07 Bijlage 1.1 Ontwerp-bestemmingsplan Leijoever plantoelichting.pdf
Tekst van het document
Vooral linden kunnen hier een belangrijke rol in spelen door de bloei in het vroege voorjaar.
32
Woningontwerpen Conform het bouwbesluit dienen woningen minimaal te voldoen aan de BENGeisen (Bijna Energie Neutraal Gebouw). Bij goed geïsoleerde en luchtdichte woningen is de kans op oververhitting in de zomer groot en daarom dient er voldaan te worden aan een temperatuur overschrijdingseis, uitgedrukt in TOjuli – eis. Deze eis maakt onderdeel uit van de BENG-berekening. Een ander ontwerpcomponent voor een woning is de berekening van de Milieu Prestatie Gebouwen (MPG). De MPG maakt de duurzaamheid van de toegepaste materialen inzichtelijk. De MPG-berekening maakt onderdeel uit van de omgevingsvergunning aanvraag. Er dient in het woningontwerp een goed evenwicht gezocht te worden tussen duurzame opwekking, ontwerp van de woning en de toe te passen materialen. Alle woningen worden levensloopbestendig ontworpen. De tweekappers zijn geschikt voor zowel senioren als voor gezinnen met kinderen. Natuurinclusief bouwen De woningen worden zo natuurinclusief mogelijk ontworpen en gebouwd door op strategische plekken nestkasten in te bouwen voor vogels en vleermuizen. Groene daken Groene daken bieden kansen voor biodiversiteit, het vasthouden van regenwater en heeft een koelend effect en draagt daardoor bij aan een robuust, klimaatadaptieve woonwijk. Voor de woningen wordt gestreefd naar zoveel mogelijk groene daken op platte daken, in combinatie met zonnepanelen.
Materiaalgebruik Voor de gebiedsontwikkeling wordt zoveel mogelijk gewerkt met een gesloten grondbalans, waarbij gronden die vrijkomen binnen het plangebied in het plangebied hergebruikt worden. Verder wordt in de inrichting van het openbaar gebied maar ook bij de woningen gekeken naar de mogelijkheden voor het gedeeltelijk toepassen van biobased materialen, zoals bijvoorbeeld het toepassen van biocomposieten (bijvoorbeeld in straatmeubilair, speelvoorzieningen, verhardingen en kunstwerken). Uiteraard wordt bouw- en sloopafval zoveel mogelijk gescheiden afgevoerd.
33
Hoofdstuk 5 Milieuaspecten Dit hoofdstuk geeft aan hoe de milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan. 5.1.
Milieuhinder en bedrijven Vanuit milieuoogpunt kan een bepaalde afstand tussen een milieubelastende activiteit en een milieugevoelig object noodzakelijk zijn. Deze afstand dient dan bijvoorbeeld om ter plaatse van een kwetsbaar object, zoals woningen, een aanvaardbaar geur-, geluid- of veiligheidsniveau te realiseren. Deze afstand wordt milieuzonering genoemd. Een milieuzonering vormt het indirecte ruimtegebruik van een milieubelastende activiteit. In VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' zijn richtafstanden opgenomen, waarmee rekening moet worden gehouden ten opzichte van gevoelige functies. Het gaat daarbij zowel om de invloed van omliggende milieubelastende activiteiten op nieuwbouwplannen, als om invloed van eventuele nieuwe milieubelastende activiteiten op milieugevoelige bestemmingen in de omgeving. Invloed van de omgeving op het voornemen In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen (agrarische) bedrijven waarvan de milieuzonering van invloed is op de plannen voor het plangebied. Conclusie Vanuit het aspect milieuhinder bestaat er geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging. Met de voorgestane woningbouwontwikkeling verdwijnt er een bedrijfsperceel in het woongebied van Riel.
5.2.
Externe veiligheid Inleiding Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.
34
De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve. Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten risicocontour). Het rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar). Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10-6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden.
De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar. Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10-6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken. Groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van: - de kans op een ongeval; - het effect van het ongeval; - het aantal personen dat in de omgeving van de bron(inrichting of transportroute) verblijft; - de mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeval. Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers.
Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen in 35
het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico. Bij het opstellen van een bestemmingsplan, waarvan het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron, geldt een verantwoordingsplicht. Inrichtingen In dit bestemmingsplan liggen geen risicovolle bedrijven en opslagvoorzieningen. Buiten het plangebied zijn geen bedrijven of opslagvoorzieningen aanwezig met een risicocontour, die van invloed is op het onderhavige plangebied. Het bestemmingsplan maakt voorts geen ontwikkelingen mogelijk, die een vergroting van het groepsrisico met zich brengen. Transport Het niet-leiding gebonden transport van gevaarlijke stoffen in Goirle vindt plaats over de weg. In de gemeente is geen sprake van vervoer per spoor en vervoer over water. In Riel is geen sprake van transport van gevaarlijke stoffen over de weg. Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van kracht geworden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. In en rond het plangebied liggen geen leidingen welke relevant zijn voor de externe veiligheid Vuurwerk Op 1 maart 2002 is het Vuurwerkbesluit in werking getreden.
Hierin zijn veiligheidsafstanden opgenomen, die moeten worden aangehouden tussen opslagplaatsen voor vuurwerk en kwetsbare objecten (zoals woningen, bedrijfsgebouwen, maar ook winkels, scholen en cafés). Bestaande vuurwerkbedrijven (inclusief detailhandel) kunnen positief worden bestemd, mits aan de veiligheidsafstanden ten opzichte van kwetsbare objecten wordt voldaan. Indien in een bestaande situatie niet wordt voldaan aan de geldende veiligheidsafstanden, dient een verandering in de inrichting te worden doorgevoerd, waardoor wel aan de veiligheidsafstand wordt voldaan, of dient het bedrijf te worden verplaatst. De veiligheidsafstanden worden gemeten vanaf de deuropening van de (buffer)bewaarplaats. Voor bedrijven waar niet meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk wordt opgeslagen, geldt een vaste afstand van 8 meter in de voorwaartse richting tot (geprojecteerde) kwetsbare objecten. Voor bedrijven die meer dan 10.000 kg opslaan, geldt een vaste afstand van 20 meter in voorwaartse richting, indien het uitsluitend verpakt consumentenvuurwerk betreft. Indien er (ook) sprake is van onverpakt vuurwerk, dient een grotere afstand te worden aangehouden, afhankelijk van de hoeveelheid vuurwerk in de bufferbewaarplaats (deze afstand kan oplopen tot 48 meter voorwaarts). In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen bedrijven gevestigd die vuurwerk verkopen.
36
Verantwoording groepsrisico Bij het vaststellen van het bestemmingsplan dient het groepsrisico, conform artikel 13 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), artikel 12 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en artikel 7 en 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) verantwoord te worden. Dat houdt in, dat de hoogte van het groepsrisico bekend moet zijn en tevens de bijdrage van het ruimtelijk plan aan het groepsrisico (verhoging/verlaging). Er moet inzicht gegeven worden in de te verwachten dichtheid van personen in de invloedsgebieden van risicobronnen binnen èn buiten het plan. Tevens dienen de maatregelen ter beperking van het groepsrisico te worden meegenomen. Verder dient volgens deze artikelen/regelingen advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio. Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant heeft voor de gemeente Goirle een standaardadvies opgesteld ten behoeve van kleine bestemmingsplannen die geen bijzondere of zeer kwetsbare objecten mogelijk maken, dan wel op voldoende afstand van een risicovolle inrichting of transportroute/buisleiding zijn gelegen.
Zeer kwetsbare gebouwen hebben volgens het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Omgevingswet) een: - Gezondheidsfunctie met bed-gebied; - Woonfunctie voor zorg; - Onderwijsfunctie (basisschool); - Onderwijsfunctie (minderjarigen met lichamelijk of geestelijke beperking); - Bijeenkomstfunctie voor kinderopvang; - Celfunctie. Binnen het plangebied worden geen zeer kwetsbaar objecten opgericht en het plangebied ligt niet binnen een invloedsgebied. De standaardgroepsrisicoverantwoording en het standaardadvies van de Veiligheidsregio zijn derhalve als bijlagen aan deze toelichting toegevoegd. Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de bouw van woningen binnen het plangebied Leijoever. 5.3.
Kabels, leidingen en straalpad In of nabij het plangebied liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden.
5.4.
Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, industriële activiteit en railverkeer. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidhinder.
37
Industrie Het plangebied ligt niet binnen en zone/contour van een ingevolgde de Wgh gezoneerd industrieterrein. Ook zijn er in of in de directe omgeving van het plangebied geen nieuwe industrieën voorzien. In de directe omgeving van het plangebied is geen sprake van andere geluidhinderlijke inrichtingen die van invloed zijn op de ontwikkelingen binnen het plangebied. Railverkeer Binnen de gemeente Goirle bevinden zich geen spoorwegen. Ook laat het bestemmingsplan geen nieuwe spoorwegen toe. Een akoestisch onderzoek naar spoorweglawaai is niet aan de orde. Wegverkeerslawaai Het plangebied ligt binnen de geluidzone van de Rielsedijk. Door Econsultancy is daarom een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn tevens de nabijgelegen 30 km/uur wegen in het onderzoek betrokken. De rapportage van dit onderzoek is als separate bijlage opgenomen. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Conclusie Er zijn geen belemmeringen voor het aspect geluid. 5.5.
Lucht Om de ontwikkeling van nieuwe functies mogelijk te maken dient de luchtkwaliteit in beschouwing te worden genomen. In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer is de regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit vastgelegd. Doel ervan is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. In de Regeling NIBM (niet in betekenende mate) is een lijst met categorieën opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Onderhavige ontwikkeling betreft het planologische mogelijk maken van een dermate laag aantal woningen (maximaal 14), dat dit niet behoort tot een categorie van gevallen waarvoor een luchtkwaliteitonderzoek nodig is. Het bestemmingsplan draagt derhalve niet in betekenende mate bij aan een (verslechtering) van de luchtkwaliteit en kan op dit vlak dus onbelemmerd doorgang vinden. Woon- en leefklimaat Omgekeerd dient aangetoond te worden dat ter plaatse van een het plangebied sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. In de Wet zijn grenswaarden opgenomen ten aanzien van de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10, PM2,5 en NO2). De 38
grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM10 bedraagt 40 μg/ m3, voor PM2,5 25 μg/ m3 en voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO2 200 μg/ m3 voor het uurgemiddelde van NO2. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van deze fijnstoffen geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie op onderhavige locatie is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 18,29 μg/m3, voor PM2,5 12,15 μg/ m3 en voor NO2 12,2 μg/ m3. Er kan ter plaatse van het plangebied dus aan de grenswaarden worden voldaan. Conclusie Er bestaan voor het onderhavige bestemmingsplan geen belemmeringen ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. 5.6.
Geur Industriële geur Het beleid voor industriële geur (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort gezegd komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen: de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij "het voorkomen van nieuwe geurhinder" voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd. Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een "dosis-effectrelatie"(de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonenden) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven "normen" vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen bij te worden aangesloten.
Voor enkele bedrijfscategorieën is behalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties. Conclusie Het plangebied ligt niet binnen de invloedzone van bedrijven met geurhinder. Geurhinder van industriële bedrijvigheid vormt derhalve geen belemmering.
39
Agrarische geur Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij ( 5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijke norm met een verordening. Conclusie Het plan ligt in bestaand stedelijk gebied. Het plangebied ligt niet in de nabijheid van agrarische bedrijven. Geurhinder van agrarische bedrijven vormt daarmee geen belemmering. 5.7.
Bodem Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet -ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening- worden onderzocht of de voorgenomen bestemming niet wordt belemmerd door bodemverontreiniging. In het belang van de bescherming van het milieu zijn, om de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming. Deze wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken. De bodem dient geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Voor het plangebied is in maart 2010 een verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Uit het verkennend onderzoek dat de aangetoonde achtergrondwaardenoverschrijdingen geen gevolgen heeft voor de volksgezondheid. De aangetoonde verhoogde concentratie met chroom is nader onderzocht. Gezien de mate en omvang van de verontreiniging met chroom in de grond kan worden gesteld dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. In het nader onderzoek is de verontreiniging met chroom in de grond afgebakend. In maart 2013 is opnieuw een aanvullende onderzoek verricht. In dit onderzoek is vastgesteld dat er geen onaanvaardbare humane risico’s aanwezig zijn. Door middel van boringen is de omvang van de bodemverontreiniging met chroom bepaald. Deze verontreiniging zal voorafgaand aan de ontwikkeling van de nieuwbouw worden gesaneerd. Beide onderzoeken zijn als separate bijlagen opgenomen.
In mei 2019 is nogmaals een verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest (grond) uitgevoerd. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de aangetoonde achtergrond- en streefwaardeoverschrijdingen dermate licht zijn dat deze wat betreft de volksgezondheid en de functionaliteit van de bodem geen 40
gevolgen zal hebben. Het instellen van vervolgmaatregelen hieromtrent wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Ook is de sterke verontreiniging met chroom geactualiseerd. Op basis van de analyseresultaten wordt de totale omvang van deze grondverontreiniging met gehalten boven de interventiewaarde ingeschat op circa 750 m² met een diepte van 1 meter. Aanbevolen wordt deze verontreiniging met chroom te saneren. Tot slot is tevens een sterke verontreiniging met koper ter plaatse van de voormalige bezinkput gesitueerd. Deze verontreiniging is aangetoond in de bodemlaag 1,00 - 1,50 meter beneden maaiveld en dient in verticale en horizontale richting nader in kaart te worden gebracht. Aanbevolen wordt de omvang van de verontreiniging met koper nader te bepalen. In één van de boringen wordt de aangetroffen bodemkwaliteit met betrekking tot asbest niet aanvaardbaar geacht. Aannemelijk is dat de sterke verontreiniging met asbest enkel aanwezig is ter plaatse van deze boring. Op het overige deel van het plangebied is geen asbest aangetoond in een concentratie boven de (helft van de) interventiewaarde. Vooralsnog is het niet mogelijk om de omvang van de verontreiniging met asbest ter plaatse van de betreffende boring te bepalen, vanwege de aanwezigheid van beplanting.
In het najaar van 2019 heeft een verkennend bodemonderzoek op het voorkomen van PFAS plaatsgevonden en zijn de omvang van de verontreiniging met koper (en chroom) in de grond en verontreiniging met asbest zoals geconstateerd tijdens het verkennend asbestonderzoek bepaald. Op basis van de analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat geen PFAS is aangetoond, behoudens een licht verhoogd gehalte in één grondmengmonster. De grond is minimaal geclassificeerd als klasse wonen. De tijdens het verkennend bodemonderzoek aangetroffen sterke verontreiniging met koper is tijdens het nader bodemonderzoek ten hoogste licht aangetoond. De omvang van de sterke verontreiniging met chroom is ingeschat op maximaal 600 m² in de bodemlaag 0 tot 1 meter beneden maaiveld. Op basis van de resultaten van het nader asbestonderzoek dient aanvullende onderzoek te worden uitgevoerd. Er is echter alleen asbest aangetroffen in de grove fractie. Het is niet aannemelijk dat elders binnen het plangebied asbest wordt aangetroffen in de fijne fractie. Nader onderzoek wordt derhalve niet zinvol geacht. Ook de onderzoeksrapporten uit 2019 zijn als separate bijlagen opgenomen. In de periode februari – maart 2020 heeft een aanvullend bodemonderzoek plaatsgevonden, omdat ter voorbereiding op de grondsanering aanvullende gegevens benodigd zijn, alvorens een deelsaneringsplan kan worden opgesteld.
Aanvullend op het verkennend en nader bodemonderzoek en nader onderzoek 41
asbest uit december 2019, is daarom de Chroom-6-verontreiniging in beeld gebracht en is ook aandacht besteed aan het verwerken van gegevens in Sanscrit. Uit de aanvullende analyses blijkt dat het gehalte aan Chroom-6 circa 1 - 3,5% van het chroom-totaalgehalte is. De omvang van Chroom-6 is gelegen binnen de chroom-totaalverontreiniging. Het volume van de aanwezige bodemverontreiniging met chroom-totaal wordt geschat op 2.055 m³ waarvan 834 m³ boven de norm. Uit de Sanscrit-berekening blijkt dat sprake is van onaanvaardbare risico’s voor mens, ecologie en verspreiding. Dit laatste vanwege de ligging in een grondwaterbeschermingsgebied. Er wordt aanbevolen om in het deelsaneringsplan op te nemen dat dient te worden vastgelegd of sprake is van een perceeloverschrijdende verontreiniging richting Vonderstraat 18 en 20. Op basis van de voorgenomen herontwikkeling tot woongebied wordt aanbevolen om een deelsaneringsplan op te stellen met een verdere uitwerking van een leeflaagvariant. De rapportage van het aanvullend bodemonderzoek is als separate bijlage opgenomen. Conclusie De verontreiniging met chroom en asbest in de bodem dient te worden gesaneerd voordat een omgevingsvergunning voor het bouwen kan worden verleend. Hiervoor is een saneringsplan opgesteld dat ter goedkeuring aan het bevoegd gezag is voorgelegd.
Op 10 augustus 2021 heeft de omgevingsdienst Midden- en West-Brabant een beschikking toegestuurd die inmiddels onherroepelijk is. De beschikking is als separate bijlage opgenomen. In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de vereiste sanering. In de beschikking is vastgelegd dat binnen vier jaar na inwerkingtreding van de beschikking moet worden gestart met de deelsanering. 5.8.
Natuur De bescherming van Natura 2000-gebieden, bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn door het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.
42
Doel van de Wnb is drieledig: 1. bescherming van de biodiversiteit in Nederland; 2. decentralisatie van verantwoordelijkheden; 3. vereenvoudiging van regels. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wnb. Gebiedsbescherming In het kader van de Wnb en NNN (voorheen de Ecologische hoofdstructuur) dient er getoetst te worden of de beoogde ontwikkelingen een negatieve invloed hebben op de beschermde gebieden. De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventuele buiten het NNN geleden bijzondere provinciale natuurgebieden. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina, Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels Laag. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wnb wordt aangevraagd.
Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Door Equipe Adviseurs is een natuuronderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als separate bijlage opgenomen. Uit het natuuronderzoek blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen de grenzen maar wel in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Regte Heide en Riels Laag, bevindt zich op 66 meter afstand ten zuiden van het plangebied. Door de kenmerken van het projectgebied, de afstand tot het Natura 2000gebied en de aard van het tussenliggende stedelijke gebied zijn geen negatieve effecten aan de orde als gevolg van de toekomstige inrichting van het projectgebied op het Natura 2000-gebied en de instandhoudingsdoelen. Invloed door chemische effecten (verzoeting, verzilting, verontreiniging) of fysische effecten (verdroging, vernatting, verandering stroomsnelheid, verandering overstroomfrequentie, verandering dynamiek substraat) op de habiatattypen van Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten door de aard van de werkzaamheden en de afstand tot het gebied. Een eventuele toename van stikstofemissie en stikstofdepositie op Natura 2000-gebied als gevolg van het projectvoornemen is niet op voorhand uit te sluiten.
Om deze reden is door Econsultancy een onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie. Hieruit blijkt dat ook negatieve effecten als gevolg van de verkeersbewegingen van en naar de nieuwe woningen kunnen worden uitgesloten. Uit de Aerius-berekening blijkt dat het projecteffect 43
op de Natura 2000-gebieden ten gevolge van zowel de gebruiks- als aanlegfase kleiner dan of gelijk is aan 0,00 mol/hectare/jaar (zie onderzoek stikstofdepositie in de separate bijlage) en er geen ontheffing benodigd is voor het aspect stikstof. Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. Het plangebied grenst direct aan een Ecologische Verbindingszone (EVZ), de beek de Leij. In lijn met de regelgeving van de Provincie Noord-Brabant betekent dit dat de wezenlijke kenmerken en waarden van deze zone niet negatief mogen worden beïnvloed. Bij de inrichting van de ecologische zone zal rekening worden gehouden met deze kenmerken en waarden door geen verstorende verlichting toe te passen. Naar aanleiding van de resultaten van het natuuronderzoek is door Econsultancy een aanvullend onderzoek gebiedenbescherming uitgevoerd, dat als separate bijlage is opgenomen. Gelet op de aanwezige en te verwachten ecologische waarden en de beoogde planontwikkeling zijn de effecten op het oppervlakteverlies, versnippering, verzuring, vermesting, verontreiniging, verdroging, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en verandering in populatiedynamiek in Natura 2000gebieden uit te sluiten. Dit geldt zowel voor de aanlegfase als de gebruiksfase. Er is geen vergunning nodig op grond van de Wet natuurbescherming voor de hiervoor genoemde factoren.
Uit een toetsing van het beoogde gebruik aan de mogelijke effecten blijkt dat negatieve effecten op het Brabants Natuurnetwerk zijn uit te sluiten. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk gaat er geen NNB verloren. Ook vinden binnen het NNB geen werkzaamheden in de bodem plaats. Binnen het plangebied vinden enkele graafwerkzaamheden plaats, maar dit zal niet van invloed zijn op de geomorfologische processen en bodemkwaliteit binnen het NNB. Er wordt geen grond verplaatst van en naar het NNB. Er wordt geadviseerd om de tijdelijke ruwbouwwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren om verstoring van broedvogels te voorkomen. Bij een toename van het geluidsniveau dient in de regel bij een geluidsbelasting vanaf 45 dB(A) het NNB te worden gecompenseerd. Als in de toekomstige situatie verlichting wordt toegepast aan de zijde van het NNB, kan dit leiden tot een afname in donkerte binnen het NNB. Dit kan worden voorkomen door afschermende maatregelen te nemen. Daarnaast wordt geadviseerd om eventuele verlichting nabij het NNB naar beneden te richten en niet continu (enkel kortstondig wanneer de locatie wordt betreden) te laten branden aangezien verlichting negatieve effecten kan hebben op nachtactieve fauna. Tot slot wordt geadviseerd om tijdens de bouwwerkzaamheden geen bouwverlichting te gebruiken.
Door deze maatregelen in acht te nemen, zal de donkerte en openheid binnen het NNB niet veranderen. De landschapsstructuur en de belevingswaarde van het NNB zullen niet worden beïnvloed door de voorgenomen plannen binnen het plangebied.
44
Soortenbescherming De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2.Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. IN de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wnb. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht ten nemen voor in het wild levende dieren en planten.
Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, vernielen of te verstoren. Uit het natuuronderzoek blijkt dat de aanwezigheid van beschermde soorten worden uitgesloten. Nader onderzoek is derhalve niet benodigd. Wel is de zorgplicht van toepassing voor alle soorten. Dit houdt in dat iedereen zijn uiterste best moet doen om te voorkomen dat zij schade toe brengen aan aanwezige soorten. De algemene zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren en hun directe leefomgeving ook als deze soorten niet beschermd zijn. De zorgplicht geldt ook in het geval dat er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Omdat binnen het projectgebied broedvogels te verwachten zijn, dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen (circa 15 maart tot 15 juli) te worden uitgevoerd. Indien dit niet mogelijk is, dient er voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole te worden uitgevoerd. In de Leij zijn geen beschermde vissen waargenomen. Om verstoring aan de watergang en daarin algemeen voorkomende soorten te voorkomen, mogen de werkzaamheden geen effect te hebben op de watergang. Verlichting mag niet op de watergang worden gericht en bouwvuil mag niet in de watergang terecht komen.
Conclusie De voorgenomen werkzaamheden en het toekomstige gebruik binnen het plangebied leiden niet tot overtreding(en) van de Wet natuurbescherming, mits 45
de zorgplicht in acht wordt genomen en de aanleg buiten het broedseizoen plaatsvindt. 5.9.
Milieueffectrapportage Algemeen In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van een plan (bijvoorbeeld een bestemmingsplan) of besluit (bijvoorbeeld de omgevingsvergunning) planmer-plichtig, projectmerplichtig of vormvrij of niet vormvrij mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Het bevoegd gezag dient bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die zouden moeten noodzaken tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure. Hierbij dient het bevoegd gezag rekening te houden met de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: -de kenmerken van de projecten; -de plaats van de projecten; -de kenmerken van de potentiële effecten. Wetswijziging per 16 mei 2017 Op 16 mei 2017 is de Wet milieubeheer gewijzigd. Dit heeft tot gevolg dat (ook) voor een vormvrij m.e.r.-beoordelingsplichtig plan een apart m.e.r.beoordelingsbesluit door het bevoegd gezag noodzakelijk is en dat de informatie hiervoor in een zogenaamde aanmeldnotitie gegeven moet worden (vóór 16 mei 2017 was dit nog vormvrij en kon de informatie en het besluit onderdeel uitmaken van het moederbesluit).
Het uitgangspunt ("geest van de wet") van een m.e.r.-beoordeling is dat er in beginsel geen m.e.r.-procedure doorlopen hoeft te worden, tenzij er sprake is van wezenlijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Onderzoek De activiteit die met het onderhavige bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt kan aangemerkt worden als een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals bedoeld in het Besluit m.e.r., zijnde "de aanleg , wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen." Vanuit de zogenaamde C-lijst geldt voor de ontwikkeling geen direct m.e.r.-plicht. De activiteit valt vanwege de omvang ervan eveneens buiten de D-lijst (D11.2), omdat de activiteit geen betrekking heeft op: - een oppervlakte van 100 hectare of meer; - een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen, of - een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Een (vorm)vast m.e.r.-beoordelingsplicht is niet aan de orde. Wel dient (vormvrij) gemotiveerd te worden dat niet alsnog belangrijk negatieve effecten op het milieu zijn die aanleiding geven om een milieueffectrapport (MER) op te stellen. 46
Allereerst is van belang dat met de herontwikkeling van het voormalige bedrijfsperceel geen bedrijfsactiviteiten met bijbehorende verkeersbewegingen kunnen terugkeren op de locatie. Het plangebied is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied en in vergelijking met de huidige planologische situatie is sprake van een verbetering. De effecten van woningen zijn in vergelijking van de effecten van een bedrijfsactiviteit minder belastend voor het milieu. De verkeersaantrekkende werking van een bedrijf is uiteraard afhankelijk van het soort bedrijf. Bij de herontwikkeling naar woningbouw staat vast dat geen sprake zal zijn van verkeersbewegingen als gevolg van vrachtverkeer of andere bedrijfsauto’s. De verkeersbewegingen als gevolg van de woningbouwontwikkeling zijn beperkt tot personenauto’s en daarmee passend bij een woongebied. In relatie tot het milieu kan worden geconcludeerd dat de effecten van woningbouw op het milieu te verwaarlozen zijn ten opzichte van het effect hierop (mogelijke hinder als gevolg van geur, stof, geluid en verkeersaantrekkende werking) van een bedrijfsmatige functie.
Op grond van de in dit kader van het onderhavige bestemmingsplan beschreven aspecten (zie hiervoor en de vorige paragrafen) en het verschil tussen de daadwerkelijke activiteit in relatie tot de drempelwaarden waaruit een m.e.r.beoordelingsplicht voortvloeit, wordt geconcludeerd dat bij de vaststelling van dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieueffecten voortkomen die het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling dan wel het doorlopen van een m.e.r.procedure noodzakelijk maken. Dit is toegelicht in de aanmeldnotitie op basis waarvan het college van burgemeester en wethouders op 22 augustus 2023 heeft besloten dat het opstellen van een MER niet nodig is. Het besluit en de aanmeldnotitie zijn als bijlage opgenomen. Conclusie Vanuit de m.e.r. wet- en regelgeving zijn er geen belemmeringen voor het vaststellen van het onderhavige bestemmingsplan.
47
Hoofdstuk 6 Water De watertoets, die wettelijk is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening, is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan en het voorkomen van waterproblemen , zoals wateroverlast en verdroging. De watertoets verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit hoofdstuk geeft daar uitvoering aan. 6.1.
Beleid Rijk en provincie Het nationale en provinciale waterbeleid is beschreven in het Nationaal Water Programma 2022-2027 en in het Regionaal Water en Bodem programma. Nationaal Water Programma 2022-2027 Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Regionaal Water en Bodem programma Het Regionaal Water en Bodem programma (RWP) 2022-2027 is de opvolger voor alle water gerelateerde aspecten van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Hierin komen de provinciale doelstellingen, ambities en aanpak rond water en bodem samen voor de periode 2022 - 2027. Het RWP stelt doelen voor 2027, op weg naar de ambitie van 2050. Het RWP bevat de ambitie, opgaven, doelen en de aanpak, inclusief de zeven leidende principes bij het tot stand komen van een klimaatbestendig en veerkrachtig water- en bodemsysteem. Het RWP is gebaseerd op zeven handelingsprincipes. De eerste zes hebben betrekking op het komen tot een klimaatbestendig en robuust watersysteem. Deze principes zijn ontleend aan de Visie Klimaatadaptatie.
De principes zijn als volgt geformuleerd: - Watervoorraad in balans; - Elke druppel telt; - Niet alles kan overal; - Brabant is in staat extreme weersituaties op te vangen; - Bescherming van water- en bodemkwaliteit; - Gebruikers zijn maximaal verantwoordelijk; - Circulair denken en doen. Waterschap Brabantse Delta Waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in onder andere de gemeente Goirle op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. 48
Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Waterschap Brabantse Delta is waterbeheerder van onder andere de gemeente Goirle en is verantwoordelijk voor de waterhuishoudkundige verzorging (waterkwaliteit en waterkwantiteit) binnen het plangebied. Het beleid van het waterschap is verwoord in de volgende documenten en wordt, voor zover relevant, hierna kort besproken: - Waterbeheerprogramma 2022-2027; - Kadernota 2018-2027; - Ruimte voor de Rivier; - Keur Waterschap Brabantse Delta. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) ‘Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving’. In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in die periode uitvoert. Het waterschap bepaalt hiermee de koers voor de komende zes jaar. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap Brabantse Delta met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk dient in 2050 de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig te zijn. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving.
Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Het waterschap hanteert daarbij drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: - Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt. - Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan. - Wat schoon is moet schoon blijven. Kadernota 2018-2027 Deze nota beschrijft hoe het waterschap onder meer omgaat met een aantal uitdagingen waarvoor ze gesteld wordt. In eerste instantie gaat het om klimaatadaptatie. De effecten van klimaatverandering zijn groter dan door velen gedacht en er zal een tandje bijgezet moeten worden. Een tweede uitdaging is de waterkwaliteit. Het waterschap is inmiddels gestart met het uitvoeren van een eerste serie watersysteemanalyses, die de komende jaren worden uitgebreid. Het waterschap evalueert daarbij de huidige aanpak en combineert dit met de nieuwste, lokale en (inter)nationale kennisinzichten. Daarbij zoekt het waterschap actief de samenwerking met bedrijven, inwoners, terreinbeheerders en medeoverheden.
49
Keur Eén van de instrumenten van het waterschap om zijn taken uit te oefenen is de Keur. De Keur kent gebods- en verbodsbepalingen die erop gericht zijn watergangen te beschermen. Zo is het in bepaalde gevallen verboden om zonder vergunning water te lozen of te onttrekken aan oppervlaktewater. Ook legt de Keur in sommige gevallen aan burgers een onderhoudsverplichting op. Daarnaast mag men zonder vergunning geen activiteiten ontplooien of bouwwerken plaatsen die het onderhoud aan watergangen kunnen belemmeren. Dit betekent dat voor bepaalde activiteiten nabij watergangen of met mogelijke invloed op watergangen een vergunning bij het waterschap moet worden gevraagd. Voor een aantal werkzaamheden is een vergunning vereist van het waterschap op grond van de Keur. Wanneer aan de bepalingen van de algemene regels van de Keur wordt voldaan is geen vergunning vereist. Voorbeelden van situaties waarbij de Keur van toepassing is zijn: - het dempen of wijzigen van een watergang; - het aanleggen van kabels of leidingen; - het planten van bomen en struiken; - het brengen van water in een watergang. Gemeente Op 15 december 2020 heeft de gemeenteraad het Programma Water & Riolering 2021-2025, ‘Op weg naar een klimaatrobuust Goirle (PWR) vastgesteld.
Programma Water & Riolering 2021-2025, ‘Op weg naar een klimaatrobuust Goirle’ Het PWR is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het PWR leggen we vast wat we willen bereiken en wat de rolverdeling is tussen overheid en bewoners/bedrijven ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. De wettelijke en beleidskaders die ten grondslag liggen aan dit PWR zijn beschreven in hoofdstuk 2. Het PWR vervult vier hoofdfuncties: - Kader gemeentelijke zorgplichten: overzicht beleidskeuzes en ambities ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater en bijdragen aan de zorgplichten oppervlaktewater en drinkwater. - Interne afstemming met andere vakdisciplines binnen de gemeentelijke organisatie en met onze waterpartners. - Externe afstemming: met o.a. bewoners en bedrijven, ontwikkelaars en bouwbedrijven. - Continuïteit en voortgangsbewaking: vanwege de relatief lange levensduur van stedelijke watervoorzieningen en kapitaalintensieve investeringen is een lange termijn aanpak essentieel (begroting, investeringen en evaluatie). Gidsprincipes water In het verleden hebben gemeenten en waterschappen strategieën opgesteld om meer duurzaam om te gaan met afval- en hemelwater.
Deze strategieën zijn inmiddels gemeengoed geworden en beschouwen we dan ook als gidsprincipes voor de komende jaren: - We zamelen in principe het stedelijk afval- en hemelwater gescheiden in en ontvlechten zo de (schone en vuile) waterstromen; 50
-
-
-
-
We streven ernaar om het hemelwater zoveel als mogelijk bovengronds en zichtbaar te verwerken; We weren de lozing van hemelwater afkomstig van inrichtingen op vuilwater riolering; We betrekken de kenmerken en knelpunten van zowel het regionale (stroomgebiedsbenadering) als het stedelijke watersysteem in de omgang met hemelwater. We streven naar watersysteemherstel; We wentelen water- en waterbergingsopgaven niet af naar andere locaties/gebieden, tenzij dit doelmatig is; We kiezen voor robuuste (zo min mogelijk onderhoudsgevoelige) oplossingen; We gaan doelmatig en maatschappelijk kostenbewust om met de aanleg en het toekomstig beheer en onderhoud van het watersysteem; We streven naar meer centrale, robuuste en goed te beheren rioolvoorzieningen; We hanteren de voorkeursvolgorde vasthouden-bergen-afvoeren voor de omgang met hemelwater: 1. Vasthouden: doorlatende goten, groene daken, infiltratie in terreinverlagingen in groen, enz.; 2. Bergen: overtollig hemelwater bergen we eerst in het stedelijk watersysteem; 3. Afvoeren: pas bij volledige benutting van de berging voeren we het overtollige hemelwater af naar het regionale watersysteem We streven naar grootschalige goed beheersbare infiltratievoorzieningen in openbaar gebied.
Kleinschalige infiltratievoorzieningen worden na het einde van de levensduur niet hersteld; Voor grondwaterbeschermingsgebieden volgen we het provinciaal beleid conform de gebiedsdossiers.
Waterberging Bij ruimtelijke inrichtingen moet rekening worden gehouden met de gevolgen van de klimaatverandering om zo waterschade te voorkomen en de gevolgen indien er schade optreedt te beperken. Om toe te werken naar een robuust Goirle worden bij elke ontwikkeling van de openbare ruimte klimaatadaptieve maatregelen en waterrobuustheid meegenomen als overweging. Bij nieuwbouw hanteert de gemeente Goirle de 70 mm/h bui uit het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) als norm om inpandig geen waterschade te hebben. Deze bui wordt ook gebruikt om de robuustheid / kwetsbaarheid van de hoofdinfrastructuur (ontsluitingsrouten, calamiteitenverkeer, etc.) te toetsen. Bij een toename aan verhard oppervlak van meer dan 500 m² hanteert de gemeente Goirle een compensatie van 60 mm conform de Brabantse Keur.
51
6.2.
Huidige en toekomstige situatie Verdeling verhard oppervlak Het planvoornemen voorziet in een herbestemming van het plangebied ten behoeve van een passende juridische en planologische regeling voor de realisatie van woningbouw. Ten behoeve van de waterkwaliteit maakt de voorgestelde ontwikkeling gebruik van milieuvriendelijke bouwmaterialen en worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper, en zink niet toegepast, waardoor de uitspoeling van vervuilende stoffen via de bodem naar het oppervlaktewater wordt voorkomen. In de bestaande situatie is binnen het plangebied de fundering van de voormalige een loods aanwezig en is het overig deel van de locatie deels verhard met klinkerverharding en betonplaten. De oppervlakte van de fundering en de aanwezige terreinverharding (met versnelde afvoer) bedraagt respectievelijk 800 m² en 1.200 m². Om een indicatie te geven van het toekomstig verhard oppervlak is uitgegaan van de bebouwingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Op basis hiervan is zowel het verhard oppervlak op de woonpercelen als van het openbaar gebied bepaald. Ter indicatie van de toekomstige erfverharding is 50% van de woonpercelen buiten de bouwvlakken voor hoofdgebouwen aangehouden voor de zes tweeonder-één kapwoningen.
Ten aanzien van de acht patiowoningen nabij de Leij en de gronden met een verkeersbestemming is uitgegaan van een worst-case scenario waarbij de gronden voor 100% zijn verhard. Oppervlaktes *
Huidige m2 verhard
Toekomstige m2 verhard
Dak
800
Erfverharding
1.200
415 (Twee-onder-één kap) 1.861 (Patiowoningen incl. perceel) 583 (1.166*50%)
Verharding openbaar
-
927 (V-VB)
Totaal
2.000
1.786
*Het bestaande achterpad, de bestaande toegangsweg vanaf de Vonderstraat (tot aan het achterpad) en het bestaande profiel van ’t Leike zijn buiten beschouwing gelaten. Deze zijn/blijven verhard.
Het Waterschap Brabantse Delta hanteert als norm dat voor ontwikkelingen met meer dan 500 m² toename aan verharding compenserende waterberging dient te worden gerealiseerd. Aangezien door het voorliggend initiatief het verhard oppervlak binnen het plangebied afneemt, is geen compenserende waterberging benodigd. Omdat bij de verdere technische uitwerking van het bouwplan rekening wordt gehouden met de voorkeursvolgorde voor waterberging zoals vastgelegd in het gemeentelijk beleid (infiltreren, bufferen, afvoeren), wordt versnelde afvoer op de Leij voorkomen. In het openbaar gebied worden bovengrondse 52
hemelwatervoorzieningen aangebracht die geschikt zijn voor de opvang (en afvoer) van overtollig hemelwater. Om het plan klimaat robuust te maken en water langer vast te houden binnen het plangebied wordt onderzocht of het mogelijk is om een gedeelte van de groenzone langs de Leij in te richten als wadi (lager dan straat en hoger dan Leij). Tot slot wordt op verzoek van het waterschap bij de nadere uitwerking nog gekeken naar de volgende mogelijkheden: • Groene daken toepassen bij de patio's; • Toepassen van een IT-riool. Bodem en grondwater De planlocatie ligt op een maaiveldniveau van circa 17,7 m + NAP. De gemiddelde hoogste grondwaterstand bevindt zich volgens www.bodemdata.nl op 40 cm onder maaiveld. De bodemsamenstelling ter plaatse van het plangebied bestaat globaal uit de grondsoort zand (moerige eerdgronden). Oppervlaktewater en watergangen Binnen het plangebied zelf is geen oppervlaktewater aanwezig. Zoals eerder aangegeven, grenst het plangebied aan de beek de Leij waarlangs een ecologische zone zal worden aangelegd. Afvalwater Uitgangspunt bij elke nieuwe ontwikkeling is een volledige scheiding van hemelen afvalwater. Voor afvalwater geldt dat uitsluitend huishoudelijk afvalwater zal worden afgevoerd naar de aanwezige riolering in de omliggende straten.
Hemelwater Het planvoornemen leidt tot een afname van het verhard oppervlak zodat geen compenserende waterberging benodigd is. Ten behoeve van de waterkwaliteit zal geen gebruik worden gemaakt van de uitlogende materialen, waardoor ook de uitspoeling van vervuilende stoffen via de bodem naar het oppervlaktewater wordt voorkomen. Gebiedsspecifieke waterbelangen Om de waterbelangen in een zo vroeg mogelijk stadium in beeld te hebben, heeft het Waterschap Brabantse Delta de Watertoets viewer ontwikkeld. In het kader van het watertoetsproces zijn hierbij de relevante en beschikbare wateraspecten digitaal beschikbaar gesteld. Hieruit is naar voren gekomen dat het plangebied aan de oostzijde wordt begrensd door een A-categorie watergang. Dit betreft de beek de Leij welke is aangewezen als ‘bijzonder water’ vanwege de status als ecologische verbindingszone. Ter waarborging van de verwezenlijking, behoud, beheer en herstel van het natuurlijk watersysteem is in zijn algemeenheid sprake van een bufferzone van 25 meter. Binnen deze beschermingszone worden beperkingen gesteld aan stedelijke, agrarische en recreatieve ontwikkelingen, in het bijzonder wat betreft de daarmee verband houdende bebouwing en oppervlakteverhardingen.
53
Vanwege dit specifieke beschermingsregime heeft vooruitlopend op de bestemmingsplanprocedure afstemming plaatsgevonden met het Waterschap Brabantse Delta. Er is overeengekomen om de bufferzone binnen de onderzoekslocatie tot de Leij te verkleinen tot 10 meter, met dien verstande dat een ecologische zone wordt gerealiseerd op het te ontwikkelen Landgoed Rielsedijk. Voor de ecologische zone (binnen en buiten het plangebied) wordt in samenspraak met Waterschap en de ontwikkelaar van het beoogde Landgoed Rielsedijk aan de overzijde van de Leij een inrichtingsplan gemaakt door een landschapsarchitect. In de landschapsvisie voor het landgoed (zoals opgenomen bij de toelichting van het gelijknamige bestemmingsplan) is rekening gehouden met de woningbouwontwikkeling zoals mogelijk wordt gemaakt met het voorliggende bestemmingsplan. Volledigheidshalve wordt tevens vermeld dat het plangebied is gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied. Voor een grondwaterbeschermingsgebied geldt de minst strikte vorm van bescherming, namelijk behoud van de beschermende kleilaag in de bodem. Over het algemeen is het daarom niet noodzakelijk om inhoudelijke bescherming via het ruimtelijk spoor op te nemen aangezien in het Regionaal Water en Bodem programma (RWP) al is voorzien in een systeem van melding van dergelijke activiteiten.
In het RWP zijn namelijk de milieuregels opgenomen ter bescherming van het grondwater dat bestemd is om drinkwater van te maken. 6.3.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er met het voorliggend initiatief geen waterschapsbelangen in het geding zijn. Er is derhalve geen belemmering aanwezig vanuit het aspect water.
54
Hoofdstuk 7 Opzet planregels In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de verschillende regels die van toepassing zijn op de aanwezige bestemmingen. 7.1.
Plansystematiek Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is hierbij naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels, Voor de opbouw van de regels is aangesloten bij de geldende Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP).
7.2.
Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen over de in het plan gehanteerde begrippen en de wijze van meten. Begrippen In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Als gebruikte begrippen niet in artikel 1 voorkomend dan geldt de uitleg/interpretatie die daaraan in het dagelijkse taalgebruik wordt gegeven. Wijze van meten In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.
7.3.
Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels De standaard opbouw van de bestemmingsregels conform de SVBP betreft: 1. bestemmingsomschrijving: een beschrijving van de bestemming; 2. bouwregels: regels voor het oprichten van gebouwen en bouwwerken; 3. nadere eisen: indien noodzakelijk staan hier aanvullende regels waarin specifieke eisen kunnen worden gesteld aan de realisatie van de op te richten bouwwerken; 4. afwijken van de bouwregels: de gevallen waarin afgeweken kan worden van de bouwregels; 5. specifieke gebruiksregels: indien noodzakelijk worden hier aanvullende regels gegeven voor het gebruik van de gronden binnen de betreffende bestemming; 6. afwijken van de gebruiksregels: de gevallen waarin afgeweken kan worden van de gebruiksregels; 7. omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; 8. omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk ; 9. wijzigingsbevoegdheid. Per bestemming kunnen onderdelen, voor zover niet relevant, ontbreken.
55
In voorliggend bestemmingsplan zijn de hierna te noemen bestemmingen opgenomen: 10. Groen 11. Natuur 12. Verkeer - Verblijfsgebied 13. Wonen 14. Waarde - Archeologie Groen Structurele groene gebieden in het plangebied hebben deze bestemming gekregen. Daarnaast zijn onder meer ook in-, uitritten, voet- en rijwielpaden, nutsvoorzieningen, bermen en bermsloten, evenementen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, vijvers en watergangen, hondenuitlaatplaatsen en hondentoiletten, speelvoorzieningen, voorwerpen van beeldende kunst en straatmeubilair toegestaan. Binnen de bestemming mogen bouwwerken worden gebouwd en tevens zijn kleine gebouwtjes toegestaan. Natuur De zone langs de Leij zal, als onderdeel van een ecologische zone, tot natuur worden ontwikkeld. Om de natuurwaarden ter plaatse te kunnen waarborgen, zijn alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegelaten en is voor grondwerkzaamheden een omgevingsvergunning vereist. Hiermee worden de natuurwaarden gewaarborgd. Verkeer - Verblijfsgebied Deze bestemming is opgenomen voor de wegen van het plangebied en is gericht op de verblijfsfunctie. Binnen de bestemming Verkeer - Verblijfsgebied zijn tevens speelvoorzieningen, markten en standplaatsen voor ambulante handel en evenementen toegestaan. Wonen De bestemming 'Wonen' is toegekend aan gronden waarop het wonen de hoofdfunctie is.
Daarnaast zijn in de woning en in de bijgebouwen onder voorwaarden aan huis gebonden beroepen en bedrijven als ondergeschikte nevenfunctie toegestaan. De begrippen aan huis verbonden beroep en bedrijf zijn omschreven in artikel 1 van de planregels. Belangrijke voorwaarden voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep en bedrijf als nevenfunctie zijn onder meer dat de nevenfunctie ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en dat degene die de nevenfunctie uitoefent ook zelf de bewoner van de woning is. Voorts geldt dat geen detailhandel mag plaatsvinden en dat aan huis gebonden bedrijven behoren tot de categorie A volgens de als bijlage bij de regels gevoegde Staat van bedrijfsactiviteiten. De toelichting op de Staat van bedrijfsactiviteiten is opgenomen als bijlage bij de toelichting.
56
Verbeelding Op de verbeelding zijn binnen het bestemmingsvlak een bouwvlak en een gebied 'bijgebouwen' aangewezen. Woningen (hoofdgebouwen) zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, behoudens een algemene regeling voor overschrijding van bouwgrenzen. Bijgebouwen mogen zowel binnen het bouwvlak als binnen het gebied 'bijgebouwen' worden gebouwd. Voor de maximale goot- en bouwhoogte van woningen gelden de maxima zoals die op de verbeelding zijn aangegeven. Op de verbeelding zijn alle woningen in een bouwvlak opgenomen. De naastgelegen gronden worden opgenomen in het gebied 'bijgebouwen'. De grens van het gebied ‘bijgebouwen’ is 6 meter uit de voorste perceelsgrens gelegd, zodat in alle gevallen voor de garage ruimte aanwezig is voor een opstelplaats voor een auto. Bouwregels De bouwmogelijkheden zijn gekoppeld aan het begrip bouwperceel. De omschrijving van een bouwperceel luidt als volgt: 'een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan'. Daarmee beslaat het bouwperceel nagenoeg altijd het gehele perceel. Het begrip bouwperceel is in die zin direct toepasbaar voor alle particuliere percelen. Onder bouwwerken vallen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erfafscheidingen. De bouwregels maken onderscheid tussen de woning (het hoofdgebouw), bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.