Agendapunt 13. Programmabegroting 2024
Tekst van het document
Wat willen we bereiken in 2024 en wat gaan we daarvoor doen? HD 5.1: Inwoners en organisaties zien het belang van duurzaamheid en milieu 5.1.1 Speerpunt: We maken het Bespaarhuis tot een voorbeeld van een dienstverlenende overheid. Het wordt professioneler en inwoners weten het beter te vinden. 5.1.1.1 We stellen een plan vast over de toekomst van het Bespaarhuis en voeren dat uit Met het maken van het toekomstplan kijken we naar de wensen en behoeften van bezoekers. Zodat het Bespaarhuis voldoet aan de informatiebehoefte met betrekking tot duurzaamheid en energietransitie. 5.1.2 Speerpunt: We gebruiken de campagne ‘Alle b-tjes helpen’. 5.1.2.1 We organiseren verschillende acties waarmee we de inwoners laten zien hoe belangrijk duurzaam denken en doen is Met de acties krijgen inwoners handvaten aangereikt om duurzamer te leven. HD 5.2: Duurzaam en slim vervoer moedigen we aan 5.2.1 Speerpunt: We maken een plan voor voldoende laadpalen, goed verdeeld over de gemeente Goes. 5.2.1.1 We plaatsen (meer) laadpalen zodat we onze gemeente meer inrichten op elektrisch rijden We stellen een nieuwe laadvisie en ambitie vast en voeren dat uit. Ook geven we deelvervoer een belangrijkere rol in de plannen.
5.2.2 Speerpunt: We kiezen voor duurzame brandstoffen 5.2.2.1 We ondersteunen en faciliteren de ondernemer die een schoon tankstation gaat realiseren op het bedrijvenpark Deltaweg HD 5.3: Afval zien we als grondstof en zetten in op een circulaire economie 5.3.1 Speerpunt: We moedigen inwoners aan om de hoeveelheid restafval te verminderen naar maximaal 100 kilo restafval per inwoner per jaar, waarbij de kwaliteit van het gescheiden afval hooghouden. 5.3.1.1 We blijven inwoners stimuleren om minder afval te produceren en het afval goed te scheiden We bieden inwoners ook de mogelijkheid om zelf tips te geven via de website afval.goes.nl. We betrekken onze inwoners bij mogelijke veranderingen in het afvalbeheer door middel van participatie (consulteren). 5.3.1.2 We zorgen periodiek voor afval coaching bij inzamelpunten en handhaven als dat nodig is Door inwoners goed te informeren verhogen we de kwaliteit van het gescheiden afval. Verkeerd gescheiden afval wordt afgekeurd en alsnog als restafval verbrand. 5.3.1.3 We organiseren een nieuwe afvalscheidings/afvalverminderingswedstrijd waar alle inwoners aan mee kunnen doen 5.3.2 Speerpunt: We maken ons hard om voor de regio De Bevelanden in Goes een circulair ambachtscentrum te realiseren bij de milieustraat, zodat we afval kunnen demonteren tot grondstoffen en ingezamelde spullen kunnen hergebruiken.
5.3.2.1 We doen mee in het haalbaarheidsonderzoek van OLAZ en werken mee aan een locatie in Goes als daar in de regio voldoende draagvlak voor is
52 5.3.3 Speerpunt: We stellen doelen en ambities vast voor een circulaire economie. 5.3.3.1 We stellen in OZO-verband een regionale beleids- en uitvoeringsagenda voor circulaire economie vast en geven hier uitvoering aan 5.3.3.2 We geven uitvoering aan het in 2023 ondertekende MVOI-manifest Dit manifest is gericht op maatschappelijk verantwoord ondernemen en inkopen.
HD 5.4: We voorkomen zwerfvuil en ruimen het op, om mens en dier te beschermen. 5.4.1 Speerpunt: We kijken hoe we inwoners kunnen betrekken bij het voorkomen en opruimen van zwerfvuil. Met name op het gebied van naast plaatsing bij ondergrondse containers. 5.4.1.1 We betrekken inwoners in de omgeving van locaties die overlast geven bij het bedenken van oplossingen en onderzoeken om bewoners medeverantwoordelijk te maken voor het schoonhouden van de omgeving HD 5.5: Onze gemeente is voorbereid op het veranderende klimaat 5.5.1 Speerpunt: We bepalen hoe we als gemeente in 2045 voorbereid zijn op een ander klimaat (klimaatbestendige gemeente). 5.5.1.1 We stellen een Goese klimaatadaptatiestrategie vast Hiervoor gebruiken we de regionale Klimaatadaptatiestrategie Zeeland als leidraad. Ook geven we uitvoering aan deze strategie. 5.5.2 Speerpunt: We werken het achterstallig onderhoud aan de riolering weg en groeien door naar een beheersbaar rioolstel. 5.5.2.1 We vervangen versleten de riolering de komende jaren oplopend tot 4,5 kilometer per jaar. De vervanging gebeurt volgens het vastgestelde verbreed gemeentelijk rioleringsplan. 5.5.3 Speerpunt: We bevorderen de doorstroom, berging en kwaliteit van het oppervlaktewater. 5.5.3.1 We onderzoeken hoe om te gaan met heftige regenval, periodes van droogte en aanhoudend hoge temperaturen in de zomerperiodes.
We verwerken de resultaten in het ontwerp van nieuwe projecten en reconstructies van de openbare ruimte 5.5.3.2 We baggeren de Oost- en Wesveste uit om de kwaliteit van het water en de doorstroming goed te houden 5.5.4 Speerpunt: We zorgen voor robuust groen. 5.5.4.1 We stellen een afweegkader boombescherming op 5.5.4.2 Bij nieuwe plannen in de gemeente kiezen we voor voldoende onder- en bovengrondse ruimte voor groen 5.5.4.3 We gaan de openbare ruimte rond het Stadskantoor groener maken en klimaatbestendiger inrichten 5.5.4.4 We vervangen fasegewijs de zieke Kastanjes aan de Oostsingel die zwak en onveilig zijn 5.5.4 Speerpunt: We beschermen en verstevigen de biodiversiteit in onze gemeente. 5.5.4.1 Als gevolg van natuurwaardenkaart stellen we parameters vast om toename- of afname in biodiversiteit te meten 5.5.4.2 We onderzoeken een aantal mogelijke projecten om de biodiversiteit te vergroten HD 5.6: Het opwekken van duurzame energie moedigen we aan 5.6.1 Speerpunt: We beschrijven hoe we het opwekken van duurzame energie binnen onze gemeente willen regelen. 5.6.1.1 We stellen kaders vast voor het opwekken van duurzame energie 5.6.1.2 We onderzoeken welke plekken geschikt zijn voor het plaatsen van zonnepanelen Deze CO2-reductie die hiermee wordt bereikt kunnen we dan gebruiken als compensatie voor de gemeentelijke gebouwen die we niet helemaal energieneutraal kunnen maken.
Denk bijvoorbeeld aan monumenten.
53 HD 5.7: Verduurzaming van woning en bedrijf 5.7.1 Speerpunt: We ondersteunen inwoners en bedrijven met het verduurzamen van hun woning en bedrijf 5.7.1.1 We gaan de regeling voor energiearmoede uitvoeren met behulp van de SPUK-uitkering van het Rijk We voeren dit uit samen met de andere Bevelandse gemeenten. De regeling is bedoeld om inwoners te helpen kleine veranderingen in huis te doen. 5.7.1.2 We vragen middelen aan bij het Rijk voor de aanpak van particuliere woningen met energie labels D t/m G Deze aanvraag maakt deel uit van het meerjarenprogramma dat doorloopt tot 2030. 5.7.1.3 We geven uitvoering aan projecten die voortkomen uit de in 2023 vastgestelde RES 2.0 (Regionale Energie Strategie) Dit doen we samen met de 13 Zeeuwse gemeenten, de Provincie, het Waterschap en Stedin. 5.7.1.4 We stellen een uitvoeringsplan op in het kader van de Transitievisie Warmte In de Transitievisie warmte zijn de mogelijke transitiepaden beschreven. We gaan in samenspraak met inwoners de uitvoeringsplannen opstellen hoe de woningen aardgasloos worden gemaakt op termijn (2050). 5.7.1.5 Aanstellen duurzaamheidscoach voor advisering bedrijven We geven bedrijven de mogelijkheid om advies te vragen bij een duurzaamheidscoach over het duurzaam maken van hun bedrijfsgebouw en bedrijfsprocessen. 5.7.2 Speerpunt: Bedrijvenpark Deltaweg ontwikkelen we duurzaam.
5.7.2.1 We moedigen bedrijven die zich vestigen op het bedrijvenpark De Deltaweg aan om een duurzaamheidscertificaat te halen 5.7.2.2 We geven vanaf het begin van hun koop- en bouwproces ondersteuning aan bedrijven, door een duurzaamheidscoach in te zetten HD 5.8: We werken aan een duurzame gemeentelijke organisatie 5.8.1 Speerpunt: We maken gemeentelijke gebouwen duurzaam 5.8.1.1 We voeren de projecten uit van het vierjarig uitvoeringsprogramma 5.8.2 Speerpunt: Duurzame uitvoering van werken en diensten 5.8.2.1 Het gemeentelijk aannemingsbedrijf streeft naar maximale inzet van duurzame machines, voertuigen en materiaal 5.8.2.2 In de aanbestedingsprocedures wordt duurzame uitvoering nagestreefd 5.8.3 Speerpunt: We verduurzamen de openbare verlichting. 5.8.3.1 We continueren de vervanging van conventionele verlichting door ledverlichting Europese richtlijnen sturen de gemeente aan om oude vormen van openbare verlichting te vervangen door LEDverlichting. We vervangen 7,5% van de draagconstructies per jaar.
54
Bijdrage verbonden partijen aan doelstellingen gemeente: Verbonden partij
Speerpunt/reguliere taak
Regionale Uitvoeringsdienst Zeeland (RUD) Openbaar Lichaam Afvalstoffenverwijdering Zeeland (OLAZ)
Vergunningen
Bijdrage aan doelstelling programma
Verwerken/recyclen afvalstromen, in stand houden van milieustraat en onderzoek circulair ambachtscentrum, samenwerken onderzoeken ten behoeve van beleidsdoelstellingen.
HD 3. Restafval
* Voor meer informatie over de genoemde verbonden partijen wordt verwezen naar de paragraaf verbonden partijen.
Relevante beleidsdocumenten: Beleidsnota
Vastgesteld door
Regionale Energiestrategie (1.0) Regionale Energiestrategie (2.0) Verordening aansluitrecht gemeentelijke riolering Afvalstoffenverordening 2019 Klimaatprogramma 2019-2022 Klimaatprogramma 2024-2029 Regeling medisch afval Verordening interferentiegebieden bodemenergiesystemen 2016 Elektrische openbare laadinfrastructuur Afvalbeleidsplan gemeente Goes “Van Afval naar Grondstof” Waterbergingsfonds Gemeente Goes Zeeuws Energie Akkoord Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2022-2026 Transitievisie Warmte Goes Regionale Structuur Warmte
Vaststellingsdatum
Raad Raad Raad Raad Raad Raad B&W B&W Raad Raad B&W B&W Raad Raad Raad
18-06-2020 Verwacht 2024 20-12-2018 20-12-2018 20-12-2018 Verwacht 2024 22-11-2018 10-07-2018 Verwacht 2024 06-07-2017 21-02-2017 01-02-2017 06-10-2022 09-06-2022 09-06-2022
Indicatoren: Hernieuwbare elektriciteit (BBV) 70% 60% 50% 40%
Omvang huishoudelijk restafval (BBV) Kilogram per inwoner
30% 20%
250
10% 200
6,1%
10,0%
16,5%
2020
2021
0% 2018
150
2019 Goes
100
14,6%
191
171
160
50 0 2018
2019 Goes
2020 Zeeland
2021 Nederland
Type indicator: BBV Bron: CBS Info: Niet gescheiden ingezameld huishoudelijk afval.
2022
Zeeland
Nederland
Type indicator: BBV Bron: Het percentage duurzaamopgewekte energie binnen de gemeente grenzen Info: Het percentage duurzaamopgewekte energie binnen de gemeente grenzen in verhouding met het totaal verbruikte energie binnen de gemeente grenzen. Er wordt hier gewerkt met een mediaan, 50% van de gemeenten zitten boven deze waarde en 50% van de gemeenten zitten hier onder. De reden om niet met een gemiddelde te werken is dat er een kleine groep gemeenten is met zéér grote 'uitschieters' naar boven. Hierdoor wordt een gemiddelde zeer sterk beïnvloed en geeft dit een vertekend beeld.
55
Wat mag het kosten? Omschrijving Rekening 2022
Begroting 2023
3.316 4.115 2.498
4.723 4.387 4.113 1.613
Lasten 7.2 Riolering 7.3 Afval 7.4 Milieubeheer - waarvan regulier - waarvan uitvoering visie openbare laadpalen - waarvan incidenteel 2023, waaronder RES 7.5 Begraafplaatsen en crematoria - waarvan regulier - waarvan digitaliseren begraafplaatsen Totaal lasten programma
456
2.500 463 463
10.385
Baten 7.2 Riolering 7.3 Afval 7.4 Milieubeheer 7.5 Begraafplaatsen en crematoria Totaal baten programma
bedragen x € 1.000 Begroting Begroting 2024 2025
Begroting 2026
Begroting 2027
5.095 4.636 1.994 1.876 118
5.372 4.850 2.056 1.948 108
5.803 5.080 2.129 2.021 108
6.208 5.230 2.194 2.086 108
13.686
617 507 110 12.341
548 538 10 12.826
567 557 10 13.579
585 575 10 14.217
4.473 4.800 604 482 10.359
5.536 5.339 799 475 12.148
6.314 5.612 504 12.430
6.867 5.768 0 518 13.153
7.234 5.922 532 13.688
7.674 6.069 546 14.288
Saldo lasten en baten programma
-26
-1.538
88
327
109
71
Toevoegingen aan reserves Onttrekkingen aan reserves Saldo reserves
638 603 -36
1.812 1.812
280 280
-
-
Totaal programma
-62
275
368
327
109
71
Uitbreidingsinvesteringen
Toelichting: 1. Voor het realiseren van de verduurzamingsopgave voor het gemeentelijk vastgoed is in de begroting 2023 geld beschikbaar gesteld. Tot en met 2027 is er € 9,6 miljoen beschikbaar in de nog te vormen reserve duurzaamheid. In het 4-jarige uitvoeringsplan wordt een slimme selectie gemaakt van gemeentelijke panden die in de komende 4 jaar verduurzaamd gaan worden aan de hand van een duurzaamheidsonderzoek. Voor dorps- en buurthuizen en culturele instellingen wordt al een duurzaamheidsonderzoek uitgevoerd en na besluitvorming daadwerkelijk worden verduurzaamd. 2. Binnen O.L.A.Z./gemeente Goes vindt er onderzoek plaats naar het verplaatsen van de huidige milieustraat c.q. het realiseren van een milieustraat compleet plus (kringloop/demontage) voor regio De Bevelanden. Het realiseren van een regionale milieustraat compleet plus betekent een belangrijke bijdrage aan de doelstellingen van gemeente Goes als het gaat om circulaire economie en het reduceren van de hoeveelheid brandbaar afval. 3. Om de gemeentelijke voertuigen te kunnen voorzien van voldoende elektrische laadcapaciteit zijn extra laadvoorzieningen nodig.
56
3. Paragrafen
www.goes.nl
58
Paragraaf Lokale heffingen Inleiding In deze paragraaf staat informatie over de gemeentelijke belastingen en heffingen. Naast het beleid rondom lokale heffingen geven we een overzicht van de opbrengsten, de kostendekkendheid en de lokale lastendruk. Ook wordt kort ingegaan op het kwijtscheldingsbeleid. Voor de afvalstoffenheffing, rioolheffing en lijkbezorgingsrechten gaan we in deze paragraaf op de kostendekkendheid van de heffing. Beleid lokale heffingen De indexatie van de lokale heffingen is gebaseerd op de ontwikkeling van het indexcijfer prijs bruto binnenlands product, zoals het CBS die publiceert. Voor 2024 is dit bepaald in de Kadernota 2024 en wordt in de begroting een stijging van 6,2% in de lokale lasten doorgevoerd. Wanneer er op basis van beleidskeuzes van de jaarlijkse indexering wordt afgeweken, lichten we dit toe in deze paragraaf. Het uitgangspunt voor de afvalstoffenheffing en de rioolheffing is kostendekkendheid. In deze paragraaf laten we zien hoe dit wordt ingevuld. Voor de kostendekkendheid van de lijkbezorgingsrechten hebben we als streven een kostendekkendheid van minimaal 90% (maximaal ook 100%). Dit wordt ook in deze paragraaf toegelicht en cijfermatig weergegeven. Ontwikkelingen en actualiteit De problematiek van de no-cure-no-pa bedrijven blijft druk geven op de uitvoering van de Wet Onroerende Zaakbelasting.
Sabewa Zeeland geeft samen met de andere belastingorganisaties aan dat de grenzen van de bedrijfsvoering zijn bereikt. De afhandeling van bezwaarschriften zet druk op het jaarlijkse herwaarderingsproces en daarmee druk op het tijdig kunnen opleggen van de aanslagen. In de aanslagronde van 2023 hebben we al kunnen zien dat het tijdige bepalen van de WOZ-waarden voor de aanslagoplegging in het gedrang is. Tarievenbeleid lokale heffingen Voor de stijging van de tarieven hanteren we voor 2024 het uitgangspunt van 6,2%. Omdat een aantal belastingen beïnvloed wordt door de WOZ-waardeontwikkeling, wordt voor die belastingen uitgegaan van een opbrengststijging van 6,2% in plaats van een tariefstijging van 6,2%. Dat betekent dat de tariefstijging en waardeontwikkeling samen gaan leiden tot de geraamde stijging. In onderstaande tabel wordt het tarievenbeleid weergegeven zoals dat nu is opgenomen in de meerjarenbegroting. Omschrijving
Stijging
Afvalstoffenheffing* Forensenbelasting Haven- en schutgeld Leges Lijkbezorgingsrechten Marktgeld Onroerende zaakbelasting woningen Onroerende zaakbelasting niet-woningen Parkeerbelasting Precariorechten Reclamebelasting Rioolheffing* Toeristenbelasting
Tarief Opbrengst Tarief Tarief Tarief Tarief Opbrengst Opbrengst Tarief Tarief Tarief Opbrengst Tarief
2024 6,2% 6,2% 6,2% 6,2% 6,2% 6,2% 6,2% 6,2% 6,2% 4,85% 6,2%
2025
2026
Kostendekkend tarief 2,8% 2,7% 2,8% 2,7% 2,8% 2,7% 2,8% 2,7% 2,8% 2,7% 2,8% 2,7% 2,8% 2,7% 2,8% 2,7% 2,8% 2,7% 4,85% 4,85% Kostendekkend tarief 2,8% 2,7%
2027 2,5% 2,5% 2,5% 2,5% 2,5% 2,5% 2,5% 2,5% 2,5% 4,85% 2,5%
* Voor de afvalstoffenheffing en het rioolheffing mogen we niet meer dan een kostendekkend tarief in rekening brengen. De werkelijke tarief ontwikkeling is afhankelijk van de mutaties in de kosten waar deze heffingen voor zijn.
Op dit moment zijn nog niet alle realisatiecijfers van de WOZ-waarden en belastingopbrengsten 2023 beschikbaar. Voor de aanslagoplegging 2024 worden de WOZ-waarden van de peildatum 1 januari 2023 gebruikt. Als deze realisatiecijfers 2023 van de WOZ-waarden nog aanleiding geven tot een bijstelling van de tarieven 2024 wordt dit bij de vaststelling van de verordeningen 2024 ter besluitvorming voorgelegd. Opbrengstramingen belastingen en heffingen In onderstaand overzicht zijn de ramingen van de verschillende belastingopbrengsten en heffingen voor begroting 2024 weergegeven. De begrote inkomsten van de gemeentelijke belastingen en heffingen in 2024 bedragen € 31,6 mln. In onderstaande grafiek staan de opbrengsten van de verschillende belastingen en heffingen weergegeven. .
59
Opbrengstraming belastingen en heffingen 2024 Overige lokale heffingen; €1.567.000
Onroerende‐ zaakbelastingen; €12.445.000
Leges; €2.711.000
Onroerende‐ zaakbelastingen Rioolheffing Parkeerbelastingen
Afvalstoffenheffing; €5.004.000
Afvalstoffenheffing Leges
Rioolheffing; €6.269.000
Parkeerbelastingen; €3.595.000
Belastingen en heffingen Onroerendezaakbelasting Onroerendezaakbelasting wordt geheven van eigenaren van onroerende woningen en niet-woningen en van gebruikers van niet-woningen. De eigenaar/gebruiker op 1 januari van enig jaar is belastingplichtig voor het gehele jaar. Grondslag is de waarde van de onroerende zaak die is vastgesteld met een WOZ-beschikking. Voor het belastingjaar 2024 geldt de waarde van de onroerende zaak per 1 januari 2023. De ramingen van de opbrengsten onroerendezaakbelasting worden in 2024 met 6,2% verhoogd. De verwerking in de tarieven wordt uw raad bij de belastingverordening voorgelegd. Parkeerbelasting en parkeergarage Uit oogpunt van eenduidigheid voor de parkerende bezoeker van de binnenstad, is besloten om zo min mogelijk tariefniveaus te hanteren en de ontwikkeling van het tarief voor parkeren buiten de parkeergarage een gelijke tred te laten houden met de ontwikkeling van het tarief voor parkeren in de parkeergarage. Voor 2024 wordt voorgesteld om een indexering van 6,2% te hanteren. Het effect van deze indexering wordt separaat aan u voorgelegd met de verordening parkeerbelastingen Goes 2024. Reclamebelasting De reclamebelasting kent een looptijd tot en met 2029. Voor het jaar 2024 nemen we in de begroting het uitgangspunt dat de tarieven 2024 geïndexeerd worden met de jaarlijkse vaste indexering van 4,85%.
Op basis van de gewijzigde methode van indexeren die we vanaf 2018 toepassen, zijn we als gemeente risicodragend of de beoogde opbrengst eind 2029 behaald wordt. We zien een afname in de reclame-uitingen die zorgen voor een lagere opbrengst. Dit is vertaald in de geraamde opbrengst van begroting 2024. Toeristenbelasting De toeristenbelasting wordt voor 2024 geïndexeerd met 6,2%. Het tarief wordt afgerond op € 0,05. In onderstaande tabel worden de nieuwe tarieven voor 2024 weergegeven en zijn de tarieven van voorgaande jaren opgenomen.
Tarief 2021
Omschrijving Duurdere verblijfsrecreatie Camping Minicamping Watertoerisme
€ € € €
1,35 1,05 0,75 1,05
Tarief 2022 € € € €
1,40 1,10 0,80 1,10
Tarief 2023 € € € €
1,45 1,15 0,80 1,15
Tarief 2024 € € € €
1,55 1,20 0,85 1,20
60 Kostendekkendheid lokale heffingen Afvalstoffenheffing De afvalstoffenheffing is een vergoeding voor de kosten van het ophalen en verwerken van huishoudelijk- en tuinafval. De grondslag voor de heffing is het aantal personen per huishouden. We kennen twee categorieën: eenpersoons of meerpersoonshuishouden. Uitgangspunt is een kostendekkendheid van 100%. De uitgangspunten voor de opbrengst afvalstoffenheffing zijn gebaseerd op het Afvalbeleidsplan dat medio 2017 is vastgesteld. Voor de begroting 2024 betekent dit dat de opbrengst, net als in de voorgaande jaren, gebaseerd is op het Diftar-principe. Inwoners betalen een gedifferentieerd tarief dat bestaat uit een vast tarief en een tarief per keer dat er restafval wordt aangeboden. Afva l sto ffe n h e ffi n g Berekening kostendekkendheid
(Bedragen x € 1.000)
Kos ten taakvelden afvalstoffenheffing
4.558
Opbrengsten taakvelden afvals toffenheffing
-465
Toe te rekenen kosten: - overhead
800
- btw
343
Totale kosten afvalstoffenheffing
5.235
Opbrengst afvals toffenheffing
5.003
a fva l s to ffe n h e ffi n g
96%
In bovenstaande tabel staat de berekening van de kostendekkendheid weergegeven. Voor de opbrengsten is de indexering van 6,2% doorgevoerd. Hiermee komen we uit op een kostendekkendheid van 96%. We stellen voor om een aanvullende lastenverzwaring om op een kostendekkendheid van 100% uit te komen, niet door te voeren. Rioolheffing Voor de begroting 2024 is het uitgangspunt dat we kostendekkende tarieven hanteren voor de rioolheffing. De basis van de rioolheffing zit in het nieuwe Gemeentelijke Rioleringsplan (GRP) dat in 2022 is vastgesteld. Het onderstaande overzicht laat de kostendekkendheid zien, gebaseerd op de toerekenbare kosten zoals die in de begroting 2024 geraamd worden. De opbrengst rioolheffing is afhankelijk van de ontwikkeling van de toerekenbare kosten in 2024. Op basis van de geraamde kosten voor 2024 gaan we uit van een opbrengststijging van 6,2% ten opzichte van begroting 2023. De totale mutatie van de tarieven is afhankelijk van de ontwikkeling van de WOZ-waarde op peildatum 1 januari 2024. De vertaling van de opbrengst naar de tarieven rioolheffing wordt bij de verordening rioolheffing 2024 voorgelegd. R i o o l h e ffi n g Berekening kostendekkendheid
(Bedragen x € 1.000)
Kosten taakvelden rioolheffing Toerekening kosten rioolheffing Opbrengsten taakveld rioolheffing
5.096 703 -45
Toe te rekenen kosten: - overhead - btw Totale kosten rioolheffing
517 720 6.990
Opbrengst rioolheffing Dekking vanuit reserve Totale dekking rioolheffing
6.269 280 6.549
D e kki n g sp e rce n ta g e ri o o l h e ffi n g
94%
Naast de kosten van het taakveld rioolheffing worden er overige kosten aan de rioolheffing toegerekend. Deze kosten zijn straatreiniging, onkruidbestrijding en de perceptiekosten van Sabewa Zeeland. Voor deze kosten is bepaald voor welk deel ze zijn toe te rekenen aan de rioolheffing. Ook hebben we eind 2016 besloten om de btw op de kosten van het taakveld rioolheffing mee te nemen in de berekening van de kostendekkendheid.
61 In bovenstaande tabel staat de berekening van de kostendekkendheid weergegeven. Dit samen met de uitgangspunten zoals we die bij het GRP hebben voorgelegd, komen we uit op een kostendekkendheid van 94%. Wanneer we de kostendekkendheid op 100% willen krijgen, moeten we een aanvullende tariefstijging van de rioolheffing doorvoeren. Met de lastenverzwaring die we vanuit het gemeentelijk rioleringsplan in 2022 in de rioolheffing hebben doorgevoerd, achten we dit niet wenselijk en stellen we voor het kostendekkendheidspercentage voor 2024 te handhaven op 94%. Lijkbezorgingsrechten Deze rechten worden geheven voor het gebruik van de begraafplaatsen en voor het door de gemeente verlenen van diensten i.v.m. de begraafplaatsen. We stellen voor om de tarieven te indexeren met 6,2%. De kostendekkendheid komt dan uit op 63%. Voor de lijkbezorging hebben we de toerekening van de overhead aangepast aan de financiële verordening. Dit betekent een toerekening op basis van de directe uren van het taakveld lijkbezorging. Omdat de kosten van het taakveld lijkbezorging voor een groot deel uit uren bestaan, betekent dit een grote toename van de overheadskosten. Dit leidt vervolgens weer tot een verlaging van de kostendekkendheid. De kostendekkendheid komt daarmee uit onder de streefwaarde van 90%.
We hebben er in de begroting 2024 voor gekozen om de gewijzigde toerekening van de overhead, niet te vertalen in een verhoging van de tarieven van de lijkbezorging. L i j kb e zo rg i n g sre ch te n Berekening kostendekkendheid
(Bedragen x € 1.000)
Kosten taakvelden lijkbezorgingsrechten Opbrengsten taakvelden lijkbezorgingsrechten
617 0
Toe te rekenen kosten: - overhead - btw Totale kosten lijkbezorgingsrechten
335 n.v.t. 952
Opbrengst lijkbezorgingsrechten Dekking vanuit reserve Totale dekking lijkbezorgingsrechten
504 100 604
D e kki n g sp e rce n ta g e l i j kb e zo rg i n g sre ch te n
63%
Lokale lastendruk Voor het vergelijk van de lokale belastingdruk kijken we naar de onroerendezaakbelasting, afvalstoffenheffing en het rioolrecht. In onderstaande tabel wordt de lokale lastendruk 2023 weergegeven (bron: www.coelo.nl). In de tabellen wordt de lastendruk van 2023 voor een één en meerpersoonshuishouden weergegeven. In 2022 heeft Coelo de berekeningssystematiek aangepast. Tot 2021 werd de WOZ-waarde van alle woningen in de berekening meegenomen, dus koop- en huurwoningen samen. Vanaf 2023 gaat Coelo enkel uit van de koopwoningen. In onderstaande tabellen volgens we die wijziging.
Ge m e e nte lijk e wo o nla s te n Ze e la nd
E e np e rs o o ns huis ho ud e n
Ge me e nte lijk e wo o nla s te n Ze e la nd
Me e r p e rs o o ns huis ho ud e n
Veere Tholen Reimerswaal Noord-Beveland Kapelle Borsele Sluis Hulst Goes Middelburg Schouwen-Duiveland Terneuzen Vlissingen
€ € € € € € € € € € € € €
701 715 731 743 759 800 803 842 888 890 898 898 986
Veere Noord-Beveland Tholen Kapelle Sluis Reimerswaal Hulst Borsele Terneuzen Goes Middelburg Vlissingen Schouwen-Duiveland
€ € € € € € € € € € € € €
787 802 802 883 885 905 942 945 951 975 976 986 987
Ge mid d e ld e Ze e la nd
€
820
Ge mid d e ld e Ze e la nd
€
910
62 In onderstaande tabel wordt een vergelijk gemaakt van de lokale lasten voor bedrijven. Dit geldt enkel voor de onroerendezaakbelasting en rioolheffing. De afvalstoffenheffing is voor niet-woningen geen publiekrechtelijke heffing.
Ge me e nte lijk e wo o nla s te n Ze e la nd
B e d rijv e n
Veere Noord-Beveland Reimerswaal Hulst Sluis Kapelle Goes Borsele Schouwen-Duiveland Tholen Terneuzen Middelburg Vlissingen
€ € € € € € € € € € € € €
1.582 1.611 2.327 2.494 2.773 2.888 2.989 3.062 3.163 3.164 3.317 3.723 4.479
Ge mid d e ld e Ze e la nd
€
2.890
Kwijtscheldingsbeleid De gemeente hanteert het uitgangspunt dat alle inwoners met een inkomen op 100% van de bijstandsnorm in aanmerking moeten kunnen komen voor kwijtschelding van de afvalstoffenheffing (inclusief Diftar/ledigingen afval) en het gebruikersdeel rioolrecht. Dit tenzij er sprake is van een vermogen dat groter is dan het wettelijke normbedrag. De uitvoering van het kwijtscheldingsbeleid wordt uitgevoerd door Sabewa Zeeland, de informatie staat op www.sabewazeeland.nl/onderwerpen/kwijtschelding
63
Paragraaf Financiering Inleiding Het doel van deze paragraaf is de raad te informeren over het treasurybeleid en de beheersing van financiële risico’s voor het jaar 2024. De treasuryfunctie ondersteunt de uitvoering van de programma’s. Treasury is het besturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële geldstromen, de posities en de hieraan verbonden risico’s. Meer concreet gaat het om financiering van het beleid tegen zo gunstig mogelijke voorwaarden. Artikel 13 Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) legt vast welke informatie de financieringsparagraaf in ieder geval dient te bevatten. Conform de vereisten voortvloeiende uit de wet financiering decentrale overheden (wet Fido) is er door het college een treasurybesluit vastgesteld. Hierin is het wettelijk kader verder uitgewerkt. Renterisicobeheersing Renterisico’s worden beperkt door: • een actuele rentevisie te hanteren; • te toetsen aan de kasgeldlimiet, beheersingsinstrument korte schuld (1 < jaar); • te toetsen aan de renterisiconorm, beheersingsinstrument lange schuld (1 > jaar). Renteontwikkelingen Na meer dan een decennium van extreem lage, en zelfs negatieve rentestanden besloot de Europese Centrale Bank halverwege 2022 voor het eerst de rentes te verhogen. Het ruim gevoerde monetaire beleid moest anders.
Hoge inflatiecijfers maakten dat monetaire verkrapping niet uit kon blijven. Stapsgewijs is het monetaire beleid verkrapt, door onder andere het afbouwen obligatie opkoopprogramma’s en het verhogen van de beleidsrentes. Door de eerste verhoging van de depositorente met 0,5% in 2022, was deze niet meer negatief. De depositorente is de rente die banken ontvangen bij het stallen van tegoeden bij de ECB. Ook de basisfinancieringsrente werd op datzelfde moment verhoogd met 0,5%. Van 0% naar 0,5%. De basisfinancieringsrente is het tarief waartegen banken geld kunnen lenen bij de centrale bank. Beide rentes hebben invloed op de tarieven van aan te trekken financiering voor marktpartijen, zoals decentrale overheden. Vanaf juli 2022 tot augustus 2023 zijn er 8 renteverhogingen geweest, in stappen van 0,25% tot 0,75%. De depositorente kwam hiermee uit op 3,75% en de basisfinancieringsrente op 4,0%. Dalende inflatiecijfers en een afnemende economische groei hebben het tempo van de verhogingen afgezwakt. Voor de ECB is het een balanceeroefening tussen het voorkomen van een recessie en tegelijkertijd het verminderen van inflatie. De ECB streeft naar een inflatiepercentage van 2%. Ondanks dalende actuele inflatiecijfers is het streefpercentage nog niet bereikt. Extra verhogingen in de beleidsrentes zijn daarom nog niet uitgesloten.
Hoeveel en of de rentes gaan stijgen is lastig in te schatten. Met enige zekerheid kan gesteld worden dat de rentes op minimaal het huidige niveau blijven en dit ook voor een langere tijd zo kan blijven. Inflatiecijfers zullen eerst moeten stabiliseren rond het streefniveau voordat überhaupt aan verlagingen gedacht kan worden. Een daling van de rente is op korte termijn daarom ook niet te verwachten.
64 Kasgeldlimiet Ter beperking van renterisico’s op de korte schuld dienen de gemeenten te voldoen aan de kasgeldlimiet zoals bepaald in de wet Fido. Dit betekent dat de korte schuld voor gemeenten maximaal 8,5% van het begrotingstotaal (totale lasten) mag bedragen. De korte schuld bestaat uit de opgenomen gelden met een oorspronkelijke rente typische looptijd korter dan één jaar en de schuld in rekening-courant en is bedoeld voor het financieren van lopende uitgaven. Kasgeldlimiet en financieringstekort Totaal jaarbegroting Percentage Kasgeldlimiet
2024 185.035 8,50% 15.728
Gemiddeld gebruikt kasgeldlimiet
6.362
22.090
(Bedragen x € 1.000) 2025 176.624 8,50% 15.013
2026 179.138 8,50% 15.227
2027 177.473 8,50% 15.085
6.362
6.362
6.362
21.375
21.588
21.447
2019 – 2022 Ruimte (+) / overschrijding (-)
Op basis van de renteontwikkelingen wordt gekozen om langlopend of kortlopend te financieren. Bij dalende rentes is het interessant zo veel mogelijk gebruik te maken van kortlopende financiering, om dit op een later moment om te zetten naar langlopend. Daarbij zijn de financieringscondities om kortlopend te financieren gunstiger door lagere tarieven. Het omgekeerde geldt wanneer de rentes niet dalen, maar juist stijgen. Door de verkrapping van het monetaire beleid door de ECB zijn de rentes sterk toegenomen. De verwachting is dat de hogere rentestanden voor langere tijd zullen aanhouden, of nog verder gaan stijgen. Hierom is gekozen de recente financieringsbehoefte volledig met langlopende geldleningen op te vangen. Wanneer wel kortlopend wordt gefinancierd moet de kasgeldlimiet in acht worden genomen. Op basis van de Uitvoeringsregeling Financiering voor Decentrale Overheden moet de toezichthouder (provincie Zeeland) worden geïnformeerd bij overschrijding van de kasgeldlimiet gedurende 2 achtereenvolgende kwartalen en zal vervolgens een passende langlopende geldlening worden aangegaan. De gemiddelde ruimte boven de kasgeldlimiet over de afgelopen vier jaren, was ongeveer € 6,4 mln. Hieraan is te zien dat er met name langlopend gefinancierd is. Dit sluit goed aan bij de renteontwikkelingen.
Ook voor de komende jaren is de verwachting dat ruimschoots aan de kasgeldlimiet wordt voldaan en we deze niet zullen overschrijden met een ruimte van ongeveer € 22 mln. Renterisiconorm Met behulp van de renterisiconorm wordt bepaald welk renterisico de gemeente loopt op haar vaste schuld (leningen met een looptijd van langer dan één jaar). De renterisiconorm is in de wet Fido bepaald op 20% van het begrotingstotaal (totale lasten). Dat wil zeggen dat de jaarlijks verplichte aflossingen en de renteherzieningen niet meer mogen bedragen dan 20% van het begrotingstotaal. Hierbij is een minimumbedrag bepaald van € 2,5 miljoen. Het uitgangspunt van de renterisiconorm is het beheersen van de renterisico’s op langlopende schulden. Dit gebeurt door het aanbrengen van spreiding in de looptijden van de leningen. Hiermee wordt voorkomen dat een groot deel van de leningportefeuille gelijktijdig moet worden gefinancierd, met het risico van snel oplopende rentelasten. In onderstaande tabel wordt de renterisiconorm voor jaren 2024 – 2027 weergegeven. Renterisiconorm 1 Renteherzieningen * 2 Aflossingen
2024
(Bedragen x € 1.000) 2025 0 0
2026
2027 0
0
8.309
9.624
10.973
12.453
8.309 185.035
9.624 176.624
10.973 179.138
12.453 177.473
Percentage regeling
20%
20%
20%
20%
4 Renterisiconorm (4a x 4b)
37.007
35.325
35.828
35.495
5a
Ruimte onder renterisiconorm (4 > 3)
28.698
25.700
24.855
23.041
5b
Overschrijding renterisiconorm (3 > 4)
*
In geval van een roll-over lening
4a 4b
3 Renterisico (1 + 2) Begrotingstotaal
65 Bovenstaande tabel laat zien dat we komende jaren de renterisiconorm niet zullen overschrijden. De ruimte onder de renterisiconorm geeft aan dat het te verwachten renterisico ruimschoots binnen de gestelde normhoeveelheid valt. Een goede spreiding van de leningportefeuille bij het aangaan van financieringen en vaste rentes voor de gehele looptijd maken dat renteherzieningen niet aan de orde zijn en bijdragen voldoen aan de gestelde renterisiconorm. Rente-omslag De rente wordt via een omslagstelsel toegerekend aan de kostendragers (producten). Dit heet het zogenaamde 'renteomslag percentage'. Het rente-omslag percentage wordt berekend over alle producten. Dit percentage wordt met de in begroting opgenomen gegevens zo goed als mogelijk ingeschat en wordt toegerekend aan die investeringen welke lineair worden afgeschreven. Het rente-omslag percentage waarmee gerekend is voor de begroting 2024 bedraagt afgerond 1,3%. Het percentage ligt hiermee in lijn van de omslagrente van 1,2% waarmee gerekend is bij de begroting 2023.
Financieringspositie De financieringspositie geeft inzicht in de ontwikkeling van de financieringsbehoefte, rekening houdend met de investeringen en beschikbare interne en externe middelen. De interne financiering vindt plaats in de vorm van de ten laste van de exploitatierekening gebrachte afschrijvingen en in de vorm van eigen vermogen (reserves). Voor de externe financiering wordt een beroep gedaan op de geld- en kapitaalmarkt. De gemiddelde rente van de huidige Goese lening portefeuille bedraagt 2,63%. Voor het bepalen van de financieringsbehoefte voor onze gemeente spelen zijn diverse factoren van belang. Naast vervangingsinvesteringen, herfinanciering van de leningportefeuille hebben diverse uitbreidingsinvesteringen en de eigen beschikbare liquide middelen invloed op de financieringsbehoefte. Rekening houdend met deze factoren, ziet onze lening portefeuille er voor de komende jaren als volgt uit: (Bedragen x € 1.000)
2024
2025
2026
2027
Stand per 1 januari Nieuwe leningen Aflossingen
140.626 17.196 10.098
147.725 27.294 10.871
164.148 25.241 12.236
177.154 17.350 13.498
Stand per 31 december
147.725
164.148
177.154
181.007
Door een verhoogd investeringsniveau in begroting 2024 neemt de leningenportefeuille de komende jaren fors toe, met een verwachte omvang van ongeveer € 148 mln eind 2024 tot € 181 mln in 2027. Een toename van de leningportefeuille heeft een directe invloed op onder andere de schuldpositie. Renteschema In het wijzigingsbesluit BBV is opgenomen dat er inzicht wordt gegeven in de rentelasten, het renteresultaat en de wijze waarop rente aan investeringen, grondexploitaties en taakvelden wordt toegerekend. Ook is het verplicht dat de rentekosten aan de desbetreffende taakvelden moet worden toegerekend met behulp van een (rente) omslagpercentage. Dit omdat de onderlinge vergelijking tussen gemeenten het uitgangspunt is vanuit BBV.
66 Onderstaand het renteschema: Renteschema
(Bedragen x € 1.000)
De externe rentelasten over de korte en lange financiering
€
De externe rentebaten (idem)
-/-
Saldo rentelasten en rentebaten De rente die aan de grondexploitatie moet worden doorberekend
-/-
€ 351
-/-
€
0
+
€
0
3.704
€
62
€
3.642
€
351
De rente van projectfinanciering die aan het betreffende taakveld moet worden toegerekend De rentebaat van doorverstrekte leningen indien daar een specifieke lening voor is aangetrokken (=projectfinanciering), die aan het betreffende taakveld moet worden toegerekend -/Aan taakvelden toe te rekenen externe rente
3.291
Rente over eigen vermogen
+
€
0
Rente over voorzieningen
+
€
0
€
3.291
€
3.227
€
64
Totaal werkelijk aan taakvelden toe te rekenen rente De aan taakvelden toegerekende rente (renteomslag)
-/-
Renteresultaat op het taakveld treasury
Na het in mindering brengen van de baten op de externe rentelasten blijft er € 3,642 mln aan externe rente over. Door het bedrag van € 351.000 dat aan de bouwgrond wordt doorberekend, is er € 3,291 mln aan toe te rekenen rente over. Door afronding van de omslagrente is niet alle rente over de producten verdeeld. Dit maakt dat het renteresultaat op het taakveld treasury € 64.000 is. Schuldpositie Voor het beoordelen van de financiële vermogenspositie is in het BBV een verplichte indicator opgenomen, de netto schuldquote. Deze indicator is door de Vereniging Nederlandse Gemeenten opgesteld. De netto schuldquote beoordeelt de vermogenspositie van gemeenten aan de hand van schulden ten opzichte van de inkomsten. Het kengetal geeft een indicatie van het aandeel van de rentelasten van de schulden in de totale exploitatie. Het draait om de vraag of de rentelasten als gevolg van hoge schulden niet te veel ruimte opslokken binnen de totale exploitatie. Voor de netto schuldquote wordt de volgende definitie gehanteerd: De netto schuld als aandeel van de exploitatie. De netto schulden zijn gedefinieerd als de som van de langlopende schulden, kortlopende Schulden en overlopende passiva. Daarop zijn in mindering gebracht de kortlopende vorderingen en uitzettingen, liquide middelen, overlopende activa en langlopende uitzettingen.
Voor de omvang van de exploitatie wordt uitgegaan van de baten voor bestemming, dus exclusief de mutaties in de reserves. De netto schuldquote wordt genormeerd conform onderstaande bandbreedte: Netto schuldquote in % van de exploitatie Netto schuldquote in % van de exploitatie Netto schuldquote in % van de exploitatie
> 130% 100% - 130% < 100 %
niet wenselijk, grote risico’s voorzichtigheid geboden
Voor 2024 is de netto schuldquote 91%. De hoogte van de netto schuldquote wordt beïnvloed door een groot aantal factoren. Naast de begrote baten zoals opgenomen in de meerjarenbegroting wordt de netto schuldquote ook beïnvloed door de omvang van de leningportefeuille en de investeringen die we de komende jaren gaan doen. In de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing wordt de totstandkoming van de schuldquote nader toegelicht.
67
Paragraaf Weerstandsvermogen & Risicobeheersing Inleiding De paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing biedt op basis van een risico-inventarisatie, financiële vertaling van de risico’s door middel van een risicomethodiek en een overzicht van financiële kengetallen inzicht in de financiële positie van gemeente Goes. Bij het bereiken van onze doelstellingen is inzicht gewenst in de mogelijkheden om tegenvallers op te vangen. Deze paragraaf gaat kort in op ons beleid omtrent risico’s, geeft inzicht in de gehanteerde methodiek en toetst het aanwezige weerstandsvermogen aan de norm van de weerstandscapaciteit. Beleid risicobeheersing Om ook in de toekomst een financieel gezonde organisatie te blijven, gaat de gemeente Goes verstandig en verantwoord om met risico’s. Risico’s zijn onlosmakelijk verbonden met de uitvoering van bedrijfsprocessen en kunnen nooit helemaal worden uitgesloten. Als gemeente willen we bewust zijn van de risico’s die we lopen en van de beheersingsmaatregelen die we kunnen nemen. Bij de beheersing van de risico’s hanteren wij als beleidslijn dat er sprake moet zijn van een evenwicht tussen praktische uitvoerbaarheid en effectiviteit en kosten (efficiency) van een maatregel. Daarom wordt uitgegaan van een voorzichtig financieel beleid als fundament voor de weerstandscapaciteit.
In de uitvoering worden hierbij de volgende uitgangspunten gehanteerd: Een in meerjarig perspectief sluitende begroting; Onderhoudsvoorzieningen van voldoende omvang; Beheerste ontwikkeling van de lokale lasten; De begroting heeft jaarlijks ruimte voor onvoorziene kosten (eenmalig en structureel); Een weerstandscapaciteit van voldoende omvang om de risico’s op te kunnen vangen. De wetgeving voor het weerstandsvermogen zijn vastgelegd in het besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV-artikel 9, 11 en 26). Het gemeentelijk beleid is vastgelegd in de financiële verordening gemeente Goes 2021 (artikel 15) en in de nota Reserves en voorzieningen 2021 (paragraaf 2.5 en 3.1). Structureel systeem van risicomanagement We hanteren organisatie breed een structureel systeem van risicomanagement. Periodiek inventariseren we binnen de organisatie de risico’s, koppelen we beheersingsmaatregelen aan de risico’s, vindt evaluatie plaats van bestaande, actuele risico’s en beheersingsmaatregelen en rapporteren we hierover. Door herhaling van deze stappen in het proces van risicomanagement is er blijvende aandacht voor risico’s en de beheersing ervan. Het proces van risicomanagement maakt onderdeel uit van de jaarlijkse budgetcyclus. Wij beschouwen risicomanagement hierbij niet als een doel op zich.
Doordat wij een beter inzicht hebben in de risico’s in onze gemeentelijke processen is risicomanagement voor ons een hulpmiddel bij het bereiken van gemeentelijke doelen.
Voor het sociaal domein en de bouwgrond hebben we ervoor gekozen om een andere methodiek van risicoinventarisatie te hanteren. Dit wordt later in deze paragraaf toegelicht.
68 Risicomethodiek De ambtelijke organisatie inventariseert en beoordeelt de risico’s. Om te waarborgen dat de risico’s binnen de organisatie op uniforme en objectieve wijze worden beoordeeld, wordt gebruik gemaakt van onderstaande tabel om de kans en het gevolg van een risico in te schatten. Met begroting 2023 hebben we de financiële klasse indeling geactualiseerd.
De risicoscore van een bepaald risico wordt bepaald door een statistische berekening kans en impact. Voor de bepaling van het benodigde weerstandsvermogen wordt volgens een objectieve methodiek de norm voor de berekening van het weerstandsvermogen bepaald. Daar waar geen directe uitgavenposten zijn gerelateerd aan de risico’s (bijvoorbeeld de inkomstenstroom van de gemeente of garantstellingen) wordt als uitgangspunt voor de benoemde risico’s een materialiteitsgrens van 1, 2 of 3% (laag-gemiddeld-hoog) gehanteerd. Daarnaast kennen we een aparte risicomethodiek voor de risico’s van het sociaal domein en de bouwgrond. Dit wordt verderop in deze paragraaf toegelicht. Inventarisatie weerstandscapaciteit Bij de inventarisatie van de weerstandscapaciteit wordt onderscheid gemaakt in de weerstandscapaciteit in de vermogens- en in de exploitatiesfeer. De weerstandscapaciteit in de vermogenssfeer wordt gevormd door: De beschikbare algemene reserve; Het vrij beschikbaar deel van de bestemmingsreserves Eventuele stille reserves. Het vrij beschikbare deel van de algemene reserve bestaat uit het saldo van de algemene reserve waarbij de claims in mindering op het saldo zijn gebracht. Ditzelfde geldt voor het vrij beschikbare gedeelte van de bestemmingsreserves. Er is sprake van stille reserves wanneer activa een hogere waarde vertegenwoordigen dan de boekwaarde op de balans.
Zolang de desbetreffende eigendommen echter niet voor verkoop in aanmerking komen, kunnen de stille reserves niet te gelde worden gemaakt. In het overzicht van de weerstandscapaciteit zijn de stille reserves daarom als PM post opgenomen. De weerstandscapaciteit in de exploitatiesfeer wordt gevormd door: De onbenutte belastingcapaciteit; De begrotingsruimte. Omdat we niet voor alle risico’s eenzelfde methodiek van risico-inventarisatie hanteren, is er geen overzicht te geven van de belangrijkste risico’s. Voor de bouwgrond en het sociaal domein is ervoor gekozen om een andere systematiek te hanteren waardoor het niet mogelijk is om op totaal niveau de risico’s met elkaar te vergelijken en/of te waarderen. Onbenutte belastingcapaciteit Als minimumbedrag voor een maatschappelijk aanvaardbare hoogte van de onroerendezaakbelastingen, afvalstoffenheffing en rioolrechten wordt het zogenaamde redelijk peil gehanteerd. Gemeenten moeten een bepaald redelijk peil hebben om in aanmerking te komen voor een aanvullende uitkering op basis van artikel 12 FvW (Financiële verhoudingswet). Het bedrag dat de gemeente minder dan het redelijk peil ontvangt aan belastingopbrengsten, wordt aangemerkt als onbenutte belastingcapaciteit.
Weerstandscapaciteit Op basis van de geïdentificeerde risico’s op de peildatum van de begroting 2024 betekent dit voor de overige risico’s (exclusief bouwgrond en sociaal domein) een norm weerstandsvermogen van minimaal € 9.869.000. Met een positief verschil, de vrije ruimte, van € 4.786.000 voldoet de gemeente Goes op dit moment aan deze norm. De begrote weerstandscapaciteit is daarmee voldoende om als dekking te kunnen fungeren voor de geïdentificeerde risico’s. Naast de bovenstaande risico’s kennen we nog risico’s in de bouwgrondexploitaties en in het sociaal domein. Voor deze risico’s bestaan aparte risicoreserves en wordt de benodigde weerstandscapaciteit op een andere manier bepaald. Dit betekent dat de risico’s én de reserves geen onderdeel uitmaken van de bovenstaande beoordeling van de vrije ruimte binnen de weerstandscapaciteit.
69 Norm weerstandscapaciteit Zoals aangegeven hanteren we een structureel systeem van risicomanagement. Hiermee inventariseren we periodiek de risico’s van de organisatie. Met de risicomethodiek beoordelen we de risico’s op uniforme en objectieve wijze en schatten we de kans en het gevolg van een risico in. Voor begroting 2024 is de inventarisatie herijkt. We zien ongeveer 72 risico’s voor onze organisatie (exclusief risico’s bouwgrond). Op basis van de hierboven toegelichte risicomethodiek en de verder in deze paragraaf toegelicht norm weerstandscapaciteit voor de bouwgrond en het sociaal domein betekent dit dat we uitgaan van € 24.541.000 als norm voor de weerstandscapaciteit.
Opbouw norm weerstandscapaciteit
Bedragen x € 1.000
Norm sociaal domein (minimum) Norm bouwgrondreserve (exclusief claims) Norm overige risico's Totaal norm weerstandscapaciteit
5.994 8.362 9.869 24.226
De norm voor weerstandscapaciteit voor de overige risico’s, kent de volgende opbouw:
Verdeling norm weerstandscapaciteit programma's en bijzondere onderdelen Programma Bestuur en Financiën *) Programma Ruimte en Economie **) Programma Onderwijs, Sport en Cultuur Programma Sociaal Domein Programma Milieu Programma overschrijdend Verbonden partijen ***) Projecten Totaal norm weerstandscapaciteit *) Inclusief risico's garant en borgstellingen **) Exclusief norm/risico's bouwgrondexploitaties ***) Gelijk aan de begroting 2024 van verbonden partijen.
Bedragen x € 1.000 3.958 233 1.397 n.v.t. 699 582 2.925 75 9.869
Norm weerstandscapaciteit sociaal domein Voor de risico's van het sociaal domein is een aparte risicoreserve gevormd. Daardoor maken de risico’s van het sociaal domein geen onderdeel meer uit van de inventarisatie van de risico's als onderdeel van het risicomanagement. Voor de reserve sociaal domein wordt een afdekkingspercentage van 7,5% gehanteerd. De voeding van de reserve sociaal domein komt uit de overschotten in de exploitatie van het sociaal domein, totdat het maximum is bereikt. De onttrekking aan de reserve komt uit de tekorten in de exploitatie van het sociaal domein, totdat het minimum is bereikt. Als de reserve onder het minimum komt, wordt deze aangevuld vanuit de algemene reserve.
Berekening norm weerstandscapaciteit sociaal domein Programma sociaal domein Correctie kosten vluchtelinge opvang Oekraine Programma sociaal domein na correctie Afdekkingspercentage 7,5% Omvang reserve sociaal domein (minimaal factor 1 , maximaal factor 2,5) Reserve sociaal domein 31 december 2024 Aanvulling vanuit algemene reserve Reserve sociaal domein 31 december 2024 - beschikbaar
(bedragen x 1.000) Minimaal Maximaal 84.135 4.209 79.926 5.994
14.986 7.321 n.v.t. 7.321
70 Norm weerstandscapaciteit bouwgrond De risico's van de bouwgrond maken geen onderdeel uit van de risico-inventarisatie die uitgevoerd wordt om de norm van het weerstandsvermogen te bepalen. Daar staat tegenover dat ook de reserve bouwgrond niet wordt meegenomen in het bepalen van de weerstandscapaciteit. De risico's van de bouwgrond worden op een andere wijze bepaald. De risico's en het weerstandsvermogen van de bouwgrond worden beschreven in de Meerjaren Prognose Grondexploitaites begroting 2024 van het grondbedrijf. Deze wordt in december 2023 in uw raad behandeld. De reserve bouwgrond wordt voor begroting 2024 begroot op € 10.075.000. Op deze reserve ligt voor de bovenwijkse infrastructuur van bedrijvenpark Deltaweg een claim van € 1.713.000. Daarmee komt de vrije ruimte voor de bouwgrondrisico’s uit op € 8.362.000. Zoals de risico’s van de bouwgrond geen onderdeel uitmaken van de risicoinventarisatie maakt ook de reserve bouwgrond geen deel uit van het weerstandsvermogen. Overzicht weerstandscapaciteit overige risico’s
Berekening weerstandscapaciteit overige risico's Jaarlijkse exploitatie Onbenutte belastingcapaciteit in 2022: Belastingen en heffingen Totale onbenutte belastingcapaciteit
(bedragen x 1.000)
1.022 1.022
Resultaat 2023 Resultaat jaarrekening 2023 Weerstandscapaciteit exploitatie
P.M. 1.022
Vermogenssfeer (na verwerking claims) Beschikbare algemene reserve - minus claims algemene reserve
22.786 -13.225
Beschikbare bestemmingsreserve majeure projecten - minus claims reserve majeure projecten
6.640 -3.770
Beschikbare bestemmingsreserves - minus claims bestemmingsreserve
1.202 0
9.561
2.870
Stille reserves Weerstandscapaciteit vermogen
1.202 p.m. 13.633
Totaal weerstandscapaciteit overige risico's
14.655
Norm weerstandsvermogen overige risico's: Op basis van risico inventarisatie geldt een norm van
9.869
Vrije ruimte t.o.v. de norm
4.786
De stand van de reserves is gebaseerd op de stand van de meerjarenbegroting, 31 december 2027 Kengetallen Het Besluit begroting en verantwoording (BBV) verplicht het opnemen van financiële kengetallen in de begroting en jaarrekening. De kengetallen moeten zicht geven op de financiële positie van de gemeente en de mogelijkheid bieden om gemeenten onderling te vergelijken.
71
1a. Netto schuldquote 180% 160% 140% 120% 100% 80% 60% 40% 20% 0%
85%
91%
103%
111%
114%
70%
180% 160% 140% 120% 100% 80% 60% 40% 20% 0%
1b. Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen
79%
86%
97%
105%
108%
64%
R‐2022 B‐2023 B‐2024 B‐2025 B‐2026 B‐2027
R‐2022 B‐2023 B‐2024 B‐2025 B‐2026 B‐2027
Minst risicovol
Minst risicovol
Neutraal
Meest risicovol
1a. Netto schuldquote Dit cijfer geeft inzicht in het niveau van de gemeentelijke schuldenlast ten opzichte van de eigen middelen. Het geeft dus een indicatie van de mate waarin de rentelasten en de aflossingen op de exploitatie drukken. Een laag percentage is gunstig. De VNG adviseert om 130% als maximum norm te hanteren en daarboven de schuld af te bouwen.
Neutraal
Meest risicovol
1b. Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen Omdat bij leningen onzekerheid kan bestaan of ze allemaal worden terugbetaald, wordt dit kengetal zowel berekend inclusief als exclusief de doorgeleende gelden. Zo wordt duidelijk wat het aandeel van de verstrekte leningen in de exploitatie is en wat dit betekent voor de schuldenlast. Hoe lager deze percentages, hoe beter.
72
2. Solvabiliteitsratio
3. Grondexploitatie
80%
70%
70%
60%
60%
50%
50%
40%
40%
30%
30% 20%
20% 30%
26%
25%
10%
23%
10% 21%
19%
0%
‐10% R‐2022 B‐2023 B‐2024 B‐2025 B‐2026 B‐2027 Meest risicovol
Neutraal
8%
9%
10%
11%
11%
0% 0%
R‐2022 B‐2023 B‐2024 B‐2025 B‐2026 B‐2027
Minst risicovol
Minst risicovol
Neutraal
Meest risicovol
2. Solvabiliteit Dit cijfer drukt het eigen vermogen uit als percentage van het totale vermogen en geeft daarmee inzicht in de mate waarin de gemeente in staat is aan haar financiële verplichtingen te voldoen. Hoe hoger dit percentage, hoe gunstiger dit is voor de financiële weerbaarheid van de gemeente. Dit cijfer geeft dus een soort toekomstvisie weer.
3. Grondexploitatie Dit cijfer geeft aan hoe groot de grondpositie (de waarde van de grond) is ten opzichte van de totale (geraamde) baten. De boekwaarde van de voorraden grond moet worden terugverdiend bij de verkoop. Kenmerkend voor grondexploitaties is dat de looptijd meerdere jaren is. Naarmate de inkomsten verder in de toekomst liggen, brengt dit meer rentekosten en risico’s met zich mee. Een grondexploitatie van 10% of hoger wordt beschouwd als kwetsbaar.
4. Structurele exploitatieruimte
5. Gemeentelijke belastingcapaciteit
5,0% 4,0% 3,0% 2,0% 1,0% 0,0% ‐1,0% ‐2,0% ‐3,0% ‐4,0% ‐5,0%
140% 120% 3,1%
100% 0,2%
1,0%
2,1%
80%
98%
100%
100%
100%
100%
100%
60%
‐2,1% ‐3,3%
40% 20% 0%
R‐2022 B‐2023 B‐2024 B‐2025 B‐2026 B‐2027
R‐2022 B‐2023 B‐2024 B‐2025 B‐2026 B‐2027
Meest risicovol
Minst risicovol
Neutraal
Minst risicovol
4. Structurele exploitatieruimte Dit cijfer helpt mee om te beoordelen welke structurele ruimte een gemeente heeft om de eigen lasten te dragen, of welke structurele stijging van de baten of structurele daling van de lasten daarvoor nodig is. Wanneer dit cijfer negatief is, betekent het dat het structurele deel van de begroting onvoldoende ruimte biedt om de lasten te blijven dragen.
Neutraal
Meest risicovol
5. Gemeentelijke belastingcapaciteit Dit cijfer geeft inzicht in hoe de belastingdruk in de gemeente zich verhoudt ten opzichte van het landelijk gemiddelde. Als dit percentage laag ligt, betekent het dat de gemeente meer inkomsten uit belastingen zou kunnen verwerven. Of dit wel of niet gebeurt is een beleidskeuze.
73 Beoordeling kengetallen In de tabel kengetallen van begroting 2024 zien we stijging van het kengetal netto schuldquote naar 91% in 2024 tot 114% in 2027. De stijging is het gevolg van de investeringen zoals die in de nu voorliggende begroting zijn opgenomen. De wijze van berekenen van de netto schuldquote van 91% voor begroting 2024 sluit aan bij de berekening van de VNG stresstest. Wij zitten met een netto schuldquote van 91% in 2024 in de door de VNG bepaalde “groene zone” maar stijgen erna naar de “oranje zone”. Hierbij geeft de VNG het advies om de schuldenlast niet verder te laten stijgen. De schuldquote speelt geen directe rol voor de toezichthouder. De solvabiliteitsratio geeft inzicht in de mate waarin we in staat zijn om aan onze verplichtingen te voldoen. We kunnen in hoofdlijn stellen dat hoe hoger de solvabiliteitsratio, hoe groter de financiële weerbaarheid van onze gemeenten. De solvabiliteitsratio wordt op basis van de cijfers van begroting 2024 geraamd op 25%. Dit gaat op basis van de huidige ramingen dalen naar 19%. We gaan daarmee door de ondergrens van 20% zoals de VNG die voor de solvabiliteit van gemeenten formuleert. De belastingcapaciteit laat met een waarde van 100% in begroting 2024 en in de meerjarenbegroting zien dat we verwachten op het landelijke gemiddelde zitten met onze tarieven.
Het betreft hier de tarieven OZB, rioolheffing en afvalstoffenheffing. Het kengetal structurele exploitatie ruimte geeft aan of we na eliminatie van de incidentele baten en lasten ook nog een sluitende begroting hebben. Hiervoor moet dit kengetal een positieve waarde hebben. Het kengetal in de bovenstaande tabel laat zien dat dit in 2024 en 2025 het geval is. Wel geven de jaarschijven 2026 (-2,1%) en 2027 (-3,3%) aan dat we geen structureel sluitende begroting op kunnen stellen voor de latere jaren. We kunnen concluderen dat op basis van de kengetallen van begroting 2024 dat we een ander profiel krijgen dan we in de afgelopen jaren hebben gepresenteerd. Wanneer we de kengetallen in samenhang bezien, zien we dat we in de eerste twee jaarschijven financieel een acceptabel risicoprofiel hebben. De laatste twee jaarschijven, 2026 en 2027 geven aan dat we geen sluitende meerjarenraming hebben.
74
Paragraaf Onderhoud kapitaalgoederen Algemeen De gemeente is de beheerder van de openbare ruimte. De openbare ruimte is van en voor iedereen. Door het open karakter vinden in deze ruimte veel van de dagelijkse activiteiten plaats zoals wonen, werken en recreëren. De inrichting bestaat in hoofdzaak uit kapitaalgoederen in de vorm van wegen, riolering, groen, speelvoorzieningen, verlichting en (openbare) gebouwen. De kwaliteit van de kapitaalgoederen en de staat van onderhoud waarin zij verkeren is bepalend voor het voorzieningenniveau en voor de jaarlijkse lasten. Onderhoud via voorzieningen Bijna alle nieuwe aanleg van infrastructuur (wegen, water, riolering, groen en openbare verlichting) wordt gerealiseerd (en gedekt) door de bouwgrondexploitatie. Dat betekent dat het realiseren van die kapitaalgoederen ineens wordt afgeschreven uit de opbrengst van de verkoop van bouwrijpe grond en (dus) niet op de balans voorkomt. Grootonderhoud wordt niet geactiveerd. Deze kosten zijn onderhevig aan jaarlijkse fluctuaties, maar met de gevormde voorzieningen realiseren we begrotingstechnisch een kostenegalisatie. Dit betekent dat jaarlijks voor de verschillende kapitaalgoederen een reëel, gelijk bedrag voor onderhoud in de begroting wordt opgenomen (wet BBV). De werkelijke uitgaven voor groot onderhoud worden ten laste van die voorzieningen gebracht.
Door deze systematiek komen in de gemeentebegroting geen pieken en dalen voor, en worden de pieken in de jaarlijkse onderhoudsuitgaven opgevangen binnen de voorziening. Voor elke voorziening moet de gemeente beschikken over een beheerprogramma waarin de gewenste kwaliteit tot uitdrukking is gebracht en waarin al het cyclische onderhoud wordt gepland en financieel vertaald. Door de gegevens zowel voor- als nacalculatorisch bij te houden, ontstaat continue een actueel beeld van de gang van zaken en kunnen de effecten in de prognoses van de onderhoudsvoorzieningen en zo nodig in de jaarlijkse genormeerde storting worden vertaald. De voorzieningen hebben ieder jaar een tenminste neutrale stand. Er wordt geen rente, maar wel indexatie aan de voorzieningen toegevoegd. In artikel 44 van het Besluit Begroting en Verantwoording gemeenten en provincies (BBV) is geregeld in welke gevallen een voorziening wordt gevormd. Daaruit vloeit voort dat het vormen van een voorziening of een dotatie aan een al bestaande voorziening, als een last in het betreffende begrotingsjaar moet worden beschouwd. De aanwending van een gedeelte van een voorziening wordt rechtstreeks ten laste van de voorziening geboekt. In de financiële begroting is een overzicht opgenomen van de verwachte stand en het verloop van de verschillende voorzieningen.
De uitgaven voor regulier onderhoud van de openbare ruimte worden rechtstreeks in de exploitatie verantwoord (zie eind van deze paragraaf). Voor de diverse beheerplannen geldt het volgende schema: Financiële vertaling in begroting
Achterstallig onderhoud
Onbepaald
Ja
Nee
2024
Ja
Nee
Ja, 2020
2024
Ja
Nee
Ja, 2022
2026
Ja
Ja*1
Civieltechnische kunstwerken
Ja, 2019
2024
Ja
Nee
Groen
Ja, 2020
2025
Ja
Ja*2
Ja, 2024 Nee (er is wel een werkdocument)
2028
Ja
Nee
Ja
Nee
Beheerplannen
Door de raad vastgesteld d.d.
Looptijd t/m
Integraal Beheer Goes (IBORG)
Ja, 2005
Wegen
Ja, 2019
Havens, sluis en bruggen Riolering
Gebouwen Openbare verlichting
*1: Dit wordt planmatig weggewerkt cf. vastgestelde beheerplan *2: Dit is in het nieuwe groenbeheerplan opgenomen en wordt in de komende planperiode weggewerkt.
75
Toelichting op de voorzieningen Algemeen In 2022 zijn grote prijsstijgingen geconstateerd. Onderhoudskosten van de openbare ruimte stijgen hierdoor. In de begroting van 2023 zijn de prijsstijgingen bijgeraamd, areaalgegevens geactualiseerd en doorberekend in de begrote onderhoudsuitgaven. Voorziening onderhoud gemeentelijke gebouwen Ten laste van deze voorziening worden uitgaven gedaan voor het grootonderhoud aan de gemeentelijke panden. De jaarlijkse voeding is gebaseerd op het totale onderhoudsplan voor alle gemeentelijke gebouwen. In het Meerjarig Onderhoudsplan’ (MJOP) zijn zowel onderhoud als grote renovaties en vervangingen geraamd. Voor grote investeringen, renovaties en opwaardering zal specifiek geld worden aangevraagd aan de hand van een investeringsplanning die jaarlijks bij de begroting wordt aangeboden. Alle gemeentelijke panden en objecten die vallen binnen de voorziening onderhoud zijn opgenomen, geactualiseerd en verwerkt. Alle beheerinformatie is verwerkt in beheerprogramma Wish. Hieruit kan vlot inzicht worden verkregen in de onderhoudstoestand van het gemeentelijk vastgoed. Het gebouwenonderhoudsplan kijkt 20 jaar vooruit met een jaarlijkse monitoring en om de 5 jaar een bijstelling. In 2023 is een nieuw beheerplan onderhoud gebouwen aangeboden voor besluitvorming wat integraal is afgestemd op de verduurzaamheidsambities van de gemeente.