CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Toelichting bestemmingsplan 'Schoolstraat tussen 29 en 35 te Molenschot'

Raadscommissie Ruimte 23 maart 2023, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Schoolstraat tussen 29 en 35 te Molenschot20.382 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De Aa of Weerijs en de Mark bevinden zich in het westelijk deel. In het oostelijke gedeelte ligt de breuklijn die de westgrens vormt van de Roerdal Slenk. In het zuiden stromen ‘t Merkske, de Chaamse beken en de Strijbeekse beek. Het zandlandschap bestaat uit een grofmazige mozaïek van oude en jonge zandontginningen en bossen. Kenmerkend voor de oude zandontginningen zijn dorpen en buurtschappen zonder open akkercomplexen en bijhorende groenstructuren. Op enkele plaatsen komen open akkercomplexen voor. De bebouwing en de akkers liggen vaak op de rand van de beekdalen, de graslanden (beemden) in het beekdal en de (voormalige) heidevelden op de hogere zandgronden. Een mooi voorbeeld van een goed bewaard gebleven historisch agrarisch cultuurlandschap is de omgeving van Castelré. De jongere ontginningen hebben vaak een open karakter met een rationeel patroon van wegen, waterlopen en percelen. De openheid wordt onderbroken door erfbeplanting en wegbeplanting. Daarnaast komen ook meer besloten jonge zandontginningen voor, met bebouwing langs oude wegen, kleinschaligheid door de afwisseling van akkers en weiden met bosjes en losstaande bomen. Op de overgang van bos naar beekdal is een coulissenlandschap ontstaan met transparante bomenrijen, gericht op de beek. De regio Baronie bezit bossen die de hele bosgeschiedenis weerspiegelen.

Vastgesteld bestemmingsplan “Schoolstraat tussen 29 en 35 te Molenschot” - 3 april 2023

28

Het Liesbos, het Ulvenhoutse Bos en het Chaamse Bos zijn zeer oude bossen die de kaalslag van de middeleeuwen overleefden. Het Mastbos en het St. Annabos zijn in de kern 16e eeuwse bosplantages, waarbij het Mastbos belangrijk is omdat hier in 1515 de introductie van de den (Pinus silvestris) plaatsvond. Bij de landgoederen en tussen Breda en Oosterhout werd door particulieren al vanaf 1725 druk bebost. De Canadapopulier werd in Noord-Brabant geïntroduceerd op het landgoed Valkenberg. Voorts zijn er in het zuidoosten de bossen van de heideontginningen uit de periode 1850-1950. De Strijbeekse Heide is na 1950 vooral spontaan bebost geraakt. Naast de van oorsprong natuurlijke beken komen diverse gegraven waterlopen voor, zoals enkele (relicten van) turfvaarten in de buurt van Breda. Voormalige veengebieden zoals de Vucht, De Moeren of de Binnenpolder zijn nog herkenbaar door hun openheid. Breda zelf functioneerde in de 17e eeuw als turfhaven. Ten noorden van Breda, in de omgeving van Terheijden, liggen omvangrijke verdedigingswerken uit de zeventiende en achttiende eeuw: schansen, linies en inundatiegebieden. Rond Breda liggen tal van voormalige militaire oefenterreinen waarvan dat tussen Breda en Oosterhout al sinds 1700 in gebruik is. De verschillen tussen de oude en jonge ontginningen zijn door landinrichting in de afgelopen decennia grotendeels verloren gegaan.

Het agrarische gebied van de Baronie heeft een meer open karakter gekregen doordat veel perceelrandbegroeiing is verdwenen. Het noordelijk deel van de Baronie wordt voor een groot deel in beslag genomen door de stedelijke concentraties van Breda, Oosterhout en Dongen en door grootschalige infrastructuur. In de zuidwesthoek rondom Zundert ligt een omvangrijke concentratie boomteeltbedrijven. Ten zuiden van Breda hebben veel dorpen hun kleinschalige karakter behouden, zoals Galder, Strijbeek, Hulten en Molenschot. De destijds voor de landbouw op het zand zo belangrijke beemdenzone heeft zijn open graslandkarakter behouden.

Figuur 5.1: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart 2016 Noord-Brabant

29

Vastgesteld bestemmingsplan “Schoolstraat tussen 29 en 35 te Molenschot” - 3 april 2023

Conclusie Binnen het plangebied zelf zijn géén cultuurhistorisch waardevolle structuren of elementen aanwezig. Het bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk die de cultuurhistorische waarden van het historische lint aan zouden kunnen tasten. Hiermee vormt het planvoornemen geen belemmering voor het uitvoeren van deze ambitie. 5.1.2

Archeologie

Landelijk beleid In het landelijk beleid betreffende archeologie is het bewaren van archeologische waarden in situ (in de bodem) het uitgangspunt. Nederland heeft namelijk in 1992 het Verdrag van Valletta/Malta getekend waarin behoud van archeologische waarden in situ voorop staat. Met de Wijzigingswet (Wamz 2007) op o.a. de Monumentenwet 1988 is dit in Nederland van kracht geworden. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1-72016). Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die naar verwachting in 2022 in werking zal treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Beleid gemeente Gilze en Rijen In 2010 heeft SRE Milieudienst een Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg opgesteld en een beleidskaart voor het gehele grondgebied van de gemeente Gilze en Rijen. De gemeentelijke beleidskaart is gebaseerd op een grote hoeveelheid (veld-)gegevens die toegespitst zijn op de locale situatie. Hierdoor ontstaat een goed onderbouwd beleidsdocument en kunnen verantwoorde keuzes gemaakt worden over het al dan niet uit voeren van archeologisch onderzoek.

Door de verwachtingswaarde in categorieën onder te verdelen, wordt tevens onderscheidt gemaakt in de omvang van de ingreep. Met andere woorden; hoe lager de verwachtingswaarde, hoe groter de ingreep mag zijn, zonder voorafgaand archeologisch onderzoek. Uit de beleidskaart blijkt dat het noordelijk deel van de planlocatie ligt in een gebied met een hoge archeologische verwachting, historische kernen. Het zuidelijk deel van de planlocatie ligt een gebied met een middelhoge archeologische verwachting. Hiervoor geldt dat een archeologisch onderzoek verplicht is bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m2 en dieper dan 40 cm -Mv en bij ingrepen groter dan 2500 m² en een diepte van meer dan 40 cm -Mv. Beschermd archeologisch monument Gebied van archeologische waarde Gebied met een hoge archeologische verwachting, historische kernen Gebied met een hoge archeologische verwachting Gebied met een middelhoge archeologische verwachting Gebied met een lage archeologische verwachting Gebied zonder archeologische verwachting Mogelijk verstoorde grond

Figuur 5.2: Archeologische beleidskaart gemeente Gilze en Rijen, locatie wit omcirkeld

Onderzoek Door Transect Advies b.v. is een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd voor de planlocatie aan de Schoolstraat. De resultaten van dit onderzoek zijn vervat in het rapport ‘Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O), verkennende fase Molenschot, Schoolstraat 31-33, Transect Advies b.v., projectcode: 20030086, 20 mei 2022). Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1 en het Plan van Aanpak (Rap, 2021a). Vastgesteld bestemmingsplan “Schoolstraat tussen 29 en 35 te Molenschot” - 3 april 2023

30

Conclusie Op basis van het bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum B tot en met de Midden Nieuwe tijd. Uit het booronderzoek is gebleken dat het plangebied kenmerken van permanent vochtige omstandigheden en verspoeling vertoont, waardoor sprake is van ongunstige omstandigheden voor bewoning vanaf het Neolithicum. In de top van het dekzand zijn bovendien geen B-horizonten aangetroffen, die indicatief zouden zijn voor de mate van intactheid van het niveau voor het Laat-Paleolithicum B en Mesolithicum. Op basis van het bovenstaande is in het plangebied sprake van een lage verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit de periode LaatPaleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Advies In het plangebied is sprake van een lage verwachting op het aantreffen van archeologische resten hetgeen een bijstelling naar beneden is van de bestaande verwachting op de archeologische beleidskaart en het bestemmingsplan. Daarom is aanvullend onderzoek niet nodig en kan het plangebied vrij gegeven worden voor voorgenomen ontwikkeling. Er is daarom ook niet voorzien in een dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’.

Mochten er tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan dienen de initiatiefnemer en de uitvoerder van de werkzaamheden op grond van de wettelijke plicht dergelijke toevalsvondsten direct te melden bij de bevoegde overheid, de gemeente Gilze en Rijen (conform Erfgoedwet 2016, artikel 5.10). 5.2 Bodem Tritium Advies b.v. heeft voor het plangebied een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn vervat in het rapport ‘Verkennend bodemonderzoek Schoolstraat ong. Molenschot, documentkenmerk 2003/238/BST, versie 0, 6 juli 2021’. Aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen bestemmingswijziging en de aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen. Doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) om te bepalen of op de locatie sprake is van bodemverontreiniging die een belemmering kan vormen voor de voorgenomen bestemmingswijziging en de aanvraag van de omgevingsvergunning voor bouwen. Onderzoek Zintuiglijk zijn tijdens de uitvoering van de boorwerkzaamheden geen bodemvreemde materialen aangetroffen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond plaatselijk licht verontreinigd is met lood. De ondergrond is niet verontreinigd met de onderzochte stoffen.

Uit de analyseresultaten van het grondwater blijkt dat het grondwater licht verontreinigd is met barium en naftaleen. De aangetoonde lichte verontreinigingen in de grond en in het grondwater zijn in tegenspraak met de hypothese dat de onderzoekslocatie niet-verdacht is. De waarden zijn echter dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht. Conclusie De onderzoeksresultaten leveren geen beperkingen op ten aanzien van het huidige en voorgenomen gebruik van de locatie en vormen geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging en de aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen. Indien grond wordt afgegraven (bijvoorbeeld bij bouwwerkzaamheden) en van de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond elders niet zonder meer toepasbaar is. Met betrekking tot het elders hergebruiken van grond zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing, die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen. 5.3

Milieu

5.3.1 Flora en Fauna In het kader van de natuurwetgeving dient, voordat ergens ruimtelijke ingrepen plaatsvinden, te worden onderzocht of er belangrijke natuurwaarden voorkomen op een te bebouwen locatie. Het plangebied ligt buiten de invloedsfeer van beschermde (natuur)gebieden zoals het NNB (Natuur Netwerk Noord-Brabant, de voormalige Ecologische Hoofdstructuur) of een Natura-2000 gebied.

31

Vastgesteld bestemmingsplan “Schoolstraat tussen 29 en 35 te Molenschot” - 3 april 2023

Tritium Advies b.v. heeft voor de planlocatie een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De resultaten zijn vervat in het rapport ‘Quickscan flora en fauna Schoolstraat ong. te Molenschot, documentkenmerk 2003/218/JOW-01, versie 0, 14 september 2020’. Het onderzoek richt zich met name op soortenbescherming en in beperktere mate op het gebiedsbeschermingsdeel van de Wnb (Natura 2000). In het uitgevoerde bronnenonderzoek is gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Onderzoek Gebieden Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNB. De provincie Noord-Brabant hanteert een externe werking als het gaat om NNB, indien een bestemmingsplan leidt tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water. In dit geval is het plangebied op een dergelijke afstand gelegen dat ervan een negatief effect op het dichtstbijzijnde NNB-gebied geen sprake is. Tevens betreft het een beperkte ingreep (realisatie van maximaal drie woningen). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is op een afstand van circa 4,7 kilometer ten zuidwesten van het plangebied gelegen en betreft het“ Ulvenhoutse Bos”. (bij Natura 2000-gebieden moet verspreiding van stoffen in lucht of water wel worden beschouwd). Gezien de beperkte aard van de ingreep valt een significant negatief effect echter niet te verwachten.

Ulvenhoutse bos

Figuur 5.3: Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden, locatie zwart omcirkeld

Soorten Flora Tijdens het veldbezoek zijn binnen het plangebied geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Vanwege de voedselrijke omstandigheden waaruit het plangebied bestaat zijn ook geen beschermde soorten te verwachten. Beschermde soorten komen namelijk vooral voor op voedselarme, kalkhoudende grond. Vogels Er zijn geen vogelnesten c.q. verblijfplaatsen aangetroffen van vogels waarvan de nest- en verblijflocaties jaarrond zijn beschermd. Algemeen voorkomende soorten zonder jaarrond beschermd nest kunnen blijven broeden in de directe omgeving van het plangebied. Indien broedende vogels in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn, kunnen verstorende werkzaamheden zoals bouwwerkzaamheden of een verwijdering van beplanting mogelijk echter niet plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken. Wanneer er geen broedende vogels aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden. Indien er op deze manier wordt gehandeld, treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van vogels. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden in de minst kwetsbare periode (tussen begin oktober en half februari) worden eveneens geen nadelige effecten verwacht. Dit laatste verdient derhalve aanbeveling. Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd op bovenstaande wijze, zullen er geen nadelige effecten optreden ten aanzien van vogels.

Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn Vastgesteld bestemmingsplan “Schoolstraat tussen 29 en 35 te Molenschot” - 3 april 2023

32

door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen Er zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen aanwezig binnen het plangebied. Mogelijk wordt er gefoerageerd binnen en nabij het plangebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. In de directe omgeving van het plangebied is echter voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de vorm van weilanden en tuinen van woningen. Ook is het verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten indien de bouwwerkzaamheden overdag uitgevoerd worden. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten. Gezien het vorenstaande zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot vleermuizen. Amfibieën, reptielen en vissen Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie.

Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot amfibieën, reptielen en vissen. Ongewervelden/ overige soorten Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Er zijn derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen. Conclusie In onderstaande punten wordt de eindconclusie weergegeven: • de omschreven werkwijzen met betrekking tot zowel de zorgplicht als ten aanzien van vogels dienen in acht te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt voorkomen; • om een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten, dienen de voorgenomen bouwwerkzaamheden overdag te worden uitgevoerd; • nader onderzoek naar soorten is niet noodzakelijk; • een ontheffing in het kader van de Wnb (soorten) is niet noodzakelijk; • voor algemeen voorkomende soorten geldt een algemene vrijstelling als het ruimtelijke ingrepen betreft. Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht.

Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen. Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kunnen bijvoorbeeld struiken gedurende het groeiseizoen kort gesnoeid worden, zodat er geen vogels gaan broeden. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen).

Checklist natuurvriendelijke maatregelen Bij het ontwerp van de nieuwe woningen wordt geadviseerd gebruik te maken van de checklist natuurvriendelijke maatregelen aan gebouwen van de Vogelbescherming. Erfbeplanting Indien er nieuwe erfbeplanting is gepland, wordt geadviseerd deze met inheemse en streekeigen soorten bomen en struiken te realiseren. 33

Vastgesteld bestemmingsplan “Schoolstraat tussen 29 en 35 te Molenschot” - 3 april 2023

5.3.2 Stikstofdepositie De diversiteit van de natuur gaat in Europa al lange tijd achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna wordt daarom op Europees niveau als noodzakelijk gezien en heeft vorm gekregen in Natura 2000. Dit is een netwerk van waardevolle natuurgebieden in de Europese Unie. Nederland heeft ruim 160 Natura 2000-gebieden. In Nederland is het Programma Aanpak Stikstof opgezet om de doelen van Natura 2000 te realiseren en ook tegelijkertijd ruimte voor economische ontwikkeling toe te staan. Er zijn ruim 160 gebieden aangemeld als Natura 2000-gebied met een gezamenlijk oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Hiervan is 69% water; de rest is land. 133 gebieden kennen een te hoge stikstofdepositie. De stikstofdepositie mag er de draagkracht van de natuur niet te boven gaan. Voordat er woningen worden gebouwd dan wel wegen worden aangelegd of verbreed, wordt de te verwachten stikstofdepositie uitgerekend en getoetst of de depositie toeneemt. Natura 2000 richt zich op het behoud en de ontwikkeling van natuurgebieden. Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Natuurbeschermingswet 1998. Welke gebieden onder Natura 2000 vallen, staat in de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn.

Voor ammoniak zijn emissiedoelstellingen geformuleerd in het kader van de Europese (NEC national emission ceiling)-richtlijn en in het Gotenborg protocol onder de Verenigde Naties-conventie over grensoverschrijdende luchtverontreiniging. Nederland heeft zich hierbij verplicht om in 2020 niet meer dan 123 kiloton ammoniak per jaar uit te stoten. In 2010 bedroeg dit plafond nog 128 kiloton ammoniak. Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State op 29 mei 2019 is de basis voor het verlenen van vergunningen onder het PAS komen te vervallen. Derhalve moet worden gesteld dat vergunningen nog slechts kunnen worden verleend indien is aangetoond dat er géén sprake is van (een toename van) stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied. In dat geval is er in ieder geval geen sprake van significant negatieve effecten ten aanzien van stikstof en is een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) niet aan de orde. Hoewel plannen niet vergunningsplichtig zijn onder de Wnb (het opstellen van plannen is niet aan te merken als stikstof producerende activiteit) is het wel mogelijk het rekeninstrument AERIUS te gebruiken om het bestemmingsplan op haalbaarheid te toetsen. Uit het rekeninstrument AERIUS blijkt of er sprake is van stikstofdepositie ten gevolge van het plan. Dit geeft een beeld over de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan voor wat betreft de Wnb.

Onderzoek Tritium Advies b.v. heeft voor de planlocatie een berekening stikstofdepositie uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn vervat in het rapport ‘Berekening stikstofdepositie gebruiks- en aanlegfase Schoolstraat Molenschot, Tritium Advies b.v., Documentkenmerk: 2212/013/EH-01, 30 januari 2023’. Het plan voorziet in de ontwikkeling van maximaal drie koopwoningen. Resultaten Uit de rekenresultaten blijkt dat er geen sprake is van stikstofdepositie waarbij significant negatieve effecten in Natura 2000-gebieden kunnen plaatsvinden ten gevolge van de aanleg- en gebruiksfase van onderhavige planvoornemen. Conclusie Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator 2022 blijkt dat er ten gevolge van het planvoornemen geen sprake is van stikstofdepositie waarbij significant negatieve effecten in Natura 2000-gebieden kunnen plaatsvinden ten gevolge van de gebruiksfase of aanlegfase. Een vergunning in het kader van de Wnb ten aanzien van het aspect stikstofdepositie is derhalve niet aan de orde. De berekening toont aan dat het aspect stikstofdepositie geen beperkingen oplevert ten aanzien van het beoogde planvoornemen. 5.3.3

Waterparagraaf

Nationaal waterbeleid In de afgelopen decennia heeft Nederland meerdere keren te kampen gehad met wateroverlast. Dit heeft geresulteerd in een omslag in het waterbeleid en het denken over water. Het kabinet heeft in december 2000 voor het Waterbeleid 21e eeuw drie uitgangspunten opgesteld, te weten anticiperen in plaats van reageren, niet Vastgesteld bestemmingsplan “Schoolstraat tussen 29 en 35 te Molenschot” - 3 april 2023

34

afwentelen van waterproblemen op het volgende stroomgebied, maar handelen volgens de drietrapsstrategie van vasthouden-bergen-afvoeren en meer ruimtelijke maatregelen naast technische ingrepen. Belangrijk onderdeel in het waterbeleid is de watertoets. Nieuwe plannen en projecten moeten worden getoetst aan de effecten op veiligheid, wateroverlast en verdroging. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast mag niet sluipenderwijs verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen. Het Waterbeleid 21e eeuw richt zich primair op het voorkomen van wateroverlast door overstroming vanwege veel neerslag in een korte tijd. Hieruit volgen richtlijnen voor de ruimtelijke inrichting van het gebied om wateroverlast tegen te gaan en de mogelijke technische maatregelen die kunnen worden ingezet. De maatregelen kunnen worden ingedeeld in de voorkeursvolgorde van vasthouden, bergen en afvoeren. De doelstelling van deze maatregelen is een afvoer te realiseren die niet groter is dan de landbouwkundige afvoer. Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening.

Een belangrijke verandering na het in werking treden van de Waterwet is de onderverdeling in het bevoegde gezag met betrekking tot directe en indirecte lozingen. Alle indirecte lozingen vallen onder het Wabo bevoegde gezag (gemeente en provincie). Alle directe lozingen vallen onder het bevoegde gezag voor de Waterwet (waterschappen voor de regionale wateren en Rijkswaterstaat voor de Rijkswateren). De directe lozingen vallen onder de Waterwet (Wtw). De indirecte lozingen zijn opgegaan in de Wet milieubeheer (Wm) en vallen inmiddels onder de omgevingsvergunning (Wabo). Beleid provincie Noord-Brabant Het Regionaal Water en Bodemprogramma (RWP) is vastgesteld op 3 december 2021. Een belangrijk uitgangspunt van het programma is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water-en bodemsysteem in 2050. Het RWP beschrijft de KRW-doelen, de vertaling naar de uitvoering, de randvoorwaarden voor de te behalen doelen en bijgaande onzekerheden en hoe daarmee omgegaan wordt. Dit alles met als doel om in 2027 te voldoen aan de normen van de Europese KRW waarbij de grondwatervoorraad weer in balans is en de hydrologische randvoorwaarden voor natuur op orde zijn. Ook wordt met het RWP voldaan aan de verplichtingen uit de Europese Richtlijn OverstromingsRisico’s (ROR).

Binnen de Waterwet, en straks de nieuwe Omgevingswet, vormt het RWP van de provincie Noord-Brabant, samen met het Nationaal Waterprogramma en de waterbeheerplannen van de waterschappen, het planstelsel voor het waterbeleid. Provincies leggen op regionaal niveau de strategische doelen vast. In de waterbeheerplannen van de waterschappen worden de voorwaarden voor uitvoering daarvan opgenomen. Als algemene uitgangspunten zijn onder andere te noemen de scheiding van relatief schone en vuile waterstromen en het benutten van mogelijkheden voor infiltratie en/of conservering van hemelwater. Beleid Waterschap Brabantse Delta Het beleid van het Waterschap Brabantse Delta is voor de komende jaren vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2022 – 2027 ‘Klimaatbestendig en veerkrachtig waterlandschap’. In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in die periode uitvoert. Het waterschap bepaalt hiermee de koers voor de komende zes jaar. In het Waterbeheerprogramma neemt het waterschap de kerntaken als uitgangspunt. Die taken zijn: bescherming tegen overstromingen en zorgen voor schoon en gezond water dat voldoende voorhanden is. Het waterschap kijkt bij het plannen en uitvoeren van die kerntaken zo integraal mogelijk naar alle wateropgaven. In het Waterbeheeprogramma worden de volgende doelstellingen gehanteerd: 1.

Klimaatadaptatie Het beperken van en het aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. Het waterschap werkt samen met alle partners aan een andere inrichting van de openbare ruimte om hier invulling aan te geven. Hierbij komen alle kerntaken samen. Ook stimuleren we burgers en bedrijven om maatregelen te nemen. 2. Waterveiligheid Het waterschap werkt aan dijkonderhoud, en -versterking. Maar ook de ruimtelijke inrichting en crisisbeheersing zijn belangrijk voor het beperken van overstromingsrisico’s. 35

Vastgesteld bestemmingsplan “Schoolstraat tussen 29 en 35 te Molenschot” - 3 april 2023

3. Gezond water Samen met partners werken aan het verbeteren van de waterkwaliteit. Gezond water met veel natuur in en om het water en aantrekkelijk voor iedereen. 4. Voldoende water Het tegengaan van verdroging en het vergroten van de beschikbaarheid van grond- en oppervlaktewater vraagt om maatwerk. Vasthouden en infiltreren van water staat bovenaan. 5. Vaarwegen We zijn verantwoordelijk voor het onderhoud van vaarwegen voor vlot en betrouwbaar scheepvaartverkeer en kijken naar het recreatieve belang van vaarwegen. 6. Waterketen Alle zuiveringen, rioolgemalen, afvalwatertransportleidingen en persstations die van belang zijn om afvalwater schoon te maken, onderhouden en vernieuwen we duurzaam en efficiënt. Er is aandacht voor innovaties, verminderen van het gebruik van grondstoffen en het opvoeren van het produceren van grondstoffen uit afvalwater. Regelgeving Legger oppervlaktewaterlichamen gemeente Gilze en Rijen Bij watergangen wordt onderscheid gemaakt tussen a-, b- en c-wateren. De watergang gelegen aan de westzijde van de planlocatie is aangewezen als een B-Watergang (figuur 5.3, paarse arcering). Deze gaat na circa 65 meter over in een A-Watergang (blauwe arcering). Er is sprake van het opnieuw inmeten en mogelijk actualiseren van deze B-watergang. Bij het vergraven van deze watergang is een vergunning op basis van de Keur noodzakelijk.

Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater De drie Brabantse waterschappen (Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta) hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. In de keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen.

Dit verbod is van toepassing tenzij: • het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; • de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; • de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; • de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: • de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; • de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; • daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. VGRP 2021 - 2025 gemeente Gilze en Rijen In de Wet milieubeheer en Wet gemeentelijke watertaken is vastgelegd dat gemeenten een verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) moeten vaststellen. Hierin staan de taken voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Het plan moet ook aangeven welke voorzieningen er zijn, wanneer deze aan vervanging toe zijn en wat de financiële gevolgen zijn.

Tot de invoering van de nieuwe Omgevingswet is elke gemeente in Nederland verplicht om een

Vastgesteld bestemmingsplan “Schoolstraat tussen 29 en 35 te Molenschot” - 3 april 2023

36

vGRP op te stellen. Echter ook na de beoogde invoering in 2024 blijft het periodiek projectmatig herijken van het gemeentelijk rioleringsbeleid gewenst. Het vGRP is een beleidsmatig en strategisch plan voor aanleg, beheer en onderhoud van de gemeentelijke riolering. In het document geeft de gemeente aan via welk beleid zij voor de aangegeven planperiode invulling geeft aan haar zorgplichten voor de riolering en hoe zij dit beleid financiert. De geldigheidsduur van het voorliggende vGRP is van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2025. Het vGRP heeft de status van een beleidsplan en betreft een lokale doorvertaling van Nederlandse rijks- , waterschap- en provinciaal beleid en wetgeving. Dit plan gaat over de gemeentelijke taken op het gebied van afvalwater, hemelwater en grondwater. De rioleringszorg heeft drie hoofddoelen: • Het duurzaam beschermen van de volksgezondheid; • Het bevorderen van de kwaliteit van de leefomgeving; • Het duurzaam beschermen van natuur en milieu (bodem, grond- en oppervlaktewater). Bij nieuwe uitbreidingen en inbreidingen wordt hemelwater bij voorkeur niet meer afgevoerd naar de RWZI maar lokaal verwerkt.

De gemeente streeft ernaar van zoveel mogelijk verhard oppervlak het afvloeiend regenwater te infiltreren dan wel vertraagd af te voeren naar oppervlaktewater, zonder dat dit leidt tot wateroverlast of aantasting van de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater. Samen met perceeleigenaren wordt gewerkt aan de opgave om het hemelwater te verwerken. Afkoppeling kan bijvoorbeeld een belangrijke bijdrage leveren aan de openbare ruimte, maar kan ook de zuivering ontlasten. Er wordt samenwerking gezocht met andere beleidsvelden, bijvoorbeeld met ruimtelijke ordening voor de inzet van hemelwater voor waterbeleving en met wegbeheer voor lokale oplossingen voor afvloeiend hemelwater. Op perceel, wijk en gebiedsniveau wordt er gezocht naar de beste aanpak om het hemelwater te hergebruiken, te bergen of waar nodig af te voeren. Samen met lokale partijen wordt er de integrale afweging gemaakt om het hemelwater op lokaal niveau zo waardevol mogelijk te verwerken. Het gebied, de kwaliteit en kwantiteit van afvloeiend hemelwater is bepalend voor de mogelijkheden. Bij de integrale afweging gaan we uit van de wettelijke voorkeursvolgorde en de duurzaamheidsladder (Ladder van Lansink). Er wordt sterk ingezet op preventie van verontreiniging en waar mogelijk nuttig hergebruik van water op lokaal niveau.

Voor de retentiebehoefte is de voorkeursvolgorde infiltreren, retentie binnen het plangebied, retentie buiten het plangebied of berging in het bestaand watersysteem. Bij de afweging spelen de kenmerken van het ontvangende watersysteem een belangrijke rol. Het beleid is erop gericht een versnelde of vergrote afvoer van hemelwater zoveel mogelijk te voorkomen door infiltratie of retentie. Het beleid richt zich vooral op de perceeleigenaar of ontwikkelaar, daar ligt immers de verantwoordelijkheid voor de verwerking van hemelwater. Voor nieuwbouw is het uitgangspunt hydrologisch neutraal ontwikkelen tot t=100 (een bui die eens in de 100 jaar voorkomt). Dat komt overeen met retentie van 60 mm. Onderstaande tabel geeft aan welke retentie de gemeente kan verwachten van perceeleigenaren als niet kan worden geïnfiltreerd. Situatie Bestaande situaties Verbouwing zonder vergroting van verhard oppervlak Verbouwing met vergroting van verhard oppervlak Nieuwbouw

Retentie / infiltratie Geen aanvullende retentie van hemelwater Retentie van 7mm hemelwater, van toepassing op het gehele perceel Retentie van 60mm hemelwater, enkel van toepassing op het extra verhard oppervlak retentie van 60mm hemelwater, van toepassing op het gehele perceel

In het beoogde plan is er sprake van nieuwbouw. Door de diepe opzet van de percelen zal een deel van het hemelwater direct kunnen infiltreren. Om een genuanceerder beeld te geven over de retentie opgave is een aanname gedaan van het toekomstige verharde oppervlak van de percelen. In onderstaand tabel is een berekening gemaakt voor de benodigde retentie per perceel. Voor de toekomstige verharding van de percelen is een aanname gedaan van 50% verharding en bebouwing van het totale perceeloppervlak.

37

Vastgesteld bestemmingsplan “Schoolstraat tussen 29 en 35 te Molenschot” - 3 april 2023

Oppervlakte percelen

Verhard oppervlakte percelen x retentie van 60 mm (Bebouwing, oprit, terras) (ca. 50% van oppervlakte perceel)

Retentie toekomstige situatie (m3)

ca. 880 m2 ca. 470 m2 ca. 530 m2

ca. 440 m2 ca. 235 m2 ca. 265 m2

0,06 0,06 0,06

= ca. 26 m3 = ca. 14 m3 = ca. 16 m3

Totaal

-

= ca. 56 m3

Conclusie Geconcludeerd wordt dat er voor de realisatie van 3 woningen in totaal ca. 56 m3 aan waterretentie zal moeten worden gerealiseerd. De percelen zijn van voldoende omvang om dit op eigen terrein te kunnen realiseren. Er kan worden gewerkt met verlagingen op het achterste gedeelte van het kavel. Ook kan een waterbergingsvoorziening onder de oprit of onder het terras worden gerealiseerd. In de Schoolstraat is een gemengd stelsel aanwezig. Alleen het VWA mag worden afgevoerd naar het gemengd stelsel. Het HWA moet op eigen terrein worden geïnfiltreerd. Dat betekent dat voor de regenwaterafvoer van de nieuwbouw milieuvriendelijke stoffen gebruikt moeten worden en dat uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC niet mogen worden gebruikt. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem) systeem en hebben hierdoor een nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. 5.3.4 Wegverkeerslawaai In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) moet voor het oprichten van geluidsgevoelige bestemmingen (woningen, scholen, ziekenhuizen, etc.), die binnen de onderzoekszone van (spoor)wegen liggen, een toets aan de geluidsnormen plaatsvinden. In de Wet Geluidhinder (Wgh) worden eisen gesteld aan de toelaatbare geluidsbelasting op de gevels van nog niet geprojecteerde woningen langs een bestaande weg of spoor in stedelijk en buitenstedelijk gebied.

Voor woningen binnen een onderzoekszone is een maximaal toelaatbare geluidsbelasting (Lden) op de gevel ten gevolge van verkeerslawaai vastgesteld op 48 dB (voorkeursgrenswaarde) en een maximaal te verlenen ontheffingswaarde van 63 dB voor het binnenstedelijk gebied. Conclusie De planlocatie is gelegen aan de Schoolstraat. De Schoolstraat betreft een 30 km/uur weg. Dit type weg vormt een afwijkende categorie binnen de Wgh. Formeel kan voor deze weg geen hogere waarde worden aangevraagd of verleend, aangezien deze weg niet zoneplichtig is. Er zijn geen andere wegen die met een onderzoekszone over het plangebied reiken. De dichtstbijzijnde 60 km/h weg is gelegen op ruim 280 meter, buiten de verplichte onderzoekszone. Geconcludeerd kan worden dat er voor de locatie dan ook geen akoestisch onderzoek noodzakelijk is, aangezien het plangebied niet als onderzoeksplichtig is aangewezen. De woningen staan niet direct aan de weg maar worden ervan gescheiden door een openbare groenstrook en circa 10 meter diepe voortuinen. Dit heeft een positieve invloed op het geluidsniveau op de gevel als gevolg van wegverkeerslawaai.Ten slotte zullen de te realiseren woningen, volgens het bouwbesluit, aan het binnen niveau van 33 dB moeten voldoen. Waarmee sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. 5.3.5 Vliegverkeer De kern Molenschot is gelegen in de nabijheid van Vliegbasis Gilze-Rijen.

Momenteel geldt het BGGL (Besluit Geluidsbelasting Grote Luchtvaart). Voor wat betreft de geluidsbelasting die uitgaat van de vliegbasis is voor een gelijke toetsing van initiatieven aan de (toekomstige) wettelijke contouren van de Vliegbasis Gilze-Rijen én de gemeentelijke zienswijze ten aanzien van deze contouren, vooruitgelopen op het toekomstige luchthavenbesluit waarbij de regels gaan gelden die zijn vastgelegd in het Besluit militaire luchthavens (BML). De locatie is gelegen binnen de 40 tot 45 Ke contour. Op deze locatie, zijn conform artikel 6, lid 1 van het Bml, geluidgevoelige objecten toegestaan. Daarnaast vindt de volgende kwalitatieve toets plaats: Grondgebonden geluid Naast lawaai van het vliegverkeer kent de vliegbasis ook zogenaamd inrichtingslawaai of grondgebonden lawaai. Dit is geluid afkomstig van activiteiten op de basis zelf. Bijvoorbeeld het proefdraaien van (vliegtuig)motoren. Vastgesteld bestemmingsplan “Schoolstraat tussen 29 en 35 te Molenschot” - 3 april 2023

38

Dit gebied wordt ook wel de 50 dB(A)-contour genoemd en is vastgelegd in het bestemmingsplan. De planlocatie is niet gelegen binnen deze contour. 56 db(A) Lden contour De (oude en nieuwe) contouren gaan uit van een berekening in Kosteneenheden. Met de huidige iinzichten is een berekening in Lden (decibel) realistischer. Deze berekening levert een contour op waar de planlocatie buiten ligt. Externe veiligheid Het gebruik van de helikopters brengt gevaar met zich mee, een zogenaamd plaatsgebonden risico, ook wel PR 106. De contouren worden bepaald door de opslag van munitie, brandstofleidingen en -opslag en het vliegen zelf geeft ook risico’s. De planlocatie is niet gelegen binnen deze contour. Cumulatie van snelweg- of spoorgeluid Buiten de directe overlast van de vliegbasis kent de gemeente nog drie belangrijke geluidsbronnen, namelijk de spoorlijn Breda-Tilburg, de snelweg A58 en de provinciale wegen. Er kan sprake zijn van cumulatie van geluid afkomstig van het spoor of de (snel)weg, samen met het geluid van de vliegbasis. De planlocatie is niet gelegen binnen deze contour. Rattle Noise Naast het geluid wat door de vliegtuigen en helikopters wordt veroorzaakt is er nog een hinderbron die overlast veroorzaakt: rattle noise. Dit zijn trillingen die worden veroorzaakt door de helikopters. De planlocatie is niet gelegen binnen deze contour.

Figuur 5.4: Ke-zonering ontwerp luchthavenbesluit, plangebied rood omcirkeld

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling doorstaat de kwalitatieve toets. Hierdoor is het mogelijk om de beoogde woningen te ontwikkelen. 5.3.6 Explosieven opsporing REASeuro heeft voor de planlocatie een onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van mogelijke ontplofbare oorlogsresten. De resultaten van dit onderzoek zijn vervat in het rapport ‘Maatwerkadvies Niet Gesprongen Explosieven Molenschot Schoolstraat, REASeuro, kenmerk 73955/RO-200262, versie 0.1, 19 augustus 2020’. In 2013 is voor gemeente Gilze-Rijen een NGE1-Risicokaart opgesteld, uit deze kaart is gebleken dat het gehele werkgebied binnen Niet Gesprongen Explosieven-Risicogebied valt (NGE-Risicogebied). Aanvullend is in 2019 een NGE-beleidskaart opgesteld. Hieruit blijkt dat bij grondroerende werkzaamheden in het werkgebied aanvullend onderzoek noodzakelijk is. Dit maatwerkadvies is het resultaat. In het vooronderzoek wordt aangeven dat in het onderzoeksgebied naar alle waarschijnlijkheid ontplofbare oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog aanwezig kunnen zijn. Het specifieke opsporingsgebied is volgens dit rapport verdacht verklaard op de volgende hoofdsoorten ontplofbare oorlogsresten:

39

Vastgesteld bestemmingsplan “Schoolstraat tussen 29 en 35 te Molenschot” - 3 april 2023

• Klein Kaliber Munitie (KKM) • Geschutmunitie vanaf het kaliber 2 inch. • Handgranaten • Geweergranaten • Munitie voor granaatwerpers Onderzoek Het zoekdoel bestaat uit de op te sporen typen NGE en de te onderzoeken bodemlaag. Het gebied is volgens het vooronderzoek verdacht op diverse soorten NGE. Resultaten Op basis van de werkzaamheden en de gevoeligheid van NGE kan worden geconcludeerd dat het toucheren en/of bewegen kunnen leiden tot een ongecontroleerde uitwerking van NGE. Toucheren en/of bewegen van NGE kan voorkomen bij grondroerende of graafwerkzaamheden in de NGE-verdachte laag (tot 1,2 m-mv). Advies De bodem binnen het werkgebied is mogelijk uitsluitend geroerd voor agrarische doeleinden, waarbij niet kan worden uitgegaan dat NGE zijn opgemerkt en verwijderd. De bodem is onverminderd verdacht op NGE en nader NGE-bodemonderzoek wordt geadviseerd. Voor zover bekend hebben niet eerder gebouwen op het perceel gestaan, waardoor het perceel naar verwachting niet is vervuild met detectieverstorend puin of ander materiaal. Mogelijk kan detectieverstorend materiaal aanwezig zijn langs de randen van het werkgebied, in verband met de aanleg van de weg en wellicht de sloop en/of bouw van gebouwen op de aangrenzende percelen.

Geadviseerd wordt om NGE-onderzoek uit te voeren met passieve (non-)realtime oppervlaktedetectie, eventueel in combinatie met actieve realtime laagsgewijze detectie. Vervolgonderzoek oppervlaktedetectie REASeuro heeft voor de planlocatie een vervolgonderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van mogelijke ontplofbare oorlogsresten. De resultaten van dit onderzoek zijn vervat in het rapport ‘Detectierapport Niet Gesprongen Explosieven Molenschot Schoolstraat, REASeuro, kenmerk 73955 / RO-210025 versie 1.0, 10 februari 2021’. De detectieresultaten die met non-realtime oppervlaktedetectie zijn verzameld, zijn in het speciaal voor dit doel ontwikkelde computerprogramma Vallon Eva 2000 geïnterpreteerd. De detectieresultaten zijn geïnterpreteerd op basis van het vastgestelde zoekdoel. Allereerst is het opsporingsgebied opgedeeld in terreintypen. Er is onderscheid gemaakt in de volgende terreintypen: • Categorie A-terreinen: Dit zijn gebieden waarvan is vastgesteld dat er geen significante verstoringen zijn gedetecteerd. • Categorie B-terreinen: Dit zijn gebieden met individueel te onderscheiden significante verstoringen.

Figuur 5.5: Uitsnede detectierapport Vastgesteld bestemmingsplan “Schoolstraat tussen 29 en 35 te Molenschot” - 3 april 2023

40

•

Categorie C-terreinen: Dit zijn gebieden waarin gedetecteerde verstoringen niet individueel te onderscheiden zijn. Dit kan het gevolg zijn van ijzerhoudende voorwerpen in de bodem of in de directe nabijheid van de bodem. Deze verstoringen beïnvloeden de detectieresultaten dusdanig, dat er op basis van de detectieresultaten geen uitspraak gedaan kan worden over de eventuele aanwezigheid van NGE.

Resultaten Uit de detectieresultaten kan geconcludeerd worden dat de planlocatie ingedeeld kan worden in een categorie B terrein en een categorie C terrein. In het categorie B-terrein zijn 74 significante verstoringen geïnterpreteerd. Deze verstoringen zijn weergegeven in de objectenlijst die als bijlage 2 is opgenomen. Van het onderzochte gebied is ca. 165 m² ingedeeld als categorie C-terrein. Het is niet mogelijk om de detectieresultaten van dit gebied te interpreteren. Deze resultaten zijn terug te vinden in figuur 5.5. Door de aanwezigheid van begroeiing, bebouwing en hekwerk is niet het gehele opsporingsgebied onderzocht. Het niet gedetecteerd gebied is in de tekening ingetekend en zal als categorie C verstoord terrein behandeld moeten worden. Conclusie Binnen het categorie B-terrein kan dit door middel van het benaderen van gemeten significante objecten, waarna dit gebied vrijgegeven kan worden op aanwezigheid van het zoekdoel. Binnen het categorie C-terrein kan dit door middel van laagsgewijs detecteren en ontgraven. Hierbij wordt een laag van circa 30 cm onderzocht. Gemeten significante objecten worden direct benaderd en eventueel veiliggesteld. De vrijgegeven laag kan door een CS-OOO Scope B-bedrijf worden ontgraven. Hierna wordt de volgende laag onderzocht, benaderd en vrijgegeven. Deze handelingen worden herhaald totdat de gewenste diepte is bereikt.

Indien grondroerende werkzaamheden gaan plaatsvinden binnen het opsporingsgebied, zal aanvullend onderzoek moeten plaatsvinden. Vervolgonderzoek Bodac B.V. heeft voor de planlocatie een vervolgonderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van mogelijke ontplofbare oorlogsresten. De resultaten van dit onderzoek zijn vervat in het rapport ‘Proces-verbaal van oplevering, Bodac B.V., documentnummer 210518_1047_PvO_01 versie 1, 18 mei 2021’. Bij het onderzoek is gebruik gemaakt van passieve realtime oppervlaktedetectie en actieve realtime oppervlaktedetectie. Bij passieve realtime oppervlaktedetectie worden gemeten verstoringen, in tegenstelling tot non realtime detectie, direct gelokaliseerd, benaderd, geïdentificeerd en verwijderd en/of veiliggesteld. Actieve realtime oppervlaktedetectie wordt uitgevoerd met verschillende typen Vallon metaaldetectoren. De toepassing per type is o.a. afhankelijk van de maximale gewenste zoekdiepte, diepteligging te verwachte OO(Ontplofbare oorlogsresten) en/of omgevingsfactoren. Resultaten Tijdens de opsporingswerkzaamheden zijn geen OO of OO gerelateerde objecten aangetroffen. Middels dit proces verbaal van oplevering zijn de gebieden vrijgegeven voor alle aankomende grondroerende werkzaamheden tot op een diepte van 1,2 meter.

Advies Er wordt geadviseerd dat binnen de vrijgegeven dimensies grondroerende werkzaamheden zonder aanvullende maatregelen, in relatie tot ontplofbare oorlogsresten, kunnen worden uitgevoerd. Wanneer werkzaamheden buiten de door Bodac B.V. onderzocht en vrijgegeven gebieden gaan plaatsvinden is aanvullend onderzoek noodzakelijk. 5.3.7

Bedrijven en milieuzonering

Beleid Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woonwijken. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG.

Vastgesteld bestemmingsplan “Schoolstraat tussen 29 en 35 te Molenschot” - 3 april 2023

41

Bedrijven zijn hierin opgenomen in een tabel, die is ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per bedrijf is aangegeven wat de afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Er kan (enigszins) van afgeweken worden in situaties waarin geen sprake is van een rustige woonwijk of bij afwijkende bedrijven. In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden. In de omgeving van het plangebied aan de Schoolstraat zijn planologisch gezien 3 bedrijven mogelijk. Ten noorden en ten westen van de planlocatie liggen twee percelen met de bestemming ‘Gemengde doeleinden’. Onder de bestemming ‘Gemengde doeleinden’ vallen onder andere bedrijfsdoeleinden van milieucategorie 1 en 2. Op de locatie Schoolstraat 21 is een kantoor gevestigd dat valt onder milieucategorie 2. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter. Op de locatie Schoolstraat 24 is een autobedrijf gevestigd dat valt onder milieucategorie 2. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter. Categorie 1 bedrijf G. H. V. Molenschot Schoolstraat 21

Categorie 2 bedrijf Autobedrijf Vermeulen BV Schoolstraat 24,26,30

Categorie 2 bedrijf Stalling 37 Schoolstraat 37

Figuur 5.6: Nabij gelegen bedrijven, locatie zwart omlijnd

In het kader van het recent vastgestelde bestemmingsplan ´Schoolstraat 24, 26 en 30´ is een akoestisch onderzoek naar industrielawaai uitgevoerd voor het autobedrijf. Uit dit onderzoek is gebleken dat ter hoogte van de woningen aan de Schoolstraat 22 en 27 (die dichter bij het autobedrijf liggen dan de planlocatie) de langtijdgemiddelde optredende gevelbelastingen ten gevolge van de activiteiten van het autobedrijf ten hoogste 48 dB(A) bedraagt. De norm voor het toegestane langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de gevel van gevoelige gebouwen is 50 dB(A). Daarmee kan er geconcludeerd worden dat er ter plaatse van de planlocatie een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. Ten zuiden van het plangebied ligt op de locatie Schoolstraat 37 de bestemming ‘Agrarisch’ met de functieaanduiding ‘glastuinbouw’. De Schoolstraat 37 betreft een locatie waar de agrarische bestemming nog geldend is en waar feitelijk geen agrarische bedrijfsmatige activiteiten meer plaats vinden. In de kassen zijn nieuwe economische initiatieven opgezet door de eigenaren, namelijk een caravan stalling. Deze stalling valt onder milieucategorie 2. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter. Gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.

Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Classificatie omgevingstype plangebied Schoolstraat Het plangebied is gelegen aan de Schoolstraat, een van de linten van de kern Molenschot en tevens een ontsluitingsweg. Hier komen op een relatief korte afstand verschillende functies voor. Zo zijn in de omgeving van het plangebied onder meer agrarische bestemmingen, detailhandel, maatschappelijke bestemmingen, woningen, en bedrijven gelegen. Vastgesteld bestemmingsplan “Schoolstraat tussen 29 en 35 te Molenschot” - 3 april 2023

42

Gelet op het gemengd voorkomen van deze functies, en de ligging aan een ontsluitingsweg, kan het gebied worden aangemerkt als ‘gemengd gebied’. De richtafstanden als opgenomen in de VNG-publicatie kunnen hierdoor met één afstandsstap worden teruggebracht, hiermee voldoen alle bedrijven aan de richtafstand. Adres

Categorie VNG Richtafstand

Schoolstraat 21 Schoolstraat 24 Schoolstraat 37

1 2 2

10 m 30 m 30 m

Richtafstand bij toepassing gemengd gebied 0m 10 m 10 m

Feitelijke afstand tot plangebied ca. 75 m ca. 13 m ca. 20 m

Voldoet ja ja ja

Conclusie Omdat de directe omgeving van het plangebied verschillende functies heeft, kan worden uitgegaan van een ‘gemengd gebied’. Daarmee kan de richtafstand een afstandsstap verkleind worden. Gelet op het voorstaande kan geconcludeerd worden dat kan worden voldaan aan de richtafstanden van omliggende bedrijven in de omgeving van de planlocatie. Gezien het feit dat er kwetsbare objecten (woningen) liggen op een kortere afstand, worden de bedrijven met de beoogde ontwikkeling niet verder in hun bedrijfsvoering beperkt. Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van het aspect “Bedrijven en milieuzonering” er geen beperkingen zijn voor de geplande ontwikkeling ter plaatse van de planlocatie. Geurhinder Wettelijk kader Vanaf 1 januari 2007 vormt de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het toetsingskader als het gaat om geurhinder afkomstig van dierenverblijven van (individuele) veehouderijen. De geuremissie is afhankelijk van het aantal en soort dieren dat binnen de inrichting aanwezig is. In de aan de Wgv gekoppelde Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is per diercategorie een geuremissiefactor vastgesteld, uitgedrukt in Europese odour units per tijdseenheid per dier (ouE/s/dier). De totale geuremissie van een veehouderij is de som van alle geuremissies van de verschillende diercategorieën die binnen de inrichting aanwezig zijn.

In artikel 3 van de Wgv zijn de geurnormen opgenomen. Voor bedrijven waarvoor een geuremissie is vastgesteld gelden de richtafstanden uit de VNG-brochure voor de afstand tot een geurgevoelige functie. Er zijn ook diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld. Hiervoor gelden minimaal aan te houden afstanden. Deze zijn opgenomen in artikel 4 van de Wgv. De minimale afstandseisen zijn van toepassing: • 100 meter bij ontwikkelingen gelegen binnen de bebouwde kom • 50 meter bij ontwikkelingen gelegen buiten de bebouwde kom Bij het onderscheid binnen de bebouwde kom/buiten de bebouwde kom gaat het om de ligging van het geurgevoelige object. Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom. Gemeenten mogen van bovenstaande normen en afstanden afwijken middels een gemeentelijke verordening. In de Wgv is in artikel 6.1 opgenomen dat gemeenten middels deze verordening binnen bepaalde bandbreedten mogen afwijken van de wettelijke standaardnormen. De gemeente Gilze en Rijen heeft geen gemeentelijke verordening vastgesteld. Ten noordoosten van de planlocatie is een veehouderij aanwezig. Hiervoor geldt een richtafstand van 100 meter. Aan deze afstandseis wordt niet voldaan. De feitelijke afstand van de te ontwikkelen bedrijfswoning tot de veehouderij is ca. 55 meter. Adres

Categorie VNG

Richtafstand

Broekstraat 10

3.2

100 m

Feitelijke afstand tot Voldoet plangebied ca. 55 m nee

Conclusie Ten noordoosten van de locatie is een veehouderij gelegen op een afstand van ca. 55 meter. Deze veehouderij valt onder categorie 3.2. Er dient rekening te worden gehouden met een richtafstand van 100 meter. Daarmee kan geconcludeerd worden dat er ten aanzien van het aspect ‘milieuzonering bedrijven’ beperkingen zijn voor de Vastgesteld bestemmingsplan “Schoolstraat tussen 29 en 35 te Molenschot” - 3 april 2023

43

geplande ontwikkeling ter plaatse van de planlocatie. Er liggen op een kortere afstand van de veehouderij meerdere kwetsbare objecten (woningen) en daarmee worden uitbreidingsmogelijkheden van de veehouderij niet door de beoogde ontwikkeling beperkt. De genoemde feitelijke afstanden tussen het voorliggend plangebied en de diverse bedrijven worden op basis van de VNGuitgave “Bedrijven en milieuzonering” uit 2009 als niet toereikend betiteld. 5.3.6 Luchtkwaliteit Sinds 2007 is de nieuwe Wet luchtkwaliteit in werking getreden. In deze wet zijn grenswaarden opgenomen die bindend zijn voor de overheid. In de wet wordt aangegeven dat bij uitoefening van bestuurlijke bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit ten aanzien van een bepaalde luchtverontreinigende stof de betreffende grenswaarden in acht moeten worden genomen. Omdat grenswaarden bindend zijn, stellen ze beperkingen aan activiteiten waardoor overschrijding van de grenswaarden voor de buitenluchtkwaliteit geldt. Een toetsing aan grenswaarden zoals opgenomen in bijlage 2 van de Wet Milieubeheer is in dit project niet aan de orde. De geringe omvang van het plan impliceert dat ‘in niet betekenende mate wordt bijgedragen’ aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

De monitoring van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) is als verplichting opgenomen in artikel 5.14 van de Wet Milieubeheer (Wm). Het verplicht betrokken bestuursorganen om jaarlijks aan de minister van Infrastructuur en Milieu te rapporteren over de voortgang en uitvoering van de maatregelen en projecten die in het NSL zijn opgenomen en over de effecten daarvan op de luchtkwaliteit. Voor het berekenen van de effecten op de luchtkwaliteit is de Monitoringstool ontwikkeld. Dit is een website waar de invoergegevens voor de berekeningen zijn verzameld. De kaart van de Monitoringstool toont de informatie van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In het kader van de Monitoringstool zijn rekenpunten gedefinieerd langs wegen. Zo ook langs wegen binnen de gemeente Gilze en Rijen. Het rekenpunt dat het meest nabij het plangebied is gelegen, betreft rekenpunt met identificatienummer 706447. Dit rekenpunt is rood omcirkeld weergegeven in figuur 5.7. Het rekenpunt is gelegen ten zuidoosten van de planlocatie, aan de Rijksweg A58. De Rijksweg is een van de hoger belaste verkeerswegen in de omgeving.

Aannemelijk is dat de concentraties aan luchtverontreinigende stoffen ter plaatse van het rekenpunt, in de nabijheid van de drukke verkeersweg, hoger zijn dan de concentraties aan luchtverontreinigende stoffen ter plaatse van de planlocatie aan de Schoolstraat. Uit de kaart van de Monitoringstool volgt per rekenpunt de te verwachten luchtkwaliteit, rekening houden met onder andere achtergrondconcentraties en bijdragen van omliggende bronnen zoals wegverkeer. In figuur 5.8 is de luchtkwaliteit gepresenteerd voor het rekenpunt met identificatienummer 706447 voor de jaren 2020 en 2030.

Legenda

Figuur 5.7: NSL kaarten 2020 (links) en 2030 (rechts), planlocatie zwart omcirkeld

Vastgesteld bestemmingsplan “Schoolstraat tussen 29 en 35 te Molenschot” - 3 april 2023

44

Figuur 5.8: NSL monitoring gegevens 2020 (boven) en 2030 (onder)

Aannemelijk is dat de concentraties aan luchtverontreinigende stoffen ter plaatse van het rekenpunt, in de nabijheid van de drukke verkeersweg, hoger zijn dan de concentraties aan luchtverontreinigende stoffen ter plaatse van de planlocatie. Uit figuur 5.8 (eerste rij: Totale concentratie [µg/m³] ) volgt dat de concentraties aan NO2, PM10 en PM2,5 ruimschoots lager liggen dan de hiervoor geldende grenswaarden van respectievelijk 40 [µg/m³], 40 [ µg/m³] en 25 µg/m³]. Daarmee kan er geconcludeerd worden dat de huidige luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de realisatie van het plan. Niet in betekenende mate bijdragen In de Algemene Maatregel van Bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Per 1 augustus 2009 geldt als NIBM 3% van de grenswaarde. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die Niet in Betekenende Mate bijdragen aan de luchtverontreiniging (specifiek gekwantificeerde bedrijfsactiviteiten of het realiseren van kantoor- en woningbouwlocaties in een maximale omvang). Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12465331/1