CConstaterende datGoes
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendapunt 07a. Programmajaarrekening 2023 11062024

Besluitvormende raad 4 juli 2024, gemeente GoesBij agendapunt: A. Jaarrekening 202341.278 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Vergunningen

Bijdrage aan doelstelling programma

Verwerken/recyclen afvalstromen, in stand houden HD 3. Restafval van milieustraat en onderzoek circulair ambachtscentrum, samenwerken onderzoeken ten behoeve van beleidsdoelstellingen. * Voor meer informatie over de genoemde verbonden partijen wordt verwezen naar de paragraaf verbonden partijen.

Relevante beleidsdocumenten: Beleidsnota Regionale Energiestrategie (2.0) Klimaatprogramma 2024-2029 Elektrische openbare laadinfrastructuur Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2022-2026

Vastgestel d door Raad Raad Raad Raad

Vaststellingsdatu m Verwacht 2024 Verwacht 2024 Verwacht 2024 06-10-2022

46 Beleidsnota

Vastgestel d door Raad Raad Raad Raad Raad Raad B&W B&W Raad B&W B&W

Transitievisie Warmte Goes Regionale Structuur Warmte Regionale Energiestrategie (1.0) Verordening aansluitrecht gemeentelijke riolering Afvalstoffenverordening 2019 Klimaatprogramma 2019-2022 Regeling medisch afval Verordening interferentiegebieden bodemenergiesystemen 2016 Afvalbeleidsplan gemeente Goes “Van Afval naar Grondstof” Waterbergingsfonds Gemeente Goes Zeeuws Energie Akkoord

Vaststellingsdatu m 09-06-2022 09-06-2022 18-06-2020 20-12-2018 20-12-2018 20-12-2018 22-11-2018 10-07-2018 06-07-2017 21-02-2017 01-02-2017

Indicatoren: Hernieuwbare elektriciteit (BBV) 70%

Omvang huishoudelijk restafval (BBV)

60%

Kilogram per inwoner

250

50% 40%

200

30% 20%

150

10%

100

171

160

50 0

2019

2020 Goes

Zeeland

2021

0%

134

6,1% 2018

10,0%

2019 Goes

14,6%

16,5%

2020

2021

Zeeland

Nederland

Type indicator: BBV Bron: Het percentage duurzaamopgewekte energie binnen de gemeente grenzen in Info: Het percentage duurzaamopgewekte energie binnen de gemeente grenzen in verhouding met het totaal verbruikte energie binnen de gemeente grenzen. Er wordt hier gewerkt met een mediaan, 50% van de gemeenten zitten boven deze waarde en 50% van de gemeenten zitten hier onder. De reden om niet met een gemiddelde te werken is dat er een kleine groep gemeenten is met zéér grote 'uitschieters' naar boven. Hierdoor wordt een gemiddelde zeer sterk beïnvloed en geeft dit een vertekend beeld.

2022

Nederland

Type indicator: BBV Bron: CBS Info: Niet gescheiden ingezameld huishoudelijk afval.

Wat heeft het gekost? Programma 5 - Milieu

Bedragen x € 1.000,Lasten Begroot

Baten

Werkelijk

Verschil

Begroot

Werkelijk

Verschil

7.2 Riolering

4.723

4.699

24

5.536

5.728

7.3 Afval

4.387

4.283

103

5.339

5.328

-11

7.4 Milieubeheer

3.670

3.033

637

799

594

-205

7.5 Begraafplaatsen en crematoria

463

508

-46

475

465

-10

13.243

12.524

719

12.148

12.115

-34

Afwijking t.o.v. actuele begroting

685 Stortingen Begroot

Mutaties reserves

192

40

Onttrekkingen

Werkelijk

Verschil 40

Begroot 0

1.409

Werkelijk 1.276

Verschil -133 -133

Resultaat

552

47

Overzicht algemene dekkingsmiddelen Algem ene dekkingsm iddelen

Bedragen x € 1.000,Lasten Begroot

Baten

Werkelijk

Verschil

Begroot

Werkelijk

Verschil

0.5 Treasury

124

368

-244

4.502

4.731

229

0.61 OZB w oningen

774

826

-52

6.512

6.675

162

0.62 OZB niet-w oningen

0

0

0

5.171

5.300

128

0.63 Parkeerbelasting

0

0

0

4.216

4.105

-111

0.64 Belastingen overig

9

9

0

439

397

-42

0.7 Algemene uitkeringen en overige uitkeringen gem

0

0

0

90.945

94.081

3.136

3.4 Economische promotie

Resultaat

0

0

0

432

513

81

908

1.204

-296

112.218

115.802

3.584 3.289

48

Overzicht overhead Bedragen x € 1.000,-

Overhead

Baten

Lasten Begroot 0.4 Overhead

Resultaat

Werkelijk

Verschil

Begroot

Werkelijk

Verschil

16.281

16.583

-302

1.569

2.154

584

16.281

16.583

-302

1.569

2.154

584 282

49

Overzicht Vennootschapsbelasting Vennootschapsbelasting

Bedragen x € 1.000,Lasten Begroot

0.9 Vennootschapsbelasting (VpB)

Resultaat

Werkelijk

Baten Verschil

Begroot

Werkelijk

Verschil

100

826

-726

0

0

0

100

826

-726

0

0

0 -726

50

3. Paragrafen

www.goes.nl

52

53

Paragraaf Lokale heffingen Inleiding Op grond van artikel 10 van het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV), geven we inzicht in: Het beleid ten aanzien van de lokale heffingen De realisatie opbrengst belastingen en heffingen Een overzicht op hoofdlijnen van de diverse heffingen Een aanduiding van de lokale lastendruk Een beschrijving van het kwijtscheldingsbeleid Op grond van artikel 26 van het BBV bevat de jaarrekening een paragraaf lokale heffingen met de verantwoording van wat in de begroting 2023 is opgenomen. De lokale heffingen zijn, naast onder andere het gemeentefonds van het Rijk voor gemeente Goes, een belangrijke bron van inkomsten. De lokale heffingen zijn een 13-tal verschillende belastingen en heffingen welke via verordeningen door de gemeenteraad jaarlijks worden vastgesteld. Beleid lokale heffingen In de begroting is het beleidsuitgangspunt voor de lokale heffingen van gemeente Goes voor 2023 bepaald. In de begroting is een stijging met een indexatie van 4,8% opgenomen. Wanneer er op basis van beleidskeuzes van de jaarlijkse indexering wordt afgeweken, lichten we dit toe in deze paragraaf. Naast de indexering hanteren we het uitgangspunt van kostendekkende afvalstoffenheffing, rioolheffing en rioolrechten. In de begroting 2023 is dit voor de volgende heffingen als volgt verwerkt: Heffingen/rec hten

Begro te k o s tendek k enheid

Afvalstoffenheffing Rioolrechten Lijkbezorgingsrechten

97% 95% 94%

In deze paragraaf laten we de realisatie zien van de verschillende belastingen, heffingen en rechten. Waar op basis van eerdere beleidskeuzes hiervan is afgeweken, lichten we dit toe in deze paragraaf. Het effect van de beleidsuitgangspunten wordt in deze paragraaf indicatief weergegeven in een vergelijk met de lokale lasten van andere gemeenten in de regio. Opbrengstrealisatie belastingen en heffingen In onderstaande tabel zijn de initiële begroting, gewijzigde ramingen en de realisatiecijfers van het jaar 2023 weergegeven. De ramingen uit de initiële begroting zijn in de bestuursrapportage 2023 of op andere momenten met een separate begrotingswijziging aangepast.

Gemeentelijke belasting Primaire begroting Afvalstoffenheffing huishoudelijk Binnenhavengeld Forensenbelasting Leges Lijkbezorgingrechten Marktgeld Onroerende zaakbelasting Parkeerbelasting Precariobelasting Reclamebelasting Rioolheffing Toeristenbelasting To taal

4.711 81 109 2.391 475 78 12.309 4.216 16 404 5.494 323 30.606

(Bedragen x € 1.000) Wijzigingen Begroting Realisatie 2023 2023 2023 0 0 0 111 0 -15 -625 0 0 0 0 0 -529

4.711 81 109 2.502 475 63 11.684 4.216 16 404 5.494 323 30.077

4.593 56 150 2.352 465 56 11.919 4.105 14 378 5.670 363 30.121

Afwijking 2023 -118 -25 41 -150 -10 -7 236 -111 -2 -26 177 40 44

54

Toelichting op verantwoording lokale heffingen 2023 Afvalstoffenheffing De basis voor de afvalstoffenheffing ligt in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. Met de afvalstoffenheffing in deze paragraaf lokale heffingen geven we inzicht in de huishoudelijke afvalstoffenheffing. Uitgangspunt bij de begroting is een kostendekkende heffing. Wettelijk is bepaald dat voor de huishoudelijke afvalstoffenheffing de totale belastingopbrengst niet de totale lasten mag overschrijden, dus de heffing is maximaal kostendekkend. Het bedrijfsmatige afval is geen publiekrechtelijke taak en die opbrengst maakt geen onderdeel uit van de bovenstaande tabel. De opbrengsten van de inzameling van bedrijfsmatige afval zijn in 2023 ongeveer € 130.000 en zijn geen onderdeel van de opbrengsten huishoudelijk afvalstoffenheffing van ongeveer € 4.593.000. In onderstaande tabel wordt van het taakveld afvalstoffenheffing, de kosten en opbrengsten van het onderdeel huishoudelijke afvalstoffen weergeven. De bedrijfsafvalstoffen worden hier buiten gehouden. Uitgangspunt van de begroting 2023 was een kostendekkendheid van 97%. De kosten 2023 van het taakveld zijn iets lager uitgevallen dan de begrote kosten. Dit zien we vooral terug in de kosten van OLAZ. Ook de opbrengsten binnen het taakveld zijn toegenomen, en daarmee hoger dan begroot.

Daar staat een iets lager opbrengst van de huishoudelijke afvalstoffenheffing tegenover. Per saldo leidt dit tot een hogere kostendekkendheid dan begroot. Afva l sto ffe n h e ffi n g 2 0 2 3 Ko ste n d e kke n d h e i d Kosten taakvelden afvalstoffenheffing Opbrengsten taakvelden afvalstoffenheffing

Bedragen

4.214 -605

Toe te rekenen kosten: - overhead - btw Totale kosten afvalstoffenheffing

773 162 4.544

Opbrengst afvalstoffenheffing

4.593

D e kki n g sp e rce n ta g e a fva l sto ffe n h e ffi n g

101%

De realisatie 2023 laat een kostendekkendheid zien van 101%. Uitgangspunt is een kostendekkendheid van maximaal 100%. De beoordeling van de maximale kostendekkendheid wordt gedaan op basis van de begrotingscijfers. Het dekkingspercentage van deze jaarrekening van meer dan 100% heeft geen effect op deze beoordeling. Wel wordt de realisatie gebruikt om in de nieuwe begroting kritisch te kijken naar de geraamde kosten en opbrengsten. Forensenbelasting De opbrengst 2023 ontwikkelt zich in lijn met de opbrengst van 2022. In 2023 is de begroting is de hogere realisatie 2022 nog niet vertaald in de begroting 2023. De stijging die we in 2022 zagen, zien we ook in 2023 terug. Het grootste deel van deze stijging zagen we in de kern van Goes. We verwachten dat deze hogere opbrengsten zich ook in de komende jaren gaan laten zien. Leges De opbrengsten leges laten een lagere opbrengst zien dan begroot van € 150.000. De belangrijkste minder opbrengsten zien we bij de omgevingsvergunningen. In het jaar 2022 zagen we dat de opbrengsten van de omgevingsvergunningen hoger uitvielen dan begroot. Dit maakte dat we in begroting 2023 zijn uitgegaan van het niveau van de realisatie 2023. De realisatie van 2023 blijft ongeveer € 206.000 achter bij de begroting. Binnen de opbrengsten leges algemene dienstverlening zijn de opbrengsten van uittreksels en verklaringen fors hoger.

Dit is gevolg van het verstrekken van extra verklaringen en uittreksels voor vluchtelingen. Daar staat tegenover dat we voor de registratie niet ingezetene de afgelopen jaren een centrumfunctie voor de regio hebben gehad. In 2023 is dit afgebouwd en zien we minder werkzaamheden en opbrengsten voor deze taak. Lijkbezorgingsrechten In de initiële begroting 2023 was uitgegaan van een kostendekkende heffing lijkbezorgingsrechten van 94%. Door hogere kosten van het taakveld en de iets lagere opbrengsten van de lijkbezorgingsrechten komt de kostendekkendheid

55 in 2023 uit op 86% In onderstaande tabel worden de kosten en opbrengsten van de lijkbezorgingsrechten vergeleken en uitgedrukt in een dekkingspercentage. Lijk bez o rgings rec hten 2023 Ko s tendek k endheid

B e d ra g e n

Kosten taakvelden lijkbezorgingsrechten Opbrengsten taakvelden lijkbezorgingsrechten

508 0

Toe te rekenen kosten: - overhead - btw Totale kosten lijkbezorgingsrechten

30 n.v.t. 538

Opbrengst lijkbezorgingsrechten

465

Dek k ings perc entage lijk bez o rgings -rec hten

86%

Onroerendezaakbelasting De realisatie van de opbrengst onroerendezaakbelasting (OZB) voor woningen en niet-woningen laat zien dat er € 236.000 meer is binnengekomen dan begroot. Dit is een afwijking van 1,9% van de begroting 2023. Op basis van de laatste informatie over de ontwikkeling van de WOZ-waarden, hebben we voor de tarieven onroerendezaakbelasting woningen begin 2023 een bijstelling naar beneden doorgevoerd. Hiermee sloot de WOZwaardeontwikkeling van Waarderingskamer aan bij de waardeontwikkeling zoals we die in de tariefstelling hebben gebruikt. Voor niet-woningen is dit gecorrigeerd in de tariefstelling 2024. Maar voor de realisatie 2023 betekent dit een hogere opbrengst onroerendezaakbelasting die we in 2024 gaan corrigeren. De overige afwijking bestaat uit het accres woningen/niet-woningen (verbouw en bouw) die hoger ligt dan waarvan was uitgegaan. Parkeerbelasting In 2023 blijven de parkeeropbrengsten ongeveer € 111.000 achter bij de begroting. Dit is een afwijking van ongeveer 2,6% van de begroting. Waar we een stijging zien van de opbrengsten van de parkeergarage Centrum van € 107.000, zien we minder opbrengsten bij het straat parkeren van € 218.000. Bij straat parkeren zagen we in de jaren 2021 en begin 2022 lagere opbrengsten als gevolg van de coronamaatregelen.

Voor 2023 zijn de opbrengsten weer normaal geraamd, zonder rekening te houden met de lagere opbrengst vanuit de coronajaren. De realisatie laat zien dat dit in 2023 nog niet volledig gehaald wordt. Rioolrecht Uitgangspunt voor het rioolrecht is dat de kosten van het taakveld, niet meer dan 100% kostendekkend mogen zijn. Op basis van die berekening is bij de begroting uitgegaan van een kostendekkendheid van 95%. We zien dat realisatie van de opbrengst van het rioolrecht ongeveer € 176.000 hoger uitvallen dan begroot. Omdat de maatstaf voor de rioolheffing de WOZ-waarde is, hebben we begin 2023 een correctie in de tarieven rioolheffing woningen doorgevoerd. Dit is vergelijkbaar aan de onroerendezaakbelasting en sluit daarmee aan, aan de WOZwaardeontwikkeling zoals de Waarderingskamer die hanteert. Voor de tarieven niet-woningen is een aanpassing in de tarieven van het jaar 2024 doorgevoerd. In 2023 leidt tot een hogere opbrengst die we in 2024 corrigeren. Na deze correctie in 2024 wordt ook voor niet-woningen weer aangesloten bij de WOZ-waardeontwikkeling zoals de Waarderingskamer die in 2023 heeft bepaald. Net als bij de onroerendezaakbelasting worden de opbrengsten ook beïnvloed door het accres van woningen/niet-woningen per de peildatum. De kostendekkendheid blijft met 95% gelijk aan die van de Programmabegroting 2023 (95%).

56 Rioolheffing Berekening kostendekkendheid Kosten taakvelden rioolheffing Toerekening kosten rioolheffing Opbrengsten taakveld rioolheffing

(Bedragen x € 1.000) 4.699 700 -58

Toe te rekenen kosten: - overhead - btw Totale kosten rioolheffing

554 609 6.505

Opbrengst rioolheffing

5.670

Dekkingspercentage rioolheffing

87%

Aanvullende dekking uit reserve

565

Dekkingspercentage rioolheffing na inzet reserve

95%

Toeristenbelasting Het herstel van de opbrengsten toeristenbelasting dat we in 2022 zagen na de coronacrisis, continueert zich in 2023. Omdat deze stijging groter was dan de € 323.000 waar we in de begroting van zijn uitgegaan, levert dit een meeropbrengst op van € 40.000 in 2023. In onderstaande tabel staan de opbrengsten toeristenbelasting van de afgelopen jaren weergegeven.

Jaar 2019 2020 2021 2022 2023

Bedrag € € € € €

297.000 201.000 211.000 271.000 363.000

Lokale lastendruk De lokale belastingdruk bestaat uit de onroerendezaakbelasting, afvalstoffenheffing en het rioolrecht. Voor het bepalen van de lokale lastendruk 2023 baseren we ons op de informatie van Coelo. In onderstaande tabel op basis van de berekening van Coelo is de ontwikkeling van de woonlasten van de afgelopen vijf jaar weergegeven. Coelo gaat uit van de tarieven zoals die in december 2022 zijn vastgesteld. De correctie die we als Goes begin februari 2023 in de tarieven OZB en rioolheffing woningen hebben doorgevoerd, neemt Coelo niet mee. In de onderstaande tabellen hebben we deze correctie wel verwerkt. In onderstaande tabel wordt de belastingdruk van gemeente Goes vergeleken met die van de dertien Zeeuwse gemeenten. Om dit objectief te kunnen weergeven, baseren we ons op de informatie die Coelo jaarlijks verzameld (bron: www.coelo.nl). De onderstaande tabellen geven de lokale lastendruk per standaard gezinshuishouden weer en de lastendruk voor eenpersoonshuishoudens.

57

In de onderstaande tabel wordt de lokale belastingdruk voor bedrijven weergegeven. Hoewel Coelo dit niet berekent, kunnen we op basis van de informatie van Coelo en de verordeningen van de verschillende gemeenten wel een vergelijk laten zien. Om de lasten tussen de verschillende gemeenten te kunnen bepalen, gaan we uit van een bedrijf met een WOZ-waarde van € 500.000 en een waterverbruik van 500m³. In de berekening wordt de onroerendezaakbelasting en het rioolrecht meegenomen. De afvalstoffenheffing is voor bedrijven, in tegenstelling tot woningen, geen publiekrechtelijke heffing en is dus niet meegenomen in onderstaande tabel.

Ge me e nte lijk e wo o nla s te n Ze e la nd

B e d rijv e n

Veere € Noord-Beveland € Reimerswaal € Hulst € Sluis € Kapelle € Goes € Borsele € Schouwen-Duiveland € Tholen € Terneuzen € Middelburg € Vlissingen €

1.582 1.611 2.327 2.494 2.773 2.888 2.989 3.062 3.163 3.164 3.317 3.723 4.479

Ge mid d e ld e Ze e la nd

2.890

€

Kwijtscheldingsbeleid De gemeente hanteert het uitgangspunt dat alle inwoners met een inkomen op 100% van de bijstandsnorm in aanmerking moeten kunnen komen voor kwijtschelding van de afvalstoffenheffing en het rioolrecht, tenzij sprake is van een vermogen dat groter is dan het wettelijke normbedrag. De uitvoering van het kwijtscheldingsbeleid wordt gedaan door Sabewa Zeeland.

58 In onderstaande tabel wordt de verleende kwijtschelding van 2023 en de voorgaande jaren weergegeven. Na de stijging die we zagen in 2018 tot en met 2020 zien we dat het bedrag zich in de laatste drie jaar stabiliseert en in 2023 licht toeneemt.

Jaar 2019 2020 2021 2022 2023

Bedrag € € € € €

197.000 242.000 247.000 247.000 263.000

59

Paragraaf Financiering Inleiding Het doel van deze paragraaf is de raad te informeren over het treasurybeleid en de beheersing van financierings risico’s over de jaarrekening 2023. De treasuryfunctie ondersteunt de uitvoering van de programma’s. Treasury is het besturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële geldstromen, de posities en de hieraan verbonden risico’s. Meer concreet gaat het om financiering van het beleid tegen zo gunstig mogelijke voorwaarden. Artikel 13 Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) legt vast welke informatie de financieringsparagraaf in ieder geval dient te bevatten. Conform de vereisten voortvloeiende uit de wet financiering decentrale overheden (wet Fido) is er door het college een treasurybesluit vastgesteld. Hierin is het wettelijk kader verder uitgewerkt. Renterisicobeheersing Renterisico’s worden beperkt door: • een actuele rentevisie te hanteren; • te toetsen aan de kasgeldlimiet, beheersingsinstrument korte schuld (1 < jaar); • te toetsen aan de renterisiconorm, beheersingsinstrument lange schuld (1 > jaar). Renteontwikkelingen De Europese Centrale Bank (ECB) heeft sinds de zomer van 2022 haar beleidsrente geleidelijk verhoogd tot 4% om de stijgende inflatie tegen te gaan.

Deze stapsgewijze aanpassing van de rente heeft als doel de prijsstabiliteit in de eurozone te verbeteren en toe te gaan naar de inflatiedoelstelling van rond de 2%. De beleidsrente, die fungeert als de rente die banken ontvangen voor geld dat ze bij de ECB aanhouden, heeft een directe invloed op de economie en de inflatie. Het beleid van de ECB heeft geleid tot een stijging van de rentetarieven op leningen. Hierdoor is de kredietverlening afgenomen, terwijl sparen aantrekkelijker is geworden. De hogere rentetarieven hebben de economische activiteit afgeremd, wat heeft gezorgd voor een daling van de inflatie. Hoewel de inflatie in 2023 nog steeds boven de doelstelling van 2% lag, is deze aanzienlijk afgenomen sinds de piek in het najaar van 2022. De ECB heeft ervoor gekozen om de beleidsrente sinds september vorig jaar op 4% te houden en niet verder te verhogen, ondanks het feit dat de inflatie nog niet op het gewenste niveau was. Deze keuze is gemaakt omdat de ECB verwacht deze beleidsrente voldoende is om de inflatie af te zwakken. Daarnaast maakt het verder verhogen van de beleidsrente de kans om in een recessie te komen groter. De ECB verwacht dat de inflatie in de loop van 2025 weer rond de 2% zal liggen. Wanneer de inflatie dichter bij de doelstelling komt, zal de noodzaak van verkrappend beleid afnemen.

Op basis van de laatste beleidsvergadering door de ECB in maart 2024 wordt de eerste renteverlaging in de zomer 2024 verwacht. In de onderstaande tabel is het verloop van de korte rente (referentierente: 3-maands Euribor) en de lange rente (referentierente: 10-jaars IRS) van 2023 weergegeven.

60

Het verloop van de rentes laat duidelijk het beleid van de ECB zien. In 2023 waren de rentestanden hoger dan in voorgaande jaren, maar bleef verloop van de lange rente in 2023 redelijk vlak. Wat opvalt in de grafiek is dat voor het overgrote deel van 2023 de korte rente hoger was dan de lange rente. Normaal gesproken is dit juist andersom. Dit komt omdat de korte rente meebeweegt de beleidsrente van de ECB die naar 4% is verhoogd. In het verleden is de omgekeerde verhouding tussen de korte -en lange rente ‘inverse yield curve’ een voorbode geweest voor een recessie. Voor de centrale bank is haar rentebeleid een balanceeroefening tussen het afkoelen van de inflatie maar het voorkomen van een recessie. Het tijdig bijsturen van de beleidsrente is dus van groot belang. Kasgeldlimiet Ter beperking van renterisico’s op de korte schuld dienen de gemeenten te voldoen aan de kasgeldlimiet. Dit betekent dat de korte schuld voor gemeenten maximaal 8,5% van het begrotingstotaal mag bedragen. De korte schuld bestaat uit de opgenomen gelden met een oorspronkelijke rente typische looptijd korter dan één jaar en de schuld in rekeningcourant en is bedoeld voor het financieren van lopende uitgaven. (Bedragen x € 1.000) Kasgeldlimiet en financieringstekort

1e kwartaal 2023

2e kwartaal 2023

3e kwartaal 2023

4e kwartaal 2023

187.069

187.069

187.069

187.069

Percentage

8,50%

8,50%

8,50%

8,50%

Kasgeldlimiet

15.901

15.901

15.901

15.901

3.543

4.357

-5.687

5.053

19.444

20.258

10.214

20.954

Totaal jaarbegroting

Gemiddelde netto vlottende schuld (-) of Gemiddeld overschot vlottende middelen (+) Ruimte (+) / overschrijding (-)

In geen van de kwartalen van 2023 is de kasgeldlimiet overschreden. Alleen in het 3e kwartaal was er een netto vlottende schuld in plaats van een overschot. Door het aantrekken van een kortlopende financiering in deze periode ontstond deze netto vlottende schuld. In het vierde kwartaal zijn er voor een aantal projecten subsidies ontvangen, waarmee de kortlopende schuld kon worden afgelost en de financieringsbehoefte mee is opgevangen. Renterisiconorm Met behulp van de renterisiconorm wordt bepaald welk renterisico de gemeente loopt op haar vaste schuld (leningen met een looptijd van langer dan één jaar). De renterisiconorm is bepaald op 20% van het begrotingstotaal. Dat wil zeggen dat de jaarlijks verplichte aflossingen en de renteherzieningen niet meer mogen bedragen dan 20% van het begrotingstotaal.

61 Hierbij is een minimumbedrag bepaald van € 2,5 miljoen. Het uitgangspunt van de renterisiconorm is het beheersen van de renterisico’s op langlopende schulden. Dit gebeurt door het aanbrengen van spreiding in de looptijden van de leningen. Hiermee wordt voorkomen dat een groot deel van de lening portefeuille gelijktijdig moet worden her gefinancierd, met het risico van snel oplopende rentelasten. In onderstaande tabel wordt de renterisiconorm voor de afgelopen jaren weergegeven. Renterisiconorm 1

Renteherzieningen *

2

(Bedragen x € 1.000) 2023

2022

2021

0

0

0

Aflossingen

9.622

8.967

8.550

3

Renterisico (1 + 2)

9.622

8.967

8.550

4a

Begrotingstotaal

187.069

179.777

168.264

4b

Percentage regeling

20%

20%

20%

4

Renterisiconorm (4a x 4b)

37.414

35.955

33.653

5a

Ruimte onder renterisiconorm (4 > 3)

27.792

26.988

25.103

5b

Overschrijding renterisiconorm (3 > 4)

*

In geval van een roll-over lening

In 2023 is de renterisiconorm niet overschreden. Bij het aangaan van nieuwe geldleningen wordt het rentepercentage voor de hele looptijd vastgezet. Dit heeft als gevolg dat er gedurende het jaar geen renteherzieningen hoeven plaats te vinden, waardoor het renterisico zo goed als mogelijk wordt beperkt. Net zoals voorgaande jaren, zijn er in 2023 ook geen renteherzieningen geweest. Aflossingen vormen hierdoor de enige component van het renterisico. Met een renterisico van ongeveer 9,6 miljoen en een norm van 37,4 miljoen overschrijden we in 2023 de renterisiconorm ruimschoots niet. Rente-omslag De betaalde rente wordt via een omslagstelsel toegerekend aan de kostendragers (producten). Dit heet de zogenaamde omslagrente. De omslagrente wordt berekend over alle producten. Dit percentage wordt met de in begroting opgenomen gegevens zo goed als mogelijk ingeschat en wordt toegerekend aan die investeringen welke lineair worden afgeschreven. Op basis van de realisatiecijfers wordt de omslagrente voor de jaarrekening berekend. De omslagrente waarmee gerekend is voor de jaarrekening 2023 bedraagt afgerond 1,4%. Door een hogere werkelijke rentelast wijkt de werkelijke omslagrente af van de omslagrente van 1,3% waarmee gerekend is bij de begroting 2023.

Financieringspositie De financieringspositie geeft inzicht in de ontwikkeling van de financieringsbehoefte, rekening houdend met de investeringen en beschikbare interne en externe middelen. De interne financiering vindt plaats in de vorm van de ten laste van de exploitatierekening gebrachte afschrijvingen en in de vorm van eigen vermogen (reserves). Voor de externe financiering wordt een beroep gedaan op de geld- en kapitaalmarkt. Als de kasgeldlimiet wordt overschreden, wordt een langlopende onderhandse lening aangegaan. De gemiddelde rente van de huidige Goese lening portefeuille bedraagt 2,53%. In de onderstaande tabel is het financieringsverloop van de afgelopen jaren weergegeven: (Bedragen x € 1.000)

2023

2022

2021

Stand per 1 januari

137.203

119.552

128.102

Nieuwe leningen begroot

12.884

7.696

9.346

Nieuwe leningen werkelijk

0

26.618

0

Rentepercentage begroot

3,00%

1,00%

1,00%

Rentepercentage werkelijk

0,00%

2,49%

0,00%

62 Aflossingen Stand per 31 december

-9.622

-8.967

-8.550

127.581

137.203

119.552

Ten opzichte van 2022 is de omvang van de leningportefeuille met ongeveer 10 miljoen afgenomen tot 127,6 miljoen eind 2023. In de begroting 2023 werd uitgegaan van het aantrekken van bijna 12,9 miljoen aan leningen. Werkelijk zijn er in 2023 geen langlopende leningen aangegaan. Tot het derde kwartaal van 2023 is de financieringsbehoefte opgevangen met de nog aanwezige liquiditeiten. Eind van het jaar is de behoefte opgevangen door vooruitontvangen middelen vanuit het Rijk, voor nog te realiseren projecten/investeringen. Renteschema In het wijzigingsbesluit BBV is opgenomen dat er inzicht wordt gegeven in de rentelasten, het renteresultaat en de wijze waarop rente aan investeringen, grondexploitaties en taakvelden wordt toegerekend. Tevens is het verplicht dat de rentekosten aan de desbetreffende taakvelden moet worden toegerekend met behulp van een (rente) omslagpercentage. Dit omdat de onderlinge vergelijking tussen gemeenten het uitgangspunt is vanuit BBV. Onderstaand het renteschema: Renteschema a.

De externe rentelasten over de korte en lange financiering

b.

De externe rentebaten (idem)

(Bedragen x € 1.000)

-/-

Saldo rentelasten en rentebaten c1.

De rente die aan de grondexploitatie moet worden doorberekend

c2.

De rente van projectfinanciering die aan het betreffende taakveld moet worden toegerekend

c3.

-/-

€

12

-/-

€

0

+

€

0

€

3.512

€

321

€

3.191

€

12

De rentebaat van doorverstrekte leningen indien daar een specifieke lening voor is aangetrokken (=projectfinanciering), die aan het betreffende taakveld moet worden toegerekend -/Aan taakvelden toe te rekenen externe rente

3.179

d1.

Rente over eigen vermogen

+

€

0

d2.

Rente over voorzieningen

+

€

0

€

3.179

€

3.213

€

-34

Totaal werkelijk aan taakvelden toe te rekenen rente e.

De aan taakvelden toegerekende rente (renteomslag)

f.

Renteresultaat op het taakveld treasury

-/-

Het schema laat zien dat de afwijking tussen de toe te rekenen rentelasten en de toegerekende rentelasten € - 34.000 bedraagt. Dit verschil tussen verschil in rente is niet over de taakvelden verdeeld, maar valt binnen het taakveld treasury. Schuldpositie Voor het beoordelen van de financiële vermogenspositie is in het BBV een verplichte indicator opgenomen, de netto schuldquote. Deze indicator is door de Vereniging Nederlandse Gemeenten opgesteld. De netto schuldquote beoordeelt de vermogenspositie van gemeenten aan de hand van schulden ten opzichte van de inkomsten. Het kengetal geeft een indicatie van het aandeel van de rentelasten van de schulden in de totale exploitatie. Het draait om de vraag of de rentelasten als gevolg van hoge schulden niet te veel ruimte opslokken binnen de totale exploitatie. Voor de netto schuldquote wordt de volgende definitie gehanteerd: De netto schuld als aandeel van de exploitatie. De netto schulden zijn gedefinieerd als de som van de langlopende schulden, kortlopende Schulden en overlopende passiva. Daarop zijn in mindering gebracht de kortlopende vorderingen en uitzettingen, liquide middelen, overlopende activa en langlopende uitzettingen. Voor de omvang van de exploitatie wordt uitgegaan van de

63 baten voor bestemming, dus exclusief de mutaties in de reserves. De netto schuldquote wordt genormeerd conform onderstaande bandbreedte: Netto schuldquote in % van de exploitatie Netto schuldquote in % van de exploitatie Netto schuldquote in % van de exploitatie

> 130% 100% - 130% < 100 %

niet wenselijk, grote risico’s voorzichtigheid geboden

Voor 2023 is de netto schuldquote: 73% De hoogte van de netto schuldquote wordt beïnvloed door een groot aantal factoren. Naast de begrote baten zoals opgenomen in de meerjarenbegroting wordt de netto schuldquote ook beïnvloed door de omvang van de lening portefeuille en de investeringen die we de komende jaren gaan doen. In de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing wordt de tot stand koming van de schuldquote nader toegelicht.

64

Paragraaf Weerstandsvermogen & Risicobeheersing Inleiding De paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing biedt op basis van een risico-inventarisatie, financiële vertaling van de risico’s door middel van een risicomethodiek en een overzicht van financiële kengetallen inzicht in de financiële positie van gemeente Goes. Bij het bereiken van onze doelstellingen is inzicht gewenst in de mogelijkheden om tegenvallers op te vangen. Deze paragraaf gaat kort in op ons risicobeleid risico’s, geeft inzicht in de gehanteerde methodiek en toetst het aanwezige weerstandsvermogen aan de norm van de weerstandscapaciteit. Beleid risicobeheersing Om ook in de toekomst een financieel gezonde organisatie te blijven, gaat de gemeente Goes verstandig en verantwoord om met risico’s. Risico’s zijn onlosmakelijk verbonden met de uitvoering van bedrijfsprocessen en kunnen nooit helemaal worden uitgesloten. Als gemeente willen we bewust zijn van de risico’s die we lopen en van de beheersingsmaatregelen die we kunnen nemen. Bij de beheersing van de risico’s hanteren wij als beleidslijn dat er sprake moet zijn van een evenwicht tussen praktische uitvoerbaarheid en effectiviteit en kosten (efficiency) van een maatregel. Daarom wordt uitgegaan van een voorzichtig financieel beleid als fundament voor de weerstandscapaciteit.

In de uitvoering worden hierbij de volgende uitgangspunten gehanteerd: • Een in meerjarig perspectief sluitende begroting; • Onderhoudsvoorzieningen van voldoende omvang; • Beheerste ontwikkeling van de lokale lasten; • De begroting heeft jaarlijks ruimte voor onvoorziene kosten (eenmalig en structureel); • Een weerstandscapaciteit van voldoende omvang om de risico’s op te kunnen vangen. De uitvoering van de risicobeheersing is in 2023 voortgezet met het gebruik van de risicomanagement software van Naris. Het risicomanagement is een continu proces geworden, in plaats van twee meetmomenten bij begroting en jaarrekening. Met de invoering van Naris is de statistische doorrekening van de risico’s gewijzigd op uitvoeringsniveau. De software van Naris maakt gebruik van de Monte-Carlo simulatie. Een Monte Carlo simulatie voert een risicoanalyse uit wat inzicht geeft in waarschijnlijkheid van het optreden van de risico’s. De volgende stap wordt om het beleid van de risicobeheersing waar nodig te gaan herijken en ter besluitvorming voor te gaan leggen. De wetgeving voor het weerstandsvermogen zijn vastgelegd in het besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV-artikel 9, 11 en 26). Het gemeentelijk beleid is vastgelegd in de financiële verordening gemeente Goes 2023 (artikel 15) en in de nota Reserves en voorzieningen 2023 (paragraaf 2.5 en 3.1).

Structureel systeem van risicomanagement We hanteren organisatie breed een structureel systeem van risicomanagement. Periodiek inventariseren we binnen de organisatie de risico’s, koppelen we beheersingsmaatregelen aan de risico’s, vindt evaluatie plaats van bestaande, actuele risico’s en beheersingsmaatregelen en rapporteren we hierover. Door herhaling van deze stappen in het proces van risicomanagement is er blijvende aandacht voor risico’s en de beheersing ervan. Het proces van risicomanagement maakt onderdeel uit van de jaarlijkse planning & control cyclus. Wij beschouwen risicomanagement hierbij niet als een doel op zich. Doordat wij een beter inzicht hebben in de risico’s in onze gemeentelijke processen is risicomanagement voor ons een hulpmiddel bij het bereiken van gemeentelijke doelen.

65

Voor het sociaal domein en de bouwgrond hebben we ervoor gekozen om een andere methodiek van de berekening van het weerstandsvermogen te hanteren. Dit wordt later in deze paragraaf toegelicht. Risicomethodiek De ambtelijke organisatie inventariseert en beoordeelt de risico’s. Om te waarborgen dat de risico’s binnen de organisatie op uniforme en objectieve wijze worden beoordeeld, wordt gebruik gemaakt van onderstaande tabel om de kans en het gevolg van een risico in te schatten. Kans op optreden risico Klasse

Im pact risico (financieel en politiek/im ago) Klasse

Gevolg financieel

Zeer laag

Risico kan minder één keer per vijf jaar optreden

Zeer laag

< € 25.000

Gevolg politiek/imago zeer laag

Laag

Risico kan één keer per drie tot vijf jaar optreden

Laag

€ 25.000 < € 100.000

laag

Gemiddeld

Risico kan meerdere keren optreden in de k i j keer per jaar i doptreden d éé k Risico dkandéén

Gemiddeld

€ 100.000 < € 250.000 gemiddeld

Hoog

Hoog

€ 250.000 < € 500.000 hoog

Zeer hoog

Risico kan meerdere keren per jaar optreden

Zeer hoog

> € 500.000

zeer hoog

De risicoscore van een bepaald risico wordt bepaald door een statistische berekening kans en impact. Voor de bepaling van het benodigde weerstandsvermogen wordt volgens een objectieve methodiek de norm voor de berekening van het weerstandsvermogen bepaald. Daarnaast kennen we een aparte berekening van het weerstandsvermogen van het sociaal domein en de bouwgrondexploitaties. Dit wordt verderop in deze paragraaf toegelicht. Inventarisatie weerstandscapaciteit Bij de inventarisatie van de weerstandscapaciteit wordt onderscheid gemaakt in de weerstandscapaciteit in de vermogens- en in de exploitatiesfeer. De weerstandscapaciteit in de vermogenssfeer wordt gevormd door: De beschikbare algemene reserve; Het vrij beschikbaar deel van de bestemmingsreserves Eventuele stille reserves. Het vrij beschikbare deel van de algemene reserve bestaat uit het saldo van de algemene reserve waarbij de claims in mindering op het saldo zijn gebracht. Ditzelfde geldt voor het vrij beschikbare gedeelte van de bestemmingsreserves. Er is sprake van stille reserves als de activa een hogere waarde vertegenwoordigen dan de boekwaarde op de balans. Zolang de desbetreffende eigendommen echter niet voor verkoop in aanmerking komen, kunnen de stille reserves niet te gelde worden gemaakt. In het overzicht van de weerstandscapaciteit zijn de stille reserves daarom als PM post opgenomen.

De weerstandscapaciteit in de exploitatiesfeer wordt gevormd door: De onbenutte belastingcapaciteit; De begrotingsruimte. Omdat we niet voor alle risico’s eenzelfde methodiek van risico-inventarisatie hanteren, is er geen overzicht te geven van de belangrijkste risico’s. Voor de bouwgrond en het sociaal domein is ervoor gekozen om een andere systematiek te hanteren waardoor het niet mogelijk is om op totaal niveau de risico’s met elkaar te vergelijken en/of te waarderen.

66 Onbenutte belastingcapaciteit Als minimumbedrag voor een maatschappelijk aanvaardbare hoogte van de onroerendezaakbelastingen, afvalstoffenheffing en rioolrechten wordt het zogenaamde redelijk peil gehanteerd. Gemeenten moeten een bepaald redelijk peil hebben om in aanmerking te komen voor een aanvullende uitkering op basis van artikel 12 FvW (Financiële verhoudingswet). Het bedrag dat de gemeente minder dan het redelijk peil ontvangt aan belastingopbrengsten, wordt aangemerkt als onbenutte belastingcapaciteit. Weerstandscapaciteit Op basis van de geïdentificeerde risico’s op de peildatum van de jaarrekening 2023 betekent dit voor de overige risico’s (exclusief bouwgrond en sociaal domein) een norm weerstandsvermogen van minimaal € 10.227.000. Met een positief verschil, de vrije ruimte, van € 14.383.000 voldoet de gemeente Goes op dit moment ruim aan deze norm. De weerstandscapaciteit is daarmee voldoende om als dekking te kunnen fungeren voor de geïdentificeerde risico’s. Naast de bovenstaande risico’s kennen we nog risico’s in de bouwgrondexploitaties en in het sociaal domein. Voor deze risico’s bestaan aparte risicoreserves en wordt de benodigde weerstandscapaciteit op een andere manier bepaald. Dit betekent dat de risico’s én de reserves geen onderdeel uitmaken van de bovenstaande beoordeling van de vrije ruimte binnen de weerstandscapaciteit.

Norm weerstandscapaciteit Zoals aangegeven hanteren we een structureel systeem van risicomanagement. Hiermee inventariseren we periodiek de risico’s van de organisatie. Met de risicomethodiek beoordelen we de risico’s op uniforme en objectieve wijze en schatten we de kans en het gevolg van een risico in. Voor jaarrekening 2023 is de inventarisatie herijkt en is gebruik gemaakt van de software van Naris. We zien ongeveer 80 risico’s voor onze organisatie. Op basis van de hierboven toegelichte risicomethodiek en de verder in deze paragraaf toegelicht norm weerstandscapaciteit voor de bouwgrond en het sociaal domein betekent dit dat we uitgaan van € 25.238.000 als norm voor de weerstandscapaciteit.

Opbouw norm weerstandscapaciteit Norm sociaal domein (minimum) Norm bouwgrondreserve (exclusief claims) Norm overige risico's Totaal norm weerstandscapaciteit De norm voor weerstandscapaciteit voor de overige risico’s, kent de volgende opbouw:

Verdeling norm weerstandscapaciteit programma's en bijzondere onderdelen Programma Bestuur en Financiën *) Programma Ruimte en Economie **) Programma Onderwijs, Sport en Cultuur Programma Sociaal Domein Programma Milieu Programma overschrijdend Verbonden partijen Projecten Totaal norm weerstandscapaciteit *) Inclusief risico's garant en borgstellingen **) Exclusief norm/risico's bouwgrondexploitaties en sociaal domein

Bedragen x € 1.000 5.654 9.335 10.227 25.216

Bedragen x € 1.000 3.627 1.814 1.411 n.v.t. 605 504 2.191 75 10.227

Norm weerstandscapaciteit sociaal domein Voor de risico's van het sociaal domein is een aparte risicoreserve gevormd. Daardoor maken de risico’s van het sociaal domein geen onderdeel meer uit van de inventarisatie van de risico's als onderdeel van het risicomanagement. Voor de reserve sociaal domein wordt een afdekkingspercentage van 7,5% gehanteerd. De voeding van de reserve sociaal domein komt uit de overschotten in de exploitatie van het sociaal domein, totdat het maximum is bereikt. De onttrekking aan de reserve komt uit de tekorten in de exploitatie van het sociaal domein, totdat het minimum is bereikt. Als de reserve onder het minimum komt, wordt deze aangevuld vanuit de algemene reserve.

67

Berekening norm weerstandscapaciteit sociaal domein Programma sociaal domein Correctie kosten vluchtelinge opvang Oekraine Programma sociaal domein na correctie Afdekkingspercentage 7,5% Omvang reserve sociaal domein (minimaal factor 1 , maximaal factor 2,5) Reserve sociaal domein 31-12-2023 Aanvulling vanuit algemene reserve Reserve sociaal domein 31-12-2023 - beschikbaar

(bedragen x 1.000) Minimaal Maximaal 81.358 5.974 75.384 5.654

14.135 12.477 n.v.t. 12.477

Norm weerstandscapaciteit bouwgrond De risico's van de bouwgrond maken geen onderdeel uit van de risico-inventarisatie die uitgevoerd wordt om de norm van het weerstandsvermogen te bepalen. Daar staat tegenover dat ook de reserve bouwgrond niet wordt meegenomen in het bepalen van de weerstandscapaciteit. De risico's van de bouwgrond worden op een andere wijze bepaald. De risico's en het weerstandsvermogen van de bouwgrond worden beschreven in de paragraaf grondbeleid. De reserve bouwgrond bedraagt op balansdatum in jaarrekening 2023 € 12.732.000. Op deze reserve ligt voor de bovenwijkse infrastructuur van bedrijvenpark Deltaweg een claim van € 3.397.000. Daarmee komt het beschikbare weerstandsvermogen voor de bouwgrondrisico’s uit op € 9.335.000. De reserve bouwgrond maakt geen deel uit van het algemene weerstandsvermogen. Overzicht weerstandscapaciteit overige risico’s

Berekening weerstandscapaciteit overige risico's Jaarlijkse exploitatie Onbenutte belastingcapaciteit in 2023: Belastingen en heffingen Totale onbenutte belastingcapaciteit

(bedragen x 1.000)

2.156

Resultaat 2023: Resultaat jaarrekening 2023 (voor resultaatsbestemming) Weerstandscapaciteit exploitatie

6.466

Vermogenssfeer (na verwerking claims) Beschikbare algemene reserve - minus claims algemene reserve

34.594 -22.925

Beschikbare bestemmingsreserve majeure projecten - minus claims reserve majeure projecten

8.850 -5.960

Beschikbare bestemmingsreserves - minus claims bestemmingsreserve

2.687 -1.258

Stille reserves Weerstandscapaciteit vermogen

2.156

8.622

11.669

2.890

1.429 p.m.

15.989

Totaal weerstandscapaciteit overige risico's

24.611

Norm weerstandsvermogen overige risico's: Op basis van risico inventarisatie geldt een norm van

10.227

Vrije ruimte t.o.v. de norm

14.383

Kengetallen Het Besluit begroting en verantwoording (BBV) schrijft het opnemen van een set financiële kengetallen voor in de gemeentebegrotingen en jaarrekeningen. Het gaat om de kengetallen voor netto schuldquote en netto schuldquote

68 gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen, solvabiliteitsratio, structurele exploitatieruimte, belastingcapaciteit en grondexploitatie. De kengetallen moeten zicht geven op de financiële positie van de gemeente en de mogelijkheid bieden om gemeenten onderling te vergelijken. 1a. Netto schuldquote 180% 160% 140% 120% 100% 80% 60% 40% 20% 0%

85%

70%

Realisatie 2022 Minst risicovol

Begroting 2023 Neutraal

73%

Realisatie 2023 Meest risicovol

180% 160% 140% 120% 100% 80% 60% 40% 20% 0%

1b. Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen

79%

64%

Realisatie 2022 Minst risicovol

Begroting 2023 Neutraal

67%

Realisatie 2023 Meest risicovol

1a. Netto schuldquote Dit cijfer geeft inzicht in het niveau van de gemeentelijke schuldenlast ten opzichte van de eigen middelen. Het geeft dus een indicatie van de mate waarin de rentelasten en de aflossingen op de exploitatie drukken. Een laag percentage is gunstig. De VNG adviseert om 130% als maximum norm te hanteren en daarboven de schuld af te bouwen.

1b. Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen Omdat bij leningen onzekerheid kan bestaan of ze allemaal worden terugbetaald, wordt dit kengetal zowel berekend inclusief als exclusief de doorgeleende gelden. Zo wordt duidelijk wat het aandeel van de verstrekte leningen in de exploitatie is en wat dit betekent voor de schuldenlast. Hoe lager deze percentages, hoe beter.

2. Solvabiliteitsratio

3. Grondexploitatie

80%

70%

70%

60%

60%

50%

50%

40%

40%

30%

30% 20%

30%

26%

30%

10% 0%

20% 10% 0%

Realisatie 2022 Meest risicovol

Begroting 2023 Neutraal

Realisatie 2023 Minst risicovol

2. Solvabiliteit Dit cijfer drukt het eigen vermogen uit als percentage van het totale vermogen en geeft daarmee inzicht in de mate waarin de gemeente in staat is aan haar financiële verplichtingen te voldoen. Hoe hoger dit percentage, hoe gunstiger dit is voor de financiële weerbaarheid van de gemeente. Dit cijfer geeft dus een soort toekomstvisie weer.

-10%

8%

3%

Begroting 2023 Neutraal

Realisatie 2023 Meest risicovol

0%

Realisatie 2022 Minst risicovol

3. Grondexploitatie Dit cijfer geeft aan hoe groot de grondpositie (de waarde van de grond) is ten opzichte van de totale (geraamde) baten. De boekwaarde van de voorraden grond moet worden terugverdiend bij de verkoop. Kenmerkend voor grondexploitaties is dat de looptijd meerdere jaren is. Naarmate de inkomsten verder in de toekomst liggen, brengt dit meer rentekosten en risico’s met zich mee. Een grondexploitatie van 10% of hoger wordt

69 4. Structurele exploitatieruimte 4,5% 4,0% 3,5% 3,0% 2,5% 2,0% 1,5% 1,0% 0,5% 0,0%

5. Gemeentelijke belastingcapaciteit 140% 120% 100%

3,1%

80%

98%

100%

102%

Realisatie 2022 Minst risicovol

Begroting 2023 Neutraal

Realisatie 2023 Meest risicovol

60% 1,7%

20%

0,1%

Realisatie 2022 Meest risicovol

Begroting 2023 Neutraal

40%

Realisatie 2023 Minst risicovol

4. Structurele exploitatieruimte Dit cijfer helpt mee om te beoordelen welke structurele ruimte een gemeente heeft om de eigen lasten te dragen, of welke structurele stijging van de baten of structurele daling van de lasten daarvoor nodig is. Wanneer dit cijfer negatief is, betekent het dat het structurele deel van de begroting onvoldoende ruimte biedt om de lasten te blijven dragen.

0%

5. Gemeentelijke belastingcapaciteit Dit cijfer geeft inzicht in hoe de belastingdruk in de gemeente zich verhoudt ten opzichte van het landelijk gemiddelde. Als dit percentage laag ligt, betekent het dat de gemeente meer inkomsten uit belastingen zou kunnen verwerven. Of dit wel of niet gebeurt is een beleidskeuze.

Beoordeling kengetallen In de tabel kengetallen van jaarrekening 2023 zien we een dat het kengetal netto schuldquote naar 73% gestegen is. Dit is een kleine stijging ten opzichte van jaarrekening 2022 maar valt lager uit dan waar in begroting 2023 was uitgegaan. De schuldquote wordt beïnvloed door meerdere factoren. In 2023 zien we dat de vaste schulden zijn afgenomen ten opzichte van 2022 en ook lager zijn dan begroot. Dit staat toegelicht in de paragraaf financiering. De financieringsbehoefte is in 2023 lager geweest dan waar we in de begroting van zijn uitgegaan. Dit zorgt voor een lagere van de schuldquote dan begroot. Met een schuldquote van 73% zitten we volgens de VNG-normering in de “groene” zone, zoals we met bovenstaande grafiek laten zien. De solvabiliteitsratio geeft inzicht in de mate waarin we in staat zijn om aan onze verplichtingen te voldoen. We kunnen in hoofdlijn stellen dat hoe hoger de solvabiliteitsratio, hoe groter de financiële weerbaarheid van onze gemeenten. De solvabiliteitsratio wordt op basis van de cijfers van jaarrekening 2023 geraamd op 30%. We blijven daarmee net als in de jaarrekening 2022 boven de ondergrens van 20% zoals de VNG die voor de solvabiliteit van gemeenten formuleert. Met de toename van het eigen vermogen in jaarrekening 2023 zien we dat de solvabiliteitsratio hoger uitvalt dan waar we in de begroting vanuit gingen.

Daarmee is de solvabiliteitsratio van jaarrekening 2023 nagenoeg gelijk aan die van jaarrekening 2022. Het kengetal structurele exploitatie ruimte geeft aan of we na eliminatie van de incidentele baten en lasten ook nog een sluitende jaarrekening 2023 hebben. Hiervoor moet dit kengetal een positieve waarde hebben. Het kengetal in de bovenstaande tabel laat zien dat dit het geval is voor het jaar 2023. Waar de structurele exploitatieruimte van begroting 2023 nog net boven de 0% zat, zien we dat de realisatie 2023 een positiever beeld laat zien. De belastingcapaciteit laat met een waarde van 102% in deze jaarrekening 2023 zien dat we net boven het landelijke gemiddelde zitten met onze tarieven. Het betreft hier de tarieven OZB, rioolheffing en afvalstoffenheffing. Met name de vertaling van het nieuwe gemeentelijk rioleringsplan in de tarieven rioolheffing 2023 zorgen ervoor dat de stijging van de belastingdruk in 2023 hoger was dan de stijging van het landelijk gemiddelde. We kunnen concluderen dat de kengetallen van jaarrekening 2023 in samenhang bezien, een positief financieel beeld laten zien. Naast de kengetallen zorgt ook de beschikbare vrije ruimte in ons weerstandsvermogen van ongeveer € 14,4 miljoen ervoor dat de financiële houdbaarheid en het vermogen om risico’s op te vangen niet verslechterd is ten opzichte van het vorige jaar.

70

Paragraaf Onderhoud kapitaalgoederen Algemeen De gemeente is de beheerder van de openbare ruimte. De openbare ruimte is van en voor iedereen. Door het open karakter vinden in deze ruimte veel van de dagelijkse activiteiten plaats zoals wonen, werken en recreëren. De inrichting bestaat in hoofdzaak uit kapitaalgoederen in de vorm van wegen, riolering, groen, speelvoorzieningen, verlichting en (openbare) gebouwen. De kwaliteit van de kapitaalgoederen en de staat van onderhoud waarin zij verkeren is bepalend voor het voorzieningenniveau en voor de jaarlijkse lasten. Onderhoud via voorzieningen Nieuwe aanleg van infrastructuur in nieuwe bouwgrondcomplexen (wegen, water, riolering, groen en openbare verlichting) wordt gerealiseerd (en gedekt) door de bouwgrondexploitatie. Dat betekent dat het realiseren van die kapitaalgoederen ineens wordt afgeschreven uit de opbrengst van de verkoop van bouwrijpe grond en (dus) niet op de balans voorkomt. Grootonderhoud wordt niet geactiveerd. Deze kosten zijn onderhevig aan jaarlijkse fluctuaties, maar met de gevormde voorzieningen realiseren we begrotingstechnisch een kostenegalisatie. Dit betekent dat jaarlijks voor de verschillende kapitaalgoederen een reëel, gelijk bedrag voor onderhoud in de begroting wordt opgenomen (wet BBV). De werkelijke uitgaven voor groot onderhoud worden ten laste van die voorzieningen gebracht.

Door deze systematiek komen in de gemeentebegroting geen pieken en dalen voor, en worden de pieken in de jaarlijkse onderhoudsuitgaven opgevangen binnen de voorziening. Voor elke voorziening moet de gemeente beschikken over een beheerprogramma waarin de gewenste kwaliteit tot uitdrukking is gebracht en waarin al het cyclische onderhoud wordt gepland en financieel vertaald. Door de gegevens zowel voor- als nacalculatorisch bij te houden, ontstaat continue een actueel beeld van de gang van zaken en kunnen de effecten in de prognoses van de onderhoudsvoorzieningen en zo nodig in de jaarlijkse genormeerde storting worden vertaald. De voorzieningen hebben ieder jaar een tenminste neutrale stand. Er wordt geen rente, maar wel indexatie aan de voorzieningen toegevoegd. In artikel 44 van het Besluit Begroting en Verantwoording gemeenten en provincies (BBV) is geregeld in welke gevallen een voorziening wordt gevormd. Daaruit vloeit voort dat het vormen van een voorziening of een dotatie aan een al bestaande voorziening, als een last in het betreffende begrotingsjaar moet worden beschouwd. De aanwending van een gedeelte van een voorziening wordt rechtstreeks ten laste van de voorziening geboekt. In de financiële begroting is een overzicht opgenomen van de verwachte stand en het verloop van de verschillende voorzieningen.

De uitgaven voor regulier onderhoud van de openbare ruimte worden rechtstreeks in de exploitatie verantwoord (zie eind van deze paragraaf). Voor de diverse beheerplannen geldt het volgende schema: Beheerplannen

Financiële vertaling in begroting

Integraal Beheer Goes (IBORG)

Door de raad vastgesteld d.d. Ja, 2005

Looptijd t/m Onbepaald

Achterstallig onderhoud Nee

Ja

Wegen

Ja, 2019

2024

Ja

Nee

Havens, sluis en bruggen

Ja, 2020

2024

Ja

Nee

Riolering

Ja, 2022

2026

Ja

Nee

Civieltechnische kunstwerken

Ja, 2019

2024

Ja

Nee

Groen

Ja, 2020

2025

Ja

Ja *1

Gebouwen

Ja, 2016

2023

Ja

Nee

*1 Dit is in het in 2020 vastgestelde groenbeheerplan opgenomen en wordt in de komende planperiode weggewerkt.

71

Toelichting op de voorzieningen Algemeen In 2023 zijn wederom grote prijsstijgingen geconstateerd. Onderhoudskosten van de openbare ruimte stijgt hierdoor. In de begroting van 2024 zijn de prijsstijgingen bijgeraamd, areaalgegevens geactualiseerd en doorberekend in de begrote onderhoudsuitgaven. Daarnaast zijn een aantal dotaties aan onderhoudsvoorzieningen verlaagd voor de jaren 2024 tot en met 2027 omdat er onderhoudswerken vanwege marktomstandigheden en ontwerpuitwerking langere doorlooptijden kennen en hierdoor de saldi van de voorzieningen opliepen. Voorziening onderhoud gemeentelijke gebouwen Ten laste van deze voorziening worden uitgaven gedaan voor het grootonderhoud aan de gemeentelijke panden. De jaarlijkse voeding is gebaseerd op het totale onderhoudsplan voor alle gemeentelijke gebouwen. In het Meerjarig Onderhoudsplan’ (MJOP) zijn zowel onderhoud als grote renovaties en vervangingen geraamd. Voor grote investeringen, renovaties en opwaardering zal specifiek geld worden aangevraagd aan de hand van een investeringsplanning die jaarlijks bij de begroting wordt aangeboden. Alle gemeentelijke panden en objecten die vallen binnen de voorziening onderhoud zijn opgenomen, geactualiseerd en verwerkt. Alle beheerinformatie is verwerkt in beheerprogramma Wish. Hieruit kan vlot inzicht worden verkregen in de onderhoudstoestand van het gemeentelijk vastgoed.

Het gebouwenonderhoudsplan kijkt 20 jaar vooruit met een jaarlijkse monitoring en om de 5 jaar een bijstelling. In 2024 zal een nieuw beheerplan onderhoud gebouwen worden vastgesteld dat integraal is afgestemd op de verduurzaamheidsambtities van de gemeente. In 2023 zijn de voorbereidingen hiertoe volop in gang gezet door het uitvoeren van gebouwinspecties en onderhoudskostenramingen. In het nieuwe beheerplan wordt tevens de verduurzaming verwerkt tot een DMJOP. De gemeenteraad is in december gevraagd om het vigerende beheerplan een jaar te verlengen. De systematiek waarop het onderhoud van de gebouwen is gebaseerd, is als volgt: • De onderhoudsbehoefte is geïnventariseerd aan de hand van inspecties op basis van conditiemeting. Uitgangspunt is dat de inspecties om de 4 jaar herhaald worden. • Het vastgoed wordt onderhouden volgens het vastgestelde conditieniveau 3-4 (redelijk tot matige staat). Per gebouw volgen de onderhoudshandelingen uit het beheerprogramma. Er wordt bepaald welk onderhoud per jaar uitgevoerd dient te worden. Na vaststelling van de begroting wordt jaarlijks een onderhoudsplan voor de ten laste van de voorziening uit te voeren onderhoudswerken aangeboden aan het college.

• Bij tussentijdse mutaties in de vastgoedportefeuille (aankoop, afstoot, conditieniveau- of gebruikswijzigingen) worden gelijktijdig de consequenties voor het beheer en onderhoud in de dotatie meegenomen in de besluitvorming over de betreffende vastgoedmutatie (volgens de vastgestelde spelregels vastgoed). Voorziening onderhoud wegen Ten laste van deze voorziening worden uitgaven gedaan voor het grootonderhoud aan de bestaande wegen. De voorziening wordt jaarlijks gevoed op basis van een genormeerde storting. Deze is gebaseerd op het rekenmodel van de door de raad in 2005 vastgestelde nota Integraal Beheer Openbare Ruimte gemeente Goes (IBORG) en het vastgestelde Wegenbeheerplan 2020-2024. Het beheerprogramma OBSURV genereert de maatregelen op basis van door derden uitgevoerde inspecties. In 2023 is het gehele wegenareaal opnieuw geïnspecteerd. Dit is de basis voor het in 2024 opnieuw vast te stellen wegenbeheerplan. De uitgaven worden rechtstreeks ten laste van de voorziening gedaan. Voor de ‘voorziening wegen’ wordt op basis van de tweejaarlijkse weginspectie (met behulp van het beheer programma OBSURV) een meerjarige basisplanning voor het onderhoud van de wegen opgesteld. De basisplanning wordt vervolgens jaarlijks gedetailleerd naar een concrete onderhoudsplanning voor het lopende jaar en de twee daaropvolgende jaren.

De planning wordt integraal opgesteld in relatie met verkeersplannen, riolerings-, groenwerken, woningrenovaties en dergelijke. Jaarlijks vindt uitwerking plaats in een door het college vastgesteld jaarprogramma. Bij vaststelling van de programmabegroting 2024 is besloten een meerjarige bezuinigingstaakstelling op het wegenonderhoud door te voeren voor 4 jaar. De kwaliteit van het wegenareaal is momenteel goed, door deze taakstelling zal de kwaliteit van het wegenareaal structureel teruglopen. De mate van terugloop van de wegenkwaliteit zal in 2024 met het te actualiseren wegenbeheerplan worden bepaald en met eventueel benodigde maatregelen aan u worden voorgelegd.

72 Voorziening onderhoud haven, sluis en bruggen Deze voorziening is na de bouw van de sluis gevormd om pieken in de onderhoudsuitgaven op te kunnen vangen. Doordat de sluis als onderdeel van de waterkering ook een veiligheidsvoorziening vormt, was dit een tweede beweegreden om een voorziening te vormen (met een voorziening zijn direct onderhoudsgelden beschikbaar bij eventuele calamiteiten). Ten laste van deze voorziening worden uitgaven gedaan voor het groot onderhoud van de haven, kanaal en sluis. De voorziening wordt jaarlijks gevoed op basis van een genormeerde storting. De jaarlijkse voeding is gebaseerd op het geïnventariseerde onderhoud. Voor grote investeringen en opwaardering zal specifiek geld worden aangevraagd aan de hand van de investeringsplanning die jaarlijks bij de begroting wordt aangeboden. Op basis van inspecties, is in 2020 voor de voorziening haven kanaal en sluis een geactualiseerd meerjaren onderhoudsplanning tot en met 2040 opgesteld. Deze wordt 5-jaarlijks geactualiseerd. Twee keer per jaar vindt een onderhoudsinspectie plaats van de diverse objecten, waarbij geconstateerd klein onderhoud direct wordt uitgevoerd en benodigd grootonderhoud op de meerjaren onderhoudsplanning wordt opgenomen.

Volgens het vast te stellen jaarplan, zal in 2024-2025 grootonderhoud worden uitgevoerd aan diverse objecten waaronder de sluisdeuren en het brugdek van de brug van Wilhelminadorp. Voorziening onderhoud rioleringen Ten laste van deze voorziening worden groot onderhoudsuitgaven en vervanging van de rioleringen gedaan. Het gaat daarbij om het vrijvervalrioolstelsel, het drukrioleringsstelsel en de randvoorzieningen Het reguliere klein onderhoud wordt in de exploitatie verantwoord. Het gemeentelijke verbreed rioleringsplan (vGRP) vormt het beleidskader voor de voorziening. Er wordt gewerkt aan een geactualiseerd gemeentelijke verbreed rioleringsplan. Dit is in het begrotingsjaar 2022 aan u voorgelegd ter vaststelling. Het nieuwe (verbreed) GRP haakt aan op het klimaat robuust maken van de openbare ruimte. Het product rioleringen is in overeenstemming met het gemeentelijk verbreed rioleringsplan. De basisplanning uit het vGRP wordt jaarlijks uitgewerkt naar een concreet onderhoudsprogramma en ter vaststelling aan het college aangeboden. Voorziening civieltechnische kunstwerken De voorziening kleinschalige civieltechnische kunstwerken is ingesteld in 2005. Het beleidskader is de door de raad in 2005 vastgestelde nota Integraal Beheer Openbare Ruimte Gemeente Goes (IBORG) en het vastgestelde beheerplan civieltechnische kunstwerken 2020-2024.

Het beheerprogramma Lasset genereert de maatregelen op basis van de door derden uitgevoerde inspecties. De inspecties vinden iedere drie jaar plaats. De laatste inspectie dateert uit 2020. De nieuwe inspectie is eind 2023 uitgevoerd. Uit de voorziening wordt groot onderhoud gedaan aan de niet-beweegbare voet- en fietsbruggen, vlonders, trappen, hekwerken en dergelijke. Ook wordt het onderhoud aan de keermuren, vaste verkeersbruggen, tunnels, etc. uit deze voorziening bekostigd. Voor vervanging van keermuren, verkeersbruggen, tunnels, etc. wordt specifiek geld aangevraagd aan de hand van de investeringsplanning die jaarlijks bij de begroting wordt aangeboden. Voorziening groenprojecten De ‘voorziening Groenprojecten’ is ingesteld in 2005. Het beleidskader is de door de raad in 2005 vastgestelde nota Integraal Beheer Openbare Ruimte Gemeente Goes (IBORG). De ‘voorziening Groenprojecten’ is bestemd om groot onderhoud aan het groen te kunnen uitvoeren. Het beheerplan dateert van eind 2020. Bij vaststelling van de programmabegroting 2024 is besloten een meerjarige bezuinigingstaakstelling op het groenonderhoud door te voeren voor 4 jaar. Het beheerplan wordt in 2025 geactualiseerd. Overige onderhoudsuitgaven Zoals eerder al is aangegeven, worden de uitgaven voor klein en regulier onderhoud van de openbare ruimte rechtstreeks in de exploitatie verantwoord.

Per onderdeel wordt dat hierna nader toegelicht. Openbare verlichting Openbare verlichting heeft tot doel om tijdens duister een veilige leef- en woonomgeving te bieden. De richtlijn voor openbare verlichting 2011 (ROVL 2011) is van toepassing. Doel is om kwaliteit van het OVL-areaal te verbeteren, rekening houdend met kostenverlaging voor onderhoud, energieverbruik en vermindering van CO2-uitstoot. Standaardisatie van verlichtingsmaterialen is daarbij het uitgangspunt. Doortoepassing van ledverlichting en dimbare verlichting wordt bespaard op de energiekosten. Wijkgericht wordt omgebouwd naar LED. Voor 2023 is er een budget beschikbaar van € 397.000 exclusief personeelskosten. De werkelijke bestedingen vielen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14321756/2