211216 Concept Verslag Raadsvergadering.docx
Tekst van het document
Daar laten we ons liever niet in overrulen als gevolg van een falende overheid. En als het dan wel zo is, dan maken we er hier de mooiste van. Wij kunnen dat betoog van de burgemeester van harte onderschrijven. Tot zover de eerste termijn. Bedankt. De voorzitter: Dank u wel. Dan mevrouw Dansen. Mevrouw Dansen: Ja, zo na de heer Schefferlie; ik was er nog van aan het bijkomen, maar goed. Waar wij het eigenlijk over willen hebben is: waarom praten we hier eigenlijk nog over? Er is een aanwijzing gegeven aan de burgemeester en die is duidelijk geweest over het feit dat, zelfs al zou ze dat willen, ze niet door de rechter kan laten uitzoeken of het wel kan, dat ze de aanwijzing op gaat volgen en dat de wethouders haar daarin ondersteunen. Nou, dat is het dan hè? Want de burgemeester heeft wel aangegeven dat de opvolging pas zal plaatsvinden nadat de fracties hun duiding hebben gegeven, maar dat P - 18
ziet de SP als een wassen neus. De raad is in dezen niet, zoals hiervoor, door B&W buitenspel gezet, maar door de minister en de staatssecretaris. B&W trekken wel het onzalige voorstel voor het riviercruiseschip terug. Zo zie je maar weer dat er in elke situatie ook positieve punten te vinden zijn. Samenvattend: de raad gaat er niet meer over en ik en met mij mijn fractie zijn als mens gelukkig dat we de vluchtelingen op een fatsoenlijke wijze gaan opvangen. Daarom dienen wij de motie van GroenLinks en andere mee in. De SP staat voor gelijkwaardigheid, menselijke waardigheid en solidariteit. Als politica en als SP’er heb ik geen goed woord over voor de procedure die we hebben gezien en voor de houding van de wethouder en ben ik teleurgesteld over het statement van de burgemeester. Van de gelegenheid wil ik gebruikmaken om ook iets te zeggen over de motie van het CDA en de andere rechtse partijen, zal ik maar zeggen. De SP vindt dat we geen eindtijd aan de opvang van vluchtelingen moeten stellen. Zolang er een groot probleem is voor mensen, zolang mensen op zoek zijn naar een veilige plek, omdat ze die thuis niet meer hebben, moeten wij de ruimte kunnen geven om ze te helpen. De motie getuigt ons inziens van een kruideniersmentaliteit.
Blijkbaar vindt het CDA dat we, nu we gedwongen worden vluchtelingen op te vangen, dat zo kort mogelijk moeten doen, en we gaan er vooral voor zorgen dat dit nooit meer hoeft, door het gebouw voor iets anders te bestemmen. Ik zei zojuist al: volgens de SP hebben wij in het verleden vrij veel eigendommen van de gemeente verkocht, omdat we beleid hebben gemaakt dat zegt dat we alleen maar vastgoed willen met een doel, en dat betekent niet: eerst kopen en dan een doel bedenken. Wij vragen ons af… De voorzitter: Interruptie… Mevrouw Dansen: Ik maak mijn laatste zin af; dan ben ik klaar. De voorzitter: Helemaal goed. Mevrouw Dansen: Wij vragen ons af of het CDA deze motie ook ingediend zou hebben als het ging om voor het water gevluchte Limburgers. Wij stemmen tegen deze motie. De voorzitter: Mevrouw Van Oversteeg. Mevrouw Van Oversteeg: Voorzitter. Ik hoorde mevrouw Dansen zeggen dat het CDA wel heel erg tegen deze opvang moet zijn, dat het nooit meer mogelijk gemaakt kan worden. Dat heb ik absoluut niet gezegd. Ik heb juist aangegeven dat wij ons als stad langdurig willen inzetten, langdurig op een duurzame manier, op een manier die onze stad goed aan kan. Om dat op een haalbare, goede manier te doen, zien wij heel veel heil in kleinschalige opvang, zodat we dat voor heel lange tijd kunnen doen.
En ja, daar heb ik heel erg veel meer vertrouwen in, en met mij niet alleen mijn fractie en de mede-indieners, maar ook andere gemeenten, als je kijkt naar de handreiking die de VNG daarin doet. Dus het frame dat neergezet wordt ten aanzien van het niet voor zijn voor opvang van vluchtelingen is absoluut onjuist. Mevrouw Dansen: Daarop mag ik vast wel even reageren?
P - 19
De voorzitter: Een reactie van mevrouw Dansen. Mevrouw Dansen: Ik kan dat echt onmogelijk anders lezen, en ik ben niet de enige die het alleen maar zo kan lezen. Er kan wel gezegd worden dat men fijn iets gaat doen met kleinschalige opvang voor de vluchtelingen, maar is er ergens al een plek die u aan het verbouwen bent, of waar wat gaat gebeuren? Volgens mij niet. Als je daarop moet wachten met 25 tot 50 mensen, kun je net zo goed in Syrië blijven en neergeschoten worden. De voorzitter: Mevrouw Van Oversteeg voor de laatste keer. Mevrouw Van Oversteeg: We mogen van mening verschillen, maar elkaars woorden op die manier anders uitleggen kan ik absoluut niet rijmen. Ik herhaal nogmaals: ja, wij zijn voor een duurzame oplossing door middel van die opvang en ik heb er het volste vertrouwen in dat we daarin naar goede oplossingen kunnen werken. Nu worden we aangewezen om het op deze manier te doen, om het op korte termijn op deze manier op te lossen, ook daarin zeg ik : ja, daarin nemen wij onze verantwoordelijkheid. En voor de langere termijn kies ik voor de andere oplossing. Dat u het niet kunt rijmen, is aan u, maar dat kunt u mij niet aanwrijven. De voorzitter: Dank u wel. Dan gaan we door naar de volgende spreker, de heer Van Mourik. De heer Van Mourik: Voorzitter. In 1995 was Gorinchem al ruimhartig in de opvang van asielzoekers.
Ik hoor dat de geschiedenis regelmatig gebruikt wordt, ik denk ‘laat ik dat ook maar even doen’. Bij ons in Wijdschild streken zes jongeren neer, in afwachting van een beslissing. Het was toen ook al zo dat men gewoon in de straat, in welke omgeving dan ook, rustig de beslissing mocht afwachten. Er gebeurt natuurlijk nooit wat, maar in die eerste periode, 26 jaar geleden, kwam er een molotovcocktail tegen de pui van onze buren aan en dat is toch iets waar je niet op zit te wachten. Laat ik duidelijk zijn: deze tijd van toen was zo, maar ik kan me goed voorstellen dat de omwonenden op dat moment ook zeggen van “ja, ik vind dat gewoon niet zo prettig”. Wat hebben we nu geleerd in die periode? De landelijke overheid heeft het kennelijk gewoon niet meer in de hand. Wij vinden het jammer dat, als het dan niet zo uitkomt, mensen die niet zo enthousiast zijn als populistisch worden bestempeld. Waarom geen uitwerking van het plan in Gorinchem, hoor ik dan, als het zo op je dak valt. Alles moest al klaar staan, van school tot taalcursus. Is dat dan reëel? Nee, ik kan me voorstellen dat je zegt: nieuwe plannen, nieuwe ideeën en naar nieuwe stappen. Het water staat aan de lippen van de staatssecretaris en de minister, maar dat is dan, denk ik, een zwak argument. Aan de voorzijde is er niets tot weinig gedaan aan een beter beleid, maar dat kan zeker anders.
Een stad van tolerantie is ook op bepaalde moment ‘nee’ durven zeggen. Wat ga je bieden? Vanavond hebben we regelmatig in betogen gehoord dat mensen die in nood zitten zielig, schrijnend, zijn, en dat bestrijd ik ook niet, maar ik denk dat we alles in alle perspectieven reëel moeten terugbrengen. Als we in die 26 jaar maar de juiste stappen hadden genomen, hadden nu de staatssecretaris en de minister dit niet met een vorm van een dwangbevel op hoeven te leggen, of hoe mooi je dit ook allemaal zou kunnen formuleren. P - 20
Kijk verder naar een verder perspectief, en ‘verder’ is misschien niet eens zo ver, dat is misschien tot het eind van de zomer. Menslievendheid gaat verder dan de barmhartige Samaritaan spelen. Ik hoor dat regelmatig voorbij komen. De Samaritaan kwam overigens bij toeval bij de persoon die geholpen werd. En dan heb je de neiging om mee te buigen, omdat het zo zielig is, omdat het pijnlijk is. Is de staatssecretaris ook bereid om ondersteuning te bieden? Biedt de overheid zo mogelijk ook ondersteuning aan de omwonenden? Want dat komt toch elke keer naar voren. Of gaan we nu weer dezelfde kant op als 26 jaar geleden, dat men eigenlijk zei: ja, het is wel heel jammer, maar… De voorzitter: Mevrouw Molengraaf, interruptie. Mevrouw Molengraaf-Vullers: Ja, voorzitter, ik spitste natuurlijk mijn oren toen het over de barmhartige Samaritaan ging. Ik wil de heer Van Mourik nu toch even een tip geven. In de Bijbel is niks toevallig, de barmhartige Samaritaan kwam ook niet toevallig daar langs, dat was echt bedoeld. De voorzitter: Mevrouw Dansen, wellicht ook over dit onderwerp? Mevrouw Dansen: Nee, ik houd mij verre van Bijbelteksten. Waar ik op viel is dat wij moeten luisteren naar een raadslid dat uitmaakt hoe zielig of niet zielig vluchtelingen zijn. Laten we in ieder geval de mensen respecteren voor wat ze zijn en proberen zelf ook enige menselijkheid te betrachten.
De voorzitter: De heer Van Mourik. De heer Van Mourik: Daar kan ik natuurlijk een korte reactie op geven. Of het nou gaat om een vorm en een uiting waarvan ik eigenlijk aangeef- en dan kunt u zeggen “ja, moeten luisteren naar een raadslid”: ik ben wel volksvertegenwoordiger van de mensen in Gorinchem, u ook, en ik denk dat ik ook het recht heb om dan vervolgens enige aandacht daaraan te besteden. Nogmaals: het is schrijnend, het is vervelend, maar ik vind deze oplossing ook absoluut buitenproportioneel en ook absoluut ongehoord om dit zo door te pakken. De voorzitter: De heer Bahlmann wil ook nog interrumperen. De heer Bahlmann: Dat wil ik eigenlijk doen op de opmerking die mevrouw Dansen zojuist maakte. Ze gaf aan dat we ons moeten inleven in de vluchteling en met betrekking tot de kleinschalige opvang werd aangegeven dat de Syriër beter in Syrië kan blijven en doodgeschoten kan worden. Dat vind ik gewoon niet kunnen. Mevrouw Dansen: Daar mag ik vast wel even op reageren, voorzitter? De voorzitter: Nee, ik wil er graag zelf eventjes op reageren. Laten we elkaar niet de maat nemen op deze onderwerpen, laten we elkaar vooral goed in de waarde laten in het debat. Mevrouw Dansen: Voorzitter, ik word verkeerd geciteerd! De voorzitter: Een korte reactie.
P - 21
Mevrouw Dansen: Ik had het niet over de kleinschalige opvang toen ik zei dat je dan beter kunt blijven zitten op de nare plek waar je woont. Ik had het erover dat mensen er niet zoveel aan hebben als het allemaal zo lang duurt. Ik probeer goed te luisteren, maar ik vind het ook wel fijn als mensen goed naar mij luisteren. De heer Bahlmann: Maar, mevrouw Dansen… De voorzitter: Via de voorzitter, meneer Bahlmann! De heer Bahlmann: Sorry, voorzitter. Richting mevrouw Dansen: maar dan maakt u zo’n opmerking niet. Het is totaal respectloos om dat als voorbeeld naar voren te brengen. Mevrouw Dansen: Ik ben ook volksvertegenwoordiger en als ik vind dat ik dat moet zeggen, doe ik dat. Dank u. De voorzitter: Waarvan akte. Ik verzoek de heer Van Mourik zijn betoog te vervolgen. De heer Van Mourik: Dank u wel, voorzitter. Ik heb nog twee korte zinnen; dat scheelt dan weer. Ik wil nog iets zeggen over de burgemeester, na het punt dat ze gemaakt heeft van de week. Het gaat om levendig en humaan en leefbaar moet het dan ook zijn. Laat ik duidelijk zijn: ik buig niet mee als de druk van de landelijke overheid recidiverend terugkomt. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel. Dan de heer Oostrum. De heer Oostrum: Dank u wel, voorzitter. Ik was blij verrast met het prima statement van de burgemeester vooraf.
Ik denk dat haar primaire reactie was ingegeven omdat bij de aanwijzing het college, de gemeenteraad en de burgemeester buitenspel gezet werden en dat zij na het raadplegen van de VAR tot de conclusie gekomen is dat ze een betere reactie kon geven, en dat heeft ze vandaag uitstekend gedaan vind ik. De Partij van de Arbeid wil om te beginnen nog maar eens aangeven dat opvang van vluchtelingen een maatschappelijke en menselijke plicht is en dat Gorinchem in de afgelopen jaren al ruimschoots heeft bewezen deze opvang op een goede manier te kunnen faciliteren. Die opvang houdt niet op bij het bieden van ruimte aan een asielzoekerscentrum en de inzet van vele Gorcumers die zich als vrijwilliger inzetten om asielzoekers en statushouders te helpen. We bieden jaarlijks ook permanente huisvesting aan een 50- à 60-tal statushouders, die zich vervolgens in Gorinchem vestigen en hier verder een bestaan kunnen opbouwen. Daar ligt ook de basis voor ons amendement ‘Veilige thuisvesting’, dat we hebben ingediend bij het bespreken van de mogelijke opvang van asielzoekers in februari van dit jaar. Met het aannemen van dat amendement heeft de gemeenteraad aangegeven om in Gorinchem passende, kleinschalige opvang van asielzoekers en kansrijke statushouders te willen faciliteren. Ik ben bang dat dat bij het COA in een laadje terecht is gekomen.
Ik sla een stukje over, omdat ik niet te veel achterom wil kijken. In oktober zijn na vier weken noodopvang de vluchtelingen uit het belastingkantoor conform de afspraken door het COA verplaatst naar opvang elders. Het was ook toen al duidelijk dat de problemen
P - 22
met overvolle opvanglocaties niet waren opgelost, zoals eerder verwacht. Daarom stelt het college proactief voor… De voorzitter: De heer Van Breemen interruptie. De heer Van Breemen: Dank u wel, voorzitter. Ik hoorde de heer Oostrum zeggen dat het plan voor kleinschalige opvang waarschijnlijk ergens in een laadje van het COA terecht is gekomen. Ik heb er vanavond al meerdere fracties naar horen vragen, en omdat de heer Oostrum blijkbaar meer weet, vraag ik het nu aan hem: wat heeft het college nou precies met dat plan gedaan? Voor zover ik weet, ligt het namelijk hier ergens in het stadhuis in een laadje. De heer Oostrum: U bent iets te vroeg. Aan het eind van mijn betoog kom ik er waarschijnlijk nog even op terug, maar ik ga ervan uit dat het college met dat amendement richting COA is gegaan, dus neem ik aan dat het daar in een laadje terecht is gekomen en dat het college het wel degelijk heeft opgepakt. Ik was gebleven bij de zin: daarom stelde het college in oktober proactief voor een tijdelijke opvang op een tijdelijk riviercruiseschip te faciliteren, in afwachting van en op weg naar permanente kleinschalige opvang. Maar dat initiatief werd ingehaald door een politiek testament van de staatssecretaris: de aanwijzing.
Voorzitter, ik zei het al: wij willen vooruitkijken en wij – maar ik bedoel eigenlijk het COA – moeten ophouden met het jojoën met bestuurlijke besluiten en vooral met het jojoën met mensen. Het gaat over mensen, of het nu gaat over de vluchtelingen of over de omwonenden van het belastingkantoor. Het is nu zaak om als gemeente, maar vooral ook weer als COA, die toekomstgerichte koers uit te zetten en vast te houden. Wat de PvdA-Gorinchem betreft is dat om te blijven streven naar locaties voor kleinschalige opvang in stad en regio, niet alleen hier, maar over het hele land. Daarmee bevorderen we namelijk de uitstroom uit de grotere opvangcentra en we bevorderen vroegtijdig opvang in de uiteindelijke omgeving waar taallessen en verdere inburgering kunnen worden opgepakt. Die eerste stappen in de inburgering kunnen dan ook zo vroeg mogelijk worden gezet in de omgeving waar de statushouder uiteindelijk ook permanente huisvesting kan krijgen. Gorinchem, een gemeente met minder dan 40.000 inwoners, biedt jaarlijks permanente huisvesting aan 50 tot 60 statushouders en heeft al aangegeven die permanente kleinschalige opvang van 50 à 75 kansrijke statushouders te willen faciliteren.
Op die manier kan eerder worden begonnen met inburgering, kan sneller aansluiting worden gezocht en gevonden in de Gorcumse samenleving en we zien aan de brief van KLIK, en horen ook in de stad geluiden, dat de vrijwilligers daarvoor al klaar staan. Van daaruit wordt de statushouder na inburgering permanente huisvesting aangeboden in Gorinchem, of ten minste in de regio, in samenwerking waarmee die opvang ook wordt opgezet. Zo’n opvang is bovendien mogelijk te combineren met huisvesting voor alleenstaanden en jongeren en biedt daarom meerdere extra kansen op snelle inburgering in de Nederlandse samenleving. Voorzitter. De motie van GroenLinks, D66, CDA, SP en ChristenUnie/SGP beoogt een warm welkom voor de asielzoekers die wij ook nu weer in onze stad gaan opvangen en vraagt het college ervoor te zorgen dat diverse organisaties en vrijwilligers klaar staan om te zorgen dat die opvang goed kan verlopen. Het is een sympathieke motie en ik durf wel P - 23
te zeggen dat het college dat ongetwijfeld al van plan is geweest, maar in dit geval krijgt ook een overbodige motie onze steun . De motie van CDA, Stadsbelang en Gorcum Actief biedt weliswaar geen garanties, maar geeft in ieder geval aan dat we als gemeente de koers naar die permanente kleinschalige opvang willen vasthouden en daarmee uiteindelijk willen zorgen dat er niet telkens gejojood wordt met het belastingkantoor. Uiteindelijk willen we dan het pand overnemen, om ook de gewenste nieuwe ontwikkeling in de wijk – wij denken bij voorkeur aan woningbouw – op te pakken. We gaan er ook vanuit, maar dat wil ik dan graag van het college horen, dat inderdaad op basis van het amendement de samenwerking met het COA is opgepakt, dat die kleinschalige opvang daar daadwerkelijk is aangekaart en dat het opvangprobleem op die manier kan worden opgelost. Mijn vraag aan het college is dan ook: is die inschatting van één jaar een reële termijn? Zo ja, dan zal deze motie ook onze steun krijgen. Voorzitter. Hier wil ik het graag bij laten. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn. Ter voorbereiding van de reactie van het college schors ik thans voor tien minuten de vergadering (20.55 uur). Schorsing De voorzitter: De vergadering is heropend (21.18 uur). Het woord is in eerste termijn als eerste aan de burgemeester.
De burgemeester: Dank u wel, voorzitter. Hier staat een dankbare burgemeester. De overgrote meerderheid van de raad laat haar hart spreken. Ontheemden een veilige plek bieden, hoe mooi is dat? Op een paar onderdelen wil ik nog even ingaan. Allereerst het onderwerp media-uitingen, en dan met name ten aanzien van de aanwijzing en de inhoud. Ik merk dat daar enkele interpretatieverschillen zijn en dat wil ik graag uitleggen. In totaal heb ik één media-uiting gedaan, en wel in het eerste het beste medium dat zich meldde, de NOS. In die media-uiting heb ik eigenlijk twee dingen gedaan. Van de aanwijzing heb ik heel nadrukkelijk afstand genomen. Ik heb aangegeven dat ik daar absoluut niet blij mee ben. Ik was de eerste burgemeester die een aanwijzing kreeg, in de loop van de dagen daarna volgden meer burgemeesters en ik zie dat ik mij bij hen in goed gezelschap bevind, want ik heb geen enkel burgemeester positief horen spreken over de aanwijzing, integendeel: al mijn collega’s hebben daar afstand van genomen en aangegeven dat het instrument gewoon niet nodig was om in te zetten. Ten aanzien van de inhoud – dat was de tweede kant – heb ik richting de NOS aangegeven dat ik daarover niet het gesprek ga voeren. Daar is namelijk de raadsvergadering voor. Hier voer ik met u het gesprek over de inhoud.
Ik heb gezegd: ik neem contact op met inwoners, met maatschappelijke organisaties en ik voer het gesprek met de raad. Dat is wat ik heb gedaan en ik denk dat dat nu wel helder is. Dan de vraag ten aanzien van de raadsinformatiebrief. Ook daar constateer ik dat er verschillende interpretaties worden gehanteerd. Laat ik aangeven wat het doel was van het college met betrekking tot de raadsinformatiebrief. Het doel was context te geven voor het gesprek dat hedenavond plaatsvindt in de raad, iedereen op vlieghoogte brengen. En P - 24
ja, daar hoort ook het juridisch perspectief bij, want u mag van ons verwachten dat wij als dagelijks bestuur zaken voor u voorbereiden, en daar hoort ook bij dat je het totale speelveld schetst, dus moet je ook aangeven hoe je er juridisch voorstaat. Dat wil niet zeggen dat je daar vervolgens gebruik van maakt. Ik verwijs weer naar dat ene interview dat ik heb gehad bij de NOS: ik heb aangegeven dat het juridisch eigenlijk helemaal niet interessant is, de een zegt dit, de ander dat, maar juridisch is het helemaal niet interessant, want we moeten kijken naar de inhoud, naar het maatschappelijke vraagstuk. Maar het is wel van belang, in het kader van een goede voorbereiding voor uw raad, dat wij het voor u uitgezocht hebben. Ook daarin waren wij overigens niet de enige, want ook andere gemeenten hebben zich met hetzelfde vraagstuk beziggehouden. Op basis van die juridische informatie kunt u vervolgens hier het politieke gesprek voeren. En ja, als dan vervolgens op basis van dat ene interview andere media andere termen in de mond nemen, dat zij zo. Ik kan me daar ook wel iets bij voorstellen, dat je gaat parafraseren, want ja, om zomaar honderd procent je collega’s na te schrijven, is ook zo wat. Voorzitter, nogmaals: hier staat een dankbare burgemeester. Er is draagvlak, we gaan het samen doen. Dank u wel. De voorzitter: Dan eerst een vraag van mevrouw Molengraaf.
Mevrouw Molengraaf-Vullers: Ja, voorzitter, de burgemeester slaagt er vanavond weer in om mij in totale verwarring achter te laten, want uit haar woorden maak ik nu op dat de RIB alleen maar heeft aangegeven dat je er juridisch misschien iets van zou kunnen vinden, maar dat we dat niet gaan doen. Begrijp ik nu goed dat er geen juridische stappen genomen zijn, of genomen gaan worden? De burgemeester: Dat is juist. De voorzitter: En dan nog een interruptie van de heer Van Breemen. De heer Van Breemen: Ja, voorzitter, ik hoorde de burgemeester reflecteren op de RIB, waarbij ze zegt: wij willen graag dingen goed voorbereiden en daar hoort ook het juridisch kader bij. Ik snap dat, maar mijn kritiek op de RIB was, en ik zou het fijn vinden als de burgemeester daar ook op zou willen reflecteren, dat de RIB voor 50% bestaat uit het juridisch kader en inhoudelijk eigenlijk helemaal niets zegt, behalve: ja, we gaan maar akkoord, want het juridisch gedoe duurt allemaal te lang en daar hebben wij geen zin in. Ik had gehoopt dat het warme pleidooi dat ze in haar statement aan het begin van deze avond maakte ook in de RIB geland was, en dat heb ik heel erg gemist. Ik ben erg benieuwd hoe de burgemeester daar zelf op terugkijkt. De voorzitter: De burgemeester. De burgemeester: Dank u wel voor deze vraag, want ik ben heel blij dat ik het uit kan leggen.
Wij hebben vorige week met de fractievoorzitters bijeen gezeten en toen hebben we gezegd: met elkaar gaan we het politiek-inhoudelijke debat vanavond, hier, op deze plek, voeren. Als ik dan in de media uitgebreide verhalen ga ophangen over hoe ik erin sta, hoe ik mijn hart laat spreken, et cetera, et cetera, dan vind ik dat zelf, persoonlijk, onvoldoende recht doen aan de positie van de raad. In de RIB staan ook wel teksten als P - 25
“we moeten onze maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen”, of iets in die trant. Want u moet aan de voorkant natuurlijk wel weten waar het college voor kiest. Maar vervolgens vind ik het hier, vanavond, de plek waar ik mijn hart laat spreken, waar ik laat zien waar ik als burgemeester sta. Dat is de afweging die ik gemaakt heb. De voorzitter: Mevrouw Mager, daarna de heer Van Breemen. Mevrouw Mager: Dank voor de toelichting. De burgemeester had het over ‘humaan’ en over ‘ontheemden’, en dat klinkt natuurlijk prachtig, maar volgens mij hebben we het gewoon over opvang in het voormalige belastingkantoor, wat een heel logisch gevolg is van de omstandigheden zoals ze nu zijn, en volgens mij gaan we daar gewoon asielzoekers opvangen. Dus ja, het klinkt mooi, maar laten we ons wel gewoon bij de feiten houden. Vervolgens wil ik even reageren op de manier waarop is teruggekomen op het fractievoorzittersintermezzo, zoals ik het maar even noem, tijdens de schorsing vorige week. Ja, maar daar was toen wel even wat anders aan de hand, want die avond lag een geheel ander raadsvoorstel voor, omdat het college van zins was asielzoekers op te vangen in een boot. Dat voorstel in behandeling nemen op een avond dat we met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid wisten dat er een aanwijzing zou volgen, dáárom hebben we toen dat debat niet gevoerd.
Dat was met name de reden, om de verwarring niet compleet te maken. Dank u wel. De voorzitter: De heer Van Breemen, dan de heer Hassouna. De heer Van Breemen: Voorzitter, dank. Ik wil even reageren op wat de burgemeester zei. Ik waardeer het dat de burgemeester haar hart nu laat spreken en zegt wat zij er persoonlijk van vindt. Het is ook goed te horen dat de wethouders haar daarin steunen. Alleen, de RIB is wel het gevolg van de afspraak van vorige week dat het college met iets zou komen, en vorige week was er nog sprake van een scenariodiscussie. Ik begrijp dat het college niet én de boot én het belastingkantoor wil doen, vanuit het oogpunt van het college, maar iets van een scenarioverhaal was wel fijn geweest. Wat er nu ligt, is een raadsinformatiebrief die voor ruim de helft uit een juridisch kader bestaat en daarna nog een kwart, of een achtste, over het feit dat we de boot niet meer gaan doen. Ik mis in die RIB het humane aspect, de positieve kant, om het zomaar even te noemen, namelijk dat wij een oplossing bieden voor deze humanitaire crisis. Ik vind het gewoon jammer dat het college blijkbaar niet in staat is om dat in een RIB te vatten en dat de burgemeester dat pas vanavond hier kan doen. De voorzitter: Dank u. Nu eerst de heer Hassouna en daarna de burgemeester. De heer Hassouna: Dank u wel, voorzitter.
Dee burgemeester heeft toch echt wel iets uitgestraald wat een bepaalde negatieve stemming teweeg bracht op landelijk niveau. Met uw statement zojuist probeerde u het tegenovergestelde te beogen en nu geeft u ook aan dat u dankbaar bent, maar toch in gezelschap van andere morrende burgemeesters. Wat voor beeld wordt daarmee dan geschapen? U kunt vinden dat een aanwijzing een zwaar middel is, maar u zei ook “wij doen al heel veel, geef dan de tientallen andere gemeenten P - 26
die niets doen een aanwijzing”, en dat is toch echt een inhoudelijk argument. Wij zijn nog steeds verward door de verandering van de toon. Wanneer is deze ommezwaai gekomen? Wij hebben de RIB gisteravond tegen acht uur gekregen, dus dat moet dan snel gegaan zijn, want de toon in de RIB, een document van nog geen dag oud, is toch echt heel anders, zoals de heer Van Breemen al concludeerde. Waarom kon dat niet anders geformuleerd worden, de bestuurlijke duiding? En wat wij ook opmerken: horen wij nu een mea culpa, of niet? De voorzitter: De burgemeester. De burgemeester: Ja, voorzitter. Ik ben een vrouw uit één stuk. Dat hoor ik heel vaak. Ik kan niet op het ene moment ‘dit’ zeggen en op het andere moment ‘dat’. Volgens mij ben ik zojuist heel helder geweest. Ik heb aangegeven dat er blijkbaar bij een deel van de raad interpretatieverschillen heersen ten aanzien van mijn ene media-uiting. Ik zou degenen die zojuist het woord hebben gevoerd willen verzoeken: kijk het nog eens na. Dan zult u zien dat ik ten aanzien van de aanwijzing sterk negatief was, en daar ben ik niet de enige in. Heel bestuurlijk Nederland is op dit moment in rep en roer en is daar heel negatief over. Dat is duidelijk.
Tegelijkertijd is het ook zo dat, als we kijken naar de omvang van het vraagstuk waar wij met elkaar voor staan, je niet anders kunt zeggen-, tenminste, laat ik het bij mezelf houden, dan kan ik niet anders zeggen, als ik mijn hart laat spreken, dan: we gaan aan de slag hier in Gorinchem en we doen dat met elkaar. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel. De heer Hassouna: Voorzitter… De voorzitter: De heer Hassouna. De heer Hassouna: Ten aanzien van uw media-optreden: merken wij hier een mea culpa, of niet? De voorzitter: De burgemeester. De burgemeester: Voorzitter. Wat u zojuist heeft gehoord is een verduidelijking van mijn media-optreden. Dank u wel. De voorzitter: Dan gaan we door naar wethouder Van Doesburg, die, neem ik aan, ook zal ingaan op de moties die zijn ingediend. Wethouder Van Doesburg: Dank u wel, voorzitter. Ik zal ingaan op een aantal vragen die gesteld zijn en uiteindelijk op de twee moties die ingediend en beargumenteerd zijn. Maar eerst een opmerking van een wat meer algemene strekking, omdat toch ook veel vragen zijn gesteld over het voortraject en hoe we hier gekomen zijn. Ik grijp hierbij even terug op de woorden van mevrouw Mager, die zei dat dit een proces is waarin we steeds worden ingehaald door de werkelijkheid. Dat vind ik een hele rake typering, want dat is precies wat er aan de hand is.
Je ziet het ook aan de snelheid waarmee ontwikkelingen elkaar opvolgen en waartoe je je dan steeds bestuurlijk moet zien te verhouden. Dat is P - 27
gewoon ingewikkeld en in dat soort razendsnelle ontwikkelingen kan het niet anders dan dat je op het proces wel heel erg je best doet, maar het toch niet altijd goed doet. Dat is ook in eerdere ontmoetingen wel besproken. Ik weet ook hoe wij in het college spreken over de raad en hoe, met de oprechte intentie om het goede te doen en steeds de raad in positie te brengen, niet vanuit ons belang, maar juist vanuit het raadsbelang en het belang van de stad, daarover gesproken wordt en daar sta ik dan ook voor en achter. Door mevrouw Hamann is concreet de vraag gesteld of er gesprekken zijn gevoerd op grond van artikel 4.4 van de bestuursovereenkomst over de vierwekenopvang. Er zijn heel veel gesprekken gevoerd met het COA, zowel op provinciaal als op regionaal en lokaal niveau. Ook ambtelijk zijn allerlei pogingen ondernomen om ook dit element aan te halen, maar u moet ook de positie begrijpen, en daar proberen wij ook heel veel begrip voor te hebben, waar het COA in zit. Niet alleen zijn daar heel veel personele wisselingen en is de werkdruk extreem hoog, ook zij worden steeds door de werkelijkheid ingehaald en dan zie je gewoon dat dit soort gesprekken naar de achtergrond verdwijnt. Niettemin blijven wij er zowel ambtelijk als bestuurlijk steeds op hameren dat wij echt over die kleinschaligheid willen spreken. Dat zie ik overigens ook door allerlei andere gemeenten gebeuren.
En dat is ook iets wat gezegd moet worden: als je alleen maar kijkt naar de vraagkant van dit maatschappelijke probleem, zou je makkelijk tot de conclusie kunnen komen dat het logisch is dat het overal uit de hand loopt, want de instroom neemt heel snel toe. Maar er is ook nog een aanbodkant, daar hebben wij ook zicht op, en dan zie je dat heel veel gemeenten van alles uit de kast proberen te halen om kleinschaligheid vorm te geven. En waarom kiezen zij voor kleinschaligheid? Niet omdat het ze wel lekker uitkomt, nee: omdat ze er een dubbele kwaliteit in zien. Met kleinschaligheid kun je je beter tot de proportionaliteit van je stad verhouden, maar je kunt ook meer kwaliteit bieden als het gaat om die kleinschaligheid, kwaliteit als het gaat om bijvoorbeeld onderwijs, dagbesteding en het vervolgproces: instromen als je een status hebt gekregen in de regio waar je gehuisvest bent. Dat is de inzet van de lokale politiek. Het lukt het COA nog niet om daarin mee te schakelen. Door mevrouw Molengraaf is gevraagd: hoe zit dat nou?, want Vijfheerenlanden krijgt het wel voor elkaar. Nee, die krijgt het niet voor elkaar, die kiest voor iets anders. Waar we in Gorinchem nadrukkelijk kiezen voor ook het opvangen van vluchtelingen, kiest men daar in Vijfheerenlanden niet voor, maar kiest men voor het huisvesten van statushouders.
Ook dat is toe te juichen, en Vijfheerenlanden verdient daarvoor een compliment, want dat is nogal wat. Als het gaat over statushouders, is kleinschaligheid wel mogelijk en wel bespreekbaar, wordt het zelfs zwaar gesubsidieerd door BZK, en dat begrijp ik ook wel, want de kosten die gemoeid zijn met het huisvesten van statushouders landen uiteindelijk wel in de lokale begroting van zo’n gemeente, en dat is niet mis. 50 extra statushouders is een enorme aanslag op uitkeringen en dat soort zaken. De voorzitter: Een interruptie van mevrouw Molengraaf. Mevrouw Molengraaf-Vullers: Dank u wel, voorzitter. Ik begrijp het antwoord van de wethouder, hoewel het voor mij meer een retorische vraag was. Het ging mij meer om het voorbeeld. In mijn betoog heb ik geprobeerd duidelijk te maken dat Gorinchem naar mijn mening veel te laat van alles en nog wat doet en in die zin wordt ingehaald door de werkelijkheid, want dat had niet gehoeven. Vijfheerenlanden heeft gewoon heel slim P - 28
ingespeeld op een aantal dingen en eerlijk gezegd heb ik dat bij Gorinchem gemist. Dat was eigenlijk het punt dat ik wilde maken. Wethouder Van Doesburg: Dat punt deel ik absoluut niet. Er zijn, zoals ik zojuist ook heb gezegd, heel veel inspanningen gepleegd. Alleen voor het vormgeven van de opvang van statushouders zijn mogelijkheden, voor het vormgeven van vluchtelingenopvang niet. Uiteindelijk hebben wij er wel voor gekozen iets te doen, we zijn namelijk met het voorstel voor die boot gekomen, ook gebaseerd op het gevoelen dat wij in de raad hebben waargenomen dat men iets wil doen als Gorinchem. We zijn dan ook snel met een voorstel gekomen. Door de heer Oostrum werd gevraagd of de inschatting juist is dat een jaar voldoende zou zijn om te komen tot het vormgeven van alternatieven. Die vraag snap ik, want die staat natuurlijk ook in relatie tot de motie van het CDA. Onze inschatting is dat dat zeker moet lukken. De fractie Van Mourik vroeg hoe het zit met de ondersteuning van de omwonenden. Op dit moment bestaan daarvoor geen regelingen bij het Rijk, of het COA. Er zijn alleen standaardregelingen voor de ambtelijke inzet en de vergoedingen die daar tegenover staan. Er zijn geen extra financiële mogelijkheden om bijvoorbeeld iets voor omwonenden te doen.
Gekoppeld hieraan heeft Democraten Gorinchem een vraag gesteld over geluidsoverlast: ga met de inwoners in gesprek, en ook met het COA, over wat daar gedaan kan worden om het tot een minimum te beperken. Dat is een oproep waaraan we zeker gevolg zullen geven. De voorzitter: Een interruptie van de heer Van Mourik. De heer Van Mourik: Het is meer een vraag eigenlijk. De vorige keer heb ik ten aanzien van de omwonenden gevraagd of die geïnformeerd zouden worden. De wethouder heeft dat inmiddels gedaan bij onder andere de VVE, en daar ben ik hem zeer dankbaar voor. Maar nu gaat het even over de omwonenden. Het is geen blijde boodschap die je dan moet brengen. Met name mevrouw Mosselman heeft daar een brief over geschreven waar geen woord Spaans in staat. Wordt daar nog de nodige aandacht aan besteed? De voorzitter: Een verduidelijkingsvraag aan de heer Van Doesburg. Wethouder Van Doesburg: Een hele goeie en terechte vraag, want die bewoners maken zich al heel lang zorgen en zijn ook al heel lang mee in gesprek. Ik ben ook blij met de manier waarop zij het gesprek met ons kiezen en de nuance die zij steeds zoeken in het gesprek met ons.
Zo hebben zij zich ook heel schappelijk opgesteld toen wij terugkwamen op een eerder genomen besluit met de vraag: wij zijn van plan dit voor vier weken te gaan doen en hoe kijken jullie daarnaar? Toen kwam er ook vanuit de omwonenden een heel schappelijke reactie en daar zijn wij hen dankbaar voor. Wij zullen opnieuw met hen het goede gesprek blijven voeren en hen ook meenemen in de mogelijke uitvoering van moties die nu op het plan staan, en daar wil ik het nu over hebben. De eerste motie gaat over een warm welkom. Je zou kunnen zeggen dat we daar al mee bezig zijn, dus die aanmoediging hebben we niet per se nodig. Tegelijkertijd vinden we de aanmoediging mooi, want ‘een warm welkom’ zijn ook de woorden die de P - 29
burgemeester koos en zoals gezegd staan wij daar als college achter. Alleen dat is al reden om deze motie te omarmen, zij het dat ik het wat ver vind gaan om ook een plan van uitvoering te overleggen, zoals ook wordt gevraagd, want dat is echt uitvoering, die bij ons zou moeten blijven. Ik hoop dat u het voldoende vindt dat wij zeggen dat wij de motie omarmen. Dat wij daar ook blijk van geven moge blijken uit het feit dat wij vandaag met de ISK hebben gesproken over de manier waarop goed onderwijs geregeld kan worden voor de mensen die gaan komen, en ook met het bestuur van het primair onderwijs heb ik al gesprekken gevoerd over de rol die zij kunnen pakken als het gaat over de inrichting van primair onderwijs voor deze groep. De voorzitter: De heer Van Breemen. De heer Van Breemen: Ja, voorzitter, dank. Ik snap wat de wethouder zegt over uitvoering. Die laat ik met alle liefde aan het college over, want ik wil niet op de stoel van ambtenaren of het college gaan zitten. Wat ik echter wel vraag, en dat vind ik wel belangrijk, is om ons mee te nemen in die maatregelen.
U hoeft niet over alles met ons te overleggen, of alles voor te leggen, maar wij vragen u wel ons te informeren, want wij zijn volksvertegenwoordigers, wij krijgen vragen en ik vind het heel vervelend te moeten zeggen “ja, de wethouder zegt dat het geregeld is, maar ik heb geen idee hoe het precies met het onderwijs geregeld is”. Daarom verzoek ik u de raad daarover te informeren. De voorzitter: De wethouder. Wethouder Van Doesburg: Dank voor die verduidelijking. Ik snap het ook, want er speelt het nodig en het is geen sinecure om het onderwijs te regelen voor deze groep. Ik neem u daar graag in mee, ook in de moeilijkheden waar we wellicht tegen aanlopen en waarvoor we mogelijk ook de hulp van de raad nodig hebben. Daarmee adviseer ik ook positief over deze motie. De strekking van de motie van het CDA over herstel van vertrouwen begrijp ik heel goed, want wat de inwoners het meest bezwaart is dat er geen zicht is op hoe lang dit nu weer gaat duren. Eerder memoreerde ik de schappelijke reactie op de tijdelijkheid van vier weken. Dat nood wet breekt en dat soort principes begrijpt men heel goed, maar men vindt ook dat men recht heeft op de eigen woonkwaliteit en om dat te verdedigen zonder direct te worden weggezet als intolerant. Voor hen is het heel erg helpend als er zicht is op een eindtijd.
Het idee dat in de motie wordt gepresenteerd dat, als je het pand zou aankopen, je echt de regie in eigen hand hebt, vind ik slim. Een moeilijkheid daarbij is wel dat je zou moeten afwijken van vigerend beleid, maar als de raad daarvoor kiest en het met een motie bekrachtigt, kan dat dat natuurlijk gewoon. Het argument om dat te doen vind ik sterk, omdat ik ervan overtuigd ben dat het op termijn heel veel rust in die wijk kan brengen, en dus ook herstel van vertrouwen, wat belangrijk is. Dus ook over die motie adviseer ik positief. De voorzitter: Interruptie mevrouw Mager. Mevrouw Mager: Dank u wel, voorzitter. Hoor ik de wethouder nou zeggen dat het alleen maar mogelijk is een termijn te stellen als je daarna het gebouw koopt? Je kunt toch sowieso een termijn stellen, of ben ik dan te optimistisch? P - 30
De voorzitter: De wethouder. Wethouder Van Doesburg: Dat kan sowieso, ja, maar de werkelijkheid verandert steeds en dan moet ook het COA schoorvoetend terugkomen op eerdere uitspraken over bepaalde termijnen waarvan niet zou worden afgeweken, omdat andere alternatieven gewoon tegenvallen: het wordt niet geregeld en die onzekerheid blijft dan boven de markt hangen. Je kunt dan wel de bestemming gaan wijzigen, maar dat is niet voldoende, want er is nu al een andere bestemming waarvan moet worden afgeweken. Van bestemmingen valt dus altijd af te wijken. Je krijgt pas echt de regie als je het pand zelf zou verwerven. Mevrouw Mager: Graag een reactie, voorzitter. De voorzitter: Ja, mevrouw Mager. Mevrouw Mager: Ik snap wat de wethouder zegt, maar ziet hij dan niet over het hoofd dat het gebouw eigendom is van het COA? Dus zij gaan het gebouw verkopen omdat dan zeker is dat de termijn stopt, maar ze gaan niet een termijn stellen zonder het gebouw te verkopen? Ik vind dat een heel bijzondere gedachtegang en kan me niet voorstellen dat het COA onder die voorwaarden een gebouw gaat verkopen. De voorzitter: De wethouder en daarna de heer Van Breemen. Wethouder Van Doesburg: Ja, het is hun eigendom en daarom moet je juist ook met hen daar een afspraak over maken.
Als je met twee partijen tot die afspraak komt, lijkt me dat heel goed en treed je in die zin ook helemaal niet in eigendomsrecht. Ik denk dat het COA ontvankelijk is voor zo’n afspraak, omdat het ook ziet wat Gorinchem allemaal doet, ons dankbaar is voor de inspanning die we gepleegd hebben en echt wel mee wil denken. De voorzitter: De heer Van Breemen en daarna mevrouw Molengraaf. De heer Van Breemen: Ja, voorzitter, dank. Ik hoor de wethouder zeggen dat het niet eerlijk is als de omwonenden weggezet worden als intolerant. Dat deel ik met hem, maar tegelijkertijd vind ik het niet eerlijk dat de wethouder de suggestie wekt alsof er onrust zou zijn in de wijk. Er is een aantal omwonenden, van wie mevrouw Mosselman de woordvoerder is, die pleiten voor hun woongenot, laat ik het zo maar zeggen, maar het is niet zo dat de hele wijk op de achterste benen staat. Er zijn ook zeer veel Gildenwijkers die het helemaal prima vinden. Ik zou het fijn vinden als de wethouder niet meedoet aan die framing van een aantal inwoners dat de hele wijk tegen is, want dat is niet zo. De voorzitter: Mevrouw Molengraaf, en dan mevrouw Dansen. Wethouder Van Doesburg: Ja, voorzitterMevrouw Molengraaf-Vullers: Geeft u eerst de wethouder de kans, of…? De voorzitter: Wilt u reageren op hetzelfde punt? Jullie reageerden alle drie tegelijkertijd, vandaar dat ik eerst ruimte wilde geven voor de interrupties.
P - 31
Mevrouw Molengraaf-Vullers: De heer Van Breemen sneed weer een ander punt aan, ik had nog even willen reageren op de verkoop van het pand. De voorzitter: Dan geef ik eerst de wethouder de gelegenheid te reageren op de inbreng van de heer Van Breemen. Wethouder Van Doesburg: Dank u wel, voorzitter. De heer Van Breemen en ik zijn het eens. Ik heb het ook absoluut niet over de hele wijk gehad, ik heb steeds heel specifiek over de omwonenden gesproken, en dat is een kleine groep. Ik geloof ook, en dat horen wij ook, dat er veel draagvlak in de wijk is om dit wel te doen, dat wil ik ook hardop zeggen. Maar deze minderheid, die heel direct belanghebbende is, heeft ook een stem, en dat belang hebben we meegewogen De voorzitter: Dan nu wel mevrouw Molengraaf. Mevrouw Molengraaf-Vullers: Voorzitter. Ik ben een beetje verbaasd over het optimisme van de wethouder als het gaat om de bereidheid van het COA om te gaan verkopen aan het einde van de termijn. Ik ben daar verbaasd over, omdat deze oproep ook in een eerder debat gedaan is, toen het ging over de termijn van vier weken, en dat is ook niet gelukt. Ik schat zomaar in dat het COA redeneert: wacht eens even, we hebben hier een goed pand, waar we snel en makkelijk kwijt mensen in kwijt kunnen, voorlopig gaan we dat helemaal niet verkopen. Ik ben dus niet zo optimistisch als de wethouder.
We kunnen er wel een motie over aannemen, maar we gaan er gewoon niet over. De voorzitter: De wethouder. Wethouder Van Doesburg: We gaan niet over het verkoopbeleid van het COA, maar wel over het beleid van de gemeente en de inspanningen die wij onszelf wel en niet kunnen meegeven. Wij hebben wel de nodige ijzers in het vuur om die onderhandelingen met het COA te kunnen aangaan. In de eerste plaats weet ik dat ze ontvankelijk zijn om het gesprek met ons te voeren, want ze zijn Gorinchem dankbaar voor veel zaken die wij goed regelen. Om maar wat te noemen: het doorplaatsen van statushouders doen wij als enige in Nederland wel op tijd, en meer dan honderd procent. Voorts zijn ze echt afhankelijk van het verlenen van afwijkingen van het bestemmingsplan die wij wel of niet doen. Dus ook daar hebben wij een positie. De voorzitter: Mevrouw Mager wil een verduidelijking op dit punt? Mevrouw Mager: Ja, dank u wel. Als ik het nu goed begrijp, gaan wij alleen maar een termijn stellen, met daarbij de onlosmakelijke voorwaarde van de belofte van koop, of gaan we sowieso een termijn stellen? Wethouder Van Doesburg: De strekking van de motie is om een termijn te stellen, namelijk een halfjaar, te verlengen met een jaar, of direct een jaar, dat weet ik niet precies, en vervolgens op te roepen om het gesprek over de verkoop door het COA en de aankoop door de gemeente te voeren.
Mevrouw Mager: Oké, dan is het mij duidelijk.
P - 32
De voorzitter: Dan nu mevrouw Dansen. Mevrouw Dansen: Gelukkig wist ik nog wat ik wilde vragen! Ten aanzien van de verkoop van het pand ben ik het helemaal eens met mevrouw Molengraaf. Maar wij vragen ons ook af waar we dat dan van gaan betalen. Volgens mij staat er namelijk een behoorlijk bedrag tegenover en wat gaan we dan doén met het pand? Ik heb al eerder gerefereerd aan beleid dat we op dat gebied hebben en ik vind het een beetje een gekke toestand. De voorzitter: De wethouder. Wethouder Van Doesburg: Dank u wel, voorzitter. Ja, dat is een terechte vraag. Het is inderdaad geen klein bedrag. Volgens mij is het voor ongeveer 2 miljoen euro aangekocht door het COA. Hoe je daar vervolgens mee omgaat, is een kwestie van uitwerking. De intentie zal vervolgens niet zijn om dat zelf te gaan ontwikkelen als gemeente, maar om het gewoon door te verkopen. Gelet op de huidige markt, zou je kunnen veronderstellen dat daar weinig risico’s aan verbonden zijn. De voorzitter: Mevrouw Dansen, een korte reactie. Mevrouw Dansen: Het pand heeft heel lang te koop gestaan. Het is niet mogelijk gebleken het te verkopen totdat het COA kwam. Dus ik zou er niet optimistisch over zijn als ik u was. De voorzitter: De heer Bahlmann nog een vraag aan de wethouder. De heer Bahlmann: Dank u wel, voorzitter.
In mijn eerste termijn heb ik de wethouder gevraagd wat de status is van het amendement ‘Gorinchem, veilige thuisvesting’, of er inmiddels locaties zijn en of men voldoende ondersteuning krijgt van het COA. Daarop is volgens mij nog geen antwoord gegeven door de wethouder. Wethouder Van Doesburg: Een deel heb ik wel beantwoord in reactie op de vraag van mevrouw Molengraaf. En voldoende ondersteuning vanuit het COA: nee dus, maar tegelijk zeg ik daarbij dat ik daarvoor begrip heb vanwege de omstandigheid waarin we zitten en dat ook zij steeds door de werkelijkheid ingehaald worden. Maar ik ben inderdaad vergeten te zeggen of er concrete locaties zijn. Door ons is een vier- of vijftal locaties – ik weet het niet precies – aangedragen bij het COA. Het COA heeft een eerste scan daarvan gedaan, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het lang duurt voordat zo’n scan uitgevoerd is en als zo’n scan uitgevoerd is duurt het ook weer lang voordat er allerlei vervolgvragen op komen. Daar zit gewoon veel te weinig schot in, maar we drukken er hard op. Dat is de status. De heer Bahlmann: En wat zou u dan nodig hebben van het COA? Wethouder Van Doesburg: Nou, gewoon echt inzet, ambtelijke capaciteit, toestemming ook voor het mogelijk maken van kleinschalige opvang, want voorlopig vindt het COA een aantal van 200 kleinschalig, en dat is net even een ander beeld dan wij hebben gezegd.
P - 33
De voorzitter: Dank u wel. Daarmee komt een einde aan de eerste termijn. Ik heb de indruk gekregen dat er ook behoefte is aan een tweede termijn. Daarbij verzoek ik u ervoor te zorgen dat u niet in herhalingen vervalt. Het woord is aan mevrouw Van Oversteeg. Mevrouw Van Oversteeg: Voorzitter, dank u wel. In reactie op de bijdragen in eerste termijn en ook de bijdragen van de burgemeester en de wethouder, hecht ik eraan te benadrukken dat wij zien dat een aanwijzing een heel zwaar middel is. Daarom waardeer ik de wijze waarop duiding is gegeven en de wijze waarop we nu het gesprek voeren over hoe wij ons als lokale overheid daarin verhouden. Dat vind ik nog wel even het benoemen waard. Ten aanzien van de inhoud, over de opvang, heb ik me, denk ik, voldoende uitgelaten. Ten slotte de reactie van de wethouder op de motie die we hebben ingediend en de wijze waarop dat ook geduid wordt in relatie tot de termijn. Ik hecht eraan om nog even toe te lichten op welke wijze we dat bedoelen, ook in aansluiting op het feit dat de aanwijzing een heel zwaar middel is.
Het verbinden daaraan van een termijn van een jaar geeft niet alleen duidelijkheid, maar ook een wat ruimere termijn dan waarop de aanwijzing ziet – een halfjaar –, om daarmee, zoals de wethouder aangaf, een ijzer in het vuur te hebben, dus om voor maximaal een jaar in deze opvang te voorzien en vervolgens die koop te bewerkstelligen. Is het één afhankelijk van het ander? Kijk, ik vind het een logische volgorde van zaken en ik vind het nog wel even belangrijk om te vermelden op welke wijze we die opbouw zien, zodat dat op die wijze in de gesprekken met het COA kan worden vormgegeven. De voorzitter: Mevrouw Mager, interruptie. Mevrouw Mager: Sorry dat ik zo blijf doorvragen, maar het is mij nog altijd heel erg onduidelijk. Ik zie het zo voor me: dadelijk zitten daar 300 asielzoekers in het gebouw, het COA heeft gezegd ‘minimaal een halfjaar’, dus dat zou dan een jaar kunnen zijn, twee jaar, drie jaar, en in de motie wordt gesteld ‘ja, COA, dan mogen jullie een jaar blijven en een heel leuk toetje: daarna kopen wij van jullie het gebouw, daar gaan jullie toch zeker wel mee akkoord?’ Moet ik me dat op die manier voorstellen, of zit ik er dan helemaal naast? De voorzitter: Mevrouw Van Oversteeg, om dit nog een keer toe te lichten. Mevrouw Van Oversteeg: Nou, voorzitter, allereerst: het gaat om maximaal een jaar.
Dus als het COA na een halfjaar zegt dat deze nood verdwenen is, dan hoeft het wat ons betreft natuurlijk niet een jaar te durenMevrouw Mager: Maar dat gelooft u toch zelf niet? Mevrouw Van Oversteeg: Nee, exact, om die reden hebben we een maximum van één jaar genoemd, omdat we met z’n allen al kunnen voorzien dat die maatschappelijke druk het komende halfjaar niet zal zijn opgeheven. Om die reden zetten we dit ultieme middel in. Dus nogmaals: nee, dat is niet lichtzinnig, dat doen we ook niet zomaar, en dat doen we op deze manier. Maar is er een kortere termijn nodig? Ja.
P - 34
Mevrouw Mager: VoorzitterDe voorzitter: Mevrouw Mager, nog één keer op dit punt. Mevrouw Mager: Mevrouw Van Oversteeg geeft geen antwoord op mijn vraag. Op het moment dat de termijn om wat voor reden dan ook als eindig wordt beschouwd – een halfjaar, zeven maanden, acht maanden, et cetera, in ieder geval méér dan een halfjaar, en, zoals de motie stelt: na maximaal een jaar –, willen we het pand van het COA kopen. Is dat dan de worst die het COA wordt voorgehouden en waarbij u ervan uitgaat dat ze gaat happen? De voorzitter: Ik wil mevrouw Van Oversteeg nog één keer de gelegenheid geven om hierop te antwoorden. Mevrouw Van Oversteeg: Dit is inderdaad de voorwaarde die we met het COA willen bespreken: dat na afloop van deze acute noodopvang het belastingkantoor daarvoor niet meer wordt aangewend. Mevrouw Mager: Dus de termijn wordt inderdaad verbonden aan de koop? Oké. De voorzitter: Daarmee is dit punt gemaakt en volgens mij was dat ook het einde van de termijn van mevrouw Van Oversteeg. Dan wil ik het woord geven aan de heer Van Breemen. De heer Van Breemen: Voorzitter, dank. Laat ik beginnen bij de motie van het CDA. Daar zullen wij niet voor stemmen. Allereerst worden wij daarin vastgelegd op een jaar.
Een ezel stoot zich in ’t gemeen niet twee keer aan dezelfde steen, maar met deze motie doen we dat wel, want wederom beloven we daarmee iets wat we helemaal niet waar kunnen maken. Dus dat lijkt me geen verstandig plan. Als het COA zegt “nou, hartstikke leuk, maar we doen het twee jaar, of drie jaar”, dan kán het COA dat gewoon met deze aanwijzing. Volgens mij wekken we hier echt verkeerde verwachtingen mee. En het tweede punt, het is al vaker gezegd vanavond: wij gaan niet over de vastgoedportefeuille van het COA en daarmee roepen wij het college op om iets te gaan kopen wat helemaal niet te koop staat, en dat is in mijn ogen het college op pad sturen met een onmogelijke opdracht. Bovendien biedt het verkopen van het pand niet de garantie dat het COA, of de minister, of de staatssecretaris, niet nog een keer een aanwijzing kan doen, maar dan zal het in een evenementenhal of een sporthal zijn, en daar zitten we volgens mij ook niet op te wachten. Ook daarmee wek je dus volgens mij niet de juiste verwachtingen. Ik kan echter rekenen en ik zie een meerderheid opdoemen voor deze motie, daarom heb ik nog een vraag. Tijdens een presentatie over een nieuw soort woningcorporatie heb ik de heer Biemans horen zeggen dat hij dat pand wel zou willen kopen. Wellicht kan de gemeente daarin als tussenpersoon functioneren. Dan, voorzitter, nog even over deze avond.
Laat ik zeggen dat ik blij ben dat de raad en de burgemeester vanavond een ander geluid laten horen dan in de pers is getoond. Ik begrijp dat de burgemeester een onderscheid maakt tussen het proces en de inhoud. Mij wordt dat door een bepaalde wethouder wel eens verweten, maar soit. Maar ik vind het echt jammer – en het argument dat alle burgemeesters het doen vind ik echt geen hout snijden – dat de burgemeester in haar publieke uitingen niet de verbindende en, zeg maar, P - 35
sociale kant heeft laten zien. De burgemeester zegt zelf dat ze een vrouw is uit één stuk. Zo ken ik haar ook en des te meer valt het me tegen dat maar een deel van dat ene stuk getoond is in de uitingen in de pers. Dat had wat mij betreft anders gekund. Verder is niet heel veel ingegaan op de boot, en dat snap ik wel, want het was ook niet zo’n heel charmant proces, dus laten we dat maar gauw vergeten. Ik hoop dat een andere gemeente de boot, die volgens mij klaar ligt in een haven, zal overnemen, zodat daar alsnog 150 vluchtelingen gehuisvest kunnen worden. Ik ben blij dat het college in ieder geval onze motie ondersteunt, want het is belangrijk dat we dit goed gaan regelen met elkaar qua opvang, qua onderwijs, qua dagbesteding en qua sociale veiligheid voor zowel de asielzoekers als de omwonenden. Dank daarvoor. Daarmee beëindig ik mijn termijn, voorzitter. De voorzitter: Bedankt. Dan door naar mevrouw Hamann. Mevrouw Hamann: Dank u wel, voorzitter, en ik dank de wethouder en de burgemeester voor de beantwoording. Wij hadden niet zo’n groot probleem met de raadsinformatiebrief. De juridische uitleg vond ik best interessant, want nu weten we dat die aanwijzing eigenlijk niet helemaal rechtsgeldig is en dat de staatssecretaris een binnenbochtje neemt. Dat vinden we goed om te weten, al doen we er verder niets mee. Verder lezen we dat gelukkig die boot niet doorgaat.
Wij vonden dat niet zo’n goed plan aan de Handelskade, maar daarover hoeven we nu niet meer te beslissen. Wellicht kan ze ergens anders een betere plek vinden. Wij vinden het ook geen moment voor een jubelend halleluja op dit ogenblik. We zijn een gemeente die de regie volledig kwijt is geraakt. Er wordt gejojood met een kantoor, mar ook, veel erger: met mensen, met vluchtelingen, met omwonenden, met ons. Dat gejojo zijn we echt helemaal zat. Wij steunen daarom de motie om na maximaal een jaar dat kantoor te gaan herbestemmen en anders in te richten. In geval van nood moet de gemeente het misschien zelf aanschaffen, maar ik vind de suggestie van de heer Van Breemen om daarvoor de heer Biemans te vragen een hele goede. In elk geval hopen wij op een herontwikkeling naar betaalbare woningen voor kleine huishoudens. Nood breekt wetten in dit geval, vinden wij. We hoorden net van de wethouder dat het pand destijds 2 miljoen euro heeft gekost. In de huidige woningmarkt ligt een dergelijk bedrag heel anders dan in de tijd dat het door het COA werd aangeschaft. Toen heeft het inderdaad lang te koop gestaan, maar dat zal nu hopelijk niet het geval zijn. Met alleen gegoochel met een bestemmingsplan krijg je die bestemming daar nooit anders, dat gaat gewoon helemaal niet lukken.
Verder zijn wij heel gecharmeerd van de actie van Vijfheerenlanden voor de woningen voor statushouders met subsidie. Je kunt daar natuurlijk wel voor kiezen en ook voor kleinschalige opvang. Het één sluit het ander helemaal niet uit, maar we zijn wel voor meer duurzame oplossingen en niet voor gejojo. Op de motie voor de aankoop en herontwikkeling van het kantoorgebouw heb ik al gereageerd. Met de motie van GroenLinks zullen wij ook instemmen. Het is heel vanzelfsprekend wat er staat, eigenlijk een open deur, dus hoe kun je daar tegen zijn? Tot zover onze reactie. De voorzitter: Dank u wel. Dan de heer Hassouna. De heer Hassouna: Zou de vergadering even geschorst kunnen worden, voorzitter? P - 36
De voorzitter: Ik stel voor eerst de tweede termijn af te ronden. Als u liever op een later moment het woord voert, zal ik eerst de heer Bahlmann het woord geven, en dan kunnen we aan het eind van de tweede termijn even schorsen. De heer Hassouna: Akkoord. Mevrouw Molengraaf-Vullers: Voorzitter, ik vind dit eigenlijk wel een beetje vreemd. Als het college om een schorsing vraagt, krijgt het die meteen, als een raadslid erom vraagt niet, terwijl ik toch aanneem dat de heer Hassouna die niet voor Piet Snot vraagt. Een beetje vreemd dat we dan niet even kunnen schorsen. De voorzitter: Ik stelde voor het op een andere manier te doen en daar stemde hij mee in, maar als er behoefte bestaat aan een schorsing, kan dat natuurlijk altijd. De heer Hassouna: Dan geef ik er toch de voorkeur aan om de vergadering nú even vijf minuten te schorsen. De voorzitter: Goed, dan schors ik de vergadering (22.06 uur). Schorsing De voorzitter: Ik heropen de vergadering (22.22 uur). Het woord is aan de heer Hassouna. De heer Hassouna: Dank u wel, voorzitter. Eerst wil ik nog even ingaan op motie M1, die wij echt voor de bühne vinden. Eerder gaf mevrouw Molengraaf al aan dat de strekking van de motie hetzelfde is als die van het eerder aangenomen amendement, waarin het college wordt aangespoord om in gesprek te gaan met het COA over verkoop van het pand.
Als we het dan toch over vertrouwen hebben: blijkbaar heeft u er heel weinig vertrouwen in dat het college het COA kan overtuigen en wilt u het nu als voorwaarde stellen in de gesprekken met de staatssecretaris en het COA, in plaats van een verzoek. Afgezien van de vraag of het überhaupt mogelijk is achteraf een voorwaarde te stellen aan de aanwijzing – dat lijkt ons niet –, beoogt de motie toch een beperking, en dat voedt het wantrouwen. Een pand dat niet te koop staat kun je niet kopen. Zo blijft het beeld dat u een signaal wilt afgeven aan enkelingen over de rug van kwetsbare mensen na een jaar in onze stad van tolerantie en dan koers je af op dezelfde crisis, net als de vorige keer, waarin we beperkingen inbouwden. De motie lijkt me niet uitvoerbaar. Het is politiek sensitief niet handig en het is gewoon niet aan de orde. De voorzitter: Een interruptie van mevrouw Van Oversteeg. Mevrouw Van Oversteeg: Ik raad de heer Hassouna aan om de vorige motie te lezen die wij mede hebben ingediend in oktober dit jaar, want die ging niet over zelf verwerven, maar juist om de herontwikkeling in gang te zetten en het COA ertoe te bewegen aan een andere partij te verkopen. Wat dat betreft zien we dat de crisis ons nu inhaalt en omdat we daar onvoldoende bescherming van verwachten, stellen we nu een zwaarder middel voor. De voorzitter: De heer Hassouna.
P - 37
De heer Hassouna: Van het pand zelf aankopen mag u het uwe vinden, wij zijn het daar ook niet mee eens. Dan het volgende, en dat betreft de burgemeester. Het gaat D66 er niet om te proberen de burgemeester te vangen op woorden, maar wat wij wel betreuren in de reactie van de burgemeester is het uitblijven van een reflectie. Vanaf het eerste moment na het NOSoptreden was het beeld dat de burgemeester schetste duidelijk: Gorinchem wil niet. Dat beeld had de burgemeester wat ons betreft meteen moeten rechtzetten, maar daar heeft ze tot vanavond mee gewacht en wij begrijpen eerlijk gezegd niet waarom. Wij vragen u oprecht om te reflecteren in uw tweede termijn op uw uitlatingen en ook op de kritische beschouwingen, ook van andere partijen. Als die reflectie uitblijft, overwegen meerdere partijen een motie van treurnis. Eventueel hebben wij na de tweede termijn van de burgemeester daarom nog behoefte aan een schorsing. Dank u wel, voorzitter. De voorzitter: Dank u wel. Dan gaan we door naar de heer Bahlmann. De heer Bahlmann: Dank u wel, voorzitter. Allereerst dank voor de beantwoording van het college. Op de moties heb ik in eerste termijn reeds gereageerd. Voor het overige heb ik weinig toe te voegen. Het enige wat wij willen meegeven is: laten we de nieuwe Gorcumers een warm welkom geven en laten we vanaf nu niet meer óver, maar mét hen praten. Dank u wel, voorzitter.