CConstaterende datGoirle
Koppel je AI →
Document · PDF

07 Bijlage 1.2 Ontwerp-bestemmingsplan Leijoever separate bijlagen bij de plantoelichting.pdf

Raadsvergadering 17 september 2024, gemeente GoirleBij agendapunt: 10: Raadsvoorstel Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan Leijoever (Riel) AANGENOMEN28.049 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Leijoever

bestemmingsplan Leijoever

Inhoudsopgave

Bijlagen bij de toelichting

3

Bijlage 1

Toelichting op de Staat van bedrijfsactiviteiten

4

Bijlage 2

Onderbouwing herbegrenzing, 6 september 2023

9

Bijlage 3 Archeologisch bureauonderzoek en geo-archeologisch verkennend booronderzoek, 14 februari 2019

14

Bijlage 4

Standaard Verantwoording Groepsrisico 2019

80

Bijlage 5

Standaardadvies 2021

105

Bijlage 6

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, 12 juli 2022

124

Bijlage 7

Verkennend en nader bodemonderzoek, 17 maart 2010

167

Bijlage 8

Nader bodemonderzoek, 20 maart 2013

168

Bijlage 9 Verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest (grond), 15 augustus 2019

202

Bijlage 10 Verkennend en nader bodemonderzoek en nader onderzoek asbest, 16 december 2019

374

Bijlage 11

Rapportage aanvullend bodemonderzoek, 24 april 2020

375

Bijlage 12

Beschikking Wet bodembescherming, 10 augustus 2021

447

Bijlage 13

Quickscan flora en fauna, 9 maart 2023

461

Bijlage 14

Aanvullend onderzoek gebiedenbescherming, 12 september 2023

493

Bijlage 15

Onderzoek stikstofdepositie, 17 april 2023

519

Bijlage 16

Besluit en aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling

546

Bijlage 17

Eindverslag inspraakprocedure

555

Bijlage 18

Verslag (voor)overleg

575

2

bestemmingsplan "Leijoever" (ontwerp)

bestemmingsplan Leijoever

Bijlagen bij de toelichting

bestemmingsplan "Leijoever" (ontwerp)

3

bestemmingsplan Leijoever

Bijlage 1 T oelichting op de Staat van bedrijfsactiviteiten

4

bestemmingsplan "Leijoever" (ontwerp)

BIJLAGE Toelichting op de Staat van bedrijfsactiviteiten

Toelichting op de Staat van bedrijfsactiviteiten Inleiding Een goede milieuhygiënische kwaliteit in gebieden kan worden gerealiseerd door een juiste afstemming van de situering van bedrijven en milieugevoelige functies (zoals woningen). Om dit te bereiken kunnen globaal bezien twee wegen worden bewandeld: beïnvloeding door middel van ruimtelijke ordening; het nemen van maatregelen op het milieuhygiënische vlak. De ruimtelijke ordening fungeert daarbij als het beleidskader en vormt een "grove zeef", waarbij getracht wordt de juiste functie op de juiste plaats te situeren. Bij de ruimtelijke ordening zijn het aanhouden van afstand tussen bron en gevoelig object (zonering) en functietoedeling de belangrijkste middelen. Milieuhygiënische maatregelen zorgen er vervolgens voor dat, zo nodig, voor de inrichting maatregelen worden getroffen ter voorkoming of beperking van hinder in het omliggende gebied. Bij de regeling in het bestemmingsplan wordt gebruik gemaakt van een "Staat van bedrijfsactiviteiten", gebaseerd op de publicatie "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG, publicatie juni 2007; “het groene boekje”).

Door het koppelen van soorten bedrijven aan richtafstanden met betrekking tot aan te houden afstanden tussen bedrijven en milieugevoelige objecten biedt de staat een (aanvullend) instrument voor ruimtelijk-ordeningsbeleid bij bestemmingsplannen. Hierna wordt een korte toelichting gegeven op de Staat van bedrijfsactiviteiten. Voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar de eerdergenoemde publicatie "Bedrijven en milieuzonering" van de VNG. Staat van bedrijfsactiviteiten De Staat van bedrijfsactiviteiten geeft slechts inzicht in milieu-planologische aspecten per bedrijfstype en een specifieke bedrijfssituatie. Voor de onderscheiden bedrijfstypen, gerangschikt volgens de Standaard Bedrijfs Indeling (SBI-lijst) van het CBS, zijn per bedrijfstype voor elk van de aspecten geur, stof, geluid en gevaar de richtafstanden aangegeven die in de meeste gevallen kunnen worden aangehouden tussen een bedrijf, bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten (de milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties) en een rustige woonwijk. Bij het aanhouden van de richtafstanden tussen de bedrijven/bedrijfsactiviteiten en milieugevoelige objecten (woningen) kan hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen worden gehouden. Onder bedrijven worden in dit verband ook begrepen landbouw- en recreatiebedrijven en milieubelastende vormen van publieke dienstverlening en openbare instellingen.

Onder milieugevoelige objecten vallen ook ziekenhuizen scholen en terreinen voor verblijfsrecratie. Naast een "algemene staat van bedrijfsactiviteiten" die met name is toegespitst op specifieke bedrijfsterreinen is ook een staat van bedrijfsactiviteiten opgesteld voor gebieden waarbij sprake is van een functiemenging. Daarbij wordt gedacht aan : stadscentra,dorpskernen en winkelcentra horecaconcentratiegebieden zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen (delen van) woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Het kan daarbij gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld een grotere levendigheid tot stand te brengen. Het toepassen van een specifieke staat van bedrijfactiviteiten wordt daarbij wenselijk geacht omdat de activiteiten in dergelijke functiemenggebieden qua schaal sterk kunnen verschillen van de activiteiten op specifieke bedrijventerreinen.

Categorie-indeling functiemenging In de bijgaande lijst voor functiemenging is gekozen voor een indeling in drie categorieën: Categorie A Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. Categorie B Activiteiten die in een gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelastingvoor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en ander gevoelige functies dienen plaats te vinden. Categorie C De activiteiten genoemd onder categorie B, waarbij vanwege de relatief grote verkeeraantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. Randvoorwaarden Voor de toelaatbaarheid van de activiteiten gelden de volgende randvoorwaarden: 1. het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid; 2. productie en/of laad- en loswerkzamheden vinden alleen in de dagperiode plaats; 3. de activiteiten (inclusief opslag) geschieden hoofdzakelijk inpandig 4. activiteiten uit categorie C beschikken daarnaast over een goede aansluiting op de infrastructuur.

Uitwerking staat van bedrijfsactiviteiten Naast de boevengenoemde randvoorwaarden zijn bij de selectie van de bijgaande lijst de volgende criteria gehanteerd:  voor categorie A gaat het om activiteiten in milieucategorie 1  voor categorie B gaat het om activiteiten: - in categorie 1 voor het aspect gevaar; - in maximaal categorie 2 voor de aspecten stof en geur; - in maximaal categorie 3.1 voor het aspect geluid; - met een in deze voor verkeer van maximaal 1 G (goederen) en 2p (personen)  voor categorie C gaat het om activiteiten zoals bij categorie B, echter met een index voor verkeer van maximaal 2 g (goederen) en 3 P (personen).  Vuurwerkbesluit is van toepassing.

bestemmingsplan Leijoever

Bijlage 2 Onderbouwing herbegrenzing, 6 september 2023

bestemmingsplan "Leijoever" (ontwerp)

9

Onderbouwing herbegrenzing van de aanduidingen ‘Stedelijk gebied’ en ‘Natuur Netwerk Brabant – ecologische verbindingszone’ nabij het plan Leijoever in Riel d.d. 06-09-2023 Algemeen Het bestemmingsplan Leijoever maakt onder meer de realisatie van veertien woningen mogelijk binnen de bestemming ‘Wonen’ (op de gronden die in de afbeelding hieronder geel zijn weergegeven):

Het gaat om de realisering van zes twee-onder-één-kapwoningen (aan de westzijde van de nieuw aan te leggen weg) en acht bungalows (aan de oostzijde van de nieuw aan te leggen weg)). Het plangebied i.r.t. de Interim omgevingsverordening Het gedeelte van het plangebied waarop de acht bungalows zijn geprojecteerd, is voor een deel gelegen binnen de aanduiding ‘Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone’ in de (d.d. 15 april 2022). Deze aanduiding (paarse arcering op bovenstaande afbeelding) is opgenomen voor een zone met een breedte van 50 meter, 25 meter ter weerszijden van de Leij. Ingevolge artikel 3.25 (Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone) van de Interim omgevingsverordening geldt voor de ecologische verbindingszones een beperkt beschermingsregime, gericht op het bieden van basisbescherming. Een ecologische verbindingszone wordt aangeduid met een concreet aangeduid (zoek)gebied. Inrichting, beheer en bescherming op perceelsniveau moeten nader in het bestemmingsplan worden uitgewerkt. Na realisering van de ecologische verbindingszone is het beschermingsregiem voor het Natuur Netwerk Brabant van toepassing. Een gerealiseerde ecologische verbindingszone zal in de praktijk niet altijd over de volle lengte de gewenste breedte hebben. Sommige onderdelen kunnen smaller zijn, zeker als met stapstenen wordt gewerkt.

Dit is binnen de gestelde regels mogelijk mits in het bestemmingsplan concrete begrenzing van de gerealiseerde ecologische verbindingszone wordt opgenomen met een daarbij passend beschermingsregime. Bij een ecologische verbindingszone gaat het namelijk niet alleen om de aanleg, maar ook om het behoud en beheer. De gronden met de aanduiding ‘Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone’ vallen samen met het werkingsgebied 'Behoud en herstel watersystemen'. In deze gebieden is het beleid vanuit een regionaal belang gericht op behoud, verbetering en herstel van het natuurlijke watersysteem. Pagina 1 van 4

Binnen dit werkingsgebied gelden beperkingen voor functies en activiteiten die het realiseren van watersysteemherstel belemmeren of onnodig kostbaar maken. De gemeente stelt hiervoor regels en betrekt daarbij ook de belangen van het waterschap. Dit overleg heeft ook betrekking op de exacte reikwijdte van het beschermingsregime. In sommige gevallen zijn inrichtingsmaatregelen bijvoorbeeld al voorzien aan één zijde van de waterloop en is bescherming aan de andere zijde niet meer over de volle breedte noodzakelijk. Bestemmingsplan Landgoed Leijvennen, Riel Voor het bestemmingsplan Leijoever is van belang dat ten zuidoosten van het plangebied op het landgoed Leijvennen is voorzien in de aanleg van een ecologische verbindingszone. Ter hoogte van (de noordelijke grens van) het plangebied Leijoever heeft deze ecologische verbindingszone een breedte van minimaal 40 meter. Omdat in het bestemmingsplan Landgoed Leijvennen, Riel de aanduidingen in de Interim omgevingsverordening zijn gerespecteerd en de ecologische verbindingszone nog niet is aangelegd, zijn de gronden in de Interim omgevingsverordening nog niet aangeduid als NNB. Op onderstaande afbeelding is het gebied met de bestemming ‘Water’ met de gebiedsaanduiding ‘ecologische verbindingszone’ in het onherroepelijke bestemmingsplan ‘Landgoed Leijvennen, Riel’ aangegeven.

Met toevoeging van een strook van 10 meter binnen het bestemmingsplan ‘Leijoever’ waarvoor de bestemming ‘Natuur’ is opgenomen, wordt voldaan aan de Interim omgevingsverordening genoemde breedte van 50 meter. Herbegrenzing De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bevat een bevoegdheid voor Gedeputeerde Staten om te besluiten tot een wijziging van de begrenzing van een werkingsgebied (zoals een aanduiding). Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle zal daartoe een verzoek bij Gedeputeerde Staten indienen, nadat het ontwerpbestemmingsplan ‘Leijoever’ en voorliggende onderbouwing ter inzage hebben gelegen.

Op grond van artikel 5.3 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant geldt het volgende: Lid 1 Gedeputeerde Staten zijn bevoegd de in deze verordening opgenomen grenzen van een werkingsgebied te wijzigen als één of meer van de volgende gevallen zich voordoet: a.

de wijziging is nodig voor een doelmatige uitvoering;

b.

de wijziging draagt bij aan het doel waarvoor het werkingsgebied is opgenomen;

c.

de wijziging past binnen de uitgangspunten en basisprincipes van deze verordening;

d.

er is sprake van kennelijke onjuistheden in de begrenzing;

e.

de begrenzing van een gebied is niet langer in overeenstemming met een bestemmingsplan dat overeenkomstig artikel 3.8, derde lid, Wet ruimtelijke ordening is vastgesteld.

Lid 2 aanvulling op het eerste lid geldt voor een wijziging van de grenzen van het Natuur Netwerk Brabant dat: a. b. c.

een wijziging van de grens van Natura 2000 niet is toegestaan; de wijziging tot doel heeft de ecologische samenhang van het Natuur Netwerk Brabant te verbeteren; de kwalitatieve en kwantitatieve ambities van het Natuur Netwerk Brabant worden behouden of versterkt.

In overleg met de provincie is gekozen voor een herbegrenzingsverzoek die de grenzen van het bestemmingsplan Leijoever overschrijdt, zodat voor de gronden die worden ingezet voor de aanleg van een ecologische verbindingszone het beschermingsregime voor het Natuur Netwerk Brabant, zoals opgenomen in de Interim omgevingsverordening van toepassing is. Gelijktijdig wordt de herbegrenzing van de aanduiding ‘Stedelijk gebied’ meegenomen, zodat voor de gronden met de bestemming ‘Natuur’ in het bestemmingsplan Leijoever alleen de regels die gelden voor het werkingsgebied NNB van toepassing zijn. Motivering herbegrenzing Deze wijziging van de begrenzingen past binnen de uitgangspunten en basisprincipes van de Interim omgevingsverordening. Er zal ter hoogte van het bestemmingsplan Leijoever sprake zijn van de realisering van een ecologische verbindingszone met een breedte van ten minste 50 meter. Er is geen sprake van een wijziging van de grens van een Natura 2000-gebied; de ecologische samenhang van het Natuur Netwerk Brabant wordt verbeterd en de kwalitatieve en kwantitatieve ambities van het Natuur Netwerk Brabant worden behaald.

De ontwikkeling van de woningen die deel uitmaken van de projecten Leijvennen en van het project Leijoever zorgen ervoor dat er voldoende financiële middelen zijn voor de ontwikkeling van de gehele strook natuur als onderdeel van de beoogde ecologische verbindingszone die een breedte van ten minste 50 meter zal hebben. Naast een herbegrenzing ter hoogte van bestemmingsplan Leijoever wordt ook het zoekgebied voor de ecologische verbindingszone richting het NNB ten noordoosten van het plangebied verwijderd en wordt de ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het onherroepelijke bestemmingsplan Landgoed Leijvennen, Riel

toegevoegd aan het NNB. Vanwege de bestaande bebouwde situatie ten westen van de Leij is de verbindingszone daar smaller. Procedure herbegrenzing De procedure om te komen tot een wijziging van de begrenzingen begint volgens de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant met het voornemen van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle om een verzoek tot wijziging van de begrenzing in te dienen bij Gedeputeerde Staten. Op grond van artikel 6.2, eerste lid van de Interim omgevingsverordening maakt het voornemen deel uit van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van een bestemmingsplan. Inhoudelijk betekent dit dat in het ontwerpbestemmingsplan de volgende gebiedsaanduidingen zijn opgenomen: •

gebiedsaanduiding: overige zone – in IOV Noord-Brabant te verwijderen Behoud en herstel watersystemen;

•

gebiedsaanduiding: overige zone – in IOV Noord-Brabant te verwijderen NNB – ecologische verbindingszone;

•

gebiedsaanduiding: overige zone – in IOV Noord-Brabant te verwijderen Stedelijk gebied;

•

gebiedsaanduiding: overige zone – in IOV Noord-Brabant toe te voegen Behoud en herstel watersystemen;

•

gebiedsaanduiding: overige zone – in IOV Noord-Brabant toe te voegen NNB.

Het voornemen tot wijziging van de begrenzingen ligt gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage. Voorliggend document vormt de toelichting op dit voornemen waarin is aangegeven dat wordt voldaan aan de in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant gestelde voorwaarden. Tegen het voornemen tot herbegrenzing kunnen zienswijzen worden ingediend. Vervolgens zal het college van burgemeester en wethouders – eventueel met beantwoording van de zienswijzen - op basis van artikel 6.2 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Gedeputeerde Staten een verzoek doen tot herbegrenzing van de opgenomen aanduidingen en structuren. Het bestemmingsplan Leijoever kan pas worden vastgesteld door de gemeenteraad als Gedeputeerde Staten formeel (bij besluit) hebben ingestemd met het verzoek om wijziging van de begrenzingen.

bestemmingsplan Leijoever

Bijlage 3 Archeologisch bureauonderzoek en geo-archeologisch verkennend booronderzoek, 14 februari 2019

14

bestemmingsplan "Leijoever" (ontwerp)

ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK EN GEO-ARCHEOLOGISCH VERKENNEND BOORONDERZOEK BESTEMMINGSPLAN LEIJOEVER RIEL

Rapportage archeologisch bureauonderzoek en geo-archeologisch verkennend booronderzoek Bestemmingsplan Leijoever Riel Opdrachtgever

PartnersRO Julianaplein 8 5211 BC 's-Hertogenbosch

Rapportnummer 1

Versienummer

Datum

4013.001 2 14 februari 2019

Vestiging

Gelderland Fabriekstraat 19c 7005 AP Doetinchem 0314 - 365150 doetinchem@econsultancy.nl

Opsteller

ir. E.M. ten Broeke

Paraaf

Kwaliteitscontrole

drs. A.H. Schutte

Paraaf

© Econsultancy bv, Doetinchem Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1

Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van het bevoegd gezag is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeelt door het bevoegd gezag.

Econsultancy Archeologisch Rapport

Administratieve gegevens plangebied Projectcode

4013.001

Toponiem

Bestemmingsplan Leijoever

Opdrachtgever

PartnersRO

Gemeente

Goirle

Plaats

Riel

Provincie

Noord-Brabant

Kadastrale gegevens

Gemeente Goirle, sectie F, nummers 1273 en 1274 (ged.)

Omvang plangebied

Circa 5.825 m²

Kaartblad

50 E/50F (1:25.000)

Coördinaten centrum plangebied

X: 129.988 / Y: 392.904

Bevoegde overheid

Gemeente Goirle Afdeling Ruimtelijke Ordening Contactpersoon: mevrouw H. van Lieshout Postbus 17 5050 AA Goirle Tel. 013-5310610 Email: hanneke.van.lieshout@goirle.nl

ARCHIS3

Bureauonderzoek 4041773100

Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)

Booronderzoek 4041781100

Archeoregio NOaA

Brabants zandgebied

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy, Doetinchem / Provinciaal Archeologisch Depot Noord-Brabant

Uitvoerders

Econsultancy, Ir. E.M. ten Broeke

Kwaliteitszorg Econsultancy beschikt over een eigen opgravingsvergunning, afgegeven door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). De opgravingsvergunning geeft opdrachtgevers de zekerheid dat het uitvoerend bureau werkt conform de eisen die de RCE stelt op het gebied van competenties en integriteit van medewerkers en het toepassen van vigerende normen en onderzoeksprotocollen. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn.

Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.

Econsultancy Archeologisch Rapport

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van PartnersRO een archeologisch onderzoek uitgevoerd ter plaatse van de locatie Leijoever te Riel in de gemeente Goirle (zie figuren 1 en 2). De initiatiefnemer is voornemens de bestaande loods binnen het plangebied te slopen en vervolgens de nieuwbouw van 6 twee-onder-één kapwoningen en 8 patiowoningen te realiseren. Tevens zal er een bodemsanering worden uitgevoerd. Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen wat de verwachtingswaarde is voor de aanwezigheid van archeologische waarden binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. De verplichting tot het uitvoeren van een archeologisch onderzoek (zie bijlage 3) komt voort uit het vigerende bestemmingsplan en/of het vigerend gemeentelijk beleid, voortvloeiend uit het Verdrag van Malta uit 1992. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen nieuwbouw binnen het plangebied, alsmede een bestemmingsplanwijziging. Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van het archeologisch bureauonderzoek wordt verwacht dat het plangebied binnen een dalvormige laagte dan wel deels binnen de westelijk gelegen beekdalhelling van de Leij zou liggen.

Deze onder (vrij) natte omstandigheden gevormde landschapselementen vormde geen gunstige (tijdelijke) bewoningslocaties, maar er konden wel specialistische activiteiten worden ontplooid, zodat het plangebied wel een verhoogde trefkans heeft op de aanwezigheid van beekdalgerelateerde resten (resten van zogenaamde off-site activiteiten en rituele deposities, zodat archeologische resten van jacht- en visattributen, dumpzones, voorden, bruggen, wegen, winplaatsen van grondstoffen en depositieplaatsen). In de omgeving van het plangebied zijn enkele archeologische resten uit de Late-Prehistorie voornamelijk aangetroffen op de hoger gelegen terrasafzettingswelvingen en dekzandruggen en enkele resten uit de Middeleeuwen/Nieuwe tijd binnen de begrenzing van de historische dorpskern van Riel. Het plangebied ligt echter buiten de historische dorpskern en is in ieder geval vanaf het begin e van de 19 eeuw in agrarisch gebruik geweest. De huidige situatie is pas vanaf eind jaren ’60 van de e 20 eeuw ontstaan. Resultaten (geo-archeologisch) verkennend booronderzoek De aangetroffen bodemopbouw laat zien dat het plangebied is opgehoogd, vooral binnen het terreindeel waar de bestaande loods staat (zuidwestelijke tot centrale deel van het plangebied).

Vanaf het maaiveld, dan wel onder de aanwezige verhardingen rondom de loods, bestaat de bodemopbouw tot minimaal 90 cm en maximaal 205 cm -mv uit witgeel tot donkergrijsbruin gekleurd, merendeels zwak tot sterk humeus, zwak siltig, zeer fijn zand. Deze dikke laag opgebrachte grond bestaat deels uit cunetzand (vooral ter plaatse van de met tegels/klinkers verharde terreindelen) en verder vooral opgebrachte humeuze grond. Onder deze ophogingslagen komen beekdalafzettingen voor. Deze varieren in lithologie/textuur en bestaan uit lichtgrijs tot grijs gekleurd, matig fijn tot matig grof zand met vooral in de onderste meter voorkomende laagjes grindrijk, zeer grof zand met vaak erboven nog een dun laagje sterk humeus/venig zand of sterk zandige veen (veel hout- en plantenresten aanwezig). De laagjes grindrijk, zeer grof zand (concentratie van grind in de vorm van een zogenaamde “gravel lag”) met vaak erboven nog een dun laagje sterk humeus/venig zand of sterk zandige veen betreffen de onderkant van beekgeulen/verlaten beekmeanders. In de oostelijke helft van het plangebied bestaat de top van de beekdalafzettingen uit donkerzwartbruin gekleurde, matig humeuze, sterk zandige beekleem. Op basis van deze bodemopbouw ligt het gehele plangebied binnen het beekdal van de Leij.

Rapport 4013.001 versie 2

Conclusie Geconcludeerd wordt dat door het aantreffen van beekdalafzettingen het plangebied zijn verhoogde trefkans op beekdalgerelateerde resten behoud. Archeologische resten en/of sporen kunnen in het gehele pakket beekdalafzettingen voorkomen en mogelijk ook doorlopen in de (top van het) te verwachten onderliggende pakket (verspoelde) dekzandafzettingen. De aangetroffen bodemopbouw laat zien dat er geen diepgaande bodemverstorende ingrepen in het pakket beekdalafzettingen hebben plaatsgevonden, waardoor beekdalgerelateerde resten dus nog in situ kunnen worden aangetroffen. Volgens de initiatiefnemer zullen de nieuwe woningen op palen worden geplaatst. Hiermee wordt archeologisch vriendelijk gebouwd en zal gravend vervolgonderzoek niet noodzakelijk zijn. Indien er toch voor wordt gekozen om een staalfundering toe te passen, welke dan wordt aangelegd tot minimaal aan dan wel in de top van het pakket “gele” zand (top van de C-horizont), dan zullen de nieuwbouwwerkzaamheden verstoringen van de aanwezige beekdalafzettingen veroorzaken. Eventueel aanwezige beekdalgerelateerde resten zullen dan ex-situ behouden moeten worden, waardoor gravend vervolgonderzoek noodzakelijk is (aangezien beekdalgerelateerde resten vaak resten betreffen met een beperkte omvang, zogenaamde puntlocaties).

De beekdalafzettingen bevinden zich wel op een aanzienlijke diepte ten opzichte van het huidige maaiveld, vanwege de aanwezige dikke laag opgebrachte humeuze grond. Deze dikte is minimaal 90 cm en maximaal 205 cm -mv, en is in veel gevallen tussen 150 en 200 cm dik, vooral ter plaatse van de terreindelen rondom de bestaande loods. Advies Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om ten aanzien van de geplande ontwikkeling geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Volgens de initiatiefnemer zullen de nieuwbouwwoningen op palen worden geplaatst. De mate van verstoring van de beekdalafzettingen door de palen zal minimaal zijn (archeologisch vriendelijk/besparend bouwen). Indien er toch voor wordt gekozen om een staalfundering toe te passen, welke dan wordt aangelegd tot minimaal aan dan wel in de top van het pakket “gele” zand (top van de C-horizont), dan zal dit een verstoring van beekdalafzettingen veroorzaken. Eventueel aanwezige beekdalgerelateerde resten zullen dan ook ex-situ behouden moeten worden, waardoor vervolgonderzoek noodzakelijk is. Dit vervolgonderzoek dient dan te worden uitgevoerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P).

Voorafgaand aan het IVO-P zal een Programma van Eisen (PvE) moeten worden opgesteld, waarin beschreven staat op welke wijze het onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit PvE zal voorgaand aan de uitvoering van het proefsleuvenonderzoek moeten worden beoordeeld door het bevoegd gezag (gemeente Goirle).

Rapport 4013.001 versie 2

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

DOELSTELLING EN ONDERZOEKSVRAGEN ......................................................................... 1

3

BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 2 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9 3.10 3.11

4

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 19 4.1 4.2 4.3

5

Methoden .......................................................................................................................... 2 Afbakening van het plangebied ........................................................................................ 3 Huidige situatie ................................................................................................................. 3 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 3 Beschrijving van het historische gebruik .......................................................................... 4 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 7 Archeologische waarden ................................................................................................ 11 Aanvullende informatie ................................................................................................... 15 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 15 Beantwoording onderzoeksvragen bureauonderzoek .................................................... 17 Aanbevolen onderzoeksmethode ................................................................................... 18

Methoden ........................................................................................................................ 19 Resultaten ....................................................................................................................... 19 Beantwoording onderzoeksvragen veldonderzoek ........................................................ 21

CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 23 5.1 5.2

Conclusie ........................................................................................................................ 23 Advies ............................................................................................................................. 24

LITERATUUR ...................................................................................................................................... 25 BRONNEN .......................................................................................................................................... 26

Rapport 4013.001 versie 2

LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV. Tabel V. Tabel VI. Tabel VII. Tabel VIII. Tabel IX.

Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Verleende bouwvergunningen Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Overzicht AMK terreinen Overzicht onderzoeksmeldingen Overzicht ARCHIS-vondsten Gespecificeerde archeologische verwachting Algemene bodemopbouw plangebied

LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11. Figuur 12. Figuur 13. Figuur 14. Figuur 15.

Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de Kadastrale kaart uit 1827 (Minuutplan) Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1869 (Bonneblad) Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1900 (Bonneblad) Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1921 (Bonneblad) Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1967 Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1980 Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart van Nederland Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart van Nederland Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied met het AHN als achtergrond Situering van het plangebied binnen de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) Boorpuntenkaart van het plangebied

BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Overzichtsfoto’s en foto’s van de opgeboorde profielen Boorprofielen

Rapport 4013.001 versie 2

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van PartnersRO een archeologisch onderzoek uitgevoerd ter plaatse van de locatie Leijoever te Riel in de gemeente Goirle (zie figuren 1 en 2). De initiatiefnemer is voornemens de bestaande loods binnen het plangebied te slopen en vervolgens de nieuwbouw van 6 twee-onder-één kapwoningen en 8 patiowoningen te realiseren. Tevens zal er een bodemsanering worden uitgevoerd. Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen wat de verwachtingswaarde is voor de aanwezigheid van archeologische waarden binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. De verplichting tot het uitvoeren van een archeologisch onderzoek (zie bijlage 3) komt voort uit het vigerende bestemmingsplan en/of het vigerend gemeentelijk beleid, voortvloeiend uit het Verdrag van Malta uit 1992. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen nieuwbouw binnen het plangebied, alsmede een bestemmingsplanwijziging. Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 3) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, specifiek een geo-archeologisch verkennend) door middel van boringen (hoofdstuk 4). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen nodig zijn en zo ja, in welke vorm (hoofdstuk 5).

2

DOELSTELLING EN ONDERZOEKSVRAGEN

Het onderzoek heeft tot doel inzicht te krijgen in de archeologische waarden van het plangebied. Het bureauonderzoek heeft tot doel om een gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied op te stellen. De archeologische verwachting is gebaseerd op bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden in en om het plangebied. Voor het bureauonderzoek zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld: 

Wat is er bekend over bodemverstorende ingrepen binnen het plangebied uit het verleden? Is er bijvoorbeeld informatie bekend over vroegere ontgrondingen, bodemsaneringen, egalisaties, diepploegen of landinrichting? Ligt het plangebied binnen een landschappelijke eenheid die vanuit archeologisch oogpunt een specifieke aandachtslocatie kan betreffen (zoals een relatief hoge dekzandkop of -rug, nabij een veengebied of een beekdal)? Wat is de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied?

Het doel van het geo-archeologisch verkennend booronderzoek is om inzicht te krijgen in de aanwezigheid en locatie van fossiele beeklopen, zandkoppen of in de opbouw en gaafheid van de beekdalbodem, waardoor bepaald kan worden of een afgedekt archeologisch bodemarchief mogelijk aanwezig is. Het geo-archeologisch booronderzoek dient antwoord te geven op de volgende vragen:    

Wat is de bodemopbouw binnen de locatie? Is het bodemprofiel binnen de locatie intact of (binnen een deel van de locatie) verstoord, en indien verstoord tot hoe diep gaat deze verstoring? Hoe is de opbouw van het beekdal en de ligging van fossiele beeklopen? Zijn er zandkoppen aanwezig?

Rapport 4013.001 versie 2

Pagina 1 van 26

Wat zijn de gevolgen van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel op de gespecificeerde archeologische verwachtingswaarde van het plangebied?

Het bureauonderzoek is uitgevoerd op 6 en 7 april 2017 door ir. E.M. ten Broeke (senior prospector). Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd op 14 april 2017 door E.M. ten Broeke (senior prospector). Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H. Schutte (senior KNA-archeoloog/kwaliteitscontroleur).

3 3.1

BUREAUONDERZOEK Methoden

Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.0, 07-06-2016), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en 2 LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:     

afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).

Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd:            

2

het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); de Atlas Gelderland; literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW); plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging;

Beschikbaar via www.sikb.nl

Rapport 4013.001 versie 2

Pagina 2 van 26

3.2

Afbakening van het plangebied

Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 1 km rondom het plangebied. De locatie Leijoever heeft een oppervlakte van circa 5.825 m² en ligt aan de straat de Leike (ong.), in het uiterst oostelijke deel van de bebouwde kom van Riel in de gemeente Goirle (zie figuren 1 en 2). Volgens het Algemeen Hoogtebestand Nederland (AHN) ligt het maaiveld op een hoogte van circa 10,1 m +NAP. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Goirle, sectie F, nummers 1273 en 1274 (ged.). 3.3

Huidige situatie

Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. De zuidelijke helft van het plangebied is bebouwd met een loods. De terreindelen rondom deze loods zijn deels voorzien van een klinkerverharding. Het overige deel van het plangebied is in gebruik als grasveld/groenstrook. Het plangebied wordt voornamelijk begrensd door andere woonpercelen. Langs de zuidoostzijde van het plangebied loopt het gekanaliseerde beekdal van de Leij en vervolgens een agrarisch perceel (zie figuur 3). 3

Bodemloket Met het bodemloket wil de overheid inzicht geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit in Nederland in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering). Ook laat het Bodemloket zien waar vroeger (bedrijfs-) activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen. Op basis van gegevens van het Bodemloket blijkt dat het noordoostelijke deel van het plangebied deel heeft uitgemaakt van een terrein waar een leerlooierij heeft gestaan. Voor het centrale tot zuidwestelijke deel van het terrein wordt aangegeven dat hierbinnen een ondergrondse brandstoftank heeft, waarbij echter niet wordt aangegeven wanneer de tank is aangelegd dan wel verwijderd is of nog verwijderd moet worden. Door de gemeente Goirle is wel aangegeven dat er binnen de locatie Leijoever een bodemsanering zal worden uitgevoerd. 3.4

Toekomstige situatie

Het toekomstige gebruik van het plangebied kan bepalend zijn voor het vervolgtraject (behoud in-situ of behoud ex-situ van archeologische waarden). De toekomstige inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde.

3

http://www.bodemloket.nl/kaart

Rapport 4013.001 versie 2

Pagina 3 van 26

In het plangebied zal de bestaande loods worden gesloopt en vervolgens de nieuwbouw van 6 tweeonder-één kapwoningen en 8 patiowoningen worden gerealiseerd. Tevens zal er een bodemsanering worden uitgevoerd. De nieuwe woningen zullen op palen worden geplaatst. De overige delen van het plangebied die niet worden bebouwd, zullen worden voorzien van een verharding (asfalt/grind/tegels/klinkers) en verder worden ingericht als groenstrook/siertuin. Tevens zullen diverse nutsvoorzieningen worden aangelegd (kabels en leidingen). 3.5

Beschrijving van het historische gebruik

In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft e door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20 eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd. 4

Cultuurhistorische kenmerken van Riel Er zijn nogal wat suggesties aangedragen over de herkomst en betekenis van de naam Riel. Riel wordt in 1310 Riele genoemd, in 1337 Ryle en in 1417 komt men de naam Ryele tegen. Voor de benaming Riel wordt bijvoorbeeld een herkomst gezocht in het middeleeuws Latijnse woord rigola, wat waterloop betekent en er wordt ook een verband gezocht met het oud middeleeuws woord rigil, wat richel of reling betekent. Meer aannemelijk echter is de verklaring dat de naam Riel ontstaan is uit rietlo, een samenstelling van de woorden riet en lo en dus riet op een open plek in het bos betekent. Riel is een typisch Brabants esdorp, dat een langgerekte vorm heeft. Deze zogenaamde kransakkerdorpen breidden zich uit naarmate de beschikbare bouwgrond rondom de akkers vol raakte. Nieuwe vestigingen vonden dan wat verderop aan de kronkelige weg rondom de akkers plaats. Dit nederzettingspatroon is in Riel goed bewaard gebleven. Een bijzonderheid is, dat de eerste ontginningsactivie teiten hier al in de 7 eeuw moeten hebben plaatsgevonden. De blokvormige verkaveling, waarbij akkers door hagen en houtwallen omheind werden om het vee te weren, is in Riel nog steeds te herkennen. In de eeuwen vóór het gebruik van kunstmest werden de akkers vruchtbaarder gemaakt door er zoden op te leggen die met dierlijke mest waren vermengd.

Dit verklaart het holle, hoge karakter van de oude akkers.

4

http://wijgoirlenaren.nl/beknopte-geschiedenis-van-riel/

Rapport 4013.001 versie 2

Pagina 4 van 26

Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Geraadpleegd historisch kaartmateriaal5

Tabel I. Bron

Periode

Kaartblad

Schaal

Omschrijving plangebied

Bijzonderheden/directe omgeving

Kadastrale kaart (Minuutplan)

1827

Gemeente Alphen en Riel, Blad 02

1:5.000

Geheel in agrarisch gebruik, akker/grasland.

Agrarisch buitengebied, binnen het lager gelegen beekdal van de Leij vooral graslanden, op de hoger gelegen terrasafzettingswelvingen akkerlanden. Beekdal van de Leij lag iets verder ten zuidoosten van het plangebied, in vergelijking met de huidige, gekanaliseerde ligging direct langs de zuidoostzijde van het plangebied. Voorloper van de Vonderstraat aanwezig ten noordwesten van het plangebied. Verder ten westen lintbebouwing (boerenerven) langs de Dorpstraat (kransakkerdorp).

Militaire topografische kaart (Bonneblad)

1869

645/646

1:50.000

Geen noemenswaardige veranderingen.

Geen noemenswaardige veranderingen. Gebied ten oosten van het beekdal van de Leij betrof heide.

Militaire topografische kaart (Bonneblad)

1900

645/646

1:50.000

Geen noemenswaardige veranderingen.

Langzame toename van aantal woonerven in/nabij Riel, ook vrijwel direct ten zuidwesten van het plangebied. 1e fase van aanpassing/kanalisatie van beekloop van de Leij.

Militaire topografische kaart (Bonneblad)

1921

645/646

1:50.000

Geen noemenswaardige veranderingen.

Geen noemenswaardige veranderingen.

Topografische kaart

1967

50 E/50 F

1:25:000

Geen noemenswaardige veranderingen.

Sterke ontginning van het heidegebied ten behoeve van agrarisch gebruik, tevens herverkaveling van agrarisch buitengebied. Beekloop van de Leij aangepast/opnieuw gekanaliseerd tot zijn huidige ligging (ook direct langs de zuidoostzijde van het plangebied). Sterke toename van bebouwing langs bestaande wegenpatroon, ook langs de Vonderstraat.

Topografische kaart

1980

50 E/50 F

1:25:000

Bebouwd met huidige loods, merendeels huidige situatie.

Sterke uitbreiding van de bebouwde kom van Riel, plangebied maakt deel uit van uiterst zuidoostelijke deel van de bebouwde kom, merendeels huidige situatie.

Het geraadpleegde historisch kaartmateriaal laat de historische situatie van het plangebied zien vanaf e het begin van de 19 eeuw. Het plangebied was geheel in agrarisch gebruik (deels akkerland, deels grasland). Het kerkdorpje Riel betrof naast de aanwezige kerk niet meer dan enkele (boeren)erven langs de Dorpstraat, een zogenaamd kransakkerdorp. Ten westen hiervan lag een groot akkercomplex op de hoger gelegen terrasafzettingswelvingen. Binnen het lager gelegen beekdal van de Leij kwamen vooral graslanden voor. Het beekdal van de Leij lag iets verder ten zuidoosten van het plangebied, in vergelijking met de huidige, gekanaliseerde ligging. Tevens was de voorloper van de Vonderstraat aanwezig ten noordwesten van het plangebied (zie figuur 4).

5

www.topotijdreis.nl / www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl

Rapport 4013.001 versie 2

Pagina 5 van 26

e

Voor het plangebied, evenals de directe omgeving, vinden er in de loop van de 19 eeuw geen noemenswaardige veranderingen plaats. Het gebied ten oosten van het beekdal van de Leij betrof nog e een niet ontgonnen heidegebied (zie figuur 5). Aan het begin van de 20 eeuw vond er een langzame toename plaats van het aantal woonerven in/nabij Riel, ook vrijwel direct ten zuidwesten van het plangebied. Tevens werd de beekloop van de Leij rechtgetrokken/gekanaliseerd, echter niet tot zijn e huidige ligging (zie figuur 6). Het plangebied zelf bleef in de eerste helft van de 19 eeuw nog geheel in agrarisch gebruik (zie figuur 7). e

Aan het begin van de tweede helft van de 20 eeuw wordt het heidegebied ten oosten van het beekdal van de Leij in rap tempo ontgonnen, ten behoeve van agrarisch gebruik, Tevens vond er een herverkaveling plaats van het agrarisch buitengebied. De beekloop van de Leij werd opnieuw aangepast/gekanaliseerd tot zijn huidige ligging (ook direct langs de zuidoostzijde van het plangebied). Het aantal woonpercelen nam sterk toe langs het bestaande wegenpatroon, ook langs de Vonderstraat (zie figuur 8). e

In de jaren ’60, ’70 en begin jaren ’80 van de 20 eeuw vond een sterke uitbreiding van de bebouwde kom van Riel plaats. Ook het plangebied raakte bebouwd met de bestaande loods in de zuidelijke helft (zie figuur 9). Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Goirle is het archief van de Bouw- en Woningtoezicht geraadpleegd. Tabel II geeft een opsomming van de verleende bouwvergunningen voor de onderzoekslocatie. Tabel II.

Verleende bouwvergunningen

Jaartal 1968

Omschrijving Bouwen van een loods, voorzien van een strook-/sleuvenfundering tot een diepte van circa 100 cm -mv.

Van de bestaande loods in de zuidelijke helft van het plangebied is bekend dat deze voorzien is van een strook-/sleuvenfundering tot een diepte van circa 100 cm -mv. Voor de bouw van deze loods als de aanleg van diverse nutsvoorzieningen zullen diepere bodemverstorende ingrepen zijn uitgevoerd. Het overige deel van het plangebied is voor zover bekend nooit bebouwd geweest en alleen in agrarisch gebruik geweest en vervolgens als grasveld/groenstrook. Deze huidige inrichting heeft wellicht ook geleid tot een verstoring van het oorspronkelijke bodemprofiel. In welke mate is echter niet bekend. Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plange6 bied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn.

6

Amersfoort & Kamphuis, 1990/De Jong, 1969 - 1994/ikme.nl/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990

Rapport 4013.001 versie 2

Pagina 6 van 26

3.6

Aardwetenschappelijke gegevens

Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon van de mens. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel III.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied

Type gegevens

Gegevensomschrijving

Geologie7

Beekdalafzettingen en (verspoelde) dekzandafzettingen van de Formatie van Boxtel (Laagpakket van Singraven/Wierden) op grindrijke rivierzandafzettingen van de Formatie van Beegden en Sterksel. Mogelijk in het zuidoostelijke deel vanaf het maaiveld mogelijk nog een dun restant veraard veen aanwezig, anders opgenomen in de top van de beekdalafzettingen en (verspoelde) dekzandafzettingen als huidige bouwvoor.

Geomorfologie

8

Bodemkunde9

Voor het merendeel van het plangebied niet gekarteerd, vanwege de ligging binnen de bebouwde kom. Uiterst noordoostelijke deel plangebied binnen een beekdalbodem met veen (2R4). Niet gekarteerde deel meest waarschijnlijk ook binnen een beekdalbodem met veen (2R4) en noordwestelijk deel binnen een beekdalglooiing (4H11), als overgangszone tussen het beekdal en de hoger gelegen terrasafzettingswelvingen, bedekt met dekzand (3L12a). Voor het merendeel van het plangebied niet gekarteerd, vanwege de ligging binnen de bebouwde kom. Uiterst zuidoostelijke strook plangebied moerige eerdgronden met een zanddek en een moerige tussenlaag op zand (zWz). Niet gekarteerde deel meest waarschijnlijk een gooreerdgrond, bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand (pZn21).

10

Geologie Het plangebied ligt net binnen het Kempisch Hoog, een gebied dat door tektonische activiteit een relatief hoge ligging heeft gekregen. Op circa 1 km ten noordoosten van het plangebied ligt een noordwest-zuidoost georiënteerde breuk, de Breuk van Vessem, die de grens vormt met het tektonisch dalingsgebied van de Roerdalslenk, ook wel Centrale Slenk genoemd, dat een gebied met actieve tektonische bodemdaling is. In het Vroeg- en Midden-Pleistoceen raakte vooral de tektonisch dalende Roerdalslenk gevuld met grindrijke, grove zanden, aangevoerd door de Rijn en Maas, welke respectievelijk behoren tot de Formatie van Sterksel en Beegden. Echter, ook sedimentatie vond plaats op het Kempisch Hoog. Door de tektonische opheffing en kanteling van onder andere de ten oosten van de Roerdalslenk gelegen Peelhorst, werden eerst de Rijn en vervolgens de Maas gedwongen hun loop naar het oosten te verplaatsen en kwam er een einde aan de fluviatiele sedimentatie. Nadat de rivieren het gebied hadden verlaten, heeft op het Kempisch Hoog dan ook gedurende het midden- en laatpleistoceen periglaciale erosie plaatsgevonden, waardoor het fijnere materiaal van de Formatie van Sterksel werd geërodeerd en het oorspronkelijke fluviatiele reliëf is afgevlakt.

7

De Mulder et al., 2003 Alterra, 2003 9 Stichting voor Bodemkartering, 1980 10 De Mulder et al., 2003 / Berendsen, 2005, 2008 8

Rapport 4013.001 versie 2

Pagina 7 van 26

Gedurende de ijstijd van het Laat-Pleistoceen (Weichselien) is het afgevlakte landschap bedekt met afzettingen van meer lokale oorsprong, welke behoren tot de Formatie van Boxtel). Deze afzettingen kunnen worden onderverdeeld in Brabants leem, fluvioperiglaciale afzettingen (smeltwaterafzettingen) en eolische afzettingen (dekzand). Brabants leem is in perioden met permafrost ontstaan uit door de wind aangevoerd materiaal waaruit door dooiwaterstroompjes de fijne deeltjes werden uitgewassen, die vervolgens werden afgezet in ondiepe vochtige depressies (dooimeren). Fluvioperiglaciale afzettingen, oftewel verspoelde dekzand- en rivierafzettingen, ontstonden wanneer aan het begin en eind van de glacialen, en dan voornamelijk in de zomermaanden, veel smeltwater vrijkwam. Dit water werd afgevoerd door een systeem van verwilderde geulen en beken (een vlechtend bekenstelsel), waarbij materiaal van de hogere delen naar de lager gelegen Centrale Slenk werd verplaatst. De afzettingen die hierbij tot stand kwamen, bestaan uit min of meer gelaagde zanden, met eventueel leemlagen. Door het ontbreken van vegetatie werd in de droge en zeer koude glacialen door de wind sediment verplaatst en elders weer afgezet. In het Pleniglaciaal (Midden-Weichselien) werd zo het Oude Dekzand afgezet.

In het Laat-Glaciaal (Laat-Weichselien) werd het Jonge Dekzand afgezet in de vorm van langgerekte, voornamelijk ZW-NO georiënteerde ruggen. Aan het einde van het Laat Glaciaal trad een blijvende klimaatsverandering op en begon het Holoceen. Deze periode is gekenmerkt door een relatieve zeespiegelstijging, waardoor de grondwaterspiegel ook steeg. Vooral het gebied van de grote rivieren onderging in het Holoceen nog grote veranderingen. Onder de invloed van de stijgende grondwaterspiegel ontstonden op plaatsen met gebrekkige afwatering (depressies, dekzandvlakten) veenmoerassen. Het veen kon zich lateraal uitbreiden en kroop langzamerhand over het beboste dekzandlandschap en bedekte uiteindelijk ook de lager gelegen dekzandruggen. In de beekdalen kon vanaf het Boreaal (8.700-10.250 jaar voor heden) veen ontstaan. Het veen groeide in het Atlanticum (vanaf circa 5000 voor Chr., Mesolithicum) gedurende duizenden jaren gestaag door. Het hoogveen behoort tot de Formatie van Nieuwkoop, Laagpakket van Griendtsveen. Een ander gevolg van de klimaatsverandering is dat de beken een meanderend karakter kregen en zich ondiep in de onderliggende fluvioperiglaciale afzettingen konden snijden. De beeksedimenten bestaan uit een afwisseling van kleiige en zandige lagen en behoren tot het Laagpakket van Singraven van de Formatie van Boxtel.

Vanaf ongeveer 2600 jaar gelden (IJzertijd) bestond de hogere delen van het dekzandlandschap (grote dekzandruggen) uit uitgestrekte heidevelden. De heidevelden waren ontstaan door grootschalige boomkap. In de drogere gedeelten van het zandgebied traden verder ook uitgebreide verstuivingen op. Mogelijk zijn reeds aan het eind van het Boreaal stuifzanden op kleine schaal ontstaan waar de vegetatie makkelijk vernietigd kon worden. Het grootste gedeelte van de stuifzanden zijn tijdens de Middeleeuwen ontstaan door de bevolkingstoename en de daarmee gepaard gaande ontbossing en uitbreiding van cultuurgronden. Op de armste en droogste zandgronden ontstonden, mogelijk reeds aan het eind van het Boreaal, stuifzanden. De stuifzanden behoren tot het Laagpakket van Kootwijk van de Formatie van Boxtel. 11

DINO Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO.

11

www.dinoloket.nl

Rapport 4013.001 versie 2

Pagina 8 van 26

12

In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd. Hieruit blijkt dat de ondergrond is opgebouwd uit de volgende lithostratigrafische afzettingen; vanaf het maaiveld tot ± 4 m -mv matig fijn zand behorende tot de Formatie van Boxtel (Laagpakket van Wierden). Hieronder bevinden zich grindige, grofzandige rivierafzettingen tot een diepte van circa 21 m -mv, welke behoren tot de Formatie van Beegden en zijn afgezet door de Maas. Vervolgens vindt een overgang plaats naar door de Rijn afgezette rivierzanden, uit de tijd dat de Rijn nog door de Roerdalslenk stroomde. Deze afzettingen behoren tot de Formatie van Sterksel. De bestudeerde boringen liggen buiten het beekdal van de Leij. Binnen het beekdal moet dan ook nog rekening te worden gehouden met beekdalafzettingen (fijn zand, lemig zand tot leem) en dunne veenlagen, behorend tot het Laagpakket van Singraven van de Formatie van Boxtel. Geomorfologie De Geomorfologische kaart geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Op de Geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) is het merendeel van het plangebied niet gekarteerd, vanwege de ligging binnen de bebouwde kom. Alleen voor het uiterst noordoostelijke deel van het plangebied wordt aangegeven dat het binnen een beekdalbodem met veen ligt (2R4, zie figuur 10). Dit betreft het beekdal van de Leij.

Het niet gekarteerde deel van het plangebied ligt meest waarschijnlijk voor een groot deel ook binnen een beekdalbodem met veen (2R4) en noordwestelijk deel binnen een beekdalglooiing (4H11), als overgangszone (flauw hellend terrein) tussen het beekdal en de ten westen en hoger gelegen terrasafzettingswelvingen, bedekt met dekzand (3L12a). Dit is gebaseerd op het hoogtebeeld van het plangebied en de directe omgeving, wat hieronder verder wordt behandeld. 13

Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Op het AHN is goed de ligging van het plangebied te zien binnen het beekdal van de Leij en de overgangzone tussen het lager en ingesneden in het landschap gelegen beekdal en de hoger gelegen terrasafzettingswelvingen, de beekdalglooiing dan wel de flankzone direct naast het beekdal (zie figuur 11). Het terreindeel waarop de bestaande loods staat lijkt enigszins te zijn opgehoogd. Daarbij zijn van het beekdal van de Leij verlaten meanders/beeklopen niet als zodanig te herkennen. Deze zullen zijn deze opgevuld tijdens het kanaliseren van het beekdal en door egalisatiewerkzaamheden (grondverbeteringswerkzaamheden ten behoeve van agrarisch gebruik). Verder vertoont het hoogtebeeld duidelijke overeenkomsten met de Geomorfologische kaart van Nederland. Bodemkunde Ook op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het merendeel van plangebied niet gekarteerd, vanwege de ligging binnen de bebouwde kom. Alleen de uiterst zuidoostelijke strook van het plangebied is gekarteerd als een moerige eerdgrond met een zanddek en een moerige tussenlaag op zand (zWz, zie figuur 12).

De moerige tussenlaag is gevormd door veengroei met een periodieke influx van zand, wanneer er sprake was van een hoge grondwaterstand binnen het beekdal van de Leij. Er is tevens sprake van een donkere, humeuze bovengrond (de A-horizont) van doorgaans 20 tot 30 cm dik. Dit bodemtype komt waarschijnlijk ook voor binnen het zuidoostelijke deel van het plangebied, waarvan verwacht wordt dat dit deel nog tot het oorspronkelijke beekdal van de Leij behoord.

12 13

DINO boornummer B50E0082, B50E0270, B50E0271 en B50E0272 www.ahn.nl

Rapport 4013.001 versie 2

Pagina 9 van 26

In het noordwestelijke deel van het plangebied komt meest waarschijnlijk een gooreerdgrond voor, bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand (pZn21). Deze gronden worden eveneens gekenmerkt door een donkere, humeuze bovengrond (de A-horizont) van doorgaans 20 tot 30 cm dik direct op het moedermateriaal, waarin geen roest of roest dieper dan 35 cm -mv voorkomt. De donkere bovengrond is ontstaan door een hoge productie van organisch materiaal en een geremde afbraak als gevolg van de lage, relatief natte ligging, waarna door vermenging door kleine bodemdieren met de bovenste grondlagen een donker gekleurde bovengrond is ontstaan. Roestvlekken zijn aanwezig, soms 14 vanaf de bovengrond, en lopen door tot aan de Cr-horizont. Dit bodemtype komt veel voor in bovenlopen en aan de randen van beekdalen en in niet-afvoerloze laagten laagten (vennen), waar geen podzolisatieproces als bodemvormend proces heeft kunnen plaatsvinden. Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://raad.goirle.nl/api/v1/meetings/1666/documents/27800