210218 Concept Verslag Raadsvergadering.docx
Tekst van het document
Daar wil ik het bij laten, voorzitter. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel. Mevrouw Van Oversteeg, CDA. Mevrouw Van Oversteeg: Voorzitter, dank u wel. Het CDA heeft de tijd genomen om zich een mening te kunnen vormen over de vraag die ons als raad is voorgelegd. Met B - 19
name onze kernwaarden, solidariteit en gespreide verantwoordelijkheid, komen hierbij naar voren. Hierbij hecht ik er waarde aan om te benadrukken dat dit geldt voor onze Gorinchemse samenleving, maar ook voor degenen die hebben moeten vluchten, die huis en haard hebben moeten verlaten omdat het allerbelangrijkste in het leven, veiligheid, hen ontnomen is. Wij hebben daarin een verantwoordelijkheid als samenleving en daar lopen wij niet voor weg. De vraag hoe de opvang van asielzoekers in onze samenleving past is een complexe, maar de centrale vraag die voorligt is hoe we denken over opvang in het voormalig belastingkantoor. De afgelopen tijd is gebleken dat die vraag bijna niet beantwoord kan worden zonder dat het bredere verhaal aan bod komt, namelijk: hoe stellen we ons stad op in dit vraagstuk? Naar de mening van het CDA verdient dat veel meer aandacht, in gesprekken met elkaar, maar ook met verschillende partijen, bewoners, verenigingen, ondernemers, et cetera, en daarom zullen wij het amendement van de PvdA steunen, waarbij we “het gesprek aangaan” wel drie keer willen onderstrepen, want het is een verantwoordelijkheid van ons als samenleving als geheel. Dan de vraag die vanavond voorligt over een AZC in het voormalig belastingkantoor.
Namens het CDA heb ik al in de B&A aangegeven om deze vraag met ‘nee’ te beantwoorden, en dat is geen lichtzinnig besluit, vanwege de verantwoordelijkheid die wij voelen om ons solidair op te stellen in dit vraagstuk. De optelsom van alle informatie en de gesprekken die wij zelf met voor- en tegenstanders hebben gevoerd, brengt ons tot deze conclusie. De onderliggende onderzoeken en gesprekken met inwoners uit de Gildenwijk hebben ons nog verder aan het denken gezet. Hoe kunnen wij als gemeente de juiste aandacht schenken aan deze wijk? Dit werd bevestigd doordat deze signalen terugkwamen in andere beleidsterreinen: bij de wijkvisie, bij de woon– en transformatievisie, bij het integraal sociaal beleid en nu als een van de onderliggende redenen die het college noemt om niet in te stemmen met het verzoek van het COA over het voormalig belastingkantoor. Om die reden dienen wij hierbij de motie ‘Actieplan Gildenwijk’ in: Motie M2: Actieplan voor de Gildenwijk De raad van de gemeente Gorinchem, in vergadering bijeen op 18 februari 2021. Ondergetekende(n) roepen het college op: prioriteit te geven aan de toekomstige ontwikkeling van deze wijk door: - een actieplan op te stellen waarin onderzocht wordt wat de Gildenwijk nodig heeft - hierover voor 31 oktober 2021 terug te komen bij de raad om eventuele vervolgstappen te bespreken.
Door deze motie willen wij concreet en met prioriteit uitvoering geven aan de aandachtspunten die op de verschillende beleidsterreinen zijn geconstateerd. Denk hierbij aan het werken aan signalen van eenzaamheid, overlast en een grote zorgvraag. Hoe mooi zou het zijn, voorzitter, als we hierbij de sterke punten van de wijk in kunnen zetten, want die zijn er ook zeker, zoals de vele verenigingen die er zijn, de scholen, de voorzieningen, de grote diversiteit aan bewoners. Hoe kunnen we samen onze krachten bundelen en hiermee aan de slag gaan? Het CDA ziet het met vertrouwen tegemoet. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel. Dan mevrouw Van Maaren, fractie Van Maaren. B - 20
Mevrouw Van Maaren: Dank u wel, voorzitter. Voor ons ligt een bijzonder raadsvoorstel als gevolg van bijzonder handelen en dubieuze processen van het college. Meerderen hebben het al benoemd en ik zal niet in herhaling vervallen. Wat ons betreft een proces dat gevolgen mag hebben voor het gehele college, vandaar de motie die is ingediend door diverse partijen. In principe ben ik tegen het voorstel, omdat ik zo lang ik al in de raad zit nog nooit voor een vorm van opvang als een AZC in Gorinchem ben geweest. En ik ben dat nu ook niet van plan. Ik ben ook niet van plan voor een kleinschalige opvang te stemmen, en dat maakt dit raadsvoorstel dubieus, want ik kan voorstemmen en ik kan tegenstemmen, maar op de een of andere manier stem ik altijd voor het bespreken of de keuze van een opvang en dat willen wij niet. Wij denken dat dat niet nodig is en dat er voldoende opvang in Nederland is voor echte noodzakelijke opvang en niet voor allerlei gelukzoekers. Dat maakt het heel moeilijk wat ik moet gaan stemmen en of ik überhaupt wil gaan stemmen, want ik word door dit college in een positie gedrukt waar ik niet in wil zijn. Het belemmert het democratische proces en het belemmert mij in het maken van keuzes. Dit vind ik ook een hele kwalijke zaak en dit is voor mij nog een reden dat dit proces alle afkeuring van mij krijgt. Daarbij wil ik het laten, voorzitter.
De voorzitter: Dank u wel. Dan de heer Schefferlie, Democraten Gorinchem. De heer Schefferlie: Voorzitter, dank u wel. Eigenlijk door mijn lange record in deze raad kan ik nog eens terugkijken naar zelfs de eerste keer dat er een AZC naar Gorinchem kwam, en de tweede keer, hoe we daarbij stilgestaan hebben. Eigenlijk komen bij mij dezelfde gevoelens als toen naar voren, dat het eigenlijk wel wat schaamte en ongemak oplevert als je zo mag oordelen over het openstellen van je stad voor hen die in levensnood zijn, mensen die van huis en haard zijn gevlucht in de hoop op een menselijk welkom. Het klinkt misschien vreemd zo’n intro, als je weet dat Democraten Gorinchem eigenlijk van het begin af aan de aankoop van het COA heeft veroordeeld en duidelijk heeft gemaakt dat wij geen AZC in het belastingkantoor willen. Ik verzeker u, voorzitter, dat het hart van Democraten Gorinchem, en ook mijn hart, nog steeds op de goede plaats zit als het gaat over de verantwoordelijkheid voor de opvang van vluchtelingen. Des te schrijnender is het eigenlijk voor ons om heel radicaal ‘nee’ te moeten zeggen en een radicaal ‘nee’ te moeten uitspreken over deze plek. Maar deze pijn is niet alleen draaglijk, maar ook juist nodig om uiteindelijk ruim voldoende open te staan om onze verantwoordelijkheid te nemen in het opvangen van asielzoekers.
Te lang heeft het COA arrogantie opgebouwd door te vertrouwen op het verantwoordelijkheidsgevoel van gemeenten. Het appel om maar bij te dragen mag er zijn, maar dat mag niet opgelegd worden, voorbij aan het draagvlak van omwonenden en voorbij aan de vroegtijdige betrokkenheid van die omwonenden. Het is dan ook geen toeval dat een toenemend aantal gemeenten het COA ‘nee’ verkoopt. We leven in een tijd waarin gemeenten met inwoners optrekken en hen niet passeren. Het COA rechtvaardigt de blinde en overmoedige aankoop vanuit een acute nood die er zou zijn. Het COA vindt die nood groot genoeg om de belangen van inwoners en de relatie die de gemeente met hen opbouwt als ondergeschikt te zien. Maar dat geldt niet voor haar eigen dogma over grootschaligheid. De tijd dat gemeenten daarvoor buigen is gewoon voorbij. Juist door deze duidelijke grens B - 21
te trekken willen wij uiteindelijk het COA op een eigentijds spoor brengen. Daarbij reiken we meteen de hand uit naar opvang zoals steeds meer gemeenten bepleiten: welkom, maar kleinschalig. Dat vergroot de acceptatie en vermindert de risico’s op spanningen. Kleinschalig, maar niet meer in het belastingkantoor, laat dat ook duidelijk zijn. Vooral door de premature aankoop en de negatieve effecten daarvan is dat geen optie meer. Ja, wat dan wel? Het amendement van de Partij van de Arbeid laat wat ons betreft nog sterker zien dan beslispunt 3 dat we hier een welwillende verkenning in aanbieden. Dat is ook mooi: als een besluit niet helemaal naar je zin is, omdat je het ene deel wel zou willen en het andere deel niet, dan is een amendement natuurlijk een fantastisch instrument om daarmee gewoon bij te sturen. De PvdA doet dat eigenlijk wel in de lijn, zeg maar, van het voorstel, maar versterkt dat nog, en dat is voor ons reden om dat amendement mee in te dienen. Terug naar ons hart, voorzitter. Wij begrijpen ook het pleidooi van D66. De manier waarop deze partij probeert deze discussie inhoudelijk te voeren is een compliment waard. Wat zij doen, is eigenlijk de verantwoordelijkheid in het hier en nu op de voorgrond zetten en ik denk dat dat respect verdient.
Het is goed om daarover van gedachten te wisselen, maar wij zijn er eigenlijk van overtuigd dat we te veel begrip en draagvlak zouden verliezen als we dat nu op die manier weer doen en dat we daarmee op de lange termijn eigenlijk veel minder bereidheid krijgen om bij te dragen, en dat het COA het ook eigenhandig mag aanpassen als de nood zo hoog is, dat blijven wij belangrijk vinden, en op die manier eigenlijk samen met alle andere gemeenten de verantwoordelijkheid op te vangen. Wij vonden ook door D66 goed verwoord wat er gebeurd is en wat ik zou willen samenvatten als de bestuurlijke nalatigheid door toenmalig wethouder Dansen. Het is natuurlijk niet te doen dat je zo’n belangrijke toezegging bestuurlijk niet vastlegt. Ik denk dat dat een hele hoop ellende had voorkomen. Voorzitter. Wat mij ook opvalt, is dat eigenlijk uitgegaan wordt in een aantal moties/amendementen van een deel van de oppositie-, dat dat heel erg op wantrouwen is gebaseerd. Een volledig college dat eigenlijk duidelijk aangeeft dat ze niet op de hoogte was van zo’n koop, zelfs het COA dat dat zelf zegt, alles wordt eigenlijk in twijfel getrokken. Ja, wat moet je dan nog? Er wordt ook veel, zeg maar, verteld over de procesgang en de rol van de wethouder daarin, terwijl ik denk dat het volledige college hier gewoon op een goede manier heeft gehandeld, net als in veel gemeenten gebeurt.
U moet zich eens voorstellen dat elke keer dat het COA alleen in gesprek gaat met een college, in al die gemeenten dan meteen de hele fundamentele discussie gevoerd gaat worden, waarbij allerlei plekken in gedachten kunnen komen et cetera. Het is gewoon veel beter als je gewoon veel meer beeld hebt van wat precies de bedoeling is. Het is ook niet voor niks dat de meeste gemeenten het dus ook gewoon op die manier doen. En de burgemeester, die is toch ook bepaald niet onervaren, die heeft ook eerst de gesprekken gevoerd met het COA en ook daar nog geen aanleiding in gezien om meteen iedereen te mobiliseren. Dat doe je, denk ik, op een gepast moment voor een goede discussie. Voorzitter. Ik denk dat ik het hier even bij kan laten voor de eerste termijn. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel. Dan mevrouw Dansen, SP.
B - 22
Mevrouw Dansen: Dank u wel, voorzitter. De SP is een partij die opkomt voor mensen die in de knel zitten. Asielzoekers zitten in de knel en hebben ondersteuning nodig en een plaats om te wonen en zich veilig te voelen. Het voormalig belastingkantoor is twee jaar lang zo’n plaats geweest, als opvang voor asielzoekers. Het vorige college heeft duidelijk aangegeven dat het om twee jaar zou gaan, duidelijk, openbaar. Ook het COA vond twee jaar toen voldoende. Wij zijn nog steeds voor de opvang van asielzoekers, maar wij zijn er niet voor om nogmaals op dezelfde locatie een AZC te vestigen. Dat wil overigens niet zeggen dat wij voor het raadsvoorstel zullen stemmen dat hier voorligt. In de huidige vorm vinden wij dat best een raar voorstel. Alleen als het amendement dat wij mede indienen met Gorcum Actief aangenomen wordt, zal dat voor ons anders liggen en zouden wij voor kunnen stemmen. Met betrekking tot de manier waarop het college tot dit voorstel gekomen is wil ik het volgende zeggen.
Als een groot gedeelte van de raad zich buitenspel gezet voelt door het weinig democratische proces dat het college gelopen heeft met een mogelijk AZC en insprekers zich gedwongen voelen om tweemaal in te spreken, lijkt het de SP dat het college zich wel eens achter de oren mag krabben over de manier waarop zij niet alleen omwonenden van het mogelijke AZC, maar ook de democratische vertegenwoordiging van deze gemeente, de raad van Gorinchem, niet hebben meegenomen. Wij dienen daarom mede de motie van afkeuring in. Tot zover mijn eerste termijn. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel. Mevrouw Molengraaf, ChristenUnie/SGP. Mevrouw Molengraaf-Vullers: Dank u wel, voorzitter. Ook ik zal eerst beginnen met de inhoud. De ChristenUnie/SGP is voor de opvang van vluchtelingen, asielzoekers in algemene zin. Wij vinden dat een zaak van medemenselijkheid én het is een opdracht die wij in de bijbel vinden. Daarbij is het ook een zaak van verantwoordelijkheid nemen. We kunnen niet alleen vooraan staan om geld van de Rijksoverheid te incasseren en op dit punt niet thuis geven. In 2015 hebben wij voor de noodopvang gestemd, waarbij er drie duidelijke voorwaarden waren waaronder wij ingestemd hebben: de opvang zou tijdelijk zijn, de opvang zou vooral voor gezinnen zijn en de opvang zou eenmalig zijn.
Dit hebben wij overigens ook direct in een gesprek met mevrouw Mosselman en anderen die bij haar waren gemeld. Wat ons betreft vooral ook daarom geen opvang in het voormalig belastingkantoor, want wij zijn aanspreekbaar op onze woorden en onze beloften. In B&A hebben wij al een en ander gezegd over het voorstel, met name dat we het erg onduidelijk vinden, dat is ook door anderen al gezegd. Het college wil met onze kritiek niets doen. Dat vinden we jammer. Ik ga dat niet herhalen, maar ik wil dit wel opmerken. Het college reageert met dit voorstel niet op een formeel verzoek van het COA om in het pand een opvang te mogen realiseren. Ik weet niet wat er nu gebeurt… De voorzitter: Ja, u bent weer in beeld. Mevrouw Molengraaf-Vullers: Goed zo. Ik herhaal: het college reageert niét op een formeel verzoek van het COA om in het pand een opvang te realiseren, want dat verzoek ligt er niet. Dat is zowel ambtelijk als in een telefoongesprek dat ik met het COA gehad B - 23
heb aan mij bevestigd. De aankoop van het pand heeft het college dus zo’n schrik aangejaagd dat het nu de raad enkel over de locatie een uitspraak wil laten doen. Zo hoeft het college dus eigenlijk zelf niks te vinden. De raad wil het niet, het is een voorzetje van het college. Geen gesprek over het grotere plaatje, het vraagstuk van de asielzoekers en onze rol daarin. En dan kom ik eigenlijk bij het proces, voorzitter, want zoals de heer Van Breemen al opmerkte in B&A: het proces heeft het voorstel beïnvloed en geleid tot een slecht voorstel. Over het proces is in B&A uitvoerig gesproken. Dat ga ik dus niet herhalen, maar mijn fractie heeft wel geprobeerd naderhand de balans op te maken en wij komen tot de volgende conclusie. Alhoewel er vanaf november 2019 veel meer contacten waren, ambtelijk en bestuurlijk, gaat het college pas naar de raad als begin april het COA het pand koopt. Een ongebruikelijke stap. U moest wel, want op 24 april stond het ook al in de krant. U informeert de raad dan onvolledig in een RIB-je, een woord dat de wethouder gebruikte in I&O van september. In een RIB-je van nog geen half A4 vermeldt u een kennismakingsgesprek eind 2019, een oriënterend gesprek, en de rest laat u weg. In I&O van 17 september 2020 verklaart de wethouder deze stilte: de raad informeren zou alleen maar onrust hebben veroorzaakt.
Voorzitter, mijn vraag aan het college en aan u als voorzitter van het college: was deze uitspraak het collegestandpunt? Vond het hele college het een goed idee om pas te gaan informeren toen het niet anders kon? In de I&O van begin 2021 verzekerde de wethouder ons dat hij echt wel begrijpt dat dit onderwerp, opvang van asielzoekers, een politiek gevoelig onderwerp is. Niemand hoefde hem dat te vertellen, aldus de wethouder. Maar dat heeft er niet toe geleid dat hij de raad direct aan het begin informeerde. In B&A zegt hij daarover: ja, contact met het COA is bijna contact met de raad! Voorzitter. In onze ogen heeft de wethouder zichzelf, de raad enDe voorzitter: Mevrouw Molengraaf, ik krijg net vanuit de techniek door dat de livestream-verbinding even niet werkt en dit zijn natuurlijk toch wel woorden in dit debat waarvan het goed is dat ze gedeeld worden. Ik kijk even naar boven: hoe lang gaat het duren voordat het probleem verholpen wordt, schatten we in? Is het een idee om vijf minuten te schorsen, zodat we dan kunnen kijken of de techniek het weer doet? Mevrouw Molengraaf-Vullers: Ja, dat lijkt me prima. Maar dan moet u natuurlijk wel even kunnen aangeven vanaf wanneer ik niet meer te horen was. De voorzitter: Ik zal daar eens op broeden, u hoort van mij! Ik schors de vergadering voor vijf minuten (21.05 uur).
Schorsing De voorzitter: De vergadering is heropend (21.12 uur). Er waren even wat technische problemen. Een paar sprekers zijn niet live gehoord, maar het goede nieuws is dat hun bijdragen wel zijn opgenomen en op dit moment worden afgespeeld. Dus mevrouw Molengraaf hoeft een gedeelte van haar betoog niet te herhalen, want het wordt uitgezonden. Alleen loopt de stream iets achter op het live gebeuren hier. U kunt uw betoog dus gewoon vervolgen, mevrouw Molengraaf. B - 24
Mevrouw Molengraaf-Vullers: Oké, dan vervolg ik met mijn slotconclusie. De wethouder heeft de raad en de stad, maar ook zichzelf, een slechte dienst bewezen door niet begin 2020, en dat was ruim vóór corona, de raad te informeren. Hij had dan per direct geweten dat er geen meerderheid voor deze locatie zou zijn en de raad had zich kunnen beraden op de vraag “willen we mensen opvangen en, zo ja, hoe?”. De stad was onrust bespaard gebleven en Gorinchem had geen bestuurlijke flater geslagen. De eerdere positieve grondhouding wordt nu gevolgd door een negatieve uitspraak van de raad. Dat lijkt toch verdacht veel op inconsequent beleid. Onze fractie heeft de wethouder in B&A ruimte geboden voor zelfreflectie, erkennen van fouten, maar de wethouder gaf eerst de ambtenaar de schuld, die het verkeerd opgeschreven had, het COA, ‘want dat is een vreselijke organisatie’ en tot slot corona, ook al zat er tussen eind 2019 en half maart drieënhalve maand. Voorzitter. Wij kunnen niet anders dan deze wethouder en het college verantwoordelijk houden voor het wekken van onjuiste verwachtingen bij het COA en het negeren van de actieve informatieplicht. Dat is ook de reden waarom wij de motie van afkeuring mee hebben ingediend. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel. mevrouw Mager, VVD. Mevrouw Mager: Voorzitter, dank u wel. De VVD wil geen AZC in Gorinchem.
Wij zijn al twee keer aan de beurt geweest en er zijn nog heel veel gemeenten die sowieso nog gaan AZC hebben gehad. De VVD is wel voor opvang van asielzoekers. Mensen in nood die voor hun leven moeten vrezen verdienen een opvang in veiligheid, maar dat is Haags beleid. Hier gaat het over de asielopvang in Gorinchem. Aansprekend voor ons is het argument in het raadsvoorstel dat Gorinchem van 2000 tot 2004 en in 2016-2017 al grootschalig asielzoekers heeft opgevangen en vanuit het uitgangspunt van evenredigheid het Rijk en COA vraagt voor grootschalige opvang nu naar andere gemeenten dan Gorinchem te gaan kijken. Dat argument kan de VVD onderschrijven, maar daar blijft het dan wel zo ongeveer bij in dit raadsvoorstel, want verder zien we een weifelend college. Er wordt gedraaid, er word geen helder besluit voorgelegd. We sturen het maar naar de raad, maar dan zó dat je in ieder geval niet in het belastingkantoor komt, maar dat er wel verder met COA over asielopvang wordt gesproken en dat we het COA overal de schuld van geven, maar verder is er niet veel duidelijk. De kool en de geit sparen zonder tijdig overleg met de raad over de grotere lijnen.
Want wat zou er makkelijker zijn geweest dan te vragen: willen we wel of niet asielzoekers en, zo ja, waar? Waarom legt het college die vraag niet aan ons voor? Een jaar na dato kunnen we er niet omheen: fout op fout in de informatievoorziening, niet of onvolledig, of na enorm aandringen – dat geldt zowel voor inwoners als raadsleden –, komt er informatie los. Dat kan natuurlijk gebeuren, maar herstel dat dan en volhard niet. Blijf niet ontwijken en traineren in je informatievoorziening, communiceer en overleg met álle fracties. Al toen COA contact zocht, hadden alle fracties op de hoogte moeten worden gebracht en daarna was het volgens ons een politieke must om dat te doen. Allemaal niet gebeurd. Sterker nog: wethouder Van Doesburg meldt in B&A dat er nauwelijks informatie te delen was met de raad. Een werkelijk bestuurlijke misvatting. Het college heeft deze zaak niet goed gemanaged. Ze heeft de informatieplicht aan de raad zwaar verwaarloosd. Dat is geen wantrouwen, maar gewoon een feit. Niemand kan zich aan de indruk onttrekken dat er bij B - 25
COA iets van verwachtingen is gewekt. Het COA koopt niet zomaar, of uit speculatie, een
pand en een ambtenaar stuurt niet zomaar een mail waarin een positieve grondhouding wordt genoemd. Het college kan toch niet verrast zijn door de aankoop van een groot pand als het belastingkantoor? En als dat dan wel zo is, dan zegt dat iets over de oplettendheid en het bestuurlijk aangesloten zijn op wat er in Den Haag gebeurt. De VVD voelt zich gechanteerd door het college en door het COA. Dit voorstel is wat ons betreft de manifestatie daarvan. Immers, ineens hebben we het over een AZC, terwijl dat helemaal nooit op de agenda van het college stond. En gezien de reacties, wíl het college ook helemaal geen AZC. Het voorstel voldoet wat ons betreft niet aan de eisen die je aan een goed raadsvoorstel zou mogen stellen. Punt 1 is niet iets om over te beslissen, dat hoort er niet in. Punt 2 is zo slecht geformuleerd dat niemand weet wat er nu exact wordt besloten. Punt 3 is niet aan ons, dat is COA-beleid. Er is gepleit voor een herstellende, transparante versie, maar het college heeft dat naast zich neergelegd. Een regen aan amendementen en moties is nu het gevolg. Daar ga ik graag in tweede termijn op in. En straks zitten we met een gemankeerd raadsvoorstel, omdat de besluitvorming onduidelijk is en niet geschikt voor uitvoering en niemand weet waar we nu eigenlijk aan toe zijn. Daarom dienen wij de motie van afkeuring mede in tegen het gehele college. Dank u wel.
De voorzitter: Dank u wel. De heer Bahlmann, Stadsbelang. De heer Bahlmann: Dank u wel, voorzitter. In B&A heeft Stadsbelang haar standpunt duidelijk gemaakt met betrekking tot het huisvesten van een AZC in het voormalig belastingkantoor. In 2015 heeft Stadsbelang als enige fractie in de gemeenteraad gestemd tegen vluchtelingenopvang, c.q. een AZC, in het voormalig belastingkantoor en deze mening delen wij nog steeds. Dat betekent niet dat Stadsbelang tegen de opvang van asielzoekers en statushouders is, maar wel tegen opvang in het voormalig belastingkantoor. Uit de afgenomen enquêtes door de gemeente én de omwonenden blijkt dat er in de directe omgeving weinig tot geen draagvlak is om in het voormalig belastingkantoor wederom een AZC te huisvesten. De komst van een AZC in het voormalig belastingkantoor zal niet op onze steun kunnen rekenen. Wij wachten eerst op de reactie van de wethouder voordat wij reageren op de ingediende amendementen en de moties. Dank u wel, voorzitter. De voorzitter: Dank u wel. Dan geef ik wethouder Van Doesburg het woord. Wethouder Van Doesburg: Dank u wel, voorzitter. Mijn suggestie zou zijn om even te schorsen, omdat een aantal vragen en opmerkingen zijn gericht aan het college en ik kan in die zin niet zonder overleg namens het college spreken. Dus een schorsing lijkt me handig.
De voorzitter: Is een kwartier voldoende? Wethouder Van Doesburg: Ja hoor. De voorzitter: Dan schors ik de vergadering voor een kwartier (21.19 uur).
B - 26
Schorsing De voorzitter: De vergadering is heropend (21.48 uur). Het woord is aan de wethouder. Wethouder Van Doesburg: Dank u wel, voorzitter. In navolging van het advies van de burgemeester, zoals de raadsvergadering begon over dit voorstel, lijkt het me goed, zoals de meeste fracties ook deden, om met de inhoud te beginnen. Dan zal ik wat over het proces zeggen, om vervolgens in te gaan op de amendementen en de moties. Inhoudelijk ben ik blij te horen dat alle fracties een principe-uitspraak doen over het vraagstuk in het algemeen over vluchtelingenopvang. Goed om te weten dat overtuigend en in grote meerderheid de stelling ‘Gorinchem als tolerante stad’ ook vertaald wordt naar dit vraagstuk. Dat is, denk ik, heel duidelijk geworden. Dan inhoudelijk het voorstel zoals dat voorligt. Ik denk dat in dit voorstel het college in ieder geval heel duidelijk kleur bekent, en dat doet in de vorm van een negatief advies. En dan is dat inderdaad een optelsom. Ik heb goed naar de inbreng van D66 geluisterd, want die komt ook met een optelsom, en zo is dat met optelsommen: het is maar de vraag waar je in een optelsom de accenten legt en wat weegt dan zwaar en wat minder zwaar? En dan kun je ook tot een andere uitkomst komen. Dus in die zin begrijp ik de bijdrage van D66 ook. Het is alleen zo dat het college het resultaat van die optelsom naar een andere kant laat doorslaan.
En waarom blijf ik dan steeds het woord ‘optelsom’ benoemen? Omdat het heel verleidelijk is om dan te proberen aan te wijzen van: ja, maar wat is dan doorslaggevend? En dat is dus niet aan te wijzen. Het gaat om veel verschillende argumenten, de specifieke kenmerken van het gebouw, de specifieke kenmerken van de direct omwonenden: dat allemaal opgeteld kom je tot deze slotsom. Zoals ik in B&A gezegd heb, is dat ook voor het college geen sinecure geweest, want je doet gewoon een uitspraak over een heel belangrijk maatschappelijk thema. Dan het proces. Laat ik vooropstellen: de informatieplicht die aangehaald werd neemt dit college bloedserieus. Maar de vraag is natuurlijk wel: wanneer is er sprake van informatie, of relevante gegevens? Want dat is dan een definitie van informatie. In november en januari zijn gesprekken geweest. In de RIB van 24 april hebben wij direct aangegeven, toen dat pand gekocht was, dat de eerste gesprekken in november waren geweest. Als we even kijken naar die gesprekken, dan moeten we vaststellen dat die twee gesprekken, het gesprek in november en het gesprek in januari, eigenlijk twee keer hetzelfde kennismakingsgesprek is geweest.
De agenda’s zijn volgens mij ook geraadpleegd, het informatieverzoek dat vanuit de raad is gekomen, en dan zie je ook dat in de agenda van de burgemeester en in mijn agenda precies hetzelfde stuk is geagendeerd voor die ontmoeting met het COA, namelijk de brief van de commissaris van de Koning met een algemene oproep aan alle 52 gemeenten in Zuid-Holland van “er is een actueel landelijk vraagstuk, de druk wordt hoger, het verzoek om opvanglocaties wordt nijpender, ga alstublieft met het COA in gesprek”. Dus dat zijn zeer algemene gesprekken geweest over landelijke cijfers en kengetallen. Daarvan zeggen wij: er is niet direct aanleiding om met die algemene gegevens, die publiekelijk ook wel bekend zijn, direct naar de raad te rennen. U heeft wel gelijk dat er vervolgens in februari alweer een ambtelijke mail is waarin een positieve grondhouding genoemd wordt. Dat klopt. Over die mail heb ik het volgende gezegd- In de eerste plaats wil ik wel even rechtzetten, want daar werd een B - 27
opmerking over gemaakt, alsof ik een zwartepiet naar de ambtenaar zou hebben gespeeld of zo, nou, dat is niet gebeurd, en dan zal ik het nu weer herhalen: voor alle correspondentie van ambtenaren is gewoon bestuurlijke verantwoordelijkheid. Ik heb ook in die B&A-sessie heel duidelijk gesteld: dat is mijn verantwoordelijkheid. En daarover heb ik gezegd…. De voorzitter: Mevrouw Molengraaf, interruptie. Mevrouw Molengraaf-Vullers: Ja, voorzitter, dat is een opmerking die ik gemaakt heb en ik heb de wethouder toch heel duidelijk horen zeggen: “dat heeft de ambtenaar verkeerd opgeschreven”. Wethouder Van Doesburg: Ja, dat klopt, dat heeft u horen zeggen, maar ik heb nog meer gezegd, en niet alleen dat. Ik heb gezegd: dat had wat neutraler geformuleerd kunnen worden. Tegelijkertijd heb ik ook gezegd: ik vind het positief dat een ambtenaar enthousiast is, actie onderneemt, aan de gang gaat, denkt in mogelijkheden, want dat is tenslotte wat we met de organisatieontwikkeling ook willen bereiken. Mevrouw Molengraaf-Vullers: Voorzitter, ik weet niet of dat allemaal gezegd is, maar ik weet in ieder geval dat u na die opmerking over het verkeerd opschrijven door de heer Van Breemen gecorrigeerd bent en dat u toén pas hebt gezegd: “o nee, dat is mijn verantwoordelijkheid”.
Wethouder Van Doesburg: Dan adviseer ik u de notulen erop na te slaan en dat nog eens goed na te lezen, want dat is toch echt anders gegaan. Ook eerder al, in een I&O, heb ik heel duidelijk aangegeven: mijn verantwoordelijkheid. Ja, natuurlijk ligt er ook een verantwoordelijkheid voor de organisatie en kan iedereen er iets van leren als je denkt “de volgende keer moet een mail neutraler beschreven worden”. Dat is ook een feit. Ook niet erg om te noemen. De uiteindelijke verantwoordelijkheid ligt bij mij en juist ook heb ik benoemd dat ik het ook positief vind dat deze ambtelijke mail eruit gegaan is, dat er veel energie en activiteit op dit onderwerp zat, omdat wij een houding van energie en mogelijk maken toejuichen, maar ook temeer dat we het ook nog heel goed vonden dat deze ambtenaar duidelijk heeft aangegeven dat er nog geen bestuurlijk standpunt was ingenomen. Dus dat was ook een verstandige opmerking in die mail. Toen wij overvallen werd met die aankoop in april, is alles in een stroomversnelling gekomen… De voorzitter: Mevrouw Mager heeft een verduidelijkingsvraag. Mevrouw Mager: Ik hoorde net de heer Van Doesburg iets zeggen over een brief van de commissaris van de Koning met een verzoek voor asielzoekers.
Wij hebben in onze bijdrage gevraagd, en ik heb dat wel meer fracties horen vragen: wanneer gaan er alarmbellen af van “hé, hierover moeten we toch even de raad informeren”? Is zo’n brief dan ook niet iets waarvan u denkt: jeetje, het is wel handig om dat eventjes bij, nou voor mijn part de fractievoorzitters, of een delegatie vanuit de raad, te sonderen, om maar even een mooi woord te gebruiken? Want AZC, verzoek en commissaris van de Koning, dat lijken me toch wel drie ingrediënten die dat zouden kunnen opwekken.
B - 28
Wethouder Van Doesburg: Ja, maar dat zijn niet de ingrediënten van die brief hè: AZC, verzoek en commissaris van de Koning. De ingrediënten van de brief waren andere ingrediënten, namelijk kengetallen over landelijke cijfers, die op zichzelf geen nieuws zijn, want in alle landelijke media werd dat debat al gevoerd en waren die bekend. Dus nee, ik denk dat zo’n brief op zichzelf niet direct alarmbellen moet doen afgaan. De aankoop van het pand bracht alles in een stroomversnelling en toen hebben we ook binnen een dag een RIB eruit gegooid, om u zo snel mogelijk te informeren over die aankoop. Dit toont dan toch aan dat wij die informatieplicht bloedserieus nemen. Ik zeg nog wat meer dingen over het proces, omdat de motie van afkeuring daar ook wel over gaat, dus dan kom ik daar nog even op terug. Volgens mij is het nu goed om even de amendementen op de inhoud langs te lopen…. De voorzitter: Mevrouw Molengraaf. Mevrouw Molengraaf-Vullers: Ja, voorzitter, ik hoor de wethouder zeggen “we hebben zo snel geacteerd omdat we de informatieplicht bloedserieus nemen”. Maar ik heb aangekaart dat u ons in de RIB eigenlijk maar heel summier hebt geïnformeerd. Een heleboel wat we niet wisten hebt u daarin ook niet verteld. Dat hebben we pas ontdekt toen er vragen werden gesteld door een fractie uit de raad.
Vindt u dan dat u de informatieplicht in die RIB volledig recht hebt gedaan? Wethouder Van Doesburg: Ja, dat denk ik wel, want op dat moment was de meest relevante informatie dat een pand gekocht was. Dat er verder ook ambtelijke correspondentie was met ambtenaren van het COA was op dat moment helemaal niet zo relevant. Over het amendement van D66 heb ik het al gehad. Ik begrijp de optelsom, maar zoals ik heb gezegd kiezen wij ervoor om die optelsom een andere kant te doen uitslaan. Daar kunnen we dus niet in meegaan, want het is de hele essentie van het voorstel dat wij tot de optelsom komen die net anders uitpakt. Zeker de kennis die ons tijdens de B&A bereikt heeft, namelijk dat toen bevestigd werd dat de bestuurlijke toezegging er ligt, maakt de optelsom alleen maar sterker om het negatieve advies in stand te houden. In het amendement van de Partij van de Arbeid wordt eigenlijk verzocht beslispunt 3 wat proactiever te formuleren, als ik het goed samenvat. Dat is, denk ik, vooral iets wat bij de raad uitgesproken moet worden, want het is natuurlijk ook een principe-uitspraak die je daarmee dan doet. Ik begrijp de opmerking wel en de intentie ook die de Partij van de Arbeid daarmee naar voren wil brengen, dus ik kan daar ook wel helemaal in mee voelen; laat ik het dan zo formuleren. Het amendement van Gorcum Actief zegt dat we de beslispunten 2 en 3 moeten schrappen.
Ik denk niet dat dat het geval is. Ook al is beslispunt 2 negatief geformuleerd, er wordt daarin toch heel duidelijk om een principe-uitspraak van de raad gevraagd en die lijkt me gepast, ook omdat de inwoners op dat antwoord zitten te wachten. En dat beslispunt 3 niet zou moeten worden opgenomen omdat het om Rijksbeleid zou gaan, is, denk ik, niet het geval. Wat erin staat, is dat we de ontwikkeling van het Rijksbeleid zouden willen afwachten, om vervolgens eigen beleid te formuleren. Dus ik denk dat dat gewoon in stand kan blijven.
B - 29
De motie van het CDA over de Gildenwijk kan ik wel volgen, omdat wij natuurlijk in het raadsvoorstel op grond van wijkscans en andere informatie, en ook wel natuurlijk de gesprekken met de inwoners over de wijk, de kwetsbaarheid daarvan en de behoefte om dat op onderdelen te versterken-, dat die motie nu ingediend wordt waarin gezegd wordt “maak een prioriteit van een actieplan voor die wijk”, daar kan ik wel in meevoelen. Dus die zou ik positief willen adviseren. Het is goed om nog even op de motie van afkeuring in te gaan, omdat ik dan ook nog wat over het proces kan zeggen. Er zijn verschillende perspectieven als je naar een proces kijkt. Een vast gegeven is ook, als je terugkijkt op een proces, dat er altijd ruimte is voor verbetering, een ruimte voor verbetering die ik sowieso op 3 september ook heb erkend en die toegegeven is, met name richting de bewoners. Tussen 24 april en 3 september zitten veel maanden en dan was het beter geweest, ook al hadden we nog geen nieuws, om in ieder geval met die bewoners even te communiceren van “we hebben echt geen nieuws, maar we komen snel nog eens bij u terug”, om toch zo die betrokkenheid en respect voor die bewoners uit te spreken. Dat heb ik toen uitgesproken en dat doe ik nu heel graag weer.
Maar als het gaat over democratisch gehalte en het borgen van democratische waarden, eigenlijk de reden waarom deze motie van afkeuring is ingediend, dan kan ik dat toch niet volgen vanuit mijn perspectief, omdat ik net ook al aangeef: er lijken veel aannamen te worden gedaan over wat wel of niet zou zijn besproken in november dan wel januari, dan wel later, maar feitelijk kun je toch constateren, ook uit de informatie die opgevraagd is, dat ik als portefeuillehouder bestuurlijk voor het eerst contact heb op 24 april met het COA. Dat er voor die tijd nooit een bestuurlijk contact geweest is, is toch wel veelzeggend. Ook gelet op de agenda zoals ik die noemde voor de gesprekken in november en januari, een herhaling van twee kennismakingsgesprekken op een algemene brief van de commissaris van de Koning, denk ik: ja, er is geen enkele reden om alarmbellen te laten afgaan… De voorzitter: Mevrouw Molengraaf. Mevrouw Molengraaf-Vullers: Voorzitter. Ik hoor de wethouder maar steeds zeggen dat die twee kennismakingsgesprekken ongeveer identiek waren, inwisselbaar, verwaarloosbaar, gewoon bij elkaar opgeteld. Zo kijk ik er niet tegen aan.
Als het COA opnieuw kennis komt maken, dan komen ze dat echt niet doen voor de lekkere koffie en de vestingkoekjes, zeker daarbij opgeteld – en dan maak ik ook eens een optelsom – de brief van de commissaris van de Koning, waarin nadrukkelijk een appel op ons wordt gedaan, en de ambtelijke contacten. Hij wil toch dat kennismakingsgesprek, hoop ik, niet afdoen als een niet-bestuurlijk contact. Ik vind het eerlijk gezegd een optelsom waarbij u wél naar de raad had moeten gaan. Ik vind het echt stuitend dat u hier de hele tijd zit te zeggen “joh, ik heb bepaald dat het eigenlijk nog niet nodig was, ik vond het niet zwaar genoeg om naar de raad toe te gaan”. U gaat steeds op de stoel van de raad zitten! Wethouder Van Doesburg: Ik begrijp deze opmerking, maar ik kan het niet met u eens zijn. U was ook niet bij die gesprekken. Ik was ook niet bij het eerste gesprek, en dat was precies de reden om dat gesprek opnieuw te doen. En wat was de reden om dat gesprek opnieuw te doen: er was een andere portefeuillehouder aangewezen, vandaar. En ook om dat recht te zetten: ik spreek niet namens mijzelf als wethouder, ik spreek namens het B - 30
college. Die vraag had u ook eerder gesteld en dat antwoord was ik u nog verschuldigd. Bij dezen. Het college was die opvatting toegedaan. De voorzitter: Mevrouw Van Oversteeg. Mevrouw Van Oversteeg: De wethouder vroeg het ook al aan mevrouw Molengraaf: het lijkt bijna alsof ze zelf bij die gesprekken was. Ik vind het toch wel bijzonder suggestief wat daar wordt gesuggereerd, met name omdat het COA ook later heeft bevestigd dat er geen sprake was van een toezegging en dat zij volledig op eigen risico dat pand hebben gekocht. Dus ik vind de suggestie die hier wordt gewekt nogal suggestief. Mevrouw Molengraaf-Vullers: Mag ik vragen welke suggestie? Mevrouw Van Oversteeg: De suggestie dat het college de raad bewust later heeft geïnformeerd. Kijk, achteraf is het altijd makkelijk oordelen hoe bepaalde zaken in welk licht zouden staan, maar als ik de correspondentie bekijk, waar u ook naar verwijst, en vervolgens de conclusie die u daar aan hangt, dan deel ik die absoluut niet. Mevrouw Molengraaf-Vullers: Als ik daarop mag reageren, voorzitter? De voorzitter: Ja, mevrouw Molengraaf. Daarna mevrouw Van Maaren en dan mevrouw Hamann. Mevrouw Molengraaf-Vullers: De suggestie die ik doe is precies wat de wethouder zelf zegt. Hij weegt of hij informatie zwaar genoeg vindt om naar de raad te gaan en ik vind dat hij daarmee een ongelooflijke miskleun heeft gemaakt.
Hij heeft de optelsom niet goed gemaakt, dat is wat ik hem verwijt. De voorzitter: Volgens mij zei de wethouder: “het college”. Mevrouw Van Maaren. Mevrouw Van Maaren: Ja, in aanvulling daarop. Ik ben bij een aantal sessies geweest waarin herhaaldelijk door diverse raadsleden om informatie is verzocht, en daar is altijd omheen gepraat. Dus ik denk niet dat dit zomaar uit de lucht komt vallen en een suggestie is. De voorzitter: Mevrouw Hamann. Mevrouw Hamann: Dank u wel. Ook wij hebben meermalen vragen gesteld, vooral na de krantenberichten dat het COA het pand gekocht had. Dat lazen we eerst in de krant, daar schrokken heel veel mensen van en daar kwamen ook telefonische berichten over. Dus toen zijn wij vragen gaan stellen, dat was mei vorig jaar. Hoeveel vragen moeten wij stellen voordat wij informatie krijgen? En ik moet zeggen dat de antwoorden zeer summier waren. Ten tweede verbaas ik mij een beetje over de reactie van de wethouder op het amendement om punt 2 te schrappen. Hij zegt dat daar een statement wordt gemaakt, maar wij zien dat daar juist geen statement wordt gemaakt. Er wordt gewoon gezegd “we doen iets niet”. Maar ja, dat wisten wij al. Maak dat nou eens duidelijk met een brief aan die bewoners, zodat die het ook weten. Als je zegt dat je iets niét doet, is dat geen besluit. De voorzitter: Mevrouw Van Oversteeg wil ook nog reageren, zie ik.
B - 31
Mevrouw Van Oversteeg: Het lijkt nu een beetje de kant op te gaan “hoeveel vragen moeten we nog stellen?” De vraag die bij mij op het netvlies staat is: had de wethouder ons eerder moeten informeren over de gesprekken die gaande waren? 1. Ik hoor de wethouder zeggen: er zijn twee dezelfde gesprekken gevoerd, namelijk kennismakingsgesprekken. 2. Die gesprekken hadden geen aard dat de raad daarover geïnformeerd had moeten worden. Ik hoor mevrouw Molengraaf zeggen “de wethouder bepaalt zelf wanneer hij iets klaar vindt om naar de raad te sturen”. Ook dat vind ik nogal suggestief, want ik hoor de wethouder ook zeggen, over elk oriënterend gesprek, elke partij die bij ons langs komt over welk object dan ook: als dat in een oriënterende fase is en dat heeft verder ook nog geen verdere gevolgen, wat valt er dan ook te informeren? Ik vertrouw erop dat dat ook zo is gebeurd en ik zie dat vertrouwen bevestigd in 1. de informatie die het college ons heeft gegeven en 2. het feit dat het COA dat ook heeft bevestigd. En dan kunnen we met z’n allen redeneren “ja, maar het COA heeft toch dat pand aangekocht en dat doen ze niet zomaar?” Maar laten we asjeblieft bekijken waar wij invloed op hebben, en dat is niet de business van het COA. Laten we het COA gewoon z’n ding laten doen en ons focussen op de raadzaal in Gorinchem. De voorzitter: Mevrouw Hamann.
Mevrouw Hamann: Ik luister met aandacht naar het verhaal van mevrouw Oversteeg. Ik kan me nog goed herinneren dat bij het vorige AZC in ieder geval de fractievoorzitters direct na het aller-, allereerste bezoek van het COA al zijn geïnformeerd van: “goh, het COA heeft gebeld, die willen iets, wat vinden jullie daarvan?” En dan kun je het er met elkaar over hebben en kun je ook al een richting hebben van: ja, we willen verder praten met COA, of we willen niét verder praten met COA. Alleen al met dát gegeven kom je bij de raad. Je gaat niet allerlei gesprekken voeren en dan achteraf een RIB-je over de schutting gooien. Zo werkt dat niet. De voorzitter: Dank u wel. Mevrouw Mager. Laten we wel afspreken dat we het houden bij puntige reacties, want ik zie een hele lijst aan interrupties in de chat. Mevrouw Mager. Mevrouw Mager: Ja, ik wil graag weer even terug naar de reactie van de wethouder. Ik geloof wel dat we kunnen concluderen dat de wethouder eigenlijk toch vindt dat hij goed gehandeld heeft in zijn informatievoorziening. Dat vind ik best bijzonder.
Maar dan vraag ik me toch ook even af: als je nou kennismakingsgesprekken hebt gehad met het COA, hoe moeilijk is het dan om na een maand, of anderhalve maand, eens even te denken van “goh, die lui zijn niet voor niks kennis komen maken met ons, laat ik eens even bellen om te vragen wat de stand van zaken is”? Ik bedoel: het is natuurlijk heel makkelijk om het bij een derde neer te leggen die niet hier is en zich ook niet kan verdedigen. Ik heb zoiets van: dan zou je toch heel gemakkelijk op die manier de draad weer even op kunnen pakken? De voorzitter: De wethouder heeft de vraag genoteerd. Meneer Hachhouch. De heer Hachhouch: Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Ik merk heel vaak het verwijt dat er onvoldoende geïnformeerd zou zijn. Volgens mij hebben wij allemaal tijdig dezelfde communicatie ontvangen en volgens mij heeft de wethouder ook aangegeven B - 32
dat het college iets later heeft gereageerd op de informatiebehoefte van inwoners. Maar belangrijker is: de situatie is gelopen zoals die is gelopen en laten we kijken wat we nú kunnen betekenen voor onze inwoners en voor de grote uitdaging die we hebben in de maatschappij. De voorzitter: Mevrouw Molengraaf. Mevrouw Molengraaf-Vullers: Ik begrijp dat de coalitiegenoten het heel graag gauw weg willen poetsen en door willen naar de echte kwesties, maar ik vind echt – en ik ben niet de enige – dat het college ernstig tekort is geschoten in zijn informatieverplichting. Alleen al met het feit dat de wethouder zelf zegt “niemand hoeft mij te vertellen hoe politiek gevoelig dit is”, erkent hij eigenlijk dat hij dat gewoon helemaal niet goed ingeschat heeft in januari/februari. Ik vind het ook wel heel makkelijk om te zeggen “daar moeten we het nu maar niet over hebben, dat is allemaal proces”. Maar dit is ontzettend belangrijk. Wij worden als raad zo niet in staat gesteld om een goed proces te lopen en daar baal ik van! De voorzitter: Dank u wel. Mevrouw Van Oversteeg. Mevrouw Van Oversteeg: Jammer, de suggestie die mevrouw Molengraaf wekt met hetgeen zij schetst over de coalitie, want ik vind het bijzonder jammer de grote woorden die worden gebruikt over het optreden door achteraf dingen in te vullen zoals men denkt dat ze misschien wel zouden kunnen zijn gebeurd.
Ik geef daar een heel andere invulling aan en volgens mij staat het ons vrij om daar het debat over te voeren. Daarnaast maakt mevrouw Hamann de koppeling met de vorige keer. Laten we helder zijn: er ligt nu nog geen verzoek van het COA. Hoe concreet het de vorige keer was kan ik moeilijk inschatten, maar ik kan wel inschatten hoe concreet het nu was, en dat is dat dat helemaal niet concreet was, maar in een oriënterende fase kwam. En ten slotte hoor ik mevrouw Mager zeggen “ja, het is wel makkelijk om het bij een derde neer te leggen, om de schuld daarop af te schuiven”. Maar ik vind het ook een hele gekke situatie om het handelen van een derde te betrekken in deze raadzaal, terwijl die derde vrij is om te handelen en vrij om een aankoop te doen, al dan niet. Daarbij komt nog eens dat deze derde kundig genoeg is om de processen van de gemeente te kunnen doorgronden en dat wij hen daarbij niet hoeven te helpen. Dus laten wij ons focussen op de taak die voor ons ligt: het beantwoorden van de vraag “willen wij een AZC in het voormalig belastingkantoor, ja of nee?” De voorzitter: Dank u wel. De heer Schefferlie. De heer Schefferlie: Dank u wel, voorzitter. Ik wil graag even reageren op mevrouw Molengraaf. Elke keer neemt mevrouw Molengraaf de vrijheid om namens de raad te spreken.
Ik denk dat zij vergeet dat een overwegend deel van de raad zich wel goed geïnformeerd voelt, gewoon op het moment dat het zinvol was. En wat er de hele tijd gebeurt, is alsof we met terugwerkende kracht wisten dat zo’n COA die locatie had gekocht. Er wordt eigenlijk niet gerept over de gesprekken die de burgemeester al heeft gevoerd. Dus er is een beetje een ongezonde focus met allemaal kennis met terugwerkende kracht en ik vind het eigenlijk niet meer gezond in de manier waarop dat B - 33
wordt uitgedrukt. Ik wil in ieder geval niet dat er namens de raad gesproken wordt door mevrouw Molengraaf. Dat lijkt me niet handig. De voorzitter: Mevrouw Van Maaren. Mevrouw Van Maaren: Ik vind het opmerkelijk dat door een aantal mensen voor mij een beetje neer wordt gekeken op het feit dat de raad een controlerende rol heeft. Dat is een van de twee hoofdtaken van ons: beleid maken en daarop het college controleren. Dat is onze taak, en wel voor de hele raad, meneer Schefferlie, zowel oppositie als coalitie. Ik hoor nu allemaal praatjes om, zeg maar, krom praten recht te praten. Ik vind het dieptriest dat er nooit eens een goede reflectie kan worden gehouden door dit college. Dank u wel. De voorzitter: De heer Bahlmann. De heer Bahlmann: Dank u wel, voorzitter. In B&A is uitvoerig gesproken over het proces en iedereen heeft haar of zijn mening uitvoerig duidelijk kunnen maken. Laten we het daarbij houden. Niemand is gebaat bij een herhaling van zetten. Volgens mij is het duidelijk hoe een groot deel van de oppositie denkt over het gelopen proces. Laten we het vanavond vooral hebben over het bespreken van de amendementen en de moties, over de inhoud. Dank u wel, voorzitter. De voorzitter: Mevrouw Hamann, en dan sluiten we dit af. Ik denk dat er dan voldoende is gezegd op dit onderdeel. De wethouder kan daar dan een reactie op geven en zijn betoog vervolgen. Mevrouw Hamann.
Mevrouw Hamann: Twee kleine reacties, allereerst op mevrouw Van Oversteeg. Ook de vorige keer was er alleen nog maar sprake van een telefoontje van “wij willen eens praten in Gorinchem over vluchtelingenopvang”. Dat was alles, dat was nog niet in een vergevorderd stadium, dus er is direct gepraat toen. Maar goed, laat het maar zitten verder. Ik verbaas me nog meer over de reactie van de heer Schefferlie, die zegt “het overwegende deel van de raad wist het wel allemaal”. Gaat hij ons nu vertellen dat een deel van de raad wel de informatie krijgt en een ander deel niet? De voorzitter: De vraag is gehoord en daar zal de wethouder ongetwijfeld antwoord op kunnen geven. De heer Schefferlie: VoorzitterDe voorzitter: Ja, misschien is het goed dat u erop reageert, want u wordt aangesproken. De heer Schefferlie: Dat lijkt me ook. Mevrouw Hamann verstaat de kunst om het elke keer verkeerd te willen verstaan. Wat ik heb aangegeven, is dat het merendeel van de raad geen probleem heeft met de manier waarop het college de raad heeft geïnformeerd en de momenten waarop ze dat heeft gedaan, niet dat wij anders of eerder wel geïnformeerd waren. Dat is het. Dat hele probleem van vroegtijdig: daarbij heb ik ook aangegeven hoe dat bij al die andere gemeenten ook gegaan zal zijn. Je gaat toch niet bij een verkennend
B - 34
gesprek heel die raad elke keer meteen informeren? Dat doe je op het goede moment en wij zijn tevreden over de manier waarop dat is gegaan. De voorzitter: Ik geef de heer Tekir nog het woord en dan gaan we terug naar de wethouder. De heer Tekir: Dank u wel, voorzitter. Ik wil graag interrumperen op dit punt, omdat het debat nu toch weer helemaal is overgeslagen op het proces en ik moet zeggen dat de heer Hassouna en ik hier best wel vermoeid van raken. Als we even terugblikken, was het college nou wel of niet op tijd: ik kan me de vorige keer herinneren, een paar jaar terug, toen zijn wij volgens mij een keer in het fractievoorzittersoverleg op de hoogte gebracht van het feit dat er gesprekken liepen. Daar bleef het bij en verder was dat volgens mij op dat moment ook niet in de openbaarheid, wat ik destijds ook helemaal niet kwalijk heb genomen, net zoals ik het in alle oprechtheid begrijp – en dat is niet om de coalitie te verdedigen – dat, als het COA daadwerkelijk voor een kennismaking is binnengekomen, zonder een specifiek verzoek, dat onvoldoende grond heeft om op dat moment de raad erbij te betrekken.
Want laten we eerlijk zijn: wat hadden we gedaan als we in november/december hadden geweten dat het COA hier voor een kennismaking binnen was gekomen? Hadden we dan met z’n allen een Stadsgesprek georganiseerd, omdat het COA kennis wil maken met ons? Ik denk het niet en ik denk ook oprecht niet dat het iets in proces of in uitkomst had gescheeld als de raad wel een paar maanden eerder was geïnformeerd. Natuurlijk, het was chic geweest, vandaar ook dat wij de vorige keer hebben aangegeven dat er procesmatig van alles en nog wat valt te verwijten. Het was chic geweest, maar niet meer dan dat. Dat procesmatige slaat ook door, vind ik, aan de kant van Democraten Gorinchem, want vanwege hetzelfde argument, namelijk dat het COA in dit hele proces een fout zou hebben begaan – die kopen een pand omdat zij, denk ik, aan hun eigen doelstelling willen voldoen –, vindt Democraten Gorinchem het zo nodig om dan niet bereid te zijn om op deze locatie een asielzoekerscentrum te vestigen, wat we ook niet begrijpen. De voorzitter: Laten we het even kort houden in een interruptie! De heer Tekir: De bottom line is, voorzitter – ik sluit af –, dat vanwege allerlei procesmatige redenen inhoudelijke conclusies worden getrokken, en dat vinden wij heel erg jammer. Dank u wel.
De voorzitter: Ik heb deze interrupties even laten lopen, omdat ten aanzien van de informatievoorziening een motie is ingediend, maar ik stel voor nu wel verder te gaan met de volgende punten. De wethouder heeft het woord. Wethouder Van Doesburg: Dank u wel, voorzitter. Het is ingewikkeld met al deze interrupties. Daar kan ik niet meer zo op reageren; dat zou dan in tweede termijn moeten. Ik was eigenlijk al bijna aan het einde van mijn betoog en wilde over die motie van afkeuring nog zeggen dat, als je terugkijkt op een proces, je altijd andere inzichten hebt. Gelukkig maar dat om die reden heel veel mensen geschiedenis studeren. Met de kennis van nu, alleen al omdat we dit debat zo lang over het proces voeren, dan zou de conclusie B - 35
zijn: ja, dan had je de raad dus eerder moeten informeren. Tegelijkertijd blijf ik bij mijn standpunt dat met de kennis die we toen hadden, de karakteristiek van de gesprekken zoals ze op dat moment gevoerd werden, en juist het feit dat dit een politiek sensitief onderwerp is, het beste argument is dat je goed weegt: wanneer ga je nou wel of niet communiceren? Dat doe je als je een goede informatiepositie hebt, zodat je dat zorgvuldig kunt doen. Dat is de overweging geweest die het college naar eer en geweten gemaakt heeft. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel. Ik ga ervan uit dat de raad een tweede termijn wenst. Is het een idee om dan weer het rijtje langs te gaan? Als ik geen bezwaren hoor, ga ik dat doen. Mevrouw Molengraaf-Vullers: Voorzitter, ik denk wel dat wij behoefte hebben aan een schorsing. Overigens heb ik nog een antwoord tegoed van de voorzitter van het college, waar ik expliciet om had gevraagd. De voorzitter: Volgens mij was uw vraag of het college in totaliteit achter het proces staat. Klopt dat? Mevrouw Molengraaf-Vullers: Nee. Mijn vraag was of de opmerking van de wethouder in I&O van 17 september 2020 dat het informeren van de raad alleen maar tot onrust zou leiden, een collegestandpunt was. Wethouder Van Doesburg: Voorzitter, ik wil hier eerst op reageren.
U hebt net niet expliciet gezegd dat die vraag voor de voorzitter van de raad was… Mevrouw Molengraaf-Vullers: Zeker wel! Wethouder Van Doesburg: Nee, dat heeft u niet gezegd. Mevrouw Molengraaf-Vullers: Jawel! Wethouder Van Doesburg: Ik heb namens het college geantwoord dat ik niet alleen maar vanwege het argument ‘onrust’ zou hebben besloten om niet te informeren. Nee, het argument was: het was geen informatie. Mevrouw Molengraaf-Vullers: Voorzitter, ik wil graag een antwoord van de voorzitter van het college. Ik vind dit echt buiten de orde wat de wethouder doet. De voorzitter: De stappen die het college heeft gezet, heeft het college in unanimiteit gezet. Dus de informatievoorziening, de besluiten die zijn genomen, dat zijn unanieme collegebesluiten geweest. En als het gaat over specifieke uitdrukkingen in vergaderingen: het is niet zo dat wij op collegeniveau dicteren hoe de formulering exact moet zijn in I&O’s en B&A’s. Dus als zodanig hebben we daar in het college niet over gesproken, maar de strekking van het verhaal van wethouder Van Doesburg, namelijk: er was onvoldoende informatie om op dat moment de raad te informeren, onderschrijf ik en onderschrijft het gehele college. Ik hoop dat u ook het tweede deel heeft gehoord dat hij vandaag heeft gezegd, namelijk: met de wijsheid van de terugblik zouden we nu andere
B - 36
stappen zetten als college. Dat is ook gezegd en ik denk dat het goed is dat u dat ook betrekt bij uw beschouwingen in tweede termijn. Mevrouw Molengraaf-Vullers: Nu zouden we graag willen schorsen. De voorzitter: Hoe lang wenst u te schorsen? Mevrouw Molengraaf-Vullers: Ik denk een kwartier. De voorzitter: Goed, dan schors ik de vergadering voor een kwartier (22.24 uur). Schorsing De voorzitter: Ik heropen de vergadering (22.44 uur). Aan de orde is de tweede termijn. Ik geef allereerst de heer Tekir van D66 het woord. De heer Tekir: Wederom dank, voorzitter. In eerste termijn zijn door de fracties een aantal voorstellen gedaan waarop ik wil ingaan, te beginnen met het amendement van de Partij van de Arbeid. Het is wat ons betreft spijtig genoeg om te zien dat dit, ja toch wel progressieve college een voorstel doet om vluchtelingen in de kou te laten. Niet echt ‘Stad van tolerantie’, zeg maar. Maar evenzo vinden wij het spijtig dat de Partij van de Arbeid en Democraten Gorinchem met hun amendement een poging doen om hun sociale gezicht te redden: dus dan maar kiezen voor kleinschalige opvang, niet meer dan 50/60 vluchtelingen, en hoe dan ook op een andere locatie, al weten we niet welke. Wij vragen ons af of het opvangen van dergelijke kleine groepen wel realistisch is.
Daarnaast vinden wij het ook niet slim om onszelf op voorhand al vast te leggen op allerlei cijfermatige beperkingen. Wie bepaalt dat we er straks 50 of 60 zouden moeten huisvesten? Voor D66 is de capaciteit van het gebouw leidend om te bepalen of een bepaalde wijk, of een bepaald gebouw, dat aantal aan kan en niet een ongefundeerd aantal, dat misschien politiek gezien wel goed uitpakt, maar waar de doelgroep niet veel mee opschiet. Wij zouden het dan ook niet goed vinden als we bijvoorbeeld straks een locatie vinden waar we, zeg, 300 mensen kunnen huisvesten, maar omdat we dan dit amendement hebben aangenomen toch maar een handjevol toelaten. Laat het duidelijk zijn dat wij deze poging van de Partij van de Arbeid een poging in de goede richting vinden, maar niet zullen steunen. Dat zullen wij temeer niet doen, omdat wij zelf een alternatieve motie achter de hand houden, die wij graag indienen als ons amendement het niet haalt. Ik wil hem alsnog wel geïntroduceerd hebben. In de motie stellen wij voor de principe-uitspraak te doen dat de gemeenteraad van Gorinchem bereid is vluchtelingen op te vangen op een daartoe geschikte locatie, als het COA daartoe een beroep doet op de gemeente. Wat D66 betreft is deze positieve grondhouding het minste wat we kunnen doen om onszelf nog ‘Stad van tolerantie’ te kunnen blijven noemen. De voorzitter: Ik zie de heer Oostrum.
De heer Oostrum: Ik wil graag een misverstand wegnemen dat de heer Tekir oproept. In het amendement van de Partij van de Arbeid wordt duidelijk de bereidheid uitgesproken om asielzoekers en statushouders op te vangen en om daarover in gesprek te gaan met
B - 37
bewoners. Dat is volgens mij niet anders dan de heer Tekir nu met zijn motie wil voorstellen. De heer Tekir: Dank voor deze poging, meneer Oostrum, maar volgens mij is er geen misverstand, want ik reageer op het deel waarin u heel sterk pleit voor kleinschalige opvang en daarin verschillen wij toch echt van mening, want zoals ik al aangaf willen wij niet vooraf, zonder dat we een verzoek hebben, zonder dat we een pand hebben, onszelf al een beperking opleggen dat het ‘zoveel’ moet zijn, terwijl we straks misschien een locatie hebben die veel meer aankan , of een wijk waarin veel meer mensen welkom zijn. Dat vinden we te beperkend en ook niet echt recht doen aan waar de Partij van de Arbeid voor staat, maar daar ga ik zelf niet over. Een ander amendement is ingediend door Gorcum Actief, met een aantal mede-indieners. In dat amendement, en dat is wel bijzonder, wordt voorgesteld de beslispunten 2 en 3 te schrappen. Op zich zouden we daar geen moeite mee hebben, maar eerlijk gezegd blijft er dan niet veel meer van het voorstel over, behalve beslispunt 1, waarmee we kennis nemen van het rapport. Met andere woorden: wat besluiten we dan nog? Wat we in ieder geval niet doen is kleur bekennen en wat D66 beslist wél wil doen in deze discussie is kleur bekennen, dus wij vinden dat dit amendement niet veel toevoegt en daarom zullen daar niet in meegaan.
Er is ook nog een motie van het CDA om een wijkscan te doen in de Gildenwijk, aangezien nu zou blijken dat daar alle reden toe is. Op zich is het sympathiek dat we dat gaan doen en ik snap ook wel de reactie van het college, maar als we dat toch doen, laten we dan beginnen met een enquête in alle wijken van Gorinchem waarin we in beeld brengen wat de sterktes en de zwaktes zijn van de verschillende wijken. Laten we dan op basis daarvan meerdere wijkscans doen. Ik gun het de Gildenwijkers van harte, maar om toevallig hier te doen alsof daar van alles speelt wat aangepakt moet worden… De voorzitter: Mevrouw Van Oversteeg, interruptie Mevrouw Van Oversteeg: Ja, voorzitter, dank u wel. Het gaat niet zozeer om een wijkscan waar de heer Tekir op doelt en waar de motie op ziet, het gaat over een actieplan om juist met de aandachtspunten die al uit de informatie bekend is aan de slag te gaan, dus om daaraan concreet uitvoering te geven en niet opnieuw tijd en moeite te steken in een heleboel onderzoeken. We hebben nu al een aantal keren bij verschillende punten onderzoeken gezien waaruit aandachtspunten komen en wij zouden graag juist deze gelegenheid willen aangrijpen om door middel van de sterke punten van de wijk de aandachtspunten op te lossen, omdat zeker bij dit voorstel echt naar voren komt dat er wel wat aandachtspunten zijn.