CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22c Hoogstraat 8 Toelichting (1139902)

Gemeenteraad 15 juni 2026, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen TAM Omgevingsplan Hoogstraat 826.947 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Voor elk van de afzonderlijk genoemde onderdelen voor een goede omgevingskwaliteit zijn vervolgens aanvullende bepalingen opgenomen in de genoemde artikelen (5.8, 5.9 en 5.10). Voor zorgvuldig ruimtegebruik gelden de volgende aanvullende bepalingen: "Artikel 5.8 Zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1 Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. een ontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag; b. de mogelijkheden voor intensivering van bestaand ruimtebeslag en meervoudig ruimtegebruik zijn afgewogen en betrokken bij een ontwikkeling; c. bij stedelijke ontwikkeling toepassing wordt gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking, bedoeld in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving; d. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel; en e. splitsing van een bestaand bouwperceel niet is toegestaan. Lid 2 Als uit een zorgvuldige afweging blijkt dat een ontwikkeling niet binnen bestaand ruimtebeslag mogelijk is, is uitbreiding van ruimtebeslag mogelijk onder de in dit hoofdstuk opgenomen voorwaarden." Ad artikel 5.8, lid 1, sub a: De ontwikkeling vindt plaats binnen het bestaande bouwperceel. Het bouwvlak wordt niet uitgebreid maar juist sterk verkleind, en de totale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing neemt af ten opzichte van het voormalige agrarische bedrijf.

Er wordt dus niet méér ruimtebeslag ingenomen. Hiermee wordt volledig voldaan aan sub a. Ad artikel 5.8, lid 1, sub b: Zoals reeds omschreven in het voorgaande is sprake van een ontwikkeling binnen het bestaand ruimtebeslag. Er is geen sprake van een intensivering van het bestaand ruimtebeslag, het bebouwd oppervlak neemt immers af en het bouwvlak wordt verkleind. In zekere mate is sprake van meervoudig ruimtegebruik. De locatie betreft een voormalige agrarische bedrijfslocatie waaraan een nieuwe invulling wordt gegeven. Daarbij wordt ter plaatse enerzijds voorzien in statische opslag en anderzijds in akkerbouw. Daarmee is sprake van meerdere functies binnen het bedrijf. Met de nieuwe invulling van het bedrijf wordt een voormalige agrarische bedrijfslocatie opnieuw in gebruik genomen voor een nieuwe functie. Er is daarmee een afweging gemaakt van intensivering en/of meervoudig ruimtegebruik. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad artikel 5.8, lid 1, sub c: Zoals is aangetoond in "Besluit kwaliteit leefomgeving" (paragraaf 4.1.2) is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, waarmee de Laddertoets verplicht is. Op hoofdlijnen is de behoefte aangetoond en is de locatie zorgvuldig gekozen. Daarmee is uitvoering gegeven aan artikel 5.129g Bkl. Ad artikel 5.8, lid 1, sub d: Alle aanwezige bebouwing is geconcentreerd binnen het bouwperceel.

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bebouwing buiten het bouwperceel. Het bouwvlak wordt van vorm veranderd zodat alle bebouwing hier binnen komt te liggen. Daarbij is gekozen voor een meer compact en kleiner bouwvlak, zodat sprake is van een meer compacte inrichting van het erf en er geen sprake zal zijn van te 26

veel verspreid liggende bebouwing op het erf. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad artikel 5.8, lid 1, sub e: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een splitsing van het bouwperceel. Er is sprake van één bedrijf op één bouwperceel en dit zal zo blijven. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad artikel 5.8, lid 2: Er is sprake van een ontwikkeling binnen bestaand ruimtebeslag. Een uitbreiding van het ruimtebeslag is daarmee niet noodzakelijk. De bepalingen uit het tweede lid zijn daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Er is, zoals blijkt uit het voorgaande, met de voorgenomen ontwikkeling sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik. Voor wat betreft de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering zijn in de verordening de volgende aanvullende voorwaarden opgenomen: "Artikel 5.9 Toepassing van de lagenbenadering Lid 1 Het toepassen van de lagenbenadering biedt inzicht in: welke effecten een ontwikkeling heeft op de lagen afzonderlijk, de lagen in onderlinge wisselwerk ing met elk aar en het actief benutten van de factor tijd; en hoe negatieve effecten worden voorkomen. Lid 2 Voor de toepassing van het eerste lid worden de volgende lagen onderscheiden: a. de ondergrond, zoals het bodem- en watersysteem, aardkundige- en archeologische waarden; b.

de netwerklaag, zoals natuurnetwerk, energienetwerk, infrastructuur inclusief waterwegen, en een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer; en c. de bovenste laag, zoals cultuurhistorische- en landschappelijke waarden , de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op lucht, milieu, veiligheid en een gezonde leefomgeving. Lid 3 Bij het actief benutten van de factor tijd wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde van de lagen, het verleden, de onomkeerbaarheid van optredende effecten op de lagen door de gewenste ontwikkeling en de toekomstwaarde van de ontwikkeling vanuit het perspectief van duurzaamheid en toekomstbestendigheid." Zoals nader is aangetoond en omschreven in het hoofdstuk "Mogelijke effecten op de fysieke leefomgeving" (hoofdstuk 5) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een mogelijke aantasting van de in het gebied (mogelijk) voorkomende waarden en/of functies. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke negatieve effecten op de genoemde lagen en/of kenmerken daarvan.

Voor wat betreft de meerwaardecreatie gelden vanuit de verordening de volgende aanvullende bepalingen: "Artikel 5.10 Meerwaardecreatie Lid 1 Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren; en 27

b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikk eling gemoeid zijn. Lid 2 De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap k an deel uitmaken van de meerwaardecreatie." Zoals gesteld kan de fysieke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit zoals bedoeld in artikel 5.11 deel uitmaken van de meerwaardecreatie. In artikel 5.11 is het volgende opgenomen: "Artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap Lid 1 Een omgevingsplan dat de ontwikkeling van activiteiten mogelijk maakt in Landelijk gebied bepaalt dat die ontwikk eling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Lid 2 Het omgevingsplan onderbouwt dat de fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied, bedoeld in artikel 5.12, en dat de uitvoering is geborgd door: a. financiële, juridische en feitelijke vastlegging in het plan; of b. nakoming van de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in Afdeling 7.2 Regionaal samenwerken. Lid 3 Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan de volgende aspecten omvatten: a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b.

het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterk ing van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c. het behoud of herstel van cultuurhistorische waarden en kenmerken; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing ; f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant of een ecologische verbindingszone; of g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Lid 4 Als toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, onder b, wordt een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds verzekerd en wordt over de besteding van dat fonds periodiek verslag gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in Afdeling 7.2 Regionaal samenwerken." Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij beëindigd en omgeschakeld naar een niet-agrarisch bedrijf voor statische opslag en akkerbouw. Bij de huidige intensieve veehouderij, zijnde een pluimveehouderij, is sprake van een hoge geurbelasting aan de omgeving en van een grote emissie van fijnstof, ammoniak en stikstofoxiden. Het gewenste bedrijf heeft geen geurbelasting, geen emissie van ammoniak en een (aanzienlijk) lagere emissie van fijnstof en stikstofoxiden. Daarmee draagt de voorgenomen ontwikkeling bij aan het verminderen van de milieuhinder aan de omgeving en daarmee aan een verbetering van het woon- en leefklimaat in de omgeving.

De voorgenomen ontwikkeling leidt daarmee tot een verbetering van de omgevingskwaliteit. Daarnaast is in de huidige intensieve veehouderij sprake van de uitstoot van een grote hoeveelheid aan 28

broeikasgassen. Enerzijds door de uitstoot van de gehouden dieren (koolstofdioxide en methaan) en anderzijds omdat de temperatuur in de stallen van belang is en het met name in de koudere maanden noodzakelijk is om de stallen te verwarmen. In de gewenste situatie is de temperatuur van de bedrijfsgebouwen nagenoeg niet meer van belang, waardoor verwarming niet langer noodzakelijk is. Daarmee zal met de voorgenomen ontwikkeling sprake zijn van een afname van de uitstoot van broeikasgassen. Dit draagt bij aan de klimaatdoelstellingen van de overheid. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden voormalige agrarische bedrijfsgebouwen, zijnde de stallen, gesloopt. Er is sprake van nieuwbouw van bedrijfsgebouwen, maar de oppervlakte daarvan is kleiner dan de gesloopte oppervlakte aan voormalige stallen. Daarmee zal sprake zijn van een afname van het bebouwd oppervlak op de locatie. Daarnaast wordt met de vormverandering van het bouwvlak ter plaatse een compactere vorm en inrichting van het erf geborgd. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan ontstening van het landschap. Tevens is sloop van voormalige agrarische bebouwing in artikel 5.11 opgenomen als vorm van kwaliteitsverbetering en is derhalve aan te merken als meerwaardecreatie.

Tevens zal met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2), worden voorzien in een goede bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en is onderbouwd. Het voorzien in een goede landschappelijke inpassing is opgenomen als een van de mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering van het landschap zoals zijn genoemd in artikel 5.11 van de verordening en is derhalve aan te merken als een vorm van meerwaardecreatie. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal daarmee worden voorzien in meerwaardecreatie. Gezien bij de voorgenomen ontwikkeling sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik, geen sprake is van een mogelijke aantasting van de functies en waarden in de verschillende lagen en/of de kenmerken daarvan en sprake is van meerwaardecreatie wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de bepalingen zoals zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.

4.3

Beleid van het waterschap

De locatie valt binnen het werkgebied van het waterschap Brabantse Delta (hierna: het waterschap). De gemeente Alpen-Chaam, Baarle-Nassau en Gilze en Rijen hebben gezamenlijk een 'Handreiking Waterbeleid' opgesteld. Het huidige waterbeleid is op hoofdlijnen vastgesteld door het bestuur bij de vaststelling van het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP). Het waterbeleid van de gemeenten streeft een duurzaam watersysteem na waarbij vooral het invullen van de zorgplicht hemelwater is ingevuld door het opleggen van een wateropgave bij ontwikkelingen. Deze handreiking geeft meer handvatten voor de invulling zoals informatie over de technieken en de ruimteclaim van een wateropgave. 4.3.1 Waterbeheerprogramma Het initiatief heeft geen nadelige gevolgen voor de doelstellingen en uitgangspunten die het waterschap heeft opgenomen in het waterbeheerprogramma. Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer - waaronder grondwater - heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit.

Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022 - 2027, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Het programma brengt op strategisch niveau samenhang tussen de verschillende kerntaken en draagt zo bij aan integraal waterbeheer en duurzame ontwikkeling in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en en beleidsregels op de verschillende 29

thema's/speerpunten uit het waterbeheerprogramma en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater'.

Hieromtrent is bij de Algemene regels van de keur het volgende opgenomen: Bij een toename van het verhard oppervlak van minder dan 500 m2 stelt het waterschap geen andere iesen aan de verwerking van het hemelwater; Bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 500 m² moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m²); Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m2 is een watervergunning nodig. In alle gevallen geldt (ook) het gemeentelijk waterbeleid. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.4.2 (Gemeentelijk waterbeleid Gilze en Rijen) en paragraaf 5.11 (Water). Met de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van een sterke afname in bebouwing en verharding en daarmee verhard oppervlak. Hierdoor zijn vanuit het waterbeheerprogramma geen aanvullende compenserende maatregelen nodig.

4.4

Gemeentelijk beleid

4.4.1 (Ontwerp)omgevingsvisie De ontwerp-Omgevingsvisie “Dynamische dorpen, midden in het groen” schetst een toekomstbeeld voor Gilze en Rijen richting 2040 en verder. In de visie worden de thema’s natuur, wonen, mobiliteit, klimaat en leefbaarheid in samenhang benaderd. De gemeente wil hiermee richting geven aan inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties om tijdig in te spelen op ruimtelijke en maatschappelijke opgaven. Gilze en Rijen streeft naar een groene, vitale en betrokken gemeenschap, waarin het dorpse en landelijke karakter behouden blijft en waar de omgevingskwaliteit verder wordt versterkt. In een tijd waarin de druk op de ruimte toeneemt en duurzaamheid een steeds grotere rol speelt, vraagt dit om een zorgvuldige afweging van functies in het buitengebied. Ontwikkelingen in het buitengebied In de visie krijgt het buitengebied bijzondere aandacht. Daarbij wordt erkend dat naast agrarische bedrijven ook andere typen bedrijvigheid aanwezig zijn of kunnen ontstaan. De gemeente staat open voor kleinschalige, niet-hinderlijke bedrijven die niet passen in een woonwijk, maar ook niet thuishoren op een bedrijventerrein. Het gaat daarbij om ambachtelijke of agrarisch verwante activiteiten die weinig overlast veroorzaken.

De visie benoemt expliciet dat voormalige agrarische gebouwen kansen bieden voor zulke functies.De voorgenomen ontwikkeling aan de Hoogstraat 8 te Gilze sluit hier direct bij aan. De bestaande pluimveehouderij wordt beëindigd en de locatie wordt omgeschakeld naar statische opslag, met akkerbouw als nevenactiviteit. De statische opslag is een functie met een zeer lage milieubelasting en beperkt aantal verkeersbewegingen, zeker in vergelijking met de voormalige intensieve veehouderij. Bovendien is dit type bedrijvigheid, gezien de aard en schaal, niet passend op bedrijventerreinen, maar juist wel in een voormalig agrarisch erf in het buitengebied. De blijvende akkerbouwactiviteiten zorgen daarnaast voor een functionele en landschappelijke binding met de agrarische sector. Raakeind en de bebouwingsconcentratie De locatie ligt binnen het gebied Raakeind, waar de gemeentelijke visie inzet op het versterken van de 30

omgevingskwaliteit door middel van herontwikkeling en het omzetten van intensieve veehouderijen naar beter passende functies. De ontwikkeling aan de Hoogstraat 8 past uitstekend binnen deze koers: een intensieve veehouderij maakt plaats voor een rustige, niet-hinderlijke functie die beter aansluit bij de omgeving. Hierdoor wordt zowel de ruimtelijke kwaliteit als de leefomgeving versterkt. Ontwikkelingsrichting “Oude landschappen” Het plangebied ligt in het gebied dat in de visie is aangeduid als ‘oude landschap’ rondom Gilze. Voor deze gebieden gelden de volgende beleidsuitgangspunten: het kleinschalige karakter van het landschap blijft behouden, met kenmerkende elementen als bomenrijen, waterlopen en groene structuren; er is weinig ruimte voor agrarische groei, maar juist wel ruimte voor nieuwe functies met een duidelijke band met het buitengebied; zorgvuldige inpassing van nieuwe functies is essentieel, met respect voor bestaande structuren en de historische opbouw van het landschap. De functiewijziging van intensieve veehouderij naar statische opslag voldoet aan deze uitgangspunten. De ontwikkeling gaat gepaard met het inperken van het bouwvlak, het hergebruik van bestaande bebouwing en de uitvoering van een landschappelijk inpassingsplan dat door de gemeente is goedgekeurd.

Daarmee wordt zorgvuldig omgegaan met de ruimte en is geborgd dat het erf landschappelijk past binnen de karakteristieken van het oude landschap. 4.4.2 Gemeentelijk waterbeleid Gilze en Rijen Verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2021- 2025 (vGRP) Het waterbeleid van de gemeente Gilze en Rijen is vastgesteld in het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025. In het waterbeleid zijn de zorgplichten uit de Waterwet eerder ingevuld. Het gemeentelijke waterbeleid schrijft onder meer voor dat stedelijke afvalwater, hemelwater en grondwater op een deugdelijke manier moeten worden ingezameld, geborgen, getransporteerd en/of lokaal gezuiverd. Alle nieuwe nieuwbouw- en herstructureringsprojecten dienen in principe hydrologisch neutraal te worden uitgevoerd waarbij de wettelijke voorkeursvolgorden gehanteerd worden. Hemelwater wordt daarom, ook als er geen toename is van verhard oppervlak, bij voorkeur in de bodem geïnfiltreerd en schoon gehouden. Bij vervanging geldt een bergingsnorm van minimaal 7 mm (7 liter per m2 of 70 m3 per hectare) voor het vernieuwd verhard oppervlak. Voor de toename van het toekomstige aangesloten verhard oppervlak (daken en verharding) geldt conform het gemeentelijk beleid een norm van minimaal 60 mm voor het nieuwe verhard oppervlak. Hierdoor dient er voor de nieuwe loods compenserende maatregelen getroffen te worden.

De gemeente rekent niet met een gevoeligheidsfactor. Oppervlakte wat niet aangepakt wordt, hoeft niet gecompenseerd te worden. De uitwerking van de compenserende maatregelen is opgenomen in paragraaf Afvoer van hemelwater (paragraaf 5.11.4). De bestaande watersystemen zoals greppels en vijvers dienen gehandhaafd te blijven tenzij de bergende, afvoerende, infiltrerende en drainerende functie gecompenseerd wordt.

31

Hoofdstuk 5

Afweging effecten op de fysieke leefomgeving

Een van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is het zorg dragen voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Om te bepalen of daar sprake van is moet een zorgvuldige afweging worden gemaakt van de mogelijke effecten van een ontwikkeling op de fysieke leefomgeving. Aan de hand van die afweging kan worden bepaald of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dit hoofdstuk wordt deze afweging gemaakt.

5.1

M.E.R.-beoordeling

Met het initiatief is geen sprake van activiteiten waarvoor een verplichting voor het opstellen van een milieueffectrapportage en/of een beoordelingsplicht geldt. Een verdere beoordeling is daarmee niet nodig. Vanuit de Omgevingswet geldt een verplichting voor het opstellen van een milieueffectrapportage als sprake is van een plan of programma dat aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Om te kunnen bepalen of sprake is van een dergelijk plan of programma dient eerst te worden bekeken welke activiteiten met het plan of programma mogelijk worden gemaakt en of deze activiteiten kunnen leiden tot aanzienlijke milieueffecten. In het Omgevingsbesluit is, in bijlage V daarvan, een overzicht opgenomen voor welke activiteiten een beoordelingsplicht geldt. Komt een activiteit niet op de lijst uit bijlage V van het Omgevingsbesluit dan geldt voor die activiteit geen beoordelingsplicht en hoeft dus geen milieueffectrapportage te worden opgesteld. Als een activiteit wel op de lijst uit bijlage V van het Omgevingsbesluit voorkomt dan moet verder worden bekeken wanneer sprake is van een beoordelingsplicht of wanneer er meteen een milieueffectrapportage moet worden gemaakt. Voor elk van de in de lijst voorkomende activiteiten zijn gevallen opgenomen wanneer voor die activiteit een beoordelingsplicht geldt.

Daarnaast is in de lijst voor elk van deze activiteiten opgenomen wanneer een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Het initiatief maakt de beëindiging van een intensieve veehouderij en omschakeling naar een bedrijfsfunctie met statisch opslag en akkerbouw als nevenactiviteit mogelijk. Daarbij worden geen activiteiten uitgevoerd die zijn opgenomen in de lijst uit bijlage V van het Omgevingsbesluit en/of waarvoor een beoordelingsplicht geldt. Het initiatief zal daarom niet leiden tot aanzienlijke milieueffecten, waarmee een verdere beoordeling niet nodig is.

5.2

Activiteiten en milieuzonering

Binnen de geluidruimte zone en geurruimte zone van de locatie zijn geen gevoelige gebouwen gelegen. Daarmee zal het initiatief niet leiden tot een overschrijding van de maximale waarden voor geluid en geur die de activiteiten mogen veroorzaken op gevoelige gebouwen. Met het initiatief worden geen nieuwe gevoelige gebouwen opgericht en is geen sprake van het wijzigen van de functie van een bestaand gevoelig gebouw. Er is daarmee geen sprake van een mogelijke beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies en/of bedrijven. In de Omgevingswet is het belangrijk dat er sprake is van een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Dat wil zeggen dat het ruimtelijke spoor en het milieuspoor verder samen geïntegreerd worden. Deze integratie vindt plaats op lokaal niveau en wordt geregeld in het omgevingsplan. In de praktijk vraagt dit om maatwerk met een lokale afweging per locatie in plaats van een meer algemene afweging. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in 2024 de publicatie “Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet” met de daarbij behorende staalkaart en tabel met activiteiten gepubliceerd. De kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te regelen op basis van een voor een locatie beschikbare milieuruimte per activiteit, aan de hand van concrete milieuwaarden.

Er wordt daarbij vooral ingegaan op “Geluid door activiteiten” en “Geur”, uit de Omgevingswet, zoals zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Met de publicatie kan beter een inschatting worden gemaakt of een activiteit voor wat betreft de benodigde gebruiksruimte voor geluid en geur in een bepaald gebied inpasbaar is. In de tabel met activiteiten die de VNG bij de publicatie heeft opgenomen zijn voor elk van de activiteiten zogenaamde “geluidruimte zones” en “geurruimte zones” opgenomen. Binnen deze zones zijn in de 32

publicatie richtwaarden voor geluid en geur opgenomen waaraan een activiteit moet voldoen. Met andere woorden, de activiteit mag maximaal de richtwaarden aan geluidhinder en geurhinder veroorzaken op gevoelige gebouwen die binnen de “geluidruimte zone” en “geurruimte zone” van die activiteit gelegen zijn. De zones en richtwaarden van de VNG zijn richtlijnen en geen harde normen. Uiteindelijk bepaalt de gemeente zelf bij het opstellen van het omgevingsplan welke waarden, normen en afstanden aangehouden moeten worden. Voor nieuwe activiteiten bieden de zones en richtwaarden echter wel een goed eerste toetsingskader. In de publicatie van de VNG wordt onderscheid gemaakt tussen gebieden die zijn aan te merken als “rustige woonwijk/rustig buitengebied” en gebieden die zijn aan te merken als “gemengd gebied”. Een gemengd gebied is een gebied waarin meerdere functies naast elkaar voorkomen of een gebied dat aan een (drukke) ontsluitingsweg ligt. In een dergelijk gebied is een zekere mate van hinder te verwachten, waardoor in gemengde gebieden meer ruimte is voor activiteiten. De locatie is gelegen in een gebied waarin verschillende functies naast elkaar voorkomen, kenmerkend voor een gemengd buitengebied. Dit betekent dat er zowel agrarische activiteiten als niet-agrarische functies binnen een relatief korte afstand van elkaar aanwezig zijn.

Binnen een straal van 100 meter van het plangebied bevinden zich meerdere burgerwoningen, agrarische bedrijven, zowel intensieve veehouderij als extensieve landbouw, en daarnaast niet-agrarische functies zoals een paardenpension. Deze combinatie van functies, wonen, diverse vormen van agrarische bedrijvigheid en aanverwante niet-agrarische activiteiten, zorgt voor een multifunctioneel en gemengd karakter van het gebied. Daarmee kan het gebied niet als louter rustig buitengebied worden aangeduid, maar verdient het de kwalificatie van gemengd gebied, waarin verschillende gebruiksvormen naast elkaar bestaan en elkaar beïnvloeden. Het initiatief maakt de beëindiging van een intensieve veehouderij en de omschakeling naar bedrijfsfunctie ten behoeve van statische opslag met als nevenactiviteit akkerbouw mogelijk. Een dergelijke activiteit (opslag en akkerbouw) valt, vanuit de tabel met activiteiten van de VNG, onder geluidruimte zone 1 en onder geurruimte zone FM. Omdat de locatie in een gemengd gebied gemengd gebied is gelegen is de geluidruimte zone 10 meter en de geurruimte zone 0 meter groot. Wanneer binnen deze afstanden van de locatie voor geluid en/of geur gevoelige gebouwen zijn gelegen dan moet worden gekeken of met de activiteit aan de maximale waarden voor geur en geluid kan worden voldaan.

Binnen zowel de geluidruimte zone als de geurruimte zone die voor de activiteit geldt zijn geen gevoelige gebouwen gelegen. Het dichtstbijzijnde gevoelig gebouw betreft de woning aan de Hoogstraat 9 en is gelegen op een afstand van ongeveer 12 meter van de locatie (gemeten van bouwvlak tot bouwvlak). Het is daarmee niet te verwachten dat het initiatief zal leiden tot een overschrijding van de maximale waarden voor geluid en geur die het mag veroorzaken op de daarvoor gevoelige gebouwen. Met het initiatief worden geen nieuwe gevoelige gebouwen opgericht. Daarnaast is geen sprake van het wijzigen van de functie van een bestaand gevoelig gebouw op de locatie. Het initiatief zal daarom niet leiden tot een mogelijke (verdere) beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies en/of bedrijven.

5.3

Geluid

Bij het initiatief is geen sprake van het uitvoeren van activiteiten waarvoor in ieder geval een akoestisch onderzoek nodig is. Daarnaast zijn binnen de geluidruimte zone van de activiteiten die op de locatie worden uitgevoerd geen geluidgevoelige gebouwen gelegen. Er zal daarmee geen sprak e zijn van geluidhinder aan geluidgevoelige gebouwen in de omgeving. Er is daarnaast geen sprake van het oprichten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen en/of van het wijzigen van de functie van bestaande geluidgevoelige objecten. Er zal daarmee dan ook geen sprake zijn van de belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies, bedrijven en/of activiteiten. Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat geluidgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluid van activiteiten in de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; 33

gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Gemeenten moeten voor de bescherming van deze geluidgevoelige gebouwen regels opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels die gemeenten bij het opstellen van het omgevingsplan in acht moeten nemen. In deze instructieregels staan standaardwaarden en grenswaarden. Binnen deze waarden hebben gemeenten de ruimte om naar eigen inzicht normen in het omgevingsplan op te nemen die zij voor de geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar vinden. De geldende normen voor wat betreft geluid zijn dan ook opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente. Ook mag een gemeente in het omgevingsplan nog extra gebouwen aanwijzen als geluidgevoelig gebouw als daar voldoende aanleiding voor is. Dit moet door de gemeente dan wel goed worden onderbouwd in het omgevingsplan. De gemeente Gilze en Rijen heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor geluid hebben opgenomen is de zogenaamde “bruidsschat” van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen.

De “bruidsschat” valt onder het zogenaamde “omgevingsplan van rechtswege” en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend. In het geldende omgevingsplan zijn een aantal activiteiten opgenomen waarvoor in ieder geval een akoestisch onderzoek wordt gevraagd. Dit betreffende volgende activiteiten: Activiteiten waarbij tussen 19:00 en 7:00 per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen met een gewicht (voertuig inclusief lading) van meer dan 3.500 kilogram en binnen 50 meter van geluidsgevoelige gebouwen (anders dan bij een tankstation of horecagelegenheid). Wanneer sprake is van agrarische activiteiten dan geldt deze verplichting alleen tussen 19:00 en 6:00. Het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 meter (als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving). Het overslaan van metalen in bulk in de buitenlucht of het mechanisch bewerken van metalen in de buitenlucht. Het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden. Het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken. Het vervaardigen van betonmortel of betonwaren. Een binnenschietbaan op minder dan 50 meter van een geluidsgevoelig gebouw.

Een buitenschietbaan voor zover sprake is van een civiele of militaire schietbaan of militair springterrein (voor traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden is geen onderzoek nodig). Activiteiten waarbij muziek ten gehore wordt gebracht dat een equivalent geluidsniveau veroorzaakt van 70 decibel in- of aanpandig met geluidsgevoelige gebouwen en van 80 decibel in andere gevallen of wanneer muziek ten gehore wordt of zal worden gebracht in de buitenlucht. Bij het initiatief worden geen van de voorgaande activiteiten uitgevoerd. Er is daarmee geen sprake van activiteiten ter plaatse waarvoor in ieder geval een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Wel moet met de het initiatief aan de normen die gelden voor geluid uit het geldende omgevingsplan worden voldaan. Binnen de geluidruimte zones, zoals zijn opgenomen in de tabel met activiteiten van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) voor statische opslag en akkerbouw, welke 10 meter bedraagt, zijn geen geluidgevoelige gebouwen gelegen. Daarmee kan het initiatief, ook met een eventuele kleine toename van het ter plaatse geproduceerde geluid, blijven voldoen aan de in het geldende omgevingsplan opgenomen normen voor geluid.

Eventuele hinder naar de omgeving is, mede vanwege de grote afstand tot geluidgevoelige gebouwen (in ieder geval groter dan de geluidruimte zone van 10 meter), dan ook niet te verwachten. Bij het initiatief worden geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen opgericht en worden geen bestaande geluidgevoelige gebouwen van functie veranderd. Er zal daarmee geen sprake zijn van een mogelijke 34

verdere beperking van functies, bedrijven en/of activiteiten in de omgeving. 5.3.1 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Met het initiatief worden geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen opgericht en/of worden geen bestaande geluidgevoelige gebouwen van functie veranderd. Een nadere afweging op dit punt is daarmee niet nodig. Als een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt opgericht of als een bestaand geluidgevoelig gebouw van functie wordt veranderd dan moet worden gekeken of kan worden voldaan aan de normen die zijn opgenomen in het geldende omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn standaardwaarden en grenswaarden opgenomen voor geluid op geluidgevoelige gebouwen. Voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen moet binnen de zogenaamde aandachtszones voor geluid die daaromheen gelegen zijn een nadere afweging van de geluidbelasting op nieuwe geluidgevoelige gebouwen en/of geluidgevoelige gebouwen die van functie worden veranderd te worden gemaakt. In het geldende omgevingsplan moeten gemeenten daarvoor aanvullende regels opnemen voor de bescherming van geluidgevoelige gebouwen binnen de aandachtszones van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Bij het initiatief is geen sprake van het oprichten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen en/of van de wijziging van bestaande geluidgevoelige gebouwen.

Er is daarmee geen verdere afweging van het geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen nodig.

5.4

Geur

Bij het initiatief is geen sprake van activiteiten met een emissie van geur. Er is daarmee geen sprake van geurhinder aan geurgevoelige gebouwen in de omgeving. Er is daarnaast geen sprake van het oprichten van nieuwe geurgevoelige gebouwen en/of van het wijzigen van de functie van bestaande geurgevoelige gebouwen. Er zal daarmee dan ook geen sprake zijn van de belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies, bedrijven en/of activiteiten. Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat geurgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geur van activiteiten in de omgeving. Gemeenten moeten hier regels voor opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels die gemeenten bij het opstellen van het omgevingsplan in acht moeten nemen. In deze instructieregels staan standaardwaarden en grenswaarden. Binnen deze waarden hebben gemeenten de ruimte om naar eigen inzicht normen in het omgevingsplan op te nemen die zij voor de geurbelasting op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar vinden. De geldende normen voor wat betreft geur zijn dan ook opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente. Met het initiatief wordt de beëindiging van een intensieve veehouderij en omschakeling naar een bedrijfsfunctie met statisch opslag en akkerbouw als nevenactiviteit mogelijk gemaakt.

Een statische opslag en akkerbouwactiviteiten veroorzaakt geen geurhinder op geurgevoelige gebouwen. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot geurhinder aan geurgevoelige gebouwen in de omgeving. Bij het initiatief is geen sprake van het oprichten van nieuwe geurgevoelige gebouwen en/of van de wijziging van bestaande geurgevoelige gebouwen. Omliggende functies, bedrijven en/of activiteiten zullen daarmee niet verder in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.

5.5

Kwaliteit van de buitenlucht

Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat aandacht wordt geschonken aan een aanvaardbare kwaliteit van de buitenlucht (ook wel de luchtkwaliteit genoemd). Gemeenten moeten hier regels voor opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels om een verslechtering van de luchtkwaliteit te voorkomen. Deze regels hebben de bedoeling de luchtkwaliteit te beschermen en te verbeteren.

35

5.5.1 Luchtkwaliteit door activiteiten De locatie is niet in een van de aangewezen aandachtsgebieden of in de buurt van een van deze gebieden gelegen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een verhoging van de concentraties in de aandachtsgebieden door de uitgevoerde activiteiten. Gemeenten moet voor een aantal activiteiten de zogenaamde rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen. Behalve als een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. De gemeente moet de luchtkwaliteit vooral toetsen binnen aangewezen aandachtsgebieden. De gemeente gaat na of toe te laten activiteiten gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit binnen een aandachtsgebied. De gemeente doet dit voor activiteiten: die gevolgen hebben voor het gebruik van wegen, water en spoor (verkeersaantrekkende werking); of waarvoor luchtregels zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Het kan dus ook gaan om activiteiten in een omgevingsplan van een gemeente in de buurt van een aandachtsgebied. Het gaat erom of de effecten zich uitstrekken tot binnen een aandachtsgebied. De locatie is niet in een aangewezen aandachtsgebied of in de buurt van een aangewezen aandachtsgebied gelegen.

Er zal daarmee geen sprake zijn van een activiteit die kan leiden tot een verhoging van de concentratie van fijnstof en/of stikstofoxiden in de aandachtsgebieden. Met het initiatief is geen sprake van een grootschalige infrastructurele of industriële ontwikkeling en geen sprake van een veehouderijbedrijf. De uitstoot van fijnstof en/of stikstofoxiden zal met het initiatief sterk afnemen. Daarmee is het initiatief aan te merken als NIBM ontwikkeling en zal geen sprake zijn van een verhoging van de concentratie van fijnstof en/of stikstofoxiden in de aandachtsgebieden als gevolg van de ter plaatse uitgevoerde activiteiten. 5.5.2 Luchtkwaliteit door verkeer De locatie is niet in een van de aangewezen aandachtsgebieden of in de buurt van een van deze gebieden gelegen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een verhoging van de concentraties in de aandachtsgebieden door het verkeer als gevolg van het initiatief. Naast de eventuele bijdrage van activiteiten aan de luchtkwaliteit moet ook gekeken worden naar de bijdrage van het verkeer als gevolg van het initiatief aan de luchtkwaliteit. Ook voor het verkeer moet worden nagegaan of dit gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit binnen een aandachtsgebied. De locatie is niet in een van de aangewezen aandachtsgebieden of in de buurt van een van deze gebieden gelegen.

Er zal daarmee geen sprake zijn van een verhoging van de concentratie van fijnstof en/of stikstofoxiden in de aandachtsgebieden. Voor het initiatief is een berekening gemaakt met behulp van de NIBM-rekentool van InfoMil. Daarbij zijn alle verkeersbewegingen als gevolg van het initiatief meegenomen en niet alleen de toename van het aantal verkeersbewegingen zodat een betere inschatting kan worden gemaakt van de bijdrage van het verkeer als gevolg van het initiatief. In de volgende afbeelding zijn de resultaten van deze berekening weergegeven.

36

Resultaten NIBM-rekentool. Bron: InfoMil. Zoals blijkt uit de resultaten van de NIBM-rekentool is de bijdrage van het verkeer niet groter dan 1,2 µg/m³, waarmee sprake is van een NIBM ontwikkeling. Het verkeer als gevolg van het initiatief zal daarmee niet leiden tot een verhoging van de concentratie van fijnstof en/of stikstofoxiden in de aandachtsgebieden.

5.5.3 Luchtkwaliteit op de locatie De locatie is niet in een van de aangewezen aandachtsgebieden of in de buurt van een van deze gebieden gelegen. Buiten de aandachtsgebieden wordt aan de normen voor luchtkwaliteit voldaan, waarmee geen verdere afweging van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving nodig is. Als een nieuw gevoelig gebouw wordt opgericht of als een bestaand gevoelig gebouw van functie wordt veranderd dan dient sprake te zijn van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. De luchtkwaliteit maakt deel uit van deze veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Het is daarom van belang dat wanneer sprake is van een nieuw of te wijzigen gevoelig gebouw dat aan de normen voor luchtkwaliteit kan worden voldaan om een veilige en gezonde fysieke leefomgeving te kunnen waarborgen. Vanuit het geldende omgevingsplan geldt ter plaatse van de locatie dat de achtergrondconcentraties van fijnstof (PM10) en stikstofoxiden (NO2) op gevoelige gebouwen niet meer dan 40 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) bedragen. Volgens gegevens uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarin de actuele concentraties zijn opgenomen, bedragen de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden ter plaatse van de locatie 12,74 µg/m³ (fijnstof) en 10,84 µg/m³ (stikstofoxiden). Dit is in de volgende afbeeldingen weergegeven.

37

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof (PM10). Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie stikstofoxiden (NO2). Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM. Voor de kleinere fijnstof deeltjes (PM2,5) geldt echter een aangepaste norm dan voor de deeltjes met een grotere omvang (PM10). Voor de kleinere fijnstof deeltjes geldt een norm van 25 µg/m³. Ook voor de kleinere fijnstofdeeltjes (PM2,5) is in de Atlas Leefomgeving van het RIVM een actuele achtergrondconcentratie opgenomen. Volgens de gegevens uit de Atlas Leefomgeving bedraagt de achtergrondconcentratie van fijnstofdeeltjes PM2,5 ter plaatse 8,08 µg/m³. Dit is in de volgende afbeelding weergegeven.

38

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof (PM2,5). Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM. Op de locatie wordt daarmee aan de geldende normen voor luchtkwaliteit voldaan. Daarmee is een veilige en gezonde fysieke leefomgeving voldoende afgewogen.

5.6

Veiligheid in de leefomgeving

Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar de veiligheid in de fysieke leefomgeving. Zo kunnen zij een brand, ramp of crisis voorkomen of de gevolgen daarvan beperken. De omgevingsveiligheid, of ook wel externe veiligheid genoemd, krijgt daarom een belangrijke plaats in de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Gemeenten moeten regels opnemen in het omgevingsplan over veiligheid in de leefomgeving. Dit is vooral belangrijk als in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen worden toegestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. Bij het afwegen van de mogelijke effecten ten aanzien van de veiligheid in de leefomgeving wordt gekeken naar het plaatsgebonden risico en naar het groepsrisico. Plaatsgebonden risico: In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels over het plaatsgebonden risico voor het omgevingsplan. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht nemen voor zeer kwetsbare en kwetsbare gebouwen en/of locaties. Bij beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties moeten gemeenten rekening houden met de grenswaarde. Zij mogen daar bij beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties dus, als zij dit goed afwegen en onderbouwen, van afwijken.

De waarden voor het plaatsgebonden risico worden ruimtelijk vertaald in afstanden tot gebouwen en locaties. (Zeer) kwetsbare gebouwen en locaties mogen niet binnen de plaatsgebonden risicocontour (PR-10-6-contour) van een activiteit komen. Beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties mogen in beginsel ook niet binnen een PR-10-6-contour van een activiteit komen, maar hiervoor kan de gemeente, mits goed onderbouwd, maatwerk toepassen. Daarnaast gelden de regels over het plaatsgebonden risico ook wanneer de gemeente een risicovolle activiteit wil toelaten of vergunnen. Groepsrisico: Daarnaast staan in het Bkl regels over het groepsrisico. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde aandachtsgebieden. Binnen deze aandachtsgebieden moeten gemeenten in het omgevingsplan rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. De gemeente kan diverse maatregelen inzetten om mensen te beschermen binnen de 39

aandachtsgebieden. Hiervoor kunnen zij in het omgevingsplan aanvullende regels opnemen of specifieke voorschriftengebieden aanwijzen, waarbinnen aanvullende regels en eisen gelden voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Gemeenten moeten in het omgevingsplan concrete regels opnemen over het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De gemeente Gilze en Rijen heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan opgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor veiligheid in de leefomgeving hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit het Bkl en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend. Ontplofbare Oorlogsresten Explosieven en oorlogsresten kunnen leiden tot gevaren bij graafwerkzaamheden. Niet-ontplofte explosieven, ook wel explosieven en oorlogsresten genoemd, een groot gevaar vormen wanneer ze worden aangeraakt of verplaatst, vooral bij werkzaamheden in de (water)bodem. Door rekening te houden met de aanwezigheid van explosieven, kunnen risico's bij graaf- en bouwwerkzaamheden geminimaliseerd worden.

Onderzoek en motivering Met het initiatief is sprake van graafwerkzaamheden. Deze vinden echter geheel plaats op een bestaand erf. De nieuwbouw zal voor een groot deel op dezelfde plaats als de te slopen stallen worden gebouwd. Het risico op ongevallen door explosieven en oorlogsresten op het erf is minimaal. Indien nodig worden graaf- en baggerwerkzaamheden aangepast, bijvoorbeeld door het gebruik van specifieke technieken die minder risico met zich meebrengen bij de omgang met potentieel explosieve materialen. 5.6.1 Plaatsgebonden risico Met het initiatief is sprake van het uitvoeren en/of wijzigen van een risicovolle activiteit. Er zal echter geen sprake zijn van onaanvaardbare risico's voor de veiligheid aan de omgeving. De locatie is niet binnen de plaatsgebonden risicocontour van een risicovolle activiteit en/of risicovolle transportroute gelegen. Er zal op de locatie daarmee geen sprake zijn van risico's voor de veiligheid vanuit het plaatsgebonden risico. Het plaatsgebonden risico geldt voor activiteiten die zijn opgenomen in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en/of voor het oprichten van beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen en/of locaties nabij risicovolle inrichtingen. Het initiatief maakt een statische opslag en akkerbouw mogelijk.

Deze activiteiten betreffen geen activiteiten die zijn opgenomen in bijlage VII van het Bkl en zijn daarmee niet als risicovolle activiteiten aan te merken. Het initiatief zal voor wat betreft het plaatsgebonden risico daarmee niet leiden tot risico's voor de veiligheid aan zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties in de omgeving. Op de locatie is in de huidige situatie een propaantank aanwezig. Deze zal in de beoogde situatie komen te vervallen. Daarmee zijn de risico's voldoende afgewogen en worden deze als aanvaardbaar beschouwd. Verder is het belangrijk om te onderzoeken of nabij een locatie risicovolle activiteiten plaatsvinden. Risicovolle activiteiten en transportroutes zijn opgenomen in de kaart “Veilige omgeving” uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). In de volgende afbeelding is weergegeven welke risicovolle activiteiten en/of transportroutes mogelijk aanwezig zijn in de omgeving van de locatie.

40

U itsnede kaart "Veilige omgeving" uit de Atlas Leefomgeving. Bron: RIVM. De locatie is, zoals te zien in de voorgaande afbeelding, niet binnen de PR10-6-contour van een risicovolle activiteit en/of transportroute gelegen. Er zal daarmee op de locatie geen sprake zijn van mogelijke risico's voor de veiligheid vanuit het plaatsgebonden risico. 5.6.2 Groepsrisico Met het initiatief is sprake van het uitvoeren en/of wijzigen van een risicovolle activiteit. Er zal echter geen sprake zijn van onaanvaardbare risico's voor de veiligheid aan de omgeving. Voor zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties binnen een aandachtsgebied van een risicovolle activiteit en/of transportroute moet een aanvullende afweging worden gemaakt van het groepsrisico. Wanneer binnen een aandachtsgebied nieuwe zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties worden gerealiseerd kunnen gemeenten aanvullende voorschriften verbinden aan de nieuwbouw of vervangende nieuwbouw van gebouwen. De aandachtsgebieden zijn onderverdeeld in drie categorieën, namelijk brandaandachtsgebieden, explosieaandachtsgebieden en gifwolkaandachtsgebieden. De grootte van de aandachtsgebieden is gelijk aan de veiligheidsafstand betreffende het risico waarvoor het aandachtsgebied is vastgelegd. Het initiatief maakt statische opslag en akkerbouw mogelijk.

Een bedrijfsfunctie bestaande uit statische opslag en akkerbouw betreft, zoals al omschreven bij de toetsing aan het plaatsgebonden risico, geen risicovolle activiteit. Het initiatief zal daarmee voor wat betreft het groepsrisico niet leiden tot risico's voor de veiligheid aan zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties in de omgeving. Verder is het belangrijk om te onderzoeken of nabij een locatie risicovolle activiteiten plaatsvinden. Risicovolle activiteiten en transportroutes zijn opgenomen in de kaart “Veilige omgeving” uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). In de volgende afbeelding is weergegeven welke risicovolle activiteiten en/of transportroutes mogelijk aanwezig zijn in de omgeving van de locatie.

41

U itsnede kaart "Veilige omgeving" uit de Atlas Leefomgeving. Bron: RIVM. De locatie is, zoals te zien in de voorgaande afbeelding, niet binnen een van de aandachtsgebieden van een risicovolle activiteit en/of transportroute gelegen. Er zal daarmee op de locatie geen sprake zijn van mogelijke risico's voor de veiligheid vanuit het groepsrisico.

5.7

Bodemkwaliteit

Voor het initiatief is een bodemonderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater op de locatie geschikt zijn voor de gewenste functies. Vanuit de Omgevingswet wordt ingezet op het beschermen en verbeteren van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Voor wat betreft bodem is het daarbij belangrijk om nieuwe verontreinigingen en aantastingen van de bodem te voorkomen. Daarnaast is een goede afweging nodig van de balans tussen eventuele risico's voor het milieu en voor de gezondheid en van activiteiten die maatschappelijk wenselijk zijn als sprake is van een bodem of van grondwater met een mindere kwaliteit. Gemeenten moeten hiervoor regels opnemen in het omgevingsplan. In het geldende omgevingsplan zijn aanvullende regels opgenomen voor activiteiten die de bodem of het grondwater kunnen verontreinigen. Daarnaast geldt in beginsel een verbod op het bouwen op verontreinigde bodem. Om te beoordelen of ter plaatse van de locatie sprake is van een mogelijke verontreiniging van de bodem en/of van het grondwater is door een deskundige op het gebied van bodem een bodemonderzoek uitgevoerd.

Uit dit onderzoek komen enkele van de volgende conclusies: "De waarden van de onderzochte stoffen van de geanalyseerde mengmonsters en het grondwater ter plaatse van de verdachte deellocaties voldoen aan de gestelde criteria uit Omgevingswet en Omgevingsverordening Noord-Brabant voor het beoogde gebruik. Het aangetoonde gehalte aan PCB in het onderzochte monster voldoet eveneens aan de rest-concentratienorm voor asbest in bodem. Het aangetoonde gehalte aan asbest in het onderzochte monster voldoet eveneens aan de rest-concentratienorm voor asbest in bodem. De bodemkwaliteit ter plaatse van het overige terrein binnen de onderzoekslocatie vormt geen belemmering voor de beoogde functiewijzging binnen de agrarische bestemming en bouw van een opslagloods. De eventueel bij werkzaamheden vrijkomende grond is op of buiten het onderzoeksterrein herbruikbaar. Indien vrijkomende grond van de locatie afgevoerd dient te worden, dient men rekenin gte houden met de regels van het vigerende Besluit Bodemkwaliteit, het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het tijdelijk deel van een gemeentelijk Omgevingsplan."

42

Het volledige rapport van het uitgevoerde bodemonderzoek is opgenomen als “Bijlage 4”. Hieruit blijkt dat dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater op de locatie geschikt zijn voor de gewenste functies.

5.8

Natuur en natuurlijke waarden

De natuur maakt volgens de definitie uit de Omgevingswet onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. De bescherming van de natuur en de natuurlijke waarden maakt daarmee deel uit van de Omgevingswet. Zowel de Rijksoverheid als de provincies en gemeenten nemen doelstellingen op in hun eigen omgevingsvisie om de natuur en natuurlijke waarden te beschermen. Daarnaast kunnen provincies aanvullende regels voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden opnemen in de omgevingsverordening en kunnen gemeenten dit doen in het omgevingsplan. Onder de Omgevingswet is in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) een specifieke zorgplicht opgenomen voor de bescherming van Natura 2000 gebieden, houtopstanden en soorten flora en fauna. Daarnaast geldt vanuit de Omgevingswet een algemene zorgplicht voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden, waarbij ook het Natuurnetwerk Nederland beschermd moet worden. 5.8.1 Natura 2000-gebieden Met het initiatief is geen sprake van het uitvoeren van een Natura 2000-activteit. Er zal daarmee geen sprake zijn van significant nadelige gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Om de natuur te beschermen heeft de Rijksoverheid regels vastgesteld over activiteiten die een Natura 2000-gebied kunnen benadelen.

Degene die een dergelijke activiteit uitvoert moet voldoen aan die regels, zoals de specifieke zorgplicht en een verplichting tot het geven van informatie bij zogenaamde “ongewone voorvallen”. Ook kan hierbij een omgevingsvergunning verplicht zijn. Voor de bescherming van Natura 2000-gebieden wordt onderscheid gemaakt in Natura 2000-activiteiten (activiteiten die significant nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied) en activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, maar waarbij deze zeker niet significant zijn. Een Natura 2000-activiteit kan plaatsvinden in een Natura 2000-gebied. Maar heel vaak vindt de activiteit juist plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect op het Natura 2000-gebied hebben. Dit wordt dan de “externe werking van een Natura 2000-gebied” genoemd. Als het effect significant kan zijn, moet de initiatiefnemer meestal een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit hebben. Als een activiteit niet significant is dan is geen sprake van een Natura 2000-activiteit en is meestal geen omgevingsvergunning nodig. Om te bepalen of een activiteit significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden moet worden gekeken of de activiteit de instandhoudingsdoelen van het betreffende Natura 2000-gebied in gevaar kan brengen.

Activiteiten die de kwaliteit van de habitats (leefgebieden) kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen zijn daarbij aan te merken als significant. Vanuit de specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden is het van belang om te bepalen of nadelige gevolgen op de betreffende gebieden zijn uit te sluiten. Als nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten dan moet worden nagegaan wat de nadelige gevolgen zijn en moeten maatregelen worden genomen om verslechterende of verstorende gevolgen te voorkomen. Als deze maatregelen ook niet mogelijk blijken of geen effect blijken te hebben dan moet de activiteit stoppen of moeten passende herstelmaatregelen worden getroffen. Zoals te zien in de volgende afbeelding is de locatie niet in een Natura 2000-gebied gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Ulvenhoutse Bos, is gelegen op een afstand van ongeveer 5,3 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand kunnen activiteiten die op de locatie worden uitgevoerd nadelige gevolgen hebben op de betreffende gebieden. Daarom moet eerst verder worden bekeken welke activiteiten nadelige gevolgen kunnen hebben op de betreffende gebieden.

43

U itsnede kaart Natura 2000-gebieden. Bron: Aerius Calculator. Activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben op Natura 2000-gebieden zijn vooral de uitstraling van licht, geluid en trillingen naar de betreffende gebieden en de depositie (neerslag) van stikstof op de betreffende gebieden. Vanwege de grote afstand van de locatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied zullen de effecten van de eventuele uitstraling van geluid, licht en/of trillingen die de activiteiten op de locatie kunnen veroorzaken niet leiden tot nadelige gevolgen op Natura 2000-gebieden. Deze zullen vanwege de afstand in de betreffende gebieden niet merkbaar zijn. De depositie van stikstof op de betreffende gebieden kan echter ook op grotere afstand leiden tot nadelige effecten. Met het initiatief wordt de beëindiging van een intensieve veehouderij en omschakeling naar een bedrijfsfunctie met statisch opslag en akkerbouw als nevenactiviteit mogelijk gemaakt. Een statische opslag en akkerbouw hebben geen emissie van ammoniak en/of van stikstofoxiden. Verder kunnen verkeersbewegingen nog leiden tot een toename van de emissie van stikstofoxiden. Zoals echter omschreven in de paragraaf “Verkeersbewegingen” (paragraaf 5.13.3) zal het initiatief niet leiden tot een toename van het aantal verkeersbewegingen.

Ook vanuit het verkeer van en naar de locatie zal daarmee geen sprake zijn van een toename van de emissie van stikstofoxiden. Omdat geen sprake is van een toename van de emissie van ammoniak en/of stikstofoxiden zal geen sprake zijn van een toename van de depositie van stikstof in de betreffende gebieden, waarmee het initiatief geen significant nadelige gevolgen zal hebben op de Natura 2000-gebieden. Er is daarmee geen sprake van het uitvoeren van een Natura 2000-activiteit. Voor het initiatief zijn met het rekenprogramma Aerius Calculator berekeningen gemaakt om te bepalen of sprake is van een toename van de depositie van stikstof in de betreffende gebieden. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat geen sprake zal zijn van een toename van de depositie van stikstof op Natura 2000-gebieden. De volledige resultaten van de uitgevoerde berekeningen zijn opgenomen als “Bijlage 5” en "Bijlage 6" Er is daarmee geen sprake van significant nadelige gevolgen op Natura 2000-gebieden, waarmee geen sprake is van het uitvoeren van een Natura 2000-activiteit. 44

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16924775/1