Bijlage- Motivering BOPA Boomhutsuites Klein Zwitserland dd 29-01-2025
Tekst van het document
25
Toetsing In de directe omgeving van de planlocatie ( binnen een straal van 1 km) zijn geen agrarische bedrijven gesitueerd. Met de voorgenomen bouwactiviteit worden 5 boomhutsuites gerealiseerd. Boomhutsuites (hotelkamers) zijn niet aangemerkt als geurproducerende of geurgevoelige gebouwen. Het aspect geur vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.5
Trillingen
Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Toetsing Met de voorgenomen bouwactiviteit worden 5 boomhutsuites gerealiseerd. De boomhutsuites zijn niet aangemerkt worden als trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw.
26
5.
BESCHERMING VAN DE WATERBELANGEN
Nationaal waterbeleid Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl regels met betrekking tot: • Het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; • Het bouwen binnen kunstfundamenten buiten stedelijk gebied; en • Het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 (RWP) Op 22 december 2021 is het nieuwe Regionaal Water- en Bodem Programma in werking getreden. Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen.
Het RWP kent vijf beleidsopgaven met bijbehorende doelen: • Voldoende water - voldoende water betekent: niet te weinig diep en ondiep grondwater en oppervlaktewater met optimale zoetwaterbeschikbaarheid en waterverdeling in geval van extreme droogte, en niet te veel oppervlaktewater om ernstige regionale wateroverlast zo veel mogelijk te voorkomen. • Schoon water - schoon grond- en oppervlaktewater voor onze volksgezondheid en natuur, conform de normen van de KRW; voorkomen van verontreiniging en het beschermen van diepe grondwatervoorraden. • Veilig water - veiligheid tegen hoogwater in het hoofdwatersysteem en het regionaal watersysteem. • Vitale bodem - vergroten van de vitaliteit, sponswerking, resistentie tegen ziekten en natuurlijk productievermogen van de bodem voor duurzame landbouw en biodiversiteit. • Klimaatadaptatie - aanpassen aan klimaatverandering in alle domeinen van het provinciale waterbeleid. Beleid waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente. Het gaat dan om het waterkwantiteit en –kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer.
Waterbeheerprogramma 2022 – 2027 (Waterschap Brabantse Delta) Het beleid en de daarmee samenhangende doelen en ambities van het waterschap zijn opgenomen in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 waarin het waterschap de koers aangeeft voor de komende zes jaar. In het Waterbeheerprogramma staan de kerntaken van het waterschap centraal. Dat zijn zorgen voor voldoende en schoon water voor natuur en landbouw, bescherming tegen overstromingen en het zuiveren van afvalwater. Tevens is een doel dat het waterschap aan een beter watersysteem werkt, voor mensen en voor flora en fauna. Het watersysteem moet robuuster worden: veiliger, minder kwetsbaar voor regenval en droogte, schoner, natuurlijker en beter toegankelijk voor recreanten. Het waterschap heeft waar nodig toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheerprogramma en een eigen verordening; De Keur en de Legger. Brabant Keur Voor de beheergebieden van de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en de Dommel geldt dezelfde keur: Brabant Keur. De keur bevat regels ter bescherming van de waterwerken die nodig zijn voor een goed waterbeheer (kwantiteit) en voor de bescherming van het gebied tegen hoog water. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer.
De Legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht.
27 Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij de uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de beleidsregel ‘Hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. In de Keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak, via een afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen.
Dit verbod is van toepassing tenzij: • het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; • de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; • de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; Voor de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: 'benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06' Het gebruik van uitlogende (bouw)materialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC wordt ten zeerste afgeraden in verband met de negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Door middel van de verplichte watertoets ziet het waterschap toe op de uitvoering van hun beleid. Hiermee wordt gewaarborgd dat bij nieuwe ontwikkelingen het waterbeheer wordt meegenomen. Uitgangspunten gemeente Gilze en Rijen Volgens het Gemeentelijk Rioleringsplan, verbreed GRP Gilze en Rijen 2021-2025, moet bij nieuwbouw en herstructureringsprojecten voorkomen worden dat er negatieve effecten op de waterhuishouding optreden.
Voor verbouw zonder toename van het verhard oppervlak geldt een retentie-eis van 7 mm. Bij nieuwbouw of toenemend verhard oppervlak geldt een retentie-eis van 60 mm. Toetsing Bestaande situatie De planlocatie ligt in het buitengebied van Gilze. de planlocatie heeft een oppervlakte van circa 945 m². de planlocatie is onbebouwd. •
Hemelwater De planlocatie is in de huidige situatie volledig onverhard. In de bestaande situatie wordt de neerslag via inzijging, afroming naar lagere terreindelen en verdamping afgevoerd.
•
Oppervlaktewater De planlocatie valt binnen het beheergebied van het waterschap Brabantse Delta. Nabij de planlocatie is oppervlaktewater (de recreatieplas) aanwezig.
•
Afvalwater In de huidige situatie is geen sprake van afvalwater.
•
Bodem en grondwater De ondergrond in midden Noord-Brabant is opgebouwd uit afzettingen, die geohydrologisch kunnen worden onderverdeeld in relatief goed en slecht waterdoorlatende lagen. In de ondergrond van midden Noord-Brabant komen twee watervoerende pakketten voor, min of meer gescheiden door een slechte doorlatende laag.
Toekomstige situatie • Afkoppelen hemelwater De boomhutsuites worden op palen geplaatst waardoor er op de bodem geen verhard oppervlak wordt toegevoegd. Derhalve blijft het totaal onverhard oppervlak ter plaatse van de planlocatie in de toekomstige situatie nagenoeg gelijk. De daken van de boomhutsuites bedragen gezamenlijk circa 300 m2. Op basis van het beleid van het waterschap dient voor de toename van verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² compenserende
28 maatregelen te worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan. Gezien de daken gezamenlijk minder dan 500 m2 bedragen, is een compenserende maatregel op basis van het beleid van het waterschap niet noodzakelijk. De gemeente eist in geval van nieuwbouw een watercompensatie van 60 mm per vierkante meter van toepassing op het gehele perceel. Met het planvoornemen is sprake van nieuwbouw ter grootte van circa 300 m2. Daarom is watercompensatie van 60 mm per vierkante meter noodzakelijk. Uitgaande van de totale perceeloppervlakte van 300 m2 is dat een voorziening van circa 18 m³. De opvang van het extra hemelwater wordt afgevoerd naar de grond naast en onder de boomhutsuites. In pieksituaties kan hemelwater natuurlijk afstromen richting de naastgelegen waterplas. •
Afvalwater De nieuwbouw wordt aangesloten op de bestaande riolering.
Conclusie Het planvoornemen levert geen knelpunten op ten aanzien van het waterbelang.
29
6.
WAARBORGEN VAN DE VEILIGHEID
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’.
Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); • Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). Onderzoek In opdracht van Ordito heeft AVIV een QuickScan externe veiligheid uitgevoerd. (externe bijlage, projectnummer 224991, 19 juni 2024) Het planvoornemen betreft de realisatie van 5 boomhutsuites aan de rand van het terrein van het hotel op een open plek tussen de bestaande bomen.
De geplande boomhutsuites bevinden zich binnen 200 meter van de A58 waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en binnen zone C van de munitieopslagplaats van Vliegbasis Gilze-Rijen. De boomhutsuites bevinden zich buiten het invloedsgebied van een hogedruk aardgastransportleiding.
30 Plaatsgebonden risico De plaatsgebonden risico-contouren van de verschillende risicobronnen rijken niet tot aan de ontwikkellocatie van de boomhutsuites. A58 De voorgenomen ontwikkeling ligt voor een deel binnen het explosieaandachtsgebied van de A58, maar buiten de 100% letaliteitsafstand. Hogedruk aardgastransportleidingen Het plangebied waar de 5 boomhutsuites zijn geprojecteerd ligt buiten de aandachtsgebieden van de hogedruk aardgasleidingen. Luchthaven De ligging binnen zone C van de munitieopslag van Vliegbasis Gilze-Rijen levert een risico op voor explosie. Er gelden binnen zone C beperkingen voor gebouwen met vlies- of gordijngevelconstructies en gebouwen met zeer grote glasoppervlakten, omdat deze extra gevoelig zijn voor een explosie. Er worden geen vlies- of gordijnconstructies en grote glasoppervlakken toegepast bij de boomhutsuites. Gezien het geringe aantal suites en daarmee aantal personen dat wordt toegevoegd en de afstand ten opzichte van risicobronnen is het niet noodzakelijk om aanvullende maatregelen te treffen ten aanzien van de externe veiligheidsrisico’s. Het advies van de veiligheidsregio over de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in het plangebied wordt opgevolgd. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.
31
7. BESCHERMING VAN LANDSCHAPPELIJKE EN STEDENBOUWKUNDIGE WAARDEN EN CULTUREEL ERFGOED In het Bkl zijn ten aanzien van de bescherming van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen of activiteitgericht opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
7.1
Cultureel erfgoed
Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven.
Figuur 15 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW)
Toetsing Cultuurhistorische Waardenkaart Op de CHW is af te lezen dat de planlocatie ligt in de regio ‘Baronie’. De Baronie is onderdeel van het dekzandplateau dat doorsneden wordt door beken. Het zandlandschap bestaat uit een grofmazige mozaïek van oude en jonge zandontginningen en bossen. Kenmerkend voor de oude zandontginningen zijn dorpen en buurtschappen zonder open akkercomplexen en bijhorende groenstructuren. Op enkele plaatsen komen open akkercomplexen voor. De bebouwing en de akkers liggen vaak op de rand van de beekdalen, de graslanden (beemden) in het beekdal en de (voormalige) heidevelden op de hogere zandgronden. De jongere ontginningen hebben vaak een open karakter met een rationeel patroon van wegen, waterlopen en percelen. De openheid wordt onderbroken door erfbeplanting en wegbeplanting. Daarnaast komen ook meer besloten jonge zandontginningen voor, met bebouwing langs oude wegen, kleinschaligheid
32 door de afwisseling van akkers en weiden met bosjes en losstaande bomen. Op de overgang van bos naar beekdal is een coulisselandschap ontstaan met transparante bomenrijen, gericht op de beek. De ontwikkelingsstrategie voor dit gebied is: 1. Behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio; 2. De cultuurhistorische waarden van de Baronie in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Dit geldt in het bijzonder voor de cultuurhistorische landschappen; 3. Het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (o.a. door afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid) van de archeologische landschappen: “Beekdal van de Mark” en “Dekzandeiland AlphenBaarle”. Ten noorden van de planlocatie ligt op ruim 100 meter afstand een strook met historisch groen langs het historische zandpad. Daarnaast liggen langs Nerhoven enkele bouwwerken die zijn aangeduid als overige bouwkunst. Ter plaatse van de planlocatie zijn geen markeringen aanwezig die duiden op cultuurhistorische waarde. Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Gilze en Rijen De Erfgoedwet, samen met de nog te implementeren Omgevingswet, verplicht gemeenten om rekening te houden met cultureel erfgoed.
De eerste stap om het cultureel erfgoed te verankeren in het gemeentelijk beleid is om te inventariseren welk cultureel erfgoed zich op het gemeentelijk grondgebied bevindt. Deze gegevens kunnen gevisualiseerd worden in de kaart ‘Cultuurhistorische inventarisatie’. Deze kaart geeft op overzichtelijke wijze inzicht in de historisch gevormde ruimtelijke structuur van het landschap en de waardevaste elementen of gebieden, die door wet of verordening worden beschermd. In één oogopslag is daarmee zichtbaar wat de historische structuur van een gebied is en met welke waarden rekening moet worden gehouden bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Figuur 16 Uitsnede Cultuurhistorische Inventarisatiekaart
Op de cultuurhistorische inventarisatiekaart is de planlocatie gedeeltelijk aangemerkt als ‘bebouwde kom heden’ en gedeeltelijke als ‘bos 1830-1900’. Als aanvulling op de cultuurhistorische inventarisatie geeft de cultuurhistorische waardenkaart met de bijbehorende toelichting een overzicht van de verschillende cultuurlandschappen en hun landschappelijke karakteristiek. Deze kaart dient met de toevoeging van de zogenaamde attentiegebieden tevens als signalering van gebieden, die bij ruimtelijke ingrepen ontzien moeten worden, of waar ruimtelijke ontwikkelingen gepaard moeten gaan met extra zorgvuldigheid. Dit betekent overigens niet dat de zones buiten de attentiegebieden geen behoudenswaardige cultuurhistorische waarden hebben.
33
Figuur 17 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart
Volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart van de gemeente Gilze en Rijen (september 2022) ligt de planlocatie op de overgang van ‘Bebouwde kom Gilze’ naar ‘De Akkers’. ‘Bebouwde kom Gilze’ Historisch beeld De oudste vermelding van Gilze dateert uit 992, toen villa Gillesela cum appenditis, het Hof van Gilze, geschonken zou zijn aan de abdij van Thorn. Het Hof lag waarschijnlijk tussen de huidige kerk, de Raadhuisstraat en de Heuvel. In de loop van de tijd heeft Gilze zich, bij een kruispunt van wegen, ontwikkeld tot het belangrijkste dorp in de regio. In 1235 werd in Gilze het eerste stenen kerkje gebouwd, die in de 15e eeuw vervangen is door een nieuwe kerk. In het begin van de 19e eeuw beperkte de kern van Gilze zich nog grotendeels tot De Groote Kerkstraat (de huidige Raadhuisstraat), De Kleine Kerkstraat (de huidige Kerkstraat) en het begin van De Rielsche Baan (de huidige Molenstraat). In de loop van de 19e eeuw heeft de bebouwing zich langs de bestaande wegen, met name in noordelijke richting, uitgebreid. Vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw zijn er ook nieuwe wegen aangelegd waarlangs de bebouwing van Gilze zich uitbreidde.
Pas na de Tweede Wereldoorlog, en dan met name vanaf de jaren zeventig, zijn tussen de bestaande wegen uitbreidingswijken ingepast, waarbij de aangrenzende buurtschappen, zoals Aalstraat, Nerhoven, De Logt en De Hoge Vossenberg, in de bebouwde kom van Gilze zijn opgenomen. De aanleg van de A58 in de jaren zestig heeft mede geleid tot de ontwikkeling van twee bedrijventerreinen aan de noordoostzijde van de bebouwde kom. Cultuurhistorische karakteristiek - toponiemen De Hofstad, De laars, De Gilzesche Strijp Akkers, Achter de Hoven, De Aalstraatsche Weiden, De Broek Akkers, De Gilzesche Steen Akkers en De Lage Nerhoven; - historische wegenpatroon, waaronder in het bijzonder de onverharde wegen (Nerhovensche Molenweg, De Aal Straat, De Kleine Aal Straat en Het Goof van Loonpad) en diverse, inmiddels verharde straten, zoals de Nieuwe Dijk van Breda naar Gilze, De Groote Kerkstraat, de Kleine Kerkstraat, De Alphensche Baan, De Laag Straat, de Rijensche Baan etc.; - historische kernen van Gilze, De Logt, De Aalstraat en Nerhoven en oude erven; - waardevolle bebouwing (rijksmonumenten, gemeentelijk monumenten, cultuurhistorisch waardevolle en karakteristieke panden); - cultuurhistorisch waardevolle elementen, zoals kerk, molen en stoommaalderij;
34 - monumentale bomen; - de grootschalige historische structuur (wegen) is nog grotendeels aanwezig. Hierbinnen is een nieuwe stedenbouwkundige structuur van de uitbreidingswijken aanwezig. Hoewel in de bebouwde kom uiteraard ook cultuurhistorische waarden aanwezig zijn, is de historische structuur hier ondergeschikt aan de stedenbouwkundige inrichting en het bebouwingsbeeld. Conclusie Het planvoornemen vormt geen belemmering voor het aspect cultuurhistorie.
7.2
Archeologische waarden
Gemeentelijk archeologiebeleid Op 19 december 2022 heeft de gemeenteraad de Archeologische verwachtings- en beleidskaart vastgesteld. Beleidskaart De archeologische beleidskaart is in een aantal fases tot stand gekomen. Allereerst is gestart met een inventarisatie van de reeds bekende archeologische waarden, historische relicten, landschappelijke en geomorfologische opbouw, alsook bodem. Dit heeft geresulteerd in een archeologische informatiekaart, historische relictenkaart, archeolandschappelijke eenhedenkaart en een bodemkaart. Op basis van de inventarisatiekaarten zijn twee verwachtingskaarten vervaardigd: ‘Jagers en Verzamelaars’ en ‘Boeren- en Staatse samenlevingen’. Ten slotte is aan de verschillende verwachtingseenheden beleid gekoppeld, waarmee de archeologische beleidskaart is ontstaan. De kaart houdt rekening met de specifieke context van de gemeente Gilze en Rijen. De bepaling van verwachtingen is zowel gebaseerd op actuele wetenschappelijke inzichten, als op een studie van technische gegevens. De beleidskaart wordt vertaald in de bestemmingsplannen In het beleidsplan onderscheidt de gemeente een 7-tal verwachtingen, variërend van een zeer hoge tot een verwaarloosbare archeologische verwachting. Per verwachtingswaarde heeft de gemeente bepaald wat de vrijstellingsgrenzen voor archeologisch onderzoek.
Figuur 18 Uitsnede Archeologische verwachtingenkaart
35 De planlocatie ligt volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Gilze en Rijen in de zone ‘categorie 7. Verstoord terrein, vrijgesteld van onderzoek’. Er is geen nader archeologisch onderzoek noodzakelijk. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
7.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsactiviteit. Toetsing Het voornemen betreft een bouwactiviteit van 5 boomhutsuites op het terrein van het resorthotel Van der Valk Gilze. Met deze 5 boomhutsuites wordt circa 300 m2 aan bebouwing toegevoegd. Het perceel wordt niet vergroot en de functie wijzigt niet. Met de realisatie van de 5 boomhutsuites wordt het hotelaanbod uitgebreid en versterkt met een innovatief type accommodatie passend bij de ruimtelijke kwaliteit van directe omgeving. Van een nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ is geen sprake omdat het een reeds bestaand hotel betreft, het perceel niet wordt vergroot en het om slechts 5 nieuwe boomhutsuites gaat.
7.4
Ruimtelijke kwaliteit en welstand
Welstandsnota Gemeente Gilze en Rijen Welstandstoezicht is begin twintigste eeuw ingesteld om te voorkomen dat bouwwerken de openbare ruimte zouden ontsieren. De welstandsbeoordeling is gericht op het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk. Het bouwwerk moet zowel op zichzelf als ook in zijn omgeving worden beoordeeld, waarbij ook verwachte veranderingen van die omgeving een rol spelen. Het welstandsbeleid voor de gemeente Gilze en Rijen is opgesteld vanuit de overtuiging dat de gemeente, ondernemers en inwoners het belang van een aantrekkelijke gebouwde omgeving behartigen. De gevels van gebouwen en andere bouwwerken vormen samen de dagelijkse leefomgeving. Dat betekent dat de verschijningsvorm van een bouwwerk geen zaak is van de eigenaar van het bouwwerk alleen; elke voorbijganger wordt ermee geconfronteerd, of hij nu wil of niet. Een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving verhoogt bovendien de waarde van het onroerend goed en versterkt het vestigingsklimaat. Het welstandstoezicht is bedoel om, in alle openheid, een bijdrage te leveren aan de schoonheid en de aantrekkelijkheid van de gemeente Gilze en Rijen. Het gemeentelijk welstandsbeleid bevat de welstandsaspecten en de criteria waaraan bouwplannen in de gemeente worden getoetst.
Het gaat daarbij om algemene welstandscriteria, gebiedsgerichte welstandscriteria, welstandscriteria voor specifieke objecten en welstandscriteria voor veel voorkomende kleine bouwwerken. De algemene welstandscriteria richten zich op: • • • • • •
De relatie tussen vorm, gebruik en constructie; De relatie tussen bouwwerk en omgeving; De betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context; Het evenwicht tussen helderheid en complexiteit; Schaal en maatverhoudingen; Materiaal, textuur, kleur en licht.
Op 20 december 2010 heeft de gemeenteraad ingestemd met het vernieuwen van het welstandsbeleid. Uit dit besluit blijkt dat de Welstandsnota Gilze en Rijen alleen nog geldt voor de rode gebieden op de bij het besluit behorende kaart. Voor de gele gebieden geldt de Welstandsnota Gilze en Rijen niet meer, maar in plaats daarvan zal de beoordeling aan
36 redelijke eisen van welstand plaatsvinden door middel van de ‘algemene voorschriften gele gebieden.’ Voor groene gebieden geldt de Welstandsnota Gilze en Rijen niet, met uitzondering van de excessenregeling.
Figuur 19 Uitsnede kaart Welstandsnota (planlocatie zwart omlijnd)
Toetsing De planlocatie valt in het gele gebied. De Welstandsnota Gilze en Rijen geldt niet voor ontwikkelingen in het gele gebied. Hiervoor gelden algemene voorschriften (redelijke eisen van welstand) waaraan bouwplannen moeten voldoen. De gemeente Gilze en Rijen hanteert de volgende algemene voorschriften voor gele gebieden: • het uiterlijk van het gebouw of bouwwerk is een begrijpelijk een logische keuze vanuit het gebruik of de bestemming; • het gebouw of bouwwerk is een begrijpelijk een logische keuze ten opzichte van zijn omgeving; • de gekozen stijlvorm is begrijpelijk en logisch; • de samenhang tussen maatverhoudingen in ruimtes, volumes en vlakverdelingen is logisch en begrijpelijk; • materiaalgebruik, kleuren textuur is logisch en begrijpelijk. Het planvoornemen vormt geen belemmering voor de ruimtelijke kwaliteit en welstand.
37
8.
NATUURBESCHERMING
De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. De Wet natuurbescherming is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die geldig waren in de Wet natuurbescherming. Voor het tijdelijk Omgevingsplan van de gemeente Gilze en Rijen is er sprake van een beleidsneutrale overgang. Het normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht zijn ongewijzigd. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
8.1
Gebiedsbescherming
Natura 2000 De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Stikstof Onder de Omgevingswet is er een stikstofregistratiesysteem in plaats van de nationale Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). De regels over de nationale Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) komen niet terug onder de Omgevingswet. Wel geeft de Omgevingswet regels over een stikstofregistratiesysteem voor woningbouwprojecten en enkele rijkswegen. Dat systeem houdt bij hoeveel ruimte er aan stikstofdepositie is voor (nieuwe) projecten zonder dat Natura 2000gebieden daaronder lijden.
De Wet stikstofreductie en natuurverbetering regelt de structurele stikstofaanpak door de volgende onderdelen op te nemen in het stelsel van de Omgevingswet: • resultaatsverplichtende omgevingswaarden voor de stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000gebieden • een verplicht Rijksprogramma stikstofreductie en natuurverbetering • een systeem van monitoring en bijsturing Onderzoek Voor het planvoornemen is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd (externe bijlage: Realisatie 5 boomhutsuites, Ordito B.V. d.d. 29 januari 2025). Met behulp van de Aerius calculator is een berekening gemaakt voor de aanlegfase en de gebruiksfase. Uit de berekeningen blijkt dat – met de uitgangspunten die in dit onderzoek gedaan zijn gedurende de gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar is berekend.
8.2
Soortenbescherming
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie
38 stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • er soorten aanwezig zijn; en • welke soorten dat zijn. Onderzoek soortenbescherming Om de ontwikkeling van 5 boomhutsuites binnen het kader van de Omgevingswet uit te kunnen voeren is door Idverde Advies een geactualiseerde quickscan Natuur uitgevoerd. In het rapport zijn de bevindingen uitgewerkt, waarbij rekening is gehouden met de soortenbescherming. Het volledige rapport is als bijlage bij de toelichting opgenomen (Idverde projectnummer 722230242, versie 2.1, d.d. 22 januari 2025).
8.3
NNN
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en het omringende agrarische gebied verbinden. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • Bestaande natuurgebieden, waaronder 20 nationale parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren, meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid verantwoordelijk. In het Natuurpact hebben de provincies met het Rijk afgesproken om tot 2027, 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen een aangesloten Pan Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen. Natuurnetwerk Brabant Uit de provinciale Omgevingsverordening blijkt dat de planlocatie is gelegen in een strook Natuurnetwerk Brabant. Kleinschalige bebouwing en recreatief medegebruik is toegestaan mits de ecologische waarden en kenmerken van het natuurnetwerk Brabant niet worden aangetast.
39
Figuur 20 Uitsnede kaart 3 TAM Omgevingsverordening Noord-Brabant
De planlocatie is op de Beheertypenkaart van het Natuurbeheerplan van de provincie Noord-Brabant gekenmerkt als beheertype ‘N16.03 Droog bos met productie’. Vanwege de ligging in NNB onder natuurdoeltype ‘N16.03 Droog bos met productie’, is in beeld gebracht of het plan in dat kader aansluit bij de voorwaarden uit de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant en weergeven hoe aan deze voorwaarden voldaan kan worden. Onderzoek In opdracht van Ordito BV heeft idverde Advies een toetsing NNB uitgevoerd om te bepalen in hoeverre de gebruiksfase negatieve effecten heeft op het betreffende natuurdoeltype (externe bijlage, projectnr: 722230242, , versie 3.0, d.d. 20 september 2024). De voorgenomen ontwikkeling valt binnen het NNB. Hierdoor is mogelijk een conflict met dit onderdeel van de provinciale planologische gebiedsbescherming indien het vastgestelde natuurdoeltype negatief beïnvloed wordt of dat deze niet behaald kan worden. Middels deze toets is in beeld gebracht in hoeverre de gebruiksfase negatieve effecten heeft op het betreffende natuurdoeltype. Omdat de inrichting van NNB onderdeel is van het plan is in beeld gebracht of het plan in dat kader aansluit bij de voorwaarden uit de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant en hoe aan deze voorwaarden voldaan kan worden.
Toetsingskader Het provinciale ruimtelijke beleid voor het NNB is vastgelegd in paragraaf 5.2.5. van de Omgevingsverordening van de Provincie Noord-Brabant. De instructieregels bevatten de kern voor de bescherming van het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Bij het opstellen van een omgevingsplan zijn gemeenten verplicht aansluiting te zoeken bij de wezenlijke ecologische kenmerken en waarden die in het natuurbeheerplan zijn beschreven. Deze waarden en kenmerken zijn per gebied vastgelegd in een beheertypenkaart en in een ambitiekaart. Beide kaarten vormen de kern van het natuurbeheerplan. De beheertypenkaart brengt in beeld wat de actuele situatie is. De ambitiekaart geeft de gewenste eindsituatie (ambitie) aan. Zolang er geen sprake is van een significante aantasting, is er vanwege het NNB geen grond om de activiteit tegen te houden. Wel wordt de activiteit uiteraard nog getoetst aan ander beleid of regelgeving. Naast behoud en ontwikkeling van ecologische waarden en kenmerken streeft de provincie binnen het NNB ook behoud na van cultuurhistorische waarden en andere wezenlijke kenmerken zoals rust en stilte. Op provinciaal niveau zijn de cultuurhistorische waarden en kenmerken vastgelegd op de Cultuurhistorische waardenkaart van NoordBrabant.
Als ecologische waarden en kenmerken gelden de natuurbeheertypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het natuurbeheerplan.
40 Het planvoornemen is getoetst aan de regels van artikel 5.36 uit de Omgevingsverordening. Dit artikel is gericht op kleinschalige herbegrenzingen. Bij deze ontwikkelingen wordt er een beperkte inbreuk gemaakt op de omvang van het Natuur Netwerk en ook de aantasting van natuurwaarden moet beperkt zijn. Bij een kleinschalige herbegrenzing geldt de voorwaarde dat de gemeente verzoekt om een aanpassing van de grenzen van het NNB. Wat kleinschalig is, kan per geval verschillen en betreft maatwerk. Toetsing Artikel 5.36 Ontwikkeling met beperkte gevolgen voor natuurwaarden: Een omgevingsplan kan een ontwikkeling binnen het Natuur Netwerk Brabant mogelijk maken in het geval dat: a. de aantasting van het areaal Natuur Netwerk Brabant kleinschalig is; b. de aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant beperkt is; c. de ontwikkeling leidt tot een kwalitatieve of kwantitatieve versterking van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant als geheel; d. er een afweging van alternatieven heeft plaatsgevonden; e. er sprake is van een goede landschappelijke en natuurlijke inpassing; f. bij verlies van ecologische waarden en kenmerken wordt voldaan aan Artikel 5.37 ; en g. in het omgevingsplan is aangegeven op welke wijze de uitvoering en monitoring zijn verzekerd. a)
de aantasting van het areaal Natuur Netwerk Brabant is kleinschalig; De ontwikkeling betreft 5 boomhutsuites van elk ca. 60 m2, in totaal ca. 300 m2 oppervlak. De boomhutsuites worden op palen gebouwd waardoor de ondergrond onaangetast blijft. De totale oppervlakte benodigd om de boomhutsuites te realiseren bedraagt 945 m2. In totaal verdwijnt ca. 900 m2 aan NNB terrein met beheertype N16.03 ‘Droog bos en productie’. Figuur 4.1 geeft het gehele NNB terrein weer in de huidige staat. In figuur 4.2 is de beoogde herbegrenzing aangegeven. Het aangrenzende NNB-areaal bestaat uit het beheertype N16.03 ‘Droog bos met productie’ wat een oppervlakte heeft van 461.263 m2. Door het verlies van 945 m2 gaat er 0,2% van het beheertype verloren wat als kleinschalig kan worden beschouwd.
Het NNB terrein in de huidige situatie (met groen is het NNB terrein met beheertype N16.03 ‘Droog bos met productie’ aangegeven.
Het NNB terrein in de huidige situatie (met groen is het NNB terrein met beheertype N16.03 ‘Droog bos met productie’ aangegeven.
41
De nieuwe beoogde begrenzing van het NNB terrein waarbij ca. 900 m2 te vervallen komt.
b)
de aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant beperkt is Bouwwerkzaamheden kunnen zorgen voor een tijdelijke verstoring van verstoringsgevoelige soorten binnen NNB door geluid, licht of betreding. Bouwwerkzaamheden worden in de periode 15 augustus t/m 15 maart uitgevoerd om te voorkomen dat verstoring van broedvogels plaatsvindt. Daarnaast worden de bouwwerkzaamheden enkel overdag uitgevoerd om te voorkomen dat aanwezige soorten verstoord worden. Tijdens de uitvoering wordt voorkomen dat (zwaar) bouwmaterieel gaat rijden in het NNB gebied. Transport van materialen zal via bestaande wegen rijden. Opslag van materialen en materieel vindt plaats op de parkeerplaats op het terrein van Van der Valk. Tevens wordt er tijdens de bouwfase door een ecoloog op toegezien dat de werkzaamheden, de planning en de fasering zodanig wordt uitgevoerd dat verstoring van diersoorten zoveel mogelijk te voorkomen. De huisjes staan op palen en zijn verbonden via een loopbrug met het hoofdgebouw. Vanuit de boomhutsuites of de loopbrug zijn er geen afzonderlijke trapjes die het NNB-gebied in gaan. Bezoekers kunnen dus vanuit de boomhutsuites, via de loopbrug enkel naar het hoofdgebouw lopen en vice versa. Vanuit het hoofdgebouw kunnen de bezoekers gebruik maken van de bestaande wandelpaden in het gebied.
Met de loopbrug worden recreanten bewust gestuurd naar bestaande wandelpaden. Dit voorkomt dat recreanten vanuit de suites direct het gebied kunnen betreden en voor extra verstoring van de NNB en vertrapping van de (nieuw aan te leggen) beplanting zorgen. Elke boomhutsuite staat in een eigen omgeving waarbij de meest zuidelijke suite in een heide vegetatie zal komen te staan, de middelste op de rand van zoom- en mantelvegetatie en de twee noordelijke boomhutsuites staan in een open plek in het bos omgeven door hoger struweel en enkele nieuw aan te planten loofbomen. Verstoring van de huisjes naar het omliggende NNB-gebied wordt hiermee voorkomen. Tijdens de gebruiksfase van de boomhutsuites treedt derhalve geen extra aantasting of verstoring van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB-gebied op. Met het gewenste plan komt het behalen van het gewenste ambitietype ook niet in gevaar.
c)
De ontwikkeling leidt tot een kwalitatieve of kwantitatieve versterking van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant als geheel; Momenteel wordt de planlocatie beheerd en gebruikt als tuin/park behorende bij het hotel. Bij toepassing van het beplantingsconcept (zie bijlage 1) zal het NNB terrein toenemen in kwaliteit door het verkrijgen van een
42 bos met meer dynamiek en variatie in de vorm van structuurrijke zoom- en mantelvegetatie. Het landschappelijk inpassingsplan omvat een omvorming en samenvoeging van een padenstructuur. De vegetatietypen die in het beplantingsconcept zijn opgenomen sluiten aan op de bestaande vegetatie en abiotische omstandigheden. Binnen het beplantingsconcept zijn tevens doelsoorten gekozen die in het aangrenzend natuurgebied (kunnen) voorkomen. De doelsoorten en beplanting zijn zo gekozen dat ook het leefgebied van veel andere (meer algemene) diersoorten wordt verbeterd. De gekozen doelsoorten bestaan uit bonte vliegenvanger, die vooral wordt aangetroffen in halfopen loof- en gemengde bossen met een gevarieerde structuur. Daarnaast de levendbarende hagedis die als biotoop een voorkeur heeft voor natte en droge heidegebieden, stuifduinen, open plekken in bossen en heischrale graslanden. De kleine parelmoervlinder die leeft in open pioniersvegetatie en schrale, droge, warme graslanden met kale grond. Ook oeverzwaluwen die steile zandige of lemige oevers aan of nabij water nodig hebben om te broeden behoort tot de doelsoorten (Kruik Kok Landschapsarchitecten). Ter plaatse wordt de kwaliteit van het leefgebied voor veel diersoorten versterkt. d)
Afweging van alternatieven; De beoogde locatie voor de boomhutsuites ligt aan de rand van het hotelterrein op de overgang naar het aangrenzende natuurgebied Klein Zwitserland met waterplas. Juist deze locatie is geschikt voor de vormgegeven boomhutsuites, vanwege enerzijds het uitzicht en contact met het aangrenzende natuurgebied en anderzijds de goede ontsluiting en aansluiting op het hotelterrein met bestaande parkeergelegenheid en de hotelfaciliteiten in de directe nabijheid. Door de boomhutsuites dicht bij het hoofdgebouw te plaatsen kunnen de bezoekersstromen via een loopbrug gestuurd worden en wordt verstoring van het NNB beperkt. Met het beplantingsconcept en de inrichting van het terrein is er bewust voor gekozen om aan te sluiten op de huidige natuurwaarden en deze zoveel mogelijk te versterken. Het bestaande groen krijgt hiermee een flinke upgrade en bestaande verharding wordt deels verwijderd. De boomhutsuites liggen aan de achterzijde van het hotelterrein en zijn vanaf de openbare weg niet zichtbaar. Met de realisatie van de boomhutsuites wordt het hotelaanbod uitgebreid en versterkt met een innovatief type accommodatie passend bij de ruimtelijke kwaliteit van de directe omgeving. Op het reeds volledig bebouwde en ingerichte terrein van resort Van der Valk zijn geen mogelijkheden om dergelijke boomhutsuites te kunnen plaatsen.
e)
Er is sprake van een goede landschappelijke en natuurlijke inpassing; De boomhutsuites worden landschappelijk ingepast. Er is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld dat aansluit op de bestaande vegetatie en abiotische omstandigheden. Het doel is een plaatselijke kwaliteitsverbetering van de wezenlijke ecologische kenmerken en waarden van het gebied (“Landschappelijke inrichting boomhutten, Kruik Kok Landschapsarchitecten, 16-09-2021). Het landschappelijk inpassingsplan bevat ook een beplantingsconcept (bijlage 1). In het beplantingsconcept worden de volgende vegetatietypen beschreven: BR1 – KR2: Structuurrijke zoom- en mantelvegetatie en schaduwplanten onder de bomen, ontwikkeling naar een wintereiken-beukenbos, met eik, beuk, linde, lijsterbes, wilde appel en sporkehout. Ondergroei van schaduwrijke kruidenvegetatie en varens. Aan de zonzijde in de zoom incidenteel brem en hondsroos. KR1: Schraal kruidenrijke grasland, bijvoorbeeld G1 mengsel Cruijdthoeck. KR3: Droge heide met reliëf en kleine stuifduintjes, bremstruweel, struikheide, kraaiheide en/of bosbessoorten en zandige plekken. Daarnaast komt er klimbeplanting tegen de peilers van de boomhutsuites van hop, kamperfoelie, hedera, bosrank en egelantiersroos op zonnige plekken. De boomhutsuites staan niet gefundeerd op de grond maar op palen.
Volgens de beschikbare tekeningen (Vermeer Architecten) is de hoogte van de boomhutsuites variabel. Onbekend is of deze hoog genoeg van de grond af komen om beplanting onder de boomhutsuites te realiseren.
f)
Er bij het verlies van ecologische waarden en kenmerken wordt voldaan aan artikel 5.37 Compensatie; Uit deze toetsing blijkt dat er geen verlies van ecologische waarden en kenmerken is waardoor het artikel 5.37 Compensatie hier niet van toepassing is.
g)
Verzekeren van uitvoering en monitoring; Bij het uitvoeren van de werkzaamheden wordt een deskundig ecoloog betrokken om te borgen dat het landschappelijk inpassingsplan en beplantingsconcept doorgevoerd worden. De planning en fasering van de bouwwerkzaamheden wordt met de ecoloog afgestemd om verstoring van diersoorten zoveel mogelijk te voorkomen. Op kritische momenten in het bouwproces is de ecoloog ter plaatse om te adviseren hoe schade
43 aan natuurwaarden kan worden voorkomen. De betrokken ecoloog houdt tevens een logboek bij waarin alle werkzaamheden met eventuele bijzonderheden genoteerd worden. Conclusie en advies Uit de eerder uitgevoerde quickscan (idverde Advies, actualisatie september 2024) en kijkend naar het huidige gebruik en beheer van de planlocatie als tuin/park, blijkt dat de ecologische waarden en kenmerken van de planlocatie beperkt zijn. De herbegrenzing van het NNB is kleinschalig te noemen wanneer dit afgezet wordt tegen het totale aangrenzende NNB areaal en het totale oppervlak van natuurdoeltype N16.03 in het bijzonder. Door het landschappelijk inpassingsplan en beplantingsconcept krijgt het huidige NNB terrein een kwalitatieve impuls wat uiteindelijk zal leiden tot een kwalitatieve verbetering van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB ter plaatse. Verstoring tijdens de gebruiksfase kan toenemen ten opzichte van de huidige situatie, maar de aantasting van de ecologische waarden en kenmerken is beperkt omdat hier tijdens de bouwfase rekening mee wordt gehouden onder begeleiding van een ter zake kundig ecoloog. Met het realiseren van een nieuwe padenstructuur worden bezoekers bewust gestuurd en het recreatief gebruik van het plangebied gezoneerd.
Hiermee wordt verstoring van de omgeving zo veel mogelijk beperkt en maximaal gelijk gehouden met de verstoring als gevolg van het huidige recreatieve gebruik. Realisatie van het landschappelijk inpassingsplan met beplantingsconcept leidt tot een verhoogde kwaliteit van het NNB terrein door het verkrijgen van plaatselijk meer dynamiek en variatie in de vorm van structuurrijke zoom- en mantelvegetatie. Dit geeft een impuls aan het leefgebied van veel meer soorten ten opzichte van de huidige situatie. Aantasting van de ecologische waarden en kenmerken tijdens de bouwfase treden niet op als de voorgeschreven adviezen uit de quickscan worden opgevolgd, waarbij buiten de broedperiode (loopt globaal van maart tot en met augustus) gewerkt wordt, lichtverstrooiing beperkt wordt en voldaan wordt aan de zorgplicht.. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de geactualiseerde quickscan (Idverde Advies, september 2024). Conclusie Het aspect natuurbescherming vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Geconcludeerd kan worden dat de plannen uiteindelijk zullen leiden tot een kwalitatieve verbetering van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB binnen de planlocatie én de omgeving.
44
9. BEHOUDEN VAN DE STAAT EN WERKING VAN INFRASTRUCTUUR EN VOORZIENINGEN 9.1
Beperkingengebieden
Beperkingengebieden zijn in de wet aangewezen gebieden waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Toetsing De locatie van de boomhutsuites bevindt zich niet in een beperkingengebied.
9.2
Kabels en leidingen
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd en beschermd tegen ingrepen die de werking ervan kunnen bedreigen. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; • aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; • defensiebrandstoffen; • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Aan de andere kant dient de omgeving te worden beschermd tegen het gevaar dat van bestaande en toekomstige leidingen, kabels en hoogspanningslijnen kan uitgaan. Ter bescherming van de kabels en leidingen en de omgeving worden zones opgenomen in een omgevingsplan waarin beperkingen gelden. Toetsing De boomhutsuites bevinden zich buiten het invloedsgebied van een relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen.
45
10.
VLIEGBASIS GILZE-RIJEN
IHCS Gilze ligt geheel binnen het horizontale obstakelvrije vlak van vliegbasis Gilze-Rijen (onderdeel van de Inner Horizontal en Conical Surface, IHCS). Ter plaatse van de planlocatie geldt voor dit vlak een bouwhoogtebeperking van 56 meter boven NAP. Ervan uit gaande dat het maaiveld ter hoogte van de planlocatie maximaal 19 meter boven NAP ligt, betekent dit dat nergens in de planlocatie hoger dan 37 meter mag worden gebouwd. Daarnaast ligt Gilze deels in de funnel van de vliegbasis. De funnel is een obstakelvrij start- en landingsvlak waarvan de bouwhoogtebeperking binnen de planlocatie oploopt van circa 30 meter boven NAP tot 56 meter boven NAP. Dit kan worden vertaald in maximale bouwhoogtes van 25 tot 115 meter ten opzichte van het maaiveld. De beoogde bouwhoogte van voorliggend planvoornemen blijft ver onder deze maximale bouwhoogtes. Vrijwaringszone -ILS Vliegbasis Gilze-Rijen beschikt over een Instrument Landing System (ILS). Voor het goed functioneren van het ILS is het noodzakelijk dat in het gebied, het verstoringsgebied, rondom de start- en landingsbaan geen verstoring optreedt. Het gebied bestaat uit meerdere vlakken met daarbij behorende hoogtes, zowel horizontaal als oplopend. Dit stelt beperkingen aan de te realiseren bouwhoogte. de planlocatie is gelegen binnen de vrijwaringszone ILC- 9.
Dit betekent dat de bouwhoogte van een bouwwerk binnen de planlocatie niet meer mag bedragen dan 30,6 meter boven NAP. De beoogde bouwhoogte van het planvoornemen blijft ver onder deze bouwhoogte. Munitiezone Luchtvaart is te beschouwen als een risicovolle activiteit. Het huidige externe veiligheidsbeleid is met name gericht op ‘stationaire bronnen’ (fabrieken, opslagplaatsen, e.d.) en op het vervoer van gevaarlijke stoffen (weg, water, spoor en buisleidingen). In de luchtvaart gaat het op ‘bewegende bronnen’, die een ander risicobeeld met zich mee brengen. Daarom wordt voor de luchtvaart specifiek extern veiligheidsbeleid ontwikkeld, dat zal worden geïmplementeerd in de Wet Luchtvaart. Het beleid beperkt zich op dit moment nog tot Schiphol. Voor militaire vliegvelden blijft het Ministerie van Defensie verantwoordelijk. Toetsing Het huidige toetsingskader legt geen beperkingen op aan ontwikkelingen in de planlocatie. Wel is op de vliegbasis GilzeRijen een munitiecomplex aanwezig. De boomhutsuites bevinden zich binnen zone C van de munitieopslag van Vliegbasis Gilze-Rijen. Om de veiligheidsrisico’s in te schatten heeft AVIV een QuickScan externe veiligheid uitgevoerd. (externe bijlage, projectnummer 224991, 29 juni 2022). Het onderzoek concludeert dat de ligging binnen zone C van de munititieopslag van Vliegbasis Gilze-Rijen een risico oplevert in geval van explosie.
Er gelden binnen zone C beperkingen voor gebouwen met vlies- of gordijngevelconstructies en gebouwen met zeer grote glasoppervlakten, omdat deze extra gevoelig zijn bij een eventuele explosie. Bij de uitvoering van de boomhutsuites dient hiermee rekening te worden gehouden en moeten grote glasoppervlakken worden voorkomen. Geluid Over Gilze vallen twee zoneringen die verband houden met het aspect geluid. Enerzijds ligt een gedeelte van Gilze binnen de zone industrielawaai van de proefdraai - installatie op de vliegbasis. Anderzijds gelden voor een gedeelte van Gilze beperkingen vanwege luchtverkeerslawaai. 50 dB(A)-zone Op de vliegbasis Gilze-Rijen is een proefdraai-installatie toegestaan. Een dergelijke installatie moet worden aangemerkt als een geluidzoneringsplichtige inrichting (een zogenaamde ‘grote lawaaimaker’) en is als zodanig voorzien van een 50 dB(A)-contour. Buiten deze contour mag de geluidbelasting, vanwege de proefdraai-installatie, niet meer bedragen dan 50 dB(A). Binnen de 50 dB(A)-contour mogen niet zonder meer nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen worden geprojecteerd. Voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen geldt dat door het College van Burgemeester en Wethouders een ontheffing voor een hogere waarde tot maximaal 55 dB(A) kan worden verleend.
46 Luchtverkeerslawaai (Ke-zonering) De maximaal toelaatbare geluidbelasting in het kader van het Besluit geluidbelasting grote luchtvaart, wordt gemeten in Kosteneenheden (Ke). De grens voor de maximaal toelaatbare geluid belasting voor nieuwe geluidgevoelige objecten bedraagt in principe 35 Ke. Voor nieuwe woningen die een open plek in de bestaande, te handhaven bebouwing opvullen en voor herbouw van bestaande woningen geldt een grenswaarde van 40 Ke. Voor woningen die noodzakelijk zijn uit oogpunt van bedrijfs- of grondgebondenheid en voor reeds geprojecteerde woningen geldt een grenswaarde van 45 Ke. Voor bestaande geluidgevoelige objecten (waaronder woningen) geldt in principe een grenswaarde van 40 Ke. Als gevelmaatregelen zijn getroffen, zijn voor bestaande geluidgevoelige objecten hogere grenswaarden (tot 65 Ke) toegestaan. Gilze ligt gedeeltelijk binnen de 40 Ke-contour van vliegbasis Gilze-Rijen. Op de gronden die binnen deze aanduiding vallen, mag in principe geen geluidgevoelige bebouwing worden opgericht, op enkele uitzonderingen na. Toetsing De boomhutsuites zijn niet aangemerkt als een geluidsgevoelig object. Het luchtverkeerslawaai levert derhalve geen belemmering op voor het planvoornemen. Conclusie De vliegbasis Gilze-Rijen vormt geen belemmering voor het planvoornemen
47
11.
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
Wettelijk kader De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 2 worden gevallen benoemd waarin de mer-plicht geldt. Kolom 3 noemt gevallen waarin de mer-beoordelingsplicht geldt. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de m.e.r.-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. Dit kan een besluit zijn voor het omgevingsplan of het betreft een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (of een ontgrondingenactiviteit, wateractiviteit e.d.). Toetsing Het planvoornemen is te beoordelen als project ‘vakantiedorpen of hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen’ zoals opgenomen in bijlage V onder M3 in de bijlagen behorende bij het Besluit milieueffectrapportage. Het project is volgens kolom 2 van bijlage V van het omgevingsbesluit niet m.e.r.-plichtig. De m.e.r. beoordelingsplicht geldt enkel voor besluiten over het omgevingsplan.
In dit geval wordt echter een besluit genomen voor een buitenplanse omgevingsvergunning. Ten aanzien van het planvoornemen geldt zodoende ook geen m.e.r beoordelingsplicht. Conclusie Het aspect m.e.r.-regelgeving vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
48
12.
UITVOERBAARHEID
De gemeente moet onderzoeken of ontwikkeling op de betrokken locatie in beginsel mogelijk is. Voor een Bopa dient de gemeente de uitvoerbaarheid aan te tonen.
12.1
Economische uitvoerbaarheid
Het plan betreft een particulier initiatief op particulier terrein. De planschade en leges worden op basis van legesverordening in rekening gebracht. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid van voorliggend plan voldoende aangetoond.
12.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Participatie Artikel 7.4 Or bevat aanvraagvereisten over participatie. Het aanvraagvereiste participatie geldt voor alle omgevingsvergunningen. Dus zowel voor de van rijkswege aangewezen vergunningplichtige activiteiten, en voor de decentraal aangewezen vergunningplichtige activiteiten zoals opgenomen in een omgevingsplan (omgevingsplanactiviteitvergunningen). Voor deze ontwikkeling is geen omgevingsdialoog gehouden. Er zijn namelijk geen directe omwonenden of andere partijen met een belang in de omgeving. De aangrenzende waterplas wordt door Van der Valk zelf gehuurd. Het vooroverleg met de gemeente en provincie is al gevoerd. Advies en instemming In het kader van advies en instemming, wordt de BOPA toegezonden aan de volgende overleginstanties: de provincie Noord-Brabant, het Waterschap Brabantse Delta en de veiligheidsregio. Vaststellingsprocedure Op voorliggende aanvraag is conform artikel 16.62 Omgevingswet de reguliere procedure van titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De beslistermijn is acht weken.