15902

zeer hoge archeologische waarde

|g WATER

zeer hoge arch waarde, beschermd

6659 ONDERZOEKSMELDINGEN

13476

Rn67C

BODEM ((c)Alterra) Rn67C |g MOERAS

Associaties Brikgronden Bebouwing

Rn44C

Rn95A

Rn95A

Fluviatiele afz ouder pleistoceen

6793 7508 8019

Groeve, gegraven, mijnstort

Rn95A

Kalksteenverweringsgronden Oude rivierkleigronden

Rn95A

9701

Rn47C

13251

13255

13254

20513

Dikke eerdgronden

pRn59

15314

Rn47C

17922

Dijk, bovenlandstrook

Rn47C

Overige oude kleigronden

5230 4024

Rn44C

Rn44C

Ondiepe keileemgronden

|g WATER

Leemgronden Zeekleigronden

10460 5464 Rn47C

Mariene afz ouder pleistoceen Niet-gerijpte minerale gronden

6577

Oude bewoningsplaatsen

Rn44C

Rivierkleigronden Kalkh lutumarme gronden

Rv01C

Veengronden

|g WATER

Moerige gronden

6269

Water, moeras

Rv01C

Podzolgronden

7164 7337 |h BEBOUW

3883 20166 4077 6491

0

1 km

|g WATER

N Rn52A

123298 / 426976

127986265 2142|g WATER6270 9494

RACM Archis2

Bijlage 4

Archeologische basiskaart (ABK)

13/GAR60/vdR, revisie C2

Bedrijventerrein Gorinchem-Noord

03-01-2007

Archeologische basiskaart (ABK) - detail

127182 / 430256

J. v/d Roest - Grontmij Nederland bv

Legenda WAARNEMINGEN

24772

ONDERZOEKSMELDINGEN

26067

HUIZEN TOP10 ((c)TDN)

MONUMENTEN archeologische betekenis archeologische waarde hoge archeologische waarde zeer hoge archeologische waarde zeer hoge arch waarde, beschermd

IKAW zeer lage trefkans lage trefkans middelhoge trefkans hoge trefkans lage trefkans (water) middelhoge trefkans (water) hoge trefkans (water)

13254

water

20513

niet gekarteerd

29741 36693

17922 36694

9701 52304024

6577

0

500 m N

RACM Archis2

124773 / 428224

RAAP-RAPPORT 2114

Plangebied Gorinchem-Noord Gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

drs. S. de Kruif

RAAP Archeologisch Adviesbureau BV, 2010

Colofon Opdrachtgever: Gemeente Gorinchem Titel: Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem; archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase) Status: eindversie Datum: 4 november 2010 Auteur: drs. S. de Kruif Projectcode: GOND Bestandsnaam: RA2114 _GOND Projectleider: drs. S. de Kruif Projectmedewerker: drs. K. Wink, E. Lyklema MA, drs. C. Coppens, drs. J.H.M. van Eijk & J. Sprangers Msc ARCHIS-vondstmeldingsnummers: niet van toepassing ARCHIS-waarnemingsnummers: niet van toepassing ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummer/CIS-code: 36840 Bewaarplaats documentatie: RAAP West-Nederland Autorisatie: dr. B.I. Smit

ISSN: 0925-6229

RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. Leeuwenveldseweg 5b 1382 LV Weesp Postbus 5069 1380 GB Weesp

telefoon: 0294-491 500 telefax: 0294-491 519 E-mail: raap@raap.nl

© RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2010 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

Samenvatting In opdracht van de gemeente Gorinchem heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in het najaar van 2009 en in de winter van 2010 een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd in verband met het opstellen van het bestemmingsplan Gorinchem-Noord in de gemeente Gorinchem. Doel van dit onderzoek was allereerst het middels bureauonderzoek verwerven van informatie over bekende en te verwachten archeologisch relevante geo(morfo)logische afzettingen en archeologische waarden teneinde een gespecificeerde verwachting op te stellen. Het doel van het veldonderzoek was vervolgens die verwachting te toetsen en, voor zover mogelijk, een eerste indruk te geven van de aard, omvang, datering, kwaliteit (gaafheid en conservering) en diepteligging van eventueel aangetroffen archeologische vindplaatsen. Op basis van de onderzoeksresultaten en de aard en omvang van de voorgenomen bodemingrepen in het plangebied is vervolgens een advies met betrekking tot archeologisch vervolgonderzoek geformuleerd. In hoofdlijnen komt het algemene beeld van de resultaten van het booronderzoek overeen met de resultaten van het geologisch bureauonderzoek van Kluiving & Van Suijlekom (2008). In het plangebied zijn geen rivierduinen (donken) in de ondergrond aangetroffen. Het komgebied wordt wel doorsneden door stroomgordels, crevasses en veenstroompjes op verschillende niveaus.

De ligging komt in horizontale zin grotendeels overeen met de verwachting op basis van het geologisch bureauonderzoek. In verticale zin blijken de verwachte crevasses (Schaik stroomgordel) niet binnen 2 m beneden maaiveld aanwezig te zijn. Wel bevindt zich een dieper gelegen systeem binnen 5 m beneden maaiveld. Dit komt overeen met de Gorkum-Arkel stroomgordel en bijbehorende geulen. Op basis van de resultaten van dit onderzoek wordt in het plangebied in het kader van de bodemingrepen het volgende aanbevolen:

Haarweg - ontginningsas Voor de locaties Haarweg 7 en Haarweg 10, evenals voor de locaties waar bebouwing op de kadastrale minuut staat afgebeeld, wordt aanbevolen, indien bodemingrepen gaan plaats vinden, om een archeologisch onderzoek uit te voeren in de vorm van zoeksleuven. Indien dit vanwege bijvoorbeeld nog aanwezige bebouwing niet goed uitvoerbaar is, dient een booronderzoek uitgevoerd te worden. Verder wordt aanbevolen om de bebouwing op Haarweg nummer 10 te behouden (figuur 7). Indien de bestaande bebouwing gesloopt wordt voor aanvang van het archeologisch onderzoek, verdient het de aanbeveling te slopen tot aan het maaiveld totdat de gemeente een selectiebesluit heeft kunnen nemen op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Hierbij dient opgemerkt te worden dat mogelijk enkele huizen uit de 19e eeuw wellicht eerst bouwhistorisch onderzocht dienen te worden om te bepalen of ze behouden moeten worden als gebouwd monument (bijvoorbeeld de bebouwing afgebeeld op figuren 6, 8 en 9).

5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gorinchem&id=88f0ffcf-0343-47b2-ab64-aca350c31b83