CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage bij technische vragen - Rapport Woonzorganalyse Hart van Brabant 09-03-2022

Raadscommissie Ruimte 9 mei 2023, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: 23-020 RIB Prestatieafspraken 2023-2024 Leystromen (VVD-GGR-D66)22.679 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Alphen-Chaam Baarle-Nassau Dongen Gilze en Rijen Goirle Heusden Hilvarenbeek Loon op Zand Oisterwijk Tilburg Waalwijk Hart van Brabant-plus Nederland

aandeel 0 tot 18 jarigen geregistreerde verdachten per in bijstandsgezinnen verdachten tot 25 jaar 10.000 inwoners

60 40 160 300 120 250 90 130 150 3660 370 5330 204.330

3,3% 3,3% 3,3% 5,8% 2,5% 2,9% 3,0% 3,0% 3,0% 9,4% 4,1% 5,5% 6,1%

10 10 60 60 40 80 20 50 50 770 130 1280 54.600

55 124 163 149 121 119 96 145 121 198 185 169 179

Bron: CBS

2.3

Samenvattend

De regio Hart van Brabant is in veel opzichten een afspiegeling van het landelijke beeld. De verschillen tussen gemeenten zijn echter groot. Tilburg wordt gekenmerkt door een jonge bevolking. Enerzijds gaat het om studenten, die weliswaar een laag i nkomen hebben, maar een kansrijke toekomst tegemoet zien. Anderzijds gaat het om minder welgestelde jonge huishoudens met een laag inkomen en een onzekere positie op de arbeidsmarkt. Ook telt de stad relatief veel achterblijvers, zoals alleenstaande oudere n met een 24

0,0% 0,0% 0,0% 0,0% 0,3% 0,3% 0,0% 0,4% 0,0% 0,4% 0,5% 0,3% 0,4%

laag inkomen en geen vermogen. Het aandeel mensen met beperkingen en aandoeningen ligt hoger dan gemiddeld in de regio (vooral LVB-problematiek). Ook de gemeente Waalwijk, en in mindere mate de gemeente Gilze en Rijen worden gekenmerkt door relatief veel achterblijvers, huishoudens met een laag inkomen en – na Tilburg – relatief veel mensen met een bijstandsuitkering. LVB-problematiek komt in Waalwijk vaak voor en ook ontvangen veel jongeren in Waalwijk jeugdhulp. De gemeente Hilvarenbeek wordt gekenmerkt door veel comfortabel gepensioneerden en de werkende middengroep. Het aandeel inwoners met aandoeningen is beperkt (er is weinig LVB-problematiek) en het aantal jongeren dat jeugdhulp ontvangt of als verdachte staat geregistreerd ligt laag. Baarle-Nassau, Oisterwijk en in mindere mate Alphen-Chaam worden gekenmerkt door relatief veel ouderen. In Baarle-Nassau wonen meer lagere inkomens dan in AlphenChaam en Oisterwijk, waar de werkende middengroep en de gemengd hogere inkomensgroep groter van omvang zijn. In Baarle-Nassau en Alphen-Chaam komt jeugdproblematiek weinig voor, terwijl somatische problematiek veel voorkomt. In Oisterwijk wonen zeker gegeven de hoge sociaal economische status van de bevolking (die samen gaat met een hogere zelfredzaamheid) relatief veel ouderen intramuraal.

Vermoedelijk vervullen de hier aanwezige verpleeghuizen een bovengemeentelijke opvangfunctie. De andere gemeenten nemen in veel opzichten een middenpositie in , of springen er bij een enkele indicator uit. Voor Goirle en Heusden valt op dat hier in relatieve zin het aantal 75-plussers het sterkst zal toenemen volgens de provinciale prognose. In Dongen ontvangen relatief veel jongeren jeugdhulp. In Loon op Zand wonen relatief veel inwoners met een indicatie verpleging en verzorging. Uiteraard geldt dat ook binnen de gemeenten de verschillen tussen kernen, wijken en buurten groot kunnen zijn.

25

3

Behoeften op het vlak van wonen, zorg en welzijn

In dit hoofdstuk staan de beperkingen die inwoners hebben en de behoefte n die daaruit voortkomen centraal. Daarbij wordt zowel stilgestaan bij de behoefte aan specifieke woonvormen als meer algemene behoeften aan zorg en ondersteuning.

3.1

Beperkingen en ondersteuningsbehoefte

De WoonZorgwijzer gaat uit van de gedachte dat verschill ende aandoeningen (zoals omschreven in paragraaf 2.2) leiden tot beperkingen in het dagelijks leven. Deze beperkingen zijn uitgesplitst in een veertiental levensdomeinen. In figuur 3-1 staat aangegeven welk aandeel inwoners beperkt is op een bepaald levensdomein in de regio Hart van Brabant, afgezet tegen het landelijk en provinciaal gemiddelde. Het aandeel inwoners met beperkingen ligt in Hart van Brabant ongeveer tussen het provinciaal en landelijk gemiddelde in. figuur 3-1

Het aandeel inwoners van 19 jaar of ouder dat zelfstandig woont en naar verwachting beperkt is op een bepaald levensdomein in de regio Hart van Brabant, Noord-Brabant en Nederland, 2020

Bron: WoonZorgwijzer 3.0

26

De figuur maakt vooral duidelijk dat breder moet worden gekeken dan alleen het realiseren van specifieke woonvormen. Er zijn bijvoorbeeld veel mensen die problemen hebben bij het vinden van een zinvolle invulling van de dag en het aangaan en onderhouden van sociale contacten. Dat maakt dat bijvoorbeeld ook het lokale verenigingsleven van belang is. Ook zijn er veel mensen die problemen ondervinden met administratie en financiën en het cognitief functioneren. Dat maakt dat bijvoorbe eld de communicatie richting de inwoners eenvoudig moet zijn en men moet beseffen dat niet iedereen zijn weg weet te vinden op internet. Het aantal mensen dat beperkt is op deze levensdomeinen is veel groter dan bij de direct aan het wonen gerelateerde levensdomeinen. Er zijn 12.000 inwoners met mobiliteitsbeperkingen binnenshuis. Voor deze groep is een gelijkvloerse woning van belang. Het aantal inwoners met mobiliteitsbeperkingen buitenshuis is bijna twee keer zo groot. Voor deze groep is de inrichting van de openbare ruimte van belang evenals het openbaar vervoer. De eerder genoemde groep die problemen ervaart met cognitief functioneren is zelfs vier keer zo groot. Het wonen is dus zeker een belangrijke component, maar moet wel in perspectief worden gezien. In tabel 3-1 staat het aandeel inwoners dat beperkt is per gemeente weergegeven.

Ouderdom gerelateerde beperkingen zoals mobiliteit buitenshuis en in huis liggen in Baarle-Nassau en Alphen-Chaam boven het regionale en landelijke ge middelde. In Tilburg komen andere beperkingen vaak voor, zoals moeite met administratie / financiën .

tabel 3-1

Het aandeel inwoners van 19 jaar of ouder dat zelfstandig woont en naar verwachting beperkt is op een bepaald levensdomein in de gemeenten in de regio Hart van Brabant, 2020

Bron: WoonZorgwijzer 3.0

27

3.2

Behoefte aan wonen met zorg

Woonzorgbehoefte van kwetsbare groepen Uiteraard geldt voor alle kwetsbare groepen dat een passende woning/woonruimte noodzakelijk is. Bij veel kwetsbare groepen geldt dat de behoefte aan zelfstandige woningen bepaald wordt door het inkomen en de huishoudenssamenstelling. Het aantal leden van het huishouden bepaalt de gewenste woninggrootte, en het inkomen (en vermogen) hoeveel men kan besteden aan de huur en hypotheek. Voor de overige kenmerken van de woning verschillen de specifieke wensen van persoon tot persoon en is men in zekere mate ook flexibel. Er is geen één op één relatie tussen zorggroepen en gewenste woningen. Een dergelijke relatie is – in bepaalde mate – alleen aanwezig bij de inwoners met de zware beperkingen die zijn aangewezen op intramurale huisvesting. Woonzorgbehoefte van ouderen Ook voor de in aantal toenemende groep ouderen geldt dat er geen één op één relatie is tussen zorggroepen en gewenste woningen. Echter, hier geldt dat ook de groep met zwaardere beperkingen in de toekomst waarschijnlijk vaker zelfstandig zal (moeten) wonen. De toenemende woonzorgbehoefte van ouderen brengen we in dit onderzoek in beeld aan de hand van het ramingsmodel wonen met zorg van In.Fact.Research. In dit model worden twee niveaus onderscheiden: • Zorg op afroep. Het gaat hier om ouderen met beperkingen die leiden tot een behoefte aan zorg op afroep.

In het verleden woonde deze groep veelal in het verzorgingshuis, tegenwoordig kan deze zorg op vele (sommigen zeggen alle) locaties worden geleverd. • 24-uurszorg. Het gaat hier om ouderen met beperkingen die leiden tot e en behoefte aan 24-uurszorg. Het grootste deel van deze groep verblijft in een verpleeghuis, maar een in aantal toenemende groep ontvangt de zorg via een PBG, VPT of MPT 4 in de eigen woning. In figuur 3-2 staat de ontwikkeling van beide groepen in de regio Hart van Brabant weergegeven. Het aantal ouderen met beperkingen die leiden tot een behoefte aan 24 uurszorg neemt de komende jaren sterk toe, van 5.100 in 2021 tot bijna 7.000 in 2030 en tot bijna 9.700 in 2040. Deze toename is in elke gemeente zichtbaar (tabel 3-2). Duidelijk is dat de verpleeghuiscapaciteit niet zal meegroeien met de behoefte. Volgens Zorgverzekeraars Nederland neemt het aantal ouderen met een intensieve zorgbehoefte in Hart van Brabant (exclusief Alphen-Chaam en Baarle-Nassau) over de periode 2020 tot 2025 met ruim 780 toe (bron: Regiomonitor 2021 verpleeghuiszorg). Deze raming komt vrijwel exact overeen met de raming van In.Fact.Research. Zorgverzekeraars Nederland geeft in de Regiomonitor aan dat de Wlz-aanbieders plannen hebben om hun

4

Persoonsgebonden budget, volledig pakket thuis of modulair pakket thuis. 28

aanbod over de periode 2020 tot 2025 uit te breiden met slechts 350 (zowel geclusterde woonvormen als intramuraal). Deze situatie zal ertoe leiden dat er meer ouderen met zwaardere beperkingen zelfstandig zullen (moeten) blijven wonen (met een VPT, MPT of PGB). De mate waarin dit het geval zal zijn, is voor een belangrijk deel afhankelijk van de te maken beleidskeuze s. Voor minimaal een deel van de groep die niet langer in een verpleeghuis terecht kan, zullen andere zelfstandige woonvormen moeten worden gerealiseerd. figuur 3-2

De ontwikkeling van het aantal ouderen met beperkingen die leiden tot een behoefte aan 24-uurs zorg of zorg op afroep in de regio Hart van Brabant

18.000 16.000

24-uurs zorg

14.000

12.000 zorg op afroep

10.000 8.000 6.000 4.000 2.000

2021 2022 2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030 2031 2032 2033 2034 2035 2036 2037 2038 2039 2040

0

Bron: ramingsmodel wonen met zorg In.Fact.Research

tabel 3-2

Het aantal ouderen met beperkingen die leiden tot een behoefte aan 24-uurs zorg of zorg op afroep in de gemeenten in de regio Hart van Brabant, in 2021 en ontwikkeling in 2021 tot 2030 en 2040

zorg op afroep

2021 2021-2030 2021-2040

24-uurs zorg

2021 2021-2030 2021-2040

Alphen- BaarleGilze en Hilvaren Loon op Hart van Chaam Nassau Dongen Rijen Goirle Heusden beek Zand Oisterwijk Tilburg Waalwijk Brabant-plus 150 130 280 330 360 570 210 240 380 1.750 510 4.920 50 30 80 100 100 180 70 40 100 460 120 1.300 90 40 130 170 160 340 110 60 170 890 200 2.350 100 40 100

80 50 90

320 120 320

250 100 230

190 90 190

410 160 390

160 100 190

340 140 320

480 130 350

2.220 680 1.840

Bron: ramingsmodel wonen met zorg In.Fact.Research

Parallel aan de keuze intramuraal versus extramuraal geldt de keuze geconcentreerd versus gespreid. In de GIS-applicatie is in kaarten weergegeven waar de behoefte zich in de toekomst met name zal manifesteren. Deze kaarten laten zien dat de behoefte in de toekomst meer verspreid zal zijn/ontstaan dan nu. In figuur 3-3 staat dit weergegeven voor de behoefte aan 24-uurs zorg in de gemeente Heusden. Men staat voor de keuze te voorzien in de wens van deze ouderen om in of dichtbij de huidige woning t e

29

580 190 440

5.100 1.840 4.500

blijven wonen, of om de ouderen te verleiden tot een verhuizing naar een centrumlocatie. Dat laatste valt vanwege de krappe arbeidsmarkt en de zorglogistiek (waarover mee in paragraaf 6.3) in bepaalde situaties te prefereren. figuur 3-3

Het aantal ouderen in de gemeente Heusden met een behoefte aan 24-uurs zorg als aandeel van het totaal aantal inwoners in 2021 en 2040

Bron: https://hvb.wzwkaart.nl/, op basis van ramingsmodel wonen met zorg In.Fact.Research

30

4

Woonvormen met zorg

In de volgende hoofdstukken wordt de focus gelegd op het aanbod. In hoofdstuk 4 staat het aanbod aan de diverse woonvormen centraal, in hoofdstuk 5 regulier wonen in hoofdstuk 6 de woonomgeving en voorzieningen.

4.1

Intramuraal aanbod

Door middel van de uitvraag hebben we voor de regio in totaal 296 intramurale woonvormen in kaart gebracht (figuur 4-1). Het betreft hier voornamelijk woonvormen die zich richten op ouderen (N=88), mensen met een verstandelijke beperking (N=135) en mensen met psychische problemen (N=62). Het zwaartepunt van deze woonvor men ligt in de gemeente Tilburg (N=156). Alle andere gemeenten beschikken over aanzienlijk minder intramurale woonvormen. Hieruit ontstaat het beeld dat veel inwoners van de regio, voor zorg en ondersteuning die in intramurale woonvormen wordt geboden, al snel zijn aangewezen op de gemeente Tilburg, op het moment dat het aanbod in de eigen gemeente ontoereikend is. Als we kijken naar het totaal aantal geïnventariseerde wooneenheden (N=10.129), dan zien we vergelijkbare verhoudingen, met die uitzondering da t het aantal intramurale wooneenheden (N= 2.047) het grootst is. Dit lijkt logisch, gelet op de grote en groeiende groep ouderen. Wat verder opvalt is het grote aantal wooneenheden voor mensen met een verstandelijke beperking (N = 1.807). Het lijkt erop da t de regio voor deze specifieke doelgroep ook een bovenregionale functie vervult, ook als we dit afzetten tegen de omvang van deze doelgroep op basis van de WoonZorgwijzer. figuur 4-1

Intramuraal aanbod in de regio Hart van Brabant, 2022

Bron: https://hvb.wzwkaart.nl/, op basis van uitvraag stakeholders

31

4.2

Extramurale woonvormen

Het gat tussen intramuraal wonen en volledig zelfstandig is soms (te) groot. Extramurale woonvormen kunnen dan een uitkomst bieden. In totaal zijn door middel van de uitvraag 159 extramurale woonvormen in kaart gebracht (figuur 4-2). Het gros van deze woonvormen (N=71) is niet gekoppeld aan een specifieke zorgdoelgroep, maar richt zich op een brede groep inwoners, al dan niet met een zorg - of ondersteuningsbehoefte. In totaal gaat het om 4.407 wooneenheden, waarvan het zwaartepunt zich bevindt in de gemeente Tilburg. Daarnaast zijn er de nodige extramurale woonvormen voo r ouderen (N=28), met in totaal 538 wooneenheden. Wat opvalt is dat het aantal extramurale woonvormen in vooral de kleinere gemeenten beperkt lijkt. Dit lijkt niet aan te sluiten bij de behoefte naar meer extramurale woonvormen, voor verschillende doelgroe pen. Wat verder opvalt is het grote aantal extramurale woonvormen (N=29) wat zich richt op de doelgroep-combinatie mensen met psychische en problemen en mensen een verstandelijke beperking. Het gaat daarbij in totaal om 393 wooneenheden. figuur 4-2

Extramurale woonvormen in de regio Hart van Brabant, 2022

Bron: https://hvb.wzwkaart.nl/, op basis van uitvraag stakeholders

4.1

Tijdelijke woonvormen

De uitvraag laat zien dat er in de regio weinig voorzieningen zijn waar inwoners tijdelijk kunnen verblijven (N=12). Ook deze voorzieningen lijken vooral geclusterd in Tilburg (figuur 4-3, N=8) en richten zich primair op de groep ouderen (N=12). Gelet o p de groeiende behoefte aan herstelgerichte zorg en respijtzorg lijkt het huidige aanbod nog niet aan te sluiten bij de behoefte. Ook de constatering dat deze tijdelijke woonvormen zich vooral richten op ouderen, maakt dat het beeld ontstaat er voor andere zorggroepen op dit vlak een gat in het aanbod zit. 32

In bijlage 3 hebben we meer gedetailleerde informatie opgenomen over de geïnventariseerde woonvormen. figuur 4-3

Tijdelijke woonvormen in de regio Hart van Brabant, 2022

Bron: https://hvb.wzwkaart.nl/, op basis van uitvraag stakeholders

33

5

Regulier wonen

In voorgaande paragrafen is gefocust op het intramurale aanbod en zelfstandige woningen die specifiek bestemd zijn voor een bepaalde doelgroep. Veruit het grootste deel van de kwetsbare inwoners woont echter zelfstandig in een gewone/reguliere woning. Dit wordt beleidsmatig overigens ook nagestreefd/ gewenst geacht. De samenstelling van de reguliere woningvoorraad is dan ook van groot belang. Gegeven de kenmerken en wensen van de zorggroepen focussen we hierbij op kenmerken als betaalbaarheid, toe- en doorgankelijkheid en de woonsituatie van ouderen.

5.1

Samenstelling corporatiebezit

In de rapportage over de uitstroommonitor is uitgebreid omschreven dat voor groepen uit de jeugdzorg, GGZ en maatschappelijke opvang een lage huur het belangrijkste woningkenmerk is. Vaak zijn deze groepen dan ook aangewezen op de corporatiesector. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor de groep met LVB-problematiek en voor de VG-groep die in staat is zelfstandig te wonen. Inzicht in de spreiding van het corporatiebezit en de betaalbaarheid daarvan is dan ook van groot belang. Circa 28% van de woningvoorraad in de regio Hart van Brabant is in het bezit van een corporatie (landelijk 29%). De verschillen tussen de gemeenten zijn enorm. In Tilburg en Waalwijk ligt het aandeel boven de 30%, terwijl in Hilvarenbeek, Alphen -Chaam en Baarle-Nassau nog geen 15% van de woningen in het bezit is van corporaties . In de laatstgenoemde gemeenten komen kwetsbare groepen vrijwel per definitie moeilijk aan een woning. figuur 5-1

35%

32%

Het aandeel woningen in het bezit van woningcorporaties per gemeente in de regio Hart van Brabant, 2021 31%

30%

aandeel corporatiebezit

29% 26%

25%

24%

24% 21%

20%

20% 14%

15%

13%

11%

10% 5%

Baarle-Nassau

Alphen-Chaam

Hilvarenbeek

Oisterwijk

Dongen

Loon op Zand

Goirle

Heusden

Gilze en Rijen

Waalwijk

Tilburg

0%

Bron: CBS, bewerking In.Fact.Research

In tabel 5-1 staat de samenstelling van het bezit van de grootste corporaties in de regio naar huurprijs weergegeven. Circa 72% van de corporatiewoningen heeft een huurprijs beneden de eerste aftoppingsgrens (tot € 442,46 , prijspeil 2021). Circa 14% heeft een 34

huurprijs beneden de kwaliteitskortingsgrens (tot € 633,25, prijspeil 2021), het segment waarop bepaalde doelgroepen – zoals jongeren – vaak zijn aangewezen (landelijk gaat het om circa 11%). Deze woningen staan met name in Goirle, Tilburg en Dongen. In tabel 5-1 staat het aantal woningzoekenden en het aantal verhuringen weergegeven van de corporaties in de regio Hart van Brabant die zijn aangesloten bij Woning in Zicht 5. Het aantal actieve woningzoekenden, het gemiddeld aantal reacties en de gemiddelde zoektijd naar een woning zijn toegenomen in de periode 2018 tot 2020. Het aantal verhuringen nam af van 3.510 in 2018 tot 3.345 in 2020. De druk op de sociale huursector is dan ook de afgelopen periode toegenomen.

tabel 5-1

Samenstelling van het corporatiebezit naar huurprijsklasse in de gemeenten in de regio Hart van Brabant, 2021

Alphen- BaarleGilze en Hilvaren Loon op Hart van Chaam Nassau Dongen Rijen Goirle Heusden beek Zand Oisterwijk Tilburg Waalwijk Brabant-plus tot kwaliteitskorting 5% 11% 15% 11% 18% 8% 8% 5% 12% 16% 13% 14% kwaliteitskorting tot aftopping laag 52% 64% 58% 60% 65% 51% 65% 67% 59% 57% 63% 58% aftopping laag tot aftopping hoog 16% 14% 14% 16% 9% 14% 14% 12% 13% 15% 13% 14% aftopping hoog tot max. huurgrens 23% 11% 10% 10% 6% 20% 10% 13% 12% 8% 8% 10% boven max. huurgrens 4% 0% 3% 3% 3% 6% 3% 3% 3% 4% 2% 4% totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% tot aftopping laag 57% 75% 73% 72% 83% 59% 73% 72% 71% 73% 76% 72%

Bron: corporaties Hart van Brabant, bewerking In.Fact.Research

tabel 5-2

2018 2019 2020

Aantal woningzoekenden en verhuringen van de corporaties aangesloten bij Woning in Zicht, en het gemiddeld aantal reacties en de gemiddelde zoektijd in jaren aantal actieve woningzoekenden

aantal verhuringen

15.500 18.300 20.200

3.510 3.325 3.345

gemiddeld gemiddelde aantal reacties zoektijd 90 132 189

0,92 1,00 1,18

Bron: Woning in Zicht, bewerking In.Fact.Research

Eerder is al aangegeven dat de omvang van de corporatiesector verschilt van gemeente tot gemeente. Ook op een lager geografisch schaalniveau zijn er soms grote verschillen. In de GIS-applicatie zijn kaarten opgenomen van het corporatiebe zit, uitgesplitst naar prijsklasse. Voorbeelden hiervan zijn weergegeven in figuur 5-2 en figuur 5-3, voor delen van de gemeenten Oisterwijk en Tilburg. De kaarten maken duidelijk dat er echte ‘corporatiebuurten’ zijn waar corporaties een groot deel van de woningen in bezit hebben en er zijn buurten waar het particuliere bezit de overhand heeft. De kaarten maken ook duidelijk dat de keuzemogelijkheden van

5

Exclusief Woonveste in Heusden en Laurentius in Alphen-Chaam. 35

vooral kwetsbare inwoners beperkt zijn, men kan niet in elke buurt (of gemeente) terecht. Daar waar te grote concentraties ontstaan van kwetsbare inwoners komt het streven naar een inclusieve maatschappij in gevaar. Meer hierover in paragraaf 6.3. figuur 5-2

Aandeel van de woningvoorraad in het bezit van woningcorporaties in delen van de gemeenten Oisterwijk en Tilburg

Bron: https://hvb.wzwkaart.nl/, op basis van CBS microdata

figuur 5-3

Aandeel van de woningvoorraad in het bezit van woningcorporaties met een huurprijs onder de eerste aftoppingsgrens in delen van de gemeenten Oisterwijk en Tilburg

Bron: https://hvb.wzwkaart.nl/, op basis van VHE bestanden woningcorporaties in de regio

36

5.2

Geschiktheid van de woningvoorraad

Voor de groep met somatische beperkingen en mobiliteitsproblemen is het van belang dat er voldoende gelijkvloerse woningen zijn. Er zijn in de regio Hart van Brabant ongeveer 12.750 zelfstandig wonende personen die problemen hebben met de mobiliteit binnenshuis. In Hart van Brabant staan veel woningen die voor deze groep geschikt zijn: • er zijn ruim 38.000 geschikte woningen (18% van de voorraad, tabel 5-3); • er zijn bijna 150.000 aanpasbare woningen (68%); • de overige 14% van de woningvoorraad in Hart van Brabant is ongeschikt. 6 tabel 5-3

De geschiktheid van de woningvoorraad in de gemeenten in de regio Hart van Brabant ten opzichte van het landelijk gemiddelde

totale woningvoorraad geschikt aanpasbaar ongeschikt Tilburg 24% 57% 19% Waalwijk 15% 73% 12% Oisterwijk 12% 77% 11% Goirle 12% 79% 8% Loon op Zand 12% 77% 11% Heusden 10% 79% 11% Gilze en Rijen 10% 83% 7% Dongen 10% 80% 10% Hilvarenbeek 9% 85% 6% Alphen-Chaam 8% 86% 6% Baarle-Nassau 8% 84% 9% Hart van Brabant-plus 18% 68% 14% Nederland 21% 61% 18%

corporatie bezit geschikt aanpasbaar ongeschikt 37% 37% 26% 26% 52% 22% 21% 61% 18% 26% 54% 20% 21% 58% 21% 16% 61% 22% 21% 64% 15% 17% 56% 27% 19% 60% 21% 28% 59% 13% 13% 70% 17% 30% 46% 24% 31% 39% 30%

Bron: CBS microdata, ramingsmodel geschiktheid woningvoorraad

In Tilburg staan zowel veel geschikte (24%) als ongeschikte woningen (19%). In de andere gemeenten staan veel aanpasbare gezinswoningen ( tabel 5-3). Kijkend naar puur de fysieke kenmerken inzake de toe- en doorgankelijkheid van de woningen 7, is er dus geen sprake van tekorten. Ook onder het corporatiebezit zijn de meeste woningen geschikt of aanpasbaar, al ligt het aandeel ongeschikte woningen met 24% wel hoger dan onder de totale woningvoorraad (14%).

6

In veel gemeenten wordt vanuit de Wmo als grens voor woningenaanpassingen een bedrag gehanteerd van 10.000 euro voor de renovatie. Als het bedrag de 10.000 euro overschrijdt, dan is vanuit die optiek verhuizen naar een geschikte woning een betere optie. In het ‘ramingsmodel geschiktheid woningvoorraad’ is deze drempelwaarde van 10.000 euro overgenomen: is de benodigde investering duurder, dan wordt de woning aangemerkt als ongeschikt. Opgemerkt moet worden dat de grens van 10.000 euro aan het schuiven is en veel gemeenten vanwege bezuinigen inmiddels een lagere grenswaarde hanteren. Toe- en doorgankelijkheid: of de voordeur van de woning zonder traplopen kan worden bereikt en of primaire vertrekken (keuken, wc en woon-, slaap- en badkamer) bereikbaar zijn zonder traplopen. 7

37

Het is niet zo dat iedereen die met mobiliteitsproblemen te maken krijgt direct ‘passend’ woont. De woning moet mogelijk nog aangepast worden, maar men kan ook besluiten te (willen) verhuizen. Deze verhuiswens is (lang) niet altijd een noodzaak die voortkomt uit de ongeschiktheid van de huidige woning. Andere elementen spelen vaak een belangrijke rol, zoals: kleiner willen wonen, nabij voorzieningen willen wonen, met andere buren willen wonen, meer veiligheid/geborgenheid etc. Ouderen wonen (gelukkig) vooral in gebieden waar de woningen geschikt of aanp asbaar zijn. De aanpasbehoefte zal zich in de toekomst met name manifesteren in gebieden met aanpasbare woningen én toekomstige vergrijzing. Deze zijn in beeld te brengen aan de hand van de GIS-applicatie. In een beperkt aantal gebieden met vergrijzing is de woningvoorraad niet geschikt (of aanpasbaar) voor bewoning met mobiliteitsproblemen. Dit is bijvoorbeeld het geval in het centrum van Goirle. Rondom de Tilburgse weg is een groot deel van de woningvoorraad ongeschikt (zie figuur 5-4), terwijl daar in de toekomst het aantal ouderen toeneemt (zie ook figuur 2-2 in paragraaf 2.1). figuur 5-4

Aandeel ongeschikte woningen in de gemeente Goirle, 2021

Bron: https://hvb.wzwkaart.nl/, op basis van CBS microdata en ramingsmodel geschiktheid woningvoorraad

De strategie om in deze gebieden desgewenst de doorstroming onder de (aankomende) ouderen te bevorderen, kan verschillen. Het gaat deels om corporatiebezit, maar vaak ook om eigenwoningbezit. De mate waarin dit het geval is, is ook uit de GIS -applicatie te achterhalen en daar waar het gaat om corporatiebezit, is ook te zien welke corporatie het betreft. Op gemeentelijk niveau kan ook met het LokaalCombinatiemodel van In.Fact.Research inzicht worden gegeven in de mate waarin ouderen ‘passend wonen’. In figuur 5-5 is de woonsituatie van ouderen weergegeven naar woningtype. Daarbij geldt dat de typen 38

(grof) zijn geordend naar mate van geschiktheid. Bovenin staan de ongeschikte typen (appartementen zonder lift, portieketagewoningen en kleine rijwoningen) en onder in de meer geschikte typen. Het aandeel 75+ dat woont in veelal ongeschikte woningtypen ligt in de regio Hart van Brabant op 12% ten opzichte van 14% landelijk. In Alphen-Chaam gaat het om 5%, in Tilburg om 14% (tabel 5-4). Onder huishoudens van 65 tot 75 jaar woont circa 10% in de regio Hart van Brabant in veelal ongeschikte woningtypen, ten opzichte van 15% in Nederland. Voor de meerderheid van de ouderen in ongeschikte woningtypen geldt dat zij een woning huren bij een van de corporaties (tabel 5-5). Dat maakt dat corporaties deze groep huurders kunnen voorlichten en mogelijk verleiden en helpen bij een aanstaande verhuizing. De overige ouderen wonen in de particuliere huur of hebben een eigen woning. Deze groep kan wellicht met een voorlichtingscampagne worden bereikt , of met (verhuis)ondersteuning vanuit welzijnsinitiatieven. figuur 5-5

Woonsituatie van generaties ouderen in de regio Hart van Brabant, 2020

100%

3% 2%

4% 3%

6% 3%

7% 4%

appartement zonder lift

44%

38%

31%

23%

appartement met eigen op/ingang aan straat

23%

grondgebonden rij < 80 m2

80% 60% 40%

36%

38%

20%

grondgebonden rij > 80 m2 25%

16%

9%

0%

32%

55 - 65 jaar 65 - 75 jaar 75 - 85 jaar

41%

grondgebonden vrijstaand en 2-kap appartement met lift / benedenwoning

85+

Hart van Brabant-plus Bron: LC-model In.Fact.Research

tabel 5-4

Aandeel 65 tot 75 jaar en 75+ in veelal ongeschikte woningtypen in de gemeenten in de gemeenten in de regio Hart van Brabant, 2020 Alphen- BaarleGilze en Chaam Nassau Dongen Rijen

65 tot 75 jaar 75+

6% 5%

5% 6%

7% 11%

8% 11%

Goirle Heusden 6% 11%

Hilvaren Loon op beek Zand Oisterwijk Tilburg

6% 10%

5% 8%

6% 11%

8% 10%

Hart van Waalwijk Brabant-plus

13% 14%

Bron: LC-model In.Fact.Research

tabel 5-5

Woonsituatie naar eigendom van ouderen in woningen die minder of niet geschikt zijn voor bewoning met mobiliteitsbeperkingen in de regio Hart van Brabant

koop particuliere huur corporatie huur totaal

55 - 65 jaar 26% 11% 63% 100%

65 - 75 jaar 23% 11% 66% 100%

75 - 85 jaar 18% 8% 74% 100%

Bron: LC-model In.Fact.Research

39

85+ 16% 14% 70% 100%

10% 12%

10% 12%

5.3

Woonsituatie van ouderen

Om te achterhalen in welke segmenten de belangrijke opgaven die voorvloeien uit de vergrijzing zich manifesteren, is een blik op de huidige woonsituatie van ouderen van belang. In figuur 5-6 staat de huidige woonsituatie van enkele generaties ouderen in de regio Hart van Brabant weergegeven. In de woonsituatie komen verschillen tussen generaties tot uiting. Oudere generaties ouderen (75+ en 85+) wonen vaker in een appartement en vaker in de huursector. Het aandeel eigenwoningbezit bij de leeftijdsklasse van 75 tot 85 jaar ligt op 51% (85+: 38%), terwijl dit aandeel bij de groep in de leeftijd van 65 tot 75 jaar op 62% ligt. Dit verschil kan deels verklaard worden door de levensfase: een deel van de ouderen gaat op latere leeftijd kleiner wonen en een deel van deze groep maakt daarbij de stap van koop naar huur. Omdat het aantal ouderen dat deze stap maakt relatief gezien beperkt is, moet de reden voor het verschil in eigenwoningbezit vooral worden verklaard door verschillen tussen generaties. figuur 5-6 100%

Woonsituatie van generaties ouderen in de regio Hart van Brabant, 2020 10%

13%

15% 4% 5%

80% 60%

corporatie huur appartement

22%

32%

18% 18% 4% 5% 8%

4% 7%

40% 64%

55%

20%

43%

corporatie huur grondgebonden

17% 7% 6% 11%

particuliere huur appartement

27%

koop grondgebonden

particuliere huur grondgebonden koop appartement

0% 55 - 65 jaar

65 - 75 jaar

75 - 85 jaar

85+

Hart van Brabant-plus Bron: CBS, LC-model In.Fact.Research

tabel 5-6

Aandeel eigenwoningbezit onder ouderen, per gemeente in de regio Hart van Brabant, 2020

Alphen-Chaam Baarle-Nassau Dongen Gilze en Rijen Goirle Heusden Hilvarenbeek Loon op Zand Oisterwijk Tilburg Waalwijk Hart van Brabant-plus

65 tot 75 jaar 77% 75% 74% 62% 74% 68% 79% 65% 72% 53% 61% 62%

75+ 70% 65% 57% 48% 54% 55% 65% 47% 60% 39% 45% 48%

Bron: LC-model In.Fact.Research

40

In tabel 5-6 staat het aandeel eigenwoningbezit onder ouderen per gemeente weergegeven, voor de groepen 65 tot 75 jaar en 75 jaar en ouder. Vooral in Goirle is het eigenwoningbezit onder de aankomende generatie ouderen hoog (74% van de groep 65 tot 75 jaar woont in een koopwoning), ten opzichte van het eigenwoningbezit onder de huidige generatie 75-plussers (54% van de groep 75+ woont in een koopwoning). Bij de huurders van corporaties ligt het aandeel 65+ op dit moment rond de 36% en bij de eigenaar bewoners op 27%. De corporatie huursector is op dit moment dus het sterkst vergrijsd. In figuur 5-8 is de leeftijdsverdeling naar eigendomssituatie weergegeven. Met name in de koopsector is de leeftijdsklasse van 55 tot 65 jaar sterk vertegenwoordigd. Dat betekent dat vooral in de koopsector de toekomstige vergrijzing zal plaatsvinden. figuur 5-7

De leeftijdsopbouw in de koop- en de huursector in de regio Hart van Brabant, 2020

30.000

eigenaar bewoners

25.000

huurders corporatie

20.000 15.000 10.000

5.000 85+

75 tot 85

65 tot 75

55 tot 65

45 tot 55

35 tot 45

25 tot 35

tot 25

0

Hart van Brabant-plus Bron: LC-model In.Fact.Research

5.4

Woonwensen van ouderen

Ouderen zijn over het algemeen vrij honkvast, slechts een klein deel heeft een verhuiswens. Voor de regio Hart van Brabant is geraamd dat ongeveer 14% van de 75-plussers een verhuizing overweegt, wat gelijk is aan het landelijk gemiddelde. Het gaat hier om een diverse groep: sommigen hebben een paar keer aan een verhuizing gedacht, anderen hebben zich al gedegen georiënteerd. Kenmerkend voor ouderen is dat een relatief groot deel uiteindelijk niet de daad bij het woord voegt. Dit bijvoorbeeld omdat men meer gehecht blijkt aan de huidige woning, omdat men opziet tegen een verhuizing, omdat men de juiste woning niet kan vinden of schrikt van de huur - en woningprijzen. Bij dat laatste punt geldt dat ouderen simpelweg ook niet gewend zijn geld uit te geven en dat men zich vaak niet beseft hoeveel de eigen woning waard is (de waarde is de afgelopen jaren sterk gestegen). Andersom geldt overigens ook dat relatief veel ouderen die niet zeggen te willen verhuizen, dit juist wel doen. Dit omdat er zich onvoorziene omstandigheden voordoen, zoals het overlijden van de partner of intredende ouderdomsgebreken. In tabel 5-7 staan de woonwensen van de senioren die aangeven te willen verhuizen weergegeven. Zeker bij de jongste groep geldt dat de wensen divers zijn. Deze groep in beweging krijgen is dus maatwerk. Dat geldt ook voor de hogere leeftijdsklassen. Wel

41

geldt dat als men op latere leeftijd nog wil verhuizen, de oriëntatie wat verschuift van de koop- naar huursector. Deels is dit een generatie-effect, in deze leeftijdsklassen zijn er meer huurders. Voor een ander deel geldt dat ook eigenaar bewoners zich vanwege de levensfase vaker op de huursector oriënteren (de kosten koper wegen zwaarder, het afsluiten van een nieuwe hypotheek is lastiger, men wil ontzorgd worden etc.). Naarmate de leeftijd vordert neemt ook de vraag naar appartementen toe. Bij de groep 55 tot 65 jaar zoekt nog ruim de helft een grondgebonden woning. Bij de groep 65 tot 75 jaar gaat het om ongeveer een kwart en bij de 75-plussers om circa 15%. tabel 5-7

Woonwensen van ouderen in de regio Hart van Brabant naar eigendom en type, 2020

koop

grondgebonden appartement grondgebonden appartement

huur

totaal aandeel verhuisgeneigd

55 - 65 jaar 65 - 75 jaar 32% 16% 23% 27% 13% 9% 31% 48% 100% 100% 26% 23%

grondgebonden appartement toegankelijk niet toegankelijk /onbekend geclusterde woonvorm totaal

75+ 7% 22% 8% 63% 100% 14%

55 - 65 jaar 44% 29% 17% 9% 100%

65 - 75 jaar 23% 38% 20% 19% 100%

75+ 11% 27% 17% 44% 100%

Bron: LC-model In.Fact.Research

Geclusterde woonvormen Sinds 2013/2014 is de toegang tot de verpleeghuiszorg onder de noeme r ‘extramuralisering’ beperkt. Voor zorgzwaartepakketten 1 t/m 3 is de toegang tot verpleeghuiszorg ontzegd. In de praktijk raakte dit beleid weinig personen, de meeste ouderen met dit soort lichte beperkingen verhuisden in de praktijk al niet meer naar verpleeg - of verzorgingshuizen. Ze bleven vaak al zelfstandig wonen. Een deel van de groep die voorheen ZZP3 kreeg vormde hierop een uitzondering. Deze groep kan wel (meer) zelfstandig wonen, maar daar zijn wel grenzen aan. Over het algemeen wordt gesteld dat een geclusterde woonvorm voor deze groep vaak noodzakelijk is. De clustering biedt de benodigde geborgenheid en veiligheid en daarnaast creëert de clustering draagvlak voor gezamenlijke voorzieningen. De totale behoefte aan geclusterde woonvormen/ tussenvormen is groter. In tabel 5-7 is te zien dat rond de 44% van de 75-plussers met een verhuiswens aangeeft dat men een voorkeur heeft voor een geclusterde woonvorm. De behoefte aan geclusterde woonvormen/ tussenvormen is dan ook veelkleurig: 1. Er is een groep voor wie de geclusterde woonvorm een noodzaak is. Deze groep bestaat uit: a.

Een deel van de groep die voorheen een ZZP3 kreeg; 42

b. Een deel van de groep die verpleeghuiszorg in een zelfstandige woonvorm (via een VPT, MPT of PGB) wil ontvangen. 2. Daarnaast is er een groep die simpelweg de wens heeft om naar een dergelijke woning te verhuizen: a.

Op dit moment gaat het om een kwaliteitsvraag, maar:

b. Op de langere termijn zal een deel van deze groep met (ernstige) beperkingen te maken krijgen (gaat tot groep 1 behoren) en op dat moment is een verhuizing niet langer nodig. In de uitwerking zal het zoeken zijn naar de juiste balans tussen beide groepen. Vanuit het oogpunt voor draagvlak voor bepaalde zorg en ondersteuning zal minimaal een deel van de inwoners tot de eerste categorie moeten behoren. Omdat de capaciteit in de verpleeghuizen niet toeneemt met de behoefte, zal groep 1 sterk in omvang gaan groeien (zie ook paragraaf 3.2). Van belang is te beseffen dat voor geclusterde woningen niet altijd nieuwbouw noodzakelijk is. Ook in de bestaande voorraad kunnen ouderen geclusterd wonen en kan door het in de straat of het complex opofferen van één woning een gezamenlijke ruimte/zorgpost worden gecreëerd.

5.5

Toekomstige woonsituatie van ouderen

In de toekomst wonen er in de regio Hart van Brabant steeds meer ouderen in een koopwoning. Op dit moment zijn er circa 12.600 75-plussers met een eigen woning, in 2030 zijn dit er naar schatting bijna 22.000 (figuur 5-8 en tabel 5-8). Het gaat hier om een toename van circa 9.300 75-plussers (+74%). In de corporatie huursector neemt het aantal ouderen minder sterk toe (onder de aannamen van constante woonpatronen en het feitelijk verhuisgedrag van ouderen een toename van 18%). De behoefte aan huurwoningen is in de toekomst mo gelijk iets groter als ouderen vaker dan in het recente verleden verhuizen naar een huurappartement, conform de aangegeven woonwensen. Dit blijkt uit tabel 5-9, waarin de ontwikkeling van de woningbehoefte van ouderen staat weergeven op basis van zowel constante woonpatronen en het feitelijk verhuisgedrag, als constante woonpatronen en aangegeven woonwensen. Als ouderen vaker dan in het recente verleden verhuizen naar een appart ement, wonen ouderen minder vaak in een grondgebonden koopwoning. Deels wonen ouderen dan vaker in huurappartementen met een huurprijs boven de € 752 (van een bepaalde woonkwaliteit). Daarnaast is er een (beperkte) groep ouderen die met een laag inkomen in de koopsector woont en die een verhuizing naar een sociale huurwoning overweegt.

Ouderen willen en kunnen vaak in hun vertrouwde woning blijven wonen, maar om dit mogelijk te maken zijn vaak wel woningaanpassingen nodig. Deze aanpasbehoefte zal zich met name in de (grondgebonden) koopsector manifesteren. In de huursector neemt de aanpasbehoefte minder sterk toe.

43

figuur 5-8

De leeftijdsopbouw in de koop- en de huursector in 2020 en 2030 in de regio Hart van Brabant

30.000 25.000 20.000 15.000 10.000 5.000 0

2020

koop

85+

75 - 85 jaar

65 - 75 jaar

55 - 65 jaar

85+

75 - 85 jaar

65 - 75 jaar

55 - 65 jaar

2030

huurders corporatie Hart van Brabant-plus

Bron: LC-model In.Fact.Research

tabel 5-8

Het aantal huishoudens van 75 jaar of ouder naar woonsituatie in de gemeenten in de gemeenten in de regio Hart van Brabant in 2020 en 2030

Alphen-Chaam Baarle-Nassau Dongen Gilze en Rijen Goirle Heusden Hilvarenbeek Loon op Zand Oisterwijk Tilburg Waalwijk Hart van Brabant

2020 450 350 900 750 800 1.450 700 700 1.200 4.050 1.300 12.600

75+ in koop ontw. 2020-2030 2030 abs. perc. 650 200 44% 550 200 57% 1.550 650 72% 1.350 600 80% 1.450 650 81% 2.550 1.100 76% 1.200 500 71% 1.250 550 79% 1.900 700 58% 7.100 3.050 75% 2.250 950 73% 21.900 9.300 74%

75+ in corporatiehuur ontw. 2020-2030 2020 2030 abs. perc. 150 150 0 0% 100 100 0 0% 500 600 100 20% 700 850 150 21% 600 800 200 33% 1.000 1.150 150 15% 250 350 100 40% 550 550 0 0% 550 600 50 9% 5.200 6.250 1.050 20% 1.350 1.650 300 22% 11.000 13.000 2.000 18%

Bron: LC-model In.Fact.Research

tabel 5-9

koop

huur

totaal

Ontwikkeling behoefte van 75-plussers in 2020 tot 2030 in de regio Hart van Brabant bij constante woonpatronen en rekening houdend met woonwensen

grondgebonden appartement totaal grondgebonden appartement totaal

woonsituatie en feitelijk verhuisgedrag 7.600 1.685 9.285 65 2.785 2.850 12.135

woonsituatie en woonwensen 6.380 2.125 8.505 95 3.535 3.630 12.130

Bron: LC-model In.Fact.Research

44

6

Voorzieningen en omgevingskenmerken

Een passende woning is slechts een van de randvoorwaarden om met beperkingen ze lfstandig te kunnen gaan of blijven wonen. Ook omgevingskenmerken zijn van belang en uiteraard het netwerk aan voorzieningen en zorg- en dienstverlening.

6.1

Het netwerk van zorg en ondersteuning

In deze paragraaf wordt een beeld gegeven van alle relevante loc aties zoals geïnventariseerd via de uitvraag. Deze worden in kaarten weergegeven, zodat een goed beeld ontstaat van de verschillende organisaties die in een bepaald gebied actief zijn. In figuur 6-1 staat een voorbeeld weergegeven van locaties van ontmoetingscentra. Het geïnventariseerde aanbod bestaat uit zogeheten voorzieningen zonder verblijf. In bijlage 1 hebben we de hierbij behorende definities opgenomen. Via de uitvraag zijn in totaal 255 voorzieningen in beeld gebracht. He t gaat hierbij voornamelijk om voorzieningen waar dagactiviteiten of dagbesteding wordt aangeboden (N=89) en wijkcentra/buurthuizen (N=60). We zien dat deze voorzieningen goed gespreid zijn over de verschillende gemeenten, waardoor het beeld ontstaat dat e lke gemeente, zeker vanuit kwantitatief oogpunt, over een gedegen lokaal aanbod aan voorzieningen zonder verblijf beschikt. Wel zien we dat deze voorzieningen zich primair richten op ouderen (N=70) en dat er voor andere zorggroepen verhoudingsgewijs minder aanbod is. In verschillende gemeenten lijkt ook specifiek aanbod voor mensen met een verstandelijke beperking of mensen met psychische problematiek te ontbreken. In bijlage 3 hebben we meer gedetailleerde informatie opgenomen over de geïnventariseerde woonvormen. figuur 6-1

Locaties voor inloop en ontmoeting in de regio Hart van Brabant, 2022

Bron: https://hvb.wzwkaart.nl/, op basis van uitvraag stakeholders

45

6.2

Algemene voorzieningen

Naast de relevante voorzieningen op het vlak van zorg en welzijn, zijn uiteraard ook meer algemene voorzieningen zoals een supermarkt, een huisarts of een apotheek van belang. Deze drie voorzieningen worden ook wel aangeduid als de ‘triple A’ (arts, apotheek en Albert Heijn/ Aldi). In figuur 6-2 is te zien dat er zelfs in een stad als Tilburg veel buurten/gebieden zijn waar deze drie voorzieningen niet binnen een loopafstand van 500 meter bereikbaar zijn. In de meer landelijke gemeenten en vooral de kleine kernen is het aanbod nog schaarser. Dit maakt dat vervoer een belangrijk thema is, om de bereikbaarheid van essentiële voorzieningen te borgen. Voor de verschillende zorggroepen zijn verschillende voorzieningen van verschillend belang. Het is van belang hier bij de beleidsvorming/locatiekeuze (van nieuwe woonzorgvormen en/of voorzieningen) oog voor te hebben. figuur 6-2

De aanwezigheid van de ‘triple A’ voorzieningen binnen 500 meter loopafstand

Bron: Huisartsen-overzicht.nl, Ministerie van VWS, websites supermarkten , Kadaster, OpenStreetMap, bewerking Object Vision en In.Fact.Research

Bereikbaarheid In de meeste gebieden hoeven de inwoners niet m eer dan 400 meter te lopen alvorens bij een OV-halte aan te komen. In enkele gebieden is dit echter meer dan 800 meter, zoals in de buurt Wolfsweide in Rijen (figuur 6-3). En dan moet er maar net een bus in de juiste richting vertrekken. Maatwerk in het openbaar vervoer lijkt dan ook cruciaal.

46

figuur 6-3

De loopafstand tot OV-haltes in Rijen

Bron: https://hvb.wzwkaart.nl/, op basis van Open OV, Kadaster, OpenStreetMap, bewerking Object Vision en In.Fact.Research

6.3

Omgevingskenmerken

Ook de sociale samenstelling van buurten is van belang. In paragraaf 2.1 is daar deels al bij stilgestaan. In deze paragraaf wordt in aanvulling daarop de mate van concentratie van kwetsbare inwoners en de mogelijkheden voor informele zorg in beeld gebracht. Daarnaast worden in deze paragraaf zaken als leefbaarheid, veiligheid en overlast belicht. Kwetsbare inwoners In het landelijke onderzoek ‘Veerkracht in het corporatiebezit’ is aangetoond dat er in Nederland sprake is van een trend naar hogere concentraties van kwetsbare inwoners. Deze concentraties vinden vooral plaats in buurten met veel corporatiebezi t. In deze buurten gaat de toenemende concentratie vaak samen met een toenemende overlast en onveiligheid. Te grote concentraties van kwetsbare inwoners moeten derhalve voorkomen worden. Mensen kunnen om allerlei redenen kwetsbaar zijn. In het Veerkracht-onderzoek zijn de volgende groepen samengenomen: • Mensen die afhankelijk zijn van een bijstandsuitkering; • Mensen met een herkomst uit één van de vluchtelingenlanden; • Mensen met een licht verstandelijk beperking; • Mensen met een psychiatrische aandoening; • Mensen met meervoudige, chronische somatische aandoeningen en mobiliteitsbeperkingen. 47

In figuur 6-4 staat het aandeel kwetsbare inwoners weergegeven in de gemeente Tilburg. Met name in de wijken Stokhasselt, Wandelbos Noord en Groenewoud zijn er gebieden waar sprake is van concentraties van ‘kwetsbare inwoners’. Niet zelden is in deze gebieden de concentratie van kwetsbare inwoners in de afgelopen jaren verder toegenomen. Deze gebieden kunnen mogelijk worden ontzien waar het gaat om woningtoewijzingen aan kwetsbare groepen en het realiseren van nieuwe specifieke woonvormen. figuur 6-4

Het aandeel kwetsbare inwoners in de gemeente Tilburg, 2018

Bron: https://hvb.wzwkaart.nl/, op basis van CBS microdata

Mogelijkheden voor informele zorg In navolging van het SCP brengen we in deze woonzorganalyse de mogelijkheden voor informele zorg in beeld aan de hand van de Oldest Old Support Ratio (OOSR). 8 Simpel gezegd gaat het hier om de verhouding tussen het aantal 50 tot 75 -jarigen en het aantal 85-plussers. Vanuit de eerste leeftijdsgroep wordt vaak mantelzorg geboden, de tweede groep ontvangt deze veelal. Landelijk ligt de OOSR op 13,7, hetgeen betekent dat er tegenover elke 85-plusser 13,7 50 tot 75-jarigen staan. In de regio Hart van Brabant ligt de OOSR iets hoger, rond de 15,4. Dit betekent dat kijkend naar de leeftijdsverdeling er op dit moment mogelijkheden zijn voor mantelzorg.

8

Toekomstverkenning mantelzorg aan ouderen in 2040, Sociaal en Cultureel Planbureau Den Haag, november 2019. 48

De OOSR is een heldere doch eenvoudige benadering van de werkelijkheid. Een iets genuanceerder beeld ontstaat als de benadering meer leeftijdsspecifiek wordt gemaakt. Uit onderzoek is bekend dat: • 15% van de inwoners in de leeftijdsklasse van 75 tot 80 jaar mantelzorg ontvangt ; • 21% van de 80 tot 85-jarigen mantelzorg ontvangt; • 24% van de 85-plussers mantelzorg ontvangt. En voor de mantelzorgers geldt dat: • 9% van de 18 tot 50-jarigen mantelzorg verleend; • 24% van de 50 tot 75-jarigen mantelzorg verleend; • 19% van de 75-plussers mantelzorg verleend. figuur 6-5

Leeftijdsspecifieke OOSR in de gemeente Hilvarenbeek, 2021

Bron: https://hvb.wzwkaart.nl/, op basis van CBS microdata

Op basis van deze leeftijdsspecifieke OOSR is de verhouding tussen potentiële mantelzorgontvangers en potentiële mantelzorgverleners in de regio Hart van Brabant 1 tot 8,0. De variatie binnen de gemeenten is echter groot. In sommige gebieden ligt deze OOSR boven de 15, in andere gebieden onder de 2, zoals in de gemeente Hilvarenbeek (zie figuur 6-5). Daarbij moet wel worden opgemerkt dat het verhoudingsgetal is berekend inclusief de bewoners van verpleeghuizen. Op deze locaties kleurt de OOSR dus wel oranje of rood, maar daarbij moet de kanttekening worden gemaakt dat er wel professionele zorg aanwezig is. Wel geldt ook voor de verpleeghuizen dat zij deels leunen op mantelzorgers en dat dit in de toekomst lastiger zal worden.

49

Het is van belang bij de OOSR te vermelden dat mantelzorg zeker niet altijd door buurtgenoten wordt geleverd. Vaak wordt deze geleverd door familieleden die soms tientallen kilometers verderop wonen. Ook voor de mantelzorg door familieleden geldt echter dat deze minder zal worden. Dat heeft alles te maken met de gezinsverdunning die begin jaren ’70 is ingezet. De ouderen van de toekomst hebben daardoor simpelweg minder kinderen die mantelzorg kunnen verlenen. Waar het gaat om de mantelzorg in de toekomst zijn er meer zaken waarmee rekening mee moet worden, zoals algemene maatschappelijke trends en nieuwe mogelijkheden van digitalisering/domotica. Het zal echter met zekerheid niet eenvoudiger worden om een beroep te doen op mantelzorg. Wat dat betreft is vooral de trend die de OOSR laat zien van belang: de komende jaren zullen de mogelijkheden voor informele hulp en ondersteuning vanuit de netwerken in de buurten en kernen afnemen. In 2040 geldt dat er voor elke potentiele ontvanger van mantelzorg nog slechts 4,9 potentiele mantelzorgers klaarstaan. In het beleid zal hier rekening mee moeten worden gehouden, want deze trend kan gevolgen hebben voor de behoefte aan formele zorg en ondersteuning. Vergrijzing en de arbeidsmarkt Als gevolg van de vergrijzing nemen de mogelijkheden voor informele hulp af.

Tegelijkertijd neemt de druk op de zorg toe, omdat de toename van het aantal ouderen veel omvangrijker is dan de toename van de beroepsbevolking. De beroepsbevolking wordt door het CBS afgebakend door de leeftijdsgrenzen van 15 en 75 jaar. Anno 2021 wonen er in de regio Hart van Brabant circa 369.200 15 tot 75 jarigen, in 2040 zijn dat er 378.400: een toename van 2%. Het aantal 75-plussers neemt in deze periode toe van 41.400 tot 71.700: een toename van 73%. Op dit moment is de arbeidsmarkt in de regio (en de rest van het land het land) al krap, en dit geldt zeker voor de zorg. Ook geldt voor de zorg dat de krapte door de toenemende behoefte alleen maar groter zal worden. Dat heeft grote gevolgen voor het beleid. Er zal stevig moeten worden ingezet op innovatie, maar ook bij de vraag of (woon)voorzieningen centraal of decentraal in kleinere kernen worden opgezet moet oog zijn voor de gevolgen voor het benodigde personeel . Leefbaarheid en overlast en veiligheid Voor zorggroepen als mensen met autisme en mensen met psychiatrische problematiek is het van belang dat men in een prikkelvrije omgeving woont. Dat betekent in de praktijk vaak een omgeving met zo min mogelijk overlast. In de meeste gemeenten in Hart van Brabant is de leefbaarheid (zeer) goed, blijkt op basis van de landelijke Leefbaarometer (zie www.leefbaarometer.nl). In Tilburg-Noord is de leefbaarheid onvoldoende.

Daarnaast geldt dat er lokaal verschillen zijn die maken dat de ene woonomgeving meer geschikt is dan de andere. Voor veel kwetsbare groepen is de afwezigheid van negatieve prikkels van belang. In figuur 6-6 zijn de scores op de dimensie ‘overlast en veiligheid’ afgezet tegen het gemiddelde in de regio Hart van Brabant. Buurten die ten opzichte 50

van het regionale gemiddelde slechter scoren op deze dimensie liggen met name in Tilburg, en in mindere mate in Rijen en inWaalwijk. In en nabij deze gebieden is het zaak voorzichtig te zijn met plannen van nieuwe woonzorgvormen voor zorggroepen die een prikkelvrije omgeving wensen. figuur 6-6

De score op de dimensie ‘overlast en veiligheid’ t.o.v. het gemiddelde in de regio Hart van Brabant

Bron: https://hvb.wzwkaart.nl/, op basis van de Leefbaarometer

51

7

Kwalitatieve opgaven

In dit hoofdstuk beschrijven we de uitkomsten van de kwalitatieve uitvraag die is uitgezet onder een breed palet aan stakeholders (gemeenten, zorgaanbi eders, woningcorporaties, welzijnsorganisaties, et cetera). Deze uitkomsten hebben we aangevuld met opbrengsten van de reflectiesessie, waarvoor we, naast de hierboven al genoemde stakeholders, ook een ruime vertegenwoordiging van lokale adviesraden hebben uitgenodigd. In deze reflectiesessie zijn de eerste resultaten van de woonzorganalyse besproken en zijn verschillende opgaven nader geduid. Deze uitkomsten beschrijven we aan de hand van de volgende thema ’s: • • • • • •

7.1

Zelfstandig wonen voor ouderen én andere doelgroepen Doorstroming Innovatie en vernieuwing van wonen én zorg Samenwerking Overige opgaven Perspectief van de woningcorporaties

Zelfstandig wonen voor ouderen

Net als in veel andere regio’s in het land heeft ook deze regio te maken met een enorme groei van het aantal ouderen. Ook in deze regio willen ouderen graag zelfstandig blijven wonen, in een omgeving die ze goed kennen, een netwerk hebben en waar ze elkaar kunnen ondersteunen. Er zitten echter grenzen aan zelfstandig kunnen blijven wonen. Zeker met h et oog op het groeiende aantal ouderen, neemt de behoefte aan tussenvormen tussen zelfstandig wonen en een verpleeghuis toe. Woonzorgvormen zoals het vroegere verzorgingshuis, worden gemist. Partijen noemen dat er te weinig van dit soort woonzorglocaties z ijn en dat de locaties die er zijn, niet altijd aansluiten bij de behoefte, bijvoorbeeld vanwege de huur- of koopprijs. Mantelzorgers en vrijwilligers spelen een belangrijke rol ten aanzien van de mogelijkheden die ouderen hebben om zelfstandig te blijven wonen. De druk op deze groepen wordt echter steeds groter, doordat het aantal ouderen groeit en het aantal mantelzorgers en vrijwilligers niet meegroeit. Daarnaast ervaren partijen eenzaamheid onder ouderen die zelfstandig wonen als een groot probleem. Oplossingen liggen in het bieden van ontmoetingsmogelijkheden in de nabijheid. Het geeft ouderen een sociaal netwerk dat ondersteunend is bij het langer zelfstandig zijn.

In een uitgestrekte regio, met ook veel kleine kernen is dit het realiseren en behouden van deze ontmoetingsmogelijkheden, in de bredere context van een goede sociale infrastructuur, een uitdaging op zich. E-Health wordt daarnaast door verschillende partijen aangedragen als oplossing om zelfstandig wonen te faciliteren. Daarbij wordt wel aan gegeven dat E-Health toepassingen, zoals beeldbellen of zorg op afstand, in de basis aanvullend zijn op de regulier zorgverlening en ondersteuning en niet ter vervanging. 52

Wat de woonzorganalyse vooral duidelijk maakt is dat het nu tijd is om na te denken over de toekomst. Gebieden waar nu nog geen vergrijzing is (en vaak ook geen voorzieningen) tellen over een aantal jaar wel veel ouderen. Daar moet nu al op worden ingespeeld.

7.2

Zelfstandig wonen voor andere doelgroepen

Waar ouderen juist zo lang mogelijk zelfstandig willen blijven wonen, zijn er ook verschillende kwetsbare groepen inwoners die, na verblijf in een intramurale voorziening, graag zo snel mogelijk weer zelfstandig willen wonen. Het gaat hierbij onder andere om mensen die uitstromen vanuit de Maa tschappelijke Opvang en het Beschermd Wonen, maar ook om Jongvolwassenen die doorstromen vanuit de Jeugdhulp. Voor deze doelgroepen wordt door partijen een tekort ervaren aan passende, zelfstandige woonruimte. Hierdoor blijven mensen te lang in een instell ing wonen, blijven ze rondzwerven op straat of verdwijnen soms helemaal uit beeld bij zorg verlenende instanties. Ook geven partijen aan dat, ondanks dat er contingent-afspraken worden gemaakt en er urgentieregelingen zijn, het aanbod van deze contingent woningen, kwantitatief en kwalitatief niet matcht met de vraag.

7.3

Doorstroming

Partijen geven aan dat het stimuleren en aanmoedigen van verhuizen, om daarmee de doorstroming op de woningmarkt te vergroten, haaks staat op het zelfstandig blijven wonen. Doordat deze groep langer thuis blijft wonen, leidt dit tot minder doorstroming. Hoewel het gebrek aan doorstroming/ woningaanbod breed wordt herkent, wordt soms vergeten naar de mensen zelf te kijken. Veel ouderen wonen gewoon fijn en prettig, willen niet doorstormen, waarom is dat een probleem? Immers, de redenen voor ouderen om niet te (willen) verhuizen zijn heel divers. Van de emotionele verbinding met het huis waar ze jaren hebben gewoond en hun kinderen hebben zien opgroeien, tot aan het financiële plaatje, wat er in veel gevallen niet gunstiger uitziet als men gaat verhuizen. De groep die eventueel wel wil verhuizen, zo geven partijen aan, is daarnaast heel divers, qua woonwensen en financiële mogelijkheden. Hen bewegen tot een verhuizing vraagt maatwerk en een gevarieerd aanbod. De locatie waar men naartoe wil verhuizen is essentieel, want men is vaak gehecht aan de huidige omgeving en het sociale netwerk. Dit betekent ook dat er aandacht moet zijn voor dit vraagstuk binnen de reguliere woningbouwprogrammering.

Bij de toevoeging van woningen moet er aandacht zijn voor zowel de locatie, de levensloopbestendigheid van de woningen, maar ook over een passende verdeling van woningen over zowel de sociale huur als de particuliere markt. Partijen roepen elkaar op om vooral realistisch te blijven ten aanzien van het stimuleren van de doorstroming op de woningmarkt. Verhuizen is voor veel mensen een emotionele gebeurtenis/verandering en het is heel moeilijk om te sturen op emotie. Het is vooral belangrijk om mensen mee te nemen en voorlichting te geven waarom het verstandig is om hierover na te denken. 53

7.4

Innovatie en vernieuwing van wonen én zorg

Onder innovatie en vernieuwing van wonen én zorg verstaan we ook de ontwikkeling van voorzieningen die op dit moment gemist worden in de regio of waar een tekort aan lijkt te zijn. Een doelgroep waar meerdere partijen zich zorgen over maken is de groeiende groep inwoners met Niet aangeboren hersenletsel (NAH). Aangegeven wordt dat de doorplaatsmogelijkheden vanuit het NAH-Trainingshuis de afgelopen jaren beperkt waren, specifiek voor de groep mensen die, vanuit het trainingshuis zouden moeten doorstromen naar een voorziening waar 24-uurs zorg wordt geboden. Dit geldt zowel voor mogelijkheden binnen de Wlz (NAH/LB) als voor de VVT-sector. Ook voor mensen met NAH en bijkomende complexe problematiek (NAH+/++) is het aanbod tot nog toe zeer beperkt, waardoor met enige regelmaat casuïstiektafels worden georganiseerd. Dit landschap begint landelijk steeds meer vorm te krijgen. Ook voor ouderen ontbreekt er specifiek woningaanbod. Waar we eerder in dit hoofdstuk al in zijn gegaan op het gemis aan tussenvormen, is er, zo geven partijen aan, te weinig aandacht voor huisvesting voor ouderen met dementie. Deze groep neemt de komende jaren fors toe en vraagt om passend aanbod. Partijen vragen daarnaast aandacht voor het vergemakkelijken van de mogelijkheden om mantelzorgwoningen te realiseren.

Gemeenten zouden zaken als erfdelen en woningsplitsing eenvoudiger kunnen maken en dit ook kunnen stimuleren. Hetzelfde geldt ook in zekere mate voor het stimuleren en ruimte bieden van burgerinitiatieven. Slechts 1 op de 10 woonprojecten slaagt, vaak omdat burgers vastlopen in procedures en bureaucratie. Verder hebben partijen het gevoel dat er een tekort is aan beschermd wonen voorzieningen; dit wordt versterkt doordat er veel mensen op de wachtlijst staan. De vraag is of dit daadwerkelijk ligt aan een tekort aan intramurale plekken of doordat de doorstroom vanuit beschermd wonen naar zelfstandig wonen stagneert. Dit zorgt ervoor dat mensen geen woning kunnen vinden als ze daar al wel aan toe zijn en hierdoor een intramurale plek bezet houden. Waar de voorgaande voorbeelden vooral ging over het vernieuwen, innoveren van het aanbod, wordt er door partijen ook aandacht gevraagd voor andere vormen van vernieuwing en innovatie. Door de toenemende schaarste op de arbeidsmarkt benadrukken partijen het belangrijk van het stimuleren en verder uitrollen van E-Health én domotica. Covid-19 heeft noodgedwongen laten zien dat er veel mogelijk is met zorg op afstand. Daarbij wordt wel aandacht gevraagd voor het feit dat genoemde technologieën nooit het menselijk contact vervangen. Dit laatste is en blijft nodig.

54

7.5

Samenwerking

Veel partijen staan open voor een betere samenwerking en willen graag meedenken. Het is goed als dit wordt gestimuleerd. De samenwerkende partijen (vrijwilligersorganisaties, partners in wonen-welzijn en zorg) ervaren steeds meer de noodzaak van een domeinoverstijgende aanpak. Ook zijn er goede initiatieven opgestart, zoals het ouderen manifest. Echter blijft de financiering voor domeinoverstijgende preventieve samenwerking achter. Desalniettemin kan er ook in het huidige stelsel meer in de samenwerking en deze samenwerking moet ook actief opgezo cht worden. Partijen geven aan dat de regie bij de gemeente ligt over hoe we nu verder gaan met de opgaven die voortkomen uit deze woonzorganalyse.

7.6

Overige opgaven/aandachtspunten

Partijen vermoeden dat arbeidsmigratie essentieel zal zijn om de toekomstig e zorg- en welzijnsvacatures te vullen. Hoe komen we tot een goede afstemming van het migratiebeleid, het woonbeleid en de arbeidsmarkt? Alleen in samenspel kan een oplossing worden gevonden. De vraag is om men zich in de diverse beleidsvelden wel voldoend e bewust is van de van de uitdagingen van de toekomst en de noodzaal tot afstemming van beleid? Moet er meer worden gedaan aan bewustwording op dit vlak? Ook de bereikbaarheid van voorzieningen wordt als een knelpunt benoemd. Zeker voor inwoners die zijn aangewezen op Openbaar Vervoer of andere mobiliteitsvoorzieningen is de bereikbaarheid van voorzieningen een belangrijk aandachtspunt.

7.7

Perspectief van de woningcorporaties

Meerdere woningcorporaties die actief zijn in de regio hebben informatie aangeleverd over de ontwikkelingen en uitdagingen waar zij mee worden geconfronteerd en hoe ze hier mee om gaan. Woonveste (woningcorporatie in gemeente Heusden) geeft aan dat inwoners van de gemeente tevreden zijn over het woon- en leefklimaat. Er is een toenemende vraag naar sociale huur en behoefte aan meer betaalbare woningen voor starters en senioren. Het vinden van geschikte locaties om sociale huur te realiseren is een uitdaging. Het is goed dat mensen op tijd gaan nadenken over hoe ze oud willen worden, en op welke manier het langer zelfstandig thuis wonen kan worden gefaciliteerd. Er oplossingen nodig in het combineren van het wonen en de zorgvraag. Als corporatie betekent dat bij ontwikkeling van nieuwbouwlocatie meer samenwerken met gemeente, bewoners, zorg - en welzijnsorganisaties. De vraag is of er voldoende “verpleeghuiscapaciteit” aanwezig is om de sterke vergrijzing en toename van dementie en somatiek in de laatste levensfase op te vangen. WonenBreburg benoemt dat het in Tilburg voldoende nultredenwoning en zijn. Echter voldoen veel hoogbouwcomplexen, gelabeld als seniorencomplex, niet altijd aan de kwaliteiten die seniorenappartementen moeten bieden (bijv. dichtbij voorzieningen). Samenwerking met zorg en welzijn is belangrijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12675234/1