211104 Concept Verslag Raadsvergadering.docx
Tekst van het document
In het werkcafé staat een buffet klaar en met uitzondering van zaal 7 kunt u overal gaan zitten. Vriendelijk verzoek van Facilitaire Zaken is of u bord met bestek wel terug wilt brengen naar het werkcafé. Ik schors de vergadering (17.02 uur). Schorsing De voorzitter: De vergadering is heropend (18.35 uur). Na de algemene beschouwingen van de fracties in eerste termijn is thans het college aan bod voor een reactie daarop. Ik heb de collegeleden gevraagd niet punt voor punt op de beschouwingen in te gaan, want dat gaan we nooit redden in één uur, maar de vragen gebundeld te beantwoorden. Mocht
L - 35
u toch het antwoord op een essentiële vraag missen, dan kunt u de wethouder aan het einde van zijn beantwoording interrumperen, maar u kunt er natuurlijk ook in tweede termijn op terugkomen. Reactie van het college op de algemene beschouwingen. De voorzitter: Het woord is allereerst aan de wethouder voor financiën, de heer Van Santen. Wethouder Van Zanten
Wethouder Van Zanten: Dank u wel, voorzitter. Voordat ik ga starten, wil ik opmerken dat het college met trots deze mooie begroting 2022-2025 aan de raad aanbiedt, de laatste die in deze bestuursperiode is opgemaakt. Op basis van de inzichten bij de perspectiefnota was al sprake van een positieve begrotingsruimte. We hadden toen al een structureel sluitend beeld liggen voor de komende jaren, maar door de septembercirculaire is duidelijk geworden dat de toch al positieve ontwikkeling van het accres van het gemeentefonds door het Rijk eerder nog te laag was ingeschat. De economie van de BV Nederland is door de coronacrisis én minder diep gedaald én ontwikkelt zich in positieve zin ook sneller omhoog dan eerst werd aangenomen. Rekening houdend met het inzetten van het begrotingssaldo 2021 en een deel van het begrotingssaldo 2022 voor het kunnen doen van noodzakelijk gewenste investeringen – 3,8 miljoen euro boven het ingestelde investeringsplafond van 5 miljoen euro – resteren voor de jaren die komen, 2022 tot 2025, nog steeds positieve begrotingssaldi van gemiddeld 2 miljoen euro op jaarbasis. Ik denk dat er niet heel veel gemeenten zijn in Nederland die ons dat kunnen nazeggen.
Het biedt in ieder geval – en een aantal van u heeft dat ook opgemerkt – de nieuwe raad en het opvolgend college, als ze dat zouden willen, naast het in deze begroting vastgelegde beleid een mooie ruimte voor aanvullend nieuw, eigen beleid, en hoe mooi is dat! Het biedt deze raad ook de ruimte om nog openstaande moties uit de behandeling van de perspectiefnota 2022-2025, waar gewenst uiteraard, van dekking te voorzien. Ik kom daar zo op terug. Uiteraard maken wij ons ook zorgen over het mogelijk negatieve effect van de voorgenomen herijking van het gemeentefonds. We zijn ook in diverse lobby’s betrokken om daarvoor op te trekken richting het Rijk. Hetzelfde geldt voor de kosten in de jeugdzorg. Maar tegelijkertijd is onze begroting – ik wil dat toch nog maar een keer zeggen, omdat daar nogal eens aan werd getwijfeld – robuust genoeg om eventuele tegenvallers op termijn te kunnen opvangen. Voor de korte termijn zijn door het Rijk incidenteel extra middelen beschikbaar gesteld ter compensatie van de toegenomen kosten in de jeugdzorg, zoals u heeft kunnen lezen. De afgelopen jaren is op basis van de ontwikkelde visies op tal van beleidsterreinen veel tot stand gekomen en zijn plannen ontwikkeld en in ontwikkeling die op financieel solide wijze in de meerjarenbegroting zijn verwerkt, plannen die in de volgende raadsperiode in uitvoering komen en ook betaald kunnen worden.
Dat hebben we, raad en college, samen tot stand gebracht en daar is door de medewerkers van onze organisatie, ondanks de vele belemmeringen als gevolg van de coronacrisis, met hart en ziel aan gewerkt. Ik zou zeggen: dank en ook hulde aan onze werkorganisatie, die, nog volop in transitie zijnd, zich de afgelopen jaren zo heeft ingezet voor de stad, de allermooiste vestingstad van K - 36
Nederland en inmiddels ook aangewezen tot UNESCO Werelderfgoed. Hoe mooi is dat allemaal, voorzitter! En hoe mooi is het om met elkaar te kunnen vaststellen dat onze burgers niet de dupe zijn van de dadendrang van het college om de ambities van GO2032 waar te maken. Integendeel, zou ik zeggen. Ik was dan ook wel gelukkig met de uitkomst van de vraag van mevrouw Dansen in I&O over de begroting, om de meerjarige ontwikkeling van onze tarieven nog eens op een rij te zetten: een buitengewoon gematigde tariefontwikkeling, met als uitzondering, helaas, het tarief van de afvalstoffenheffing, maar goed, daaraan liggen vooral externe, in ieder geval niet of nauwelijks door de gemeente beïnvloedbare factoren ten grondslag. Ook de begrafenisrechten, op verzoek van de heer Barth vergeleken met tarieven van de omliggende gemeenten, blijven op de weg naar kostendekkendheid ruimschoots binnen het regionaal gemiddelde. Hierop kom ik dadelijk nog terug. Ik kom nu bij een aantal vragen, het amendement en de moties. Allereerst het amendement van mevrouw Hamann over de meekoppelkansen dijkversterking Gorinchem-Waardenburg: parkeerplaatsen en struinpad in de Woelse Waard en het weer zichtbaar maken van de Ravelijn bij de Dalemsedijk. Ik moet daarover misschien even iets meer vertellen, want de heer Van Breemen vroeg hoe dat nu zo is gekomen, en het lijkt me goed dat kort toe te lichten.
Zoals u weet, hadden we bij de perspectiefnota geen geld om de meekoppelkansen te verzilveren en dientengevolge is dat ook niet ingeboekt. En we konden – en dat wisten we al een hele tijd – eigenlijk ook niet meer aanhaken bij het werk, omdat de Graaf Reinald Alliantie al heel ver was met z’n bestekken. Recent is hierover nog uitgebreid overleg gevoerd met de Graaf Reinald Alliantie en toen bleek dat de nieuwe projectleider die er zit én het gegeven dat het werk wat vertraagd was de ruimte boden, als de gemeente snel zou zijn, om toch nog wat meekoppelkansen mee te koppelen, en daar zijn we heel blij mee. Het is allemaal de laatste dagen gebeurd. De manier waarop we het nu inbrengen is daarom wat onorthodox, maar om nog mee te kunnen in financiële zin is het nodig in de begroting vast te leggen dat we die claim hebben. Uiteraard komen we nog bij de raad terug met een ordentelijk raadsvoorstel. In het amendement dat is ingebracht kunnen wij ons volledig vinden en daarover wil ik dan ook positief adviseren. Ook over de begrafenisrechten wil ik iets meer zeggen. De ChristenUnie/SGP vraagt eigenlijk van alles, maar bij mijn naspeuringen heb ik al in de perspectiefnota van 2016 gevonden dat er een kader was gesteld door de raad om tot kostendekkendheid van de tarieven te komen.
In 2020 hebben we nog een onderzoek laten uitvoeren naar de feitelijke stand van de kostendekkendheid bij het doorberekenen van de tarieven en volgens mij hebt u daarvan in een RIB, met ten minste een bestuurssamenvatting, kennis kunnen nemen. Mevrouw Molengraaf-Vullers: Van 2016 weet ik het niet, maar ik weet dat het in de perspectiefnota van dit jaar ook stond. Dus de aankondigingen zijn er wel geweest, maar er is in de raad nooit een debat gevoerd over hoe we dat dan voor ons zien. Ik wil echt niet om van alles vragen, maar wel om een ordentelijk debat daarover, zodat, als wij naar kostendekkendheid willen gaan, de raad zich kan uitspreken over de vraag wat er dan allemaal onder moet vallen en hoe dat eruit ziet. En om het geheugen van de wethouder nog even op te frissen: op de dag van de behandeling van de perspectiefnota hebben wij
L - 37
een RIB gekregen over het onderzoek, een dag waarop je als raadslid echt wel wat anders aan je hoofd hebt, en daarna was het vakantie. Maar ook daarin stond overigens dat u met voorstellen naar de raad zou komen, en vervolgens is het in de begroting gefrommeld. Dat vind ik gewoon niet zo netjes. Wethouder Van Zanten: Ja, ‘met voorstellen naar de raad komen’: wat in de begroting staat is natuurlijk ook een voorstel aan de raad. Mevrouw Molengraaf-Vullers: Dat snap ik, maar daar krijg ik vanuit de organisatie vandaag op terug: “ja, maar daar kunnen we nu niet meer over gaan debatteren”! Wethouder Van Zanten: Misschien heeft u de kans om erover te debatteren ook wel gemist, want dat had in 2016, of wellicht eerder, ook al gekund. Het rapport, of in ieder geval de bestuurssamenvatting daarvan, is toegezonden en heeft ook niemand aanleiding gegeven om daar een debat over te vragen. Mevrouw Molengraaf-Vullers: Als wij een RIB krijgen van het college, met daarbij een rapport over kostendekkendheid van verschillende tarieven, en het college geeft aan dat het met voorstellen naar de raad komt, dan ga ik ervan uit dat die voorstellen ook komen en dat het niet helemaal afgetimmerd in de begroting terechtkomt. Wij verschillen daarover echt van mening.
Ik vind echt dat dit een beetje erin gefrommeld is en dat vind ik niet fijn, vandaar dat ik toch nog een poging wil doen om de raad in staat te stellen er iets van te vinden. Wethouder Van Zanten: Ik vind het jammer dat u het zo opvat. Wij hebben een serieus voorstel in de begroting neergelegd en dat is in lijn met de kaders die in het verleden gesteld zijn. Op basis van het rapport hebben wij geconcludeerd dat honderd procent kostendekkendheid in twee tranches van 10% te bereiken is, en dat is het dus. Als ik dat vertaal naar de motie die u heeft ingediend, zou ik die willen ontraden, omdat het college volgens mij gewoon invulling geeft aan de raadsopdracht die destijds al in het kader van een perspectiefnota is geformuleerd. De voorzitter: Goed. Het punt is gemaakt. U kunt verder gaan met uw betoog. Wethouder Van Zanten: Mevrouw Hamann heeft ten aanzien van het renterisico gevraagd om, een beetje met een variant op eerdere thema’s, per procent stijging van de rente aan te geven wat de effecten zijn. Dat gaat me wat te ver. In de kern gaat het om de vraag: beheersen wij als gemeente het renterisico? En dat doen we. U kent de systematiek: we begroten altijd een vast bedrag aan rente en als de rente daalt, creëren we ruimte en als de rente stijgt, hebben we ruimte beschikbaar.
Misschien is het goed het accountantsverslag bij de jaarrekening 2020 in herinnering te brengen, waarin de accountant constateert dat de risicoanalyse toereikend is. Met andere woorden: wij beheersen het renterisico. Daarom kunnen we niet tegemoetkomen aan uw verzoek om met stappen van 1% aan te geven wat het betekent. Het is ook een enorme exercitie, dat gaan we niet doen. Van de heer Onvlee heb ik de vraag genoteerd hoe het staat met de bibliotheek. Nou, dat kan ik hem vertellen. Bibliotheek AanZet heeft aangegeven meer tijd nodig te hebben voor de scenario’s voor toekomstige huisvesting en een nieuwe visie op dienstverlening. K - 38
Het duurt vreselijk lang, dat vinden wij zelf ook en het wijkt ook af van wat we hierover met de bibliotheek besproken hebben. Dit tijdpad is dus door ons niet voorzien. Wij hebben zelfs een ander tijdpad aangegeven, waar de bibliotheek zich niet aan kan houden. Over de afwijking van dat tijdpad is bestuurlijk overleg geweest, recent nog, en de uitkomst is dat Bibliotheek AanZet uiterlijk vóór de kerst scenario’s oplevert. Er is een voorstel onderweg naar de agendacommissie om het besluitvormingsproces verder te agenderen, en dat gebeurt in de vergadering van 11 november. De heer Onvlee: Ik vind dat wel opmerkelijk, omdat wij in het voorjaar een RIB hebben ontvangen met de mededeling dat het in oktober besproken en in deze maand besloten zou worden, en nu moeten wij u in deze maand vragen hoe het er eigenlijk mee staat, terwijl we nog steeds niet weten wat de toekomst hiervan is. Hoe is uw gevoel daarbij? Hebt u het idee dat het nog wel dit jaar afgerond kan worden, of zijn het alleen maar scenario’s? Wethouder Van Zanten: Ik durf daar niet op te speculeren. Ik ben het met u eens dat het allemaal verschrikkelijk lang duurt, maar de stagnatie die steeds in het proces optreedt ligt niet aan de gemeente. In feite denkt de bibliotheek al achttien jaar over nieuwe huisvesting, maar het is zoals het is. Ik kan er ook niets anders van maken. Wij hebben er gewoon geen informatie over.
We hopen dat die begin volgend jaar wel op tafel ligt. De heer Van Breemen: Ik verbaas me over de kracht waarmee de wethouder heel de tijd in dit betoogje naar de bibliotheek wijst, want eigenlijk worstelt de bibliotheek heel deze raadsperiode met de huisvesting en dat heeft te maken met de gemeentelijke beslissing dat ze niet in dat pand kunnen komen. Dat is volgens mij nog een erfenis van het vorige college, maar toch: het is een gemeentelijke beslissing. En nu, vier jaar later, zegt u dat het allemaal aan hén ligt. Dat is volgens mij te makkelijk gezegd. Ik vind dat de wethouder echt wat meer ook de hand in eigen boezem mag steken. Wethouder Van Zanten: Dat ga ik niet doen, voorzitter, want het is zoals ik verteld heb en niet anders. We zullen het toch moeten doen met zaken waar de bibliotheek zelf mee komt. De heer Onvlee: Toch nog één vraag: in hoeverre voert de wethouder hier nou regie op? Of wordt het dadelijk een podium 2.0? Ik heb het idee dat u er ook geen regie op voert. Wethouder Van Zanten: Ik weet niet waar u dat vandaan haalt, maar er wordt volledig regie op gevoerd. Er is heel regelmatig én ambtelijk én bestuurlijk overleg met de bibliotheek, waarbij we de zaak ook gewoon in het tijdpad dat wij graag zouden hebben gezien hadden ingevuld. Regie genoeg, maar de bibliotheek moet leveren.
Mevrouw Molengraaf-Vullers: Ik vind het toch een beetje vreemd dat u zegt dat de bibliotheek moet leveren. Zij moeten naar een ander pand, dat hebben ze niet zelf verzonnen. De wethouder had allerlei plannen om daar een hele culturele passsage en ‘hoelahoep’ te gaan doen, waar de bibliotheek dan ook iets in zou kunnen, vervolgens valt dat kennelijk allemaal in duigen, want we horen er niks meer over, en ik kan me voorstellen dat ze bij de bibliotheek ook denken “moeten we nou zelf een pand gaan kraken, of wat dan ook?” Ik zou toch meer voelen voor de hand wat meer in eigen boezem. L - 39
Wethouder Van Zanten: Nou ja, zo ligt het niet. De voorzitter: Een ondersteuning van wat de heer Van Breemen ook zei. Het punt is gemaakt. Wethouder Van Zanten: Het punt is gemaakt, dat denk ik ook, en dat was ook meteen het einde van mijn termijn, voorzitter. Mevrouw Dansen: Mevrouw de voorzitter. Ik had gehoopt dat de wethouder ook nog wat zou zeggen over de conclusies die de SP getrokken had en die ik hem heb voorgehouden. Ik hoor hem alleen maar zeggen dat er een redelijke stijging van de tarieven is en dan ben ik toch wel heel benieuwd waar die redelijkheid vandaan komt in relatie tot wat: in relatie tot andere gemeenten, in relatie tot wat u zelf redelijk vindt? Ik heb er op deze manier niet echt een antwoord op. Wethouder Van Zanten: Nou ja, dat is jammer. Mevrouw Dansen: Nou, dat vind ik ook wel wat kort door de bocht! Het is een redelijke vraag. Wethouder Van Zanten: Nee, u heeft uitgebreid de cijferreeks beantwoord gekregen in een spreadsheet en zoals ik die interpreteer – maar uw interpretatie is kennelijk anders dan de mijne – vind ik dit, op de afvalstoffenheffing na, een hele redelijke tariefontwikkeling. Ik wil het nog wel toelichten aan de hand van bijvoorbeeld de OZB. Als in Gorinchem de waarde van woningen stijgt, heeft dat een lager tarief tot gevolg.
Er zijn veel gemeenten, die wellicht meer in financiële nood verkeren, die dat gewoon niet doen, dus het tarief handhaven en de waardestijging in het tarief doorberekenen aan de burgers. Dat doen wij niet. Als u gewoon in het staatje kijkt, ziet u – u kunt daar heel anders over denken, maar dat is mijn mening – een buitengewoon gematigde tariefontwikkeling. Mevrouw Dansen: Voorzitter, ik zou graag genoteerd zien dat dat volgens de wethouder is en zeker niet volgens de SP. Wethouder Van Zanten: Volgens mij was dat al duidelijk. Mevrouw Molengraaf-Vullers: Voorzitter… De voorzitter: Mevrouw Molengraaf. Mevrouw Molengraaf-Vullers: Mag ik ervan uitgaan dat de wethouder onze motie over de kapitaalgoederen van harte aanbeveelt? De voorzitter: Dat gaat wethouder Van der Geest doen. Het woord is thans aan wethouder Van Doesburg. Wethouder Van Doesburg
Wethouder Van Doesburg: Dank u wel, voorzitter. Laat ik beginnen met te herhalen dat vanuit de raad ook een compliment voor de organisatie gegeven werd, ook collega Van Zanten deed dat zojuist en mevrouw Molengraaf van ChristenUnie/SGP deed het nadrukkelijk. Daarvoor ben ik dankbaar en daarvoor is ongetwijfeld ook de organisatie K - 40
dankbaar. Laten we niet vergeten dat deze periode is gekenmerkt door in het eerste jaar dat wij begonnen een structuurwijziging door te voeren in de organisatie, direct daarna is een organisatie-ontwikkeltraject ingestart en toen werd ook onze organisatie getroffen door de coronapandemie, die het nodige verlangde van de mensen. Desondanks is er keihard doorgewerkt en heel veel opgepakt. Dat verdient een groot compliment, dank daarvoor. Een aantal punten behandel ik en daarna twee moties, die beide te relateren zijn aan wonen en klimaat. Over ontmoetingsplekken is het een en ander gezegd. Het is ook een belangrijk punt uit het coalitieakkoord, dus ik reageer er graag even op. De wens om meer ontmoetingsplekken te realiseren is nadrukkelijk genoemd en dat mag ook een grote impuls krijgen; helemaal mee eens. Tegelijkertijd is er toch ook wel weer veel gebeurd. In dit verband werden ook de buurthuizen genoemd: komt het wel goed met die buurthuizen? Nou, ik zou willen zeggen: het gaat heel goed met de meeste buurthuizen. Neem nou De Haarhorst, met een complete renovatie, waardoor heel veel gebeurt in de Haarwijk, die ook nauw samenwerkt met De Rozenobel, ook een vernieuwd buurthuis met heel veel energie. Dat gaat goed. Maar neem nu een ander buurthuis, De Elzenhof in Dalem: dat moet een nieuwe impuls krijgen.
Daarover zijn we wel in gesprek, maar het mag meer aandacht krijgen en dat gaan we zeker ook doen. Weet dat ontmoeten hoog in het vaandel staat en dat dat meer aandacht zal krijgen. Misschien daaraan gerelateerd is ook het onderwerp klankbordgroepen en participatie en communicatie. Dat heeft tenslotte ook met ontmoeten te maken. Wij hebben vorige week volgens mij over het participatiebeleid gesproken en toen hebben wij ook echt wel gezegd dat het eerlijke verhaal is dat participatie best wel moeilijk is. Daarvoor gaan we heus niet alleen corona als excuus gebruiken, want je zou kunnen zeggen dat die ook nieuwe mogelijkheden heeft geboden om te participeren. Maar we erkennen dat het ingewikkeld is en daarom hebben we ook een Participatie Gilde geïntroduceerd en hopen we tegen het eind van het jaar het participatiebeleid in te stellen, waarbij we onszelf ook de opdracht geven om daar beter in te worden en meer te leren, en dat vooral ook samen met u te doen. Daarnaast werd in het kader van participatie een opmerking gemaakt over het uitdaagrecht, het Right to challenge: is daar nou voldoende mee gebeurd? Nou, het houdt niet over, we zijn niet heel vaak uitgedaagd zou je kunnen zeggen. Waar ligt dat aan? Nou, misschien is het nog te onduidelijk, of heeft dat instrument meer aandacht nodig, of is het gewoon nog ingewikkeld voor veel mensen.
Tegelijkertijd: overheidsparticipatie en burgerparticipatie, het is echt wel nodig dat dat gebeurt. Ook initiatieven uit de stad zijn omarmd. Het document GO2032 past inderdaad niet in een bureaulaatje en ik weet dat het bij mij op mijn bureau ligt en ook bij veel van mijn collega’s. Daar is dan ook het nodige uit vertaald. Neem nou de ambities 2, 6 en 8, die hebben echt vorm gekregen in de vormgeving van i_lab, IAC en de Beroepencampus, om maar wat te noemen. Het is een initiatief dat ook in de stad is gegroeid. In samenwerking met scholen en ondernemers is dat tot stand gekomen, dus dat lijkt me een goed voorbeeld van participatie en wat doen met de visie zoals die voorligt.
L - 41
Mevrouw Molengraaf-Vullers: Ik hoor de wethouder zeggen dat het Right to challenge nog niet zo van de grond is gekomen en best nog wel lastig blijkt te zijn. Ik heb in mijn eerste termijn gevraagd of zoiets ook nog wordt geëvalueerd: waarom dat zo is en of we daar nog verbeterslagen kunnen maken. Wethouder Van Doesburg: Ja, dat wordt geëvalueerd. De Jongerenraad is ook besproken. Daar is oprecht heel hard aan getrokken door twee jonge fractieassistenten, maar die hebben daarvoor toch te weinig vruchtbare grond gevonden bij andere jongeren en hebben dat gewoon niet voor elkaar kunnen krijgen. Mevrouw Hamann: Concludeert de wethouder daaruit dat er geen behoefte is aan een Jongerenraad, dat de Gorcumse jeugd dat eigenlijk liever niet wil? Wethouder Van Doesburg: Dat is te kort door de bocht, want ik kan niet namens de hele Gorcumse jeugd spreken. Wel is in deze periode gebleken dat, als twee jongeren daar heel hard aan trekken en er veel energie in stoppen, ze het toch niet voor elkaar krijgen, en dat zegt wel iets, denk ik. Mevrouw Hamann: Dan zou er dus geen behoefte zijn? Wethouder Van Doesburg: Uit de inspanningen die tot nu toe zijn gedaan is in ieder geval niet gebleken dat er behoefte aan is. Mevrouw Hamann: Wij kunnen natuurlijk niet meten hoe die inspanningen waren, maar goed.
Wethouder Van Doesburg: Over het jongerenwerk is een sessie geweest en daar zijn kritische noten gekraakt. Weet ook dat wij met de huidige aanbieder ook kritische gesprekken hebben gevoerd om bij te sturen. De aanbesteding is zo goed als afgerond. Omdat het “zo goed als is”, kunnen we daar verder geen mededelingen over doen, maar daarover hoop ik u snel te kunnen informeren. Ik ben het in ieder geval volledig eens met het standpunt dat het CDA hierover formuleerde, namelijk dat het jongerenwerk midden in de samenleving dient te staan, dat het zichtbaar moet zijn en dat het met partners heel intensief behoort samen te werken. Mevrouw Molengraaf-Vullers: Ik hoop niet dat ik de hele avond om evaluaties hoef te vragen, maar ook hier hadden wij om een evaluatie gevraagd, met name omdat het mijn fractie wel steekt dat in het jongerenwerk van de stichting met de lange afkorting best een hoop geld is gestoken en mijn stellige indruk is dat de cijfers die zij heeft overlegd niet helemaal kloppen. Dat zou ik toch wel uitgezocht willen hebben, want het is geld van de Gorcumse samenleving en ik vind het wel belangrijk te weten wat daarmee gebeurd is. Kan de wethouder daar een toezegging op doen? Wethouder Van Doesburg: Ik weet niet of dat nodig is, want we hebben periodiek over hun werk gerapporteerd en dat zijn dus evaluaties over de output die zij geleverd hebben.
Ik ga er dus vanuit dat dat gedaan is en dat kunt u teruglezen in de samenvattingen van de rapportages die in drie I&O-sessies met u gedeeld zijn. De heer Onvlee: Ik heb begrepen dat we midden in het aanbestedingsproces zittenK - 42
Wethouder Van Doesburg: Aan het einde. De heer Onvlee: Aan het einde? Dan kan ik me indenken dat een evaluatie nu net te laat is, maar dan ben ik vooral benieuwd of de tussenrapportages voldoende zijn gebruikt om de huidige aanbesteding daarop aan te passen en toe te spitsen. Wethouder Van Doesburg: Dat is uitdrukkelijk gebeurd op basis van wat we in die sessies besproken hebben en ook de kritische reflectie op de uitkomsten zoals ze voorlagen. We zijn ook kritisch geweest op de manier van monitoren en op “zijn die cijfers nou wat ze zijn?”. Daar kun je kritisch naar kijken, dat bevestig ik, en dat is daarom ook meegenomen in deze aanbesteding. Ik verwacht daar dan ook een uitkomst uit die ervoor zorgt dat het beter gaat in de toekomst. Meer kan ik er niet over zeggen. Dan het thema vluchtelingenopvang. Het is belangrijk om vast te stellen dat nu voor vier weken in ieder geval de nood gelenigd is in het belastingkantoor. En er ligt gewoon een harde afspraak met het COA dat er na die vier weken opvang op andere plekken in het land is. Tegelijkertijd werken wij heel hard verder aan de duurzame variant voor kleinschaligere opvang binnen onze stadsgrenzen, maar dan op een andere locatie. Het antwoord op de vraag is dus: ja. 19 november is de einddatum. Een aantal vragen is voorts gesteld over de Groote Haar en de windmolens aldaar.
Er is natuurlijk een aantal nieuwe Europese inzichten op basis van jurisprudentie tevoorschijn gekomen en spelen die een rol? Nee, die spelen geen rol als het gaat over de vergunde windmolens. Zo werkt het nu eenmaal: die zijn vergund, dus nieuwe juridisprudentie heeft daarop geen invloed. Mocht gebruik worden gemaakt van de 10% afwijkingsbevoegdheid, dan liggen daar bezwaren tegen en mogelijk – maar dat weet ik niet zeker – zouden deze nieuwe inzichten – Arrest Nevele werd genoemd – daarbij een rol kunnen spelen. Het is echter maar de vraag, want dat wordt in een voorzieningenprocedure waarschijnlijk slechts formeel getoetst. Het antwoord is: zoals de casus nu ligt, hebben wij gewoon te maken met twee vergunde windmolens en als die binnen de vergunning blijven, heeft nieuwe jurisprudentie daar geen enkele invloed op. Voor de ‘motie 500’, zoals ik hem maar even noem, geldt hetzelfde, want die is na die tijd van kracht geworden en heeft dus geen invloed op reeds vergunde projecten. De vraag of een Europese aanbesteding nodig was, is een heel complexe, want wij zijn niet de aanbestedende dienst. Sta mij toe dat ik daarop op een later moment terugkom, want daar moet echt het een en ander voor worden uitgezocht.
Mevrouw Hamann: Begrijp ik goed dat, omdat de vergunning ouder is, de nieuwe weten regelgeving van Europa en de Raad van State niet geldt voor deze twee en dat ze daarom gewoon gebouwd zouden kunnen worden? En zijn de kavels ook te verkopen daarna? Wethouder Van Doesburg: Op beide vragen is het antwoord ‘ja’. Mevrouw Hamann: Daarvoor steekt u uw hand in het vuur? Wethouder Van Doesburg: Ik steek mijn handen nooit in het vuur, dat is onverstandig, maar het antwoord is gewoon wel ‘ja’. Dus er is geen risico voor de uitgifte van dit
L - 43
bedrijventerrein en ja, als reeds vergund is, en dat is onherroepelijk, dan is nieuwe wetgeving niet van toepassing. De heer Van Santen: Wij hebben ook de vraag gesteld waar we nu eigenlijk staan met dat hele traject. Want er gaan heel veel geluiden rond, u suggereert ook dat de windmolens groter zouden moeten worden, of juist niet, maar wat is precies de status en hoe haalbaar zal dit project volgens de wethouder zijn? Wethouder Van Doesburg: Voorzitter, volgens mij gaat dit debat niet over de windmolens, ik heb ook niets gesuggereerd, ik heb alleen aangegeven hoe het juridisch zit. De voorzitter: Ik denk inderdaad dat we het in deze begrotingsvergadering niet uitgebreid moeten hebben over windmolens. Een paar vragen, prima, en ik heb de wethouder net horen zeggen dat hij nog op de aanbesteding terugkomt. De heer Van Santen: Dat vind ik toch een beetje kort door de bocht, voorzitter, want op de aanbesteding kan wel worden teruggekomen, maar dit is een groot en voor Gorinchem ook belangrijk project en de wethouder kan toch op z’n minst wel zeggen hoe haalbaar dit volgens het college is? Dat heeft niks te maken met een debat over windmolens. We willen gewoon weten hoe haalbaar het op dit moment is; misschien kunnen we dan nog tijdig bijschakelen als het nodig is, of, zoals ik enkele collega’s heb horen zeggen, overschakelen op een plan B.
Mevrouw Hamann: Als ik aansluitend daarop nog iets mag zeggen, voorzitter? De voorzitter: Mevrouw Hamann. Mevrouw Hamann: Ik vind het wel degelijk heel relevant nu, want de Groote Haar is natuurlijk een enorme kostenpost op de begroting. Het gaat mij eigenlijk niet eens zozeer om de turbines als wel om de uitgifte van de gronden: of dat niet geblokkeerd kan worden. De voorzitter: Daar is net al antwoord op gegeven. Wethouder Van Doesburg: Ik zal er nog dit over zeggen, voorzitterDe voorzitter: Ik stel voor dat de wethouder dan een procesmatig antwoord geeft, want over windmolens kunnen we heel lang spreken, maar het gaat hier wel over een begrotingsvergadering. Wethouder Van Doesburg: Het is speculeren natuurlijk, die haalbaarheid. Het zijn hele complexe vraagstukken. Er ligt nu een businesscase met windmolens die vergund zijn en als die businesscase zo doorgerold wordt, hebben nieuwe juridische inzichten daar geen invloed op. Over allerlei andere mogelijke scenario’s kan ik niets zeggen, want wij zijn geen eigenaar van die businesscase. Het staat ook niet als een kostenpost in de begroting, maar als opbrengst. Het onderwerp wonen heeft terecht heel veel aandacht gekregen. Het behoeft geen enkel betoog dat we met z’n allen in een wooncrisis zitten. Er zijn verschillende groepen die daardoor harder geraakt worden dan andere. Gevraagd is of er wel wat gebeurt. Laten we K - 44
ons wel realiseren dat wonen en grote binnenstedelijke ontwikkelingen nu eenmaal heel veel tijd vragen. De gemiddelde doorlooptijd van een binnenstedelijk ruimtelijk project is zeven tot vijftien jaar. Dus als u vraagt wat ik deze vier jaar heb gedaan, nou, ik heb er in ieder geval voor gezorgd dat we kunnen beginnen aan dit soort grote, stedelijke ontwikkelingen, zoals de Arkelsedijk, die voor veel van de doelgroepen zoals besproken van groot belang zijn. Maar we hebben ook gewerkt aan instrumenten in die woningmarkt, zoals de starterslening die ingevoerd is en dit jaar zullen de zelfbewoningsplicht en het antispeculatiebeding nog ingevoerd worden. Gezegd is ook dat Gorinchem misschien niet voldoende tempo zou maken, kijkend naar de cijfers van 2020. Inderdaad zitten we dan 1,1% onder het landelijk gemiddelde, maar in 2019 zaten we er 300% boven. Het heeft niet zoveel zin om naar die jaren te kijken. Juist omdat dit over heel langlopende ontwikkelingen gaat, moet de lange-termijntrend in beschouwing worden genomen en ook de tijd worden genomen om dat zo goed mogelijk te doen. Als je over acht jaar zou kijken, zitten we op 11,1%, en dat is 2 procentpunt hoger dan het landelijk gemiddelde. Mevrouw Molengraaf-Vullers: Ik zoek dan nog wel een duiding voor de motie die uw eigen partij heeft ingediend om de boel te versnellen.
Want ik hoor u nu zeggen dat dit soort projecten altijd heel langzaam gaan, dat er heel veel jaren overheen gaan en dat je eigenlijk pas over tien jaar terug moet kijken, maar uw eigen partij heeft een motie ingediend om de boel te versnellen. Hoe duidt u dat? Wethouder Van Doesburg: Ik spreek namens het college; dat wil ik eerst even gezegd hebben. Door D66 is een motie ingediend ‘Versnel de woningbouw’ en daar ga ik nog aan toe komen. Eerst de motie ‘Bouw grijs, plant groen’. Die is wat het college betreft niet nodig, want we hebben de woon- en transformatievisie ingesteld waarin heel veel aandacht is besteed aan klimaatadaptatie en vervolgens is een regionale adaptatiestrategie vastgesteld, met daaruit voortvloeiend de lokale adaptatiestrategie. Overigens is bij de woon- en transformatievisie de motie ‘Natuurinclusief bouwen’ van de Partij van de Arbeid unaniem aangenomen en daarin is dit beleid voldoende verankerd. Bovendien zou ik zeker niet willen zeggen dat we grijs moeten bouwen. De betonindustrie is verantwoordelijk voor 8% van de wereldwijde CO2-uitstoot. Je moet juist ook kijken naar andere en groene bouwvormen, niet alleen groen bijbouwen verzorgen, maar veel integraler kijken naar groen bouwen. Mevrouw Stevens: Het doel van de motie van de Partij van de Arbeid destijds was juist om het heel integraal te doen.
Alle visies zijn ook heel integraal en dit is eigenlijk gewoon een keiharde stelling. Daardoor zou ik juist zeggen dat zo’n motie heel erg noodzakelijk is. Als je bedenkt dat een achtste van alle organismen op de wereld met uitsterven bedreigt, dan is het toch wel handig dat we concreet kunnen zijn over bepaalde punten. Dus ik zou zeggen: alleen maar mooi nog zo’n punt erbij. Wethouder Van Doesburg: De strekking van de motie is zeker heel positief, maar ze blijft overbodig, omdat dit al gebeurt. We hebben namelijk voldoende instrumenten om dit door te voeren. Neem als voorbeeld de Arkelsedijk, waar we in de kaders vastgelegd hebben dat minstens 40% van het gebied groen moet worden. Ik denk dus dat we L - 45
voldoende handvat hebben om dit heel goed te doen, en nog veel breder en creatiever dan in de motie gesuggereerd wordt. Dus blijf ik bij dat standpunt. Mevrouw Stevens: Mag ik nog een verduidelijkingsvraag stellen? De voorzitter: Mevrouw Stevens. Mevrouw Stevens: Gaat het dan bijvoorbeeld ook over mensen die buiten de gemeente om gaan? Ik bedoel: er zijn natuurlijk heel veel projectontwikkelaars en daar heeft de gemeente niks over te zeggen op die manier. Maar je wilt wel een statement maken en beleid voeren. Ik vraag me af: telt dat dan ook mee, zet u die er dan ook bij? Wethouder Van Doesburg: Een hele goeie vraag natuurlijk, maar het is niet zo dat de ontwikkelaars buiten de gemeente om kunnen; daar zitten we juist bovenop. Niets kan hier gebeuren zonder dat wij kaders stellen en voor die kaders geldt het beleid zoals dat vastgesteld is. De woon- en transformatievisie, met daaraan gekoppeld een motie, en de regionale adaptatiestrategie en lokale adaptatiestrategie bieden zoveel handvatten, dat wij de ontwikkelaars nog groener kunnen doen kleuren dan ze zelf ooit bedacht zouden hebben. Dan de motie ‘Versnel de woningbouw’. Daar ben ik positief over, maar ik wil er ook enkele kanttekeningen of kaders – ik weet niet hoe ik het moet zeggen – bij plaatsen.
Waar de motie verzoekt nieuwe locaties aan te leveren, vind ik het belangrijk te benadrukken dat wij gebonden zijn aan planningsmethodieken van de provincie. Op dit moment is de lijn van de provincie ook ‘versnellen, versnellen, versnellen’. Of de wethouders wonen in de regio die lijn per se onderstrepen is maar de vraag, maar voorlopig zijn we er wel aan gebonden. Dus de lijn van de provincie is wel: realiseer je harde plannen nou maar en doe even rustig-aan met nieuwe plannen. Dat neemt niet weg dat wij, met inachtneming van deze reserve, wel inzicht kunnen geven in de nieuwbouwlocaties zoals ze er zijn. Zelf denk ik dat het college daar ook behoefte aan heeft, al is het alleen maar om bijvoorbeeld schuifruimte te kunnen benutten. Want zelfs harde plannen kunnen soms wel eens stuiten, om wat voor reden dan ook, en dan is het fijn als je een goed alternatief hebt om toch aan je opgave te kunnen voldoen in de stad.
Om dat inzicht te leveren is wel capaciteit nodig en omdat de capaciteit op wonen/RO gewoon krap is – dat zult u in elke gemeente in Nederland horen –, verzoek ik u wel ons dan ook de middelen te geven om er wat extra capaciteit op te kunnen zetten en sta ons bijvoorbeeld toe om de stedelijke ontwikkelingsreserve daarvoor in te zetten – ik weet niet of het zo kan worden afgesproken, of dat het moet worden opgeschreven in de motie, maar dat zou het verzoek zijnDe voorzitter: Het wordt een hele lange zin, ik zit te wachten tot u een punt gaat zetten! Mevrouw Molengraaf-Vullers: Ja, volgens mij moet de wethouder een cursus gaan volgen ‘Hoe zet ik ooit een punt?’! De voorzitter: Maar nu geef ik me Molengraaf het woord! Mevrouw Molengraaf-Vullers: Fijn, dank u. In de motie wordt gevraagd te onderzoeken hoe het woningbouwprogramma versneld kan worden uitgevoerd, maar als ik de K - 46
wethouder hoor, is dat helemaal niet nodig, omdat het van de provincie op dit moment gewoon niet mag. Potentiële bouwlocaties aanwijzen mag ook niet, dus dan vraag ik me af of de motie niet gewoon overbodig is. Wethouder Van Doesburg: Ik heb toch iets anders gezegd, denk ik. Ik heb gezegd dat de provincie hetzelfde wil, namelijk versnellen. Alleen schrijft haar planmethodiek op dit moment voor dat je een beetje terughoudend moet zijn met het indienen van nieuwe plannen en dat je er vooral voor moet zorgen dat de harde plannen worden uitgevoerd. Maar daar is deze motie ook heel belangrijk voor, want het betekent capaciteit aanwenden, prioriteren en de-bureaucratiseren. Dat is alle drie van belang. Wat ik hier ook gezegd wil hebben, is dat Gorinchem-Molenlanden in gezamenlijkheid aan deze plannen werkt en woningbouwprogramma’s zoals we die met de provincie afspreken, dus in die gezamenlijkheid met Molenlanden moet dit ook uitgezocht en geregeld worden. De heer Tekir: U zei ook iets over de capaciteitsvraag en een reserve. Kunt u dat nog wat toelichten? Wethouder Van Doesburg: We hebben een reserve stedelijke ontwikkeling en het lijkt het college logisch die aan te wenden als er extra capaciteit voor dit thema nodig is. Als dat kan worden meegenomen in de lezing van deze motie, zou dat heel wenselijk zijn, want anders wordt ‘ie lastig uit te voeren.
De heer Van Breemen: Ik probeer de wethouder te volgen, maar dat is lastig. Ik hoor hem aan de ene kant zeggen dat we gebonden zijn aan het provinciale programma en dat we daarom eigenlijk geen locaties kunnen aanwijzen, maar aan de andere kant hoor ik hem ook neigen tot een positief advies op deze motie, terwijl in het tweede punt van die motie toch wordt verzocht ook kansrijke bouwlocaties aan te wijzen. Volgens mij kunt u niet positief adviseren als u tegelijkertijd zegt dat het niet kan vanwege het programma van de provincie. Wethouder Van Doesburg: Ja, dat kan ik wel, want ik ben niet volledig geweest; excuus daarvoor. De planningsmethodiek van de provincie is heel erg complex. In eerste instantie is haar advies, en eigenlijk ook richtlijn: richt je op je harde plannen – overigens is ook daarvoor het versnellen van belang, om de harde plannen sneller tot uitvoering te krijgen – en daarnaast mag je ook ruimte claimen voor bovenregionaal bouwen, en dan is het wel van belang om zoveel mogelijk locaties in kaart te brengen. Dat zijn dan half-harde, of half-zachte locaties, hoe je het ook wilt noemen, en voor dat onderdeel van de programmering is het wel van belang om zoveel mogelijk kansrijke locaties in kaart te brengen.
De heer Van Santen: En als we dan theoretisch al die plannen in kaart brengen, hoe zit het dan met de uitvoering? Die ligt niet bij de gemeente, er is een markt die daarop moet acteren, en zit die bottleneck dan bij de gemeente, of bij de markt die dat aan moet kunnen? Wethouder Van Doesburg: Bij alle twee, maar ook nog bij andere overheden, waar ook capaciteit vrijgemaakt moet worden om er RO-vraagstukken doorheen te krijgen. We hebben het gezien bij de Van Zomerenlaan, waar we 53 weken mochten wachten op een L - 47
sloopvergunning van de provincie, waarvoor normaal 8 weken staat. Dat is een capaciteitsprobleem, maar ook wel een voortvloeisel van veranderende wetgeving. Over de Van Zomerenlaan gesproken: daar komen twee straten bij en het voorstel zal zijn om daar een Richard Naveststraat bij te maken. Dit was het, voorzitter, dank u wel. De voorzitter: Dank u wel. Wethouder Kraaijeveld. Wethouder Kraaijeveld
Wethouder Kraaijeveld: Voorzitter. Ik zou graag willen beginnen met een stukje duurzaamheid, dan ga ik in op de vragen die zijn gesteld over het sociaal domein en afsluiten zal ik met een reactie op de moties. Duurzaamheid, eerst in z’n algemeenheid. Het wordt inmiddels steeds duidelijker welke impact klimaatverandering heeft in de wereld, ook zou kunnen hebben voor Nederland, en dus ook voor onze regio en onze stad. Het IPCC, een internationaal platform van onderzoekers, heeft inmiddels een heel duidelijk rapport uitgebracht, dat ook aangeeft dat de mens verantwoordelijk is voor de klimaatverandering en dat we daarin iets hebben te doen. Het is, zoals de heer Van Breemen terecht zei, op dit moment ook in Glasgow intensief onderwerp van gesprek: hoe gaan we dat als internationale gemeenschap doen en hoe kunnen we dat dan ook, als we weer afdalen naar Nederland, hier doen? Zoals u weet, zijn we samen met Molenlanden een van de dertig RES-regio’s waaraan is gevraagd op welke manier ervoor kan worden gezorgd dat we ook onze bijdrage als Nederland, en ook als regio, daarin neerzetten.
Daarom snap ik ook wel het ongeduld dat bijvoorbeeld de heer Van Breemen neerlegt met zijn vraag: waarom weinig middelen in deze begroting? Ik zou natuurlijk technisch kunnen zeggen dat dat is omdat we de septembercirculaire heel recent hebben verwerkt in de begroting, et cetera, maar ik wil hem positiever duiden. Volgens mij hebben wij hiervoor met elkaar in deze periode al een stevige basis gelegd, met u als raad, met onze partners in de stad, met inwoners en natuurlijk met een Molenlanden en andere partners om ons heen. We hebben een RES 1.0 vastgesteld in de gemeenteraad, en ook in Molenlanden is dat gebeurd, bij het waterschap en bij de provincie. Het is een heel belangrijke basis voor het uitvoeringsprogramma van de RES, waaraan we momenteel de laatste hand leggen. Op 18 november zullen we het als bijlage ter kennisname aanbieden bij de bespreking van de reserve duurzaamheid. Dus we zijn op weg. Raadsbreed is ook een transitievisie warmte vastgesteld, met de nodige positieve reflecties, ook een belangrijke basis voor de vraag hoe we de stad aardgasvrij gaan maken in de komende decennia, waarbij we ook al concreet aan de slag zijn. In februari heeft u een voorstel aangenomen om een warmtenet te gaan opstarten, waar het stadhuis onderdeel van uitmaakt en de eerste duizend huurwoningen.
Aan het adres van mevrouw Dansen zou ik willen opmerken dat het in dit geval echt gaat over duizend gezinnen, families en alles eromheen, wat dit op dit moment heel erg beleeft. We zijn aan de slag en daar komen ook die wijkgebieds-uitvoeringsplannen uit, waarmee we wijk voor wijk de komende jaren aan de slag willen om uiteindelijk de hele stad aardgasvrij te gaan maken. Ik snap dat sommigen van u zich afvragen of het snel genoeg gaat. Zelf zou ik ook heel graag sneller willen, en het college natuurlijk ook. Daarom hoort u ook in de verschillende
K - 48
bijdragen van het hele college dat we op al die sporen stappen moeten zetten om uiteindelijk die CO2 terug te dringen, energie te besparen, et cetera. Dus dat even als aftrapje. Het is ook niet dat u geen geld heeft vrijgemaakt. Er is nog minimaal 3,5 miljoen euro vrij van de Enecomiddelen. Over twee weken komen we bij u terug, om te kijken hoe we daarmee al de eerste stappen kunnen zetten in de uitvoering van het uitvoeringsprogramma over klimaatadaptatie, biodiversiteit, et cetera. Wij voelen met u mee dat dit een heel belangrijk thema is. We proberen nu een routekaart neer te leggen en dan is het ook heel erg belangrijk dat het Rijk over de brug komt. Er zijn wellicht middelen mogelijk in deze begroting, of meerjarig, maar we kunnen gewoon aan de slag. Daarvoor hebben we echter zeker ook het Rijk nodig. De afgelopen week hebben we in uw opdracht een lobbybrief naar de formateurs uit doen gaan, om dit nog eens te onderstrepen en te adresseren. Dan iets concreter. Hoe staat het bijvoorbeeld met wind op Avelingen? U heeft voor de zomer een raadsinformatiebrief van ons gekregen die antwoord gaf op de motie ‘Windmolenvrij dichtbij’. Daarin is helder gemaakt dat we zijn gestopt met zoeken bij de A15-oost en dat we de verkenning nu concentreren op Avelingen. En uiteraard, CDA en meneer Bahlmann, houden we daarin ook oog voor de omwonenden, en natuurlijk ook met de bedrijven.
Bij een aantal bedrijven is het oorspronkelijk begonnen, dus daar zullen we natuurlijk ook de zaken weer op aanhaken. We zetten nu op een rij wat er allemaal voor nodig is om die verkenning verder te doen. De VVD heeft erop aangedrongen door te pakken op zonne-energie. In de Regionale Energiestrategie en het uitvoeringsprogramma dat naar u toe komt is het een van de vijf belangrijke pijlers. We willen stevig inzetten op die zonne-energie, zon op dak. Recent hebben we met alle ondernemersverenigingen een bijeenkomst gehad waarin al die bedrijven hebben aangegeven de uitdaging aan te willen gaan om met die ongeveer 60, 70 ha aan daken echt stappen te gaan zetten. En wat ik heel mooi vind, is dat verschillende vertegenwoordigers van die bedrijven zich bereid hebben verklaard er tijd in te stoppen om te kijken hoe we dat in onze regio verder kunnen brengen, waarbij zon op dak niet alleen het stukje is wat het verbruik is van een bepaald bedrijf, maar breder voor wellicht omwonenden die er ook bij wonen. De heer Van Santen: Het is hartstikke mooi dat wordt ingezet op zonne-energie, maar het is één van de vijf pijlers, en dat is nou precies waarvan wij zeggen: let nou op, dit is een van de dingen waar wij in Gorinchem misschien juist goed in zijn, en in andere dingen misschien niet. Je gaat ook geen tomaten kweken op de Noordpool, zeg maar.
Dus laten we de focus houden op waar we goed in zijn en laten we daar meer op inzetten dan misschien op andere vormen. Dat was een beetje de strekking van mijn pleidooi. Wethouder Kraaijeveld: Ik snap het. Energiebesparing is bijvoorbeeld ook zo’n pijler. Misschien zijn we daar nog niet zo goed in, maar het is heel belangrijk dat we daar wel goed in wórden. Ook in een tijd van stijgende energieprijzen is het bij uitstek een instrument om te zorgen dat de energielasten voor een huishouden naar beneden kunnen. Maar ik ben het met u eens dat we ook de zonne-energie beet moeten pakken en dat het dan logisch is om eerst de daken zoveel mogelijk vol te leggen. Dat maakt ook onderdeel uit van het uitvoeringsprogramma.
L - 49
Over de energiearmoede hebben ChristenUnie/SGP, GroenLinks en CDA artikel 50vragen gesteld. Volgende week dinsdag bespreken we die in het college, dus volgende week komt het antwoord naar u toe. De PvdA vroeg er vandaag nog naar. In grote lijnen onderkennen wij natuurlijk als college deze problematiek. Heel veel inwoners maken zich grote zorgen over de honderden euro’s die de energierekening naar verwachting zal stijgen. Het Rijk is voornemens om hiervoor naar ik meen vierhonderd euro te gaan compenseren. Het leeft, het speelt en er wordt op geacteerd. Daarom is het ook zo belangrijk om die energiebesparingspijler verder tot uitvoering te brengen, maar ook het bewustzijn dat het belangrijk is om de energie zelf zoveel mogelijk duurzaam op te wekken, en dat ook zoveel mogelijk in de eigen regio te willen realiseren. Mevrouw Molengraaf-Vullers: Voor veel woningeigenaren met een kleinere beurs die ooit een wat oudere woning gekocht hebben, maar niet de middelen hebben om te gaan isoleren, wordt het wel een probleem om die besparing te realiseren. Met een bon van 60 euro kom je dan niet zo heel ver. Ik vroeg me af of er in dat fonds met die afkorting ‘reductie-energie-huppeldepup’ nog muziek in zit om woningeigenaren hier tegemoet te komen.
Wethouder Kraaijeveld: De RRE-, inmiddels RREW-regeling – Regeling reductie energiegebruik woning –, is beoogd voor kleinschalige maatregelen en gaat dus nog niet over grote isolatieprogramma’s voor woningen. Het is ook iets waar het Rijk nu verder aan werkt, want het gaat dan om enorme bedragen die per woning nodig zouden zijn. Wat je wel ziet – en volgens mij is de duurzame-huizenroute net afgerond – is dat ook bewoners die in een oud pand zitten, of in een pand dat eerst zo lek was als een mandje, er steeds beter in slagen om hun woningen te verduurzamen. De kennis van de technologie bij installateurs en bij mensen die isoleren neemt steeds meer toe en ook de kosten die daarmee gemoeid zijn dalen wat, maar het gaat nog steeds over grote bedragen die aan inwoners wordt gevraagd. Daarom is het ook zo belangrijk dat er een subsidieregeling komt waarmee inwoners die investering kunnen doen, waarna dat uiteindelijk in de energierekening verdisconteerd wordt. Op Rijksniveau is dat helaas echter nog steeds niet geregeld. Ik hoop dat het nieuwe kabinet dat nu wel gaat regelen, maar ze hebben het zeker op het netvlies. Dat is eigenlijk de doorbraak die hierin nodig is. In de tussentijd proberen wij inwoners heel goed te informeren via de NieuwWonen-vrijwilligers, die spreken honderden mensen per jaar.
Verschillende inwoners nemen ook al steeds meer die stappen zelf, want het kan bijvoorbeeld ook al op de hypotheek als je een nieuwe woning hebt gekocht. Er wordt wel steeds meer gedaan, maar het is helemaal duidelijk, mevrouw Molengraaf, dat er nog een slag extra voor nodig is. Hopelijk zal het kabinet voor de kerst met een kerstcadeau komen in de vorm van een nieuw kabinet, met structurele financiële middelen en duidelijke lijnen richting de toekomst, en dat dat ook gekoppeld kan worden aan onze transitievisie warmte en onze wijkuitvoeringsplannen. Misschien dat we dan weer slim met onze communicatie en wat we inmiddels met NieuwWonen-vrijwilligers et cetera allemaal doen, die versnelling kunnen maken. Mevrouw Molengraaf-Vullers: Waar ik bang voor ben, is dat we mensen nu heel erg in the mood brengen, zeg maar, en dat er vervolgens geen geld is om ook echt iets aan hun huis te kunnen gaan doen. En dan ben je het momentum wel kwijt. K - 50
De voorzitter: De laatste beantwoording door de wethouder en dan gaan we naar een ander onderwerp. Wethouder Kraaijeveld: Dat snap ik, maar tegelijkertijd zie je ook, door de onzekerheid van de internationale energiemarkt en de grillen die daar plaatsvinden, dat steeds meer mensen nu ineens denken: ja, nu wil ik wel echt die stap zetten, want ik zie dat ik afhankelijk word van Rusland, of andere gedachten die erbij zitten, en gewoon de energierekening en het risico daarop. Dat merk ik ook, dat steeds meer mensen gewoon die stap kunnen zetten. De mensen die het wat makkelijker kunnen betalen, of het aandurven, zijn dat nu ook aan het doen, maar het gaat natuurlijk echt over die categorie mensen met een kleine beurs, waarvoor duizend euro al spannend is, waarvoor die woningen geïsoleerd moeten worden, dat we daar proberen hen mee te nemen en te ontzorgen. Met het warmtenet voor die eerste duizend woningen doen we dat in feite, maar dan zie je ook dat heel veel huurders het spannend vinden: wat betekent dat nu precies? En als een bepaalde kamer kleiner wordt door de installatie, is dat heel veel impact. Het is veel gedoe in je huis. Tegelijkertijd: als die woningen gerealiseerd worden, zijn die mensen ook ontzorgd. Dan hebben ze een betere woning, beter geïsoleerd, beter wooncomfort, betere gezondheid en een stabielere energierekening.
De voorzitter: Waarvan akte! De bevlogenheid van de wethouder is altijd groot en dat waarderen we natuurlijk allemaal zeer, maar nu gaan we weer verder. Wethouder Kraaijeveld: Dank u wel, voorzitter; die had ik zeker even nodig. De SP was wat kritisch van: ja, weinig inwoners merken het. Ik probeer hiermee aan te geven: in de Gildenwijk is dit wat speelt. Als het gaat over de RRE-regeling, ook naar de heer Van Mourik: 600 minima hebben gebruikgemaakt van die eerste RRE-regeling. Noem dat maar niks! Natuurlijk zou ik heel graag naar die 1600 willen, of 1750, wat nu de laatste stand van zaken is. Dat is wel de opgave in de RREW, dus de volgende regeling. En of we dat anders moeten doen: sowieso proberen we het bereik groter te maken en ik denk dat mond-op-mondreclame daarin ook heel erg kan helpen. Dit waren in mijn beleving de punten als het gaat over duurzaamheid. Dan het sociaal domein. De PvdA had het nog over de Molenhopper. Juijn heeft de aanbesteding uiteindelijk gewonnen. Ook in tijden van corona – dat moet ik ze echt nageven – hebben ze heel flexibel kunnen schakelen om mensen te vervoeren die minder goed ter been waren naar teststraten, of naar priklocaties. Ze hebben heel flexibel met ons meegedacht en hun maatschappelijke verantwoordelijkheid genomen. De PvdA verwees ook naar de Wijkhopper, zoals die bijvoorbeeld in de Drechtsteden rondrijdt.
Juijn ken ik als een partij die altijd bereid is te bekijken welke innovatieve concepten nog meer mogelijk zouden zijn. Het is natuurlijk wel een verantwoordelijkheid van de vervoerder om mensen van deur tot deur of voor kortere ritjes te vervoeren, maar ik wil ze wel eens vragen of dat ook iets zou kunnen zijn voor Gorinchem. De fractie van ChristenUnie/SGP heeft gevraagd of we ten aanzien van het mantelzorgcompliment meelopen met de ontwikkelingen. Ik denk dat dat zo is. We hebben een bewustwordingscampagne gehad en we zien dat we inmiddels veel meer mantelzorgers hebben bereikt. We hebben met huisartsen gesproken, met zorginstellingen, met scholen, et cetera, en we zijn van 742 mantelzorgers naar 811 L - 51
gegaan. Dat is toch een mooie stap, denk ik. Ik denk niet dat we alle mantelzorgers hebben bereikt, maar we proberen het wel levend te houden en we werken ook aan verlichtende mantelzorg en vervangende mantelzorg – u had het over respijtzorg, maar wij proberen het zó even te benoemen –, zodat mensen wat lucht kunnen ervaren en balans kunnen houden in hun leven. Daarvan wordt ook steeds meer gebruikgemaakt. Het vraagt eerst wel wat gesprekken van onze mantelzorgconsulenten voordat mensen echt die stap willen zetten, maar tot nu toe lijkt het wel te voorzien in een behoefte. We doen zeker mee en reiken ook nog steeds een mantelzorgcompliment uit. Naar ik meen hebben het vorig jaar meer dan 400 mantelzorgers het compliment gehad. In december zullen we weten hoeveel het er dit jaar waren, maar in die aantallen moet u denken. Mevrouw Molengraaf-Vullers: Voorzitter, op gevaar af dat ik mijn quotum aan interrupties overschrijd, maar mijn punt was ook een beetje dat ik het zo raar vond dat op de site staat dat je alleen maar zelf een mantelzorgcompliment kunt aanvragen. Dus iemand kan niet zeggen: ik heb een mantelzorger die ik erg waardeer.
Of heb ik het dan helemaal verkeerd begrepen? En iemand moet ook geregistreerd zijn als mantelzorger, maar dan gaat het effect er toch een beetje van weg? Nou ja, misschien moeten we daar samen nog maar eens een keer naar kijken! De voorzitter: Dat lijkt me een goed plan. Wethouder Kraaijeveld: Als we dat kunnen afspreken, doen we het zo. Dan ga ik naar de moties. Het ‘vergeet me niet pad’ zouden we heel graag willen oppakken. Het is een mooi idee en we merken dat er een breed draagvlak voor is. Op dit moment zien we wellicht mogelijkheden in Hoog-Dalem, tussen het winkelcentrum en het gastenhuis dat daar nieuw in ontwikkeling is. We zijn natuurlijk dementievriendelijke gemeente, dus het past ook heel erg in die geest om in Hoog-Dalem en aan die kant hier aan de bewustwording een bijdrage te leveren. De heer Van Santen: Ik had begrepen dat er in een andere gemeente nogal bezwaar tegen was gemaakt door iemand die dat initiatief eerder had voorgesteld. Hoe zit dat dan precies? Wethouder Kraaijeveld: Daar hebben we ook naar gekeken. Het vergeet-mij-nietje is van Alzheimer Nederland, dus die willen we ook gewoon benutten. Het is niet zo dat er een soort intellectueel eigendom op die punten zit, dus op die manier willen we het gewoon invullen vanuit Alzheimer Nederland. Op zichzelf staat het college positief tegenover de motie inzake de kostendelersnorm.
Het zou echt wel mooi zijn als mensen in een uitkering die uiteindelijk samen willen gaan wonen dat ook kunnen doen en zich niet gedwongen voelen apart te blijven wonen omdat ze anders een bepaalde korting krijgen. Het is ook een landelijk thema, Divosa adresseert het nu ook in de kabinetsformatie, en in die zin zouden wij willen voorstellen dit punt te gaan onderzoeken, omdat er best nog wel veel in beweging is. Het is wel belangrijk te kijken wat er vanuit het kabinet komt . Divosa zou de leeftijd graag naar 27 willen tillen en hoe willen we daar dan als Avres – want daar hebben we het dan over – op inspringen? Ik moet natuurlijk ook met mijn collega’s in Vijfheerenlanden/Molenlanden even het
K - 52
gesprek aan of ook zij dit graag in onderzoek willen nemen. Als we de motie zo mogen duiden, of een stukje kunnen aanpassen, zouden we dat waarderen. De heer Oostrum: Ik wil er direct wel antwoord op geven; dat scheelt in tweede termijn weer minstens twee minuten. U ziet dat in de motie geen dekkingsvoorstel is aangegeven, dus de intentie is daadwerkelijk dat u het gaat onderzoeken. Maar ik zou dan wel willen voorstellen dat u er op een termijn van uiterlijk drie maanden, laten we zeggen februari, op terugkomt. Wethouder Kraaijeveld: Drie maanden ja, waarom zou dat zijn!? Ik zal mijn best doen, meneer Oostrum, maar ik weet niet of ik dat kan toezeggen, omdat juist die landelijke ontwikkelingen plaatsvinden. Laten we hopen dat we voor de kerst een kabinet hebben dat ook op dit vlak wat richting geeft, dan kunnen wij daar ook op inspelen, maar als het allemaal langer duurt, wat ik niet hoop, maar ook niet uitsluit, is het van belang dit te onderzoeken. De heer Oostrum: Maar dan wijs ik er toch even op dat een gemeente als Tilburg het lef heeft gehad om vooruitlopend op het Rijksbeleid stappen te zetten. Als u dat onderzoekt en kijkt hoe ze het daar doen, denk ik dat die termijn van drie maanden misschien nog wel te ruim is. Wethouder Kraaijeveld: Zoals gezegd, ik zal er mijn best voor doen, maar ik heb er ook met Avres nog een gesprek over te voeren.
Het lijkt me goed het te onderzoeken en ook in Tilburg te kijken hoe ze het daar feitelijk doen en hoe dat zich kan verhouden tot hoe wij het hier in onze regio doen. Dan de opstartsubsidie voor het COC. We snappen de motie, maar het is wel wat ongebruikelijk om vanuit de raad een subsidiebijdrage toe te kennen en ook de bedragen te benoemen. Desalniettemin snappen we de motie en willen we erin meegaan, omdat we begrijpen dat het COC gewoon nog moet opstarten en ook in het licht dat we natuurlijk Regenboogstad zijn. We willen wel goed het gesprek aangaan met het COC over hoe hier dan invulling aan gegeven wordt en natuurlijk ook richting 2022 willen optrekken hoe dan de subsidieaanvrage er weer uit gaat zien, dat we wel gewoon de reguliere procedure blijven hanteren voor subsidieaanvragen in onze stad. De heer Van Breemen: Ik deel de mening van de wethouder dat het nogal onorthodox is om subsidies te gaan uitdelen in de raad, vooral ook omdat wij allerlei voorwaarden en spelregels hebben voor subsidies. Ik zou de indieners van de motie daarom willen vragen daarop een list te verzinnen. De wethouder heb ik ook nog een vraag te stellen.
Het COC in Gorinchem is al van alles aan het doen, dus in hoeverre zou je dit nog een opstartsubsidie kunnen noemen? Ik ben nog een beetje op zoek naar wat nu precies de gedachte is achter deze motie, behalve nog een keer onderstrepen hoe erg we Regenboogstad zijn. De heer Tekir: Misschien nog een verduidelijkingsvraag die kan helpen in deze richting. Ik kwam er in mijn bijdrage ook op terug dat het niet gebruikelijk is op deze manier subsidie aan te vragen, maar tegelijkertijd dienen we de motie in mede in vanwege het belang van het onderwerp. Maar kunt u misschien iets van een reflectie geven hoe dit in L - 53
het voortraject is gegaan? Is er een subsidieaanvrage gedaan die is afgewezen, of is dit een tekort in een lopende begroting? Want dan is het een correctie, denk ik, die als aanvulling op een bestaande subsidie verstrekt zou kunnen worden. Wethouder Kraaijeveld: Voor 2021 is er een subsidieaanvrage geweest vanuit het COC, de eerste, die ook is beoordeeld. Ze hadden meer financiële middelen gevraagd dan is toegekend. Wij hebben gekeken wat voldoet aan de gemeentelijke doelen die zijn gesteld en wat we dan een passende subsidie zouden vinden. Zo is er 5.500 euro uitgekomen. Het kan natuurlijk wel zo zijn dat het COC, dat moet opstarten, ertegenaan loopt dat er veel meer middelen nodig zijn om aan de gemeentelijke doelen te voldoen, en dat is volgens mij de vraag die nu vanuit uw partijen wordt voorgelegd. Omdat het een opstartfase is en een beperkt bedrag, kan het college er wel in meegaan, maar laten we richting 2022 wel weer de reguliere route doorlopen. De heer Tekir: Ons verzoek is vooral om dan ook de plannen te beoordelen en passend te subsidiëren, zodat er niet weer gaten ontstaan. De voorzitter: Ik zou het antwoord wel weten! Nu u, wethouder. Wethouder Kraaijeveld: U verwacht meteen een ‘ja’.
Volgens mij is het afhandelen van subsidies per definitie een afweging van schaarse middelen en kijken hoe we binnen die schaarse middelen zoveel mogelijk gemeentelijke doelen kunnen bereiken. Dat is de afweging die we als college in de volle breedste maken. Wij zullen dus ook de aanvrage voor 2022 weer goed in dat licht moeten beoordelen, en of er meer gemeentelijke doelen mee te dienen zijn dan nu in de subsidie voor dit jaar is vrijgegeven. Mevrouw Molengraaf-Vullers: Mag ik hier ook nog een vraag over stellen, voorzitter, of eigenlijk twee? De voorzitter: Mevrouw Molengraaf. Mevrouw Molengraaf-Vullers: Van de wethouder begrijp ik dat het COC een bepaald bedrag had aangevraagd, dat het college dat heeft beoordeeld naar het kader dat we hebben voor subsidietoekenningen en zo is uitgekomen op 5.500 euro, en dat het COC nu 5.000 euro tekort komt; dat is dus bijna het dubbele. Wat is daar dan fout gegaan in de matching, als er al iets fout is gegaan? Uit de motie begrijp ik een beetje dat het gaat om het zich hier vestigen.