07 Bijlage 1.2 Ontwerp-bestemmingsplan Leijoever separate bijlagen bij de plantoelichting.pdf
Tekst van het document
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
9000
8800 11.755
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Rapport 4013.001 versie 2
Bijlage 2
Bewoningsgeschiedenis van Nederland
Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot ca. 8800 voor Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, ca. 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het Laat Paleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (ca. 8800-4900 voor Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (ca. 9000 voor Chr.) verbeterde het klimaat zich voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.
Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, dat plaats maakte voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine spitse vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (ca. 5300-2000 voor Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.
Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels.
Rapport 4013.001 versie 2
Bronstijd (ca. 2000-800 voor Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het Laat-Neolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (ca. 800-12 voor Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd.
Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields'). Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (ca. 12 voor Chr. - 450 na Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron.
Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 na Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker. In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting.
Rapport 4013.001 versie 2
De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van hane delscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de 3 eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen e voortduurde tot in de 5 eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (ca. 450-1500 na Chr.) Over de Vroege Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 na Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen. De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Romeinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand.
Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. e
e
Vanaf de 10 - 11 eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adelijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling wat zich uit in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriële revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt.
Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In e verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19 tot het begin van de e 20 eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat e zich tot in het begin van de 20 eeuw uit in de kunsten.
Rapport 4013.001 versie 2
Bijlage 3
AMZ-cyclus
Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan het bevoegd gezag besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.
Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.
De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.
Rapport 4013.001 versie 2
Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan het bevoegd gezag beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan. De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan het bevoegd gezag besluiten over te gaan tot een opgraving.
Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
Rapport 4013.001 versie 2
Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door bevoegd gezag op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door bevoegd gezag op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) ▼ Besluit (door bevoegd gezag op basis van resultaten) ▼ ▼ Opgraven*** Beschermen Verwijderen van de Bescherming van de archeologische archeologie door resten door archeoplanaanpassing logen (variant begeleiding)
► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.*** ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).
* Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door bevoegd gezag. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door bevoegd gezag. **** Na een verkennend booronderzoek kan het bevoegd gezag besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van het bevoegd gezag. ****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van het bevoegd gezag.
Rapport 4013.001 versie 2
Bijlage 4
Overzichtsfoto’s en foto’s van de opgeboorde profielen
Vanuit zuidelijke richting nabij boring 1
Vanuit noordwestelijke richting nabij boring 4
Vanuit zuidwestelijke richting nabij toegangshek
Vanuit zuidelijke richting nabij loods
Boring 1
Boring 2
Rapport 4013.001 versie 2
Boring 3
Boring 4
Boring 5
Boring 6
Boring 7
Boring 8
Rapport 4013.001 versie 2
Boring 9
Boring 10
Boring11
Boring 12
Rapport 4013.001 versie 2
Bijlage 5
Rapport 4013.001 versie 2
Boorprofielen
Bijlage 5
Boorstaten
01 X: Y:
02 129983,00 392945,00
14,5 0
X: Y:
m +NAP
03 129992,00 392940,00
14,3
X: Y:
m +NAP
13,9
Zand, zeer fijn, zwak siltig, zwak humeus, witgrijs, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte grond
0
Zand, zeer fijn, zwak siltig, zwak humeus, grijsbruin, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte grond
50
m +NAP
05 130010,00 392931,00
13,6
X: Y:
m +NAP
130019,00 392927,00
13,5
m +NAP
0
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, donker witbruin, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte grond 35
50
55
75
100
Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig humeus, donker grijsbruin, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte humeuze grond
170
185 195
200
220
250
300
60
130
145
170
Leem, sterk zandig, matig humeus, donker zwartbruin, mogelijk oorspronkelijke Ap-horizont, beekdalafzettingen, beekleem
90
100
105
Leem, sterk zandig, donkerbruin, mogelijk oorspronkelijke Ap-horizont, beekdalafzettingen, beekleem
100
Zand, matig fijn, zwak siltig, donker witgrijs, C-horizont, beekdalafzettingen
Zand, matig grof, zwak siltig, lichtgrijs, C-horizont, beekdalafzettingen Zand, matig grof, zwak siltig, lichtgrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen
Zand, zeer fijn, zwak siltig, sterk humeus, donker bruingrijs, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte humeuze grond
Zand, zeer fijn, zwak siltig, sterk humeus, donker zwartbruin, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte humeuze grond
115 125
145
Zand, matig fijn, zwak siltig, grijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen
150
200
180
Zand, matig fijn, zwak siltig, grijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen
200 200 250
230 240
250 250
350
400
400
360
Zand, zeer grof, zwak siltig, zwak grindig, lichtgrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen, onderkant meandergeul Zand, matig fijn, zwak siltig, licht bruingrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen
370
395
400
400
Zand, zeer grof, zwak siltig, zwak grindig, lichtgrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen, onderkant meandergeul Zand, matig fijn, zwak siltig, licht bruingrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen
300 300 350 360
Zand, zeer grof, zwak siltig, zwak grindig, lichtgrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen, onderkant meandergeul
370 372
390
400
400
330
Zand, zeer grof, zwak siltig, lichtgrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen, onderkant meandergeul
340 342
350
Veen, sterk zandig, donkerbruin, Cr-horizont, vegetatiegroei in verlaten beekgeul
Zand, matig fijn, zwak siltig, licht bruingrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen
Zand, zeer grof, zwak siltig, zwak grindig, lichtgrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen, onderkant meandergeul Veen, sterk zandig, zwak grindig, donkergrijs, Cr-horizont, vegetatiegroei in verlaten beekgeul
375
Zand, matig grof, zwak siltig, lichtgrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen, onderkant meandergeul
Projectcode: 4013.001
Zand, zeer grof, zwak siltig, zwak grindig, lichtgrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen, onderkant meandergeul Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtgrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen
300
380 390
Leem, sterk zandig, matig humeus, donker zwartbruin, mogelijk oorspronkelijke Ap-horizont, beekdalafzettingen, beekleem Zand, matig fijn, zwak siltig, licht grijsbruin, C-horizont, beekdalafzettingen
150
Veen, sterk zandig, donkerbruin, Cr-horizont, vegetatiegroei in verlaten beekgeul
Zand, matig grof, zwak siltig, lichtgrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen
Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig humeus, bruingrijs, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte grond
Zand, zeer fijn, zwak siltig, zwak humeus, witbruin, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte grond
50
Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtbruin, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte grond
Zand, zeer grof, zwak siltig, zwak grindig, lichtgrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen, onderkant meandergeul
Veen, mineraalarm, donkerbruin, Cr-horizont, vegetatiegroei in verlaten beekgeul
0
50
Veen, sterk zandig, lichtgrijs, Cr-horizont, vegetatiegroei in verlaten beekgeul Zand, matig fijn, zwak siltig, licht bruingrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen
0
70
205
Zand, matig grof, zwak siltig, lichtgrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen
350
Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig humeus, donker bruingrijs, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte grond 30
Zand, zeer fijn, zwak siltig, sterk humeus, donker grijsbruin, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte humeuze grond
150
245
Zand, zeer grof, zwak siltig, zwak grindig, lichtgrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen, onderkant meandergeul
60
Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig humeus, donker bruingrijs, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte humeuze grond
200
0
50
160
250
310
0
110
235
300 303
Leem, sterk zandig, sterk humeus, donker zwartbruin, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte grond
150
Zand, zeer fijn, zwak siltig, licht bruingrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen
250
Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig humeus, resten plastic, grijsbruin, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte grond
100
Zand, zeer fijn, zwak siltig, zwak humeus, donker witgrijs, ACp-horizont
230
0
Zand, zeer fijn, zwak siltig, witgrijs, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte grond
Zand, zeer fijn, zwak siltig, sterk humeus, donker zwartbruin, mogelijk oorspronkelijke Ap-horizont, beekdalafzettingen
Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtgrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen
0
115
155
Zand, zeer fijn, zwak siltig, sterk humeus, donker witbruin, geroerde/verstoorde laag
Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtbruin, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte grond
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, resten baksteen, donker grijsbruin, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte grond
100
125
300
X: Y:
0
40
150
04 130001,00 392936,00
400
400
350
Zand, zeer grof, zwak siltig, zwak grindig, lichtgrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen, onderkant meandergeul Zand, matig fijn, zwak siltig, licht bruingrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen
375
400
380
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, donkergrijs, Cr-horizont, vegetatiegroei in verlaten beekgeul
400
Zand, matig grof, zwak siltig, zwak grindig, lichtgrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen, onderkant meandergeul
Bijlage 5
Boorstaten
06 X: Y:
07 130028,00 392922,00
13,4
X: Y:
m +NAP
0
08 129951,00 392896,00
14,6
m +NAP
X: Y: 0
20
Zand, matig grof, zwak siltig, zwak grindig, sterk puinhoudend, sterk grindhoudend, grijs, halfverhardingslaag
0
14,6
m +NAP
X: Y: 0 5
Tegelverharding
0
10 129969,00 392887,00
14,6
m +NAP
X: Y:
5
Zand, matig fijn, zwak siltig, witgeel, cunet-/stabilisatiezand
Zand, zeer fijn, zwak siltig, sterk humeus, donker bruingrijs, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte humeuze grond
50
65 75
Zand, zeer fijn, zwak siltig, sterk humeus, donker bruingrijs, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte humeuze grond 100
100
0
150
150
155
170
50
200
200
95
100 110
Leem, sterk zandig, matig humeus, donker zwartbruin, mogelijk oorspronkelijke Ap-horizont, beekdalafzettingen, beekleem Zand, matig fijn, zwak siltig, licht grijsbruin, C-horizont, beekdalafzettingen
Leem, sterk zandig, donker grijsbruin, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte grond
225
Zand, zeer fijn, zwak siltig, zwak humeus, bruingrijs, mogelijk oorspronkelijke Ap-horizont, beekdalafzettingen
200
Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig humeus, bruingrijs, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte humeuze grond
50
70
200
Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtgrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen
Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig humeus, donkergrijs, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte humeuze grond 100
120
Zand, zeer fijn, zwak siltig, sterk humeus, donker zwartgrijs, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte humeuze grond
150 150
170 190
200 210
230
Zand, zeer fijn, zwak siltig, licht bruingrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen 250
Zand, zeer fijn, zwak siltig, licht grijsbruin, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte grond
Zand, zeer fijn, zwak siltig, licht grijsbruin, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte grond Zand, zeer fijn, zwak siltig, zwak humeus, bruingrijs, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte grond
60
Zand, zeer fijn, zwak siltig, sterk humeus, donker bruingrijs, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte humeuze grond
Zand, zeer fijn, zwak siltig, zwak humeus, donker bruingrijs, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte humeuze grond
Zand, zeer fijn, zwak siltig, zwak humeus, bruingrijs, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte grond
135 140
Zand, zeer fijn, zwak siltig, zwak humeus, donker witbruin, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte grond
0
Leem, sterk zandig, donker grijsbruin, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte grond
115
Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig humeus, bruingrijs, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte grond
0
m +NAP
55
70
0
Tegelverharding
40
50
100
129994,00 392913,00
14,5
0
Zand, zeer fijn, zwak siltig, witgeel, cunet-/stabilisatiezand
Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig humeus, bruingrijs, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte humeuze grond 50
09 129960,00 392892,00
185
Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtgrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen 200
200
Zand, zeer fijn, zwak siltig, lichtbruin, Cr-horizont, beekdalafzettingen
Zand, matig fijn, zwak siltig, licht bruingrijs, C-horizont, beekdalafzettingen Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtgrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen
Zand, zeer fijn, zwak siltig, licht bruingrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen 250
Leem, sterk zandig, matig humeus, donker grijsbruin, mogelijk oorspronkelijke Ap-horizont, beekdalafzettingen, beekleem
250 250
150 280 170
290
Zand, matig fijn, zwak siltig, grijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen
300
300
300
300
Zand, matig grof, zwak siltig, zwak grindig, lichtgrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen, onderkant meandergeul
310 320
200
335
230 240
250
Zand, zeer grof, zwak siltig, zwak grindig, lichtgrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen, onderkant meandergeul
345
350
400
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, donkergrijs, Cr-horizont, vegetatiegroei in verlaten beekgeul Zand, zeer grof, zwak siltig, matig grindig, lichtgrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen, onderkant meandergeul
400
Projectcode: 4013.001
320
335
Zand, zeer fijn, zwak siltig, lichtbruin, Cr-horizont, beekdalafzettingen, veel wortelresten Zand, zeer fijn, zwak siltig, licht bruingrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen
350
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, licht bruingrijs, Cr-horizont, vegetatiegroei in verlaten beekgeul
300
Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtgrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen 350 350
350 360
380
400
330
Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtgrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen
350
Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtgrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen
300
Zand, zeer grof, zwak siltig, zwak grindig, lichtgrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen, onderkant meandergeul
Zand, zeer fijn, zwak siltig, sterk humeus, donkerbruin, Cr-horizont, vegetatiegroei in verlaten beekgeul
400
Zand, zeer grof, zwak siltig, zwak grindig, lichtgrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen, onderkant meandergeul
Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtgrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen
390
400
400
Zand, zeer fijn, zwak siltig, sterk humeus, donkerbruin, Cr-horizont, beekdalafzettingen, onderkant meandergeul
395
400
400
Zand, zeer grof, zwak siltig, zwak grindig, lichtgrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen, onderkant meandergeul
Zand, zeer grof, zwak siltig, zwak grindig, lichtgrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen, onderkant meandergeul
400
400
Bijlage 5
Boorstaten
11 X: Y:
12 130003,00 392908,00
14,5 0
X: Y:
m +NAP
130012,00 392904,00
14,4
m +NAP
0
Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig humeus, bruingrijs, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte humeuze grond
0
0
Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig humeus, donkergrijs, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte humeuze grond
50 50 70
90
100
Zand, zeer fijn, zwak siltig, zwak humeus, donker witgrijs, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte humeuze grond vermengd met cunet-/stabilisatiezand Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig humeus, bruingrijs, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte humeuze grond
80
Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig humeus, donker bruingrijs, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte humeuze grond
100
140
Zand, zeer fijn, zwak siltig, sterk humeus, donker zwartgrijs, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte humeuze grond
150
140
Zand, zeer fijn, zwak siltig, zwak humeus, licht witgrijs, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte humeuze grond vermengd met cunet-/stabilisatiezand
150
180
195
200
220
Leem, sterk zandig, matig humeus, donker grijsbruin, mogelijk oorspronkelijke Ap-horizont, beekdalafzettingen, beekleem Zand, matig fijn, zwak siltig, licht bruingrijs, C-horizont, beekdalafzettingen
190
200
200 210
Zand, matig fijn, zwak siltig, grijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen
Zand, zeer fijn, zwak siltig, sterk humeus, donker zwartgrijs, geroerde/verstoorde laag, opgebrachte humeuze grond Leem, sterk zandig, matig humeus, donker grijsbruin, mogelijk oorspronkelijke Ap-horizont, beekdalafzettingen, beekleem
250
Zand, matig fijn, zwak siltig, grijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen
250
280 290
300 300
Zand, matig grof, zwak siltig, zwak grindig, lichtgrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen, onderkant meandergeul Zand, matig fijn, zwak siltig, grijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen
330
350
350
370
340
Zand, zeer grof, zwak siltig, zwak grindig, lichtgrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen, onderkant meandergeul
350
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, grijs, Cr-horizont, vegetatiegroei in verlaten beekgeul
Zand, matig fijn, zwak siltig, grijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen
400
Zand, zeer grof, zwak siltig, zwak grindig, lichtgrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen, onderkant meandergeul
400 395
400
Projectcode: 4013.001
400
Zand, zeer grof, zwak siltig, zwak grindig, lichtgrijs, Cr-horizont, beekdalafzettingen, onderkant meandergeul
bestemmingsplan Leijoever
Bijlage 4 Standaard Verantwoording Groepsrisico 2019
80
bestemmingsplan "Leijoever" (ontwerp)
Standaard Verantwoording Groepsrisico 2019 Gemeente Goirle
Opdrachtgever: Gemeente Goirle Uitvoering K. Aarts, N. den Haan, M. van der Wielen, Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant Datum Juli 2019
1
Inleiding Deze standaard verantwoording groepsrisico (voortaan: standaard verantwoording) is een hulpmiddel voor het opstellen van de paragraaf “externe veiligheid” in ruimtelijke plannen, waarvan de gronden liggen binnen het invloedsgebied van een risicobron. Een risicobron is een bron waar opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, zoals een Bevi-inrichting, buisleiding, spoor-, water- of autoweg. De standaard verantwoording geeft een beschrijving van de scenario’s en de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid en gaat op globale wijze in op het groepsrisico. Deze standaard verantwoording wordt toegepast voor Wro-besluiten en omgevingsvergunningen Wabo voor afwijken van bestemmingsplan of beheersverordeningen. De standaard verantwoording kan gebruikt worden om te voldoen aan artikel 13 van het Bevi1. Daarnaast kan deze standaard verantwoording toegepast worden als (beperkte) verantwoording op grond van artikel 7 en 8 van het Bevt2 en artikel 12 van het Bevb3. Voor een verantwoording van het groepsrisico dient de Veiligheidsregio (VR) in de gelegenheid te worden gesteld een advies uit te brengen. De VR geeft in bepaalde situaties een standaardadvies af. Voor de toepassingsmogelijkheden van dit standaardadvies wordt verwezen naar het advies van de VR d.d. 21 december 2018.
Een vuistregel is dat wanneer de standaard verantwoording kan worden toegepast, het standaardadvies van de VR tevens van kracht is. In dit document wordt: toegelicht wanneer de standaard verantwoording aan de orde is en hoe het gebruikt wordt; de standaard verantwoording voor de gemeente Goirle gegeven. Toepassing standaard verantwoording In Wro-besluiten en omgevingsvergunningen Wabo voor afwijken van bestemmingsplan of beheersverordeningen (voortaan: ruimtelijk plan) wordt getoetst aan diverse milieuaspecten, waaronder externe veiligheid. Ieder ruimtelijk plan bestaat daarom uit een paragraaf externe veiligheid. De standaard verantwoording kan nooit de gehele paragraaf externe veiligheid vervangen. Een complete paragraaf bestaat –naast de eventueel noodzakelijke verantwoording uit een beleidskader, beschrijving van de risicobronnen en (beperkt) kwetsbare objecten en een toetsing aan de relevante contouren (PR 10-6, plasbrandaandachtsgebieden en invloedsgebieden). Voor inzicht in deze contouren, wordt verwezen naar de risicokaart of EV-signaleringskaart. Voor de toepassingsmogelijkheden van de standaard verantwoording wordt verwezen naar het stroomschema, zoals opgenomen in bijlage 1. In dit stroomschema wordt een relatie gelegd met de kaart ‘zone indeling standaard verantwoording groepsrisico’, die in bijlage 2 staat.
Toelichting Stroomschema Het stroomschema maakt onderscheid tussen: 1. Conserverende en ontwikkelingsgerichte plannen: Conserverende plannen zijn bestemmingsplannen of beheersverordeningen waarin juridisch-planologisch geen nieuwe ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt. Een bestemmingsplan dat een wijzigingsbevoegdheid of uit te werken bestemming (opnieuw) vastlegt, wordt beschouwd als een ontwikkelingsgericht plan. Een uitbreiding van een
1
Besluit externe veiligheid inrichtingen Besluit externe veiligheid transportroutes 3 Besluit externe veiligheid buisleidingen 2
2
bestaande functie, functiewijziging of legalisatie wordt beschouwd als een ontwikkeling/wijziging. 2. Diverse zones. Deze zones zijn opgenomen op de kaart in bijlage 2 en omvat een: a. Niet gekleurde zone: wanneer het plangebied uitsluitend in dit gebied is gelegen, is een verantwoording niet benodigd. b. Grijze zone: deze gronden liggen binnen het invloedsgebied, maar buiten de bepalende zones voor het groepsrisico. Hier geldt daarom de standaardverantwoording. c. Blauwe zone: deze zone ligt tussen 30 en 200 meter van een transportroute4, buisleiding of categoriale inrichting en/of tussen 30 en 750 meter van een nietcategoriale Bevi-inrichting. Bij deze zone kan zowel de standaard- als maatwerkverantwoording van toepassing zijn. d. Gele zones: dit zijn de gebieden binnen 30 meter van een risicobron. Hiervoor geldt altijd een maatwerkadvies bij een ontwikkelingsgericht plan. Wanneer een ontwikkeling of wijziging binnen meerdere zones is gelegen, is de zone die het dichtst bij de risicobron gelegen is maatgevend. Naar rangorde van prioriteit is dat dus 1) geel, 2) blauw en 3) grijs. 3. Aard van de risicobronnen: Bij een ontwikkeling of wijziging die in een blauwe zone is gelegen wordt in het stroomschema de vraag gesteld om welke risicobron het gaat.
Indien sprake is van een zone afkomstig van een transportroute5 en/of buisleiding, dan geldt – wanneer sprake is van een zogenaamde beperkte verantwoordingsplicht - de standaard verantwoording. Er zijn ook inrichtingen, die niet gerekend worden tot Bevi-inrichtingen, zoals sommige PGS15inrichtingen of civiele inrichtingen voor explosieven. Hiervoor gelden veiligheidszones die (beperkt) kwetsbare objecten uitsluiten, maar een verantwoording groepsrisico is niet aan de orde. Deze inrichtingen zijn derhalve niet opgenomen op de kaart in bijlage 2. Beperkte verantwoording De toepassingsvereisten van een beperkte verantwoording zijn opgenomen in artikel 8, lid 2 van het Bevt en artikel 12, lid 3 van het Bevb en artikel 8 van de Revb. De onderbouwing in hoeverre de beperkte verantwoording kan worden toegepast, dient opgenomen te worden in het ruimtelijk plan. Wanneer de beperkte verantwoording niet kan worden toegepast, dan is een maatwerkverantwoording nodig. Indien de beperkte verantwoording kan worden toegepast, dient aanvullend bepaald te worden of sprake is van zelfredzame personen. Bij de volgende functies is per definitie sprake van niet zelfredzame personen en dient dus de pijl met ‘nee’ gevolgd te worden: Ziekenhuizen; Basisscholen, kinderdagverblijven en peuterspeelzalen; Bejaardentehuizen, verpleeg- en verzorgingstehuizen; Gevangenissen.
4
Onder transportroute wordt verstaan: wegen (incl. gemeentelijke wegen), spoorwegen en waterwegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. 3
Uitkomsten Het stroomschema kan leiden tot 3 uitkomsten: Geen verantwoording
Standaard verantwoording
In dit geval is geen verantwoording nodig. In de paragraaf externe veiligheid volstaat een beschrijving van de relevante risicobronnen en de constatering dat het plan buiten de relevante contouren/invloedsgebieden ligt, waardoor een verantwoording groepsrisico niet noodzakelijk is. De standaardverantwoording kan worden toegepast. In het ruimtelijk plan wordt een beschrijving gegeven van de risicobronnen en relevante contouren/invloedsgebieden en wordt omschreven waarom de standaardverantwoording van kracht is. Aanbevolen wordt om in het ruimtelijk plan te beschrijven in hoeverre de voorgestelde maatregelen uit de standaard verantwoording, zoals afsluitbare mechanische ventilatie of risicocommunicatie, getroffen worden. Onderhavig document wordt toegevoegd als bijlage bij het ruimtelijk plan. Een nadere uitwerking van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid is niet nodig. Het standaardadvies van de Veiligheidsregio mag eveneens worden toegepast en is opgenomen als bijlage bij deze standaardverantwoording. De Veiligheidsregio hoeft in dit geval niet meer (als overlegpartner) te worden betrokken bij de planvorming.
Maatwerk Verantwoording
Toepassing van de standaardverantwoording is niet mogelijk. De inhoud van de maatwerkverantwoording is afhankelijk van de betreffende risicobron(nen). Bevi-inrichtingen: een maatwerkverantwoording conform artikel 13 van het Bevi; Transportroutes: een maatwerkverantwoording conform artikel 8, lid 1 van het Bevt; Buisleidingen: een maatwerkverantwoording conform artikel 12, lid 1 van het Bevb.
De aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid dienen bij een maatwerkverantwoording – rekening houdende met locatie, functie, gebouwkenmerken enerzijds en rampscenario’s anderzijds specifiek te worden uitgewerkt. Ook dient de Veiligheidsregio om advies te worden gevraagd (bij voorkeur vroegtijdig in het proces wanneer externe veiligheid een bepalende factor is) en dient het gegeven advies verwerkt te worden in het ruimtelijk plan, waarbij beschreven wordt in hoeverre de voorgestelde maatregelen worden getroffen. Vragen of een maatwerkverantwoording laten opstellen? Wanneer er twijfel bestaat over de toepassingsmogelijkheden van de standaard verantwoording kan contact worden opgenomen met de OMWB. Contactpersonen hiervoor zijn: Dhr. N. (Niels) den Haan (n.denhaan@omwb.nl); Dhr. K. (Kees) Aarts (k.aarts@omwb.nl); Dhr. M. (Martijn) van der Wielen (m.vanderwielen@omwb.nl). Ook voor toetsingen of het opstellen van een maatwerkverantwoording kunt u hen benaderen.
4
Standaard verantwoording Groepsrisico Het groepsrisico als gevolg van aanwezige risicovolle inrichtingen ligt in alle gevallen onder de oriëntatiewaarde. De belangrijkste transportroutes voor gevaarlijke stoffen zijn de A58 en N630. Voor het traject van de A58 ter hoogte van de gemeente Goirle is sprake van een groepsrisico, waarvan de waarde hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, maar lager dan de oriëntatiewaarde. Voor de N630 geldt een waarde van het groepsrisico die lager is dan 0,1 x OW, tenzij sprake is van een personendichtheid van meer dan 100 personen per hectare. Dit geldt eveneens voor alle gemeentelijke wegen. De binnen de gemeente Goirle gelegen buisleidingen, die relevant zijn voor externe veiligheid, betreffen voornamelijk aardgasleidingen. Met uitzondering van de leidingen Z-528-04 en A-657, A532, welke gelegen zijn aan de zuidzijde van de kern Goirle, zijn alle leidingen gelegen in het buitengebied. Voor de leidingen Z-528-04 en A-657, A-532, is sprake van een laag groepsrisico. De waarde voor alle leidingen is gelegen onder 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van risicobronnen op dusdanige afstand dat de ruimtelijke ontwikkeling, ook indien sprake is van toename van het aantal aanwezigen, niet leidt tot een relevante toename van het groepsrisico.
Bestrijding calamiteit en zelfredzaamheid Scenario’s De scenario’s waardoor het plangebied getroffen kan worden, is afhankelijk van de aanwezige risicobronnen. De meest voorkomende scenario’s welke zich kunnen voordoen, zijn hier beschreven. Toxisch scenario Dit scenario is van toepassing bij een plangebied dat ligt binnen een giftig (toxisch) invloedsgebied: Er komt een wolk met giftige stoffen vrij die zich verspreidt in de omgeving. Deze kan ontstaan als gevolg van: een brand bij een inrichting met gevaarlijke stoffen (giftige verbrandingsproducten, rookwolk). Een lek in een ammoniakkoelinstallatie (door uitdamping verspreiding in de omgeving). het lek raken van een container/tankwagen/etc. met gevaarlijke stoffen (door uitdamping verspreiding in de omgeving). Aanwezigen in het plangebied die worden blootgesteld aan de toxische wolk kunnen ernstige gezondheidsschade oplopen en kwetsbare groepen (longpatiënten) kunnen in het ‘worstcase scenario’ overlijden. Overige gevolgen zijn irritatie van de luchtwegen en branderige ogen. Plasbrand Een plasbrand ontstaat doordat een tank van een tankwagen of tankwagon openscheurt na bijvoorbeeld een botsing. Hierdoor stroomt een groot deel van brandbare vloeistof (zoals benzine) in korte tijd uit. De brandbare vloeistof verspreidt zich over de grond. Ontsteking van de plas leidt tot een korte hevige brand.
De effecten van een plasbrand zijn hittestraling en rook. Hierdoor kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving ontstaan. Hittestraling is in combinatie met de blootstellingsduur bepalend voor het slachtoffer- en schadebeeld. Dichtbij de bron kunnen personen overlijden en verder van de bron af kan het leiden tot (ernstige) brandwonden.
5
Incident met brandbare gassen Dit scenario kan van toepassing zijn bij een plangebied dat ligt binnen de effectafstanden van een explosie: Een explosie kan optreden bij een LPG tankstation, bij een inrichting of bij het transport van onder druk vervoerd gas (weg en water). Door het instantaan falen, bijvoorbeeld als gevolg van een ongeluk, komt de inhoud spontaan en explosief vrij. De stof zal waarschijnlijk ontbranden wat eveneens voor schade zorgt. Het ‘worst-case scenario’ is dat een tank door een externe brand wordt opgewarmd, waardoor deze door oplopende interne druk faalt. Hierdoor komt de inhoud onder zeer grote druk explosief vrij en ontbrandt direct. De warmtestraling en overdruk in de omgeving is direct dodelijk zowel binnen als buiten gebouwen. Op grotere afstand zullen aanwezigen (brand)wonden oplopen. Daarnaast ontstaat schade aan gebouwen als gevolg van de druk. Fakkelbrand Dit scenario is van toepassing bij een plangebied dat ligt binnen de effectafstanden van een fakkelbrand. Dit scenario treedt op bij transportleidingen voor aardgas. Door een lekkage, scheur of volledige breuk van de buisleiding kan het aardgas vrijkomen en tot ontbranding worden gebracht door een ontstekingsbron in de nabijheid. Het vrijgekomen aardgas zal hierbij in brand vliegen wat gepaard gaat met een druk en hevige hitte ontwikkeling in de vorm van een fakkelbrand.
Door de hitte kunnen personen overlijden en/of brandwonden oplopen. Mogelijk te treffen maatregelen ter verbetering van de zelfredzaamheid Afsluitbare mechanische ventilatie bij toxisch scenario De Veiligheidsregio adviseert in nieuwe bouwwerken een afsluitbare mechanische ventilatie toe te passen. Daarnaast wordt aandacht gevraagd voor de detaillering van gevels, ramen en kozijnen, zodat deze goed luchtdicht zijn uitgevoerd. De detaillering van gevels, ramen en kozijnen volgt uit het Bouwbesluit 2012. Belangrijk is het controleren van een juiste uitvoering hiervan tijdens de bouw. Het toepassen van een afsluitbare mechanische ventilatie kan niet middels het Bouwbesluit worden afgedwongen. Om de toepassing hiervan te bevorderen wordt hierover actief gecommuniceerd met initiatiefnemers van bouwprojecten. Risicocommunicatie De Veiligheidsregio adviseert om actief te communiceren met gebruikers/bewoners van het invloedsgebied over de risico’s en mogelijk te nemen maatregelen. Dit vraagt om een actief beleid op het gebied van risico-communicatie. Op het gebied van risicobeheersing stelt de Veiligheidsregio in haar beleidsplan zich ten doel extra inspanningen te verrichten op het gebied van risicocommunicatie. Samen met de andere Brabantse Veiligheidsregio’s wordt hiervoor een plan ontwikkeld, waarbij gemeenten nadrukkelijk worden betrokken.
Binnen de gemeente Goirle is besloten om de wettelijke lijn te volgen. Dit is ook als zodanig vastgesteld in het borgingsdocument van de gemeente. Ontruimingsplan Het stimuleren van inrichtingshouders om aandacht te besteden aan hun ontruimingsplannen bij externe incidenten draagt bij aan een verhoging van de veiligheid. Instellingen en bedrijven zijn op grond van de Arbo-wet verplicht een risico-inventarisatie uit te voeren. Uit deze inventarisatie volgt of een BHV-organisatie ingesteld moet worden. Door de handhavers wordt hieraan structureel aandacht aan gegeven bij het uitvoeren van hun toezichtstaken. De Veiligheidsregio heeft in samenwerking met de gemeente Moerdijk een alerteringssysteem voor calamiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven ontwikkeld. De Veiligheidsregio past dit systeem (CBIS) inmiddels toe voor de gehele Veiligheidsregio. Toepassing van dit systeem zal bewustzijn van gevaren en communicatie bevorderen. Alle bedrijven binnen de gemeente kunnen zich inmiddels aanmelden voor dit systeem via de website: www.cbisbrabant.nl. De gemeente ondersteunt dit initiatief.
6
Mogelijkheden voor de rampenbestrijding Toxisch scenario Bronbestrijding is bij een toxische vloeistof mogelijk door de vloeistof af te dekken. Hierdoor wordt de verdamping verminderd. Voor toxische gassen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. Bij een toxisch incident is het belangrijk dat de bestrijding plaatsvindt vanaf bovenwinds gebied (daar waar de wind vandaan komt). Het is daarom belangrijk dat de bron tweezijdig bereikbaar is. Plasbrand De brandweer kan eerste hulp verlenen bij redden van slachtoffers. De brandweer beheerst de brand door nathouden/koelen van de omgeving en ontstane branden in de omgeving worden geblust. Tweezijdige bereikbaarheid is belangrijk evenals aanwezigheid van bluswatervoorzieningen. Incident met brandbare gassen Noodzakelijk voor het voorkomen van een explosie is tijdige aankomst brandweer en bereikbaarheid van tankwagens of ketelwagons. Belangrijk is dat voldoende bluswatervoorzieningen aanwezig zijn en dat het gebied tweezijdig toegankelijk is.
Fakkelbrand Mocht zich een voorval voordoen, dan is het van belang dat de hulpdiensten snel ter plaatse zijn met de juiste hulpmiddelen en blusmiddelen. De werkzaamheden van de brandweer zullen met name gericht zijn op het voorkomen van uitbreiding van de brand. De leidingbeheerder dient de toevoer van het gas af te sluiten bij een incident, er zijn dus geen mogelijkheden tot effectieve bronbestrijding. Opkomsttijden In het geval van een incident in het plangebied is de brandweer binnen de bestuurlijke vastgestelde tijden aanwezig (zie overzicht opkomsttijden bijlage 3). Indien voor het plangebied of een deel ervan niet kan worden voldaan aan de vastgestelde tijden kunnen, aan de hand van de door de Veiligheidsregio ontwikkelde toolbox, maatregelen worden getroffen om de veiligheid te verhogen. Belangrijk hierbij is de informatievoorziening richting de gebruikers/bewoners van een gebied waar de opkomsttijden niet worden gehaald. Toepassing van de toolbox kan een middel zijn om de veiligheid, door zelfredzaamheid en bewustzijn van de gevaren, te verhogen. Het doel van het project ‘’Brandveilig Leven’’ is om middels een tal van acties en activiteiten een basis te leggen voor een duurzame brandveilige woonomgeving van de burgers van de betrokken gemeenten.
Het algemene nut van de toolbox is het bieden van tools om brandgevaarlijke situaties te voorkomen en in geval van een brand, ook tijdig gealarmeerd te worden en te kunnen vluchten. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen maatregelen op korte termijn en maatregelen op lange termijn. Het is ten eerste belangrijk dat de burgers zich meer bewust worden van de oorzaken en gevaren van brand. Bewustwording in de eerste stap in het proces om de brandveiligheid te verbeteren. Hierna is het van belang dat burgers de zelfredzaamheid bevorderen mocht er toch een brand ontstaan. WAS (Waarschuwings- en alarmeringsinstallatie) Binnen de bebouwde kom van de gemeente is de WAS-dekking veelal voldoende. Daarnaast is NLalert voor het gehele grondgebied operationeel via mobiele telefonienetwerk. Bluswatervoorziening Binnen de gemeente is een overzicht beschikbaar van de bluswatervoorziening. De Veiligheidsregio heeft deze (grote) bronnen geïnventariseerd. Op grond van het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan benodigde bluswatervoorziening. Op verzoek van de Veiligheidsregio wordt, indien het 7
plangebied een nieuw uitbreidingsplan, industrieterrein met Brzo-inrichtingen of een grootschalige ontwikkeling betreft, in dit kader advies gevraagd met betrekking tot bluswatervoorziening. Bereikbaarheid De gemeente heeft een hoofdwegenstructuur voor de brandweer vastgesteld. Deze hoofdwegenstructuur voldoet aan de eisen die de brandweer hieraan stelt. Mate van zelfredzaamheid van de aanwezigen De zelfredzaamheid van aanwezigen in het plangebied hangt van diverse factoren af. In onderstaande tabel is de zelfredzaamheid voor een aantal standaard functies beoordeeld.
Scenario
Toxisch (giftig)
Explosie
Gebouwtype
Woning Kantoor Detailhandel Bedrijf Bijzonder Kwetsbaar Woning Kantoor Detailhandel Bedrijf Bijzonder Kwetsbaar
Afwegingscriteria Fysieke Zelfstandig gesteldheid heid personen personen + + + + -
+ + + + -
Alarmeringsmogelijkheden personen en aanwezigen +/+ + +/+
+ + + + -
+ + + + -
+/+ + +/+
VluchtMogelijkheden Gebouw & omgeving + + + +/+
GevaarInschattingsmogelijkheden scenario +/+/+/+/+/-
+/+/+/+/+/-
+/+/+/+/+/-
Over het algemeen wordt geconcludeerd dat de zelfredzaamheid redelijk tot goed is. Voor bijzonder kwetsbare objecten waar verminderd zelfredzame personen aanwezig zijn (zoals kinderdagverblijf en zorginstelling) is de zelfredzaamheid beperkt. Eerder genoemde maatregelen en voorzieningen verbeteren de vlucht- en schuilmogelijkheden en daarmee ook de zelfredzaamheid van personen in het plangebied. Conclusie Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat er personen in het plangebied worden blootgesteld aan externe veiligheidsrisico’s, ook na het treffen van maatregelen. De besproken maatregelen dragen wel bij aan het verminderen van de gevolgen die zich voordoen bij één van de beschreven scenario’s. De Veiligheidsregio is voldoende ingericht om tijdig de noodzakelijke hulpverleningscapaciteit van de beschreven scenario’s te leveren. Op basis van de beschouwde scenario’s en het gelijkblijvende groepsrisico acht de gemeente het Wro- of Wabo-besluit verantwoord.
8
Bijlage 1: Stroomschema standaard verantwoording Bijlage 2: Kaart zone indeling standaard verantwoording Bijlage 3: Standaard advies Veiligheidsregio
9
Bijlage 1: Stroomschema standaard verantwoording
Heeft uw gemeente vragen? m.vanderwielen@omwb.nl k.aarts@omwb.nl n.denhaan@omwb.nl
Start
Geen verantwoording
Niet gekleurde zone
Waar?
Grijze zone Invloedsgebied
Blauwe zone
Conserverend1
Standaard verantwoording2
Zone 30-200/750 m
Gele zone Zone tot 30 m
Aard van het plan?
Geen verantwoording
Niet gekleurde zone Ontwikkeling of wijziging
Grijze zone Invloedsgebied
Geldt een beperkte verantwoording op basis van het Bevt/Bevb én is sprake van zelfredzame personen?4
Waar?
Transportroute en/of buisleiding3
Blauwe zone Zone 30-200/750 m
Gele zone Zone tot 30 m
Van welke risicobron(nen) is de zone afkomstig?
Beviinrichting
Ja
Standaard verantwoording2
Nee
Maatwerk Verantwoording5
1: Een conserverend plan laat juridisch-planologisch geen nieuwe ontwikkelingen toe. Een beheersverordening behoort hier ook toe. Een conserverend bestemmingsplan waarin wijzigingsgebieden of uit te werken bestemmingen (opnieuw) worden vastgelegd, wordt beschouwd als een ontwikkeling/wijziging. Een legalisatie wordt ook beschouwd als een ontwikkeling/wijziging. 2: Bij een standaard verantwoording kan ook altijd het standaardadvies van de Veiligheidsregio worden toegepast. 3: Onder transportroute wordt verstaan: wegen (incl. gemeentelijke wegen), spoorwegen en waterwegen 4: Indien beide vragen met ‘ja’ beantwoord kunnen worden, volg dan ‘ja’. Zo niet, volg dan ‘nee’. Wat de toepassingsvereisten zijn bij een beperkte verantwoording staat verwoord in artikel 8, lid 2 van het Bevt en artikel 12, lid 3 van het Bevb. De motivering in hoeverre de beperkte verantwoording kan worden toegepast, dient te worden opgenomen in het ruimtelijk plan. Personen zijn zondermeer niet zelfredzaam wanneer sprake is van ziekenhuizen, basisscholen, kinderdagverblijven, peuterspeelzalen, bejaardentehuizen, verpleeg- en verzorgingstehuizen en gevangenissen. 5: De OMWB kan een dergelijke verantwoording voor uw gemeente opstellen of daarbij ondersteunen.
Gemeente GOIRLE T.a.v. College van Burgemeester en Wethouders Postbus 17 5050 AA GOIRLE
Sector Risicobeheersing Taakveld RO&I Postbus 3208 5003 DE Tilburg Telefoon (088) 2250100 www.brandweermwb.nl
Datum Onze referentie
21 december 2018 U.025998
Uw referentie Uw brief van
Harry Killaars 06-53625089 E-mail info@brandweermwb.nl Onderwerp Standaardadvies 2019
Behandeld door
Doorkiesnummer
Geacht College, Een deel van uw gemeente is gelegen in het invloedsgebied van één of meerdere Brzo bedrijven en/of van een spoorlijn, autoweg of buisleiding. Uw beleid externe veiligheid en de Besluiten externe veiligheid inrichtingen (bevi), buisleidingen (bevb) en transportroutes (Bevt) verplicht u het groepsrisico te verantwoorden van ieder ruimtelijk besluit dat u in een invloedsgebied neemt. Verder dient u het Dagelijks Bestuur van de Veiligheidsregio Midden- en West- Brabant iedere keer in de gelegenheid te stellen om te adviseren inzake de rampenbestrijding en de zelfredzaamheid. Dit is visueel gemaakt voor uw gemeente in bijlage 1. Daarnaast komen er steeds meer aanvragen die in de geest van de Omgevingswet verwerkt kunnen of dienen te worden. We benoemen in dit standaardadvies de kernwaarden van de Veiligheidsregio’s zodat u bij het opstellen van een omgevingsvisie of omgevingsplan deze kernwaarden vroegtijdig kunt inbrengen bij de initiatiefnemers van omgevingsvisies en omgevingsplannen. Maar ook bij het verantwoorden van het groepsrisico in het kader van de wet en regelgeving zoals beschreven in de genoemde besluiten externe veiligheid. Kernwaarden Veiligheidsregio Midden en West Brabant: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Samen werken aan een veiligere leefomgeving; Afstand tot de risico’s vergroot de veiligheid; Bebouwing en omgeving bieden bescherming; Gebouwen en gebieden zijn snel en veilig te verlaten; De omgeving maakt snel en effectief optreden van de hulpdiensten mogelijk; Iedereen is bekend met de risico’s en weet hoe te handelen als het mis gaat.
Werkingssfeer advies Met deze brief voorzien wij u van een standaard advies 2019, voor ruimtelijke ontwikkelingen in het invloedsgebied van een Bevi inrichting en/of de infrastructuur. U kunt de kernwaarden gebruiken voor de verantwoording van het groepsrisico voor ruimtelijke ontwikkelingen met plangebieden die niet zijn gelegen binnen de nader genoemde afstanden van risicobronnen. In bijlage 1 kunt u zien wanneer u het standaard advies kunt gebruiken en zijn de kernwaarden nader uitgewerkt voor uw gemeente. Voor alle overige ruimtelijke ontwikkelingen dient u het Bestuur van Veiligheidsregio MWB in de gelegenheid te stellen een maatwerkadvies uit te brengen. Heeft u vragen over de bereikbaarheid en de juiste hoeveelheid bluswater bij een object of geheel plangebied neem dan ook contact op met de Brandweer MWB. Aanvragen voor maatwerk adviezen dient u te richten aan info@brandweermwb.nl