07 Bijlage 1.2 Ontwerp-bestemmingsplan Leijoever separate bijlagen bij de plantoelichting.pdf
Tekst van het document
Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel IV geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. Grondwatertrappenindeling15
Tabel IV. Grondwatertrap
I
II'
III'
IV
V'
VI
VII"
VIII
GHG (cm -mv)
-
<40
<40
>40
<40
40-80
>80
> 140
GLG (cm -mv)
<50
50-80
80-120
80-120
>120
>120
>120
-
') ")
Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld
Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI, VII en VIII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Tevens is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten, hoe beter de ontwatering hoe slechter de conservering. Het plangebied heeft een grondwatertrap tussen VI (hoogste terreindelen in het noordwestelijke deel van het plangebied) en III (laagste terreindelen in het zuidoostelijke deel van het plangebied). Voordat het gebied grootschalig ontgonnen werd ten behoeve van agrarische doeleinden, zal het plangebied periodiek zeker te maken hebben gehad met periodiek hoge grondwaterstanden (periodiek natte/drassige condities), vanwege de ligging op de flank van en deels binnen een beekdalbodem. Het plangebied vormde dan waarschijnlijk ook geen gunstige locatie voor bewoningsactiviteiten, echter wel voor activiteiten die gerelateerd zijn aan het beekdal van de voorloper van de Leij. Vandaag de dag worden de grondwaterstanden gereguleerd.
14 15
Bakker & Locher, 1990 Locher & Bakker, 1990
Rapport 4013.001 versie 2
Pagina 10 van 26
3.7
Archeologische waarden
Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erf16 goed (RCE). In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 13. Tevens zijn in de figuur de indicatieve archeologische waarde en de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 1 kilometer weergegeven. Indicatieve archeologische waarde De IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) geeft voor heel Nederland de trefkans aan op het voorkomen van archeologische resten. Die trefkans is aangegeven in vier categorieën (per landen waterbodem): een hoge, middelhoge, lage en zeer lage verwachting. Bebouwde gebieden, waarvan geen bodemkundige of geologische gegevens bekend zijn, zijn niet gekarteerd. De IKAW is voornamelijk gebaseerd op de relatie die er bestaat tussen de bodemkundige of geologische kwalificaties en de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen. Een punt van aandacht daarbij is dat de IKAW grotendeels is gebaseerd op kaarten met een schaal van 1:50.000.
De grenzen op de kaart zijn in werkelijkheid globale overgangen, abrupte overgangen zijn het gevolg van bodemkundige of geologische kwalificaties. Op lokaal schaalniveau is de kaart daarom minder betrouwbaar. Daarbij komt dat de IKAW voornamelijk gebaseerd is op de aanwezigheid van nederzettingen vanaf het Laat-Paleolithicum tot en met Vroege Middeleeuwen en niet op bijvoorbeeld grafvelden of offerplaatsen. Voor de periode Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd is de IKAW minder betrouwbaar, vooral voor de gebieden die vanaf die perioden zijn ontgonnen. Een lage verwachting voor het aantreffen van archeologische waarden en resten wil daarom niet zeggen dat er geen archeologische waarden of resten aanwezig kunnen zijn. De kans daarop is echter wel kleiner. Volgens de IKAW ligt het plangebied grotendeels in een niet gekarteerd gebied, vanwege de ligging binnen de bebouwde kom van Riel. Het plangebied grenst wel aan een gebied met een lage kans op het aantreffen van archeologische waarden (zie figuur 14). De lage kans zal gelden voor bewoningsactiviteiten. Echter, voor activiteiten die gerelateerd zijn aan het beekdal van de voorloper van de Leij heeft het plangebied wel een hoge kans op het aantreffen van archeologische waarden. AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland.
De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Binnen het plangebied liggen geen AMK-terreinen. Binnen het onderzoeksgebied ligt één AMK-terrein (zie tabel V en figuur 13).
16
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
Rapport 4013.001 versie 2
Pagina 11 van 26
Tabel V.
Overzicht AMK terreinen
AMK nr.
Situering t.o.v. plangebied
Datering
Waarde en omschrijving
16.850
250 meter ten westen
Middeleeuwen laat A Nieuwe tijd
Toponiem: Riel Complex: Nederzetting Waarde: Terrein van hoge archeologische waarde Betreft een terrein met de oude dorpskern van Riel. Middeleeuwse bewoning voor 1250. Op de AMK-Noord Brabant zijn historische stads- en dorpskernen en clusters oude bebouwing als gebieden van hoge archeologische waarde aangegeven. Dit is op grond van het belang van deze locaties, waar de wortels van de huidige dorpen of steden kunnen liggen. De selectie en begrenzing van deze kernen is e e gebaseerd op 16 -eeuwse (Van Deventer) en vroeg 20 -eeuwse kaarten (Bonnebladen). Binnen deze contouren kunnen in de bodem resten van vroegmoderne en waarschijnlijk ook van laatmiddeleeuwse (vanaf circa 1300 AD) bewoning aangetroffen worden. Ook sporen van oudere bewoning kunnen aanwezig zijn. Daarbij moet in ogenschouw worden genomen dat de bewoning in de Vroege en Volle Middeleeuwen (tot circa 1300 AD) een meer dynamisch karakter gehad kan hebben en dat de plaats en grens ervan niet per se hoeft samen te vallen met die van de latere bewoning.
In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal elf archeologische onderzoeken uitgevoerd Het gaat daarbij om negen bureau- en/of booronderzoeken (prospectief onderzoek) en twee proefsleuvenonderzoeken (zie tabel VI en figuur 13). Tabel VI.
Overzicht onderzoeksmeldingen
Zaakidentificatie (OMnummer)
Situering t.o.v. plangebied
Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek
2227324100 (32734)
200 meter ten noordwesten
Type onderzoek: bureau- en/of booronderzoek Toponiem: Gemeentewerf Riel Uitvoerder: Oranjewoud BV Datum: 5-1-2009 Resultaat: Aangetoond is dat het hier om laagte gaat in de nabijheid van het ten oosten gelegen beekdal. Op meerdere plaatsen is het plangebied tot op grote diepte geroerd waardoor de kans op het aantreffen van een intacte archeologische vindplaats als klein moet worden beschouwd. Geadviseerd is derhalve dan ook geen archeologische vervolgonderzoek uit te voeren.
2429144100 (59748)
200 meter ten westen
Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: Kerkstraat 15 Riel Uitvoerder: Aeres Milieu Datum: 16-1-2014 Resultaat: De resultaten van het onderzoek worden niet vermeld in ARCHIS.
2212428100 (30638)
350 meter ten westen
Type onderzoek: bureau- en booronderzoek Toponiem: Maasland, Kerkstraat, Peelland Riel Uitvoerder: BILAN Bureau Interdisciplinaire Landschapsanalyse Datum: 5-9-2008 Resultaat: Uit het bureauonderzoek bleek dat het plangebied op basis van de verwachte ligging in een gebied met hoge zwarte enkeerdgronden langs het beekdal van de Ley volgens de systematiek van de IKAW een hoge archeologische verwachting heeft. Hoge zwarte enkeerdgronden worden gekenmerkt door een humeus dek (esdek) met een dikte van 50 cm of meer, waardoor het oorspronkelijke bodemprofiel, en dus de mogelijk onderliggende archeologie, tegen diepe grondverstoringen is beschermd. In de omgeving van het plangebied zijn niet veel vondsten bekend, waardoor geen specifieke verwachting voor bepaalde perioden geldt voor het plangebied. Bekend is dat het plangebied in ieder geval van het begin van de 19e aan de Kerkstraat bebouwd is geweest en voor de rest steeds in gebruik is geweest als bouw- en/of weiland. De verwachting is derhalve dat het plangebied onverstoord is. Op basis van het bureauonderzoek wordt aan het plangebied een hoge verwachting toegekend voor archeologische waarden vanaf de Steentijd. Uit het veldonderzoek bleek dat in het plangebied hoge zwarte enkeerdgronden aanwezig zijn met een 62 tot 115 cm dik esdek. Onder het esdek werd in het centrale deel van het plangebied nog een restant van een oorspronke-
Rapport 4013.001 versie 2
Pagina 12 van 26
lijk bodemprofiel aangetroffen. In het noordelijke deel was de top van de C-horizont licht verstoord, waardoor eventueel aanwezige sporen nog grotendeels onverstoord zullen zijn. In het plangebied werden indicatoren uit het Mesolithicum en de late Middeleeuwen-B aangetroffen, die mogelijk duiden op een vindplaats. Op basis van deze resultaten behoudt het plangebied een hoge verwachting voor archeologische waarden vanaf de steentijd is een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven aanbevolen. 2150560100 (21794)
650 meter ten westen
Type onderzoek: bureau- en booronderzoek Toponiem: Kerkstraat, De Vier Kwartieren III Riel Uitvoerder: BILAN Bureau Interdisciplinaire Landschapsanalyse Datum: 2-4-2007 Resultaat: Op basis van de resultaten blijft, zeker voor de zones met een gave bodemopbouw, een middelhoge verwachting bestaan voor het aantreffen van archeologische waarden. Een waarderend inventariserend veldonderzoek in de vorm van proefsleuven wordt noodzakelijk geacht om de aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en relatieve kwaliteit van archeologische resten vast te stellen. Dit vervolgonderzoek dient zich in eerste instantie te richten op de zones met een gaaf bodemprofiel. Indien hierbij archeologische waarden aangetroffen worden, dient het onderzoek uitgebreid te worden tot het volledige plangebied.
2332592100 (47197)
650 meter ten westen
Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek, naar aanleiding van de resultaten van het eerder uitgevoerde bureau- en booronderzoek (zie Zaakidentificatie OMnummer) 2150560100 (21794)) Toponiem: Vier Kwartieren Iii Riel Uitvoerder: Archeologisch Onderzoek Leiden BV Datum: 27-6-2011 Resultaat: De resultaten van het onderzoek worden niet vermeld in ARCHIS.
2231406100 (17457)
850 meter ten zuidwesten
Type onderzoek: bureau- en booronderzoek Toponiem: Heisteeg Riel Uitvoerder: Grontmij Datum: 14-6-2006 Resultaat: Uit het BO is gebleken dat het plangebied Heisteeg te Riel een hoge kans heeft op het aantreffen van archeologische waarden. Tijdens het veldwerk is vervolgens gebleken dat er de bodemopbouw grotendeel intact is. Verspreid over het plangebied zijn intacte podzolprofielen waargenomen. Van de 51 gezette boringen vertoonden slechts 6 boringen een duidelijk verstoorde bodemopbouw. Er zijn geen archeologische indicatoren waargenomen. Het niet aantreffen van archeologische indicatoren hoeft echter niet te betekenen dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn. Omdat het moeilijk is om alle archeologische vindplaatsen in zandgebieden met behulp van boringen aan te tonen, dient de conclusie dan ook te zijn dat, ondanks het ontbreken van archeologische indicatoren, de kans groot is dat zich binnen het plangebied archeologische waarden bevinden. Binnen het plangebied dient een proefsleuvenonderzoek te worden uitgevoerd. Dit zou het best kunnen plaatsvinden door verspreid over het plangebied enkele proefsleuven te graven, aangezien in het gehele plangebied ongestoorde profielen voorkomen. Door middel van het graven van proefsleuven kan in relatief korte tijd inzicht worden verkregen of er binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig zijn.
2243695100 (35014)
850 meter ten zuidwesten
Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek, naar aanleiding van de resultaten van het eerder uitgevoerde bureau- en booronderzoek (zie Zaakidentificatie (OMnummer) 2231406100 (17457)) Toponiem: Heisteeg Riel Uitvoerder: Grontmij Datum: 25-5-2009 Resultaat: Op grond van de resultaten wordt aanbevolen het aangetroffen nederzettingsterrein met eventueel grafveld vlakdekkend op te graven aangezien behoud in situ door planaanpassing of- inpassing niet mogelijk is. Het bevoegd gezag (gemeente Goirle) wijkt af van het selectieadvies en zal geen dubbelbestemming opnemen in het bestemmingsplan Heisteeg en/of geen verdere beheersmaatregelen in de vorm van een definitief archeologisch onderzoek op leggen en het plangebied Heisteeg vrij te geven voor de realisatie van de plannen.
2235943100 (33946)
900 meter ten oosten
Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: Sportpark Riels Kwadrant Goirle Uitvoerder: Oranjewoud BV Datum: 10-3-2009 Resultaat: i.v.m. bestemmingsplan voor nieuw sportpark. Voor het gehele gebied is de verwachting laag, daarom geen veldonderzoek aanbevolen.
Rapport 4013.001 versie 2
Pagina 13 van 26
2192924100 (27851)
950 meter ten noordwesten
Type onderzoek: bureau- en booronderzoek Toponiem: Riel Uitvoerder: Archeopro Datum: 27-3-2008 Resultaat: Uit het booronderzoek blijkt dat de bodem op het noordelijke en het westelijke deel van het plangebied tot grote diepte verstoord is. Van het esdek dat hier oorspronkelijk waarschijnlijk aanwezig is geweest, resteert hier niets meer. Langs de noordrand van het zuidoostelijke deel van het plangebied is echter een intact esdek aangetroffen met daarin een aardewerkscherf uit de periode LateMiddeleeuwen tot Nieuwe tijd. Dit betekent dat binnen dit deel van het plangebied kans bestaat op de aanwezigheid van archeologische sporen. Dit stemt overeen met het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel waaruit blijkt dat binnen het plangebied vooral rekening moet worden gehouden met archeologische sporen uit de Middeleeuwen. De aangetroffen verschijnselen zijn vooralsnog onvoldoende om de KNA-onderdelen Waardestelling en Selectieadvies, nader uit te werken. Het verdient daarom aanbeveling om, indien langs de noordrand van het zuidoostelijke deel van het plangebied graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden die dieper reiken dan 0,4 m -mv, deze vooraf te laten gaan door een proefsleuvenonderzoek. Voor alle overige delen van het plangebied geven de resultaten van het onderzoek geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren.
Evenmin zijn hier tijdens het onderzoek archeologische resten aangetroffen waarmee tijdens de verdere planvorming of bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden rekening zou moeten worden gehouden
2098998100 (16688)
1.000 meter ten noordwesten
Type onderzoek: bureau- en booronderzoek Toponiem: Riel Uitvoerder: Oranjewoud BV Datum: 3-4-2006 Resultaat: De resultaten van het onderzoek worden niet vermeld in ARCHIS.
2310340100 (44199)
1.000 meter ten noordwesten
Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: Zandeind 34 Riel Uitvoerder: Becker en Van de Graaf Datum: 30-11-2010 Resultaat: Aan de hand van het bureauonderzoek is geconstateerd dat er voor het plangebied een hoge verwachting geldt voor archeologische resten vanaf het Laat Paleolithicum. Archeologische resten worden verwacht in de top van de C-horizont, direct onder het plaggendek dat naar verwachting minimaal 50 cm dik is. Uit informatie van de opdrachtgever is bekend dat het plangebied met enige regelmaat wordt omgeploegd en omgewoeld, waardoor de bovenste 35 cm van de bodem niet meer intact zullen zijn. Aangezien de graafwerkzaamheden die gepaard gaan met de aanleg van de weg niet dieper zullen reiken dan 25 cm beneden maaiveld en dus niet dieper zullen reiken dan de verstoorde bovengrond is geadviseerd geen vervolgonderzoek uit te laten voeren en het plangebied voor wat archeologie betreft vrij te geven.
Vondsten en/of grondsporen binnen het onderzoeksgebied In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondsten en grondsporen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondsten en/of grondsporen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan vijf vondsten en/of grondsporen geregistreerd (zie tabel VII en figuur 13). Tabel VII.
Overzicht ARCHIS-vondsten
Vondstnummer (Waarnemingsnr.)
Locatie t.o.v. plangebied
Datering
2212428100 (419480)
350 meter ten westen
Mesolithicum - Late Middeleeuwen: afslagen en grijsbakkend gedraaid aardewerk. Aangetroffen tijdens de uitvoering van een archeologisch booronderzoek (zie Zaakidentificatie (OM-nummer) 2212428100 (30638)).
2332592100 (429024)
650 meter ten westen
IJzertijd - Nieuwe tijd: handgevormd aardewerk, gladwandig aardewerk, paalgaten, waterputten, gedraaid aardewerk, grijsbakkend gedraaid aardewerk, roodbakkend geglazuurd aardewerk en slijpstenen. Aangetroffen tijdens de uitvoering van een archeologisch proefsleuvenonderzoek (zie Zaakidentificatie (OM-nummer) 2332592100 (47197))
Rapport 4013.001 versie 2
Pagina 14 van 26
2243695100
900 meter ten zuidwesten
IJzertijd - Nieuwe tijd: kuilen, paalgaten, handgevormd aardewerk en greppels/sloten. Aangetroffen tijdens de uitvoering van een archeologisch proefsleuvenonderzoek (zie Zaakidentificatie (OM-nummer) 2243695100 (35014)).
3290977100 (445701)
950 meter ten noordoosten
Bronstijd: dolken
3131713100 (36864)
1000 meter ten zuidwesten
IJzertijd: handgevormd aardewerk en crematieresten
3.8
Aanvullende informatie
Vereniging voor vrijwilligers in de archeologie (AWN), afdeling 24 Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de Vereniging voor vrijwilligers in de archeologie (AWN), afdeling 24 Midden Brabant (loopt via AWN afdeling 23 Kempen en Peelland). Er zijn geen aanvullende vondsten of bijzonderheden bekend gelegen in of in de directe omgeving van het plangebied. 3.9
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
Op grond van het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel VIII.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
(Laat-)Paleolithicum Vroeg-Neolithicum (Jagers-Verzamelaars)
Midden- en LaatNeolithicum (Landbouwers)
Bronstijd - Romeinse tijd (Landbouwers)
Middeleeuwen en Nieuwe tijd
Rapport 4013.001 versie 2
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten resten en/of sporen
-Laag
-Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
-Hoog
-Beekgerelateerde resten, zoals attributen voor jacht en visvangst, dumpzones, rituele deposities
-Laag
-Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen
-Hoog
-Beekgerelateerde resten, zoals attributen voor jacht en visvangst, dumpzones, rituele deposities, waterkundige structuren (o.a. voorden en bruggen)
-Laag
-Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen
-Hoog
-Beekgerelateerde resten, zoals attributen voor jacht en visvangst, dumpzones, rituele deposities, waterkundige structuren (o.a. voorden en bruggen)
-Laag
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
-Hoog
-Beekgerelateerde resten, zoals, dumpzones en waterkundige structuren (o.a. voorden en bruggen)
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
In de beekdalafzettingen of in de top van de (verspoelde) dekzandafzettingen (waarin zich voornamelijk beekeerd-, gooreerd- en vlakvaaggronden hebben gevormd)
In de beekdalafzettingen of in de top van de (verspoelde) dekzandafzettingen (waarin zich voornamelijk beekeerd-, gooreerd- en vlakvaaggronden hebben gevormd)
In de beekdalafzettingen of in de top van de (verspoelde) dekzandafzettingen (waarin zich voornamelijk beekeerd-, gooreerd- en vlakvaaggronden hebben gevormd)
In de beekdalafzettingen of in de top van de (verspoelde) dekzandafzettingen (waarin zich voornamelijk beekeerd-, gooreerd- en vlakvaaggronden hebben gevormd)
Pagina 15 van 26
Uit de verzamelde aardwetenschappelijke gegevens blijkt dat het plangebied binnen een dalvormige laagte van het beekdal en de westelijk gelegen beekdalhelling van de Leij ligt. Deze onder (vrij) natte omstandigheden gevormde landschapselementen vormde geen gunstige (tijdelijke) bewoningslocaties voor Jagers-Verzamelaars (jachtkampementen). De voorkeur werd juist gegeven voor de hoger gelegen terrasafzettingswelvingen en dekzandruggen die zich aan weerszijden van het beekdal van de Leij bevinden, en daarmee buiten het plangebied. Ook voor Landbouwers vormden de terrasafzettingswelvingen en dekzandruggen de meest gunstige bewoningslocaties. De grootte van de dekzandruggen vormde voldoende areaal aan goed ontwaterde gronden voor landbouw. Beekdalen hadden wel een grote aantrekkingskracht op mensen die in het gebied rondtrokken (Jagers-Verzamelaars), omdat de beek mogelijkheden bood tot visvangst en het bejagen van dieren die naar de beek trokken. Daarnaast vormde het beekdal een belangrijke transportroute, was het een bron van (drink)water en was er een rijke vegetatie voorhanden als voedselbron.
Langs de aangrenzende zones van het beekdal konden specialistische activiteiten worden ontplooid, zodat archeologische resten van (tijdelijke) nederzettingen, jacht- en visattributen, dumpzones, voorden, bruggen, wegen, winplaatsen van grondstoffen en depositieplaatsen kunnen worden verwacht (resten van zogenaamde off-site activiteiten en rituele deposities). De vondsten uit beekdalen bestaan dan ook vaak uit resten van bruggen, voorden en andere aan water gerelateerde structuren, maar ook uit afvaldumps en rituele deposities. Omdat het, vooral bij de structuren, vaak om objecten van hout gaat, is de aanwezigheid van veen of organische beekafzettingen belangrijk. Hierin blijven de vergankelijke objecten goed bewaard, dit in tegenstelling tot de zandgronden waar dergelijke organi17 sche resten niet of nauwelijks bewaard zijn gebleven. In de omgeving van het plangebied zijn enkele archeologische resten uit de Late-Prehistorie ook voornamelijk aangetroffen op hoger gelegen terrasafzettingswelvingen en dekzandruggen en enkele resten uit de Middeleeuwen/Nieuwe tijd binnen de begrenzing van de historische dorpskern van Riel. Het plangebied ligt echter buiten de historische dorpskern en is in ieder geval vanaf het begin van de e e 19 eeuw in agrarisch gebruik geweest. De huidige situatie is pas vanaf eind jaren ’60 van de 20 eeuw ontstaan.
Op basis van bovenstaande uitgangspunten heeft het plangebied dan ook alleen nog een hoge trefkans op de aanwezigheid van beekdalgerelateerde resten (resten van zogenaamde off-site activiteiten en rituele deposities). Deze resten kunnen voorkomen in de beekdalafzettingen en mogelijk ook doorlopend in de onderliggende (verspoelde) dekzandafzettingen voorkomen. Het betreffen wel vaak resten met een beperkte omvang, zogenaamde puntlocaties. Vooral diep gelegen organische resten en bot, in de permanent gereduceerde zone (onder grondwaterniveau), zullen goed zijn geconserveerd. Bodemverstoring Als gevolg van bodemingrepen kunnen vindplaatsen geheel of gedeeltelijk verstoord zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin vondsten in situ bewaard zijn gebleven in de bodem en/of grondsporen intact zijn. Van de bestaande loods in de zuidelijke helft van het plangebied is bekend dat deze voorzien is van een strook-/sleuvenfundering tot een diepte van circa 100 cm -mv. Voor de bouw van deze loods als de aanleg van diverse nutsvoorzieningen zullen diepere bodemverstorende ingrepen zijn uitgevoerd, waardoor in het verleden eventueel aanwezige archeologische resten en/of sporen niet meer aanwezig zijn of in een verstoorde context kunnen voorkomen.
17
Gerritsen & Rensink, 2004
Rapport 4013.001 versie 2
Pagina 16 van 26
Het overige deel van het plangebied is op basis van geraadpleegd historisch kaartmateriaal nooit bebouwd geweest en alleen in agrarisch gebruik geweest en vervolgens als grasveld/groenstrook. Gegevens van het bodemloket geven wel aan dat het noordoostelijke deel van het plangebied deel heeft uitgemaakt van een terrein waar een leerlooierij heeft gestaan en dat er in het centrale tot zuidwestelijke deel van het terrein een ondergrondse brandstoftank ligt dan wel heeft gelegen. De locatie van de ondergrondse brandstoftank zal naar verwachting een beperkte omvang hebben (alleen verstoring van de bodem daar waar deze tank is ingegraven). De verwachting is vooralsnog dat voor de huidige inrichting van de onbebouwde delen van het plangebied de mate van verstoring van het oorspronkelijke bodemprofiel beperkt is geweest. 3.10 Beantwoording onderzoeksvragen bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is een drietal onderzoeksvragen opgesteld. Hieronder worden deze vragen beantwoord voor zover het bureauonderzoek de daarvoor benodigde gegevens hebben opgeleverd.
Wat is er bekend over bodemverstorende ingrepen binnen het plangebied uit het verleden? Is er bijvoorbeeld informatie bekend over vroegere ontgrondingen, bodemsaneringen, egalisaties, diepploegen of landinrichting? Van de bestaande loods in de zuidelijke helft van het plangebied is bekend dat deze voorzien is van een strook-/sleuvenfundering tot een diepte van circa 100 cm -mv. Voor de bouw van deze loods als de aanleg van diverse nutsvoorzieningen zullen diepere bodemverstorende ingrepen zijn uitgevoerd, waardoor in het verleden eventueel aanwezige archeologische resten en/of sporen niet meer aanwezig zijn of in een verstoorde context kunnen voorkomen. Het overige deel van het plangebied is op basis van geraadpleegd historisch kaartmateriaal nooit bebouwd geweest en alleen in agrarisch gebruik geweest en vervolgens als grasveld/groenstrook. Gegevens van het bodemloket geven wel aan dat het noordoostelijke deel van het plangebied deel heeft uitgemaakt van een terrein waar een leerlooierij heeft gestaan en dat er in het centrale tot zuidwestelijke deel van het terrein een ondergrondse brandstoftank ligt dan wel heeft gelegen. De locatie van de ondergrondse brandstoftank zal naar verwachting een beperkte omvang hebben (alleen verstoring van de bodem daar waar deze tank is ingegraven).
De verwachting is vooralsnog dat voor de huidige inrichting van de onbebouwde delen van het plangebied de mate van verstoring van het oorspronkelijke bodemprofiel beperkt is geweest.
Ligt het plangebied binnen een landschappelijke eenheid die vanuit archeologisch oogpunt een specifieke aandachtslocatie kan betreffen (zoals een relatief hoge dekzandkop of -rug, nabij een veengebied of een beekdal)? Uit de verzamelde aardwetenschappelijke gegevens blijkt dat het plangebied binnen een dalvormige laagte van het beekdal en de westelijk gelegen beekdalhelling van de Leij ligt. Deze onder (vrij) natte omstandigheden gevormde landschapselementen vormde geen gunstige (tijdelijke) bewoningslocaties voor Jagers-Verzamelaars (jachtkampementen). De voorkeur werd juist gegeven voor de hoger gelegen terrasafzettingswelvingen en dekzandruggen die zich aan weerszijden van het beekdal van de Leij bevinden, en daarmee buiten het plangebied. Ook voor Landbouwers vormden de terrasafzettingswelvingen en dekzandruggen de meest gunstige bewoningslocaties. De grootte van de dekzandruggen vormde voldoende areaal aan goed ontwaterde gronden voor landbouw. Beekdalen hadden wel een grote aantrekkingskracht op mensen die in het gebied rondtrokken (Jagers-Verzamelaars), omdat de beek mogelijkheden bood tot visvangst en het bejagen van dieren die naar de beek trokken.
Rapport 4013.001 versie 2
Pagina 17 van 26
Daarnaast vormde het beekdal een belangrijke transportroute, was het een bron van (drink)water en was er een rijke vegetatie voorhanden als voedselbron. Langs de aangrenzende zones van het beekdal konden specialistische activiteiten worden ontplooid, zodat archeologische resten van (tijdelijke) nederzettingen, jacht- en visattributen, dumpzones, voorden, bruggen, wegen, winplaatsen van grondstoffen en depositieplaatsen kunnen worden verwacht (resten van zogenaamde off-site activiteiten en rituele deposities). De vondsten uit beekdalen bestaan dan ook vaak uit resten van bruggen, voorden en andere aan water gerelateerde structuren, maar ook uit afvaldumps en rituele deposities. Omdat het, vooral bij de structuren, vaak om objecten van hout gaat, is de aanwezigheid van veen of organische beekafzettingen belangrijk. Hierin blijven de vergankelijke objecten goed bewaard, dit in tegenstelling tot de zandgronden waar dergelijke organische resten niet of nauwelijks bewaard 18 zijn gebleven. In de omgeving van het plangebied zijn enkele archeologische resten uit de Late-Prehistorie ook voornamelijk aangetroffen op hoger gelegen terrasafzettingswelvingen en dekzandruggen en enkele resten uit de Middeleeuwen/Nieuwe tijd binnen de begrenzing van de historische dorpskern van Riel.
Het plangebied ligt echter buiten de historische dorpskern en is in e ieder geval vanaf het begin van de 19 eeuw in agrarisch gebruik geweest. De huidige situatie e is pas vanaf eind jaren ’70 van de 20 eeuw ontstaan.
Wat is de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied? Het plangebied heeft alleen nog een hoge trefkans op de aanwezigheid van beekdalgerelateerde resten (resten van zogenaamde off-site activiteiten en rituele deposities). Deze resten kunnen voorkomen in de beekdalafzettingen en mogelijk ook doorlopend in de onderliggende (verspoelde) dekzandafzettingen voorkomen. Het betreffen wel vaak resten met een beperkte omvang, zogenaamde puntlocaties. Vooral diep gelegen organische resten en bot, in de permanent gereduceerde zone (onder grondwaterniveau), zullen goed zijn geconserveerd.
3.11 Aanbevolen onderzoeksmethode Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een geo-archeologisch verkennend booronderzoek, vanwege de ligging van het plangebied binnen een dalvormige laagte van een beekdal dan wel deels binnen de westelijk gelegen beekdalhelling. Beekdalgerelateerde resten betreffen vaak resten met een beperkte omvang, zogenaamde puntlocaties die niet met behulp van een karterend booronderzoek zijn op te sporen. Door middel van een geo-archeologisch verkennend booronderzoek kan inzicht worden gekregen in de toestand van het bodemprofiel en wat de opbouw van het deel van het beekdal en wat de opbouw van fossiele beeklopen is die zich niet aan de oppervlakte manifesteren maar wel in de ondergrond kunnen worden getraceerd. Dit kan gedaan worden door boringen in raaien te zetten haaks op mogelijk fossiele beeklopen van het beekdal van de Lei en met een afstand van 10 meter tussen de boringen binnen elke raai. Daarmee kan een uitspraak worden gedaan of er binnen het plangebied nog archeologische resten nog in situ te verwachten zijn.
18
Gerritsen & Rensink, 2004
Rapport 4013.001 versie 2
Pagina 18 van 26
4
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
4.1
Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een geo-archeologisch verkennend booronderzoek, conform de eisen van de BRL SIKB 4000 (versie 4.0, 07-06-2016) en KNA, versie 4.0, specificatie VS03. Tevens is het booronderzoek uitgevoerd deels volgens de "KNA leidraad ar19 cheologisch onderzoek van beekdalen in Pleistoceen Nederland, versie 1.0" . Voor het inventariserend veldonderzoek is op 11 april 2017 door ir. E.M. ten Broeke (senior prospector) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. Voor het geo-archeologisch verkennend booronderzoek zijn de boringen haaks op mogelijk fossiele beeklopen van het beekdal van de Leij. Binnen het plangebied zijn twee raaien met ieder zes boringen haaks op het beekdal gezet. Hierbij staan de boringen 10 m uit elkaar. De zuidwestelijk gelegen raai verspringt in noordoostelijke richting vanwege de aanwezige loods (hierbinnen kon niet worden geboord). In totaal zijn er dus twaalf boringen worden gezet (zie figuur 15). Hiermee is getracht de opbouw van fossiele beeklopen te kunnen bepalen en beeklopen die zich niet aan de oppervlakte manifesteren in de ondergrond te kunnen traceren.
Er is geboord tot een diepte van 220 cm -mv met een Edelmanboor met een diameter van 10 cm en vervolgens tot een diepte van maximaal 400 cm -mv met een zuigerboor met een diameter van 3 cm en/of een guts met een diameter van 3 cm (afhankelijk van de aan- of afwezigheid van leem- en/of veenlagen die met een zuigerboor niet doorboord kunnen worden). De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrij20 vingsmethode beschreven. De boringen zijn met meetlinten ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). In Bijlage 4 worden overzichtsfoto’s van het plangebied en foto’s van de opgeboorde profielen weergegeven. 4.2
Resultaten
Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 5 weergegeven. De bodemopbouw wordt als volgt weergegeven: Tabel IX.
19 20
Algemene bodemopbouw plangebied Diepte (cm -mv)
Samenstelling
Interpretatie
Vanaf maaiveld dan wel onder de klinkerverharding tot minimaal 90 cm en maximaal 205 cm -mv
Witgeel tot donkergrijsbruin gekleurd, merendeels zwak tot sterk humeus, zwak siltig, zeer fijn zand
Geroerde/verstoorde lagen, dikke laag opgebrachte grond humeuze grond/plaggendek en cunetzand, vooral binnen het terreindeel waar de bestaande loods staat (zuidwestelijke en centrale deel plangebied).
In de oostelijke helft van het plangebied (boringen 3 t/m 6 en 10 t/m 12) onder het verstoringsniveau, vanaf minimaal 90 cm en maximaal 205 cm -mv en niet meer dan 10 tot 20 cm dik
Donkerzwartbruin gekleurde, matig humeuze, sterk zandige leem
1C-horizont, beekdalafzettingen, beekleem.
Onder het verstoringsniveau dan wel de leemlaag tot 400 cm -mv (maximale einddiepte boringen)
Lichtgrijs tot grijs gekleurd, matig fijn tot matig grof zand met vooral in de onderste meter voorkomende laagjes grindrijk, zeer grof zand met vaak erboven nog een dun laagje sterk humeus/venig zand of sterk zandige veen (veel hout- en plantenresten aanwezig)
1C/1Cr-horizont, beekdalafzettingen, sterke afwisseling in lithologie/textuur, Formatie van Boxtel, Laagpakket van Singraven. Laagjes grindrijk, zeer grof zand met vaak erboven nog een dun laagje sterk humeus/venig zand of sterk zandige veen zeer waarschijnlijk onderkant van beekgeulen/verlaten beekmeanders.
Rensink, 2008 Bosch, 2005
Rapport 4013.001 versie 2
Pagina 19 van 26
De boringen laten zien dat het plangebied opgehoogd is, vooral binnen het terreindeel waar de bestaande loods staat (zuidwestelijke en centrale deel plangebied). Vanaf het maaiveld dan wel onder de aanwezige klinkerverharding rondom de loods, bestaat de bodemopbouw tot minimaal 90 cm en maximaal 205 cm -mv uit witgeel tot donkergrijsbruin gekleurd, merendeels zwak tot sterk humeus, zwak siltig, zeer fijn zand. Deze dikke laag opgebrachte grond bestaat deels uit cunetzand (vooral ter plaatse van de met tegels/klinkers verharde terreindelen) en verder vooral opgebrachte humeuze grond. Een deel van deze ophoging met humeuze grond/plaggenbesmesting zal hebben plaatsgevonden toen het plangebied nog in agrarisch gebruik was (zie geraadpleegd historisch kaartmateriaal), maar het merendeel heeft waarschijnlijk plaatsgevonden tijdens de huidige inrichting van het plangebied, waarbij goed te zien is dat het terreindeel waar de bestaande loods staat (zuidwestelijke en centrale deel plangebied) duidelijk verhoogd is aangelegd ten opzichte van het niveau van het naastgelegen gekanaliseerde beekdal van de Leij en de ten oosten hiervan gelegen agrarische gronden. In de oostelijke helft van het plangebied (boringen 3 t/m 6 en 10 t/m 12) komt onder de opgebrachte lagen grond een circa 10 tot 20 cm dikke laag donkerzwartbruin gekleurde, matig humeuze, sterk zandige beekleem voor.
Deze laag beekleem is niet aangetroffen in de boringen 1, 2 en 7 t/m 9, mogelijk omdat deze ter plaatse al vergraven en als zodanig niet meer herkenbaar is, of het betrof een iets hoger deel binnen het beekdal waar beekleem niet is gesedimenteerd. Bij alle boringen komen onder de opgebrachte lagen grond beekdalafzettingen voor. Deze bestaan uit lichtgrijs tot grijs gekleurd, matig fijn tot matig grof zand met vooral in de onderste meter laagjes grindrijk, zeer grof zand met vaak erboven nog een dun laagje sterk humeus/venig zand of sterk zandige veen (veel hout- en plantenresten aanwezig). De sterke afwisseling in lithologie/textuur is kenmerkend voor beekdalafzettingen. De laagjes grindrijk, zeer grof zand (concentratie van grind in de vorm van een zogenaamde “gravel lag”) met vaak erboven nog een dun laagje sterk humeus/venig zand of sterk zandige veen betreffen de onderkant van beekgeulen/verlaten beekmeanders. De beekdalafzettingen, inclusief de laag sterk zandige leem en dunne laagjes zandige veen, behoren tot de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Singraven. Het van nature gevormde bodemprofiel is moeilijk te herkennen op basis van het opgeboorde materiaal.
In de boringen waar de beekleem de top van de beekdalafzettingen betreft, zal het gaan om een gooreerdgrond, waarbij in het verleden een hoge productie van organisch materiaal en een geremde afbraak plaatsvonden als gevolg van de lage, relatief natte ligging. Hierdoor is de beekleem matig humeus geworden. Er zijn geen veenlagen van enige dikte aangetroffen waardoor er ergens sprake is van een moerige eerdgrond onder de dikke laag opgebrachte humeuze grond/plaggendek. De aangetroffen bodemopbouw laat wel zien dat er geen diepe bodemverstorende ingrepen hebben plaatsgevonden, waardoor er dan ook geen aanwijzingen zijn dat (een deel van) de natuurlijke beekdalafzettingen aangetast/geroerd dan wel afgegraven zouden zijn. Door de aanwezige dikke laag opgebrachte humeuze grond/plaggendek liggen deze wel op een vrij grote diepte ten opzichte van het huidige maaiveld, ter plaatse van de terreindelen rondom de bestaande loods pas op een diepte van minimaal 185 cm -mv.
Rapport 4013.001 versie 2
Pagina 20 van 26
Archeologie In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen in het opgeboorde en vervolgens verkruimelde bodemmateriaal. Er dient echter gemeld te worden te worden dat het inventariserend veldonderzoek een (geo-archeologisch) verkennend booronderzoek betreft, dat zich richt op de bodemopbouw (specifiek de aanwezigheid en locatie van fossiele beeklopen, zandkoppen) en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen. Daarbij zijn beekdalgerelateerde resten (resten van zogenaamde off-site activiteiten en rituele deposities) zeer moeilijk zo niet onmogelijk op te sporen door middel van een booronderzoek. Het betreffen namelijk vaak resten met een beperkte omvang, zogenaamde puntlocaties. 4.3
Beantwoording onderzoeksvragen veldonderzoek
Voor het veldonderzoek is een aantal onderzoeksvragen opgesteld. Hieronder worden deze vragen beantwoord voor zover het veldonderzoek de daarvoor benodigde gegevens heeft opgeleverd;
Wat is de bodemopbouw binnen de locatie? Het plangebied is opgehoogd, vooral binnen het terreindeel waar de bestaande loods staat (zuidwestelijke en centrale deel plangebied). Vanaf het maaiveld dan wel onder de aanwezige klinkerverharding rondom de loods, bestaat de bodemopbouw tot minimaal 90 cm en maximaal 205 cm -mv uit witgeel tot donkergrijsbruin gekleurd, merendeels zwak tot sterk humeus, zwak siltig, zeer fijn zand. Deze dikke laag opgebrachte grond bestaat deels uit cunetzand (vooral ter plaatse van de met tegels/klinkers verharde terreindelen) en verder vooral opgebrachte humeuze grond. Onder deze ophogingslagen komen beekdalafzettingen voor. Deze bestaan uit lichtgrijs tot grijs gekleurd, matig fin tot matig grof zand met vooral in de onderste meter voorkomende laagjes grindrijk, zeer grof zand met vaak erboven nog een dun laagje sterk humeus/venig zand of sterk zandige veen (veel hout- en plantenresten aanwezig). De sterke afwisseling in lithologie/textuur is kenmerkend voor beekdalafzettingen. De laagjes grindrijk, zeer grof zand (concentratie van grind in de vorm van een zogenaamde “gravel lag”) met vaak erboven nog een dun laagje sterk humeus/venig zand of sterk zandige veen betreffen de onderkant van beekgeulen/verlaten beekmeanders.
In de oostelijke helft van het plangebied bestaat de top van de beekdalafzettingen uit donkerzwartbruin gekleurde, matig humeuze, sterk zandige beekleem. Het van nature gevormde bodemprofiel is moeilijk te herkennen op basis van het opgeboorde materiaal. In de boringen waar de beekleem de top van de beekdalafzettingen betreft, zal het gaan om een gooreerdgrond, waarbij in het verleden een hoge productie van organisch materiaal en een geremde afbraak plaatsvonden als gevolg van de lage, relatief natte ligging. Hierdoor is de beekleem matig humeus geworden. Er zijn geen veenlagen van enige dikte aangetroffen waardoor er ergens sprake is van een moerige eerdgrond onder de dikke laag opgebrachte humeuze grond.
Is het bodemprofiel binnen de locatie intact of (binnen een deel van de locatie) verstoord, en indien verstoord tot hoe diep gaat deze verstoring? De aangetroffen bodemopbouw laat wel zien dat er geen diepe bodemverstorende ingrepen hebben plaatsgevonden, waardoor er dan ook geen aanwijzingen zijn dat (een deel van) de natuurlijke beekdalafzettingen aangetast/geroerd dan wel afgegraven zouden zijn. Door de aanwezige dikke laag opgebrachte humeuze grond/plaggendek liggen deze wel op een vrij grote diepte ten opzichte van het huidige maaiveld, ter plaatse van de terreindelen rondom de bestaande loods pas op een diepte van minimaal 185 cm -mv.
Rapport 4013.001 versie 2
Pagina 21 van 26
Hoe is de opbouw van het beekdal en de ligging van fossiele beeklopen? Op basis van de aangetroffen bodemopbouw ligt het gehele plangebied binnen het beekdal van de Leij. Onder het beekdal wordt verstaan de huidige beekloop en de beekdalvlakte waar doorheen het beekdal gemeanderd heeft en restgeulen/-meanders heeft achtergelaten en vervolgens zijn opgevuld, dan wel waar veengroei heeft kunnen plaatsvinden (de zogenaamde beekdalbodem). Tevens worden de beekdalhellingen ook tot het beekdal gerekend. Ter plaatse van het plangebied is door menselijk handelen een dik pakket humeuze grond aangebracht, vooral binnen het terreindeel waar de bestaande loods staat (zuidwestelijke en centrale deel plangebied). De hieronder aanwezige beekdalafzettingen varieren in lithologie/textuur en bestaan uit lichtgrijs tot grijs gekleurd, matig fijn tot matig grof zand met vooral in de onderste meter laagjes grindrijk, zeer grof zand met vaak erboven nog een dun laagje sterk humeus/venig zand of sterk zandige veen (veel hout- en plantenresten aanwezig). De laagjes grindrijk, zeer grof zand (concentratie van grind in de vorm van een zogenaamde “gravel lag”) met vaak erboven nog een dun laagje sterk humeus/venig zand of sterk zandige veen betreffen de onderkant van beekgeulen/verlaten beekmeanders.
De beekdalafzettingen komen ten opzichte van het huidige maaiveld dus pas voor op grote diepte, vanaf minimaal 90 cm -mv en veelal op een diepte tussen 150 en 200 cm -mv. Tevens lijken de beekdalafzettingen door te lopen dieper dan 400 cm -mv, waarbij wel gemeld dient te worden dat het onderscheid tussen beekdalafzettingen en verspoelde afzettingen uit de laatste ijstijd (sneeuwsmeltwaterafzettingen die onder de Holocene beekdalafzettingen worden verwacht) qua bodemopbouw moeilijk van elkaar te onderscheiden zullen zijn.
Zijn er zandkoppen aanwezig? Vanuit de boringen zijn geen aanwijzingen dat binnen het plangebied zandkoppen aanwezig zijn die juist konden worden gebruikt als geschikte bewoningslocatie naast het beekdal. Onder het dikke opgebrachte pakket humeuze grond/plaggendek zijn bij alle boringen beekdalafzettingen aangetroffen aangebracht. Op basis van het hoogtebeeld van het plangebied als de omgeving moeten dekzandkoppen naast het beekdal meer ten westen van het plangebied worden gezocht. Binnen het plangebied hoeven dan ook geen archeologische bewoningssporen/-resten te worden verwacht. Wel blijft de kans bestaan op de aanwezigheid van beekdalgerelateerde resten.
Wat zijn de gevolgen van de/het in het plangebied aangetroffen bodemopbouw/bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied. Door het aantreffen van beekdalafzettingen behoudt het plangebied zijn verhoogde trefkans op beekdalgerelateerde resten (resten van zogenaamde off-site activiteiten en rituele deposities). Archeologische resten en/of sporen kunnen in het gehele pakket beekdalafzettingen voorkomen en mogelijk ook doorlopen in de (top van het) te verwachten onderliggende pakket (verspoelde) dekzandafzettingen. De aangetroffen bodemopbouw laat zien dat er geen diepgaande bodemverstorende ingrepen in het pakket beekdalafzettingen hebben plaatsgevonden, waardoor beekdalgerelateerde resten dus nog in situ kunnen worden aangetroffen.
Rapport 4013.001 versie 2
Pagina 22 van 26
Volgens de initiatiefnemer zullen de nieuwe woningen op palen worden geplaatst. Hiermee wordt archeologisch vriendelijk gebouwd en zal gravend vervolgonderzoek niet noodzakelijk zijn. Indien er toch voor wordt gekozen om een staalfundering toe te passen, welke dan wordt aangelegd tot minimaal aan dan wel in de top van het pakket “gele” zand (top van de Chorizont), dan zullen de nieuwbouwwerkzaamheden verstoringen van de aanwezige beekdalafzettingen veroorzaken. Eventueel aanwezige beekdalgerelateerde resten zullen dan in exsitu behouden moeten worden, waardoor gravend vervolgonderzoek noodzakelijk is (aangezien beekdalgerelateerde resten vaak resten betreffen met een beperkte omvang, zogenaamde puntlocaties). De beekdalafzettingen bevinden zich wel op een aanzienlijke diepte ten opzichte van het huidige maaiveld, vanwege de aanwezige dikke laag opgebrachte humeuze grond. Deze dikte is minimaal 90 cm en maximaal 205 cm -mv, en is in veel gevallen tussen 150 en 200 cm dik, vooral ter plaatse van de terreindelen rondom de bestaande loods.
5 5.1
CONCLUSIE EN ADVIES Conclusie
Op basis van het archeologisch bureauonderzoek werd verwacht dat het plangebied binnen een dalvormige laagte dan wel deels binnen de westelijk gelegen beekdalhelling van de Leij zou liggen. Deze onder (vrij) natte omstandigheden gevormde landschapselementen vormde geen gunstige (tijdelijke) bewoningslocaties, maar er konden wel specialistische activiteiten worden ontplooid, zodat het plangebied wel een verhoogde trefkans heeft op de aanwezigheid van beekdalgerelateerde resten (resten van zogenaamde off-site activiteiten en rituele deposities, zodat archeologische resten van jacht- en visattributen, dumpzones, voorden, bruggen, wegen, winplaatsen van grondstoffen en depositieplaatsen). In de omgeving van het plangebied zijn enkele archeologische resten uit de Late-Prehistorie voornamelijk aangetroffen op hoger gelegen terrasafzettingswelvingen en dekzandruggen en enkele resten uit de Middeleeuwen/Nieuwe tijd binnen de begrenzing van de historische dorpskern van Riel. Het plangebied ligt echter buiten de historische dorpskern en is in ieder geval vanaf het begin van de e e 19 eeuw in agrarisch gebruik geweest. De huidige situatie is pas vanaf eind jaren ’60 van de 20 eeuw ontstaan. De aangetroffen bodemopbouw laat zien dat het plangebied is opgehoogd, vooral binnen het terreindeel waar de bestaande loods staat (zuidwestelijke tot centrale deel plangebied).
Vanaf het maaiveld dan wel onder de aanwezige klinkerverharding rondom de loods, bestaat de bodemopbouw tot minimaal 90 cm en maximaal 205 cm -mv uit witgeel tot donkergrijsbruin gekleurd, merendeels zwak tot sterk humeus, zwak siltig, zeer fijn zand. Deze dikke laag opgebrachte grond bestaat deels uit cunetzand (vooral ter plaatse van de met tegels/klinkers verharde terreindelen) en verder vooral opgebrachte humeuze grond. Onder deze ophogingslagen komen beekdalafzettingen voor. Deze varieren in lithologie/textuur en bestaan uit lichtgrijs tot grijs gekleurd, matig fijn tot matig grof zand met vooral in de onderste meter voorkomende laagjes grindrijk, zeer grof zand met vaak erboven nog een dun laagje sterk humeus/venig zand of sterk zandige veen (veel hout- en plantenresten aanwezig). De laagjes grindrijk, zeer grof zand (concentratie van grind in de vorm van een zogenaamde “gravel lag”) met vaak erboven nog een dun laagje sterk humeus/venig zand of sterk zandige veen betreffen de onderkant van beekgeulen/verlaten beekmeanders. In de oostelijke helft van het plangebied bestaat de top van de beekdalafzettingen uit donkerzwartbruin gekleurde, matig humeuze, sterk zandige beekleem. Op basis van deze bodemopbouw ligt het gehele plangebied binnen het beekdal van de Leij.
Rapport 4013.001 versie 2
Pagina 23 van 26
Geconcludeerd wordt dat door het aantreffen van beekdalafzettingen het plangebied zijn verhoogde trefkans op beekdalgerelateerde resten behoud. Archeologische resten en/of sporen kunnen in het gehele pakket beekdalafzettingen voorkomen en mogelijk ook doorlopen in de (top van het) te verwachten onderliggende pakket (verspoelde) dekzandafzettingen. De aangetroffen bodemopbouw laat zien dat er geen diepgaande bodemverstorende ingrepen in het pakket beekdalafzettingen hebben plaatsgevonden, waardoor beekdalgerelateerde resten dus nog in situ kunnen worden aangetroffen. Volgens de initiatiefnemer zullen de nieuwe woningen op palen worden geplaatst. Hiermee wordt archeologisch vriendelijk gebouwd en zal gravend vervolgonderzoek niet noodzakelijk zijn. Indien er toch voor wordt gekozen om een staalfundering toe te passen, welke dan wordt aangelegd tot minimaal aan dan wel in de top van het pakket “gele” zand (top van de C-horizont), dan zullen de nieuwbouwwerkzaamheden verstoringen van de aanwezige beekdalafzettingen veroorzaken. Eventueel aanwezige beekdalgerelateerde resten zullen dan ex-situ behouden moeten worden, waardoor gravend vervolgonderzoek noodzakelijk is (aangezien beekdalgerelateerde resten vaak resten betreffen met een beperkte omvang, zogenaamde puntlocaties).
De beekdalafzettingen bevinden zich wel op een aanzienlijke diepte ten opzichte van het huidige maaiveld, vanwege de aanwezige dikke laag opgebrachte humeuze grond. Deze dikte is minimaal 90 cm en maximaal 205 cm -mv, en is in veel gevallen tussen 150 en 200 cm dik, vooral ter plaatse van de terreindelen rondom de bestaande loods. 5.2
Advies
Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om ten aanzien van de geplande ontwikkeling geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Volgens de initiatiefnemer zullen de nieuwbouwwoningen op palen worden geplaatst. De mate van verstoring van de beekdalafzettingen door de palen zal minimaal zijn (archeologisch vriendelijk/besparend bouwen). Indien er toch voor wordt gekozen om een staalfundering toe te passen, welke dan wordt aangelegd tot minimaal aan dan wel in de top van het pakket “gele” zand (top van de C-horizont), dan zal dit een verstoring van beekdalafzettingen veroorzaken. Eventueel aanwezige beekdalgerelateerde resten zullen dan ook ex-situ behouden moeten worden, waardoor vervolgonderzoek noodzakelijk is. Dit vervolgonderzoek dient dan te worden uitgevoerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P). Voorafgaand aan het IVO-P zal een Programma van Eisen (PvE) moeten worden opgesteld, waarin beschreven staat op welke wijze het onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit PvE zal voorgaand aan de uitvoering van het proefsleuvenonderzoek moeten worden beoordeeld door het bevoegd gezag (gemeente Goirle).
Econsultancy Doetinchem, 14 februari 2019
Rapport 4013.001 versie 2
Pagina 24 van 26
LITERATUUR Alterra, 2003: Digitale Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:25.000 Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Bakker, H. de & Locher, W.P., 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 2: Bodemgeografie. Malmberg, Den Bosch. Berendsen, H.J.A. 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Berendsen, H.J.A. 2005: Fysische Geografie van Nederland, deel 4: Landschappelijk Nederland. De fysisch-geografische regio's. Van Gorcum, Assen. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Gerritsen, F., & Rensink, E. (red.), 2004: Beekdallandschappen in archeologisch perspectief. Een kwestie van onderzoek en monumentenzorg. Nederlandse Archeologische Rapporten 28, Amersfoort. Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Locher, W.P. & Bakker, H. de, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. e Malmberg Den Bosch, 2 druk. Mulder, E.F.J. de, Geluk, M.C., Ritsema, I.L., Westerhoff, W.E. & Wong, T.E., 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen.
Rensink, E., 2008: KNA Leidraad Beekdalen in Pleistoceen Nederland. RACM, Amersfoort. Stichting voor Bodemkartering, 1980: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, Blad 50 Oost/Tilburg. Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.
Rapport 4013.001 versie 2
Pagina 25 van 26
BRONNEN AHN; internetsite, april 2017. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, april 2017. https://zoeken.cultureelerfgoed.nl/#/cho/search Beeldbank van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; internetsite, april 2017. http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl/ Beknopte geschiedenis van Riel; internetsite, april 2017. http://wijgoirlenaren.nl/beknopte-geschiedenis-van-riel/ Bodemloket; internetsite, april 2017. http://www.bodemloket.nl/kaart Dinoloket; internetsite, april 2017. http://www.dinoloket.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, april 2017. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, april 2017. http://www.topotijdreis.nl/ SIKB; internetsite, april 2017. http://www.sikb.nl Wateratlas provincie Noord/Brabant; internetsite, april 2017. http://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/wateratlas
Rapport 4013.001 versie 2
Pagina 26 van 26
Figuur 1.
Situering van het plangebied binnen Nederland
Riel (gemeente Goirle) – Locatie Leijoever Situering van het plangebied binnen Nederland (bron: http://gis.kademo.nl/gs2/wms) Legenda Plangebied
Rapport 4013.001 versie 2
Figuur 2.
Detailkaart van het plangebied
Riel (gemeente Goirle) – Locatie Leijoever Detailkaart van het plangebied (bron: http://gis.kademo.nl/gs2/wms) Legenda Plangebied
Rapport 4013.001 versie 2
Figuur 3.
Luchtfoto van het plangebied
Riel (gemeente Goirle) – Locatie Leijoever Luchtfoto van het plangebied (bron: gspot:LUFO_2014) Legenda
Rapport 4013.001 versie 2
Figuur 4.
Situering van het plangebied binnen de Kadastrale kaart uit 1827 (Minuutplan)
Riel (gemeente Goirle) – Locatie Leijoever Situering van het plangebied binnen de Kadastrale kaart uit 1827 (Minuutplan) (bron: www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl) Legenda Plangebied
Rapport 4013.001 versie 2
Figuur 5.
Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1869 (Bonneblad)
Riel (gemeente Goirle) – Locatie Leijoever Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1869 (Bonneblad) (bron: www.topotijdreis.nl) Legenda Plangebied
Rapport 4013.001 versie 2
Figuur 6.
Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1900 (Bonneblad)
Riel (gemeente Goirle) – Locatie Leijoever Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1900 (Bonneblad) (bron: www.topotijdreis.nl) Legenda Plangebied
Rapport 4013.001 versie 2
Figuur 7.
Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1921 (Bonneblad)
Riel (gemeente Goirle) – Locatie Leijoever Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1921 (Bonneblad) (bron: www.topotijdreis.nl) Legenda Plangebied
Rapport 4013.001 versie 2
Figuur 8.
Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1967
Riel (gemeente Goirle) – Locatie Leijoever Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1967 (bron:www.topotijdreis.nl) Legenda Plangebied
Rapport 4013.001 versie 2
Figuur 9.
Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1980
Riel (gemeente Goirle) – Locatie Leijoever Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1980 (bron:www.topotijdreis.nl) Legenda Plangebied
Rapport 4013.001 versie 2
Figuur 10.
Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart van Nederland
Riel (gemeente Goirle) – Locatie Leijoever Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart van Nederland Legenda Plangebied
Rapport 4013.001 versie 2
Figuur 11.
Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)
Riel (gemeente Goirle) – Locatie Leijoever Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Legenda Plangebied
Rapport 4013.001 versie 2
Figuur 12.
Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart van Nederland
Riel (gemeente Goirle) – Locatie Leijoever Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart van Nederland Legenda Plangebied
Rapport 4013.001 versie 2
Figuur 13.
Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied met het AHN als achtergrond
Riel (gemeente Goirle) – Locatie Leijoever Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied (bron: Archeologisch informatiesysteem Archis3, AHN)
Rapport 4013.001 versie 2
Figuur 14.
Situering van het plangebied binnen de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW)
Riel (gemeente Goirle) – Locatie Leijoever Situering van het plangebied binnen de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) Legenda Plangebied
Rapport 4013.001 versie 2
Figuur 15.
Boorpuntenkaart van het plangebied
Riel (gemeente Goirle) – Locatie Leijoever Boorpuntenkaart van het plangebied Legenda Plangebied
Rapport 4013.001 versie 2
Bijlage 1 Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
Rapport 4013.001 versie 2
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr.
14
C jaren
1950
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 815
2650
IVb Subboreaal koeler droger
2000
3755
IVa
5000
4900
5300
7020
8240
Atlanticum warm vochtig